Operation Manual

41
4.2.2 MODEL NAME
Geeft een naam aan het huidige modelgeheugen in de zender. Door ieder model een naam te
geven is deze eenvoudig herkenbaar. Je kunt dan eenvoudig het juiste model bevestigen, en de
kans verkleinen om het verkeerde model te vliegen, wat kan leiden tot een crash.
Aanpasbaarheid en waarden:
Maximaal 6 karakters lang.
Ieder karakter kan een letter, nummer, spatie of een
symbool zijn.
De standaardnamen die vanuit de fabriek zijn toegewezen
zijn in het formaat MDL-xx (MDL-01 voor het eerste model,
enzovoorts).
Opmerking: Als je een kopie (COPY) maakt van een modelgeheugen, wordt alles gekopieerd,
inclusief de naam van het model. Vergelijkbaar, als je een MODEL TYPE verandert of een MODEL
RESET uitvoert, wordt het hele geheugen teruggesteld, inclusief de naam van het model.
Dus het eerste wat je doet na het kopiƫren van een model, het veranderen van het type, of het
opnieuw beginnen, is het veranderen van de naam om verwarring te voorkomen.
DOEL of VOORBEELD
STAPPEN
HANDELINGEN
Geef model 3 een naam
"CAP-01"
(het streepje is een spatie)
Open het MODEL submenu.
gedurende 1 seconde
(bij Advance, nogmaals
).
indien nodig naar
MODEL.
om te kiezen.
Bevestig dat je het juiste
modelgeheugen gebruikt
(bijvoorbeeld 3)
Als SELECT niet 3
aangeeft, gebruik dan
MODEL SELECT, zie p.
39.
Ga naar NAME en verander
het eerste karakter
(bijvoorbeeld van M naar C)
naar C.
Kies het volgende karakter dat
moet veranderen.
Herhaal de voorgaande
stappen voor alle karakters.
naar A.
Herhalen.
Sluiten.
Wat nu?
Verander het MODEL TYPE naar helikopter, zie p. 42.
Verander de modulatie instelling van de ontvanger van PPM
naar PCM of vice versa, zie p. 42
Gebruik servo REVERSE, zie p. 47
Pas het servobereik aan met END POINT, zie p. 49
Instellen dubbele/drievoudige waarden en exponentieel
(D/R,EXP), zie p. 52.