Operation Manual
MX-24s-programmeertechniek
voorbereidende maatregelen met als voorbeeld een vleugelmodel
Modellen programmeren in een MX-24s …
… is eenvoudiger, dan dat het op het eerste gezicht misschien lijkt!
Een eerste voorwaarde voor een juiste en snelle programmering is echter, en dat geldt niet alleen voor de MX-24s, maar in
principe voor alle programmeerbare zenders, de mechanisch correcte inbouw van alle radiobesturings-componenten in het
model! Uiterlijk bij het aansluiten van de aansturingen moet er daarom op gelet worden, dat de servo’s zich elk in hun
neutrale positie bevinden en hun roerhevels ook in de gewenste richting wijzen. Zo niet, dan moet u de hevel losmaken en
hem een tandje of een aantal tandjes verzetten en weer bevestigen. Met behulp van een servo-tester, b.v. de Digital-Servo-
Analyzer met het Best.-nr. 763 kan de juiste positie van de servo’s heel eenvoudig worden gevonden.
De praktisch bij iedere moderne zender geboden mogelijkheid, om de neutraalpositie vande servo’s te beïnvloeden, is
bedoeld voor hun fijne afstelling. Grotere afwijkingen van “0” kunnen na de verdere signaalverwerking in de zender leiden
tot onverwachte asymmetrische uitslagen. Op dezelfde manier wordt een krom chassis van een auto geen millimeter rechter,
wanneer het stuurwiel op “rechtuit” wordt getrimd!
Ook moeten de passende uitslagen van de roeren door aanpassen van de aanstuurpunten en niet direct door een overmatig
aanpassen van de uitslag-instellingen via de zender worden bereikt. Hier geldt ook: instellingen van de uitslagen zijn er op de
eerste plaats voor bedoeld, om toleranties van de servo’s te compenseren en ze fijn af te stellen, en niet ter compensatie van
eigen slordigheden.
Worden er – zoals tegenwoordig gebruikelijk - in een vleugelmodel twee aparte servo’s voorde rolroeren toegepast, dan
kunnen de rolroeren, aangestuurd via een bijbehorende mixer –zie vanaf bladzijde 110 -, zowel van een welfkleppenfunctie
voorzien als ook als remkleppen omhooggezet worden – wat echter eerder bij een zwever resp. motorzwever dan bij een
motormodel gebruikelijk is.
In zo’n geval moeten de roerhevels – uitgaand van de neutrale positie – een tandje verder naar voren verzet, dus naar de
neuslijst wijzend, worden bevestigd op de desbetreffende servo. De door deze asymmetrische montage bereikte mechanische
differentiatie houdt rekening met het feit, dat het remeffect van de omhooggedraaide rolroeren groter wordt naarmate de
uitslag toeneemt, en er daarom normaal gesproken meer uitslag naar boven dan naar beneden nodig is.
Op dezelfde manier moet ook bij apart aangestuurde welfkleppenservo’s te werk worden gegaan, wanneer u deze in een
Butterfly-systeem wilt integreren. Omdat het remeffect van deze kleppenconfiguratie, die ook als “kraai-positie” wordt
aangeduid, minder door de omhoogedraaide rolroeren dan door de uitslag van de welfkleppen naar beneden wordt beïnvloed,
moeten de roerhevels in dit geval iets naar achteren , naar de eindlijst verzet, worden ingebouwd. Daardoor ontstaat er dan
meer uitslag naar beneden. Bij een dergelijke combinatie van omlaaggedraaide welfkleppen en omhooggedraaide rolroeren
moeten de laatstgenoemde niet al te veel omhoog gezet worden, omdat ze in een dergelijk Butterfly-systeem meer een
stabiliserende en sturende dan een rem-functie hebben.
In dit verband nog een tip om het remeffect te kunnen “zien”: kleppen uitdraaien en precies vanaf de voorkant naar de vleugel
kijken. Hoe groter het geprojecteerde oppervlakte van de uitstaande roeren is, des te groter is de remmende werking.
Een soortgelijke symmetrische montage van de roerhevels kan b.v. aan spreid- resp. landingskleppen ook in een motormodel
heel zinvol zijn.
Is een model zo ver klaargemaakt en mechanisch afgesteld, dan kan in principe met de programmering van de zender worden
begonnen.
De volgende handleiding probeert daarbij, om van de praktijk uit te gaan, door eerst alle algemene basis-instellingen te
beschrijven en deze dan in de volgende stappen te verfijnen resp. te specialiseren. Na de eerste vlucht en met het oog op het
verdere invliegen van het model zullen sommige instellingen misschien nog een bijstelling nodig hebben. Wanneer de piloot
meer ervaring krijgt, kan ook de wens ontstaan om instellingen uit te breiden resp. aan te vullen. Daarom wordt hier niet
altijd de volgorde van de opties aangehouden resp. wordt een bepaalde optie ook meerdere keren genoemd.
Omgekeerd kan het natuurlijk ook zo zijn, dat voor een bepaald model niet elk van de beschreven stappen relevant zal zijn,
zoals ook misschien de één of andere gebruiker voor zijn model in de beschrijving bepaalde stappen zal missen …










