GPSMAP 700-serie gebruikershandleiding ®
© 2010-2011 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen Alle rechten voorbehouden. Behoudens voor zover uitdrukkelijk hierin voorzien, mag geen enkel deel van deze handleiding worden vermenigvuldigd, gekopieerd, overgebracht, verspreid, gedownload of opgeslagen in enig opslagmedium voor enig doel zonder vooraf de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van Garmin te hebben verkregen.
Inleiding Inleiding WAARSCHUWING Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke informatie. In deze handleiding vindt u informatie over de volgende producten: • • • GPSMAP® 720/720s GPSMAP 740/740s GPSMAP 750/750s Tips en snelkoppelingen • • • • In elk scherm kunt u op Home drukken om direct terug te keren naar het startscherm. Selecteer Menu in een van de hoofdpagina's om toegang te krijgen tot de aanvullende instellingen.
Inhoudsopgave Inhoudsopgave Inleiding............................................................i Tips en snelkoppelingen............................................ i Uitleg over de handleiding......................................... i Aan de slag.....................................................1 De kaartplotter automatisch inschakelen...............44 Het scherm instellen...............................................45 Navigatievoorkeuren..............................................
Aan de slag Aan de slag Voor- en achterpaneel ➊ ➋ ➌ Vooraanzicht GPSMAP 700-serie ➊ Aan-uitknop ➋ Sensor automatische schermverlichting ➌ SD-kaartuitsparing ➊ ➋ ➌ ➍ Achteraanzicht GPSMAP 700-serie ➊ NMEA 2000-connector ➋ Voedings-/gegevensconnector ➌ SD-kaartuitsparing ➍ Aansluiting voor externe GPS-antenne De kaartplotter inschakelen Druk op en laat de knop vervolgens los. De kaartplotter uitschakelen Houd ingedrukt.
Aan de slag De begininstellingen van de kaartplotter Wanneer u de kaartplotter voor het eerst gaat gebruiken, moet u een aantal begininstellingen configureren. U moet deze instellingen ook configureren wanneer u de fabrieksinstellingen herstelt (pagina 86). Deze instellingen kunnen naderhand afzonderlijk worden bijgewerkt. Volg de instructies op het scherm om de begininstellingen te configureren.
Aan de slag Systeeminformatie weergeven U kunt de softwareversie, de basiskaartversie, aanvullende kaartinformatie (indien beschikbaar), de softwareversie van de optionele Garmin-radar (indien beschikbaar) en de toestel-ID weergeven. U kunt deze gegevens nodig hebben om de systeemsoftware bij te werken of aanvullende kaartgegevens aan te schaffen. Selecteer in het startscherm Configureer > Systeem > Systeeminformatie.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten Weergave van kaarten en 3D-kaarten Alle kaartplotters uit de GPSMAP 700-serie zijn voorzien van een eenvoudige basiskaart. De onderstaande weergaven van kaarten en 3D-kaarten zijn beschikbaar op de kaartplotter. Opmerking: Mariner's Eye 3D en Fish Eye 3D zijn alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision SD-kaart gebruikt (pagina 16).
Weergave van kaarten en 3D-kaarten Kaartsymbolen Op BlueChart g2- en BlueChart g2 Vision-kaarten worden bepaalde kaartelementen met grafische symbolen aangegeven conform de Amerikaanse en internationale normen. Hieronder ziet u enkele andere algemene symbolen die u kunt tegenkomen.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten De weergave van waypointsymbolen configureren 1. Selecteer Kaarten in het startscherm. 2. Selecteer Zeekaart of Viskaart. 3. Selecteer Menu > Waypoints en sporen > Waypoint-weergave. 4. Selecteer een waypointsymbool. 5. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Label om de naam en het symbool weer te geven. • Selecteer Alleen symbolen om alleen het symbool weer te geven. • Selecteer Commentaar om de opmerkingen weer te geven die u hebt ingevoerd (pagina 27).
Weergave van kaarten en 3D-kaarten 3. Tik op een object ➊. 4. Selecteer de knop met de naam van het item ➋ waarover u informatie wilt weergeven. ➋ ➊ Informatie van het getijdenstation weergeven Informatie van een getijdenstation wordt met een pictogram van een getijdenstation ( ) op de kaart weergegeven. U kunt een uitgebreide grafiek voor een getijdenstation weergeven aan de hand waarvan u het getijde voor verschillende tijdstippen of dagen kunt voorspellen (pagina 36).
