GPSMAP 800/1000 serie ® Gebruikershandleiding Februari 2014 190-01658-35_0A Gedrukt in Taiwan
Alle rechten voorbehouden. Volgens copyrightwetgeving mag deze handleiding niet in zijn geheel of gedeeltelijk worden gekopieerd zonder schriftelijke toestemming van Garmin. Garmin behoudt zich het recht voor om haar producten te wijzigen of verbeteren en om wijzigingen aan te brengen in de inhoud van deze handleiding zonder de verplichting te dragen personen of organisaties over dergelijke wijzigingen of verbeteringen te informeren. Ga naar www.garmin.
Inhoudsopgave Inleiding.......................................................................... 1 Vooraanzicht toestel .................................................................. 1 Knoppen op toestel ............................................................... 1 De handleidingen downloaden ................................................... 1 Uitleg over de handleiding ......................................................... 1 Meer informatie ....................................................
Het brandstofalarm instellen ............................................... 14 De windmeters weergeven ...................................................... 14 De bron van de snelheid configureren ................................ 14 De bron van de koers voor de windmeter configureren ...... 14 Het bereik van de close hauled-windmeter selecteren ....... 14 De omgevingsmeters weergeven ............................................ 14 De uitlijning van de windmeter configureren .......................
Zeegang weergeven ................................................................ 26 Oppervlaktewind ................................................................. 26 Hoogte, duur en richting van de golven .............................. 26 Informatie over de verwachte zeegang voor een andere tijdsperiode weergeven ....................................................... 26 Visinformatie weergeven ..........................................................
Inleiding WAARSCHUWING Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke informatie. Vooraanzicht toestel À Á Â Ã Ä Å Sensor automatische schermverlichting Aan-uitknop Knoppen op toestel Nummerknoppen (alleen op modellen van 10 inch) SD geheugenkaartsleuf Schermknoppen Knoppen op toestel Hiermee schakelt u het toestel in en weer uit als deze knop wordt vastgehouden.
De software van het toestel bijwerken Voordat u de software kunt bijwerken, moet u beschikken over een software-update op een geheugenkaart of de nieuwste software zelf op een geheugenkaart laden. 1 Schakel de kaartplotter in. 2 Nadat het startscherm verschijnt, plaatst u de geheugenkaart in de kaartsleuf. OPMERKING: De instructies voor de software-update verschijnen alleen als het toestel volledig is opgestart voordat u de kaart plaatst. 3 Volg de instructies op het scherm.
Als u de viskaart wilt openen, selecteert u Kaarten > Viskaart. In- en uitzoomen op de kaart Het zoomniveau wordt aangegeven door het schaalnummer onder aan de kaart. Het balkje onder het schaalnummer geeft de afstand op de kaart weer. • Selecteer om uit te zoomen. • Selecteer om in te zoomen. De kaart schuiven met de knoppen U kunt de kaart verplaatsen om een ander gebied te bekijken dan waar u zich momenteel bevindt. 1 Gebruik de pijlknoppen in de kaart.
volgen van de koers altijd goed op en vermijd land, ondiep water en andere obstakels die u onderweg kunt tegenkomen. OPMERKING: Niet alle modellen ondersteunen alle kaarten. Met optionele premiumkaarten, zoals BlueChart® g2 Vision®, haalt u het beste uit uw kaartplotter. Naast gedetailleerde navigatiekaarten kunnen premiumkaarten de volgende functies bevatten, die beschikbaar zijn in sommige gebieden.
Automatic Identification System Met het Automatic Identification System (AIS) kunt u andere schepen identificeren en wordt u gewaarschuwd als er zich schepen in uw buurt bevinden. Wanneer de kaartplotter is aangesloten op een extern AIS-toestel, kan de kaartplotter AISinformatie geven over andere schepen in de nabijheid die een transponder hebben en die actief AIS-informatie uitzenden.
