FORD MONDEO Instructieboekje
De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties, ontwerp en uitrusting op ieder moment zonder aankondiging of verplichting te wijzigen. Niets uit deze uitgave mag in enigerlei vorm en door enig middel gereproduceerd, verzonden of in een oproepsysteem opgeslagen of in een andere taal vertaald worden zonder onze schriftelijke toestemming. Fouten of omissies uitgesloten.
Inhoudsopgave Inleiding Motorstartblokkering Over deze handleiding ....................................7 Overzicht van symbolen.................................7 Aanbeveling nieuwe onderdelen................8 Werking..............................................................46 Gecodeerde sleutels.....................................46 Immobilisatiesysteem inschakelen........46 Immobilisatiesysteem uitschakelen.......46 In één oogopslag In één oogopslag .............................................
Inhoudsopgave Richtingaanwijzers........................................63 Interieurverlichting.........................................63 Een koplamp verwijderen...........................65 Gloeilampen vervangen...............................67 Gloeilampentabel..........................................73 Hoofdsteunen................................................129 Achterbank.....................................................129 Verwarmde stoelen.....................................
Inhoudsopgave Gebruik van de actieve schokdemperregeling ...........................166 Eco-modus Werking.............................................................147 Eco-modus gebruiken.................................147 Parkeerhulp Werking.............................................................167 Parkeerhulp.....................................................167 Brandstof en tanken Veiligheidsmaatregelen.............................148 Brandstofkwaliteit - Benzine...................
Inhoudsopgave Bagageverankeringspunten.....................188 Schuifbare laadvloer..................................189 Opbergruimte onder vloer achterin......190 Bagageafdekkingen......................................191 Bagagenetten................................................192 Dakrekken en bagagedragers..................193 Hondenrek.......................................................193 Bevestigingspunten voor lading.............195 Overzicht motorruimte - 1,6L EcoBoost SCTi (Sigma)...........
Inhoudsopgave Aansluitpunten van de accu ..................240 Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling........................................................270 Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling.............................270 Bediening van de audio-installatie.........271 Voorkeuzetoetsen........................................272 Golfband toets..............................................273 Autostore toets.............................................
Inhoudsopgave Storingen verhelpen audioinstallatie Storingen verhelpen audio-installatie......................................288 Telefoon Algemene informatie.................................290 Setup telefoon.............................................290 Setup Bluetooth............................................291 Bedieningselementen telefoon..............292 Gebruik maken van de telefoon - Auto's zonder: Navigatiesysteem ...................
Inleiding Bovendien beschermt een extra pollenfilter de passagiers tegen allergie opwekkende deeltjes in de buitenlucht. OVER DEZE HANDLEIDING Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford. We adviseren u, enige tijd te nemen om met uw auto kennis te maken door deze handleiding te lezen. Hoe meer u van uw auto afweet, des te beter kunt u ermee omgaan en dat komt de veiligheid en het rijplezier ten goede. Neem voor meer informatie contact op met TÜV via www.tuv.com.
Inleiding • • AANBEVELING NIEUWE ONDERDELEN Achterklep Spatscherm Nu kunt u er zeker van zijn dat uw Ford onderdelen Ford onderdelen zijn. U Ford is volgens de hoogste normen gebouwd met gebruik van Originele Ford onderdelen van hoge kwaliteit. Met als resultaat dat u er vele jaren met plezier in kunt rijden. Mocht het onverwachte plaatsvinden en een belangrijk onderdeel moet worden vervangen, dan raden wij u aan met niets minder dan Originele Ford Onderdelen genoegen te nemen.
Inleiding Buitenspiegel E131724 Ruit E131723 • • • Achterruit Zijruiten Voorruit E88507 9
Inleiding Verlichting • • Achterlichten Koplamp E131725 10
In één oogopslag Overzicht instrumentenpaneel - stuur links A B C D E V U F T G S H R E87719 11 J I Q P K L O M N
In één oogopslag Overzicht instrumentenpaneel - stuur rechts N L E87720 P M J K O I U H C T D E S F G B R V Q A Lichtschakelaars. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 57). A B Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 112). C Richtingaanwijzers. Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 63). Toetsen van telefoon. Zie Bedieningselementen telefoon (bladzijde 292). Toetsen van spraakbediening. Zie Spraakgestuurd regelsysteem gebruiken (bladzijde 298).
In één oogopslag I Navigatiecomputer. Zie afzonderlijke handleiding. J Schakelaar stabiliteitsregeling (ESP). Zie Gebruik maken van stabiliteitsregeling (bladzijde 161). Start/stop-schakelaar. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 145). K Schakelaar parkeerhulp. Zie Parkeerhulp (bladzijde 167). L Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Waarschuwingsknipperlichten (bladzijde 63). M Controlelampje airbag aan passagierszijde uitgeschakeld. Zie Passagiersairbag uitschakelen (bladzijde 34).
