Operation Manual

toepassen van vliegfasen
Binnen ieder modelgeheugen kunnen maximaal 8 verschillende vliegfasen (vliegtoestanden) met van elkaar verschillende
instellingen worden geprogrammeerd.
Elk van deze vliegfasen kan via een schakelaar of een schakelaarcombinatie worden opgeroepen. Op een eenvoudige manier
kunt u zo tussen verschillende instellingen, die voor de diverse vliegtoestanden zoals b.v. “normaal”, “thermiek”, “speed”,
“afstand” enz. geprogrammeerd zijn, comfortabel tijdens het vliegen omschakelen. Via de vliegfasen-programmering kunt u
echter ook makkelijk alleen licht gewijzigde veranderingen van b.v. mixers tijdens het vliegen door eenvoudig omschakelen
uitproberen, om zo voor het model de optimale instelling te kunnen vinden.
Nog voordat met de eigenlijke programmering van vliegfasen wordt begonnen, moet u er over nadenken, of de digitale
trimming van rol, hoogte en richting telkens naar keuze “globaal” –dus in alle vliegfasen evenveel – of per “fase” - dus in
iedere vliegfase individueel instelbaar – effect moet hebben.
Kiest u b.v. voor een fasen-specifieke trimming van het hoogteroer, dan wisselt u naar het menu …
“knuppel-instelling” (bladzijde 76)
… en verandert u de standaard instelling “globaal” dienovereenkomstig.
Hetzelfde geldt bij deze gelegenheid voor het aantal trimstappen in de kolom “Tr.stap.”
voorbeeld 1
… als vervolg op de programmering van een electrozwever met 2 rolroerservo’s
De sturing van een van de E-aandrijving vindt onafhankelijk van de K1-stuurknuppel plaats met één van de beide zijdelingse
proportionele stuurelementen Control 9 of 10 of met één van de beide 3-weg-schakelaars Control 7 of 8. De motorregelaar is
aangesloten volgens de op bladzijde 166 beschreven en hier voortgezette voorbeelden 1 resp. 2 aan uitvangeruitgang 9. In het
menu “modeltype” werd daarom in de regel “motor aan K1” “geen” gekozen, wat o.a. ten gevolge heeft, dat niet alleen de
kolom “motor” in het menu “fasen-instelling” onzichtbaar is, maar ook het ondermenu “reminstellingen” van het
“vleugelmixers”-menu zonder beperkingen ter beschikking staat.
1
e
stap
“fasen-instelling”(bladzijde 100)
Als eerste worden er één of meerdere vliegfasen van een voor de desbetreffende vliegtoestand specifieke aanduiding
(“naam”) voorzien. Deze aanduiding heeft geen invloed op de programmering van de zender, maar is ervoor om de
vliegfasen makkelijker te kunnen onderscheiden en wordt later op het display bij alle vliegfasen-afhankelijke menu’s
getoond.
De keuze van de desbetreffende regel, van een naam en het instellen vande omschakeltijd vindt plaats, zoals u intussen wel
“gewend” bent, door draaien en indrukken van het draaielement.
Aanwijzing:
Met uitzondering van fase 1, die altijd de naam “normaal” hoort te krijgen, omdat deze altijd actief is wanneer er geen
vliegfase geactiveerd is, maakt het totaal niet uit, welke fase aan welke naam is toegewezen!
Normaal gesproken zijn er drie vliegfasen voldoende, b.v.:
“thermiek” voor start en “boven blijven”
“normaal” voor normale omstandigheden en
“speed” voor het sneller overbruggen van grotere afstanden.
In de kolom “omsch. tijd” kan worden vastgelegd, binnen welke tijd bij een wissel van de ene naar (!) deze vliegfase er moet
worden “overlapt”, om een “soepele” overgang van de verschillende servo-posities mogelijk te maken. Zo wordt een
eventuele zware belasting van roeren resp. kleppen voorkomen. De “status”-kolom laat u door een ster “*” zien, welke
vliegfase op het moment actief is.
2
e
stap
Om tussen de verschillende vliegfasen te kunnen wisselen, is de toewijzing van één of meerdere schakelaars nodig. Om tot
maximaal 3 vliegfasen te kunnen omschakelen is één van de beide 3-weg-schakelaars (SW 5 + 6 of SW 9 + 10) het meest
geschikt.
Elk van de beide schakelaar-eindposities wordt uitgaand van de middenpositie aan één van de vliegfasenschakelaars A … F
toegewezen. De toewijzing van de schakelaar vindt plaats in het menu …