Operation Manual
Hoe dan ook, uiterlijk nu, direct voor het begin van een modelprogrammering, moet u nadenken over een zinvolle toewijzing
van de stuurorganen.
Bij modellen, waarbij de nadruk op “motor” ligt, of dit nu een electro- of een verbrandingsmotor is, zullen er op dit punt
nauwelijks problemen zijn, omdat de bezetting van de beide knuppelaggregaten met de vier basisfuncties “vermogensregeling
(=gas)”, “richting”, “hoogte” en “rol” al eigenlijk vastligt!? U moet dan echter in het menu …
“modeltype” (bladzijde 70)
… vastleggen , of u de gas-minimum-positie liever “naar voren” of “naar achteren” wilt hebben, omdat er bij het aanmaken
van het modelgeheugen door het programma in principe “geen (motor)” wordt ingevuld.
Het verschil tussen “geen” resp. “gas min naar voren/naar achteren” ligt in het effect van de K1-trimming, die bij “geen” over
de hele stuurknuppeluitslag en bij “gas min naar voren/naar achteren” alleen in de richting stationair werkt.
Tegelijkertijd wordt daarmee de “effect-richting” van de K1-knuppel dienovereenkomstig aangepast, zodat u bij een wissel
van “voren” naar “achteren” of omgekeerd niet nog eens de draairichting van de gasservo hoeft om te draaien. Bovendien
verschijnt bij een instelling “gas min naar voren/naar achteren” uit veiligheidsoverwegingen een waarschuwing op het display
…
… en klinkt er een signaal, wanneer de gas-stuurknuppel zich bij het inschakelen van de zender in de richting volgas zou
bevinden.
Vervolgens zult u in ieder geval moeten nadenken over “speciale functies”, b.v. over de programmering van een (extra)
inschakelwaarschuwing in het menu “inschakelwaarschuwingen model” (bladzijde 64).
Deze hoeft niet altijd “gas te hoog” of “motor is aan” te betekenen! Zo’n waarschuwing kan net zo goed optreden bij
“landingsgestel in” of iets dergelijks. Uw eigen fantasie bepaalt hier de grenzen.
Bij zwevers of electrozwevers daarentegen ziet de zaak er af en toe heel anders uit. Daar kan de vraag zich opdoen, hoe men
de aandrijving en het remsysteem kan bedienen. Nu, ook hier zijn er bepaalde oplossingen praktisch en andere minder
praktisch gebleken.
Zo is het zeker minder handig, wanneer bij de landing van een zweefmodel een knuppel eventueel moet worden losgelaten,
om door middel van een ander stuurelement de stoorkleppen of een kraai-positie te kunnen aansturen. Hier zou het zinvoller
zijn, om óf de functie van de K1-knuppel omschakelbaar te maken (zie programmeer-voorbeeld bladzijde 167 en 169) óf de
aansturing van het remsysteem op de knuppel te laten en de motor via een ander stuurelement of zelfs via een schakelaar te
bedienen!? Omdat in dergelijke modellen de motor meestal alleen de functie van een “starthulp” heeft, om het model óf met
volle kracht in de lucht te krijgen óf eventueel met “halve” kracht van het ene stijgwindveld naar het andere te “slepen”, is
een schakelaar met drie standen meestal voldoende. Wanneer er voor dit doel ook nog een “makkelijk te bereiken” schakelaar
wordt uitgekozen, dan kan de motor aan- en uitgeschakeld worden, zonder de knuppel te hoeven loslaten – zelfs tijdens de
landing. Bij de zender MX-24s is er keuze genoeg.
Iets dergelijks geldt overigens voor de aansturing van kleppen, of dit nu rolroeren of over de hele spanwijdte strekkende
kleppen(-combinaties) zijn, die naar boven en naar beneden moeten worden bewogen.
Voor het sturen van de motor gebruikt u één van de 2-standen-schakelaars SW 1 … 4, 7 of beter één van de 3-standen-
schakelaars Control 7 of 8. Kies een voor u gunstige schakelaar, zodat u voor de bediening ervan niet de stuurknuppel hoeft
los te laten.
Nog een tip: wordt het model met de rechterhand gestart, dan moet als motorschakelaar één van de aan de linker kant van de
zender aangebrachte schakelaars worden toegepast en omgekeerd.
Voor het sturen van de welfkleppen gebruikt u ook één van de beide 3-weg-schakelaars (CTRL 7 resp. SW 5 + 6 of CTRL 8
resp. SW 9 + 10) of alternatief één van de beide INC/DEC-stuurelementen Control 5 resp. 6. De posities van de
laatstgenoemde worden namelijk in tegenstelling tot de zijdel;ingse proportionele schuiven vliegfasenspecifiek opgeslagen.
De instellingen hiervan gaan dus na een wissel van vliegfase of zelfs na een wissel van model niet verloren.
Is dit nu allemaal voor elkaar, dan kan met de programmering worden begonnen.










