FORD TRANSIT Instructieboekje
De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties, ontwerp en uitrusting op ieder moment zonder aankondiging of verplichting te wijzigen. Niets uit deze uitgave mag in enigerlei vorm en door enig middel gereproduceerd, verzonden of in een oproepsysteem opgeslagen of in een andere taal vertaald worden zonder onze schriftelijke toestemming. Fouten of omissies uitgesloten.
Inhoudsopgave Inleiding Stuurwiel Over deze handleiding ....................................7 Overzicht van symbolen.................................7 Aanbeveling nieuwe onderdelen................8 Speciale notificaties .......................................8 Audiobediening..............................................30 Spraaksturing...................................................31 In één oogopslag Voorruitwissers................................................
Inhoudsopgave Waarschuwings- en indicatielampen.........................................54 Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties.....................................................58 Een benzinemotor starten.........................84 Een dieselmotor starten..............................85 Dieselroetfilter................................................86 Motor uitschakelen.......................................86 Infodisplays Start/stop knop Algemene informatie..............................
Inhoudsopgave Regeling voor bergop rijden gebruiken......................................................101 Staat na een aanrijding Brandstofafsluiter..........................................117 Parkeerhulp Zekeringen Werking............................................................103 Parkeerhulp....................................................103 Plaatsen zekeringenhouders.....................118 Een zekering vervangen.............................120 Specificatie-overzicht zekeringen..........
Inhoudsopgave Verzorging van de auto Overzicht audio-installatie Reinigen van buitenzijde auto.................144 Reinigen van binnenzijde auto.................145 Kleine lakschade repareren......................146 Overzicht audio-installatie........................187 Accu van de auto Beveiligingscode............................................191 Beveiligingscode vergeten.........................191 Beveiligingscode invoeren..........................191 Onjuiste beveiligingscode....................
Inhoudsopgave CD afspelen...................................................205 CD selecteren................................................205 Versneld vooruit/achteruit.......................205 Shuffle/random (door elkaar/willekeurig)..................................206 CD-nummers comprimeren....................206 CD-nummers scannen..............................207 CD's uitwerpen.............................................207 CD-nummers herhalen..............................207 MP3-bestand afspelen..
6 Transit (TT9) Vehicles Built From: 26-09-2011, Vehicles Built Up To: 31-12-2013
Inleiding OVER DEZE HANDLEIDING Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford. We adviseren u, enige tijd te nemen om met uw auto kennis te maken door deze handleiding te lezen. Hoe meer u van uw auto afweet, des te beter kunt u ermee omgaan en dat komt de veiligheid en het rijplezier ten goede. WAARSCHUWING Rijd altijd voorzichtig en oplettend wanneer u de bedieningselementen en functies van uw auto bedient. N.B.
Inleiding Symbolen op uw auto Schadeherstel We hopen dat u nooit bij een aanrijding betrokken raakt, maar ongelukken gebeuren nou eenmaal. Originele Ford vervangingsonderdelen voldoen aan onze strikte eisen voor montage, afwerking, structurele integriteit, corrosiebescherming en deukweerstand. Tijdens de ontwikkeling van de auto valideren we of deze onderdelen het gewenste beschermingsniveau leveren als een geheel systeem.
In één oogopslag Overzicht instrumentepaneel - wagens met links stuur 9 Transit (TT9) Vehicles Built From: 26-09-2011, Vehicles Built Up To: 31-12-2013
In één oogopslag Overzicht instrumentepaneel - wagens met rechts stuur A Schakelaar elektrisch bedienbare buitenspiegel. Zie Elektrisch verstelbare buitenspiegels (bladzijde 50). B Lichtschakelaar. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 36). C Multifunctionele hendel. Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 38). Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 36). D Instrumentengroep. Zie Meters (bladzijde 52). E Informatiedisplay. Zie Meters (bladzijde 52). F ECO-schakelaar. Zie Start/stop knop (bladzijde 87).
In één oogopslag K Audio-installatie. Zie afzonderlijke handleiding. L Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 67). M Aansteker. Zie Aansteker (bladzijde 80). N Bediening temperatuurregelsysteem. Zie Klimaatregeling (bladzijde 67). O Schakelhendel. Zie Handgeschakelde versnellingsbak (bladzijde 96). P Controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld. Zie Passagiersairbag uitschakelen (bladzijde 19). Q Schakelaar AWD (All Wheel Drive). Zie Aandrijving op alle wielen (bladzijde 96).
In één oogopslag Informatiedisplays Druk de SET en RESET toets in om een submenu of het item dat u wilt instellen te selecteren. Zie Infodisplays (bladzijde 59).
In één oogopslag Controlelamp water-in-brandstof (uitvoeringen met dieselmotor) Schuifdeur Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 54).
In één oogopslag Achterklep A Buitenzijde B Binnenzijde Zie Extra voedingsaansluitingen (bladzijde 81). Werking van het vergrendelingssysteem Stationair toerental na het starten Het vergrendelingssysteem van uw auto kan zijn geprogrammeerd in een van de drie primaire vergrendelingscombinaties. Wanneer de motor koud is, kan het stationaire toerental direct na het aanslaan hoger zijn. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 22). Zie Motor starten en stoppen (bladzijde 84).
In één oogopslag Zie Handgeschakelde versnellingsbak (bladzijde 96). Roetfilter (DPF) dieselmotor WAARSCHUWING Laat de motor niet stationair draaien of parkeer de wagen niet op droge bladeren, droog gras of ander brandbaar materiaal. Het DPF-regeneratieproces werkt met bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen en na het afzetten van de motor en tijdens en na DPF-regeneratie blijft de uitlaat een aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen. Dit is een potentieel gevaar van brand.
Bescherming van inzittenden N.B.: De front-airbag aan passagierszijde biedt bescherming voor een dubbele voorstoel. WERKING Airbags N.B.: Veeg de panelen van de airbags alleen met een vochtige doek schoon. WAARSCHUWINGEN Wijzig de voorzijde van de wagen op geen enkele wijze. Dit zou nadelige gevolgen voor het ontvouwen van de airbags kunnen hebben. Front-airbags aan bestuurders- en passagierszijde Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.
Bescherming van inzittenden Zij-airbags WAARSCHUWINGEN Gebruik voor iedere stoel het juiste gordelslot. Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel niet slap of gedraaid zit. Draag geen dikke kleding. De veiligheidsgordels bieden optimaal bescherming wanneer ze nauwsluitend worden gedragen. Leg de schoudergordel over het midden van de schouder en leg de heupgordel strak over uw heupen. De gordelspanners hebben een lagere activeringsdrempel dan de airbags.
Bescherming van inzittenden VEILIGHEIDSGORDELS VASTMAKEN WAARSCHUWING Steek de slottong in het gordelslot tot een zachte klik hoorbaar is. U hebt de veiligheidsgordel niet correct bevestigd wanneer u geen klik hoort. Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit. Deze kan blokkeren wanneer u hem te snel uittrekt of wanneer de auto op een helling staat. Druk de rode toets op het gordelslot in om de veiligheidsgordel los te maken. Let de gordel volledig en rustig oprollen.
Bescherming van inzittenden HOOGTE VAN VEILIGHEIDSGORDELS AFSTELLEN GEBRUIK VAN VEILIGHEIDSGORDELS TIJDENS ZWANGERSCHAP Veiligheidsgordel, voor WAARSCHUWING Breng de veiligheidsgordel voor uw eigen veiligheid, maar ook voor dat van uw ongeboren kind op correcte wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel of de schoudergordel. De heupgordel moet comfortabel over de heupen liggen aan de onderzijde van uw zwangere buik. Leg de schoudergordel tussen uw borsten, boven en aan de zijkant van uw zwangere buik.
Bescherming van inzittenden Airbag aan passagierszijde inschakelen WAARSCHUWING Controleer of de airbag is INGESCHAKELD om ervoor te zorgen dat het veiligheidssysteem voor volwassenen correct werkt. Draai, nadat u het kinderzitje van de voorstoel hebt verwijderd, de sleutelschakelaar weer in de stand B. De sleutelschakelaar en de controlelamp 'airbag uitgeschakeld' zijn aangebracht in het instrumentenpaneel.
Sleutels en afstandsbediening ALGEMENE INFORMATIE OVER RADIOFREQUENTIES LET OP De radiofrequentie van de afstandsbediening kan ook worden gebruikt door andere zenders met een klein bereik (bijvoorbeeld zendamateurs, medische apparatuur, draadloze hoofdtelefoons, afstandsbedieningen en alarmsystemen). Wanneer de frequenties worden gestoord, kunt u geen gebruik meer maken van uw afstandsbediening. De portieren kunt u met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen.
Sloten Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen VERGRENDELEN EN ONTGRENDELEN Dubbele vergrendeling WAARSCHUWING Schakel de dubbele vergrendeling niet in wanneer zich personen of dieren in de wagen bevinden. Wanneer de dubbele vergrendeling is ingeschakeld kunnen de portieren niet van binnenuit worden ontgrendeld. Dubbele vergrendeling is een voorziening tegen diefstal die voorkomt dat personen de portieren van binnenuit kunnen ontgrendelen.
Sloten Portieren met de afstandsbediening vergrendelen en ontgrendelen A Vergrendelen B Ontgrendelen C Laadruimte ontgrendelen Achterdeuren Druk de betreffende toets eenmaal in. A Ontgrendelen of openen Portieren met de afstandsbediening dubbel vergrendelen B Vergrendelen C Wit merkteken Druk de vergrendeltoets tweemaal in. Wanneer u het witte merkteken ziet, is het portier vergrendeld.
Sloten C Vergrendelen D Ontgrendelen Achterklep Dubbele achterdeuren A Buitenzijde B Binnenzijde De ontgrendelknop is via de opening aan de onderzijde van de achterklep bereikbaar. Slagvergrendeling A Buitenzijde B Binnenzijde N.B.: Laat uw sleutels niet in de wagen liggen. N.B.: U hoort een kort claxonsignaal wanneer u probeert de deuren te vergrendelen terwijl er nog een deur is geopend.
Sloten Automatisch opnieuw vergrendelen U ontgrendelt de voorportieren wanneer u: • de hendel aan de binnenzijde uittrekt (behalve wanneer u de deuren dubbel hebt vergrendeld) • of de sleutel in een van de deuren draait. • Druk eenmaal de ontgrendeltoets op de afstandsbediening in (Bestelwagen, Bus en Kombi). De portieren worden automatisch opnieuw vergrendeld wanneer u niet binnen 45 seconden na het ontgrendelen met de afstandsbediening een portier opent.
Sloten • • Verlaat de wagen en druk op de vergrendeltoets. Druk eenmaal op de ontgrendeltoets of de ontgrendeltoets van de laadruimte om de betreffende zone te ontgrendelen. Wanneer u nu een deur in de ontgrendelde zone opent, blijven de andere deuren in die zone automatisch vergrendeld. Programmeerbaar ontgrendelingssysteem Het programmeerbare ontgrendelingssysteem wordt bij het afleveringsklaarmaken geprogrammeerd.
Motorstartblokkering De controlelamp in de instrumentengroep brandt ongeveer drie seconden en gaat vervolgens uit. Wanneer de controlelamp langer dan een minuut blijft branden of knipperen en vervolgens met onregelmatige intervallen gaat branden, dan is uw sleutel niet herkend. Neem de sleutel uit het slot en probeer het nogmaals. WERKING Het immobilisatiesysteem is een diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt dat iemand de motor van uw auto met een onjuist gecodeerde sleutel kan starten.
Alarm Uitvoeringen met een categorie 1 alarminstallatie WERKING Alle uitvoeringen Wanneer het alarm is geactiveerd, klinkt de alarmclaxon 30 seconden en knipperen de waarschuwingsknipperlichten vijf minuten. Wanneer de oorzaak van het activeren van het alarm niet wordt opgeheven, keert de alarminstallatie in zijn vorige status. Wanneer de oorzaak niet wordt opgeheven, klinkt de alarmclaxon opnieuw. N.B.: Een vals alarm kan ook veroorzaakt worden door de hulpverwarming. Zie Extra verwarming (bladzijde 70).
Alarm ALARM INSCHAKELEN ALARM UITSCHAKELEN Perimeter alarminstallatie Perimeter alarminstallatie Twintig seconden nadat u de deuren hebt vergrendeld schakelt de alarminstallatie in. Tijdens deze vertraging kunt u de deuren of de motorkap sluiten zonder het alarm te activeren. Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de deuren met de sleutel te ontgrendelen, zet het contact met een correct gecodeerde sleutel aan of ontgrendel de deuren met de afstandsbediening.
Stuurwiel Seek (zoekfunctie) AUDIOBEDIENING Kies de radio, CD of cassette modus op de audio-installatie. De volgende functies kunnen met de afstandsbediening worden bediend: Volume Beweeg de hendel naar boven of naar beneden: • • Hoger volume: druk op de bovenste toets op de achterzijde van de afstandsbediening. In de radio modus wordt het eerstvolgende radiostation op een hogere of lagere frequentie opgezocht. In de CD modus wordt het volgende of het vorige nummer gekozen.
Stuurwiel • • • In de radio modus wordt het volgende in het geheugen opgeslagen radiostation opgezocht. In de CD modus wordt de volgende CD gekozen wanneer een CD-wisselaar is gemonteerd. In alle modi om een verkeersbericht te onderbreken. Druk de toets aan de zijkant in en houd deze ingedrukt: • In de radio modus om van golflengte te veranderen. SPRAAKSTURING Druk, om de spraakbesturing in of uit te schakelen, op de toets aan de bovenzijde. Voor meer informatie Zie Spraaksturing (bladzijde 221).
Ruitenwissers en ruitensproeiers VOORRUITWISSERS AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE RUITENWISSERS Automatisch wissen A Eenmalig wissen B Wissen met intervallen C Normale wissnelheid D Hoge wissnelheid LET OP Schakel de automatische wisfunctie niet bij droog weer in. De regensensor is bijzonder gevoelig en de ruitenwissers kunnen in werking treden indien de voorruit met vuil, mist of vliegen in aanraking komt. Vervang de ruitenwisserbladen zodra deze strepen water en vuil op de voorruit achterlaten.
Ruitenwissers en ruitensproeiers Wanneer u de automatische wisfunctie inschakelt nadat het contact is aangezet, maken de ruitenwissers een wisbeweging ongeacht of de voorruit droog of nat is. De regensensor meet daarna continu de hoeveelheid water op de voorruit en zal de snelheid van de ruitenwissers automatisch instellen.