Een veilige zone voor aanvaringsgevaar instellen Voordat u een aanvaringsalarm kunt instellen, moet een compatibele kaartplotter zijn verbonden met een AIS-toestel. Het alarm voor de veilige zone bij aanvaringsgevaar wordt alleen in combinatie met AIS gebruikt. De veilige zone wordt gebruikt om aanvaringen met andere schepen te voorkomen. Deze zone kan worden aangepast. 1 Selecteer Instellingen > Alarmen > AIS > AIS-alarm > Aan.
Instellingen voor andere schepen op de kaarten en kaartweergaven OPMERKING: Deze opties vereisen aangesloten accessoires, zoals een AIS-ontvanger of marifoon. Selecteer in een kaart of 3D-kaartweergave MENU > Overige schepen. AIS-lijst: Geeft de AIS-lijst weer (Een lijst met AIS-gevaren weergeven). DSC-lijst: Geeft de DSC-lijst weer (DSC-lijst). AIS-weergave-instelling: Zie Instellingen AIS-weergave.
een aantal opties zijn premiumkaarten of aangesloten accessoires, zoals radar, vereist. Selecteer vanuit een kaart of 3D-kaartweergave MENU > Kaartinstelling > Kaartweergave. Oriëntatie: Hiermee stelt u het perspectief van de kaart in. Detail: Hiermee stelt u in hoe gedetailleerd de verschillende zoomniveaus op de kaart worden weergegeven. Koerslijn: Hiermee kunt u de koerslijn weergeven en aanpassen.
Een bestemming selecteren op de navigatiekaart Selecteer uw bestemming op de navigatiekaart. Zoeken naar een bestemming met navigatie-info 1 Selecteer Navigatie-info. 2 Selecteer een optie: • Selecteer Via-punten om een lijst met voorgeladen locaties en eerder gemarkeerde locaties te bekijken. • Selecteer Routes om een lijst eerder opgeslagen routes te bekijken. • Selecteer Sporen om een lijst met opgenomen sporen te bekijken.
2 Selecteer een optie: • Om het via-punt te maken door positiecoördinaten in te voeren, selecteert u Voer coördinaten in en voert u de coördinaten in. • Om het via-punt te maken met behulp van een kaart, selecteert u Gebruik kaart en daarna achtereenvolgens de locatie en Selecteer. MOB-locatie markeren en navigeren Als u een via-punt markeert, kunt u deze als MOB-positie (manover-boord) opslaan. Selecteer een optie: • Selecteer vanuit elk scherm MARK > Man-over-boord.
2 Selecteer de beginlocatie van de route. 3 Selecteer Voeg koerswijziging toe. 4 Selecteer de locatie van de volgende koerswijziging op de kaart. 3 Selecteer Navigeer naar. 4 Selecteer Offset om op een opgegeven afstand parallel aan 5 5 Selecteer Voeg koerswijziging toe. De kaartplotter markeert de locatie van de koerswijziging met een waypoint. 6 Herhaal de stappen 4 en 5 als u meer koerswijziging wilt opgeven. 7 Selecteer de eindbestemming.
Een opgeslagen spoor bewerken 1 Selecteer Navigatie-info > Sporen > Opgeslagen sporen. 2 Selecteer een spoor. 3 Selecteer Wijzig spoor. 4 Selecteer een optie: • Selecteer Naam en voer een nieuwe naam in. • Selecteer Spoorkleur en selecteer een kleur. Een spoor opslaan als route 1 Selecteer Navigatie-info > Sporen > Opgeslagen sporen. 2 Selecteer een spoor. 3 Selecteer Wijzig spoor > Route opslaan.
4 Voer een naam in voor de combinatie en selecteer OK. Een combinatiescherm verwijderen 1 Selecteer Combinaties. 2 Gebruik de pijlknoppen om een combinatiescherm te markeren. 3 Selecteer Configureren > Wis combinatie. Gegevens van meters en almanakken Meters geven informatie over de reis, motor, omgeving en wind, en zijn beschikbaar op alle kaartplottermodellen. Op alle kaartplotters zijn numerieke gegevens en een kompas en tripmeter beschikbaar.
