Operation Manual
instelling stuurelement
instellingen van de stuurelement-ingangen 5 tot 12
Naast de 2 kruisknuppels voor de stuurfuncties 1 tot 4 is de zender MX-24s ook nog standaard voorzien van andere
bedieningselementen. Dit zijn:
• 2 INC/DEC-toetsen: CONTROL 5 en 6
• 2 3-wegschakelaars: CONTROL 7 en 8 resp. SW 5 + 6 en SW 9 + 10
• 2 zijdelings aangebrachte proportionele stuurelementen: CONTROL 9 + 10
• 5 2-wegschakelaars: SW 1 tot 4, 7
• 1 2-weg-momentschakelaar SW 8
Deze bedieningselementen kunnen nu in dit menu geheel naar vrije keuze aan iedere willekeurige functie-ingang (bladzijde
28) worden toegewezen. Dit wil echter ook zeggen, dat aan elk van deze bedieningselementen naar behoefte ook gelijktijdig
meerdere functie-ingangen kunnen worden toegewezen, b.v. aan de ingangen 11 en 12.
Verder kunnen de functie-ingangen 5 tot 8 vliegfase-specifiek worden ingevuld, in zoverre in de menu’s “fasen-instelling”
(bladzijde 100) en “fasentoewijzing” (bladzijde 105) vliegfasen werden gedefinieerd. De aan iedere vliegfase toegekende
namen verschijnen dan in de onderste regel van het beeldscherm, b.v. “normaal”. De ingangen 9 tot 12 kunnen in ieder
modelgeheugen (1 tot 40) daarentegen maar één keer worden bezet. Een aan deze ingangen toegewezen stuurelement heeft
daarom in alle vliegfasen evenveel effect.
Aanwijzing:
De positie van de beide INC/DEC-elementen 5 + 6 wordt in de ingangen 5 … 12 echter vliegfasen-afhankelijk opgeslagen
(zie ook blz. 28).
Aan de vliegfasen-afhankelijke ingangen 5 tot 8 en aan de per modelgeheugen maar eenmalig te bezetten ingangen 9 tot 12
kunnen echter niet alleen de al eerder opgesomde stuurorganen naar keuze worden toegewezen, maar nu ook de K1-knuppel
(stuurelement 1). Bijvoorbeeld, om bij een tweemotorig model een tweede gasservo of bij een zweefmodel een tweede
stoorkleppenservo zonder grote inspanningen op programmeergebied parallel te kunnen aansturen.
Principes van de bediening:
1. Met ingedrukt draaielement de betreffende ingang 5 tot 12 uitkiezen.
2. Door draaien van het draaielement in de onderste regel SEL, SYM of ASY kiezen, om de desbetreffende
instellingen te kunnen doorvoeren.
3. Draaielement indrukken: het te veranderen invoerveld wordt invers afgebeeld.
4. Met draaielement gewenste instelling doorvoeren resp. de gewenste schakelaar of stuurelement bedienen.
5. Tenslotte weer draaielement indrukken, om invoer te beëindigen.
6. Procedure eventueel in de andere vliegfasen herhalen.
kolom 2 “stuurelement- en schakelaartoewijzing”
Selecteer met ingedrukt draaielement één van de ingangen 5 tot 12.
Wissel met het draaielement naar het linker SEL-veld resp. activeer bij een al inverse SEL door kort indrukken van het
draaielement de mogelijkheid van toewijzing:
Bedien nu het gewenste stuurelement (CTRL 5 tot 10) of de uitgekozen schakelaar (SW 1 tot 4, 7 en 8), waarbij u er op moet
letten, dat de beide INC/DEC-schakelaars 5 en 6 pas na enkele “piepen” herkend worden, dus iets langer bediend moeten
worden. Wanneer de uitslag niet voldoende is, het stuurelement eventueel in de tegenovergestelde richting bewegen. Met de
toegewezen 2-weg-schakelaars kan alleen tussen de desbetreffende eindposities heen en weer geschakeld worden, b.v. De
beide 3-weg-schakelaars hebben natuurlijk nog een middenpositie.
Tip:
Let u bij het toewijzen van de schakelaars op de gewenste schakelrichting en let u er ook op, dat alle niet benodigde
ingangen “vrij” blijven, om een foutief bedienen via niet benodigde stuurelementen uit te sluiten.
Op het display wordt nu óf het nummer van het stuurelement of – samen met een schakelaarsymbool, dat de schakelrichting
aangeeft – het nummer van de schakelaar getoond, b.v.:
Om een schakelaar of stuurelement te wissen, drukt u bij de aanduiding
de CLEAR-toets.