Ruitenwissers en ruitensproeiers Ruitensproeier, achter RUITENWISSERBLADEN VERVANGEN WAARSCHUWING Schakel de achterruitsproeier niet langer dan 10 seconden achtereen in of wanneer het reservoir leeg is. RUITENWISSERBLADEN CONTROLEREN Controleer met uw vingertoppen de rubber randen van de ruitenwisserbladen op oneffenheden. Reinig de ruitenwisserbladen met een in water gedrenkte, zachte spons.
Ruitenwissers en ruitensproeiers Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Verlichting Een zijde VERLICHTINGSBEDIENING Standen van de lichtschakelaar A Rechterzijde B Linkerzijde Grootlicht en dimlicht A Uit B Stads- en achterlichten C Koplampen D Mistlampen, voor E Mistachterlichten F Parkeerlichten Dagrijlichten De koplampen branden wanneer het contact is ingeschakeld en de koplampbediening in stand A staat. Om over te schakelen op grootlicht moet de bediening van de verlichting eerst in stand C staan.
Verlichting Home safe verlichting Schakel de verlichting uit en trek de richtingaanwijzer naar het stuurwiel toe om de koplampen in te schakelen. Er klinkt kort een signaal. Bij een geopende deur gaan de koplampen automatisch na drie minuten uit, of 30 seconden nadat de laatste deur is gesloten. Wanneer alle deuren zijn gesloten en een deur wordt binnen de 30 seconden vertragingstijd weer geopend, start de tijdschakeling van drie minuten opnieuw.
Verlichting N.B.: Wanneer de automatische verlichting is ingeschakeld, kunnen de mistlampen, vóór, niet worden ingeschakeld. MISTACHTERLICHTEN A Lichtbundels hoger B Lichtbundels lager Zet de regelknop voor de hoogteregeling van de lichtbundels op nul wanneer de wagen onbeladen is. Stel de lichtbundels zodanig in dat het wegdek tussen 35 en 100 voor u is verlicht wanneer de wagen gedeeltelijk of maximaal is beladen.
Verlichting N.B.: Beweeg de richtingaanwijzerschakelaar even omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers driemaal te laten knipperen. Type 2 INTERIEURVERLICHTING Leeslampen - uitvoeringen zonder interieursensoren Type 1 A Aan B Uit C Portiercontact A Aan (lamp voorcompartiment) B Uit (lamp voorcompartiment) C Portiercontact D Uit (lamp achtercompartiment) A Aan (lamp achtercompartiment) De lampen van het actercompartiment gaan aan wanneer u een portier opent, ongeacht de schakelaarpositie.
Verlichting Leeslampen - uitvoeringen met interieursensoren A Uit B Portiercontact C Aan Leeslampen Wanneer u het contact afzet, gaan de leeslampen korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact kort aan om het weer in te schakelen. TREDEVERLICHTING De tredeverlichting wordt automatisch inen uitgeschakeld wanneer u de deuren opent en sluit. Wanneer u de deuren met de afstandsbediening ontgrendelt gaat de tredeverlichting branden.
Verlichting Grootlicht en dimlicht N.B.: Wanneer de wagen is voorzien van airconditioning raden wij aan uw dealer te vragen of hij de gloeilampen van uw wagen wil vervangen. Sommige gloeilampen zijn moeilijk bereikbaar. LET OP Raak het glas van de gloeilamp niet aan. N.B.: U moet de koplamp verwijderen om de gloeilamp van de koplamp, het stadslicht of de richtingaanwijzer te vervangen. N.B.: De volgende instructies beschrijven hoe de gloeilampen moeten worden verwijderd.
Verlichting 4. Trek de stekker los. 5. Maak de klemveer los en verwijder de gloeilamp. 1. Verwijder de koplamp. 2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. Stadslichten Voormistlichten 1. Verwijder de koplamp. 2. Verwijder het paneel. 3. Verwijder de gloeilamp en de lamphouder. 4. Verwijder de gloeilamp. N.B.: De gloeilamp kan niet uit de lamphouder worden genomen. Richtingaanwijzers voor 1.
Verlichting Zijknipperlichten Zijmarkeringslampen Type 1 Chassis Cabine en uitvoeringen met open laadbak en verlengd chassis 1. Trek de stekker los. 2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 3. Verwijder de gloeilamp. 1. Verwijder voorzichtig het zijknipperlicht. 2. Pak de lamphouder beet, draai het huis linksom en verwijder het. 3. Verwijder de gloeilamp. Jumbo bestelwagen Type 2 1. Draai het glas links- of rechtsom en verwijder het. 2. Verwijder de gloeilamp. 1.
Verlichting Achterlichtunits Bus en Kombi A Achterlicht en remlicht B Richtingaanwijzer C Achteruitrijlamp D Mistachterlicht 1. Verwijder de vleugelmoeren. 2. Verwijder de achterlichtunit en maak de lamphouder los. 3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Verlichting Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak Type 2 Type 1 A Richtingaanwijzer B Remlicht A Achterlicht en remlicht C Achterlicht B Richtingaanwijzer D Achteruitrijlamp C Achteruitrijlamp A Mistachterlicht D Mistachterlicht 1. Maak de klem los en schuif het kunststof frame naar de zijkant. 2. Verwijder het glas. 3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. 1. Verwijder de moer. 2. Trek de stekker los. 3.
Verlichting Achterlichten Markeringslichten op het dak Uitvoeringen met open laadbak 1. Werk voorzichtig het glas los van de houder. 2. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. 1. Verwijder de schroeven. 2. Verwijder het glas. 3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. Derde remlicht Kentekenplaatverlichting Uitvoeringen met dubbele achterdeuren 1. Verwijder de schroeven. 2.
Verlichting Binnenverlichting voorin Uitvoeringen met een achterklep Uitvoeringen zonder interieursensoren 1. Verwijder het lampglas. 2. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. Uitvoeringen met open laadbak 1. Werk de lamp voorzichtig los. 2. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. Uitvoeringen met interieursensoren 1. Verwijder het glas. 2.
Verlichting 1. Werk de lamp voorzichtig los. 2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 3. Verwijder de gloeilamp. 1. Werk de lamp voorzichtig los. 2. Verwijder het glas. 3. Verwijder de gloeilamp. Binnenverlichting achterin Tredeverlichting 1. Werk de lamp voorzichtig los. 2. Verwijder de gloeilamp. Leeslampen, voor 1. Werk de lamp voorzichtig los. 2. Verwijder de lamphouder. 3. Verwijder de gloeilamp.
Verlichting GLOEILAMPENTABEL Gloeilamp Watt (specificatie) Remlicht - Chassis-cabine en uitvoering met open laadbak 21 Derde remlicht 16 Richtingaanwijzer, voor 21 Mistlamp, voor 55 (H11) Grootlicht en dimlicht 55/60 Interieurverlichting 10 Kentekenplaatverlichting - behalve uitvoeringen met dubbele achterdeuren 10 Kentekenplaatverlichting - uitvoeringen met dubbele achterdeuren 5 Leeslamp 10 Richtingaanwijzer, achter 21 Mistachterlicht 21 Markeringslicht, achter - uitvoering met ope
Ruiten en spiegels Handmatig inklapbare spiegels ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN Inklappen Druk de spiegel in de richting van de portierruit. WAARSCHUWING Schakel de elektrisch bedienbare ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van obstructies. Uitklappen Zorg ervoor dat de spiegel weer volledig wordt vergrendeld wanneer u deze weer in zijn oorspronkelijke stand terugzet. ELEKTRISCH VERSTELBARE BUITENSPIEGELS Zet het contact aan om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of te sluiten.
Ruiten en spiegels De elektrisch bedienbare buitenspiegels zijn voorzien van een verwarmingselement dat het spiegelglas ontdooit en ontwasemt. Zie Klimaatregeling (bladzijde 67). ACHTERSTE ZIJRUITEN SCHUIFRUITEN Trek de hendel naar buiten om de ruit te openen. Druk in het midden van de hendel om deze te vergrendelen. Trek in het midden van de hendel om de ruit te sluiten. Druk hem naar achteren tot hij wordt vergrendeld.
Instrumentenpaneel METERS Instrumentengroep - laag uitrustingsniveau A Toerenteller B Koelvloeistoftemperatuurmeter C Brandstofmeter D Snelheidsmeter E Terugsteltoets dagteller F Kilometerteller, dagteller, klok, actieradius tot tank leeg en controlelamp niet goed gesloten portier G Insteltoets klok 52 Transit (TT9) Vehicles Built From: 26-09-2011, Vehicles Built Up To: 31-12-2013
Instrumentenpaneel Instrumentengroep - hoog uitrustingsniveau A Toerenteller B Koelvloeistoftemperatuurmeter C Brandstofmeter D Snelheidsmeter E Waarschuwingslamp bericht F Informatiecentrum. Zie Algemene informatie (bladzijde 59).
Instrumentenpaneel Koelvloeistoftemperatuurmeter Kilometerteller, dagteller en klok Toont de temperatuur van de koelvloeistof. Bij normale bedrijfstemperatuur blijft de naald in het middengedeelte. Instrumentengroep - laag uitrustingsniveau LET OP Start de motor niet voordat de oorzaak voor de oververhitting is verholpen. Wanneer de naald in de richting van 120 °C beweegt, is de motor oververhit. Zet de motor af, zet het contact af en stel de oorzaak vast zodra de motor is afgekoeld.
Instrumentenpaneel • • • • • • • • • • • • • Remblokslijtage Remsysteem Snelheidsregeling Portier niet goed gesloten Motor Hellingstart Contact Laag brandstofpeil Oliedruk Onderhoudsinterval Schakelen Stabiliteitsregelsysteem (ESP) en aandrijfregelsysteem Water in brandstof Indien één van deze waarschuwings- of controlelampen niet brandt nadat het contact is aangezet, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Instrumentenpaneel Als de lamp tijdens het rijden gaat branden, controleer dan of de parkeerrem niet is ingeschakeld. Als de parkeerrem niet is ingeschakeld, dan is er een storing aanwezig. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. Controlelampen motor Controlelamp automatische snelheidsregeling Controlelamp aandrijflijn Controlelamp motorstoring De controlelamp gaat branden wanneer u een snelheid heeft ingesteld met behulp van de snelheidsregeling.
Instrumentenpaneel Controlelamp voorgloeien Controlelamp grootlicht Zie Een dieselmotor starten (bladzijde 85). De controlelamp gaat branden wanneer u het grootlicht inschakelt. De lamp knippert wanneer u een lichtsignaal geeft. Controlelamp koplampen Berichtenindicator De controlelamp gaat branden wanneer u het dimlicht van de koplamp, de zijlichten of de achterlichten inschakelt. De controlelamp gaat branden wanneer een nieuw bericht is opgeslagen in de informatiedisplay.
Instrumentenpaneel Controlelamp onderhoudsbeurt Start/stop-indicatielamp Auto's met dieselmotor De lamp gaat branden wanneer de motor automatisch is gestopt. De lamp gaat knipperen om u te laten weten wanneer de motor opnieuw moet worden gestart. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 87). Zie Infoberichten (bladzijde 61). De controlelamp gaat branden als onderhoud nodig is of er een overmatige hoeveelheid roetdeeltjes of drab in de olie aanwezig is. Laat de motorolie zo spoedig mogelijk verversen.
Infodisplays Hoofdmenu ALGEMENE INFORMATIE Overzicht van de schermen van het hoofdmenu WAARSCHUWING Stel omwille van de verkeersveiligheid de functies alleen in wanneer de auto stilstaat. Met het Informatie Centrum en de multifunctionele hendel aan de stuurkolom kunnen verschillende systemen worden geprogrammeerd. Het Informatie Centrum geeft tevens waarschuwingsberichten over storingen of niet correct werkende systemen. Zie Infoberichten (bladzijde 61).
Infodisplays Toetsen Dagteller Scroll met de draaiknop door het menu. N.B.: De dagteller wordt op nul gezet wanneer er een afstand van 1999,9 kilometer is bereikt. Druk de SET en RESET toets minimaal twee seconden in om de teller terug te stellen. Actieradius tot de brandstoftank leeg is N.B.: Indien de geluidssignalen zijn geactiveerd, klinkt telkens wanneer de knop wordt ingedrukt een kort geluidssignaal. Druk de SET en RESET toets in om een submenu of het item dat u wilt instellen te selecteren. N.
Infodisplays Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld. Een waarschuwingssignaal klinkt bij de volgende weersomstandigheden: • Druk op de SET en RESET toets om de meter terug te stellen.
Infodisplays Berichten Waarschuwingslamp Betekenis SCHAKEL CONTACT UIT rood Schakel het contact uit voordat u uit het voertuig stapt als het systeem de motor uitgeschakeld heeft. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 87). MOTOR SYST. STORING rood Storing aan de motor of gerelateerde systemen. Stop zodra dit veilig kan en zet de motor onmiddellijk af. Laat de motor door getrainde monteurs controleren. OLIEPEIL LAAG rood Controleer het oliepeil.
Infodisplays Berichten Waarschuwingslamp Betekenis OLIE VERVERSEN BINNEN xx DAG - Duidt aan dat de olie moet worden ververst. *WEKKER* RESET V. STOP - De wekker gaat af. Zie Persoonlijke instellingen (bladzijde 64). EEN PEDAAL INDRUKKEN - De motor moet weer worden gestart; druk een pedaal in om te starten. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 87). VERSNELLING IN VRIJ ZETTEN - Selecteer neutraal om het systeem de motor weer te laten starten. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 87).
Infodisplays Menu Persoonlijke instellingen PERSOONLIJKE INSTELLINGEN Overzicht van de schermen van het hoofdmenu De volgende submenu's zijn in het Menu Persoonlijke instellingen toegankelijk: • • • • • • Taal Tijd instellen Wekker instellen Weergave klok Maateenheden Gongsignalen bij berichten Taal instellen Er kan uit elf talen worden gekozen: Engels (GB), Duits, Italiaans, Frans, Spaans, Turks, Russisch, Nederlands, Pools, Zweeds, Portugees.
Infodisplays Wekker instellen Druk op de SET en RESET toets om de installatie uit te schakelen. Weergave klok • • • • • Druk de SET en RESET toets in en houd ze ingedrukt. De dag begint te knipperen. Met de draaiknop kan de juiste dag worden geselecteerd. Druk de SET en RESET toets in om de instelling te bevestigen en naar de maand te gaan. Ga op dezelfde wijze tewerk om het jaar, de uren en minuten in te stellen.
