GPSMAP® 400-serie gebruikershandleiding
© 2007 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen Garmin International, Inc. 1200 East 151st Street, Olathe, Kansas 66062, VS Tel.: +1.913.397.8200 of +1.800.800.1020 Fax +1.913.397.8282 Garmin (Europe) Ltd. Liberty House Hounsdown Business Park, Southampton, Hampshire, SO40 9RB, VK Tel.: +44 (0) 870.850.1241 (buiten het VK) 0808.238.0000 (binnen het VK) Fax +44 (0) 870.850.1251 Garmin Corporation No. 68, Jangshu 2nd Road, Shijr, Taipei County, Taiwan Tel.: +886.2.2642.9199 Fax: +886.2.2642.
Inleiding Inleiding Deze handleiding bevat informatie over de volgende producten: GPSMAP® 420/420s GPSMAP® 430/430s/430x/430sx GPSMAP® 440/440s/440x/440sx GPSMAP® 450/450s Tips en snelkoppelingen • In elk scherm kunt u op HOME drukken om direct terug te keren naar het startscherm. • In elk hoofdscherm kunt u op MENU drukken voor toegang tot geavanceerde instellingen. • Druk kort op de aan/uit-knop om de weergave-instellingen aan te passen.
Inleiding Inhoudsopgave Inleiding..................................................................................i Tips en snelkoppelingen.......................................................... i Uitleg van de handleiding......................................................... i Snelkoppelingen........................................................................ i Waarschuwingen..................................................................... iv Belangrijke informatie..........................
Inleiding Sonar gebruiken.................................................................35 Het volledige scherm............................................................. 35 De flitser.................................................................................. 35 Het gesplitste frequentiescherm........................................... 36 Het gesplitste zoomscherm................................................... 36 Het temperatuurlogscherm...................................................
Inleiding Waarschuwingen Vermijd de volgende mogelijk gevaarlijke situaties, omdat deze kunnen leiden tot een ongeval of aanvaring wat de dood of ernstig letsel tot gevolg kan hebben. • Vergelijk tijdens het navigeren de informatie die wordt weergegeven op het scherm met alle beschikbare navigatiebronnen, inclusief informatie van visuele waarnemingen en kaarten. Los eventuele verschillen of zaken die u zich afvraagt altijd op voordat u verdergaat, dit voor uw eigen veiligheid.
Aan de slag Aan de slag Overzicht van het apparaat MARK SELECT HOME stroom/signaal Externe GPS-antenne GXM 31-antenne MENU SD-kaartsleuf GPSMAP 440sx (hier getoond) Gebruikershandleiding GPSMAP® 400-serie
Aan de slag Het apparaat in- of uitschakelen Houd de aan/uit-knop ingedrukt totdat het apparaat piept en het scherm met Garmin wordt weergegeven. Als er een scherm met een waarschuwing wordt weergegeven, drukt u op SELECT om naar het startscherm te gaan. De schermverlichting aanpassen 1. Druk kort op de aan/uit-knop. 2. Selecteer Schermverlichting > Schermverlichting handmatig. Opmerking: De eerste keer dat u het apparaat aanzet, dient u de configuratieprocedure te volgen.
Aan de slag Als u wilt schakelen tussen de dag- en nachtmodus: 1. Druk kort op de aan/uit-knop. 2. Selecteer de modus Dag/Nacht. 3. Druk de tuimelschakelaar naar links of naar rechts om te schakelen tussen de modi.
Aan de slag GPS-satellietsignalen ontvangen Wanneer u het apparaat voor het eerst inschakelt, moet de GPS-ontvanger de gegevens van de satelliet verzamelen en de huidige locatie bepalen. Als het apparaat de locatie niet kan bepalen, wordt het scherm Positie initialiseren weergegeven. De simulatormodus gebruiken De simulatormodus schakelt de GPS-ontvanger uit voor gebruik binnenshuis of om te oefenen. Het apparaat ontvangt geen satellietsignalen in de simulatormodus.
Aan de slag De fabrieksinstellingen herstellen U kunt de instellingen van uw apparaat terugzetten naar de fabrieksinstellingen. Let op: Tijdens deze procedure worden de gegevens verwijderd die u hebt ingevoerd. De fabrieksinstellingen herstellen: 1. Selecteer in het startscherm Configureer > Systeem > Systeeminformatie. 2. Selecteer Fabrieksinstellingen. 3. Selecteer Ja om alle fabrieksinstellingen te herstellen. Of selecteer Nee om te annuleren.
