Operation Manual

14–12 Programma’s oplossen en integreren
De functie
2))((
2
÷÷ SMD
e
wordt berekend door de routine F. Andere routines
vragen naar de bekende waarden en verzorgen de andere berekeningen om
Q(D) te bepalen, de bovenste oppervlakte van een normale curve. De integratie
zelf wordt voorbereid en uitgevoerd in routine Q:
 
 
  %
 /

³
 G
Roept de ondergrens van de integratie op.
Roept de bovengrens van de integratie op. (X = D.)
Specificeert de functie.
Integreert de normale functie met de dummy–variabele D.
Beperkingen bij het oplossen en integreren
De instructies SOLVE variabele en
³
FN d variabele kunnen niet een routine
aanroepen waarin zich een andere SOLVE of
³
FN bevindt. Met andere
woorden, deze instructies kunnen niet recursief werken. Bijvoorbeeld, een
poging om een meervoudige integraal te berekenen resulteert in een
³
1
³
2
–fout. Verder kunnen SOLVE en
³
FN geen routine aanroepen met een
/
label. Probeert u dat toch, dan resulteert dat in de melding
# !#
of
³
 !#
. SOLVE kan geen routine aanroepen waarin zich een
³
FN–instructie bevindt (geeft de fout
#1
³
2
), en
³
FN kan geen routine
aanroepen waarin zich een SOLVE instructie bevindt (geeft de fout
³
1 #2
).
De instructies SOLVE variabele en
³
FN d variabele in een programma
gebruiken een van de zeven niveaus om subroutines aan te roepen. (Zie
"geneste subroutines" in hoofdstuk 13.)
De bewerkingen SOLVE en
³
FN stellen automatisch decimale weergave in.