User manual

Technische gegevens
Voedingsspanning : 110…240 Volt AC (max. uitgangsstroom 1000 mA)
140…240 Volt AC (max. uitgangsstroom 1500 mA)
Ingangsfrequentie : 47 – 63 Hz
Uitgangsspanningen : 3 - 4,5 – 6 - 7,5 – 9 - 12 Volt DC +/- 5%
Restrimpel : <100 mVrms
Rendement : max. 81 %
Afmetingen: : 90 x 60 x 45 mm
Gewicht : ca. 115 g
Storing
Als er aangenomen kan worden dat gebruik zonder gevaar niet meer
mogelijk is, dient u het apparaat buiten werking te stellen en te beschermen
tegen het per ongeluk in werking stellen door derden.
U kunt aannemen dat gebruik zonder gevaar niet meer mogelijk is, als:
- wanneer het apparaat zichtbaar beschadigd is
- wanneer het apparaat niet meer werkt
- wanneer delen van het apparaat los zitten of los zijn.
- wanneer de verbindingsleidingen zichtbaar beschadigd zijn.
Als het apparaat gerepareerd moet worden mogen alleen originele onder-
delen gebruikt worden! Het gebruik van afwijkende onderdelen kan leiden
tot ernstige schade aan personen of goederen!
Een reparatie mag alleen een vakman uitvoeren!
Als het apparaat niet meer werkt moet u eerst de ingebouwde zekering
controleren en eventueel deze vervangen. Hiervoor het apparaat beslist van
de netspanning verwijderen!
Voor het vervangen van zekeringen mogen uitsluitend zekeringen van
dezelfde stroomwaarde en karakteristiek (T 1A) gebruikt worden.
9
2. Aansluiten uitgangsspanning
De aansluitpunten voor de uitgangsspanning zijn gekenmerkt met "+" en "-".
Er wordt aangeraden om de aansluitdraden overeenkomstig met de
polariteit in verschillende kleuren te gebruiken om later bedradingsfouten uit
te sluiten.
3. Instellen uitgangsspanning
Om de gewenste uitgangsspanning in te stellen moet een draadbrug
gesoldeerd worden. Er staan 3 - 4,5 – 6 - 7,5 – 9 -12 Volt ter beschikking
voor een uitgangsspanning. Soldeer volgens de onderstaande afbeelding
aan de desbetreffende positie een draadbrug. Als de uitgangsspanning heel
precies ingesteld moet worden, kan in plaats van een draadbrug een
regelbare weerstand (trimpotentiometer) gesoldeerd worden. De uitgangs-
spanning laat zich zodoende over een bepaald bereik heel precies instellen.
4. Controle-LED
Zodra een uitgangsspanning aan de aansluitpunten is, licht de controle-LED
op. Hoe hoger de uitgangsspanning gekozen werd des te helderer licht de
LED op. Als de uitgang kortgesloten wordt gaat de controle-LED uit tot de
kortsluiting verholpen is.
8