• Als u de hoeveelheid brandstof in elke afzonderlijke tank wilt weergeven, selecteert u Gebruik brandstoftankniveau. De brandstofcapaciteit van het vaartuig instellen 1 Selecteer Instellingen > Mijn boot > Brandstofcapaciteit. 2 Voer de gecombineerde totale capaciteit van de brandstoftanks in. De brandstofgegevens synchroniseren met de actuele brandstofvoorraad U kunt de brandstofniveaus op de kaartplotter synchroniseren met de werkelijke brandstofvoorraad in het vaartuig wanneer u brandstof tankt.
Zon- en maanstanden U kunt informatie over het opkomen/ondergaan van de zon en de maan en de maanfasen weergeven, en bij benadering de positie van de zon en de maan. Het midden van het scherm stelt de hemel boven u voor en de buitenste cirkels stellen de horizon voor. Standaard geeft de kaartplotter informatie over de zon- en maanstanden van de huidige dag en tijd weer. Selecteer Navigatie-info > Getijden & stromingen > Zon en maan.
Ä Å Æ Oude banden Stukken hout Afstand vanaf de zijkant van de boot SideVü/DownVü scanning-technologie In plaats van een meer algemene kegelvormige bundel maakt de SideVü/DownVü transducer gebruik van een vlakke bundel om het water en de bodem naast uw boot te scannen. de helderheid verlagen om meer informatie weer te geven op het scherm. Hiermee geeft u ook meer ruis weer, waardoor het lastiger kan zijn om echte signalen te herkennen. 1 Selecteer in een echoloodweergave MENU.
Het zoomniveau instellen op het echoloodscherm 1 Selecteer in een echoloodweergave MENU > Zoom. 2 Selecteer een optie: • Selecteer Bodem vast om in te zoomen op echoloodgegevens op bodemdiepte. • Als u het dieptebereik van het uitvergrote gebied handmatig wilt instellen, selecteert u Handmatig.
Kleurenschema's met een laag contrast wijzen aan signalen met een lage intensiteit kleuren toe die vergelijkbaar zijn met de achtergrondkleur. Presentatie: Zie Instellingen voor echoloodweergave. Cijfers projecteren: Hiermee kunt u de gegevens instellen die op het echoloodscherm worden weergegeven. Geavanceerd: Zie Geavanceerde echoloodinstellingen. Installatie: Hiermee kunt u de standaardecholoodinstellingen herstellen.
Het bereik en de tijdschaal voor de grafiek voor diepte- en watertemperatuur instellen U kunt opgeven hoe lang diepten worden weergegeven in de grafieken voor diepte- en watertemperatuur en welk dieptebereik wordt weergegeven. 1 Selecteer Echolood > Gegevensgrafieken > MENU. 2 Selecteer Dieptegrafiekinstellingen of Temperatuurgrafiekinstellingen. Selecteer een optie: 3 • Als u een schaal voor de verstreken tijd wilt instellen, selecteert u Duur. De standaardinstelling is 10 minuten.
waarschuwingssignaal gewaarschuwd. De modus Wachtpost werkt bij alle Garmin GMR-radars. Gepland zenden inschakelen Selecteer vanuit het wachtpostscherm MENU > Stel wachtpost in > Gepland uitzenden > Aan. De tijd voor stand-by en zenden instellen Voordat u de stand-bytijd en zendtijd kunt instellen, moet u eerst gepland zenden inschakelen (Gepland zenden inschakelen).
Wachtpost). Alle instellingen die op de radaroverlay zijn toegepast, gelden ook voor de laatst gebruikte radarmodus. Als u bijvoorbeeld de modus Haven gebruikt en u schakelt over naar de radaroverlay, worden op de radaroverlay de radargegevens uit de modus Haven weergegeven. Hebt u de versterkingsinstelling via het menu Radaroverlay gewijzigd, dan wordt de versterkingsinstelling voor de modus Haven automatisch gewijzigd.
De interferentie door stralingslobben op het radarscherm tot een minimum beperken Interferentie door stralingslobben kan als een halfcirkelvormig patroon van strepen komend vanuit een object worden weergegeven. De effecten door stralingslobben kunnen worden voorkomen door de versterking te verminderen of door het radarbereik korter te maken.
