Technische en praktische voorschriften N TOP 26 CE & TOP 30 CE condenserende ketels met gestuwde afvoer Een onberispelijke werking kan slechts dan gewaarborgd worden, wanneer de technische voorschriften strikt opgevolgd worden. Wijzigingen voorbehouden. Wij verzoeken U deze voorschriften aandachtig te lezen en ze aan de gebruiker te overhandigen. Deze laatste dient ze zorgvuldig te bewaren.
VOOR UW VEILIGHEID : WAT TE DOEN BIJ GASGEUR ? • • • • • gaskraan dichtdraaien vensters openen geen elektrische schakelaars bedienen alle open vuur doven de gasmaatschappij, Uw installateur of RADSON verwittigen INHOUD blz.
- Heatronic instellingen - bediening van Heatronic - pompschakeling voor verwarmingsbedrijf kiezen - karakteristieken van de circulatiepomp - opwarmingsvermogen boiler - instellen van de antipendel blokkering - maximum aanvoertemperatuur instellen - inschakelen van de schakeldifferentie - automatisch antipendelprogramma - verwarmingsvermogen instellen - antipendeltijd warmhouden - ontluchtingsfunctie - sifonvulprogramma GASREGELING ONDERRICHTINGEN - nota voor de installateur - nota voor de gebruiker - contr
1. AANSLUITINGEN EN AFMETINGEN montageplaat Fig.
2. BESCHRIJVING VAN DE KETEL Condenserende gaswandketel met elektronische ontsteking, ionisatiebeveiliging, gestuwde afvoer en modulerende werking. Uitgerust met oververhittingbeveiliging. Met warmwaterbereiding (kan eventueel gecombineerd worden met de speciale Storamaxx-boiler).
3. TECHNISCHE GEGEVENS Type Max. nominaal vermogen (Pn max) - 40 / 30°C - 50 / 30°C - 80 / 60°C Max. nominale belasting (Qn max) Min. nominaal vermogen (Pn min) - 40 / 30°C - 50 / 30°C - 80 / 60°C Min.
4. OPBOUW VAN DE KETEL Fig. 2 4 6 6.1 7 8.1 9 15 18 18.1 20 27 29 32.
5. SCHEMA & FUNCTIES Fig. 3 4 6 6.1 7 8.1 9 13 14 15 18 20 26 27 29 29.1 30 32 33 35 36 43 44 45 46 47 48 52 52.
6. ELEKTRISCH SCHEMA Fig. 4 4.1 6 6.1 9 18 32 33 36 52 52.
7. INSTALLATIE Algemeen Deze ketel dient door een bevoegd installateur te worden geplaatst. Hij dient zich te houden aan de geldende nationale en plaatselijke voorschriften. In geval van twijfel dient hij zich te informeren bij de officiële instanties of bij SERVICO nv. Belangrijk De ketel waterpas hangen. Let erop de volgende minimumafstanden te voorzien : • tussen ketel en plafond 30 cm • onder de ketel minimum 30 cm • rondom de ketel 10 cm De ketel moet in een vorstvrije ruimte geïnstalleerd worden.
7.2 Montageplaat Bij de gasketel hoort deze afzonderlijk verpakte en eventueel vooraf leverbare montageplaat waarmee de leidingen reeds kunnen gemonteerd worden zonder de ketel. De verbinding tussen gasketel en montageplaat gebeurt met vijf dichtingen. Deze zijn opgehangen aan de onderkant van de gasketel. De afsluitkranen vergemakkelijken in belangrijke mate de eventuele demontage van de ketel. U dient de volledige set te gebruiken. Fig.
7.3 Bevestiging van de ketel Voorzie de twee ophangbouten zoals aangeduid in fig. 1 & 2 (nr. 120). Mantel demonteren (Fig. 8) f Verwijder de borgschroef rechts aan de zijkant (1). f Druk beide blokkeerhendels naar achteren (2). f Verwijder de mantel naar voren toe (3). Bevestiging voorbereiden f Teken de gaten aan voor het bevestigen van de ketel aan de muur en boor de gaten (zie fig. 1 & 2 (nr. 120). f Pluggen monteren. f Dichtingen op de nippels van de montageplaat leggen.
