Operation Manual
resp. nick het mechanisch mogelijke maximum bereiken, zoals b.v. bij het 3D-helivliegen, dan bereikt bij een gelijktijdige
uitslag van rol en nick de tuimelschijf een veel grotere uitslag dan normaal (rekenkundig 141%). Het mechaniek van de
tuimelschijf kan uitslijten en in extreme gevallen kunnen b.v. de kogelkoppen losspringen.
In de MX-24s maakt een software-functie een bgrenzing van de tuimelschijf-uitslag mogelijk, dus van de hoek die de
tuimelschijf kan maken, van 100% (de uitslag is begrensd op de waarde, die door één van de functies rol resp. nick alleen
bereikt kan worden) tot 149% (geen begrenzing werkzaam) resp. “uit” (de functie is compleet gedeactiveerd). De TS-
begrenzing is ook nog model- en fasenspecifiek in te stellen. (Deze software-oplossing is veel flexibeler dan een over de
stuurknuppel aangebrachte schijf, die trouwens alleen maar te gebruiken is, wanneer de functies rol en nick via één van de
beide stuurknuppels worden bediend.)
De hiernaast afgebeelde schets geeft het effect bij een instelling van 100% weer. Het gestippelde gedeelte van de uitslag
wordt weggehaald en is dus loos bereik.
Bij gebruik van deze functie moet de basis-instelling “Dual Rate” op 100% staan en er mogen in geen geval Dual Rate-
waarden groter dan 100% worden toegepast, omdat anders b.v. bij een begrenzing van de tuimelschijf op 100% al bij rol/nick
apart een begrenzing optreedt.
Instelbereik: 100 … 149% en “uit”.
Het afstemmen van de gas- en pitchcurve
praktische aanwijzingen
De aansturing van gas en collectieve pitch vindt weliswaar via aparte servo’s plaats, maar deze worden altijd (behalve in de
autorotatie-vliegfase) samen door de gas-/pitchstuurknuppel bediend. De koppeling wordt automatisch door het
helikopterprogramma tot stand gebracht.
De trimhevel van stuurfunctie 1 heeft in het MX-24s programma alleen effect op de gasservo. In het menu “knuppel-
instelling” (bladzijde 77) kunt u echter beslissen, of deze bij de stationairtrimming in het kader van de gaslimiet-functie moet
worden gebruikt of als stationaire trimming tijdens de autorotatie ( “AR gas”).
De afstemming van gas en pitch, dus de vermogenscurve van de motor met de collectieve bladverstelling, is de belangrijkste
instelling bij het helikoptermodel. Het programma van de MX-24s biedt een onafhankelijke instelling van de gas- pitch- en
hekrotorstuurcurven naast de K1-stuurcurve (menu “kanaal 1 curve”, bladzijde 92), zoals eerder beschreven.
Deze curven kunnen weliswaar door maximaal 8 punten worden gekarakteriseerd, maar normaal gesproken zijn minder
punten voldoende. In principe adviseren wij u, om eerst met 3-punts-curven te beginnen, zoals die standaard in het
programma op de tweede display-bladzijde van het desbetreffende programma zijn ingesteld. Daarbij kunt u voor de
middenpositie “1” en de beide eindposities (“L”(“low”) en ”H”( “high”)) van de gas-/pitchstuurknuppel individuele waarden
invoeren, die de verschillende stuurcurven vastleggen.
Voordat u een instelling van de gas- en pitchfunctie doorvoert, moeten de stangen van alle servo’s volgens de aanwijzingen
van de desbetreffende helikopterfabrikant op de juiste manier worden afgesteld.
Opmerking:
Het hoverpunt moet normaal gesproken in de middenpositie van de gas-/pitchstuurknuppel liggen. In speciale gevallen,
b.v. het “3D”-vliegen, kunnen er echter afwijkende hoverpunten worden geprogrammeerd, dus bijvoorbeeld een punt voor
de normale vliegsituatie boven deze middenpositie en een punt voor rugvlucht onder het midden.
stationair-instelling en gascurve
De stationair-instelling vindt uitsluitend plaats bij een gesloten gaslimiter – normaal gesproken met de trimhevel van de K1-
functie, in speciale gevallen ook met de gaslimiter (zijdelings aangebrachte stuurelement) zelf.
De instelling van het onderste punt “L” (low) van de gascurve heeft een instelling van het motortoerental bij de daalvlucht tot
gevolg, zonder de hover-instelling te beïnvloeden.
Hier kunt u de vliegfase-programmering benutten, om verschillende gascurven – bij enkele oudere mc-installaties
“gasvoorkeuze/idle up” genoemd – in te stellen. Dit verhoogde systeemtoerental is zinvol onder het hoverpunt, b.v. bij snelle,
steile landingen met ver teruggenomen pitch en bij kunstvlucht.
De afbeelding toont een 3-punts-curve met licht gewijzigde drosselinstelling onder het steunpunt “1”. De curve werd
bovendien afgerond, zoals eerder beschreven.
output
stuuruitslag
Gascurven, die per vliegfase verschillend zijn, worden geprogrammeerd om zowel voor het hoveren als voor de kunstvlucht
steeds een optimale afstemming te hebben:
• Laag systeemtoerental met rustige, soepele stuureacties en laag geluidsniveau bij het hoveren.