Weergave van kaarten en 3D-kaarten Getijden en stromingen weergeven en configureren U kunt informatie over de getijden en stromingen op de zeekaart of viskaart weergeven en configureren. 1. 2. 3. 4. 5. 6. Selecteer Kaarten in het startscherm. Selecteer Zeekaart of Viskaart. Selecteer Menu. Selecteer Zeekaartinstelling of Viskaartinstelling. Selecteer Getijde/stromingen.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten 5. Selecteer Kaartweergave > Detail. 6. Gebruik de schuifregelaar om het gewenste niveau op te geven. Een wereldkaart selecteren U kunt een normale wereldkaart of een gearceerde reliëfkaart gebruiken voor de zeekaart of de viskaart. Het verschil tussen deze twee kaarten is alleen zichtbaar als zodanig is uitgezoomd dat de gedetailleerde kaarten niet meer worden weergegeven.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten De bron van de koerslijn selecteren De bron voor de weergave van de koerslijn op de kaartplotter wordt bepaald door de instelling van de bron van de koerslijn (Auto of GPS-koers) en de beschikbaarheid van koersinformatie van een koerssensor. • • • 1. 2. 3. 4. 5. 6. Als er koersinformatie beschikbaar is van een koerssensor en de bron van de koers is ingesteld op Auto, worden zowel de koerslijn als het voertuigpictogram uitgelijnd met de koers van de sensor.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten 6. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Grootte van navigatiekenmerk om in te stellen hoe groot de symbolen van de navigatiekenmerken op de kaart worden weergegeven en selecteer de gewenste grootte. • Selecteer Type navigatie > NOAA om het navigatiekenmerk als NOAA-symbool op de kaart weer te geven. • Selecteer Type navigatie > IALA om het navigatiekenmerk als IALA-symbool (International Association of Lighthouse Authorities) op de kaart weer te geven.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten Overige schepen weergeven Zie “De weergave van andere schepen configureren” (pagina 50). Gegevensprojectie weergeven en configureren Zie “Cijfers projecteren op kaarten” (pagina 48). Waypoints gebruiken Zie “Waypoints” (pagina 26). Sporen gebruiken Zie “Sporen” (pagina 30). Automatic Identification System Met het Automatic Identification System (AIS) kunt u andere schepen identificeren en volgen.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten ➌ ➍ ➎ ➏ AIS-schip. Het schip geeft AIS-informatie. De richting waarin het driehoekje wijst, geeft de richting aan waarin het AIS-schip vaart. De plaats van dit symbool geeft de kortste afstand tussen uw schip en het gevaarlijke object aan. De getallen naast het symbool geven bij de kortste afstand tussen uw schip en dat object aan hoe lang het nog zou duren voordat beide met elkaar in aanvaring zouden komen. Gevaarlijk object binnen bereik.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten ➐ ➏ ➎ Doel met Geprojecteerde koers en Voorliggende koers AIS-ontvangst uitschakelen De ontvangst van het AIS-signaal is standaard ingeschakeld. Selecteer in het startscherm Configureer > Overige schepen > AIS > Uit. De AIS-functionaliteit wordt uitgeschakeld voor alle kaarten en 3D-kaarten, inclusief het zoeken en volgen van AISschepen, het melden van aanvaringsgevaar als schepen te dicht in de buurt komen en informatie over AIS-schepen.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten 3. Tik op een schip met AIS. 4. Selecteer AIS-schip. Een doel voor een AIS schip deactiveren 1. 2. 3. 4. Selecteer Kaarten in het startscherm. Selecteer Zeekaart, Viskaart, Perspective 3D of Mariner’s Eye 3D. Tik op het schip met AIS. Selecteer AIS-schip > Uitschakelen. Een veilige zone voor aanvaringsgevaar instellen Het alarm voor de veilige zone bij aanvaringsgevaar wordt alleen in combinatie met AIS gebruikt.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten De weergave aanpassen • Selecteer om het perspectief dichter bij de boot en het water te brengen. om het perspectief verder van de boot af te plaatsen. • Selecteer ) wordt kort onder aan het scherm weergegeven. De schaal ( De weergave Perspective 3D, Mariner’s Eye 3D of Fish Eye 3D verschuiven U kunt de weergave Perspective 3D, Mariner’s Eye 3D of Fish Eye 3D naar wens verschuiven.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten • • • Luchtfoto's (pagina 20): toont luchtfoto's van jachthavens en andere belangrijke navigatiepunten helpen u een beeld te krijgen van uw omgeving. Gedetailleerde gegevens voor wegen en nuttige punten (pagina 21): toont wegen, restaurants en andere nuttige punten (POI's) langs de kust. Autobegeleiding (pagina 21): maakt gebruik van ingevoerde gegevens voor de veilige diepte en veilige hoogte en de kaartgegevens om de beste doorvaartroute naar uw bestemming te bepalen.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten Gevarenkleuren weergeven of verbergen 1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Mariner's Eye 3D > Menu > Kaartweergave > Gevarenkleuren. 2. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Aan om ondiep water en land met behulp van een kleurenschaal weer te geven. Blauw geeft diep water aan, geel betekent ondiep water en rood staat voor zeer ondiep water. • Selecteer Uit om het land weer te geven zoals gezien vanaf het water.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten Fish Eye 3D met een echoloodkegel De weergave aanpassen Zie “De weergave aanpassen” (pagina 16). Weergave van de Fish Eye 3D-kaart De richting van de weergave op de Fish Eye 3D-kaart aangeven 1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Fish Eye 3D > Menu > Weergeven. 2. Selecteer Voorschip, Achterschip, Bakboord of Stuurboord. Een echoloodkegel op de kaart weergeven U kunt een kegel weergeven die het gebied aangeeft dat onder de dekking van uw transducer valt.
Weergave van kaarten en 3D-kaarten Sporen gebruiken Zie “Sporen” (pagina 30). Overige schepen weergeven Zie “De weergave van andere schepen configureren” (pagina 50). Navigatiekenmerken weergeven Selecteer in het startscherm Kaarten > Viskaart > Menu > Navigatiehulp > Aan. Cijfers projecteren Zie “Cijfers projecteren” (pagina 48).
Weergave van kaarten en 3D-kaarten 1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Zeekaart. 2. Selecteer een camerapictogram. • Een standaardcamerapictogram ( ) verwijst naar een panoramische foto. ) verwijst naar een foto vanuit een lager perspectief. • Een camerapictogram met een kegelvormige lijn ( De foto is gemaakt vanuit het perspectief van de camera in de richting van de kegelvormige lijn. 3. Selecteer Herzie > Luchtfoto.
Combinaties Combinaties Informatie over het combinatiescherm In het combinatiescherm kunt u meerdere schermen tegelijkertijd weergeven. Het aantal beschikbare opties voor het combinatiescherm is afhankelijk van de extra toestellen die u op de kaartplotter hebt aangesloten en van het feit of u een optionele BlueChart g2 Vision-gegevenskaart gebruikt. Configuratie van het combinatiescherm Een combinatie selecteren 1. Selecteer de optie Combinaties in het startscherm. 2. Selecteer een combinatie.