Reinigingsproducten : Product Restorer IC 20 (Superfloc Universal cleaner) Acitol-L Fabrikant Fernox Schilling Chemie Let op : De door de fabrikant voorgeschreven concentraties niet overschrijden ! Bij vorstgevaar moet de sanitaire kringloop geledigd kunnen worden door middel van een, apart te voorzien, leegloopkraantje. Dichtingproducten, om kleine lekken in de installatie tegen te gaan, mogen onder geen enkele voorwaarde in de ketel terechtkomen.
7.7 Elektrische aansluitingen 7.7.1 Bedrading De voorschriften van de plaatselijke elektriciteitsmaatschappij en van het algemeen reglement op de elektrische installaties (A.R.E.I.), moeten strikt opgevolgd worden. De ketel is IPX 4 D gekeurd en mag niet boven bad of douche, maximum in het beschermingsvolume, geplaatst worden. Vooraleer werken uit te voeren moet de stroomtoevoer onderbroken worden. De gasketels zijn volledig gekableerd en ontstoord. Afdekplaatje naar voor klappen en wegnemen (fig. 11).
7.7.2 Aansluiting van de kamerthermostaten TR 100 & TR 200 Waarschuwing : HET IS VERBODEN NIET-RADSON REGELAPPARATUUR AAN TE SLUITEN. De voordelen van de modulerende regeling en de daaruit voortvloeiende gasbesparing, kunnen enkel bekomen worden met RADSON-regelingen. Deze regelaars worden aangesloten aan de klemmen 1, 2 en 4 (zie fig. 15). In dit geval moet de 24 V/DC-stuurleiding gescheiden gelegd worden van het 230 V/AC-net.
7.7.5 Aansluiten van een temperatuurbegrenzer in een vloerverwarmingsinstallatie Om de beletten dat bij vloerverwarming de maximaal toegelaten temperatuur wordt overschreden, wordt deze temperatuurbegrenzer als volgt aangesloten. 1. Ofwel rechtstreeks aan de ketel : De brug tussen klemmen 8 en 9 van de printplaat verwijderen en de temperatuurbegrenzer hier aansluiten. (zie fig. 17) Hierbij wordt de ketel volledig uitgeschakeld, zowel voor verwarming als voor warmwaterbereiding ! Fig. 17 2.
8. INBEDRIJFNAME Fig. 18 8.1 15 27 61 135 136 295 310 manometer veiligheidsklep automatische ontluchter ontgrendeltoets hoofdschakelaar temperatuurregelaar CV-water identificatieklever temperatuurregelaar warm water 317 358 363 364 365 366 367 display sifon voor condenswater controlelamp voor werking brander controlelamp aan / uit druktoets schoorsteenveger druktoets service druktoets ECO 8.1 Voor de inbedrijfname Waarschuwing : Ketel eerst vullen, vooraleer hem in bedrijf te nemen.
Verwarmingswaterdruk controleren i Voor het bijvullen eerst de vulslang met water vullen. Dit voorkomt dat er lucht in de installatie komt. f De wijzer op de manometer (8.1) moet tussen de 1 en 1,5 bar staan. f Staat de wijzer onder de 1 bar (in koude toestand) dan moet u bijvullen totdat de wijzer weer tussen de 1 en 1,5 bar staat. f De maximumdruk van 3 bar bij een hogere aanvoertemperatuur mag niet overschreden worden (anders opent het veiligheidsventiel (15)). Fig. 19 8.
8.3 Verwarming inschakelen (fig. 21) f Temperatuurregelaar verwarming verdraaien, om de aanvoertemperatuur van de verwarmingsinstallatie aan te passen : – Vloerverwarming b.v. stand 3 (ongeveer 50°C), – Lage temperatuurverwarming b.v. stand E (ongeveer 75°C). – Verwarmingsinstallaties met aanvoertemperatuur van 90°C : stand ‘’max’’ lagetemperatuurbegrenzing wegnemen. Wanneer de brander in bedrijf is brandt het controlelampje rood. Fig. 21 8.4 Temperatuurregeling (fig.