Infodisplays Druk op de SET en RESET toets om de gongsignalen in of uit te schakelen. Menu Persoonlijke instellingen – Exit Druk op de SET en RESET toetsen om het menu te verlaten.
Klimaatregeling Het interieur verwarmen WERKING Laat de lucht naar de beenruimten stromen. Laat, bij koud of vochtig weer, een geringe hoeveelheid lucht naar de voorruit en de portierruiten stromen. Buitenlucht Houd de luchtinlaten voor de voorruit vrij van belemmeringen (sneeuw, bladeren, enz.) zodat het klimaatregelsysteem effectief kan werken. Het interieur afkoelen Laat de lucht naar het hoofdniveau stromen.
Klimaatregeling Gerecirculeerde lucht HANDMATIGE KLIMAATREGELING Luchtverdeelknop A Hoofdniveau B Beenruimte C Voorruit A Gerecirculeerde lucht B Buitenlucht Voorruit snel ontdooien en ontwasemen N.B.: Een kleine hoeveelheid lucht stroomt altijd naar de voorruit. Temperatuurregelknop Sluit alle luchtroosters voor maximale luchttoevoer naar de voorruit. Schakel zo nodig de ruitverwarming in. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 70). Interieur snel verwarmen Aanjager A Uit N.B.
Klimaatregeling Ventilatie Schakel de airconditioning in. Interieur snel afkoelen Airconditioning Schakel de airconditioning in. Airconditioning in- en uitschakelen Voorruit ontdooien en ontwasemen A A Gerecirculeerde lucht B Buitenlucht C Aan en uit D Controlelamp airconditioning Voorruit Zet de luchtverdeelknop in de stand A en kies toevoer van buitenlucht. Wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C (39 °F), schakelt de airconditioning automatisch in.
Klimaatregeling Zet de luchtverdeelknop in de stand A en kies toevoer van buitenlucht. Wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C (39 °F), schakelt de airconditioning automatisch in. De controlelamp in de schakelaar brandt in dit geval niet. In de elektrisch bedienbare buitenspiegels is een verwarmingselement gemonteerd dat het spiegelglas ontdooit of ontwasemt. Na korte tijd schakelt de verlichting automatisch uit. VERWARMDE RUITEN EN SPIEGELS EXTRA VERWARMING Verwarmbare ruiten Algemene informatie N.
Klimaatregeling • • • • • Werkingsprincipe Schakel de programmeerbare standverwarming het gehele jaar minimaal eenmaal per maand ongeveer tien minuten in. Hierdoor wordt voorkomen dat de vloeistofpomp en de aanjagermotor gaan vastzitten. Om corrosie te voorkomen moet de koelvloeistof in uw auto het gehele jaar door minstens 10 % antivries bevatten. Om luchtbellen te voorkomen moet u ervoor zorgen dat het koelvloeistofpiel zicht tussen het MAX en MIN merkteken op het reservoir bevindt.
Klimaatregeling Druk de toets A langer dan drie seconden ingedrukt en houd hem ingedrukt tot de tijdsaanduiding op het display knippert. Druk de toetsen B en D binnen vijf seconden in om de tijd in te stellen. Houd de betreffende toets ingedrukt om de tijdsaanduiding snel te veranderen. Druk na het instellen van de verwarmingsduur op toets A. Het display geeft nu de tijd weer met een knipperende dubbele punt. Verwarming uitschakelen Druk op de toets met het verwarmingssymbool.
Klimaatregeling Verwarming continu inschakelen Inschakeltijden programmeren Druk toets A meerdere keren in tot het symbool 1, 2 of 3) voor de gewenste inschakeltijd wordt weergegeven. Druk op toetsen B en D om de tijd in te stellen. Houd de betreffende toets ingedrukt om de tijdsaanduiding snel te veranderen. WAARSCHUWING Nadat het contact is afgezet blijft de verwarming werken. Schakel de verwarming uit om onnodig verwarmen te voorkomen. Druk na het programmeren van de inschakeltijden op toets A.
Klimaatregeling Druk toets A meerdere keren in tot het symbool 1, 2 of 3) voor de gewenste inschakeltijd wordt weergegeven. Druk op toets C. Het ON symbool verschijnt op het display. Druk opnieuw op toets C om de inschakeltijd weer te deactiveren.
Stoelen • DE JUISTE ZITPOSITIE INNEMEN • • het stuurwiel met licht gebogen armen vasthoudt. uw benen licht buigt zodat u de pedalen volledig kunt indrukken. de schoudergordel over het midden van uw schouder en de heupgordel strak over uw heupen legt. Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel is en dat u de volledige controle over de auto hebt. VOORSTOELEN WAARSCHUWING Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden. WAARSCHUWINGEN Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden.
Stoelen LET OP Schuif de voorstoelen niet te ver naar het instrumentenpaneel toe. De voorste negen vergrendelingspunten zijn alleen bestemd om de accu toegankelijk te maken. Lendensteun afstellen Hellingshoek van de rugleuning verstellen A Voller B Leger Hellingshoek van de zitting verstellen Armsteun instellen Draai de knop onder de armsteun.
Stoelen Stoel draaien Een rugleuningdeel naar voren kantelen WAARSCHUWING Zorg ervoor dat de stoelen en de rugleuningen goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld. LET OP Draai de stoel alleen naar het midden van de auto en niet richting het portier. Complete rugleuning naar voren kantelen ACHTERBANK WAARSCHUWINGEN Gebruik tijdens het rijden de achterbank niet als bed. Zorg ervoor dat de stoelen en de achterbanken goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld.
Stoelen Rugleuning weer in de verticale stand kantelen: 1. Trek de lussen naar beneden en houd ze in deze stand. 2. Druk de rugleuning weer in verticale stand. WAARSCHUWINGEN De achterbank weegt 89 kilogram. LET OP Sla de achterbank op een droge en veilige plaats op. Zittingen van achterbanken verwijderen 1. Rugleuning naar voren klappen 2. Trek de hendel naar boven en houd hem in deze stand. 3.
Stoelen Stel de hoofdsteun zo in, dat de bovenzijde ervan gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd. Hoofdsteun verwijderen Druk de knoppen in en verwijder de hoofdsteun. VERWARMDE STOELEN N.B.: Start de motor om de stoelverwarming in te schakelen N.B.: De verwarming kan alleen opnieuw geactiveerd worden als de stoeltemperatuur is afgenomen tot minder dan 26 °C. De stoelverwarming bereikt zijn maximum temperatuur na vijf tot zes minuten. Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld.
Gemaksfuncties 2. Druk op de SET en RESET toets om de instelling te bevestigen en ga naar de maand. 3. Ga op dezelfde wijze te werk voor het instellen van het jaar, de uren en minuten. KLOK Auto's met klok in de audio- of navigatie-unit Raadpleeg voor gedetailleerde instructies hoe de klok moet worden ingesteld de afzonderlijke handleiding van de audio-unit of de navigatie-unit. Na het instellen en indrukken van de SET en RESET toetsen, worden de tijd en datum opgeslagen.
Gemaksfuncties N.B.: Alleen gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 20 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen. Druk het verwarmingselement in om de aansteker te laten gloeien. Hij springt automatisch in de oorspronkelijke stand terug. Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 9).
Gemaksfuncties WAARSCHUWING Plaats geen zware voorwerpen in de opbergruimte boven de voorruit. Opbergvak op dashboard WAARSCHUWINGEN Plaats tijdens het rijden geen hete dranken in de bekerhouders. Gebruik het tafeltje niet tijdens het rijden. Plaats geen glazen voorwerpen in de bekerhouders. FLESSENHOUDER OPBERGRUIMTES Opbergruimte boven de voorruit WAARSCHUWING Plaats geen glazen voorwerpen in de flessenhouder.
Gemaksfuncties VLOERMATTEN USB-POORT WAARSCHUWING Wanneer de vloermatten worden gebruikt, zorg dan dat de vloermatten correct worden vastgemaakt met de correcte bevestigingselementen, zodat de matten geen invleod hebben op de bediening van de pedalen. AANSLUITING AUXILIARY INGANG Zie de afzonderlijke audiohandleiding. Zie Verbinding (bladzijde 237).
Motor starten en stoppen N.B.: Laat, om te voorkomen dat de accu leegraakt, de contactsleutel niet te lang in deze stand staan. ALGEMENE INFORMATIE Algemene opmerkingen over het starten II Het contact staat aan. Alle elektrische circuits zijn ingeschakeld. Waarschuwingsen controlelampen branden. Dit is de stand waarin de sleutel moet staan tijdens het rijden. U moet deze stand ook kiezen wanneer de auto wordt gesleept.
Motor starten en stoppen 2. Druk het rempedaal volledig in. 3. Start de motor. Het stationaire toerental neemt automatisch toe wanneer de motor koud is (dit om de katalysator op te warmen). Zo worden de voertuigemissies tot een absoluut minimum beperkt. Alle auto's Wacht even wanneer de motor niet aanslaat, en probeer het opnieuw. Het stationaire toerental neemt langzaam tot normaal af zodra de katalysator opwarmt.
Motor starten en stoppen Uitvoeringen met automatische transmissie DIESELROETFILTER In tegenstelling tot een gewoon filter, dat regelmatig vervangen moet worden, is het DPF zodanig ontworpen dat het regenereert (zichzelf reinigt) om doeltreffend te blijven. Het regeneratieproces vindt automatisch plaats. Onder sommige rijomstandigheden moet u echter het regeneratieproces ondersteunen. Het DPF is een onderdeel van het uitlaatgasemissiesysteem van uw auto.
Start/stop knop WERKING WAARSCHUWING WAARSCHUWINGEN Schakel het contact uit voordat de motorkap wordt geopend of onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd. Voor auto's met start/stop-schakelaar verschillen de accuvereisten. De accu moet worden vervangen door een accu met exact dezelfde specificatie als de originele. Schakel altijd het contact uit voordat u uit de auto stapt, want het systeem kan de motor wel uitgeschakeld hebben, maar het contact is nog steeds ingeschakeld.
Start/stop knop Het systeem in- en uitschakelen • • De voorruitverwarming of de achterruitverwarming is ingeschakeld. Tijdens regeneratie van het dieselroetfilter. Motor starten N.B.: De keuzehendel moet in de neutraalstand staan. Als de schakelhendel niet in neutraal staat, gaat de start/stop-indicatielamp knipperen en wordt een bericht weergegeven in de display. Druk het koppelingspedaal in. Het systeem is standaard ingeschakeld.
Brandstof en tanken VEILIGHEIDSMAATREGELEN BRANDSTOFKWALITEIT DIESEL WAARSCHUWINGEN Stop met tanken nadat het vulpistool voor de tweede keer is afgeslagen. Alle brandstof die u dan nog toevoegt vult de expansieruimte in de brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden dat de brandstof overstroomt. Het morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn voor andere weggebruikers. WAARSCHUWING Meng de dieselolie niet met olie, benzine of andere vloeistoffen. Deze kunnen een chemische reactie veroorzaken.
Brandstof en tanken KATALYSATOR LET OP Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw auto te wassen, spuit dan kort op de brandstofvulklep vanaf een afstand van niet minder dan 20 centimeter (8 inch). WAARSCHUWING Laat de motor niet stationair draaien of parkeer de wagen niet op droge bladeren, droog gras of ander brandbaar materiaal. Tijdens het gebruik van de motor en na het afzetten van de motor straalt het uitlaatsysteem veel warmte uit. Hierdoor ontstaat het gevaar van brand. N.B.
Brandstof en tanken Probeer niet de motor te starten wanneer u de tank met de onjuiste brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor kan de motor worden beschadigd. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. Deze gegevens zijn bedoeld voor het vergelijken van merken en modellen. Ze zijn niet bedoeld als weergave van het werkelijke brandstofverbruik van uw wagen.
Brandstof en tanken Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd CO2-emissie l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) g/km Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk), asreductie: 3,73 - handgeschakelde 6versnellingsbak, zonder DPF 10,6 (26,7) 10,7 (26,4) 7,3 (38,7) 7,4 (38,2) 8,5 (33,2) 8,6 (32,8) 225 - 227 Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk), asreductie: 3,73 - handgeschakelde 6versnellingsbak, met DPF 10,9 (25,8) 11,1 (25,4) 7,1 (39,8) 7,3 (38,7) 8,5 (33,2) 8,7 (32,4) 225 - 230 Kombi 2.
Brandstof en tanken Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd CO2-emissie l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) g/km Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 103 kW (140 pk), asreductie: 4,27 - handgeschakelde 6versnellingsbak, met DPF 12,8 (22,1) 13,1 (21,6) 8,1 (34,9) 8,5 (33,2) 9,8 (28,7) 10,2 (27,7) 260 - 269 Kombi 3.2L DuraTorq-TDCi, 147kW (200 pk), asreductie: 3,58 - handgeschakelde 6versnellingsbak 12,9 (21,9) 13,0 (21,7) 7,9 (35,7) 8,0 (35,2) 9,8 (29,0) 9,9 (28,7) 258 - 260 Kombi 3.
Brandstof en tanken Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd CO2-emissie l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) g/km 2.2L Duratorq-TDCi (92 kW/125 pk) - (Puma), asreductie: 3,31, Fase V met Start/Stop-systeem 8,5 (33,1) 8,7 (32,4) 6,7 (42,2) 6,8 (41,5) 7,3 (38,7) 7,5 (37,7) 194 - 199 2.2L Duratorq-TDCi (92 kW/125 pk) - (Puma), asreductie: 3,31, Fase V zonder Start/Stop-systeem 9,1 (31) - 9,3 (30,4) 6,7 (42,2) 6,8 (41,5) 7,6 (37,2) 7,7 (36,7) 199 - 204 2.
Brandstof en tanken Voorwielaandrijving - M1 Brandstofverbruikscijfers Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd CO2-emissie l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) g/km 2.2L Duratorq-TDCi (74 kW/100 pk), (92 kW/125 pk), (103 kW/140 pk) (Puma), asreductie: 4,36, Fase V met Start/Stopsysteem 8,1 (34,9) 8,3 (34) 6,3 (44,8) 6,5 (43,5) 7 (40,4) - 7,2 (39,2) 184 - 189 2.
Versnellingsbak/transmissie Automatische functie HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK Het AWD-systeem waarmee bepaalde uitvoeringen met achterwielaandrijving zijn uitgerust, brengt automatisch het aandrijfkoppel over naar de voorwielen wanneer het wegdek glad is geworden door regen, sneeuw, ijs, enz. LET OP Schakel de achteruit niet in wanneer de wagen in beweging is. Dit kan inwendige schade aan de versnellingsbak veroorzaken.