Combinaties Als de gegevens op het scherm worden weergegeven, wordt de navigatiebijkaart ➌ tijdens de navigatie weergegeven. De kompaslijn ➍ kan voor iedere gegevensprojectie worden weergegeven of verborgen. ➍ ➌ Combinatiescherm met gegevensprojectie Een gegevensvak in een combinatiescherm selecteren 1. 2. 3. 4. Selecteer de optie Combinaties in het startscherm. Selecteer een combinatie. Selecteer Menu > Cijfers projecteren. of om de gewenste gegevens te selecteren.
Combinaties De kompaslijn in een combinatiescherm weergeven De kompaslijn wordt als een rij boven in het combinatiescherm weergegeven. Deze bevat de volgende informatie: de huidige voorliggende koers en een indicatie van de peiling voor de gewenste koers tijdens het navigeren. 1. Selecteer de optie Combinaties in het startscherm. 2. Selecteer een combinatie. 3. Selecteer Menu > Cijfers projecteren > Toon kompaslijn.
Navigatie Navigatie Elementaire navigatievragen Vraag Antwoord Hoe kan ik ervoor zorgen dat de kaartplotter mij in de richting wijst waarin ik wil gaan (peiling)? Navigeren met Ga naar. Zie “Een directe koers instellen en volgen met behulp van Ga naar” (pagina 26).
Navigatie Koersen U kunt een koers naar een bestemming instellen en deze volgen met behulp van een van de volgende drie methoden: Ga naar, Route naar of Begeleid naar. • • • Ga naar: brengt u direct naar uw bestemming. Route naar: berekent een route van uw locatie naar een bestemming, met de mogelijkheid om koerswijzigingen aan te brengen. Begeleid naar: zoekt in de BlueChart g2 Vision-gegevenskaart de optimale route naar uw bestemming met behulp van Autobegeleiding.
Navigatie 3. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Tik op een locatie op het kaart. • Versleep het scherm naar een nieuwe locatie. Tik op een locatie op het kaart. 4. Selecteer Waypoint maken. 5. Indien nodig kunt u het waypoint een naam geven en informatie over de waypoint invoeren. Selecteer vervolgens het waypoint aan de rechterkant van het scherm en selecteer Wijzig waypoint. • Selecteer Naam, geef een naam op en selecteer OK. • Selecteer Symbool en kies een symbool.
Navigatie Een waypoint of MOB verwijderen U kunt een opgeslagen waypoint of een MOB ook verwijderen. 1. Tik in het startscherm op Informatie > Gebruikersgegevens > Waypoints-lijst. 2. Selecteer een waypoint of MOB. 3. Selecteer Wis. Alle waypoints verwijderen Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Wis gebruikersgegevens > Waypoints > Alles. Waypoints kopiëren Zie “Beheer van kaartplottergegevens” (pagina 52). Routes U kunt maximaal 100 routes maken en opslaan.
Navigatie 7. Herhaal de stappen 5 en 6 als u meer koerswijzigingen wilt toevoegen. Werk daarbij terug vanaf de bestemming naar de huidige positie van uw boot. De laatste koerswijziging die u toevoegt, dient overeen te komen met de eerste koerswijziging van vanaf uw huidige positie. Dit is dus de koerswijziging die zich het dichtst bij de boot bevindt. 8. Selecteer OK als de route is voltooid. 9. Controleer de koers die met een magenta lijn wordt aangegeven. 10.
Navigatie 5. Selecteer OK. Een opgeslagen route verwijderen 1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Routes. 2. Selecteer een route. 3. Selecteer Wis. Alle opgeslagen routes verwijderen Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Wis gebruikersgegevens > Routes > OK. Een waypoint op een opgeslagen route omzeilen U kunt vanaf elk willekeurig waypoint in de route beginnen met het langs een opgeslagen route navigeren. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Navigatie De kleur van het actieve spoor instellen Als de zeekaart of de viskaart wordt weergegeven, kunt de kleur van uw huidige spoor selecteren. 1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Sporen > Actieve spooropties > Spoorkleur. 2. Selecteer een spoorkleur. Het actieve spoor opslaan Het spoor dat momenteel wordt geregistreerd, wordt het actieve spoor genoemd. 1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Sporen > Actief spoor opslaan. 2.
Navigatie Het spoorloggeheugen beheren tijdens het opslaan 1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Sporen > Actieve spooropties > Opnamemodus. 2. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Vul om een spoorlogboek bij te houden tot het geheugen vol is. • Selecteer Wikkel om het spoorlogboek continu bij te houden, waarbij de oudste koersgegevens worden vervangen door nieuwe gegevens.
Waarheen? Waarheen? Gebruik de optie Waarheen? in het startscherm om te zoeken en te navigeren naar brandstofleveranciers, reparatiewerkplaatsen en andere services in de omgeving, maar ook naar waypoints en routes die u hebt samengesteld. Watersportdiensten als bestemming De kaartplotter bevat informatie over duizenden bestemmingen waar watersportdiensten worden aangeboden. OPMERKING: deze functie is niet in alle regio’s beschikbaar.
Waarheen? Wanneer u Ga naar gebruikt, kunnen een directe koers en een gecorrigeerde koers over land of door ondiep water lopen. Gebruik visuele waarnemingen om land, ondiep water en andere gevaarlijke objecten te vermijden. U kunt op naam zoeken naar opgeslagen waypoints, opgeslagen routes, opgeslagen sporen en watersportdiensten. 1. Selecteer in het beginscherm Waarheen? > Zoek op naam. 2. Voer minimaal een gedeelte van de naam van de bestemming in. 3. Selecteer OK.
Waarheen? 4. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Vooruit om de route te navigeren vanaf het vertrekpunt dat tijdens het maken van de route is ingesteld. • Selecteer Terug om de route te navigeren vanaf de bestemming die tijdens het maken van de route is ingesteld. Er wordt een magenta lijn weergegeven. De dunnere paarse lijn in de magenta lijn geeft de gecorrigeerde koers van uw huidige positie naar de bestemming aan.