ECO bedrijf, toets brandt De ketel wordt NIET op de ingestelde temperatuur gehouden De voorrang voor warm water blijft wel actief. z Met comfort op commando Door kort openen en sluiten van de warmwaterkraan wordt het water tot de ingestelde temperatuur verwarmd. Na korte tijd is er onmiddellijk warm water beschikbaar. i z Deze ‘’comfort op commando’’ geeft extra warmwatercomfort met een minimaal gas- en waterverbruik en beperkt de kalkvorming.
8.7 Vorstbeveiliging Verwarming in bedrijf laten met de temperatuurregelaar minstens in stand 1. Bij uitgeschakelde verwarming : f Het CV-water bijvullen met het antivriesmiddel Varidos FSK (Schilling Chemie - met een percentage van 22 - 55 %) of met het antivriesmiddel Glythermin NF (BASF- met een percentage van 20 - 62 %). (vorstbeveiliging alleen voor de verwarming). Vorstbeveiliging van de boiler : tot linkeraanslag draaien (10°C). f Temperatuurinstelknop 8.
9. INDIVIDUELE INSTELLING 9.1 Manuele instellingen 9.1.1 Instellen van de aanvoertemperatuur De aanvoertemperatuur is tussen 35°C en 88°C instelbaar. i Bij vloerverwarming op de maximale toegelaten aanvoertemperatuur letten. 9.1.2 Begrenzing van de keteltemperatuur De ketelaquastaat is op stand E begrensd. Bij deze begrenzing is de maximale aanvoertemperatuur 75°C. Een instelling van het vermogen op de berekende warmtebehoefte is niet noodzakelijk. 9.1.
Servicefunctie kiezen i Noteer de stand van de temperatuurregelaars op uitgangspositie. en . en draai de temperatuurregelaars na het instellen terug De servicefuncties zijn onderverdeeld in twee niveaus : Niveau 1 omvat de servicefuncties tot 4.9, Niveau 2 omvat de servicefuncties vanaf 5.0. f Om een servicefunctie uit niveau 1 op te vragen : indrukken en ingedrukt houden, tot op het display - - verschijnt.
draaien tot 2.2 verschijnt. f Temperatuurregelaar verwarming Na een korte tijd verschijnt de ingestelde pompschakeling op het display. Fig. 28 f Temperatuurregelaar Het display en de toets draaien, tot op het display de gewenste pompschakelstand tussen 2 of 3 verschijnt. knipperen. f Toets indrukken en ingedrukt houden, totdat op het display [ ] verschijnt. De pompschakelstand is vastgelegd. Fig. 29 f Temperatuurregelaars en op de oorspronkelijk ingestelde temperaturen draaien.
9.2.4 Opwarmingsvermogen boiler (servicefunctie 2.3) Het opwarmingsvermogen van de boiler kan tussen het kleinste en het maximale opwarmingsvermogen (fabrieksinstelling) ingesteld worden, afhankelijk van het overdraagbare vermogen van de boiler. De fabrieksinstelling is het nominale verwarmingsvermogen, aanduiding 99 op het display. indrukken en ingedrukt houden tot op het display - - f Toets verschijnt. Toets brandt. Fig. 31 f Temperatuurregelaar verwarming draaien, tot op het display 2.3 verschijnt.
f Temperatuurregelaar verwarming draaien, tot op het display 2.4 verschijnt. Na een korte tijd verschijnt de ingestelde antipendeltijd op het display. f Temperatuurregelaar draaien, tot op het display het gewenste antipendelprogramma tussen 0 en 15 verschijnt. Het display en de toets knipperen. Fig. 35 f Toets indrukken en ingedrukt houden, totdat op het display [ ] verschijnt. Het antipendelprogramma is vastgelegd. f Temperatuurregelaars en op de oorspronkelijk ingestelde temperaturen draaien.