Digital Selective Calling (DSC) Netwerkkaartplotter en marifoonfunctionaliteit Als een NMEA 0183 marifoon of een NMEA 2000 marifoon is aangesloten op uw kaartplotter, zijn deze functies ingeschakeld. • De kaartplotter kan uw GPS-positie doorsturen naar uw marifoon. De GPS-positie-informatie wordt tegelijk met de DSC-oproepen verzonden als uw marifoon daartoe ondersteuning biedt. • De kaartplotter kan DSC (Digital Selective Calling)noodoproepen en positiegegevens ontvangen van de marifoon.
4 Selecteer Ga naar of Route naar. Een persoonlijke standaardoproep uitvoeren Een waypoint maken op de positie van een schip waarvan u de positie bijhoudt 1 Selecteer Navigatie-info > Overige schepen > DSC-lijst. 2 Selecteer een oproep met een positiemelding. 3 Selecteer Nieuw via-punt. OPMERKING: Als u een oproep start vanaf de kaartplotter, ontvangt de marifoon geen oproepgegevens als er geen MMSInummer in de marifoon is geprogrammeerd. 1 Selecteer Navigatie-info > Overige schepen > DSC-lijst.
Weersverwachtingen Weergegevens worden elke vijf minuten uitgezonden. Wanneer de Garmin ontvanger wordt ingeschakeld of wanneer er een andere weerfunctie wordt geselecteerd, worden die nieuwe gegevens pas weergegeven nadat die door de ontvanger zijn ontvangen. U merkt waarschijnlijk een korte vertraging op voordat de weergegevens of andere functies op de kaart worden weergegeven. OPMERKING: Elke weerfunctie kan veranderen als de bron verandert die de informatie aanlevert.
Een weersverwachting voor de scheepvaart of de verwachting voor buitengaats bekijken 1 Selecteer Weer > Weersverwachting. 2 Schuif de kaart naar een locatie buitengaats op. De optie Weersverwachting voor de scheepvaart of Weersverwachting buitengaats wordt weergegeven wanneer de weersverwachting beschikbaar is. 3 Selecteer Weersverwachting voor de scheepvaart of Weersverwachting buitengaats.
Gearceerde gebieden geven optimale visgebieden aan. Als u meerdere vissoorten hebt geselecteerd, kunt u een gearceerd gebied kiezen en de vissoorten bekijken die in dat gebied voorkomen. Zichtgegevens Zicht is het verwachte, maximale horizontale zicht aan het oppervlak, zoals wordt aangegeven in de legenda links op het scherm. Variaties in de zichtarcering geven de verwachte verandering in het zicht aan de oppervlakte aan.
Het volume van de SiriusXM Satellite Radio aanpassen 1 Selecteer Media > MENU. 2 Selecteer of . Toestelconfiguratie De kaartplotter automatisch inschakelen U kunt instellen dat de kaartplotter automatisch aangaat als de spanning wordt ingeschakeld. Anders moet u de kaartplotter inschakelen door op te drukken. Selecteer Instellingen > Systeem > Automatisch inschakelen.
Communicatie-instellingen 2 Selecteer Instellingen > Mijn boot > Kielcorrectie. 3 Selecteer of op basis van de locatie van de transducer. 4 Voer de afstand in die in stap 1 is gemeten. De watertemperatuurcorrectie instellen Voordat u de watertemperatuurcorrectie kunt instellen, moet u een NMEA 0183-watertemperatuursensor of een transducer met temperatuursensor aansluiten om de watertemperatuur te meten. De temperatuurcorrectie compenseert de temperatuurmeting van een temperatuursensor.
Diagnose: Hiermee wordt NMEA 0183 diagnostische informatie weergegeven. Standaardinstellingen: Stelt de NMEA 0183 instellingen terug op de oorspronkelijke fabrieksinstellingen. Een lijst met NMEA 2000 netwerktoestellen weergeven U kunt de toestellen weergeven die verbonden zijn met het NMEA 2000 netwerk. Selecteer Instellingen > Communicatie > NMEA 2000 instelling > Toestellenlijst.