Almanak-, boot- en omgevingsgegevens Almanak-, boot- en omgevingsgegevens Het informatiescherm bevat informatie over getijden, stromingen, zon- en maanstanden en de diverse meters. Almanakgegevens Informatie van getijdenstation Het scherm Getijden verschaft informatie over een getijdenstation ➊ voor een specifieke datum ➋ en tijd ➌, zoals de vloedhoogte ➍ en de eb- en vloedtijden.
Almanak-, boot- en omgevingsgegevens Informatie over stromingen Opmerking: informatie over stromingenstations is beschikbaar via een BlueChart g2 Vision-kaart. Het scherm Stromen bevat informatie over een stromingenstation ➊ voor een specifieke datum en tijd, zoals de actuele snelheid van de stroming en het niveau ➋. Standaard bevat de kaartplotter informatie over het laatst weergegeven stromingenstation en informatie voor de huidige datum en tijd. Selecteer in het startscherm Informatie > Stromen.
Almanak-, boot- en omgevingsgegevens Zon- en maanstanden Het scherm Zon en maan bevat informatie over de zonsopgang en zonsondergang, de op- en ondergang van de maan, de maanfase en een benadering van de positie van de zon ➊ en de maan ➋. Standaard geeft de kaartplotter informatie over de zon- en maanstanden van de actuele dag en tijd weer. Het midden van het scherm ➌ stelt de lucht voor en de buitenste cirkels ➍ de horizon. Selecteer in het startscherm Informatie > Zon en maan.
Almanak-, boot- en omgevingsgegevens Instelling Schaalminimum Schaalmaximum Vastgesteld minimum Vastgesteld maximum Beschrijving Deze waarde is lager dan het vastgestelde minimum en vertegenwoordigt de ondergrens van de meter. Deze instelling is niet op alle meters beschikbaar. Deze waarde is hoger dan het vastgestelde maximum en vertegenwoordigt de bovengrens van de meter. Deze instelling is niet op alle meters beschikbaar. Vertegenwoordigt de minimumwaarde van het standaardbedrijfsbereik.
Almanak-, boot- en omgevingsgegevens Brandstofmeters weergeven Om brandstofinformatie te kunnen zien, moet uw kaartplotter zijn aangesloten op een externe brandstofsensor, zoals de Garmin GFS™ 10. Selecteer in het startscherm Informatie > Dashboardmeters > Motor. Brandstofmeters configureren De hoeveelheid brandstof aan boord kan het totale brandstofniveau zijn (numeriek) of het niveau van afzonderlijke tanks (grafisch). 1.
Almanak-, boot- en omgevingsgegevens De tripmeters opnieuw instellen 1. Selecteer in het startscherm Informatie > Dashboardmeters > Trip > Menu. 2. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Reset trip om alle metingen voor de huidige trip in te stellen op 0,0. • Selecteer Reset maximale snelheid om de meting van de maximumsnelheid in te stellen op 0,0. • Selecteer Reset tripteller om de kilometerteller op 0,0 te zetten. • Selecteer Reset alles om alle waarden op 0,0 te zetten.
Almanak-, boot- en omgevingsgegevens De VMG-bron configureren U kunt de bron voor de VMG-gegevens bepalen op basis waarvan de werkelijke windsnelheid wordt berekend. Voordat u de VMG-bron kunt configureren, moet u de windmeter instellen op Toon ware wind (pagina 41). De watersnelheid is de door een water-snelheidsensor gemeten snelheidmeting; de GPS-snelheid wordt berekend op basis van uw GPSpositie. 1. Selecteer in het startscherm Informatie > Dashboardmeters > Wind > Menu > VMG bron. 2.
Almanak-, boot- en omgevingsgegevens Omgevingsmeters Omgevingsmeters weergeven Selecteer in het startscherm Informatie > Dashboardmeters > Omgeving. De uitlijning van de windmeter configureren U kunt de uitlijning van de windmeter opgeven die op de pagina Omgeving moet worden weergegeven. 1. Selecteer in het startscherm Informatie > Dashboardmeters > Omgeving > Menu. 2.
Het toestel instellen Het toestel instellen Standaardvragen over het instellen van het toestel Vraag Hoe kan ik de mate van detail op de kaart aanpassen? Hoe kan ik de tijdzone-instelling wijzigen? Hoe kan ik de taalinstelling wijzigen? Hoe kan ik de helderheid van de schermverlichting aanpassen? Hoe kan ik een kompaslijn weergeven boven aan de kaart? Hoe kan ik de kleur van het actieve spoor wijzigen? Hoe kan ik het spoorlog op de kaart verwijderen? Antwoord Zie “Het zoomdetail van de kaart wijzigen” (pa
Het toestel instellen Het scherm instellen Het geluid instellen U kunt instellen wanneer de kaartplotter hoorbare signalen afgeeft. 1. Selecteer in het startscherm Configureer > Systeem > Pieper/scherm > Pieper. 2. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Alleen alarmen om de kaartplotter alleen een alarmsignaal te laten weergeven wanneer de alarmen worden geactiveerd (standaardinstelling). • Selecteer Aan (aanr.
Het toestel instellen Veilige waterdiepte en veilige obstakelhoogte LET OP De instellingen voor Veilige diepte en Veilige hoogte zijn van invloed op de manier waarop de kaartplotter een automatische begeleidingslijn berekent. Als de waterdiepte of de obstakelhoogte in een gebied niet bekend is, wordt geen automatische begeleidingslijn berekend voor dat gebied.
Het toestel instellen 9. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Als u tevreden bent met de plaatsing van de automatische begeleidingslijn, selecteer dan Menu > Stop navigatie. Ga door naar stap 11. • Als de autobegeleidingslijn te dicht bij bekende obstakels is geplaatst, selecteer dan in het startscherm Configureer > Navigatie > Autobegeleiding > Afstand tot kustlijn > Verst.