Remmen WERKING PARKEERREM Schijfremmen WAARSCHUWING Bij auto's met automatische transmissie moet de keuzehendel altijd in de stand P (Park) staan. Natte remschijven hebben een lagere wrijvingscoëfficiënt. Druk na het verlaten van een wasstraat het rempedaal even voorzichtig in om de waterfilm op de remschijven te laten verdampen. • • ABS WAARSCHUWING • ABS is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.
Stabiliteitsregeling WERKING Waarschuwingslamp stabiliteitsregeling (ESP) Elektronisch Stabiliteitsprogramma (ESP) Wanneer het systeem tijdens het rijden wordt geactiveerd, knippert de lamp. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 54). WAARSCHUWING Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.
Stabiliteitsregeling N.B.: Wanneer u het systeem uitschakelt, dan wordt het systeem automatisch geheractiveerd als de snelheid hoger is dan 60 km/u (37 mph). Druk de schakelaar opnieuw in om het systeem in te schakelen. Telkens wanneer u het contact aan zet wordt het systeem automatisch ingeschakeld. Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 9).
Aandrijfregeling WERKING Het tractieregelsysteem verbetert de tractie wanneer een wiel doorspint bij snelheden tot 40 km/h (25 mph). Wanneer een wiel begint door te spinnen wijzigt het tractieregelsysteem de druk naar de remklauw van dat wiel tot het stopt met doorspinnen. GEBRUIK MAKEN VAN AANDRIJFREGELING Het traction control systeem is operationeel wanneer u het contact aanzet. De controlelamp van het traction control systeem knippert wanneer het systeem in werking is.
Regeling voor bergop rijden WERKING WAARSCHUWINGEN Het systeem is alleen actief als de groene lamp in het instrumentenpaneel brandt. U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de auto en het zo nodig in en uitschakelen van het systeem. Het systeem maakt het eenvoudiger op te trekken wanneer de auto op een helling staat zonder dat het noodzakelijk is gebruik te maken van de parkeerrem.
Regeling voor bergop rijden Het systeem deactiveren Voer voor het activeren van het systeem één van de volgende stappen uit: • • • • • • • Trek de handrem aan. Open een willekeurig portier (inclusief de laaddeuren). Rij weg de helling op zonder de handrem aan te trekken. Wacht twee tot drie seconden tot het systeem automatisch wordt gedeactiveerd. Als het systeem is geactiveerd in een vooruitversnelling, selecteer dan de achteruitversnelling.
Parkeerhulp N.B.: Houd de sensoren vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de sensoren niet met scherpe voorwerpen. WERKING WAARSCHUWING N.B.: Wanneer de parkeerhulp een signaal registreert dat op dezelfde frequentie wordt uitgezonden als de sensoren gebruiken, of wanneer de auto maximaal is beladen, kan een vals signaal worden gegeven. Ondanks de parkeerhulp bent u verplicht voorzichtig en aandachtig te rijden.
Parkeerhulp N.B.: Wanneer u drie seconden lang een hoge pieptoon hoort, duidt dit op een storing. Het systeem wordt uitgeschakeld. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren.
Achteruitkijkcamera N.B.: Houd de camera vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de camera niet met scherpe voorwerpen, ontvetter, was of organische producten. Gebruik alleen een zachte doek. WERKING De camera is een visueel hulpmiddel bij achteruitrijden. Tijdens de bediening worden in de display hulplijnen weergegeven die de route van de wagen en de geschatte afstand vanaf voorwerpen aan de achterzijde voorstellen.
Achteruitkijkcamera A Display achteruitkijkcamera B Achteruitkijkcamera - achterklep C Achteruitkijkcamera - laaddeur De lijnen geven een geprojecteerde route van de auto en de afstand vanaf de buitenspiegels en de achterbumper aan. Achteruitkijkcamera activeren LET OP Het kan voorkomen dat de camera voorwerpen die zich te dicht bij de wagen bevinden niet kan registreren. Schakel de achteruitversnelling in met ingeschakeld contact. De afbeelding wordt op het scherm weergegeven.
Achteruitkijkcamera D 2 meter E 3 meter Achteruitkijkcamera in- en uitschakelen A Aan- en uittoets Druk op toets A om het systeem handmatig uit te schakelen. N.B.: De toets werkt alleen als de achteruitversnelling is ingeschakeld en de auto op contact staat. Achteruitkijkcamera deactiveren N.B.: Schakel een vooruitversnelling in. De display blijft een korte periode aan alvorens deze wordt uitgeschakeld.
Snelheidsregeling (Cruise Control) Snelheid instellen WERKING Met cruise control (automatische snelheidsregeling) kunt u met behulp van de schakelaars op het stuurwiel de rijsnelheid instellen. Cruise control werkt vanaf snelheden van 30 km/h. GEBRUIK MAKEN VAN SNELHEIDSREGELING WAARSCHUWING Schakel onder drukke verkeersomstandigheden, op trajecten met veel bochten en op gladde wegen cruise control niet in. Druk de schakelaar in om de huidige snelheid op te slaan en aan te houden.
Snelheidsregeling (Cruise Control) Ingestelde snelheid opnieuw inschakelen A Accelereren (versnellen) B Decelereren (vertragen) De controlelamp van de cruise control gaat branden en het systeem zal proberen de auto met de eerder door u ingestelde snelheid te laten rijden. Ingestelde snelheid uitschakelen Cruise control uitschakelen Druk het rempedaal of de RES schakelaar in. N.B.: Het systeem regelt niet langer de rijsnelheid.
Automatische snelheidsbegrenzer (ASL) Het systeem is standaard ingeschakeld. Druk op de ECO-schakelaar om deze snelheidslimiet te deactiveren. Het systeem wordt alleen gedeactiveerd gedurende de huidige contactcyclus. Druk nogmaals op de schakelaar om het systeem in te schakelen. Voor locatie. Zie In één oogopslag (bladzijde 9). WERKING Toerentalbegrenzer Het toerental van de motor wordt begrensd om beschadigingen te voorkomen.
Transport ALGEMENE INFORMATIE LET OP Laat geen items in contact komen met de achterruiten. WAARSCHUWINGEN Gebruik bevestigingsriemen die voldoen aan een norm, bijv. DIN. Gebruik geen schurende materialen voor het reinigen van de binnenzijde van de achterruiten. Zorg ervoor dat alle losse voorwerpen goed zijn vastgezet. Breng geen stickers of labels aan op de binnenzijde van de achterruiten.
Transport Lading bevestigen 112 Transit (TT9) Vehicles Built From: 26-09-2011, Vehicles Built Up To: 31-12-2013
Transport Extra steunen WAARSCHUWINGEN Wanneer u een imperiaal gebruikt, kan het brandstofverbruik van uw auto hoger zijn en kan de rijkarakteristiek anders zijn. Ladingrail (middelhoog) Wanneer u een imperiaal aanbrengt, lees dan de instructies van de fabrikant en volg deze op. LET OP Overschrijd de maximale asbelasting niet. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 177). Overschrijd de maximaal toegestane dakbelasting van 100 kg, of 50 kg voor Euroline en Nugget voertuigen, (inclusief de imperiaal) niet.
Aanhangers trekken Het maximum toelaatbaar wagengewicht en het aanhangergewicht geven de technische eisen weer, die worden gesteld voor hellingen tot 12 % en bij hoogten van 1.000 meter boven de zeespiegel. In bergachtige streken worden de prestaties van de motor door de lagere luchtdruk nadelig beïnvloed. Daarom gelden de volgende beperkingen: TREKKEN VAN EEN AANHANGER WAARSCHUWINGEN Overschrijd het maximaal toelaatbaar treingewicht dat op het identificatieplaatje van de auto staat niet.
Tips voor het rijden Wanneer de temperatuur blijft stijgen zorgt het systeem ervoor dat de brandstoftoevoer naar de motor wordt gereduceerd. De airconditioning (indien gemonteerd) wordt uitgeschakeld en de koelventilateur wordt ingeschakeld. INRIJDEN Banden WAARSCHUWING Nieuwe banden hebben een inlooptijd van ongeveer 500 kilometer. Gedurende deze periode kan de auto een andere rijkarakteristiek vertonen.
Wat te doen bij pech EERSTEHULPSET Bus Voor een EHBO-doos is ruimte onder de stoel op de tweede rij. Gesloten bestelwagen, Kombi, Chassis Cabine, uitvoering met open laadbak Voor de gevarendriehoek is ruimte in het opbergvak op het portier aan bestuurderszijde. GEVARENDRIEHOEK In de kaartenbak op het bestuurdersportier bevindt zich een ruimte voor het opbergen van een gevarendriehoek. NOODUITGANG WAARSCHUWING Zorg ervoor dat de imperiaal en de lading erop de nooduitgang niet afdekken.
Staat na een aanrijding Schakelaar terugstellen BRANDSTOFAFSLUITER WAARSCHUWING Wanneer u een ongeluk of een lichte aanrijding hebt gehad (bijv. tijdens het parkeren ergens tegenaan gereden) kan de veiligheidsschakelaar te brandstoftoevoer onderbreken. De schakelaar bevindt zich op het zijpaneel voor het passagiersportier. Stel de veiligheidsschakelaar niet terug wanneer u brandstof ruikt of ziet weglekken. 1. Contact afzetten. 2. Controleer het brandstofsysteem op lekkage. 3.
Zekeringen Voorschakel-zekeringkast PLAATSEN ZEKERINGENHOUDERS Bestuurdersstoel Stuur rechts Stuur links Standaard relaiskast A Voorschakel-zekeringkast B Standaard relaiskast C Aansluitkast in passagierscompartiment D Aansluitkast in motorruimte 118 Transit (TT9) Vehicles Built From: 26-09-2011, Vehicles Built Up To: 31-12-2013
Zekeringen N.B.: Tijdens het aanbrengen moet een klik hoorbaar zijn bij het laten aangrijpen van beide klemmen. Aansluitkast aan passagierszijde Aansluitkast in motorcompartiment Voor locatie: Zie Onderhoud (bladzijde 131).
Zekeringen EEN ZEKERING VERVANGEN LET OP Vervang een doorgeslagen zekering door een exemplaar met hetzelfde vermogen. WAARSCHUWINGEN Wijzig de elektrische installatie van uw auto op geen enkele wijze. Laat reparaties aan de elektrische installatie en het vervangen van relais en zekeringen voor hoge stroomsterktes door goed getrainde monteurs uitvoeren. N.B.: U kunt een doorgeslagen zekering herkennen aan de gebroken smeltdraad. N.B.
Zekeringen Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits 1 350 grijs Startmotor en dynamo 2 60 geel Voeding aansluitkast passagierszijde - startrelevant/aansluitkast passagierszijde KL15 voor start/stop 3 100 blauw Voeding aansluitkast motorcompartiment niet startrelevant 4 40 groen Voorruitverwarming, rechterzijde 5 100 blauw Voeding standaard relaiskast - niet startrelevant 6 40 groen Voorruitverwarming, linkerzijde 7 60 geel Voeding aansluitkast passagierszijde - niet startrel
Zekeringen Aansluitkast in motorcompartiment Zekering Ampère Kleur 11 60 geel Koelventilateur Beveiligde circuits 12 30 roze Voeding trekhaak en trekhaakmodule (KL30) 13 40 groen 14 - - Pomp van ABS en ESP Wordt niet gebruikt 15 60 geel Gloeibougies 16 60 geel Relais contactslot (KL15 #3 17 30 roze Vrijgave startmotor 18 40 groen Voeding ontsteking (KL15) naar aansluitkast passagierszijde (auto's zonder start/stop) 18 - - Wordt niet gebruikt (auto's met start/stop) 19
Zekeringen Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits 23 - - 24 5 bruin Brandstofpomp (zonder extra verwarming op brandstof) 24 20 geel Brandstofpomp (met extra verwarming op brandstof) 25 - - 26 15 blauw Spanning PCM 27 5 bruin Brandstofpomp (met extra verwarming op brandstof) 28 5 bruin T-MAF sensor 29 5 bruin Controle gloeibougie extra verwarming 30 7,5 Wordt niet gebruikt Wordt niet gebruikt Sonische ontluchtklep 31 15 blauw 32 20 geel VAP-pomp/UEGO Gloeibougi
Zekeringen Relais Geschakelde circuits R8 Gloeibougie verdamper R9 Wordt niet gebruikt R10 Solenoïde van compressor airconditioning Standaard relaiskast Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits 38 20 geel Achterruitwisser 39 10 rood Bediening airconditioning voor en achter 40 5 bruin Wordt niet gebruikt 41 5 bruin Tachograaf 42 5 bruin Hoogteregeling koplamplichtbundels, hoofdlichtschakelaar (KL15) 124 Transit (TT9) Vehicles Built From: 26-09-2011, Vehicles Built Up To: 31
Zekeringen Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits 43 20 geel Verwarmbare voorstoelen 44 20 geel Claxon 45 20 geel Extra voedingspunt voorzijde 46 10 rood Verwarmbare buitenspiegels, indien CAT 1 gemonteerd 47 20 geel Aansteker 48 5 bruin Voeding relaisspoelen, elektrisch bedienbare buitenspiegels 49 20 geel Extra voedingspunt achterzijde 50 10 rood Grootlicht, links 51 10 rood Grootlicht, rechts 52 10 rood Dimlicht, links 53 10 rood Dimlicht, rechts 54 30
Zekeringen Relais Geschakelde circuits R11 Dimlicht R12 Verwarmde portierspiegels (als CAT 1 alarm is aangebracht), voedingsuitgang (als CAT 1 alarm niet is aangebracht) R13 Grootlicht R14 Claxon R15 Verlichting overdag R16 Programmeerbare standverwarming R17 Verwarmbare achterruiten en verwarmbare buitenspiegels (of achterruitverwarming, links, indien CAT 1 alarm is gemonteerd) R18 Achterruitverwarming, rechts (indien CAT 1 alarm is gemonteerd) R19 Voeding (KL15 #2) R20 PJB KL15 (alle
Zekeringen Aansluitkast aan passagierszijde Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits 63 5 bruin Parkeerhulp achter, regensensor Sensor gaspedaal 64 2 grijs 65 15 blauw Remlichtschakelaar 66 5 bruin Instrumentengroep, voeding PATS, tachograaf, schakelaar instrumentenverlichting 67 15 blauw Sproeierpomp 68 10 rood Regeleenheid veiligheidssysteem 69 20 geel Schakelaar buitenverlichting (KL15) 70 20 geel Alarmclaxon met eigen accu 71 5 bruin Schakelaar buitenverlichting (
Zekeringen Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits 74 5 bruin Instrumentengroep, schakelklok standverwarming, voeding keyless entry systeem, sensor interieuralarm (KL30) 75 7,5 bruin Stadslicht, rechts 76 7,5 bruin Stadslicht, links 77 5 bruin Voeding contactslot, verbreekschakelaar accuvoeding relaisspoelen 78 15 blauw Centrale vergrendeling 79 7,5 bruin Kentekenplaatverlichting, zijmarkering 80 15 blauw Mistlampen, vóór 81 10 rood Mistachterlichten 82 3 violet Voed
Bergen van de auto SLEEPPUNTEN AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN Alle uitvoeringen WAARSCHUWINGEN Zet het contact aan wanneer uw auto wordt gesleept. Bij afgezet contact treedt het stuurslot in werking en werken de richtingaanwijzers en de remlichten niet. De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait. Druk het rempedaal harder in en houd rekening met langere remafstanden en een zwaarder draaiend stuurwiel.
