Operation Manual
39
4.2 Een kijkje naar de functies van de zender (stap voor stap)
MODEL submenu: omvat drie functies die het modelgeheugen beheren. MODEL SELECT,
MODEL COPY en MODEL NAME. Omdat deze functies aan elkaar gerelateerd zijn, en allemaal
basisfuncties zijn van de meeste modellen, staan ze bij elkaar in het MODEL submenu van het
BASIC menu.
MODEL SELECT: Deze functie selecteert welke van de 10
modelgeheugens in de zender wordt gekozen om in te stellen
of te vliegen.
(Elke modelgeheugen kan een ander model bevatten.)
Opmerking: Als je een nieuw model kiest in de
MODEL SELECT functie, en het nieuwe model
is ingesteld op een andere modulatie, moet je
de zender uit- en aanzetten om de modulatie te
veranderen. Als je de zender niet uit- en
aanzet, knippert het modulatie type op het
scherm om je er aan te herinneren. Je blijft
zenden op de andere modulatie totdat je dit
hebt gedaan.
Knipperen
DOEL
STAPPEN
HANDELINGEN
Selecteer Model #3
Opmerking: Dit is één van de
functies waarvoor een
bevestiging nodig is.
Open het BASIC menu, en
kies dan het MODEL
submenu.
gedurende 1 seconde
(bij Advance, nogmaals
).
indien nodig naar
MODEL.
om te kiezen.
Kies model #3.
naar 3.
Bevestigde keuze.
gedurende 1 seconde.
"sure?" wordt getoond.
Sluiten.
Bevestig juiste modulatie van
nieuwe modelgeheugen.
Indien PPM of PCM knippert in het midden van de onderkant, is
het nieuwe model ingesteld als een ander ontvangerstype.
Schakel de zender uit/aan om de modulatie te veranderen.
Wat nu?
NAME het model: zie p. 41.
Verander MODEL TYPE (vliegtuig, helikopter): zie p. 42.
Verander modulatie [FM (PPM) of PCM]: zie p. 42.
Gebruik van servo REVERSE: zie p. 47.
Aanpassen END POINTs: zie p. 49.
Instellen TH-CUT voor gashendel beheer: zie p. 50.