Koerswijzigingsovergang activeren: Hier kunt u instellen of de koerswijziging op basis van tijd of afstand moet worden berekend. Tijd koerswijzigingovergang: Hier kunt u instellen hoeveel minuten voor de koerswijziging u overgaat op de nieuwe koers als het volgende routedeel, als Tijd is geselecteerd voor de Koerswijzigingsovergang activeren.
positie van de Auto Guidance-lijn wellicht niet wijzigt, tenzij navigatie door nauw vaarwater is vereist voor de geselecteerde bestemming. 10 Herhaal stap 3 t/m 9 in ieder geval nog één keer. Gebruik daarbij elke keer een andere bestemming tot u vertrouwd bent met de functionaliteit van de instelling Afstand kustlijn. Instellingen andere vaartuigen Als uw compatibele kaartplotter is verbonden met een AIStoestel of marifoon, kunt u instellen hoe andere vaartuigen op de kaartplotter worden weergegeven.
2 Selecteer Instellingen > Systeem > Systeeminformatie > Garmin toestellen > Opslaan op kaart. 3 Selecteer indien nodig de geheugenkaart waarop u de systeeminformatie wilt opslaan. 4 Verwijder de geheugenkaart. Selecteer Instellingen > Systeem > Systeeminformatie > Softwaregegevens.
Type PGN Beschrijving 128259 Snelheid: Ten opzichte van water 128267 Waterdiepte 129539 GNSS-DOP's 129799 Radiofrequentie, modus en vermogen 130306 Windgegevens 130312 Temperatuur Zenden haar externe leveranciers blijft. U verklaart dat u de Software of elk deel daarvan niet zult decompileren, demonteren, wijzigen, onderwerpen aan reverse assembling of reverse engineering, herleiden tot door mensen leesbare vorm of afgeleide werken zult maken op basis van de Software.
Index A aan-uitknop 28 aankomstalarm 30 aanvaringsalarm 6 afstand tot kustlijn 31 afstandcirkels 7 AIS 5–7 alarm 6 doelzoeken 5, 6 gevaren 5, 20 inschakelen 32 noodsignaaltoestel 6 radar 20 SART 6 schepen 5 alarmen 30 aankomst 30 aanvaring 6 diep water 18 echolood 18 krabbend anker 30 meters 13 motor 13 navigatie 30 ondiep water 18 van koers 30 watertemperatuur 18 weer 30 andere schepen AIS 7 sporen 7 Auto Guidance 9, 30 afstand tot kustlijn 31 lijn 31 B bestemmingen navigatiekaart 9 selecteren 8, 9 boeira
ruis 22 uitzenden 19 versterking 21 wachtpost, modus 19, 20 waypoints 20, 22 weergave optimaliseren 21, 22 zoomschaal 19 radaroverlay 20 radio, SiriusXM 27 routes bekijk lijst met 11 bewerken 11 kopiëren 32 maken 10 navigeren 11 parallel navigeren 11 verwijderen 11 waypoints 32 S SART 6 satellietbeelden 4 satellietsignalen, ontvangen 2 scherm, helderheid 2 schermafbeeldingen 33 opname maken 33 vastleggen 33 schermverlichting 2 SideVü 15 SiriusXM 24 SiriusXM Satellite Radio 27 software, bijwerken 1, 2 softw
www.garmin.com/support 913-397-8200 1-800-800-1020 0808 238 0000 +44 (0) 870 8501242 1-866-429-9296 +43 (0) 820 220230 + 32 2 672 52 54 +385 1 5508 272 +385 1 5508 271 +420 221 985466 +420 221 985465 + 45 4810 5050 + 358 9 6937 9758 + 331 55 69 33 99 + 39 02 36 699699 (+52) 001-855-792-7671 0800 0233937 +47 815 69 555 00800 4412 454 +44 2380 662 915 (+35) 1214 447 460 +386 4 27 92 500 0861 GARMIN (427 646) +27 (0)11 251 9999 +34 93 275 44 97 +49 (0)180 6 427646 20 ct./Anruf. a. d.