Bergen van de auto LET OP Het wordt aanbevolen de auto niet te slepen met de aandrijfwielen op het wegdek. Als het echter nodig is om de auto van een gevaarlijk plaats te verwijderen, sleep uw auto dan niet sneller dan 20 km/h of over een afstand van meer dan 20 kilometer. LET OP Bij een mechanische storing aan de transmissie van uw wagen moet deze worden gesleept met ALLE wielen op het wegdek of met ALLE wielen van het wegdek. Trek rustig en soepel zonder rukken op. Sleep uw wagen niet achterwaarts.
Onderhoud Controles bij het tanken ALGEMENE INFORMATIE • Wanneer u uw auto regelmatig laat onderhouden zal dit de betrouwbaarheid en de inruilwaarde ten goede komen. Er staat een groot netwerk van Ford Erkende Reparateurs ter beschikking die u met hun professionele expertise ter zijde kunnen staan. De speciaal opgeleide monteurs zijn het best gekwalificeerd om het onderhoud aan uw auto snel en vakkundig uit te voeren.
Onderhoud DE MOTORKAP OPENEN EN SLUITEN Motorkap openen Motorkap sluiten N.B.: Zorg dat de motorkap goed wordt gesloten. Laat de motorkap zakken en vanaf een hoogte van 20 - 30 cm dichtvallen.
Onderhoud OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,3 L DURATEC-HE (MI4) A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 138). B Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 137). C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 138). D Plus aansluiting accu (voor aansluiten van hulpstartkabels). Zie Accu van de auto (bladzijde 147).
Onderhoud OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,2 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL A Waterafscheider brandstoffilter (auto's met stuur links). Zie Water in brandstoffilter aftappen (bladzijde 139). A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 138). B Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 137). C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links).
Onderhoud * ** H Motoroliepeilstaaf . Zie Motorolie controleren (bladzijde 137). I Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 139). * De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning. ** De oliepeilstok is aangebracht op een van de twee aangegeven locaties. OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,2 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL /2,4 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL /3.
Onderhoud * C Motoroliepeilstok - 2.2L Duratorq-TDCi (Puma) Diesel . Zie Motorolie controleren (bladzijde 137). D Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 137). E Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 138). E Waterafscheider brandstoffilter (auto's met stuur rechts). Zie Water in brandstoffilter aftappen (bladzijde 139). * F Expansiereservoir.
Onderhoud Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze met een schone, niet pluizende doek schoon. Breng de oliepeilstaaf weer aan en verwijder hem opnieuw om het oliepeil te controleren. OLIEPEILSTAAF - 2,4 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL /3.2 L DURATORQTDCI (PUMA) DIESEL Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij. Bijvullen WAARSCHUWINGEN Vul alleen bij wanneer de motor koud is. Wacht wanneer de motor heet is tien minuten om de motor te laten afkoelen.
Onderhoud LET OP LET OP Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat. Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan. N.B.: Koelvloeistof zet bij verwarming uit. Daardoor kan het koelvloeistofpeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan. Vul bij met een mengsel van koelvloeistof en water (50/50) op basis van vloeistof die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 140).
Onderhoud STUURBEKRACHTIGINGSVLOEISTOF CONTROLEREN WAARSCHUWINGEN De plug komt omhoog bij het openen van de afvoer. Sluit de afvoer nadat het water is afgetapt. WAARSCHUWING N.B.: De controlelamp water-in-brandstof gaat bij draaiende motor na ongeveer 2 seconden uit. Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts. N.B.
Onderhoud Gebruik voor het bijvullen een mengsel van sproeiervloeistof en water om bevriezing bij koude weersomstandigheden te voorkomen en het reinigende effect te verbeteren. We adviseren alleen sproeiervloeistof van hoge kwaliteit te gebruiken. RUITENSPROEIERVLOEISTOF CONTROLEREN N.B.: De ruitensproeiers van de voor- en achterruit hebben een gemeenschappelijk reservoir. Raadpleeg de productinstructies voor informatie over vloeistofverdunning.
Onderhoud Onderdeel Remvloeistof 1 Achteras Specificatie Aanbevolen vloeistof WSS-M6C57-A2 Ford of Motorcraft Super DOT 4 remvloeistof WSS-M2C939A Ford hypoïdeolie 1 Onder normale omstandigheden behoeft de achteras geen onderhoud. Wanneer de achteras echter volledig in water ondergedompeld is geweest, moet de olie door uw dealer worden ververst. 2 Vul altijd met dezelfde kleur vloeistof bij.
Onderhoud Variant Nr. Inhoud in liter (gallons) 2.3L Duratec-HE Koelsysteem met alleen extra verwarming voorin 7,8 (1,7) 2.2L DuraTorq-TDCi, voorwielaandrijving Motorolie – met filter 6,2 (1,4) 2.2L DuraTorq-TDCi, voorwielaandrijving Motorolie – zonder filter 6,0 (1,3) 2.2L DuraTorq-TDCi, achterwielaandrijving Motorolie – met filter 10,1 (2,2) 2.2L DuraTorq-TDCi, achterwielaandrijving Motorolie – zonder filter 9,7 (2,1) 2.4L DuraTorq-TDCi Motorolie – met filter 8,8 (1,9) 2.
Onderhoud Variant Nr. Inhoud in liter (gallons) 3.2L DuraTorq-TDCi Motorolie – met filter 11,4 (2,5) 3.2L DuraTorq-TDCi Motorolie – zonder filter 11 (2,4) 3.2L DuraTorq-TDCi Koelsysteem 7,3 (1,6) Vulhoeveelheden motorolie Vulhoeveelheid in liter (gallons) Motor 2.3L Duratec-HE 0,7 (0,2) 2.2L DuraTorq-TDCi 1,5 (0,3) 2.4L DuraTorq-TDCi 2 (0,4) 3.
Verzorging van de auto Achterruit reinigen REINIGEN VAN BUITENZIJDE AUTO LET OP Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen op de binnenzijde van de achterruit te reinigen. WAARSCHUWING Wanneer de auto tijdens het wassen in een autowasserette in de was wordt gezet, verwijder dan de was van de voorruit. Gebruik een schone, niet pluizende doek of een vochtige zeem om de binnenzijde van de achterruit te reinigen.
Verzorging van de auto Lichtmetalen velgen en wieldeksels zijn voorzien van een blanke laklaag. Om de goede staat van de velgen en wieldeksels te behouden wordt het volgende aangeraden: • • • REINIGEN VAN BINNENZIJDE AUTO Veiligheidsgordels Wekelijks reinigen met behulp van de aanbevolen wielen- en bandenreiniger. Een spons gebruiken om zware afzettingen (vuil en remmenstof) te verwijderen. Grondig afspoelen met een hogedrukspuit nadat de reinigingsprocedure is voltooid.
Verzorging van de auto KLEINE LAKSCHADE REPAREREN LET OP Verwijder onmiddellijk ogenschijnlijk onschadelijke substanties van het lakwerk (bijvoorbeeld uitwerpselen van vogels, boomsappen, dode insecten, teervlekken, wegenzout en industriële neerslag). Lakbeschadigingen door steenslag of kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk worden hersteld. Uw Ford dealer heeft een grote keuze aan producten. Lees en volg nauwkeurig de instructies van de fabrikant op.
Accu van de auto STARTEN VIA STARTHULP WAARSCHUWINGEN Gebruik brandstofleidingen, motorafdekkingen of inlaatspruitstuk nooit als massapunten. Verbind alleen accu's met dezelfde nominale spanning met elkaar. Gebruik altijd hulpstartkabels met geïsoleerde klemmen en een voldoende dikke kern. Koppel de ontladen accu niet los van de elektrische installatie van de auto. 3. Trek de kap van het plusaansluitpunt van de accu omhoog. Zie het betreffende overzicht van de motorruimte voor de locatie van de items.
Accu van de auto WAARSCHUWING Schakel de koplampen tijdens het loskoppelen van de hulpstartkabels niet in. Door de spanningspiek kunnen de gloeilampen doorbranden. Koppel de kabels in omgekeerde volgorde los. ONDERHOUD VAN DE ACCU Extra op de voertuigaccu aangesloten verbruikers van meer dan 30 A (bedrijfslast) en 12 mA (last bij uitgeschakeld contact) kunnen leiden tot vroegtijdig defect raken van de accu. Accu's met een hoge capaciteit zijn beschikbaar bij uw Ford dealer. 1.
Accu van de auto Er zijn drie aansluitpunten, elk levert maximaal een stroomsterkte van 60 ampère. Vraag uw dealer om advies over accessoires die voor uw wagen geschikt zijn. 1. Maak de klemmen los. 2. Trek de kap omhoog.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen KINDERZITJES WAARSCHUWINGEN Laat kinderen niet zonder toezicht in uw auto achter. Wanneer uw auto bij een aanrijding betrokken is geweest, dient u het kinderzitje door een hiertoe opgeleide monteur te laten controleren. N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het gebruik van kinderzitjes zijn per land verschillend. Alleen kinderzitjes die volgens ECE-R44.03 (of later) gecertificeerd zijn, zijn getest en goedgekeurd voor gebruik in uw auto.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen Kinderveiligheidszitje Vervoer kinderen met een lichaamsgewicht van 13 tot 18 kilogram in een kinderveiligheidszitje (Groep 1), dat op de achterbank is bevestigd. PLAATSING VAN KINDERZITJES Plaatsen voor het kinderzitje WAARSCHUWING Wanneer een kinderzitje met gordels worden gebruikt, dan mogen deze niet slap hangen.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen ISOFIX kinderzitjes Gewichtsgroepen Zitplaatsen 0 0+ I Tot 10 kg Tot 13 kg 9 - 18 kg Kinderveiligheidszitje Babyzitje Achter ISOFIX tweede zitrij * ISOFIX maatklasse IU IU IU E C, D, E A, B, B1, C, D U Geschikt voor universele ISOFIX kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep. * Als omschreven in ECE-R16. N.B.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen Kinderzitje (Groep 2) STOELVERHOGERS WAARSCHUWINGEN Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger nooit alleen met de heupgordel. Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger niet met een veiligheidsgordel die niet gespannen is of gedraaid zit. Leg de schoudergordel niet onder de arm of achter de rug van het kind langs. Gebruik geen kussens, boeken of handdoeken om het kind hoger te laten zitten.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen Het ISOFIX systeem bestaat uit twee stevige bevestigingsarmen aan het kinderzitje, die op de verankeringspunten van de zitplaatsen op de tweede zitrij tussen de rugleuning en de zitting worden bevestigd. Verankeringspunten voor de veiligheidsgordels aan de bovenzijde bevinden zich aan de achterzijde van de zitplaatsen op de tweede zitrij.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen Linkerzijde Draai rechtsom om te vergrendelen en linksom om te ontgrendelen. Rechterzijde Draai linksom om te vergrendelen en rechtsom om te ontgrendelen.
Velgen en banden Reservewiel ALGEMENE INFORMATIE Het reservewiel bevindt zich onder de achterzijde van de auto. LET OP Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan beschadiging van de auto tot gevolg hebben en maakt de typegoedkeuring ongeldig. Uitvoeringen met enkellucht Wanneer u banden monteert met een andere diameter dan de in de fabriek gemonteerde banden, duidt de snelheidsmeter de snelheid niet correct meer aan.
Velgen en banden Auto's uit de 430- en 460-serie • • 1. Verwijder de vleugelmoer(en). 2. Steek de steun en de kabel door de centrale opening in de velg. Boordkrik WAARSCHUWINGEN De boordkrik waarmee uw auto wordt geleverd mag alleen worden gebruikt voor het wisselen van een wiel in noodsituaties. Zet de krikslinger in elkaar. Steek het platte uiteinde van de krikstang op de kraan. Draai de stang geheel rechtsom. Schuif de stang in de pomp en krik de auto op door een pompende beweging te maken.
Velgen en banden Auto's uit de 430- en 460-serie • Steek de haak van de stang in het oog op de krik. Breng de wielmoersleutel aan in het andere uiteinde van de stang en draai hem rechtsom. Voorste kriksteunpunten LET OP Gebruik alleen de aangegeven kriksteunpunten. Wanneer u andere punten gebruikt kan dit de carrosserie, de stuurinrichting, de wielophanging, de motor, het remsysteem of de brandstofleidingen beschadigen. Plaats de krik onder de uitsparingen aan de achterzijde van het subframe.
Velgen en banden Alle behalve auto's uit de 430- en 460-serie Bus, bestelwagen en Kombi (260, 280 en 300 serie) met voorwielaandrijving Klap de klep op de bovenzijde van de krik open. Plaats de krik onder de bladveer van het achterwiel, direct voor het wiel. Klap de klep op de bovenzijde van de krik dicht (opbergstand). De achterste bouten van het voorste subframe passen in een uitsparing in de klep op de krik.
Velgen en banden Klap de klep op de bovenzijde van de krik open. Plaats de krik op het blok. Alle Chassis Cabine, bus, bestelwagen en Kombi uitvoeringen met achterwielaandrijving (alle behalve auto's uit de 430- en 460-serie) Auto's uit de 430- en 460-serie N.B.: Plaats de krik onder de as, zo dicht mogelijk bij het wiel dat omhoog moet worden gebracht. N.B.: Plaats de krik onder de as, zo dicht mogelijk bij het wiel dat omhoog moet worden gebracht.
