Operation Manual

helimixers
vliegfasen-afhankelijke helicopter-mixers
In dit menu worden met uitzondering van de mixers voor de autorotatiefase, die vanaf bladzijde 132 behandeld worden, alle
vliegfasen-afhankelijke helimixers beschreven. Deze mixers zijn voor de basis-instelling van een helikoptermodel bedoeld.
Voor de vliegfase-programmering zie menu’s:
“basis-instelling model”, bladzijde 66
“fasen-instelling”, bladzijde 102
“fasentoewijzing” , bladzijde 104
De telkens actieve vliegfase wordt aangeduid in de linker onderste rand van het display, b.v “normaal”.
Algemene informatie bij de mixers (zie ook bladzijde 110 en 134):
Een pijl “” duidt een mixer aan. Deze “takt” de signaalstroom van een stuurfunctie op een bepaalde plaats af, om deze dan
op een gedefinieerde manier ook op een ander stuurkanaal en tenslotte op een ontvangeruitgang effect te laten hebben. Zo
betekent bijvoorbeeld de mixer “nick hekrotor”, dat bij het bedienen van de nickstuurknuppel de hekrotorservo
proportioneel meeloopt naar de ingestelde waarde.
Voor de instellingen van de pitchcurven in alle vliegfasen en van de beide mixers “kanaal 1 gas” en “kanaal 1
hekrotor” kunt u beschikken over 8-punts-curven. Bij deze mixers kunnen niet-lineaire mixverhoudingen langs de
stuurknuppeluitslag worden geprogrammeerd, zie ook menu “kanaal 1 curve”, bladzijde 92.
Wisselt u naar de displaypagina voor de curveninstelling door kort indrukken van het draaielement of via de ENTER-toets,
zie verder hieronder. De instelling van de curven vindt op dezelfde manier plaats als de kanaal-1-curveninstelling voor
helikopters; we beschrijven de instelling hier nog een keer gedetailleerd, om u onnodig bladeren te besparen.
In de overige regels kunt u na het activeren van het SEL-veld in het dan inverse veld via het draaielement een mixwaarde
invoeren. Met CLEAR zet u de parameterwaarde terug naar 0%. Deze mixers dienen voor de basis-instelling van het
helikoptermodel.
Principes van de programmering:
1. Met ingedrukt draaielement mixer uitkiezen. Afhankelijk van het type mixer verschijnt er in de onderste displayregel
SEL of de pijltoets .
2. Kort indrukken van het draaielement bij een invers SEL-veld maakt het mogelijk, om de lineaire mixpercentages
direct in te stellen: via draaielement mixpercentage instellen. Anders wisselen naar de tweede displaybladzijde voor
de instelling van de desbetreffende curvenmixer.
(CLEAR = 0%.)
3. Tweede keer kort indrukken beëindigt de invoer.
4. ESC bladert terug.
pitch
Kort indrukken van het draaielement of bedienen van de ENTER-toets wisselt naar de tweede bladzijde van het beeldscherm:
In tegenstelling tot het menu “kanaal 1 curve” heeft deze aanduiding alleen betrekking op de stuurcurve van de pitchservo’s,
terwijl de “kanaal-1-curve” effect heeft op alle servo’s, die door de gas-/pitchstuurknuppel worden aangestuurd.
Aanwijzing:
Let u er op, dat voor de hier geprogrammeerde pitchstuurcurve het uitgangssignaal van de optie “kanaal-1-curve”als
ingangssignaal effect heeft: de verticale lijn in het diagram, die synchroon met de gas-/pitchstuurknuppel beweegt, volgt
dus de actuele kanaal-1-curvenkrakteristiek.
De stuurcurve kan door middel van maximaal 8 punten, de zogenaamde “steunpunten”, langs de hele stuurknuppeluitslag
vliegfasen-afhankelijk worden vastgelegd.
In het begin zijn er echter minder steunpunten voldoende, om de pitchcurve in te stellen. In principe raden we aan, om eerst
met de drie in de software voorgegeven steunpunten te beginnen. Deze drie punten, en wel de beide eindpunten “Pitch low
(L)” = -100% stuuruitslag en “Pitch high (H)”= +100% stuuruitslag plus een derde punt, aangeduid met “1”, precies in het
midden, beschrijven eerst een lineaire karakteristiek voor de pitchcurve.