In één oogopslag Elektrische kinderveiligheidssloten Auto ontgrendelen E78278 Trek een portierkruk uit om alle portieren en de achterklep te ontgrendelen en het alarmsysteem uit te schakelen. Auto vergrendelen E124779 Zie Kindersloten (bladzijde 28). Keyless entry (sleutelloze toegang) E87384 E78276 Voor het passief vergrendelen en ontgrendelen is een geldige passive key nodig die zich in de omgeving van een van de drie externe detectiezones bevindt. E87435 Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 42).
In één oogopslag Stuurwiel verstellen Automatisch wissen A WAARSCHUWING Verstel nooit het stuurwiel als de auto in beweging is. 2 C E70315 2 B A Hoge gevoeligheid B Aan C Lage gevoeligheid Stel de gevoeligheid van de regensensor met de draaiknop in. 1 Zie Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers (bladzijde 53).
In één oogopslag Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 57). Automatische grootlichtregeling WAARSCHUWING Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn. Een handmatige deactivering kan nodig zijn indien het systeem het grootlicht niet inof uitschakelt. E85833 Het systeem schakelt automatisch grootlicht in indien het voldoende donker is en er geen ander verkeer is.
In één oogopslag Elektrisch inklapbare buitenspiegels Informatiesysteem dode hoek (BLIS) WAARSCHUWING Gebruik het systeem niet als een vervanging voor de buiten- en binnenspiegels en het over de schouder kijken bij het veranderen van rijstrook. Het systeem is geen vervanging voor voorzichtig rijden en mag alleen worden gebruikt als hulpmiddel. Het systeem is voorzien van een geel controlelampje in de buitenspiegels. E72623 Zie Elektrisch verstelbare buitenspiegels (bladzijde 77).
In één oogopslag Handbediende klimaatregeling Sluit de middelste luchtroosters en open de luchtroosters aan de zijkant. Interieur snel afkoelen Richt de luchtroosters aan de zijkant op de zijruiten Voorruit ontdooien en ontwasemen E71381 Interieur snel verwarmen E71382 Zie Handmatige klimaatregeling (bladzijde 113). Automatische klimaatregeling E71377 Aanbevolen instellingen voor koeling E91391 Zie Automatische klimaatregeling (bladzijde 115).
In één oogopslag Klep van brandstofvulopening Motor uitschakelen bij rijdende auto WAARSCHUWING Het uitschakelen van de motor terwijl de auto nog rijdt, resulteert in het verlies van de rem- en stuurbekrachtiging. De stuurinrichting wordt niet geblokkeerd, maar er is meer stuurkracht vereist. Wanneer het contact wordt uitgeschakeld, kunnen ook sommige elektrische circuits, waarschuwings- en controlelampjes uitgeschakeld worden.
In één oogopslag Keuzehandelstanden WAARSCHUWING Druk het rempedaal in voordat u de keuzehendel verplaatst en houd het pedaal ingedrukt totdat u gereed bent om weg te rijden. E119081 Til het vulpistool licht op om het te verwijderen. Zie Tankklep (bladzijde 150). Handgeschakelde versnellingsbak S Achteruitversnelling inschakelen E80836 E99067 Bij sommige auto's moet de kraag omhoog worden gebracht tijdens inschakelen van de achteruit.
In één oogopslag Waarschuwing voor verlaten rijstrook (lane departure) WAARSCHUWING Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn. Activeer het systeem m.b.v. de schakelaars op de richtingaanwijzerhendel. A E99105 Zie Achteruitkijkcamera (bladzijde 169). Snelheidsbegrenzer M.b.v. dit systeem kunt u een snelheid instellen waarop de auto vervolgens wordt begrensd. B E131360 Zie Snelheidsbegrenzer (bladzijde 181).
Veiligheidsuitrusting voor kinderen KINDERZITJES WAARSCHUWINGEN Laat kinderen niet zonder toezicht in uw auto achter. Wanneer uw auto bij een aanrijding betrokken is geweest, dient u het kinderzitje door een hiertoe opgeleide monteur te laten controleren. N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het gebruik van kinderzitjes zijn per land verschillend. E133140 Alleen kinderzitjes die volgens ECE-R44.03 (of later) gecertificeerd zijn, zijn getest en goedgekeurd voor gebruik in uw auto.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen Kinderveiligheidszitje WAARSCHUWINGEN Laat kinderen met een lichaamsgewicht van meer dan 15 kilogram, maar met een lengte van minder dan 150 centimeter in een kinderzitje of op een zitverhoger plaatsnemen. LET OP Wanneer u een kinderzitje op de achterbank gebruikt, zorg dan dat het kinderzitje stevig tegen de stoel rust. De hoofdsteun moet wellicht worden opgetild of verwijderd. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 129).
