Operation Manual

“vleugelmixers” (bladzijde 110)
…bezighouden, waarin, afhankelijk van de in het menu modeltype” (bladzijde 70) gemaakte voor-instellingen
verschillende opties te zien zijn. Omdat we ons in dit gedeelte bezighouden met een model met maar 2 servo’s in de vleugels,
wordt het vanaf bladzijde 116 beschreven multi-kleppen-menu hier niet getoond. We beginnen daarom met het ondermenu …
“reminstellingen”
Verschijnt deze aanduiding, dan is uw model, hoewel we in dit gedeelte een model zonder aandrijving bespreken, voorzien
van een motor en u heeft daarom in de regel “motor aan K1” van het menu “modeltype”, bladzijde 70 “naar voren/achteren”
in plaats van “geen” gekozen. Verander deze instelling tijdelijk of wijzig voor de actueel actieve vliegfase – hier fase 1 – de
invoer “ja” in de kolom “motor” van het menu “fasen-instelling”, bladzijde 100 in “nee”:
Na deze excursie over wederzijdse afhankelijkheden weer terug naar ons thema:
Moeten de rolroeren voor het remmen omhooggezet worden, dan wordt in de regel “Butterfly” na het activeren van RR een
passende waarde ingegeven. Bovendien moet altijd in de daaronder staande regel “diff.-reductie” een waarde zijn ingevuld,
die overeenkomt met de waarde, die u aan de ingangskant van het “vleugelmixer”-menu in de regel “rolroerdifferent.” heeft
ingevoerd resp. wilt invoeren (zie afbeelding links boven)! Door deze waarde wordt bij het bedienen van de remknuppel de
ingestelde rolroerdifferentiatie gedeeltelijk weer teniet gedaan, om de uitslag van de omhooggezette rolroeren naar beneden
te vergroten en daarmee hun rolroereffect in de remfase duidelijk te verbeteren.
Een instelling van de mixer “HR-curve” is normaal gesproken alleen dan nodig, wanneer bij het bedienen van het
remsysteem lastmomenten in de vorm van pompen of duiken van een model optreden. Zulke verschijningen komen meestal
alleen bij omhooggezette rolroeren of in combinatie met een Butterfly-systeem voor. In ieder geval moet u de instelling op
voldoende hoogte uitproberen en eventueel bijstellen, waarbij u met name op een “normale” vliegsnelheid van het model, en
minder op de daalsnelheid moet letten. Anders bestaat namelijk het gevaar, dat het model na het intrekken van het
remsysteem doorzakt, omdat het in de tussentijd te langzaam gemaakt werd.
Na het verlaten van de “reminstellingen” kan de rolroerdifferentiatie worden ingesteld: deze is ervoor, om het negatieve
draaimoment op te heffen. Het naar beneden uitslaande rolroer veroorzaakt tijdens het vliegen normaal gesproken een hogere
luchtweerstand dan het met dezelfde uitslag naar boven draaiende rolroer, waardoor het model naar de “verkeerde” kant
getrokken wordt. Om dit te verhinderen, wordt er een gedifferentieerde uitslag ingesteld, door de uitslag van het naar beneden
uitslaande servo te verkleinen. Een waarde tussen 20 en 40% is hier meestal goed, de “juiste” instelling moet in de regel door
vliegtests worden uitgeprobeerd.
De optie “rolroer 2 4 richtingsroer” dient een soortgelijk doel, maar is ook handig voor een comfortabeler sturen van het
model. Een waarde rond de 50% is in het begin een praktische waarde. Deze functie moet in ieder geval, wanneer u
kunstvlucht-ambities heeft, door het toewijzen van een schakelaar uitschakelbaar gemaakt worden.
Wanneer de modelspecifieke instellingen tot zover overgenomen, dan kan er aan de eerste start worden gedacht. Natuurlijk
moet u eerst “droog oefenen, d.w.z. alle instellingen nopg eens zorgvuldig op de grond doornemen. Een foutieve
programmering kan niet alleen het model beschadigen. Vraag in geval van twijfel een ervaren piloot om raad.
Mocht u tijdens de tests vaststellen, dat de ene of andere instelling gewijzigd moet worden omdat de uitslagen van de servo’s
naar uw smaak te groot of te klein zijn, dan kunt u deze in het menu …