Het toestel instellen Eenheden U kunt de eenheden instellen die op de kaartplotter worden weergegeven. U kunt een standaardsysteem voor eenheden gebruiken of uw eigen systeem instellen. Een standaardsysteem voor eenheden selecteren 1. Selecteer in het startscherm Configureer > Eenheden > Systeemeenheden. 2. Selecteer Statuut (m/u, vt, ºF), Metrisch (k/u, m, ºC) of Nautisch (kt, vt, ºF).
Het toestel instellen Een gegevensprojectie selecteren Selecteer Kaarten in het startscherm. Selecteer een kaartweergave of een driedimensionale weergave van een kaart. Selecteer Menu. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Zeekaartinstelling > Cijfers projecteren. • Selecteer Viskaartinstelling > Cijfers projecteren. • Selecteer Cijfers projecteren. of om de gewenste gegevens te selecteren. 5. Tik op 1. 2. 3. 4.
Het toestel instellen 4. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Zeekaartinstelling > Cijfers projecteren. • Selecteer Viskaartinstelling > Cijfers projecteren. • Selecteer Cijfers projecteren. 5. Selecteer Toon kompaslijn. Het snelheidsfilter gebruiken Het snelheidsfilter middelt de snelheid van uw boot over een korte tijdsperiode voor meer verfijnde snelheidswaarden. 1. Selecteer in het startscherm Configureer > Systeem > GPS. 2.
Het toestel instellen De brandstofcapaciteit van uw boot instellen 1. Selecteer in het startscherm Configureer > Mijn boot > Brandstofcapaciteit. 2. Voer de totale brandstofcapaciteit in van alle motoren van uw boot. 3. Selecteer OK. Alarmen Standaard zijn alle alarmen uitgeschakeld, behalve het bestemmings- en weeralarm. De alarmen werken alleen als de kaartplotter is ingeschakeld.
Het toestel instellen Het alarm voor GPS-nauwkeurigheid instellen U kunt een alarm laten afgaan wanneer de nauwkeurigheid van de GPS-locatie buiten een door de gebruiker gedefinieerde waarde valt. 1. Selecteer in het startscherm Configureer > Alarmen > Systeem > GPS > Aan. 2. Voer de nauwkeurigheid van de GPS-locatie in waarbij het alarm moet afgaan. 3. Selecteer OK.
Het toestel instellen Waypoints, routes en sporen kopiëren naar een geheugenkaart 1. Plaats een geheugenkaart in de SD-kaartuitsparing van de kaartplotter. 2. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Gegevens verzenden > Kaart > Opslaan op kaart. 3. Selecteer een actie om een naam voor het nieuwe bestand op te geven: • Selecteer de bestandsnaam in de lijst. • Selecteer Voeg nieuw bestand toe om een nieuw bestand te maken, geef de bestandsnaam op en selecteer OK. 4.
Radar Radar WAARSCHUWING De scheepsradar zendt microgolfenergie uit, die een gevaar kan vormen voor mens en dier. Controleer, vóór de radar wordt ingeschakeld, of de directe omgeving vrij is. De radarbundel bestrijkt een gebied van ca. 12° boven en onder de horizontale lijn vanuit het midden van de radar. Kijk niet direct in de radarbundel; de ogen zijn namelijk het gevoeligste deel van het lichaam.
Radar Weergavemodi voor de radar Op het radarscherm staan vier standaard bedrijfsmodi. Iedere modus kan alleen voor een compatibele radar worden gebruikt. • • • • De modus Kruisvaart: hiermee worden de verzamelde radargegevens schermvullend weergegeven. De modus Haven: deze modus is bedoeld voor binnenwateren en werkt het beste bij radarsignalen met een kort bereik (2 zeemijl of minder). De modus Buitengaats: deze modus is bedoeld voor open water en werkt het beste bij radarsignalen met een lang bereik.
Radar De modus Haven De modus Haven is de standaardradar voor binnenwateren bij de volgende typen radar: GMR 604 xHD, 606 xHD, 1204 xHD en 1206 xHD. Deze modus werkt het beste bij radarsignalen met een kort bereik (2 zeemijlen of minder). Opmerking: als u overschakelt van de modus Wachtpost naar de modus Havens, schakelt de radar over op fulltimetransmissie en worden alle bewakingszones uitgeschakeld. De modus Haven weergeven Selecteer in het startscherm Radar > Haven.
Radar De modus Wachtpost In de modus Wachtpost gaat de radar op bepaalde tijden over op transmissie. U kunt zo een transmissie/stand-bycyclus configureren en daarmee stroom besparen. In deze modus kunt u ook een bewakingszone inschakelen. Deze zone is het veilige gebied rond uw boot. Wanneer de radar een object oppikt dat deze zone binnengaat, wordt u door middel van een waarschuwingssignaal gewaarschuwd. De modus Wachtpost werkt bij alle Garmin GMR-radars.
Radar 4. Versleep de hoek van de binnenste bewakingszone. 5. Selecteer OK. Een cirkelvormige bewakingszone inschakelen U moet een bewakingszone inschakelen voordat u de grenzen van de zone kunt bepalen (pagina 57). U kunt een cirkelvormige bewakingszone definiëren die uw boot volledig omsluit. 1. Selecteer in het startscherm Radar > Wachtpost > Menu > Stel wachtpost in > Bijstellen bewakingszone > Verplaats bewakingszone > Cirkel. 2. Versleep de cirkel van de buitenste bewakingszone ( ). 3.
Radar AIS-schepen op het radarscherm weergeven AIS werkt alleen als er een extern AIS-toestel en signalen van een actieve transponder van andere schepen worden gebruikt. U kunt instellen hoe andere schepen op het radarscherm moeten worden weergegeven. Als u een instelling voor één radarmodus wijzigt, worden de nieuwe instellingen ook op alle andere radarmodi toegepast (met uitzondering van de instelling Bereik AIS-weergave).