Veiligheidsuitrusting voor kinderen Zitverhoger (Groep 3) WAARSCHUWINGEN Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.01: Extreme Hazard! Do not use a rearward facing child restraint on a seat protected by an air bag in front of it! Wanneer u een kinderzitje op de tweede zitrij met een steun gebruikt zitrij, let er dan op dat de steun stevig op de vloer steunt. Wanneer een voorwaarts gericht kinderzitje op een zitplaats op de tweede zitrij wordt geplaatst, verwijder dan de hoofdsteun van die zitplaats.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen Gewichtsgroepen Zitplaatsen 0 0+ 1 2 3 Tot 10 kg Tot 13 kg 9 - 18 kg 15 - 25 kg 22 - 36 kg Voorstoel aan passagierszijde, met airbag AAN X X UF¹ UF¹ UF¹ Voorstoel aan passagierszijde, met airbag UIT U¹ U¹ U¹ U¹ U¹ Achterbank U U U U U X Niet geschikt voor kinderen van deze gewichtsgroep. U Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen Gewichtsgroepen Zitplaatsen Middelste achterstoel Maatklasse 0+ 1 Naar achteren gericht Naar voren gericht Tot 13 kg 9 - 18 kg Niet uitgerust met ISOFIX Stoeltype IL Geschikt voor bepaalde ISOFIX kinderzitjes van de categorie semi-universeel. Raadpleeg de voertuigaanbevelingslijst van de fabrikant van de kinderzitjes.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen ISOFIX VERANKERINGSPUNTEN WAARSCHUWING Gebruik bij toepassing van het ISOFIX systeem een voorziening dat voorkomt dat de veiligheidsgordel kan draaien. Wij raden het gebruik van een veiligheidsgordel aan de bovenzijde of een steun aan. Uw auto is uitgerust met ISOFIX verankeringspunten die geschikt zijn voor het gebruik van goedgekeurde ISOFIX kinderzitjes.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen N.B.: Let er bij 4-deurs uitvoeringen op dat het mechanisme van de veiligheidsriem aan de bovenzijde bereikbaar blijft wanneer de rugleuning is vergrendeld. E87145 5. Druk het kinderzitje stevig naar achteren zodat de onderste ISOFIX verankeringspunten goed aangrijpen. 6. Bevestig de veiligheidsgordel volgens de instructies van de fabrikant van het kinderzitje. E87591 1.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen E78298 E124779 Linkerzijde Draai linksom om te vergrendelen en rechtsom om te ontgrendelen. Rechterzijde Draai rechtsom om te vergrendelen en linksom om te ontgrendelen. Elektrisch bediende kindersloten N.B.: Door op de schakelaar te drukken worden tevens de schakelaars voor de elektrisch bediende achterruit gedeactiveerd.
Bescherming van inzittenden N.B.: Reinig de panelen van de airbags met een vochtige doek. WERKING Airbags Airbags voor de bestuurder en passagier, voorin WAARSCHUWINGEN Wijzig de voorzijde van de wagen op geen enkele wijze. Dit zou nadelige gevolgen voor het ontvouwen van de airbags kunnen hebben. Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.
Bescherming van inzittenden De knieairbag voor de bestuurder treedt in werking bij zware frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbag wordt in enkele milliseconden opgeblazen en stroomt weer leeg zodra hij in contact komt met het lichaam van de inzittende, waardoor hij een kussen vormt tussen de knieën van de bestuurder en de stuurkolom.
Bescherming van inzittenden Veiligheidsgordels VEILIGHEIDSGORDELS VASTMAKEN WAARSCHUWINGEN Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer u de veiligheidsgordel op de juiste wijze draagt, kan deze u op uw plaats houden, waardoor de airbag zijn maximale bescherming kan bieden. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 126). WAARSCHUWING Steek de slottong in het gordelslot tot een zachte klik hoorbaar is.
Bescherming van inzittenden Druk op de rode knop om de veiligheidsgordel te ontgrendelen. Laat hem volledig en geheel oprollen. De lamp van het herinneringssysteem gaat branden en er klinkt een akoestisch signaal wanneer de veiligheidsgordel van de voorstoel aan bestuurders- of passagierszijde niet is omgedaan en de auto sneller rijdt dan een relatief lage snelheid.
Bescherming van inzittenden De heupgordel moet comfortabel over de heupen liggen aan de onderzijde van uw zwangere buik. Leg de schoudergordel tussen uw borsten, boven en aan de zijkant van uw zwangere buik. Wanneer de controlelamp van de airbag tijdens het rijden gaat branden of knipperen, duidt dit op een storing. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 84). Verwijder het kinderzitje en laat het systeem onmiddellijk controleren.
Sleutels en afstandsbediening 3. Houd de sleutel in stand 0 en druk binnen 10 seconden op een willekeurige toets van de afstandsbediening. Via een signaal of LED ontvangt u bevestiging dat het programmeren is voltooid. N.B.: Tijdens deze fase kunnen meerdere afstandsbedieningen worden geprogrammeerd.