9.2.7 Inschakelen van de schakeldifferentie (servicefunctie 2.6) i Bij het aansluiten van een weersafhankelijke regelaar, is een instelling niet nodig. De schakeldifferentie wordt door de regelaar overgenomen. De schakeldifferentie is de toegestane afwijking van de gevraagde aanvoertemperatuur. De schakeldifferentie kan met stappen van 1 K ingesteld worden. Het instelbereik ligt tussen 0 en 30 K (fabrieksinstelling = 0 K). De minimale aanvoertemperatuur is 30°C.
f Temperatuurregelaar verwarming draaien, tot op het display 2.7 verschijnt. Na een korte tijd wordt op het display 1. (ingeschakeld) weergegeven. f Temperatuurregelaar draaien, tot op het display 0 (uitgeschakeld) wordt weergegeven. Het display en de toets knipperen. Fig. 44 f Toets indrukken en ingedrukt houden, totdat op het display [ ] verschijnt. Het automatische antipendelprogramma is uitgeschakeld. f Temperatuurregelaars en op de oorspronkelijk ingestelde temperaturen draaien.
9.2.10 Antipendeltijd warmhouden (servicefunctie 6.8) In de comfortfunctie wordt binnen het toestel het warme water voortdurend op de ingestelde temperatuur gehouden. Daarom wordt het toestel ingeschakeld wanneer de temperatuur beneden een bepaalde temperatuur daalt. Ter voorkoming van te vaak inschakelen kan met de servicefunctie ‘’Antipendeltijd warmhouden’’ de tijdsduur tot aan de volgende inschakeling vastgelegd worden.
f Toetsen en tegelijkertijd indrukken en ingedrukt houden tot op het display [ ] verschijnt. De ontluchtingsfunctie is ingeschakeld en wordt na afloop weer automatisch op ‘’0’’ teruggezet. f Temperatuurregelaars en op de oorspronkelijk ingestelde temperaturen draaien. Op het display verschijnt de aanvoertemperatuur. Fig. 54 9.2.12 Sifonvulprogramma (servicefunctie 8.5) Het sifonvulprogramma waarborgt, dat de condenswatersifon na het installeren of een langere stilstandperiode gevuld wordt.
10. GASREGELING De voedingsdruk aangeduid in de technische gegevens, moet aan de manometerstut (7) gecontroleerd worden. De gasdruk (met de ketel buiten werking) mag nooit : - hoger zijn dan 30 mbar (aardgas) en 45 mbar (propaan), - lager zijn dan 18 mbar (aardgas) en 30 mbar (propaan). De ketels worden vanuit de fabriek geregeld en verzegeld overeenkomstig categorie I2E(S)B (aardgas) of I3P (vloeibaar gas). De installateur mag derhalve geen enkele instelling van het gasdebiet doorvoeren.
12. CONTROLE EN ONDERHOUD Zelfs een RADSON heeft een regelmatige controle- en onderhoudsbeurt nodig. Een preventief onderhoud vermijdt vroegtijdige slijtage en/of een abnormaal hoog verbruik. Deze werkzaamheden mogen enkel gedaan worden door de installateur, een bevoegd vakman of door de naverkoopservice van RADSON. ) TIP : Een onderhoudsbeurt om de 2 jaar is een minimum. Gevaar : voor stroomschok ! Voor het werken aan de elektrische delen altijd ketel spanningsvrij maken (zekeringen, hoofdschakelaar, enz.
f Afdekschroef van meetnippel voor verbrandingslucht (234.1) afschroeven. f Voeler van meetapparatuur ongeveer 80 mm in de meetnippel doorvoeren en meetopening afdichten. Fig. 58 f O2- en CO2-waarde meten. f Afdekschroef weer monteren. indrukken en ingedrukt houden tot op het display - - verschijnt. f Toets Toets gaat uit en op het display verschijnt de aanvoertemperatuur. 12.2.2 CO- en CO2- waarde in rookgas meten indrukken en ingedrukt houden tot op het display - - verschijnt.
12.4 Warmtewisselaar Voor de reiniging van de warmtewisselaar is een reinigingsset leverbaar (toebehoren N° 840, bestelnummer 7 719 001 996). i Reinig de warmtewisselaar bij een stuurdruk lager dan : - 4,2 mbar voor TOP 26 CE, - 5,2 mbar voor TOP 30 CE. f Controleer de stuurdruk bij max. nominaal warmtevermogen aan de mengkamer. Fig. 61 f Verwijder het deksel van de reinigingsopening en de daaronder liggende plaat. f Schroef de condenswatersifon los.