Radar De VRM en de EBL verbergen 1. Selecteer Radar in het startscherm. 2. Selecteer Kruisvaart, Haven of Buitengaats. 3. Selecteer Menu > VRM/EBL aanpassen > Verberg VRM/EBL. Het bereik en de peiling voor een doelobject meten terwijl de VRM en EBL zijn verborgen Als u de VRM en EBL hebt verborgen (pagina 60), kunt u het bereik en de peiling van een locatie weergeven door op het scherm te tikken. 1. 2. 3. 4. Selecteer Radar in het startscherm. Selecteer Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
Radar 6. Selecteer Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost. De route wordt weergegeven als een magenta lijn met het beginpunt, de bestemming en de koerswijzigingen. 7. Controleer de koers die met een magenta lijn wordt aangegeven. 8. Volg de magenta lijn langs elk traject van de route, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
Radar Radaroverlay en uitlijning van kaartgegevens Wanneer u de radaroverlay gebruikt, lijnt de kaartplotter de radargegevens op basis van de voorliggende koers van het schip uit op de kaartgegevens. De koers wordt standaard bepaald door middel van de gegevens van een mechanische koerssensor die is aangesloten op een NMEA 0183- of een NMEA 2000-netwerk. Als er geen koerssensor beschikbaar is, wordt de koers van het schip bepaald aan de hand van de GPS-koersgegevens.
Radar Tips voor het selecteren van een radarbereik • • • Bepaal eerst welke informatie u op het radarscherm wilt kunnen bekijken. Wilt u bijvoorbeeld informatie over het weer of informatie over objecten en scheepsverkeer waar u op dat moment meer aan hebt dan aan het weer in verre gebieden? Maak een inventarisatie van de omgeving waarin u de radar gaat gebruiken.
Radar De versterking handmatig op het radarscherm aanpassen Als u de versterking indien nodig handmatig aanpast, werkt de radar optimaal bij de huidige omstandigheden. Opmerking: of de versterking die u voor één radarmodus hebt ingesteld ook voor de andere radarmodi of de radaroverlay geldt, is afhankelijk van het type radar dat u gebruikt (pagina 63). 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. Selecteer Radar in het startscherm. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost.
Radar Zeeruis op het radarscherm aanpassen U kunt de weergave aanpassen van ruis die wordt veroorzaakt door een wilde zee. De instelling van de zeeruis heeft meer invloed op de weergave van ruis en objecten in de buurt van uw schip dan op de weergave van de ruis en objecten op grotere afstand.
Radar 4. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Hoog, Gemiddeld of Laag om de weergave van regenruis bij gebruik van een radar van het type GMR 20, 21, 40, 41, 18, 18 HD, 24, 24 HD, 404 of 406 te verzwakken of te versterken. Andere objecten op het radarscherm moeten duidelijk zichtbaar blijven. • Selecteer Omhoog of Omlaag om de weergave van regenruis bij een radar van het type GMR 604 xHD, 606 xHD, 1204 xHD of 1206 xHD te verzwakken of te versterken.
Radar Gegevensvelden op een radar configureren U kunt zelf aangeven welk type gegevens in een veld moet worden weergegeven. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. Selecteer Radar in het startscherm. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost. Selecteer Menu > Radarinstelling > Cijfers projecteren. of om de gewenste gegevens te selecteren. Tik op Tik op een gegevensveld. Selecteer een gegevenscategorie. Selecteer de gegevens die u wilt weergeven.
Radar Het weergaveveld op het radarscherm verschuiven Als uw snelheid toeneemt, kunt u uw huidige positie automatisch naar de onderkant van het scherm laten verplaatsen. Voer voor de beste werking uw topsnelheid in. Deze instelling geldt voor elke radarmodus. Deze instelling geldt niet voor de radaroverlay. 1. Selecteer in het startscherm Radar > Radarinstelling > Presentatie > Vooruitkijksnelheid > Aan. 2. Voer de te verwachten topsnelheid in. 3. Selecteer OK.
Radar Boegcorrectie De boegcorrectie compenseert de fysieke locatie van de radarscanner op het schip als de radarscanner niet op één lijn ligt met de boegas. De mogelijke boegcorrectie meten 1. Maak met behulp van een magnetisch kompas een optische peiling van een stilliggend object dat zich binnen het zichtbare bereik bevindt. 2. Meet de peiling van het object op de radar. 3. Als de afwijking van de peiling meer dan +/- 1° bedraagt, stelt u de boegcorrectie in.
Radar Instellingen voor het navigatiebeeld van de radaroverlay Het zoomdetail van de kaart wijzigen U kunt opgeven hoe gedetailleerd de kaart bij verschillende zoomniveaus voor de radaroverlay moet worden weergegeven. 1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Radaroverlay > Menu > Instellen > Kaartinstelling > Detail. 2. Selecteer een detailniveau. De koerslijn weergeven en configureren De koerslijn is een lijn op de kaart vanaf de boeg van de boot in de richting van de koers die de boot gaat varen.
Echolood Echolood Wanneer de volgende modellen uit de 700-serie op een transducer zijn aangesloten, kunnen ze als viszoeker worden gebruikt: • • • GPSMAP 720s GPSMAP 740s GPSMAP 750s Echoloodweergaven De kaartplotter kan echoloodgegevens weergeven aan de hand van drie verschillende weergaven: een weergave op volledig scherm, een gesplitst zoomscherm en een gesplitst frequentiescherm.
Echolood Echoloodweergave Splits zoom Het gesplitste zoomscherm voor echoloodweergave bevat een volledige grafiek van de echoloodmetingen plus een uitvergroting van een gedeelte van de grafiek op hetzelfde scherm. Selecteer in het startscherm Echolood > Splits zoom.