Velgen en banden WAARSCHUWINGEN Schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer uw auto is uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak. Selecteer stand 'P' wanneer deze met een automatische transmissie is uitgerust. Laat de inzittenden uitstappen. Blokkeer het diagonaal tegenoverliggende wiel met een geschikt blok hout of een wielkeg. Dit is aangebracht in de B-stijl of in het reservewiel.
Velgen en banden 2. Draai de wielmoeren handvast aan. 3. Breng de dopsleutel voor de slotmoer aan. 2. Verwijder de moerdoppen. 3. Breng de dopsleutel voor de slotmoer aan. 4. Draai de wielmoeren een slag los. 5. Krik de auto op tot de band vrij is van de grond. 6. Verwijder de wielmoeren en het wiel. Wiel aanbrengen WAARSCHUWINGEN Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan schade aan de auto tot gevolg hebben en kan de typegoedkeuring ongeldig maken.
Velgen en banden N.B.: Wanneer het reservewiel een andere maat heeft of anders is geconstrueerd dan de overige wielen, laat deze dan zo spoedig mogelijk vervangen. De bandenreparatieset bevindt zich in het handschoenenkastje. Wiel opbergen WAARSCHUWINGEN Afhankelijk van het type en de omvang van de beschadiging kunnen sommige banden slechts gedeeltelijk of soms geheel niet worden gedicht.
Velgen en banden • • Houd de set buiten het bereik van kinderen. Gebruik de set bij omgevingstemperaturen van –30 °C (-22 °F) tot +70 °C (+158 °F). • • Bandenreparatieset gebruiken WAARSCHUWINGEN Samengeperste lucht kan zich gedragen als een explosief of drijfmiddel. Band oppompen WAARSCHUWINGEN Controleer de bandwang voordat u het afdichtmiddel in de band pompt. Wanneer u scheuren, knobbels of dergelijke ziet, probeer dan niet de band op te pompen.
Velgen en banden LET OP J Afdekking fles Wanneer de fles op de houder wordt gedraaid, wordt de afdichting van de fles verbroken. Schroef de fles niet los van de houder, omdat het afdichtmiddel dan wegloopt. K Fles met afdichtmiddel 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. A Beschermdop B Drukontlastklep C Slang D Oranje dop E Flessenhouder F Drukmeter G Stekker met kabel H Compressorschakelaar I Label 10. 11.
Velgen en banden Bandenspanning controleren 12. Pomp de band niet langer dan zeven minuten op voor een minimale druk van 1,8 bar (26 psi) en een maximum druk van 2,5 bar (51 psi). Zet de compressorschakelaar H in stand 0 en controleer de huidige bandenspanning met behulp van drukmeter F. 13. Neem de stekker G uit de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt. 14. Draai de slang C snel van het ventiel los en breng de beschermdop A aan. Draai het ventieldopje vast. 15.
Velgen en banden WAARSCHUWING LET OP Zorg er voordat u wegrijdt voor dat de band de voorgeschreven bandenspanning heeft. Zie Technische specificatie (bladzijde 168). Controleer voortdurend de bandenspanning tot de band is vervangen. Laat tijdens het parkeren de bandwangen niet langs trottoirbanden schuren. Als u een stoeprand moet oprijden, doe het dan zo langzaam mogelijk en rijd zo mogelijk met de wielen onder een rechte hoek het trottoir op.
Velgen en banden Auto's met achterwielaandrijving LET OP Wanneer uw auto is uitgerust met wieldeksels, verwijder deze dan voordat u sneeuwkettingen monteert. Breng alleen sneeuwkettingen aan op de achterwielen. N.B.: Het ABS blijft normaal werken. Auto's met vierwielaandrijving (AWD) Gebruik alleen sneeuwkettingen met kleine schakels. Breng alleen sneeuwkettingen aan op de achterwielen. Gebruik alleen sneeuwkettingen op de aangedreven wielen.
Velgen en banden Bus Bandenspanning Normaal beladen Variant Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) 280S 185/75 R 16 C 3 (44) 3 (44) 3,8 (55) 4,1 (60) 280S 195/70 R 15 C 3 (44) 3 (44) 3,6 (52) 3,9 (57) 280S 205/65 R 16 C 2,8 (41) 2,8 (41) 3,4 (49) 3,7 (54) 350L - Maximaal voorasgewicht 1.750 kilogram 215/75 R 16 C 3,5 (51) 4,8 (70) 3,5 (51) 4,8 (70) 350L - Maximaal voorasgewicht 1.
Velgen en banden Normaal beladen Variant Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) 350M/L - Maximaal voorasgewicht 1.850 kilogram 215/75 R 16 C 3,8 (55) 4,8 (70) 3,8 (55) 4,8 (70) 350EF - Maximaal voorasgewicht 1.750 kilogram 215/75 R 16 C 3,5 (51) 4,9 (71) 3,5 (51) 4,9 (71) 350EF - Maximaal voorasgewicht 1.850 kilogram 215/75 R 16 C 3,8 (55) 4,9 (71) 3,8 (55) 4,9 (71) 430EF - Maximaal voorasgewicht 1.
Velgen en banden Bestelwagen en Kombi - voorwielaandrijving Bandenspanning Normaal beladen Variant Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) 250S 195/70 R 15 C 3,4 (49) 3,5 (51) 3,4 (49) 3,5 (51) 250S 205/65 R 16 C 3,4 (49) 3,5 (51) 3,4 (49) 3,5 (51) 260S 185/75 R 16 C 3,8 (55) 3,8 (55) 3,8 (55) 3,8 (55) 260S - GVM 2.350 kilogram 195/70 R 15 C 3,3 (48) 3,3 (48) 3,3 (48) 3,3 (48) 260S - GVM 2.
Velgen en banden Normaal beladen Variant Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) 280S - Maximaal achterasgewicht 1.550 kilogram 195/70 R 15 C 3,6 (52) 3,9 (57) 3,6 (52) 3,9 (57) 280S - Maximaal achterasgewicht 1.650 kilogram 205/65 R 16 C 3,4 (49) 4 (58) 3,4 (49) 4 (58) 280S - Maximaal achterasgewicht 1.
Velgen en banden Normaal beladen Variant Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) 300L - Gereduceerd GVM 2.800 kilogram 195/70 R 15 C 3,9 (57) 4,2 (61) 3,9 (57) 4,2 (61) 300L - Gereduceerd GVM 2.
Velgen en banden Normaal beladen Variant Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) 350S/M/L - Maximaal voorasgewicht 1.750 kilogram 215/75 R 16 C 3,5 (51) 4,8 (70) 3,5 (51) 4,8 (70) 350S/M/L - Maximaal voorasgewicht 1.850 kilogram 215/75 R 16 C 3,8 (55) 4,8 (70) 3,8 (55) 4,8 (70) 350EF - Maximaal voorasgewicht 1.750 kilogram 215/75 R 16 C 3,5 (51) 4,9 (71) 3,5 (51) 4,9 (71) 350EF - Maximaal voorasgewicht 1.
Velgen en banden Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak - voorwielaandrijving Bandenspanning Normaal beladen Variant Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) 300S/M 185/75 R 16 C 4,2 (61) 4,7 (68) 4,2 (61) 4,7 (68) 300S/M 195/70 R 15 C 4 (58) 4,5 (65) 4 (58) 4,5 (65) 300S/M 205/65 R 16 C 3,8 (55) 4,3 (62) 3,8 (55) 4,3 (62) 330S/M/L - Sneeuwkettingen op voorwielen 195/75 R 16 C 4,1 (60) n.v.t.
Velgen en banden Normaal beladen Variant Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) 350M/L - Maximaal voorasgewicht 1.850 kilogram 215/75 R 16 C 3,8 (55) 4,8 (70) 3,8 (55) 4,8 (70) 350EF - Maximaal voorasgewicht 1.750 kilogram 215/75 R 16 C 3,5 (51) 4,9 (71) 3,5 (51) 4,9 (71) 350EF - Maximaal voorasgewicht 1.
Voertuigidentificatie VOERTUIGIDENTIFICATIEPLAATJE CHASSISNUMMER N.B.: Het ontwerp van het identificatieplaatje kan afwijken van het getoonde plaatje. N.B.: De informatie op het identificatieplaatje is afhankelijk van de vereisten per land. Het Voertuig Identificatie Nummer is in de rechter voorwielkuip ingeslagen. Het is ook op de linkerzijde van het instrumentenpaneel vermeld.
Inhouden en specificaties TECHNISCHE SPECIFICATIE Afmetingen van de auto Korte wielbasis Beschrijving van afmeting Afmeting in mm Maximum lengte - zonder trede achter (Bestelwagen en Kombi) 4863 (191,5) Maximum lengte (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) 5254 (206,9) Maximum lengte - met trede achter (Bestelwagen en Kombi) 4965 (195,5) Maximum lengte - met trekhaak (Bestelwagen en Kombi) 5070 (199,6) Maximum lengte - met trekhaak (Chassis Cabine en laadbak uitvoeringen met ope
Inhouden en specificaties Middellange wielbasis Beschrijving van afmeting Afmeting in mm Maximum hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi) 5230 (205,9) Maximum lengte - zonder trede achter (Chassis Enkele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) 5704 (224,6) Maximum lengte - zonder trede achter (Chassis Dubbele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) 5721 (225,2) Maximum lengte - met trede achter (Bestelwagen en Kombi) 5332 (209,9) Maximum lengte - met trekhaak (Bestelwagen en
Inhouden en specificaties Beschrijving van afmeting Afmeting in mm Totale hoogte - hoog dak (Bestelwagen en Kombi) Wielbasis (Bestelwagen en Kombi) 2532 - 2616 (99,7 - 103) 3300 (129,9) Wielbasis (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak) 3504 (138) Spoorbreedte, voor 1737 - 1761 (68,4 - 69,3) Spoorbreedte, achter (alle uitvoeringen met enkele achterwielen) 1710 - 1734 (67,3 - 68,3) Spoorbreedte, achter (Chassis Cabine en uitvoeringen met open laadbak - dubbele achterwielen) 1642 (64,6) L
Inhouden en specificaties Beschrijving van afmeting Afmeting in mm Maximum lengte - met trekhaak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi) 6522 (256,8) Maximum lengte - met trekhaak (Chassis Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) 6175 (240,5) Maximum lengte - met trekhaak (Chassis Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak), verlengd frame 6675 (260,2) Totale breedte - exclusief buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi met enkellucht) 1974 (77,7) Totale breedte - exclusief buitenspiegels
Inhouden en specificaties Beschrijving van afmeting Afmeting in mm Wielbasis (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak) 3954 (155,7) Spoorbreedte, voor 1737 - 1757 (68,4 - 69,1) Spoorbreedte, achter (Bestelwagen en Kombi) 1710 - 1720 (67,3 - 67,7) Spoorbreedte, achter (Chassis Cabine en uitvoeringen met open laadbak - dubbele achterwielen) 182 Transit (TT9) Vehicles Built From: 26-09-2011, Vehicles Built Up To: 31-12-2013 1642 (64,6)
Inhouden en specificaties Afstanden trekhaak Bestelwagen en Kombi Item Beschrijving van afmeting Afmeting in mm A Hart wiel - uiteinde trekhaakkogel (standaard frame) 1140 (44,9) A Hart wiel - uiteinde trekhaakkogel (verlengd frame) 1863 (73,3) B Hart trekhaakkogel - langsbalk 416 (16,4) 183 Transit (TT9) Vehicles Built From: 26-09-2011, Vehicles Built Up To: 31-12-2013
Inhouden en specificaties Item Beschrijving van afmeting Afmeting in mm C Binnenzijde langsbalk 832 (32,8) D Hart trekhaakkogel - hart 1e bevestigingspunt 334 (13,1) E Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt 403,5 (15,9) F Hart trekhaakkogel - hart 3e bevestigingspunt 473 (18,6) Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak 184 Transit (TT9) Vehicles Built From: 26-09-2011, Vehicles Built Up To: 31-12-2013
Inhouden en specificaties Item Beschrijving van afmeting Afmeting in mm A Hart wiel - uiteinde trekhaakkogel (standaard frame) 1180 (46,5) A Hart wiel - uiteinde trekhaakkogel (verlengd frame) 1562 (61,5) B Hart trekhaakkogel - langsbalk 418 (16,5) C Binnenzijde langsbalk 836 (32,9) D Hart trekhaakkogel - hart 1e bevestigingspunt 237 (9,3) E Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt 343,5 (13,5) 185 Transit (TT9) Vehicles Built From: 26-09-2011, Vehicles Built Up To: 31-12-2013
Inleiding audio-installatie Labels op het audiotoestel BELANGRIJKE AUDIOINFORMATIE WAARSCHUWINGEN Door technische verschillen kunnen opneembare CD’s (CD-R's) en opnieuw beschrijfbare CD’s (CD-RW's) mogelijk niet correct functioneren. Op deze toestellen kunnen CD's worden afgespeeld die aan de International Red Book standaard audiospecificatie voldoen. CD’s met kopieerbeveiliging van sommige fabrikanten voldoen niet aan deze standaard; het correct afspelen ervan kan dan ook niet worden gegarandeerd.
Overzicht audio-installatie 6000CD A CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 204). B CD-sleuf. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 204). C CD uitwerpen. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 207). D Aan, uit en volumeregeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 194). E Golfband selecteren. Zie Golfband toets (bladzijde 196). F Klok. Zie Tijd en datum van de audio-installatie instellen (bladzijde 192). G Stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 196). H Verkeersberichten.
Overzicht audio-installatie N Lage- en hoge-tonenregeling. Zie Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling (bladzijde 194). O Extra ingang selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 210). 6006CDC A CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 204). B CD-sleuf. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 204). C CD uitwerpen. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 207). Zie Meerdere CD's uitwerpen (bladzijde 209). D CD laden. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 204). E Golfband selecteren.
Overzicht audio-installatie L Menu. Zie Bediening van de audio-installatie (bladzijde 195). M Neerwaarts zoeken. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 199). N Balans- en fade-regeling. Zie Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling (bladzijde 194). O Lage- en hoge-tonenregeling. Zie Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling (bladzijde 194). P Extra ingang selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 210). Sony CD A Scannen. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 199).