Sleutels en afstandsbediening Afstandsbediening met inklapbaar sleutelblad 4. Draai de afstandsbediening om om de batterij te verwijderen. 5. Breng een nieuwe batterij (3V CR 2032) aan met de + naar boven gekeerd. 6. Vervang het batterijkapje. Afstandsbediening zonder inklapbaar sleutelblad 1 2 2 E128809 1. Plaats een schroevendraaier op de afgebeelde positie en druk de klem voorzichtig in. 2. Druk de klem naar beneden om het batterijkapje te ontgrendelen. 1 1 E87964 1.
Sleutels en afstandsbediening 4 E119190 4. Steek de schroevendraaier voorzichtig in de afgebeelde positie om de afstandsbediening te openen. 5 E125860 LET OP Raak de batterijcontacten of de printplaat niet met de schroevendraaier aan. 5. Maak de batterij voorzichtig met de schroevendraaier los. 6. Breng een nieuwe batterij (3V CR 2032) aan met de + naar beneden gekeerd. 7. Zet de twee huishelften van de afstandsbediening op elkaar vast. 8. Breng het sleutelblad aan.
Sloten VERGRENDELEN EN ONTGRENDELEN LET OP Controleer of uw auto vergrendeld is voordat u deze onbeheerd achterlaat. Centrale vergrendeling U kunt de portieren alleen centraal vergrendelen wanneer alle portieren zijn gesloten. N.B.: Het bestuurdersportier kan met de sleutel worden ontgrendeld. Deze moet worden gebruikt wanneer de afstandsbediening of de keyless entry niet werkt.
Sloten Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen Portieren en achterklep vergrendelen en ontgrendelen met de afstandsbediening B B A A A B C E87379 A Ontgrendelen B Vergrendelen C Achterklep ontgrendelen (tweemaal drukken) Portieren en achterklep vergrendelen met de afstandsbediening Druk toets B eenmaal in. Portieren en achterklep dubbel vergrendelen met de afstandsbediening E71962 A Ontgrendelen B Vergrendelen Druk toets B tweemaal binnen drie seconden in.
Sloten De portieren van binnenuit vergrendelen en ontgrendelen Achterklep Achterklep openen met de afstandsbediening Bestuurdersportier Druk toets C op de afstandsbediening tweemaal binnen drie seconden in.
Sloten Integraal openen Stationwagon E89133 Aan de binnenzijde van de achterklep bevindt zich een greep die het sluiten vereenvoudigt. E71955 Automatisch opnieuw vergrendelen Druk, om alle ruiten te openen, op de ontgrendel toets en houd deze minstens drie seconden ingedrukt. Druk nogmaals op de vergrendel of de ontgrendel toets om het openen te onderbreken.
Sloten N.B.: Het integraal sluiten kan worden geactiveerd met behulp van de toets op de kruk op het bestuurdersportier. Integraal openen en sluiten kan ook worden geactiveerd met de toetsen op de passive key. Druk om alle ruiten te sluiten op de vergrendeltoets en houd deze minstens twee seconden ingedrukt. Tijdens het integraal sluiten is de antiklemfunctie geactiveerd.
Sloten E78276 Voor het passief vergrendelen en ontgrendelen is een geldige passive key nodig die zich in de omgeving van een van de drie externe detectiezones bevindt. Deze zones bevinden zich op ongeveer anderhalve meter afstand van de portierkrukken aan bestuurders- en passagierszijde en de achterklep. E87384 Passive key De auto kan met de passive key worden ontgrendeld en vergrendeld. De passieve key kan tevens als afstandsbediening worden gebruikt. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 38).
Sloten kofferdeksel/ achterklep Alleen bestuurdersportier ontgrendelen N.B.: Als de passive key zich in de bagageruimte bevindt, kan de kofferdeksel/ achterklep niet worden gesloten en komt deze weer omhoog. Indien de ontgrendelfunctie opnieuw is geprogrammeerd zodat alleen het bestuurdersportier wordt ontgrendeld ( Zie Sleutels en afstandsbediening (bladzijde 35). ), let dan op het volgende: N.B.
Sloten Portieren met de sleutelbaard vergrendelen en ontgrendelen 2 1 E87964 1 1. Verwijder voorzichtig de kapje. 2. Verwijder de sleutelbaard en steek hem in het slot.
Motorstartblokkering Wanneer u de motor met een correct gecodeerde sleutel niet kunt starten, duidt dit op een storing. Het bericht Immobiliser active verschijnt bij het aanzetten van het contact op het informatiedisplay. Laat het immobilisatiesysteem onmiddellijk controleren. WERKING Het immobilisatiesysteem is een diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt dat iemand de motor van uw auto met een onjuist gecodeerde sleutel kan starten. GECODEERDE SLEUTELS N.B.