Aan de slag Het startscherm Via het startscherm hebt u toegang tot alle andere schermen. Opmerking: De opties op dit scherm kunnen verschillen, al naar gelang het type van het apparaat. • Kaarten: bekijk navigatie-, vis-, Mariner’s Eye 3D- en Fish Eye 3D-kaarten (pagina 7). Opmerking: Op de GPSMAP 420-/420s-, 440-/440s-/440x/440sx-apparaten, moet u een optionele BlueChart® g2 Vision™ voorgeprogrammeerde SD-kaart plaatsen om de vis- en Fish Eye 3D-kaarten te gebruiken.
Kaarten gebruiken Kaarten gebruiken Uw apparaat is uitgerust met een wereldkaart, een gedetailleerde kaart van de meren in het binnenland van de VS of BlueChart g2-cartografie voor de kustlijn van de VS of voor een bepaald land. • Navigatiekaart: geeft alle relevante navigatiegegevens weer die beschikbaar zijn op uw vooraf geïnstalleerde kaarten, waaronder boeien, lichten, kabels, diepten, jachthavens en getijdenstations in één overzichtskaart.
Kaarten gebruiken Instellingen van de navigatiekaart Druk op MENU voor toegang tot meer instellingen of opties van de navigatiekaart. Kaart op volledig scherm (Cijfers weergeven): bekijk de navigatie- of viskaart zonder getallen in de modus Volledig scherm. Selecteer Cijfers weergeven om de getallen opnieuw weer te geven. NEXRAD: de NEXRAD-weersinformatie in- of uitschakelen.
Kaarten gebruiken Kaartgegevens BlueChart g2 Vision en de elektronische kaarten van de binnenmeren in de VS maken gebruik van grafische symbolen voor kaartkenmerken.
Kaarten gebruiken Op de kaart in- en uitzoomen Met de bereikknoppen (+/-) bepaalt u het zoomniveau, dat door de schaalverdeling onder in de kaart wordt weergegeven ( ). Het balkje onder het cijfer geeft deze afstand op de kaart weer. 2. Selecteer het item. Als er meerdere items in het gebied staan, selecteert u Herzien en selecteert u vervolgens het item. Toegang tot overige objectinformatie Met de kaartwijzer ( ) kunt u informatie over de kaartitems en waypoints op het scherm weergeven.
Kaarten gebruiken Informatie van het getijdenstation weergeven Informatie van het getijdenstation wordt op de kaart weergegeven door een gedetailleerd pictogram dat het relevante getijdenniveau laat zien. U kunt een uitgebreide grafiek voor een getijdenstation weergeven die u helpt het getijde voor verschillende tijdstippen of dagen te voorspellen. Markeer met de kaartwijzer ( ( ) en druk op SELECT.
Kaarten gebruiken Mariner’s Eye 3D gebruiken Mariner’s Eye 3D biedt een panoramisch gezicht van bovenaf en van achter uw boot (in overeenstemming met uw koers) en dient als visueel navigatiehulpmiddel. Deze weergave is nuttig voor het navigeren rond verraderlijke ondiepten, riffen, bruggen of kanalen en komt van pas bij het binnenvaren en verlaten van onbekende havens of ankerplaatsen.
Kaarten gebruiken Fish Eye 3D gebruiken Met behulp van de dieptelijnen van de BlueChart g2 Vision- cartografie biedt Fish Eye 3D een onderwaterweergave van de zee- en meerbodem. Instellingen voor Fish Eye 3D Druk in het scherm van Fish Eye 3D op MENU voor toegang tot meer instellingen of opties. Sonarkegel: hiermee schakelt u een kegel in of uit die het bereik van uw transducer weergeeft.
Kaarten gebruiken Satellietbeelden met hoge resolutie inschakelen Bij gebruik van een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-SD-kaart kunt u op de navigatiekaart satellietbeelden met hoge resolutie gebruiken voor weergave van het land of de zee, of beide. OPMERKING: Deze functie is voorgeladen op de GPSMAP 430/430s/430x/430sx. Satellietbeelden inschakelen: 1. Druk terwijl de navigatiekaart wordt weergegeven op MENU. 2. Selecteer Kaart instellen > Uiterlijk > Foto’s. 3.