Overzicht audio-installatie G Automatisch opslaan. Zie Autostore toets (bladzijde 197). H Menu. Zie Bediening van de audio-installatie (bladzijde 195). I Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 197). J Aan/uit-regeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 194). K Balans- en fade-regeling. Zie Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling (bladzijde 194). L Oproep beëindigen. Zie Telefoon (bladzijde 213). M Volumeregeling, navigatietoetsen en keuzetoets.
Beveiliging van uw audio-installatie Sony CD BEVEILIGINGSCODE 1. Voer de unieke code in met behulp van de stationsvoorkeuzetoetsen. 2. Maakt u een fout bij het invoeren van de code, voer de cijfers dan opnieuw in door de toetsen 0-9 te blijven gebruiken. Het display gaat van cijferpositie 1 naar 4 en vervolgens weer terug. 3. Zorg ervoor dat de complete code correct is voordat u op de voorkeuzetoets * of de toets tussen de navigatietoetsen drukt om uw selectie te bevestigen.
Audiodisplays met tijd- en datumaanduiding 12/24 uurs modus TIJD EN DATUM VAN DE AUDIO-INSTALLATIE INSTELLEN 1. Druk enkele malen op de MENU toets totdat het 12/24 symbool in het display verschijnt. 2. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gewenste instelling te kiezen. 3. Druk enkele malen op de MENU toets of laat het menu de functie afbreken om uw selectie te bevestigen. 6000CD en 6006CDC Datum en tijd veranderen Druk op de CLOCK toets om de datum en tijd weer te geven. N.B.
Audiodisplays met tijd- en datumaanduiding 3. Druk op de linker of rechter navigatietoets om de gewenste instelling te selecteren. 4. Druk op de MENU toets of de toets tussen de navigatietoetsen om uw selectie te bevestigen.
Werking van de audio-installatie AAN/UIT TOETS BALANCE/FADE (BALANS LINKS/RECHTS, VOOR/ACHTER) REGELING Druk op de aan/uit knop. Hierdoor kan het toestel nog een uur nadat het contact is afgezet worden gebruikt. Na een uur schakelt het radiotoestel automatisch uit. De balansfunctie wordt gebruikt om de geluidsverdeling tussen de linker en rechter luidsprekers aan te passen.
Werking van de audio-installatie van de bedieningstoetsen gekozen kunnen worden. Druk op de MENU toets voor functies op het eerste niveau, of op de MENU toets en houd deze ingedrukt voor functies op het tweede niveau (niet leverbaar op Sony audio-units).
Werking van de audio-installatie Menufuncties Tijdens radio-ontvangst Tijdens het afspelen van een CD 1 AVC AVC 2 1 2 AF AF TA volume TA volume Lokale of algemene verkeersberichten Lokale of algemene verkeersberichten Regionaal AAN/UIT Shuffle - Herhalen - Comp AAN/UIT 3 3 N.B.: De volgorde waarin functies verschijnen, kan verschillen afhankelijk van de audio-unit of de auto. 1 Automatische volumeregeling. 2 Alternatieve frequenties. 3 Verkeersberichten. 1. Kies een golfband. 2.
Werking van de audio-installatie 6000CD en 6006CDC REGELING FUNCTIE VERKEERSINFORMATIE Druk op de AM/FM toets om een keuze uit de beschikbare golfbanden te maken. Veel radiostations die op de FM-band uitzenden hebben een TP-code die aangeeft dat deze verkeersinformatie uitzenden. Sony CD Druk op de RADIO toets om een keuze uit de beschikbare golfbanden te maken. Verkeersberichten inschakelen AUTOSTORE TOETS Voordat u verkeersberichten kunt ontvangen, moet u op de TA toets drukken.
Werking van de audio-installatie N.B.: Wanneer dit tijdens het afspelen van een CD of een apparaat in de AUX-aansluiting gebeurt of, bij bepaalde modellen, wanneer het radiovolume op 0 is gezet, dan zal de unit automatisch op een ander radiostation afstemmen dat verkeersinformatie uitzendt. Sony CD 1. Druk op de MENU toets en gebruik de opwaarts of neerwaarts navigatietoets om de TA display te selecteren. 2. Druk op de linker of rechter navigatietoets om de gewenste instelling te selecteren. 3.
Werking van de audio-installatie N.B.: Indien u op een ander tijdstip op TA drukt, worden berichten uitgeschakeld. Zoeken STATION AFSTEMTOETSEN Kies een golfband en druk kort op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken. Het toestel stopt bij het eerste radiostation dat in de door u gekozen richting wordt gevonden. 6000CD en 6006CDC DAB-service linking N.B.: De DAB-service linking is standaard uitgeschakeld. Sony CD N.B.
Werking van de audio-installatie 6000CD en 6006CDC 1. Druk enkele malen op de MENU toets totdat SCAN in het display wordt weergegeven. 2. Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gekozen golfband omhoog of omlaag af te zoeken. 3. Afhankelijk van het audiotoestel drukt u op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken of op de MENU toets om verder te luisteren naar een radiostation. Sony CD 1. Druk op de SCAN toets. SCAN knippert of SCANNING wordt in het display weergegeven.
Menu's audio-installatie DSP-instellingen wijzigen AUTOMATISCHE VOLUMEREGELING 1. Druk eenmaal op de DSP toets voor bezette zitplaatsen en tweemaal voor de equalizer. Positie van onderdeel: Zie Overzicht audio-installatie (bladzijde 187). 2. Gebruik de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gewenste instelling te kiezen. 3. Druk op de toets tussen de navigatietoetsen om uw keuze te bevestigen.
Menu's audio-installatie Sony CD Wanneer AF-MAN is gekozen, werkt het toestel op dezelfde wijze als bij AF-AUTO of AF-ON, maar er wordt dan alleen naar alternatieve frequenties gezocht wanneer op een voorkeuzetoets wordt gedrukt. 1. Druk kort op de MENU toets. 2. Scroll met de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat CLIP in het display wordt weergegeven. 3. Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen.
Menu's audio-installatie in een aantal kleinere regionale netwerken, die bijvoorbeeld in grotere plaatsen of steden zijn gevestigd. Wanneer het netwerk niet in regionale zenders wordt opgesplitst, zendt het complete netwerk hetzelfde programma uit. NIEUWSBERICHTEN Regionale modus AAN: Dit voorkomt dat AF willekeurig naar andere regionale netwerken schakelt die niet hetzelfde programma uitzenden. Tijdens nieuwsberichten wordt afwisselend de stationsnaam en NEWS in het display weergegeven.
CD-speler 3. Een CD-symbool met een nummer knippert in het display en LOAD wordt in het display weergegeven. Wanneer de CD is geladen, verschijnt een nummer bij één van de CD-symbolen om de plaats van de CD aan te geven. 4. Wanneer de boodschap verandert inWAIT en vervolgens in LOAD CD kunt u een andere CD laden. 5. Herhaal de laatste stap om meer CD's te laden of om het laden te onderbreken wanneer u klaar bent met CD's laden.
CD-speler Sony CD Druk eenmaal op de toets voor neerwaarts zoeken om het huidige nummer te herhalen. Wanneer binnen twee seconden vanaf het begin van een nummer op deze toets wordt gedrukt, dan wordt het vorige nummer gekozen. Druk tijdens radio-ontvangst eenmaal op de toets CD/AUX om het afspelen van de CD te starten. Het afspelen start direct zodra een CD is geladen. Druk meerdere malen op de toets voor neerwaarts zoeken om voorafgaande nummers te kiezen.
CD-speler Sony CD Sony CD Druk op de linker of rechter navigatietoets en houd deze ingedrukt om voorwaarts of achterwaarts te zoeken binnen de nummers van de CD. 1. Druk op de MENU toets. 2. Scroll met de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat SHUFFLE in het display wordt weergegeven. 3. Gebruik de linker of de rechter navigatietoets om de functie in- of uit te schakelen.
CD-speler 6006CDC CD-NUMMERS SCANNEN Druk op elk gewenst moment op de EJECT toets en verwijder de CD die wordt afgespeeld of gebruik een voorkeuzetoets om een CD te kiezen die u wilt verwijderen. SELECT of SELECT CD gevolgd door REMOVE CD wordt in het display weergegeven. Met behulp van de SCAN functie kunt u elk nummer ongeveer 10 seconden lang beluisteren. 6000CD en 6006CDC N.B.: Na de selectie verschijnt SCAN kort in het display aan het begin van elk nummer. Sony CD 1.
CD-speler 3. Kies met behulp van de linker of rechter navigatietoetsen REPEAT TRACK of REPEAT OFF. 4. Druk op de MENU toets om uw keuze te bevestigen. MP3 WEERGAVE-OPTIES Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld, kan bepaalde informatie die gecodeerd in elke opname is opgenomen, worden weergegeven. Deze informatie omvat meestal: MP3-BESTAND AFSPELEN • • • N.B.: Sommige audiobestanden met een kopieerbeveiliging kunnen wellicht niet worden gelezen door de CD-speler.
CD-speler N.B.: Hierdoor wordt de CD niet uitgeworpen; de CD-weergave wordt alleen onderbroken op de plaats waar de radio-weergave werd hervat. Druk opnieuw op de CD toets om het afspelen van de CD te hervatten. Sony CD Druk op de RADIO of CD/AUX toets. N.B.: Hierdoor wordt de CD niet uitgeworpen; de CD-weergave wordt alleen onderbroken op de plaats waar de radio-weergave werd hervat. Druk opnieuw op de CD/AUX toets om het afspelen van de CD te hervatten.
Ingangsaansluiting (AUX IN) N.B.: Stel voor optimale prestaties bij het afspelen van een extra apparaat het volume daarvan hoog. Hierdoor worden storingen gereduceerd wanneer het apparaat wordt aangesloten op de aansluiting voor de sigarenaansteker in de auto. Via de extra ingang (AUX IN), indien aanwezig, kan een extra apparaat zoals een MP3-speler op het audiotoestel van de auto worden aangesloten. Het geluid kan via de autoluidsprekers worden weergegeven.
Storingen verhelpen audio-installatie Display van het audiotoestel Remedie CD ERROR PLEASE CHECK CD CDC ERROR Algemeen storingsbericht voor storingen tijdens het afspelen van een CD, bijv.: kan CD niet aflezen, data-CD aangebracht. Kan ook wijzen op een storing in het audiotoestel. Controleer of de CD correct geladen is, reinig de CD en laad deze opnieuw of vervang de CD door een voor u bekende muziek-CD. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 207). Zie Meerdere CD's uitwerpen (bladzijde 209).
Storingen verhelpen audio-installatie Display van het audiotoestel Remedie LOCKED Bericht dat aangeeft dat de systeembeveiliging het toestel heeft geblokkeerd nadat herhaaldelijk onjuiste Keycodes zijn ingegeven. Neem contact op met uw Ford dealer. KEYCODE.... ENTER KEYCODE.... INCORRECT Bericht dat u vraagt, de Keycode in te geven. Zie Beveiligingscode invoeren (bladzijde 191). Bericht dat u informeert dat de ingegeven Keycode onjuist is. Zie Onjuiste beveiligingscode (bladzijde 191).
Telefoon ALGEMENE INFORMATIE SETUP TELEFOON Telefoonboek LET OP Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen. Na het opstarten kan het al naar gelang de grootte enkele minuten duren voordat u toegang tot de telefoonboeklijst krijgt. Telefoonboekcategorieën In dit hoofdstuk worden de functies en eigenschappen van het handsfree systeem voor de Bluetooth mobiele telefoon beschreven.
Telefoon Van een telefoon een actieve telefoon maken Telefoons bedienen Er kunnen maximaal zes Bluetooth apparaten aan het systeem in de auto worden gekoppeld. Wanneer het systeem voor het eerst wordt gebruikt, zijn er nog geen telefoons gekoppeld met het systeem. N.B.: Wanneer met de telefoon die als de nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd een gesprek wordt gevoerd, wordt het gesprek doorgeschakeld naar het audiosysteem in de auto.
Telefoon N.B.: Als de audiounit wordt uitgeschakeld, wordt een telefoongesprek verbroken. Wanneer de contactsleutel in de stand '0' wordt gezet, blijft de telefoonverbinding behouden. N.B.: Raadpleeg de handleiding van de audio-unit voor meer informatie over de bedieningsorganen. Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn. Zelfs wanneer uw telefoon op de audio-unit is aangesloten, kan de telefoon op de gebruikelijke wijze worden gebruikt. BEDIENINGSELEMENTEN TELEFOON Afstandsbediening N.B.
Telefoon Een nummer kiezen m.b.v. het adresboek - Sony radio Een gesprek beëindigen Gesprekken kunnen worden beëindigd door op de toets 'weigeren' te drukken. U kunt via Bluetooth toegang krijgen tot uw adresboek. De namen en nummers verschijnen op het display van het apparaat. Bij audio-units zonder telefoontoetsenblok kunt u ook een gesprek beëindigen door op PHONE, CD, AM/FM of ON/OFF te drukken of door op de toets MODE op de afstandsbediening te drukken. 1. Druk op de toets PHONE. 2.
Telefoon 4. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden' om het telefoonnummer te kiezen. Een tweede inkomend gesprek weigeren Een tweede inkomend gesprek kan worden geweigerd door op de toets 'weigeren' te drukken. Bij audio-units zonder telefoontoetsenblok kunt u ook een tweede inkomend gesprek weigeren door op de toets CD of de toets AM/FM te drukken. Laatst gekozen nummer opnieuw kiezen - Sony radio 1. Druk op de toets 'beantwoorden'. 2.
Telefoon Met behulp van het menu op de audio-unit Een gekoppelde telefoon ontkoppelen - Sony radio N.B.: Nadat een telefoon aan het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon. Een actieve telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd. 1. 2. 3. 4. 5. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'. Druk op de MENU toets op de audio-unit. Selecteer de ACTIVE PHONE optie op de audio-unit.
Telefoon Een gesprek beëindigen Een tweede inkomend gesprek beantwoorden Gesprekken kunt u beëindigen door op de toets BEËINDIGEN, de toets MODE op de afstandsbediening of de toets AAN/UIT op het navigatiesysteem te drukken. Een tweede inkomend gesprek kunt u aannemen door op de toets 'beantwoorden', de toets MODE op de afstandsbediening of de toets PHONE op het apparaat te drukken of door de optie AANNEMEN in het menu te gebruiken. Een nummer herhalen 1. Druk op de toets PHONE op het apparaat. 2.