Alarm Auto's met dakconsole WERKING Alarmsysteem Uw auto kan zijn uitgerust met één van de volgende alarmsystemen: • • • • Perimeter alarminstallatie. Perimeter alarminstallatie met interieursensoren. Categorie 1 alarm met interieursensoren en sirene met afzonderlijke accu. Categorie 1 alarm met interieursensors, sirene met afzonderlijke accu en kantelsensors. E131656 WAARSCHUWING De sensors mogen niet afgedekt zijn.
Alarm N.B.: Wanneer de auto met ingeschakeld alarm op een veerboot wordt geplaatst, moeten de hellingssensors worden uitgeschakeld door een gereduceerde beveiligingsklasse te selecteren. Hierdoor wordt voorkomen dat het alarmsignaal door de bewegingen in werking treedt. Bij volledige beveiliging worden de interieursensors en de kantelsensors geactiveerd bij het inschakelen van het alarm. N.B.
Alarm Volledige of gereduceerde beveiliging selecteren 3. Selecteer Alarm en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Selecteer Gereduceerd of Voll. alarm. Wanneer u wenst dat dit telkens wordt gevraagd bij het uitschakelen van het contact, selecteer dan Vragen. 5. Druk op de OK toets om de keuze te bevestigen. 6. Druk op de linker pijltoets om het menu te verlaten. Houd de linker pijltjestoets ingedrukt om direct terug te keren naar het scherm van de boordcomputer. N.B.
Alarm Uitvoeringen met keyless entry systeem N.B.: Voor keyless entry moet zich binnen het detectiegebied van dat portier een geldige passive key bevinden. Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 42). Perimeter alarminstallatie Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de portieren te ontgrendelen en zet het contact aan, of ontgrendel de portieren of de achterklep met de afstandsbediening.
Stuurwiel STUURWIEL AFSTELLEN AUDIOBEDIENING WAARSCHUWING A E Verstel nooit het stuurwiel als de auto in beweging is. N.B.: Controleer of u in de juiste positie zit. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 126). B D C 2 E72288 2 1 A Volume hoger B Voorwaarts zoeken C Volume lager D Achterwaarts zoeken E Modus Modus Druk de modus toets in en houd deze ingedrukt om de audiobron te kiezen.
Stuurwiel Zoekfunctie Druk op de seek toets om: • af te stemmen op het volgende radiostation op een hogere of lagere frequentie • het volgende of vorige nummer op de CD af te spelen • de cassetteband snel voor- of achterwaarts te laten spoelen.
Ruitenwissers en ruitensproeiers VOORRUITWISSERS AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE RUITENWISSERS D C LET OP Schakel de automatische wisfunctie niet bij droog weer in. De regensensor is bijzonder gevoelig en de ruitenwissers kunnen in werking treden indien de voorruit met vuil, mist of vliegen in aanraking komt. B Vervang de ruitenwisserbladen zodra deze strepen water en vuil op de voorruit achterlaten.
Ruitenwissers en ruitensproeiers Wanneer u de automatische wisfunctie inschakelt, maken de ruitenwissers pas een wisbeweging nadat water op de voorruit is geregistreerd. De regensensor meet daarna continu de hoeveelheid water op de voorruit en zal de snelheid van de ruitenwissers automatisch instellen. ACHTERRUITWISSERS EN SPROEIERS Wissen met intervallen Stel de gevoeligheid van de regensensor met de draaiknop in.
Ruitenwissers en ruitensproeiers KOPLAMPSPROEIERS LET OP U kunt de onderhoudsstand in de winter gebruiken om de ruitenwisserbladen eenvoudiger te kunnen bereiken om deze vrij te maken van sneeuw en ijs. Zorg dat de buitenzijde van de voorruit vrij is van sneeuw en ijs voordat de ruitenwissers worden gebruikt. Bij ingeschakelde koplampen werken de koplampsproeiers in combinatie met de voorruitsproeiers. N.B.
Ruitenwissers en ruitensproeiers N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt te zitten. 2 5. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan. Achterruitwisserblad vervangen 5-deurs uitvoering 1 E72899 1. 1. Druk de lip in. 2. Verwijder het ruitenwisserblad. N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt te zitten. Til de ruitenwisserarm op. 3 3. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Verlichting Een zijde VERLICHTINGSBEDIENING A Standen van de lichtschakelaar A B C B E75505 A Rechterzijde B Linkerzijde Grootlicht en dimlicht E70718 A Uit B Stads- en achterlichten C Koplampen E70725 Parkeerlichten Trek de hendel geheel naar het stuurwiel toe om te wisselen tussen grootlicht en dimlicht. LET OP Door langdurig gebruik van de parkeerlichten wordt de accu ontladen. Lichtsignaal Trek de schakelaarhendel naar het stuurwiel toe. Zet het contact af.
Verlichting Wanneer alle deuren zijn gesloten en een deur wordt binnen de 30 seconden vertragingstijd weer geopend, start de tijdschakeling van drie minuten opnieuw. AUTOMATISCHE GROOTLICHTREGELING WAARSCHUWINGEN Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn. Een handmatige deactivering kan nodig zijn indien het systeem het grootlicht niet inof uitschakelt.
Verlichting N.B.: Houd de voorruit vrij van belemmeringen zoals uitwerpselen van vogels, insecten en sneeuw of ijs. Het systeem schakelt automatisch grootlicht in indien het voldoende donker is en er geen ander verkeer is. Indien het system de koplampen of achterlichten van een naderend voertuig waarneemt, of de straatverlichting vóór de auto, schakelt het systeem het grootlicht uit voordat het andere weggebruikers kan verblinden. Dimlicht blijft ingeschakeld.
Verlichting Om het systeem permanent te deactiveren, gebruikt u het informatiedisplaymenu of schakelt u de lichtschakelaar van automatisch inschakelende koplampen naar koplampen. WAARSCHUWINGEN Schakel de mistachterlichten niet in bij regen of sneeuwval en wanneer het zicht meer dan 50 meter bedraagt. KOPLAMPEN AFSTELLEN AUTO'S MET: ADAPTIEVE VERLICHTING, VOOR/XENON KOPLAMPEN VOORSTE MISTLAMPEN Ga naar uw dealer voor het instellen van de koplampen voor rechts- of linksrijdend verkeer.
Verlichting Aanbevolen regelknopstanden Belading Lading in bagagecompartiment Stand draaiknop - - 0 1-2 - - 0 (0.5 ) 1-2 3 - 1 (0.5 ) 1-2 3 Max 1 3 (0.5 ) 1 - Max 1 4 (1.5 ) Voorstoelen Stoelen, tweede zitrij 1-2 1 Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 257). 2 Uitvoeringen met actieve schokdemperregeling.
Verlichting A zonder AFS B met AFS Bij storingen in het systeem verschijnt een bericht op het informatiedisplay. Zie Infoberichten (bladzijde 101). De koplampen worden in een vaste centrale stand of die van het dimlicht gesteld. Laat het systeem zo snel mogelijk controleren. Het AFS stelt het dimlicht afhankelijk van de richting en de snelheid van de wagen af. Het verbetert het zicht tijdens het rijden in het donker en helpt verblinding van tegenliggers voorkomen.
Verlichting WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN INTERIEURVERLICHTING Instapverlichting E71943 A B C Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 11). RICHTINGAANWIJZERS E71945 A Uit B Portiercontact C Aan Wanneer u de schakelaar in stand B zet, gaat de interieurverlichting branden wanneer u een portier of de achterklep ontgrendelt of opent. Wanneer u bij uitgeschakeld contact een portier open laat, gaat de instapverlichting na enige tijd automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt.
Verlichting Leeslampen Zijdelings gemonteerde lamp A E71946 Wanneer u het contact afzet, gaan de leeslampen korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen. E139419 LED-interieurverlichting N.B.: Lampen kunnen afzonderlijk van elkaar worden ingeschakeld, maar niet afzonderlijk worden uitgeschakeld als de bestuurder alle lampen heeft ingeschakeld.
Verlichting Verlichting make-up spiegels Centraal gemonteerde lamp B A A B E72900 E139420 D C A Aan/uit-schakelaar leeslamp rechterzijde B Aan/uit-schakelaar leeslamp linkerzijde C Portierfunctieschakelaar D Aan/uit-schakelaar alle lampen A Uit B Aan Wanneer u het contact afzet, gaat de verlichting van de make-up spiegels korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen.
Verlichting 5 4 E85995 E85996 2. Verwijder de schroeven. 4. Trek voorzichtig de hoek van de grille en de bumper naar de voorzijde van de wagen. 5. Trek voorzichtig de hoek van de koplamp omhoog en druk deze zover mogelijk naar de achterzijde van de wagen. 7 E88843 3. Verwijder de kunststof schroef en de houder. 6 E88982 6. Trek voorzichtig de koplamp achter de grille en de bumper, naar het midden van de wagen om hem los te maken van het buitenste bevestigingspunt aan de onderzijde. 7.
Verlichting Koplampen LET OP Zorg bij het aanbrengen van de koplamp ervoor dat de bevestigingspunten niet worden beschadigd. N.B.: Verwijder de kappen om de gloeilampen te kunnen bereiken. Richtingaanwijzer 1. N.B.: Zorg er bij het aanbrengen van de koplamp voor dat deze volledig in het onderste bevestigingspunt aan de buitenzijde aangrijpt. N.B.: Zet bij het aanbrengen van de koplamp eerst de schroef aan de voorzijde vast en daarna de schroef aan de achterzijde. Verwijder de koplamp.
Verlichting 3 2 2 3 E72261 E72262 2. Trek de stekker los. 3. Maak de klemveer los en verwijder de gloeilamp. 2. Trek de stekker los. 3. Maak de klemveer los en verwijder de gloeilamp. Koplamp, dimlicht Dagrijlichten 1. N.B.: Deze items kunnen niet worden gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer wanneer deze defect raken. Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 65). 3 2 E72260 2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 3. Verwijder de gloeilamp.
Verlichting Zijknipperlicht 1 E72264 1. E72263 1. Verwijder voorzichtig het huis van het zijknipperlicht. Steek een schroevendraaier in de spleet tussen het spiegelhuis en het spiegelglas maak de metalen klem los. 3 2 E72291 2. Verwijder de lamphouder. 3. Verwijder de gloeilamp. E72265 2. Verwijder de lamp. 3. Verwijder de gloeilamp. Instapverlichting N.B.: Draai het spiegelglas zover mogelijk naar binnen.
Verlichting Mistlampen, vóór Achterlichtunits Richtingaanwijzer 4 1 2 E86003 3 1. Verwijder het bekledingspaneel. 1 E72267 N.B.: De gloeilamp van de mistlamp kan niet uit de lamphouder worden verwijderd. N.B.: Verwijder niet de schroeven. 1. 2. 3. 4. Draai de schroeven los. Verwijder de lamp. Trek de stekker los. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. E131687 2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom.
Verlichting Kentekenplaatverlichting Achteruitrijlamp en mistlamp 2 3 1 E72789 1. Maak voorzichtig de klemveer los. 2. Verwijder de lamp. 3. Verwijder de gloeilamp. E86006 1. 1 Verwijder het bekledingspaneel. Interieurverlichting Auto's met LED-lampen N.B.: Deze items kunnen niet worden gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer wanneer deze defect raken. E131688 2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom.
Verlichting Leeslampen Uitvoeringen zonder interieursensoren Uitvoeringen zonder interieursensoren 3 3 3 2 2 E72788 1. Werk voorzichtig de lamp los. 2. Verwijder het glas. 3. Verwijder de gloeilamp. E72796 1. Werk voorzichtig de lamp los. 2. Verwijder het glas. 3. Verwijder de gloeilamp. Uitvoeringen met interieursensoren Uitvoeringen met interieursensoren 3 1 2 2 2 E72787 E72786 1. Werk voorzichtig de lamp los. 2. Verwijder het glas. 3. Verwijder de gloeilamp. 1.
Verlichting 1. Werk voorzichtig de lamp los. 2. Verwijder de gloeilamp. Verlichting bagagecompartiment 3 E73939 3. Verwijder de gloeilamp. Verlichting make-up spiegel E72784 1. Werk voorzichtig de lamp los. 2. Verwijder de gloeilamp.
Verlichting Lamp Specificatie Vermogen (watt) PY21W 21 Mistachterlicht H21W 21 Achteruitrijlamp P21W 21 Richtingaanwijzer, achter Kentekenplaatverlichting W5W 5 Buislamp 10 Leeslamp BA9s 5 Verlichting make-up spiegel W5W 5 Verlichting bagageruimte W6W 6 Interieurverlichting 74
Ruiten en spiegels Schakelaar op het bestuurdersportier ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN WAARSCHUWING Schakel de elektrisch bedienbare ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van obstructies. N.B.: Wanneer de ruiten gedurende korte tijd vaak worden bediend kan het systeem een bepaalde tijd buiten werking treden om schade door oververhitting te voorkomen. E121510 Met behulp van de schakelaars op het bestuurdersportier kunt u alle ruiten bedienen. N.B.
Ruiten en spiegels Veiligheidsschakelaar voor de achterste ruiten Antiklemfunctie uitschakelen LET OP WAARSCHUWING Wanneer u de ruit voor de derde keer sluit, wordt de antiklemfunctie uitgeschakeld. Controleer of er geen obstakels in de weg zitten. Bij sommige auto's worden door drukken op de schakelaar tevens de achterportieren van binnenuit vergrendeld. Zie Kindersloten (bladzijde 28).
Ruiten en spiegels 3. Open de ruit en probeer hem automatisch te sluiten. 4. Herhaal de procedure wanneer de ruit niet automatisch sluit. ELEKTRISCH VERSTELBARE BUITENSPIEGELS Veiligheidsmodus WAARSCHUWING De antiklemfunctie werkt tijdens deze procedure niet. A Wanneer het systeem een storing vaststelt, treedt de veiligheidsmodus in werking. De ruiten bewegen per keer slechts 0,5 seconde en stoppen opnieuw. Sluit de ruiten door de schakelaar opnieuw in te drukken wanneer deze stopt.
Ruiten en spiegels De spiegels klappen automatisch uit wanneer u de auto vergrendelt met behulp van de sleutel, de afstandsbediening of een verzoek van de sleutelloze toegang. De spiegels klappen uit wanneer u de auto ontgrendelt met behulp van de sleutel, de afstandsbediening, een verzoek van de sleutelloze toegang, de binnenhandgreep van het bestuurdersportier of door de motor te starten. N.B.