Kaarten gebruiken Luchtfoto’s weergeven Voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-SD-kaarten bevatten luchtfoto’s van een groot aantal oriëntatiepunten, jachthavens en havens. Met deze foto’s kunt u zich op de omgeving oriënteren of voor aankomst alvast vertrouwd raken met (jacht)havens. Toegang tot luchtfoto’s vanuit de navigatiekaart: ➊ Gebruik de tuimelknop om op de navigatiekaart een camera te selecteren met behulp van de kaartwijzer. Perspectief ➋ Selecteer Luchtfoto.
Kaarten gebruiken Informatie van het getijdenstation weergeven Als de getijdenstations beschikbaar zijn voor uw g2 Vision-regio, worden zij op de navigatiekaart met een gemarkeerde pijl weergegeven. Dit gedetailleerde pictogram geeft in een oogopslag de huidige snelheid en richting aan. De kaartinstellingen wijzigen Om de kaartinstellingen te wijzigen, selecteert u in het startscherm Kaarten > Kaart instellen.
Kaarten gebruiken Koerslijn: de boeglijn wordt doorgetrokken in uw reisrichting. • Uit: hiermee schakelt u de koerslijn uit. • Afstand: geeft de afstand tot het einde van de koerslijn weer. • Tijd: de benodigde tijd voor het bereiken van het einde van de koerslijn. Kaartgrenzen: schakel bij het laden van BlueChart g2 Vision-kaarten de kaartgrenzen in als u wilt zien welk gebied een kaart bestrijkt. Tracks: tracks op de kaart verbergen (uit) of weergeven (aan).
Kaarten gebruiken Het scherm Kaart/sonar gebruiken Op het scherm Kaart/sonar kunt u de navigatiekaart, viskaart, Mariner’s Eye 3D of Fish Eye 3D tegelijkertijd met de sonar weergeven. Druk op MENU voor meer instellingen of opties voor het kaart-/ sonarscherm. De schermen voor navigatie en sonar gesplitst weergeven: 1. Selecteer in het startscherm Kaart/sonar. 2. Selecteer het type kaart dat u op het gesplitste scherm wilt weergeven.
Waarheen (Where To) Waarheen (Where To) Met de optie Waarheen (Where To) op het startscherm kunt u zoeken en navigeren naar brandstofleveranciers, reparatiewerkplaatsen, jachthavens, aanlegplaatsen, waypoints en routes in de omgeving. Opmerking: U moet eerst waypoints en routes maken voordat u naar waypoints kunt navigeren. U kunt naar een bestemming navigeren met behulp van een van de volgende drie methoden: Ga naar, Route naar of Begeleiding.
Waarheen (Where To) 3. Selecteer de maritieme dienst waarheen u wilt navigeren. Een scherm met informatie over de geselecteerde maritieme dienst verschijnt. 4. Selecteer Navigeren naar. 5. Selecteer Ga naar of Route naar. OF Selecteer Begeleiding voor automatische begeleiding als u een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-kaart gebruikt. 6. Volg de gekleurde lijn op het scherm naar de bestemming. 20 Stoppen met navigeren: Druk op MENU en selecteer vervolgens Navigeren stoppen.
Waarheen (Where To) Waypoints maken en gebruiken U kunt maximaal 1.500 alfanumerieke waypoints opslaan met een door de gebruiker gedefinieerde naam, symbool, diepte en watertemperatuur voor elk waypoint. Een nieuw waypoint maken: 1. Beweeg de kaartwijzer naar de door u gewenste locatie en druk op SELECT. 2. Selecteer Waypoint maken. U kunt waypoints als MOB (man over boord) opslaan. Op deze wijze markeert u het betreffende punt en wordt er een koers gemaakt die terugvoert naar de gemarkeerde locatie.
Waarheen (Where To) Een waypoint bewerken: 1. Maak een nieuw waypoint of selecteer een waypoint op de navigatiekaart. 2. Selecteer Waypoint bewerken. 3. Selecteer het kenmerk van het waypoint dat u wilt wijzigen (Naam, Symbool, Diepte, Watertemp. of Positie). 22 Een waypoint op de navigatiekaart verplaatsen: 1. Selecteer Waypoint bewerken > Positie > Kaart gebruiken. 2. Gebruik de tuimelknop om het waypoint naar een andere locatie te verplaatsen en druk op SELECT.
Waarheen (Where To) Routes maken en gebruiken U kunt maximaal 20 routes maken en opslaan met maximaal 250 waypoints voor elke route. Een route vanaf uw huidige locatie maken: 1. Beweeg de kaartwijzer naar een bestemming en druk op SELECT. 2. Selecteer Navigeren naar > Route naar. 4. Druk op MENU om te annuleren of om te beginnen met het navigeren van de route. Een route vanaf een andere locatie maken: 1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Routes > Nieuwe route.
Waarheen (Where To) Een route bewerken 1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Routes. 2. Selecteer de route die u wilt bewerken. Een route verwijderen: 1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Routes. 2. Selecteer de route die u wilt verwijderen en selecteer vervolgens Route bewerken. 3. Selecteer Verwijderen. 3. Selecteer Route bewerken. U kunt de routenaam en afslagen bewerken of de route verwijderen.
Informatie weergeven Informatie weergeven Via het informatiescherm verkrijgt u informatie over gebruikers, getijden, stromingen, zon- en maanstanden en andere boten. Cijfers weergeven Het cijferscherm aanpassen: 1. 2. 3. 4. Selecteer in het startscherm Informatie > Cijfers. Druk op MENU en druk vervolgens op SELECT. Selecteer het aantal velden dat u wilt weergeven (3, 4, 5 of 6). Selecteer welke informatie elk veld moet bevatten.
Informatie weergeven Informatie van het getijdenstation weergeven Voor de weergave van getijdeninformatie selecteert u in het informatiescherm Getijden en selecteert u vervolgens een getijdenstation in de lijst. Getijdenstation Lokale tijd Huidige informatie weergeven In het scherm Huidige voorspelling kunt u informatie over stromingen bekijken. Om de huidige voorspellingen weer te geven, selecteert u Stromingen in het informatiescherm en selecteert u vervolgens een getijdenstation in de lijst.
Informatie weergeven Informatie over zon en maan weergeven In het scherm Zon en maan kunt u informatie over het opkomen/ondergaan van de zon en de maan en maanfasen bekijken, en bij benadering de positie van de zon en de maan weergeven. Voor de weergave van informatie over de zon en de maan, selecteert u in het informatiescherm Zon en maan. Gebruikersgegevens weergeven Om gebruikersgegevens weer te geven, selecteert u in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens.
Informatie weergeven Andere boten weergeven Om informatie over andere boten weer te geven, selecteert u in het startscherm Informatie > Andere boten. Opmerking: Om informatie over andere boten weer te geven, moet uw apparaat uit de GPSMAP 400-serie zijn aangesloten op een extern AIS (Automatic Identification System)- of DSC (Digital Selective Calling)-apparaat. Zie pagina 30 voor meer informatie. AIS-lijst: informatie over alle boten waar uw apparaat toezicht op houdt.
Het apparaat configureren Het apparaat configureren U kunt de apparaatinstellingen configureren in het configuratiescherm. Systeeminstellingen ������������� configureren Om de algemene systeeminstellingen te wijzigen, gaat u naar het startscherm en selecteert u Configureer > Systeem. Simulator: met deze optie schakelt u de simulatormodus in of uit en kunt u de opties voor de simulatormodus instellen.
Het apparaat configureren Communicatie-instellingen configureren 3. Selecteer een NMEA-uitvoerzin. Om de instellingen voor communicatie te wijzigen, selecteert u in het startscherm Configureer > Communicatie. Seriële poort 1/Seriële poort 2: hiermee selecteert u de invoer-/uitvoerindeling voor de aansluiting van uw apparaat op externe NMEA-apparaten, een pc of andere Garmin-apparaten.
Het apparaat configureren Alarmen instellen U kunt op het apparaat geluidsalarmen instellen voor als zich bepaalde situaties voordoen. Standaard zijn alle alarmen uitgeschakeld. Een alarm instellen: 1. Selecteer in het startscherm Configureer > Alarmen. 2. Selecteer een alarmcategorie (Navigatie, Systeem, Sonar of Weeralarmen). 3. Selecteer een alarm. 4. Selecteer Aan om het alarm in te schakelen en gebruik vervolgens de tuimelknop om het alarm nader te specificeren.
Het apparaat configureren Sonaralarmen instellen Mijn boot configureren Ondiep water/diep water: hiermee stelt u een alarm in voor als de diepte kleiner of groter is dan de opgegeven waarde. Automatische begeleiding: hiermee stelt u de parameters voor de automatische begeleiding van uw boot in. Om een sonaralarm in te stellen, selecteert u in het startscherm Configureer > Alarmen > Sonar. Watertemp.
Het apparaat configureren Transducer aan oppervlak Voer (+) een positief getal in om de diepte onder de kiel weer te geven. Transducer aan onderste punt van de kiel Voer (-) een negatief getal in om de diepte vanaf het oppervlak weer te geven. Kiel offset Transducer: hiermee selecteert u het transducertype (Dubbele frequentie of Dubbele bundel), stelt u de temperatuurbron in, bepaalt u de kegelhoek van de sonar en kalibreert u de watersnelheid.
Het apparaat configureren Andere boten configureren Om de instellingen voor andere boten te configureren, selecteert u in het startscherm Configureer > Andere boten. AIS: hiermee schakelt u AIS (Automatic Identification System) in of uit. AIS waarschuwt u door de id’s, de positie, de koers en de snelheid van boten met een transponder die zich binnen het bereik bevinden, te melden. DSC: hiermee schakelt u DSC (Digital Selective Calling) in of uit.
Sonar gebruiken Sonar gebruiken De flitser Eenmaal aangesloten op een transducer, wordt uw apparaat een krachtige Fishfinder/flitser. Als uw apparaat geen ingebouwde peiler heeft, kunt u een Garmin GSD 21 of GSD 22 peilmodule op uw apparaat aansluiten om gebruik te maken van de sonarfuncties. Het volledige scherm Selecteer de optie Volledig scherm om de sonargegevens van de transducer op het gehele scherm weer te geven.
Sonar gebruiken Het gesplitste frequentiescherm Op het gesplitste frequentiescherm (alleen bij een transducer met dubbele frequentie) ziet u zowel de 50-kHz als de 200-kHz grafiek in hetzelfde scherm. Links wordt een 50-kHz grafiek weergegeven, rechts een 200-kHz grafiek. Het gesplitste zoomscherm Op het gesplitste zoomscherm beschikt u over de volledige sonargegevens in de grafiek en een gedeelte daarvan in een ingezoomde uitsnede. Selecteer in het startscherm Sonar > Zoom gesplitst.
Sonar gebruiken Het temperatuurlogscherm Als u een transducer met temperatuurmeting gebruikt, wordt in het scherm Temperatuurlog een grafiek bijgehouden waarin de temperatuurwijzigingen zijn afgezet tegen de tijd. De huidige temperatuur en diepte worden in de linkerbovenhoek weergegeven. Selecteer in het startscherm Sonar > Temp log. De sonar instellen In het scherm Sonar instellen kunt u de instellingen voor alle sonarschermen definiëren en instellen.
Sonar gebruiken Oppervlakteruis: hiermee kunt u de opgevangen sonarsignalen nabij het wateroppervlak weergeven of verbergen. Als u de oppervlakteruis verbergt, wordt de weergave overzichtelijker. Geavanceerde sonarinstellingen Witte lijn: hiermee wordt de sterkte van het opgevangen signaal van de bodem gemarkeerd om de hardheid of zachtheid aan te geven. Bereik: het bereik van de diepteschaal aan de rechterkant van het scherm (Auto of Bereik handmatig). • Uit: (standaard) de witte lijn is uitgeschakeld.
Het apparaat installeren Het apparaat installeren Voor een goede werking van het apparaat moeten alle onderdelen correct worden geïnstalleerd. Vergelijk de onderdelen van dit pakket met de paklijst op de doos. Als er onderdelen ontbreken, neemt u direct contact op met uw Garmin-dealer. Voordat u begint met de installatie: • Lees en volg de aanwijzingen voor de installatie van de eenheid. • Verzamel het benodigde bevestigingsmateriaal en gereedschap.
Het apparaat installeren Stap 2: �het apparaat bevestigen U kunt het apparaat op een van de volgende manieren bevestigen: • Opbouw: monteer het apparaat op de meegeleverde steun die u op de console of overhead bevestigt. • Inbouw: met de optionele inbouwkit kunt u het apparaat in een vlak paneel monteren. Zie de Appendix voor meer informatie. Opbouwmontage van het apparaat De compacte en waterbestendige behuizing van het apparaat is geschikt voor montage op onbeschermde locaties of op de stuurmansplek.
Het apparaat installeren De steun monteren: 1. Gebruik de draaivoet als boorsjabloon en markeer de plek van de drie montagegaten waar u de steun op het oppervlak wilt bevestigen. 2. Boor de montagegaten. • Als u de voet met boutjes wilt bevestigen, boort u drie 5‑mm gaten op de gemarkeerde plekken. OF • Als u de voet met zelftappende schroeven wilt bevestigen, maakt u voorboorgaten op de gemarkeerde plekken. Boor de gaten niet dieper dan de halve lengte van de schroef. 3.
Het apparaat installeren Stap 3: ���� de transducer installeren Een correcte installatie van de transducer is essentieel om het apparaat optimaal te laten werken. Als de transducerkabel te kort is, kunt u bij uw Garmin-dealer verlengkabels aanschaffen. Overtollige kabel moet worden opgerold en vastgezet. LET OP: Knip de transducerkabel NIET af om deze in te korten. Als de transducerkabel wordt doorgeknipt, vervalt de garantie.
Het apparaat installeren De transducer met dubbele bundel bevestigen op een trollingmotor: 1. Schuif de grote bindstrip met de ribbels naar boven door de sleuf op de transducersteun, totdat de bindstrip half door de steun steekt. Opmerking: Voor koud water en gebieden met veel hout of drijfvuil wordt aangeraden een 100 of 125 mm slangklem te gebruiken. 2. Leg de montagepakking op de gebogen bovenkant van de transducersteun. 3.
Het apparaat installeren De transducer bevestigen op de spiegel USS Jayhawk Smeer alle schroeven in met wat watervaste kit om te vermijden dat er water in de spiegel lekt. OK Bevestig de transducer parallel aan de bodem. 44 Bevestig de afdekking van de transducerkabel ruim boven de waterlijn. De transducer moet 3 mm uitsteken onder een fiberglas romp of 10 mm onder een aluminium romp. Controleer of de transducer zich onder de waterlijn bevindt wanneer de boot bij hoge snelheid planeert.
Het apparaat installeren Bij montage op de spiegel moet u voor een optimale werking rekening houden met het volgende: • Voor een juiste werking van de sonar moet deze zich in gelijkmatig stromend bevinden. Monteer de transducer NIET achter strips, klinknagelrijen, stutten, appendages, de waterinlaat, uitlaten, onregelmatige verflagen of andere zaken die turbulentie veroorzaken. • Monteer de transducer zo dicht mogelijk bij de middellijn van de boot. • Knip de transducerkabel NIET af om deze in te korten.
Het apparaat installeren 6. Markeer de locatie. Boor met een 3‑mm boor een gat van ongeveer 10 mm diep. 7. Zet de kabelklem vast met een 4x12‑mm schroefje. Smeer het schroefje in met watervaste kit voordat u het vastzet. Herhaal de stappen 5 en 6 voor de andere kabelklem. 8. Leg de transducerkabel naar het apparaat. KNIP DE KABEL NIET AF. Leg de kabel niet langs elektrische bedrading of andere bronnen van elektrische interferentie. Boor hier de voorboorgaten.
Het apparaat installeren Een locatie selecteren voor installatie binnen de romp Voor het installeren van een transducer moet de locatie aan de volgende eisen voldoen: • Massief fiberglas, zonder luchtbellen, laminaat, vulmateriaal of ingesloten lucht. • Op een plek met bij elke snelheid gelijkmatig stromend (nietturbulent) water. • De locatie mag zich niet bevinden bij strips of achter obstakels op de romp die turbulentie veroorzaken.
Het apparaat installeren Stap 4: de kabelboom ������������ installeren Het apparaat wordt geleverd met een kabelboom voor aansluiting op de voeding en de transducer met één gemakkelijke verbinding en met de mogelijkheid om externe apparaten aan te sluiten. De kleurcode in het diagram (zie pagina 49) geeft de betreffende aansluitingen van de kabelboom aan. De zekering is van het type AGC/3AG - 3 Ampère. Als de voedingskabels moeten worden verlengd, kunt u 0,5‑mm draad gebruiken.
