Operation Manual
Daarmee heeft u de basis-instellingen van de zender afgesloten, zoals die bij latere modelprogrammeringen steeds weer nodig
is. De eigenlijke heli-specifieke instelling vindt met name plaats in het menu …
“helimixers” (bladzijde 122)
Meteen in de eerste regel verschijnt de functie “pitch”. Een kort indrukken van het draaielement wisselt naar het
bijbehorende ondermenu. Hier verschijnt de grafische weergave van de pitchcurve, die eerst door maar drie punten (“L”
(low), “1” en “H” (high”)) is gedefinieerd, wat in de meeste gevallen ook voldoende is.
Tip:
Probeer altijd eerst om met deze drie punten de klus te klaren, meer punten maken de zaak ingewikkelder en zijn op dit
moment alleen maar lastig.
Uitgangspunt voor het hoveren moet in principe de mechanische middenpositie van de pitchknuppel zijn, omdat deze positie
het meest overeenkomt met het normale stuurgevoel. De curvenafstemming maakt weliswaar andere instellingen mogelijk,
maar daar moet men wel precies weten, wat men doet. Eerst zet u de pitchknuppel in het midden. De servo’s, die u al eerder
volgens de aanwijzingen van de fabrikant had ingesteld, staan nu met hun hevel precies haaks op de servobehuizing (normaal
gesproken). Aan de stuurstangen naar de rotorbladen wordt nu mechanisch de hover-pitchwaarde van 4° tot 5° ingesteld.
Daarmee vliegen in principe alle bekende helikopters.
Aansluitend duwt u de pitchknuppel helemaal naar achteren, naar het pitchmaximum – pitchminimum werd al eerder op
“naar voren” ingesteld. De doorgetrokken verticale lijn geeft de huidige positie van de stuurknuppel weer. Dit punt van de
pitchcurve “H” (high) wijzigt u met het draaielement, zodat het pitchmaximum aan de hoofdrotorbladen ongeveer 9° wordt.
Het punt “H” zal bij ongeveer 50% liggen.
Aanwijzing
:
Een instelmeter voor de rotorbladen, b.v. GRAUPNER-instelhoekmeter Best.-nr. 61, is bij het instellen van deze hoek erg
makkelijk.
Nu duwt u de pitchknuppel helemaal terug naar de pitchminimum-positie, punt “L” (low). Afhankelijk van de vliegervaring
van de piloot stelt u de bladhoek in op 0 tot -4°. Daardoor ontstaat een rond het hoverpunt licht geknikte lijn, de zogenaamde
pitchcurve, die er b.v. zo uit kan zien:
U moet nu nog de ENTER-toets indrukken, om de curve af te ronden.
Wanneer u nu omschakelt naar de autorotatie-fase – onder in het display wordt de naam van de vliegfase “autorot” getoond
– verschijnt de “oude” pitchcurve weer. Stel nu dezelfde waarden in als in de normale fase, alleen in het bovenste punt van de
stuurknuppel – bij “H” – kan de pitchhoek met ongeveer 2° vergroot worden. Daardoor heeft u later (!) bij de autorotatie iets
meer instelhoek voor het afvangen van het model.
Na het instellen van de pitchcurve gaat u met ESC weer terug naar de menulijst van de helimixers. Wissel naar de regel
“kanaal 1 → gas”, om de gascurve – bij weer afgeschakelde autorotatie – in te stellen.
Eerst moet het instelbereik van de stationairtrimming met het punt “L” van de gascurve worden afgestemd. Daarvoor stelt u
het punt “L” in op ongeveer -65%.
Bij een gesloten gaslimiter en helemaal geopende stationairtrimming beweegt u de pitchknuppel rond de minimum-aanslag
een beetje heen en weer. De gasservo mag daarbij niet meelopen. Daarmee heeft u een naadloze overgang van de
stationairtrimming naar de gascurve. De verdere instellingen langs de gascurve worden later tijdens het vliegen doorgevoerd.
Wanneer u vanuit deze grafiek eens naar de autorotatie-fase (AR) omschakelt, verschijnt de aanduiding:










