Operation Manual

Inbouwen van stuurstangen
In principe moet het inbouwen zó plaatsvinden, dat de stuurstangen vrij en licht lopen. Bijzonder belangrijk is, dat alle
roerhevels hun volledige uitslagen kunnen uitvoeren, dus niet mechanisch begrensd worden.
Om een draaiende motor ten allen tijde te kunnen stoppen, moet men de motordrossel dusdanig hebben ingesteld, dat de
carburateuropening helemaal gesloten wordt, wanneer de stuurknuppel en trimhevel in de stationairpositie worden gebracht.
Let er op, dat geen metalen delen b.v. door het uitslaan van roeren, trillingen, draaiende delen enz. tegen elkaar schuren.
Hierdoor ontstaan zogenaamde knakimpulsen, die de ontvanger storen.
Voor het sturen de zenderantenne altijd helemaal uittrekken.
In het verlengde van de zenderantenne is de veldsterkte slechts gering. Het is daarom verkeerd, met de antenne van de zender
op het model te ‘richten’, om de ontvangstsituatie te verbeteren.
Bij gelijktijdig gebruik van radiobesturingen op naastgelegen kanalen moeten de bestuurders in een los groepje bij elkaar
staan. Bestuurders, die zich niet aan deze regel houden, brengen zowel hun eigen modellen als die van anderen in gevaar.
Controle voor de start
Zijn er meerdere modelhobbyisten aanwezig, verzeker er u dan van dat u als enige op uw kanaal zendt, voordat u uw zender
aanzet. Dubbel gebruik van een zendfrequentie kan storingen veroorzaken of andere modellen laten neerstorten.
Voordat u de ontvanger inschakelt moet u er zeker van zijn dat de gasknuppel van de zender op stop/stationair staat.
Altijd eerst de zender aanzetten, dan pas de ontvanger.
Altijd eerst de ontvanger uitzetten, dan pas de zender.
Wanneer deze volgorde niet aangehouden wordt, dus de ontvanger aan staat en de bijbehorende zender nog op “UIT”, dan
kan de ontvanger door andere zenders, storingen enz. signalen oppikken. Het model voert ongecontroleerde stuurbewegingen
uit en kan schade aan personen of goederen veroorzaken. De servo’s kunnen naar hun eindpositie lopen en elektronica,
tandwielen, stuurstangen, roeren enz. beschadigen.
Met name voor modellen met een mechanische autopiloot (gyro) geldt:
Voordat u uw ontvanger uitzet: door onderbreken van de energievoorziening er voor zorgen, dat de motor niet onbedoeld kan
gaan lopen. De uitdraaiende autopiloot (gyro) wekt vaak zoveel spanning op, dat de ontvanger geldige gassignalen niet
meer herkent. Daardoor kan de motor per ongeluk gaan draaien!
Reikwijdtetest
Voor ieder gebruik correcte functie en reikwijdte controleren. Daarbij op een flinke afstand van het model controleren, of alle
roeren probleemloos werken en in de juiste richting uitslaan. Deze test met draaiende motor herhalen, terwijl een helper het
model vasthoudt.
Omgang met vliegtuig-heli-scheeps- en automodellen
Vlieg nooit over toeschouwers of andere piloten heen. Breng nooit dieren, toeschouwers of andere bestuurders in gevaar.
Gebruik uw model nooit in de buurt van hoogspanningsleidingen of in de buurt van sluizen en openbare scheepsvaart.
Gebruik uw model ook niet op openbare straten, wegen en pleinen etc. ....
Controle zender- en ontvangeraccu
Wanneer de batterijaanduiding op de zender een leger wordende accu aangeeft en de aanduiding “accu moet geladen
worden” op het display verschijnt en een akoestisch signaal hoorbaar is, stoppen met zenden en accu’s opladen. Controleert u
regelmatig de toestand van met name de ontvangeraccu. Wacht u niet tot de bewegingen van de servo’s merkbaar langzamer
zijn geworden! Vervang opgebruikte accu’s op tijd.
Let u steeds op de aanwijzingen van de accufabrikant en houdt u zich nauwkeurig aan de laadtijden. Accu’s nooit zonder
toezicht opladen. Probeer nooit droge batterijen op te laden (explosiegevaar).
Alle accu’s moeten voor ieder gebruik worden opgeladen.
Om kortsluiting te vermijden geldt: eerst de bananenstekker van de laadkabels op de juiste manier aan het laadapparaat
aansluiten, daarna pas de stekkers van het laadapparaat aan de laadbussen van zender en ontvangeraccu bevestigen.
Haalt u altijd de accu’s uit uw model, wanneer u deze niet meer gebruikt.
Capaciteit en gebruikstijd
Voor alle stroombronnen geldt: bij lage temperaturen neemt de capaciteit sterk af, daardoor zijn de gebruikstijden korter bij
koude weersomstandigheden. Vaak laden of toepassen van accu-onderhoudsprogramma’s kan ook leiden tot een geleidelijk
verlies aan capaciteit. De stroombronnen moeten daarom elke 6 maanden gemeten en op voldoende capaciteit gecontroleerd
worden, en bij een duidelijk verminderde capaciteit worden vervangen.
Koop alleen originele Graupner-accu’s!