Het apparaat installeren Naar transducer PIN 8 - Zwart (Massa) PIN 7 - Geel (Alarm) (ROOD) +VDC PIN 13 - Rood (DC plus) PIN 12 - Wit (CANet H) PIN 16 - Groen (CANet L) PIN 18 - Blauw (NMEA-uit) Pintoewijzing voor de GPSMAP 400-serie (ZWART) Massa DC spanningsbron (ORANJE) Accessoire aan (BLAUW) NMEA 1-uit (BRUIN) NMEA 1 in RXD+ NMEA-apparaat 1 RXD- (GRIJS) NMEA 2 uit (VIOLET) NMEA 2 in (GROEN) CANet L RXD+ NMEA-apparaat 2 RXD- (WIT) CANet H (GEEL) Alarm laag Alarmrelais 100 mA max. coll.
Het apparaat installeren Aansluiten op een NMEA-apparaat U kunt het apparaat op andere NMEA-compatibele apparatuur aansluiten, zoals een DSC- of AIS-apparaat. In de bedradingsschema’s op pagina 49 vindt u meer informatie over het aansluiten van het apparaat op NMEAcompatibele apparatuur. De kabelboom aansluiten op een GPS of ander NMEA-apparaat: 1. Volg de aanwijzingen voor aansluiting op de voedingsspanning (zie pagina 49).
Het apparaat installeren Stap 5: de installatie testen Wanneer u het apparaat voor het eerst inschakelt, houdt u de aan/uitknop ingedrukt totdat het apparaat piept en wordt ingeschakeld. Gebruik de tuimelknop en de SELECT-knop en volg de aanwijzigen op het scherm om het apparaat te configureren. Opmerking: U kunt een aantal tests uitvoeren met de boot op de trailer, maar de boot moet in het water liggen voor een volledige test van de installatie.
Het apparaat installeren Een op de spiegel geïnstalleerde transducer testen: 1. Begin met testen bij lage snelheid. Als de sonar goed lijkt te werken, verhoogt u geleidelijk de snelheid van de boot terwijl u de sonar in het oog houdt. Als het sonarsignaal plotseling verdwijnt of als het retoursignaal van de bodem erg slecht wordt, noteert u de snelheid waarbij dit gebeurt. 2. Houd de boot op de snelheid waar het signaal verdwijnt.
Appendix Appendix Specificaties Fysieke specificaties Afmetingen: 12,7 cm x 14,5 cm x 7,62 cm (HxBxD) Gewicht: 560,0 g Display: 10,16 cm diagonaal, QVGA-display met instelbare helderheid, 320 x 240 pixels. Behuizing: volledig afgedicht, schokbestendige kunststof, waterbestendig volgens IEC 529 IPX7. Temp. bereik: -15ºC tot 55ºC Compass Safe Distance: 95 cm Prestaties Ontvanger: Differentiële ontvanger met 12 parallelle kanalen, geschikt voor WAAS Zoektijden: Bij warm weer: ca.
Appendix Productregistratie Onderhoud Gebruik deze ruimte om uw serienummer (het 9-cijferige nummer dat achterop het product staat) te registreren voor het geval het product onderhoud nodig heeft. Bewaar uw originele aankoopbewijs of een fotokopie op een veilige plek. De behuizing reinigen Vul de onlineregistratie vandaag nog in zodat wij u beter kunnen helpen! Ga naar onze website op http://mygarmin.com. De behuizing is van hoogwaardige materialen vervaardigd en hoeft alleen te worden gereinigd.
Appendix Alarmen en berichten Het apparaat maakt gebruik van meldingen die op het scherm verschijnen wanneer zich bepaalde situaties voordoen. Als een melding verschijnt, drukt u op MENU om de melding te bevestigen. Nauwkeurigheidsalarm: de GPS-nauwkeurigheid valt buiten de door de gebruiker ingestelde waarde. AIS: gevaarlijk doel: geeft de MMSI (Maritime Mobile Service Identity) van het gevaarlijke doel weer. Alarmklok: de alarmklok is afgegaan.
Appendix DSC-positiemelding ontvangen van: geeft de MMSI weer of de naam die aan een MMSI is gekoppeld. Waarschuwing vloedgolf*: de National Weather Service waarschuwt voor een vloedgolf. Database fout: intern probleem met het apparaat. Neem contact op met uw dealer of met Garmin Product Support voor onderhoud aan het apparaat. Waarschuwing overstroming*: de National Weather Service waarschuwt voor een overstroming. Diep water alarm: de diepte voor het diepwateralarm is bereikt.