Echolood Dieptelog Als u een transducer met temperatuurmeting gebruikt of als u de watertemperatuur via NMEA 0183 of NMEA 2000 ontvangt, bevat het scherm Dieptelog een grafiek met de dieptelezingen afgezet tegen de tijd. De diepte wordt linksboven in het scherm weergegeven. De grafiek verschuift naar links met het verstrijken van de tijd. Selecteer in het startscherm Echolood > Volledig scherm.
Echolood 3. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Tijdsduur om de schaal voor de verstreken tijd ➊ in te stellen. De standaardinstelling is 10 minuten. Als u een hogere waarde instelt, kunt u de temperatuurvariaties gedurende een langere periode bekijken. Als u een lagere waarde instelt, kunt u meer details voor een kortere periode weergeven. • Selecteer Schaal om de schaal voor het temperatuurbereik ➋ in te stellen. De standaardinstelling is 4 graden.
Echolood Oppervlakteruis weergeven U kunt instellen of u de echoloodsignalen nabij het wateroppervlak wilt weergeven. Als u de oppervlakteruis verbergt, wordt de weergave overzichtelijker. Selecteer in het startscherm Echolood > Echoloodinstelling > Oppervlakteruis > Toon. Een dieptelijn tonen en instellen U kunt instellen of ter snelle referentie een dieptelijn moet worden weergegeven. 1. Selecteer in het startscherm Echolood > Echoloodinstelling > Dieptelijn > Toon. 2.
Echolood De whiteline tonen en instellen U kunt het sterkste signaal van de bodem markeren om de hardheid of zachtheid van het signaal te kunnen definiëren. 1. Selecteer in het startscherm Echolood > Echoloodinstelling > Whiteline. 2. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Hoog om de whiteline met de meest gevoelige instelling in te schakelen. Vrijwel alle sterke retoursignalen worden wit gemarkeerd weergegeven.
Echolood Het bereik van de diepteschaal aanpassen U kunt het bereik van de rechts in het scherm weergegeven diepteschaal aanpassen. Selecteer Echolood in het startscherm. Selecteer een echoloodweergave. Selecteer Menu > Bereik. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Auto om de diepte automatisch te laten aanpassen door de kaartplotter. • Selecteer Omhoog of Omlaag om het bereik van de diepteschaal handmatig te verhogen of te verlagen. 5. Selecteer OK.
Echolood De transducer instellen De kielcorrectie instellen De kielcorrectie compenseert de afstand (offset) tussen de transducer en de onderkant van de kiel, zodat u de diepte kunt meten vanaf de bodem van de kiel in plaats van vanaf de positie van de transducer. Voer voor deze afstand een positief getal in. U kunt een negatief getal invoeren als u wilt compenseren voor een grote boot die een paar voet diep in het water ligt. 1.
DCS (Digital Selective Calling) DCS (Digital Selective Calling) Kaartplotter en marifoonfunctionaliteit In de volgende tabel ziet u welke functies beschikbaar zijn wanneer u uw kaartplotter via een NMEA 0183-netwerk of een NMEA 2000-netwerk aansluit op een marifoon. Functionaliteit NMEA 0183-marifoon X De kaartplotter kan uw GPS-positie doorsturen naar uw marifoon. De GPSpositie-informatie wordt tegelijk met de DSCoproepen verzonden als uw marifoon daartoe ondersteuning biedt.
DCS (Digital Selective Calling) Een DSC-contactpersoon toevoegen U kunt een schip toevoegen aan uw DSC-lijst. U kunt oproepen vanaf de kaartplotter naar een DSC-contactpersoon verzenden (pagina 83). 1. 2. 3. 4. 5. Selecteer in het startscherm Informatie > Overige schepen > DSC-lijst > Voeg contactpersoon toe. Voer het MMSI-nummer (Maritime Mobile Service Identity) van het schip in. Selecteer OK. Voer de naam van het schip in. Selecteer OK.
DCS (Digital Selective Calling) Positie bijhouden Wanneer u uw Garmin-kaartplotter via NMEA 0183 aansluit op een marifoon, kunt u de positie bijhouden van schepen die positiemeldingen verzenden. Deze functie is ook beschikbaar met NMEA 2000, ervan uitgaande dat het schip de juiste PGN-gegevens verzendt (PGN 129808; DSC-oproepinformatie). Elke ontvangen oproep met een positiemelding wordt opgenomen in de DSC-lijst (pagina 79). Een positiemelding weergeven 1.
DCS (Digital Selective Calling) Sporen van schepen op de zeekaart U kunt het spoor van de schepen waarvan u de positie bijhoudt weergeven op de zeekaart, de viskaart en in de weergave Mariner's Eye 3D. Standaard wordt een zwarte stip ➊ weergegeven voor elke eerder gemelde positie van een schip waarvan u de positie bijhoudt. Tevens geeft een symbool in de vorm van een blauwe vlag ➋ de laatst gemelde positie van het schip aan. Daarnaast wordt een zwarte lijn ➌ weergegeven met de route van het schip.
DCS (Digital Selective Calling) De vormgeving van een lijn voor een spoor wijzigen U kunt de vormgeving wijzigen van de lijn voor het spoor van een specifiek schip waarvan u de positie bijhoudt. Opmerking: Mariner's Eye 3D is alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision SD-kaart gebruikt. De viskaart is alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision SD-kaart of een BlueChart g2 SD-kaart gebruikt, of als de geïntegreerde kaart ondersteuning biedt voor viskaarten. 1.
Appendix Appendix Specificaties Fysieke specificaties Specificatie Grootte Gewicht Scherm Behuizing Temp.-bereik Kompasveilige afstand Afmetingen B × H × D: 226 × 142 × 80 mm (8 29/32 × 5 19/32 × 3 1/8 inch) 1,125 kg (2,48 lb.