Telefoon 2. Selecteer met behulp van de optie BT-INSTELLINGEN in het menu de actvieve telefoon in de lijst. Actieve telefoon afmelden Een actieve telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd. 1. Druk op de toets PHONE op het apparaat. 2. Selecteer de optie BT-INSTELLINGEN in het menu. 3. Selecteer de AFMELDEN optie in het menu. 4. Selecteer de telefoon in de lijst.
Spraaksturing Reactie van het systeem WERKING Wanneer u een gesproken commando geeft, antwoordt het systeem telkens met een piep wanneer het gereed is om door te gaan. LET OP Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen. Probeer geen nieuwe commando's te geven voordat u de piep hebt gehoord. Het spraakbesturingssysteem herhaalt elk gesproken commando.
Spraaksturing Short cuts Druk de toets opnieuw in om de spraakbesturing uit te schakelen. Er zijn een aantal gesproken woorden (short cuts) mogelijk, waarmee u enkele functies van de auto kunt regelen zonder het complete commandomenu te hoeven volgen. Dit zijn: • • • • • • Spraaklabel Het spraaklabel kan de telefoon, de audio-installatie en het navigatiesysteem ondersteunen door gebruik te maken van de "STORE NAME" functie (naam opslaan).
Spraaksturing "CD PLAYER" "SHUFFLE OFF" "REPEAT FOLDER" ** "REPEAT TRACK" "REPEAT OFF" * Kan als short cut worden gebruikt. ** Alleen beschikbaar als de CD audiogegevensbestanden bevat, zoals MP3 of WMA. Muzieknummer U kunt direct een muzieknummer op de CD kiezen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "CD PLAYER" "CD PLAYER" 2 "TRACK" 3 "" "TRACK NUMBER PLEASE" * ** "TRACK " * Kan als short cut worden gebruikt. ** Getallen kunnen ook als max.
Spraaksturing CD-wisselaar beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden. Overzicht Het onderstaande overzicht toont de "CD CHANGER" "HELP" "PLAY" * "DISC" "TRACK" * "SHUFFLE ALL" "SHUFFLE CD" ** "SHUFFLE FOLDER" "SHUFFLE OFF" "REPEAT CD" "REPEAT FOLDER" ** "REPEAT TRACK" "REPEAT OFF" * Kan als short cut worden gebruikt.
Spraaksturing Muzieknummer U kunt direct een muzieknummer op de CD kiezen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "CD CHANGER" "CD CHANGER" 2 "TRACK" "TRACK NUMBER PLEASE" 3 "" * "TRACK " ** * Kan als short cut worden gebruikt. ** Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5" voor muzieknummer 245) Shuffle CD Random afspelen binnen de CD-inhoud instellen.
Spraaksturing "RADIO" "PLAY DIRECTORY" "STORE NAME" "PLAY" * Kan als short cut worden gebruikt. Afstemfrequentie Met deze functie kunt u met gesproken commando's afstemmen op radiostations. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "RADIO" "RADIO" 2 "AM" "AM FREQUENCY PLEASE" "FM" 3 "FM FREQUENCY PLEASE" "TUNE " * "" * De frequentie kan op verschillende manieren worden ingevoerd. Raadpleeg onderstaande voor representatieve voorbeelden.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt "NAME PLEASE" 3 "" "REPEAT NAME PLEASE" 4 "" "STORING NAME" " STORED" Afstemmen op naam Met deze functie kunt u op een opgeslagen radiostation afstemmen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "RADIO" "RADIO" 2 "TUNE NAME" 3 "" "NAME PLEASE" * "TUNE " * Kan als short cut worden gebruikt.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "RADIO" "RADIO" 2 "PLAY DIRECTORY" "PLAY " Bestand wissen Met deze functie kunt u alle opgeslagen radiostations wissen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "RADIO" "RADIO" 2 "DELETE DIRECTORY" "DELETE DIRECTORY" "CONFIRM YES OR NO" 3 "YES" "RADIO DIRECTORY DELETED" "NO" "COMMAND CANCELLED" Afspelen Met deze functie schakelt de audiobron over op de radiomodus.
Spraaksturing Externe apparaten - USB Overzicht Deze gesproken commando's ondersteunen de functionaliteit van een extern USB-apparaat dat op de audiounit kan worden aangesloten. Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "EXTERNAL DEVICE" "EXTERNAL DEVICE" 2 "USB" "USB" 3 "PLAY" USB-muzieknummer U kunt direct een muzieknummer op het USB-apparaat kiezen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "EXTERNAL DEVICE" "EXTERNAL DEVICE" 2 "USB" "USB" 3 "TRACK" 4 "TRACK NUMBER PLEASE" "TRACK " * "" * Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv.
Spraaksturing "EXTERNAL DEVICE", "IPOD" "SHUFFLE OFF" "REPEAT TRACK" "REPEAT OFF" * Kan als short cut worden gebruikt. ** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 237). iPod-muzieknummer U kunt direct een muzieknummer op de iPod kiezen in de lijst met alle titels.
Spraaksturing het systeem van de auto opgeslagen en niet in dat van uw telefoon. COMMANDO’S TELEFOON Telefoon Overzicht Met uw telefoonsysteem kunt u een extra telefoonboek aanleggen. De opgeslagen nummers kunnen met behulp van Voice Control worden gekozen. Telefoonnummers, die met behulp van Voice Control zijn opgeslagen, worden in Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "TELEFOON" "TELEFOON" 2 "DIAL NUMBER" 3 "" 4 "NUMBER PLEASE" * " CONTINUE?" "DIAL" "DIALLING" "CORRECTION" " CONTINUE?" * Kan als short cut worden gebruikt. Naam kiezen Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt "CONFIRM YES OR NO" 3 "YES" "DIALLING" "NO" "COMMAND CANCELLED" * Kan als short cut worden gebruikt. Naam mobiele telefoon Met deze functie kunt u met een spraaklabel toegang krijgen tot de in uw mobiele telefoon opgeslagen telefoonnummers. Stappen Gebruiker zegt 1 "TELEFOON" 2 "MOBILE NAME" Systeem antwoordt "TELEFOON" "MOBILE NAME" "" * * Kan als short cut worden gebruikt. N.B.
Spraaksturing Een telefoonboek aanleggen opgeslagen met het commando "STORE NAME". Deze functie kan worden gebruikt voor het kiezen van een nummer door de naam in plaats van het complete telefoonnummer uit te spreken.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "TELEFOON" "TELEFOON" 2 "PLAY DIRECTORY" "PLAY DIRECTORY" Bestand wissen Met deze functie kunt u alle ingevoerde gegevens in één keer wissen.
Verbinding N.B.: De toegangstijd voor het lezen van de bestanden van het externe apparaat variëren afhankelijk van factoren zoals de bestandsstructuur, de grootte van het bestand en de inhoud van het apparaat. ALGEMENE INFORMATIE LET OP Ga voorzichtig te werk bij het omgaan met externe apparaten met blootliggende stekkers (zoals de USB-plug). Vervang altijd de beschermkap/beschermplaat (indien mogelijk). Er bestaat kans op elektrostatische ontlading, wat tot schade aan het apparaat kan leiden.
Verbinding Audiobestanden moeten worden gemaakt in .mp3 formaat. EXTERN APPARAAT AANSLUITEN Houd u aan het volgende: • 1000 items per map (bestanden, mappen en afspeellijsten) • 5000 mappen met USB-apparaat (inclusief afspeellijsten) • 8 submapniveau's. WAARSCHUWING Zorg dat het externe apparaat stevig in de auto is bevestigd en dat bijbehorende aansluitingen de bedieningselementen voor het rijden niet blokkeren.
Verbinding EXTERN APPARAAT AANSLUITEN - AUTO'S MET: BLUETOOTH USB-APPARAAT GEBRUIKEN Verschillende pictogrammen worden gebruikt voor het herkennen van verschillende audiobestanden, mappen enz. Bluetooth audio-apparaat aansluiten USB-apparaat is de actieve bron LET OP Omdat er verschillende standaarden bestaan, kunnen fabrikanten een groot aantal profielen in hun Bluetooth apparaten implementeren.
Verbinding Druk eenmaal op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van het apparaat te bladeren. Druk op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van het apparaat te bladeren. De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie: • Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het mapoverzicht aan.
Verbinding De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie: • Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het mapoverzicht aan. • ">" na een ingang geeft aan dat een niveau lager leesbaar is (bijvoorbeeld een map vernoemd naar een album met afzonderlijke albumnummers in de betreffende map). • "<" links van de display geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is.
Verbinding • • "<" links van de display geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is. Pictogrammen aan de linkerzijde van de nummer-/maptekst geven het type bestand/map aan. Raadpleeg de lijst voor een uitleg van deze pictogrammen. IPOD GEBRUIKEN Verschillende pictogrammen worden gebruikt voor het herkennen van verschillende audiobestanden, mappen enz. iPod is de actieve bron Gebruik voor het navigeren door de inhoud van het USB-apparaat de scroll-toetsen om door lijsten te bladeren.
Verbinding De iPod-menulijst voor het bladeren door de inhoud is beschikbaar via de radiodisplay. Bladeren door de inhoud is gebaseerd op hetzelfde principe als voor het gebruik van een stand-alone iPod (bijvoorbeeld zoeken op artiest, titel enz.). Druk eenmaal op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van de iPod te bladeren. Houd de pijltjestoetsen naar links/rechts ingedrukt om snel achteruit/vooruit door een nummer te gaan.
Verbinding De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie: • Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het lijstoverzicht aan. • ">" na een ingang geeft aan dat een niveau omlaag leesbaar is (bijvoorbeeld alle albums van een bepaalde artiest). • "<" voor de lijst geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is.
Verbinding • • "<" voor de lijst geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is. Een pictogram aan de linkerzijde geeft het type van de op dit moment weergegeven lijst aan (bijvoorbeeld een albumlijst). Raadpleeg de lijst voor een uitleg van deze pictogrammen. Gebruik voor het navigeren door de inhoud van de iPod de scroll-toetsen om door lijsten te bladeren.
Bijlagen TYPEGOEDKEURINGEN ELEKTROMAGNETISCHE COMPATIBILITEIT FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE WAARSCHUWINGEN Uw auto is getest en gecertificeerd volgens de wetgeving betreffende elektromagnetische comptabiliteit (72/245/EEC, UN ECE Regeling 10 of andere geldende lokale vereisten). U dient ervoor te zorgen dat apparatuur die u heeft gemonteerd voldoet aan de betreffende lokale wetgeving. Laat apparatuur door goed geschoolde monteurs monteren. Het apparaat voldoet aan Deel 15 van de FCC-regelgeving.
Bijlagen Frequentieband MHz Maximum uitgangsvermogen in watt (piek RMS) Antenneplaatsen 1 – 30 50 W 1. 2. 3 30 – 54 50 W 1. 2. 3 68 – 87,5 50 W 1. 2. 3 142 – 176 50 W 1. 2. 3 380 – 512 50 W 1. 2. 3 806 – 940 10 W 1. 2. 3 1200 – 1400 10 W 1. 2. 3 1710 – 1885 10 W 1. 2. 3 1885 – 2025 10 W 1. 2. 3 N.B.: Controleer na het monteren van een RF zender of deze niet de overige elektrische uitrusting in de auto stoort, zowel in de standby- als in de zendmodus.
Bijlagen Controleer of de elektromagnetische velden die door de gemonteerde zender binnen het passagierscompartiment worden opgewekt niet de grenzen overschrijdt waaraan het menselijk lichaam mag worden blootgesteld.
Index 1 Afspelen CD beëindigen...........................208 6000CD en 6006CDC...................................208 Sony CD................................................................209 12 volt accu vervangen...............................148 Airconditioning A Zie: Klimaatregeling.............................................67 Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties......................................................58 A/C Informatiecentrum..........................................
Index Auto op vier wielen slepen........................129 Brandstofafsluiter..........................................117 Alle uitvoeringen.................................................129 Wagens met automatische transmissie.......................................................129 Schakelaar terugstellen.....................................117 Toegang tot de schakelaar...............................117 Brandstof en tanken.....................................89 Autostore toets.....................
Index Commando’s telefoon...............................232 Een wiel vervangen......................................156 Een telefoonboek aanleggen........................235 Hoofdinstellingen..............................................236 Telefoon.................................................................232 Telefoonfuncties................................................232 Boordkrik................................................................157 Kriksteunpunten, achter.......................
Index Gebruik maken van de telefoon - Auto's met: Navigatiesysteem ...........................218 Gloeilampen vervangen..............................40 Achterlichten.........................................................46 Achterlichtunits....................................................44 Binnenverlichting achterin...............................48 Binnenverlichting voorin....................................47 Derde remlicht......................................................
Index Hoofdsteunen..................................................78 Interieurverlichting.........................................39 Hoofdsteun instellen...........................................78 Hoofdsteun verwijderen....................................79 Leeslampen...........................................................40 Leeslampen - uitvoeringen met interieursensoren............................................40 Leeslampen - uitvoeringen zonder interieursensoren...............................
Index Luchtroosters Nummer selecteren...................................204 Zie: Ventilatieroosters.........................................67 6000CD en 6006CDC....................................204 Sony CD................................................................205 M O Meerdere CD's uitwerpen........................209 Oliepeilstaaf - 2,2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel ............................................136 Oliepeilstaaf - 2,3 l Duratec-HE (MI4).......................................
Index Persoonlijke instellingen.............................64 Reinigen van binnenzijde auto.................145 Eenheden................................................................65 Gongsignalen bij berichten...............................65 Menu Persoonlijke instellingen.......................64 Menu Persoonlijke instellingen – Exit..........66 Overzicht van de schermen van het hoofdmenu........................................................64 Taal instellen........................................
Index Sneeuwkettingen Storingen verhelpen audio-installatie..........................................211 Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren...................................................139 Zie: Gebruik van sneeuwkettingen...............167 Snelheidsregeling (Cruise Control) Zie: Gebruik maken van snelheidsregeling..........................................108 Bijvullen..................................................................139 Snelheidsregeling (Cruise Control).......108 Stuurwiel.
Index Velgen en banden........................................156 Vloermatten.....................................................83 Voertuigidentificatieplaatje.......................177 Voertuigidentificatie.....................................177 Voorkeuzetoetsen........................................196 Voorruitsproeiers............................................33 Voorruitwissers................................................32 Algemene informatie........................................
Index W Z Waarschuwings- en indicatielampen...........................................54 Zekeringen........................................................118 Berichtenindicator................................................57 Controlelamp ABS...............................................55 Controlelamp airbag...........................................55 Controlelamp automatische snelheidsregeling............................................56 Controlelampen motor......................................
CG3527nl