12.5 Warm water Bij onvoldoende uitstroomdebiet : f Demonteer de platenwarmtewisselaar en vervang hem, of f Ontkalk met een ontkalkingmiddel dat geschikt is voor roestvrij staal. (af te raden) Fig. 65 12.6 Condenswatersifon Ter voorkoming van het morsen van condensaat moet de condenswatersifon volledig worden losgeschroefd (fig. 66). f Schroef de condenswatersifon los en controleer de opening naar de warmtewisselaar op doorgang. f Verwijder het deksel van de condenswatersifon en reinig het.
12.8 Elektrische bedrading f Controleer de bedrading op eventuele beschadiging en vervang eventuele defecte bedrading. 12.9 Overdrukventiel Werking controleren. Indien het overdrukventiel water loost moet het expansievat gecontroleerd worden en/of het overdrukventiel vervangen worden. 12.10 Expansievat Controleer de tegendruk van het expansievat met de waterdruk in de ketel op 0. Verhoog, indien nodig, de tegendruk tussen 0,5 en max 1,1 bar. 12.
13. WAT TE DOEN BIJ STORINGEN ? Digitale foutmeldingen Ontgrendeltoets indrukken. Bij herhaling Uw installateur of SERVICO nv verwittigen met opgave van de foutmelding. Display Korte omschrijving A7 Warmwater-NTC defect (platenwarmtewisselaar). A8 CAN-communicatie onderbroken. AC Module niet herkend. Ad Boiler-NTC 1 wordt niet herkend. b1 Codeerstekker wordt niet herkend. C1 Extractortoerental te laag. CC Buitentemperatuur-NTC niet herkend. d1 LSM vergrendeld. d3 Brug 8-9 niet herkend.
14. NUTTIGE INLICHTINGEN PROPAAN (NBN D 51-006) 1 afsluitkraan 2 voorontspanner 1,5 bar (kg/cm2), debiet aangepast aan het totaal geïnstalleerd vermogen 3 hogedrukpropaanafsluiter 4 tweede-traps, vaste, veiligheidsontspanner 37 mbar (g/cm2), met een debiet van 4 kg/uur 5 gasafsluitkraan met ronde bedieningsknop (bijgeleverd) A gasketel B water/badverwarmer Fig. 68 BUTAAN Af te raden wegens de geringe beschikbare hoeveelheid brandstof.
UITGANG ROOKGASAFVOER gesloten ketels (type C) bron : SERVICO-RADSON Fig. 69 A = afstand tot deze zijmuur of luifel B = lengte van de zijmuur of luifel A ≥ B als A kleiner is dan 1 meter H = hoogte vanaf de grond 2,2 m t.o.v. de begaanbare weg 0,5 m op gesloten terrein Uitmonding t.o.v.
15. BELANGRIJKE NOTA’S De typeaanduiding en het serienummer vindt U terug op de kenplaat van de ketel. Gelieve deze gegevens te vermelden op de garantiekaart en bij elk contact met Uw installateur of met onze naverkoopservice. VOORBEELD VAN EEN KENPLAAT INSTALLATEUR RADSON Condensatieketel/Chaudière à Condensation. ZWB 7-30 A 23 S3610 Best.-Nr./Num.de Com. : 7 713 231 764 BE–I2E(S)B - C13 C33 C43 C53 C83 B23 Aardgas/gaz nat Qn(KW ) type-aanduiding G20/20mbar G25/25mbar Max Min Max Min 28.6 7.8 23.4 6.
DIENST NA VERKOOP SERVICE APRES-VENTE SERVICO nv heeft een dienst na verkoop ter beschikking SERVICO sa tient un service après-vente à la disposition van de installateur en de gebruiker. de l'installateur et de l'usager. In geval van moeilijkheden, wendt U tot SERVICO nv En cas de difficulté, adressez-vous à SERVICO sa (officiële dienst na verkoop van de fabrikant). (service après-vente officiel du fabricant).