Appendix Schermafbeeldingen U kunt van elk scherm dat op de kaartplotter wordt weergegeven, een afbeelding (.BMP-bestand) maken en dat bestand vervolgens naar uw computer overzetten. Schermafbeeldingen vastleggen 1. 2. 3. 4. Plaats een geheugenkaart in de SD-kaartuitsparing aan de voorkant van de kaartplotter. Selecteer Configureer > Systeem > Pieper/scherm > Schermafdruk > Aan. Ga naar een scherm waarvan u een opname wilt maken. Druk minimaal zes seconden op Home.
Appendix De fabrieksinstellingen van de kaartplotter herstellen Opmerking: tijdens deze procedure worden alle gegevens verwijderd die u hebt ingevoerd. 1. Selecteer in het startscherm Configureer > Systeem > Systeeminformatie > Af-fabriekinstellingen. 2. Selecteer Ja. NMEA 0183 en NMEA 2000 Een kaartplotter uit de GPSMAP 700-serie kan gegevens verwerken van zowel NMEA 0183-conforme toestellen als bepaalde NMEA 2000-conforme toestellen die zijn aangesloten op een bestaand NMEA 2000-netwerk op uw boot.
Appendix Waypoint-ID's configureren 1. Selecteer in het startscherm Configureer > Communicatie > NMEA 0183-instelling > Waypoint ID's. 2. Voer een van onderstaande handelingen uit: • Selecteer Namen als u tijdens de navigatie de waypoint-namen via NMEA 0183 wilt overzetten. • Selecteer Cijfers als u tijdens de navigatie de waypoint-cijfers wilt overzetten. Deze optie kan compatibiliteitsproblemen met oudere NMEA 0183-stuurautomaten verhelpen.
Appendix Een voorkeursgegevensbron selecteren Als er meerdere gegevensbronnen beschikbaar zijn, kunt u de gegevensbron kiezen die u wilt gebruiken. 1. Selecteer in het startscherm Configureer > Communicatie > Voorkeursbronnen. 2. Selecteer een gegevensbron. NMEA 0183-gegevens via een NMEA 2000-netwerk overbrengen U kunt het overbruggen van uitvoer inschakelen, configureren en uitschakelen.
Appendix Het toestel registreren Vul de onlineregistratie vandaag nog in, zodat wij u beter van dienst kunnen zijn: • • Ga naar http://my.garmin.com. Bewaar uw originele aankoopbewijs of een fotokopie op een veilige plek. Contact opnemen met Garmin Product Support Neem contact op met Garmin Product Support als u vragen hebt over dit product: • • • Ga in de V.S. naar www.garmin.com/support of neem telefonisch contact op met Garmin op (913) 397.8200 of (800) 800.1020. Neem in het V.K.
Index Index A aankomstalarm 51 aanraakscherm 84 aan-uitknop i, 1 aanvaringsgevaar 12, 14, 58 achterpaneel 1 actieve sporen in tegengestelde richting volgen 31 opslaan 31 wissen 31 afstand meten 6 afstand tot kustlijn 46 AIS doelzoeken 12, 83 gevaren 15, 58 radar 59 alarmen aankomst 51 aanvaring 12, 14, 58 diep water 77 echolood 77 GPS-nauwkeurigheid 52 klok 51 koersfout 51 krabbend anker 51 navigatie 51 ondiep water 77 systeem 51 totale hoeveelheid brandstof aan boord 52 vis 77 voedingspanning 51 watertemp
Index Autobegeleiding 46 automatisch inschakelen 44 bereik 77 bereikcirkels 15, 68 brandstofcapaciteit 51 cijfers projecteren 75 cirkels 68 corridorbreedte 16 details 8, 14, 59 diepte-eenheden 48 dieptelijn 75 diep water 77 draaisnelheid 68 drukeenheden 48 DSC 79 echoloodkegel 19 fotopunten 11 foto’s 19 frequentie 76 gegevensbalken 48 gegevensbalk kompaslijn 24, 49, 67 geproj.
Index O objectinformatie 6 ondiep-wateralarm 77 oriëntatie kaart 8 kompasweergave 43 radarbeeld 67 overbruggen, uitvoer 88 overige schepen AIS 50, 58 geprojecteerde koers 59 sporen 50, 59, 82 overlay, radar 61 P Perspective 3D AIS 15 bereikcirkels 15 corridorbreedte 16 gegevensbalken 48 objectinformatie 6 plaatselijke dieptepeilingen 10 positie bijhouden 81 positie-indeling 47 positiemiswijzing 86 positierapport 81 productondersteuning 89 productregistratie 89 R radar AIS 59 antenneafmeting 68 bereik 54, 6
Index voorkeursgegevensbron 88 voorliggende koers 42, 43, 67 voorpaneel 1 VRM aanpassen 59 meten 59 tonen 59 W Waarheen? 33 WAAS/EGNOS 85 wachtpost, modus bewakingszone 57 gepland uitzenden 57 ware noorden 47 ware wind 41 water snelheid 50 watersportdiensten 11, 25, 33 watertemperatuuralarm 77 waypoint identificeren 87 waypoint maken 6, 27, 60, 74, 81 waypoints bewerken 27 echolood 74 huidige positie 26 kopiëren 53 labeltype 69 lijst van 27 maken 6, 26, 60, 74 man-over-boord 27 navigeren naar 34 omzeilen i
Voor de nieuwste gratis software-updates (exclusief kaartgegevens) kunt u gedurende de gehele levensduur van uw Garmin-producten terecht op de website www.garmin.com. © 2010-2011 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen Garmin International, Inc. 1200 East 151st Street, Olathe, Kansas 66062, VS Garmin (Europe) Ltd. Liberty House, Hounsdown Business Park, Southampton, Hampshire, SO40 9LR, Verenigd Koninkrijk Garmin Corporation No. 68, Zangshu 2nd Road, Xizhi Dist.