Appendix Geen XM-signaal*: de GXM 31-antenne ontvangt geen XM-signaal. Buiten koers alarm: u wijkt af van de koers die is opgegeven in het “Buiten koers”-alarm. Route bestaat al: u hebt een routenaam opgegeven die al in het geheugen staat. Wijzig de routenaam of verwijder de vorige routenaam. Route vol: u hebt geprobeerd meer dan 250 punten aan een route toe te wijzen. Geef minder punten op of maak een nieuwe route.
Appendix Transducer niet aangesloten, sonar uitgeschakeld: als er geen transducer is aangesloten, als de transducer of de kabel defect is, of als de transducerkabel niet is aangesloten. Als de transducerkabel wordt verwijderd terwijl het apparaat is ingeschakeld, sluit u de kabel opnieuw aan, schakelt u het apparaat uit en vervolgens weer aan. Overdracht voltooid: het uploaden of downloaden van gegevens van het apparaat naar het aangesloten apparaat is voltooid.
Appendix Garantie met betrekking tot weersinformatie HET SOFTWAREPRODUCT VOOR WEERSINFORMATIE WORDT “AS IS” GELEVERD. ALLE OVERIGE GARANTIES, UITDRUKKELIJK OF IMPLICIET, WAARONDER ENIGE GARANTIE OVER VERKOOPBAARHEID OF GESCHIKTHEID VOOR ENIG DOEL OF NIET-INBREUKMAKENDHEID, WORDEN HIERBIJ UITGESLOTEN.
Appendix b. Het DAFIF™-product wordt “as is” geleverd en NGA biedt geen garantie met betrekking tot de nauwkeurigheid en het functioneren van het product, uitdrukkelijk of impliciet, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, impliciete garanties met betrekking tot verkoopbaarheid en geschiktheid voor een bepaald doel of garanties die voortvloeien uit statuten of andere wettelijke bepalingen of uit handelsconventies of handelsgebruiken. c.
Appendix Beperkte garantie Dit Garmin-product wordt gegarandeerd vrij te zijn van defecten in materiaal en techniek gedurende één jaar na de aankoopdatum. Binnen deze periode zal Garmin alle onderdelen waarvan een normaal gebruik niet mogelijk is, naar eigen keuze repareren of vervangen. Voor dergelijke reparaties of vervangingen zullen aan de klant geen kosten worden gefactureerd voor onderdelen of arbeid, op voorwaarde dat de klant verantwoordelijk blijft voor eventuele transportkosten.
Appendix Voldoen aan FCC-regelgeving Dit product is getest en voldoet aan Deel 15 van de FCC-regels over storingsgevoeligheid voor digitale apparaten van Klasse B voor thuisgebruik en zakelijk gebruik. Deze limieten zijn opgesteld om een redelijkere bescherming te bieden tegen schadelijke storing in een woonomgeving, en zijn strikter dan eisen voor gebruik in de open lucht.
Index Index binnen de romp installeren 46 BlueChart g2 Vision werken met 11–15 bodem vast 38 bogen 37 bundel 38 A A-scope 38 Aan/uit/schermverlichtingknop 3 aanpassen kaartinstellingen 16 accessoires 62 AIS 28, 34 alarmen 55–58 accu 31 diep water 32 instellen 31–32 navigatie 31 ondiep water 32 sonar 32 systeem 31 vis 32 watertemp.
Index N navigeren 19 begeleiding 19 ga naar 19 route naar 19 NEXRAD 8 NMEA 50 NMEA-apparaat aansluiten op 50 NMEA-uitvoerzinnen inschakelen 30 O objectinformatie toegang tot 10 obstructie 9 omgevingsdiepte 17 opbouwmontage van het apparaat 40 oppervlakteruis 38 optionele accessoires 62 oriëntatie 16 P positie 29 R route naar 19 routes maken 23 verwijderen 24 64 weergeven 27 S satellietbeelden 11 inschakelen 14 plaatsen 5 verwijderen 5 schermverlichting aanpassen 2 schuifsnelheid 37 SD-kaartsleuf
Ga voor de laatste gratis software-updates (exclusief kaartgegevens) gedurende de hele levensduur van uw Garmin-producten naar de website van Garmin op www.garmin.com. © 2007 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen Garmin International, Inc. 1200 East 151st Street, Olathe, Kansas 66062, VS Garmin (Europe) Ltd. Liberty House, Hounsdown Business Park, Southampton, Hampshire, SO40 9RB VK Garmin Corporation No. 68, Jangshu 2nd Road, Shijr, Taipei County, Taiwan www.garmin.