Ruiten en spiegels Het systeem is een comfortfunctie die de bestuurder helpt bij het registreren van auto's die de blinde hoek zijn binnengereden (A). Het registratiegebied bevindt zich aan beide zijden van de auto en loopt vanaf de buitenspiegels tot ongeveer 3 meter achter de bumper. Het systeem geeft tijdens het rijden een waarschuwing af wanneer bepaalde auto's de blinde hoek binnenrijden.
Ruiten en spiegels Het systeem is alleen actief vanaf rijsnelheden van 10 km/u. Het systeem wordt tijdelijke gedeactiveerd wanneer de achteruitrijversnelling wordt gekozen. Situaties waarin het naderingsalarm niet werkt Het kan voorkomen dat auto's die de blinde hoek binnenrijden en uitrijden niet worden geregistreerd. Systeemregistratie en waarschuwingen Gevallen waar dit kan voorkomen: • Vuilophoping op de achterbumperpanelen in het gebied van de sensoren.
Ruiten en spiegels Er worden geen meldingen ontvangen nadat het systeem is uitgeschakeld. De BLIS-controlelamp gaat branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 84). Valse waarschuwing trekhaak LET OP Auto's met een trekhaakmodule die niet door ons is goedgekeurd kunnen wellicht niet correct worden geregistreerd. Schakel het systeem uit om valse waarschuwingen te voorkomen. Zie Infodisplays (bladzijde 88). Registratiefouten N.B.: De waarschuwingsindicator in de spiegel brandt niet.
Instrumentenpaneel METERS Type 1 en 2 A B C E72984 A Toerenteller B Koelvloeistoftemperatuurmeter C Brandstofmeter D Snelheidsmeter 82 D
Instrumentenpaneel Type 3 A B D E C E130765 A Toerenteller B Snelheidsmeter C Koelvloeistoftemperatuurmeter D Brandstofmeter E Informatiecentrum. Zie Infodisplays (bladzijde 88). LET OP Koelvloeistoftemperatuurmeter Start de motor niet voordat de oorzaak voor de oververhitting is verholpen. N.B.: Bij type 3 wordt deze meter weergegeven binnen het berichtencentrum; echter alleen wanneer dit nodig is. Zie Infodisplays (bladzijde 88).
Instrumentenpaneel Brandstofmeter Waarschuwingslampje airbag N.B.: Bij type 3 wordt deze meter weergegeven in het berichtencentrum. Als dit lampje brandt onder het rijden, dan duidt dit op een storing. Laat het systeem door een goed opgeleide monteur controleren. De pijl naast het symbool van de pomp duidt aan aan welke zijde zich de klep van de brandstofvulopening bevindt.
Instrumentenpaneel Controlelamp 'Vorst' Wanneer de lamp na het starten blijft branden of oplicht tijdens het rijden, dan duidt dit op een storing. Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en schakel de motor uit. Controleer het koelvloeistofpeil. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 231). WAARSCHUWING Zelfs wanneer de temperatuur tot boven +4 ºC stijgt, is dit nog geen garantie dat de weg vrij is van gevaren die door plotselinge weersveranderingen kunnen ontstaan.
Instrumentenpaneel Waarschuwingslampje laag brandstofniveau Herinneringssysteem veiligheidsgordel Wanneer deze lamp brandt, ga dan zo spoedig mogelijk tanken. Zie Waarschuwingssignaal veiligheidsgordel (bladzijde 33). Controlelamp grootlicht Controlelampje schakelen Brandt wanneer u het grootlicht inschakelt. Het knippert wanneer u een lichtsignaal geeft. Het controlelampje brandt om aan te geven dat schakelen naar een hogere versnelling zuiniger is en voor een lagere CO2-uitstoot zorgt.
Instrumentenpaneel AKOESTISCHE WAARSCHUWINGSSIGNALEN EN -INDICATIES De gongsignalen in- en uitschakelen Bepaalde gongsignalen kunt u uitschakelen. Type gong instellen: E70499 1. 2. 3. 4. 5. Druk op de rechter pijltoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. Selecteer Setup met de op en neer pijltoetsen en druk op de rechter pijltoets. Selecteer Chimes en druk op de rechter pijltoets. Selecteer de gong en druk op de OK toets om de gong in en uit te schakelen.
Infodisplays Druk op de op en neer pijltjestoetsen: ALGEMENE INFORMATIE • WAARSCHUWING • Bedien de toetsen van het informatiedisplay niet tijdens het rijden. om door de displays van de boordcomputer te scrollen om door de opties van een menu te scrollen en deze te selecteren. Druk op de rechter pijltjestoets: • N.B.: Het informatiedisplay blijft nadat u het contact hebt afgezet gedurende enkele minuten aan.
Infodisplays Functie Type 1 Type 2 Type 3 Standkachel instellen - X X Bediening navigatiesysteem - - X Bediening CD-speler - - X Bediening CD-wisselaar - - X Bediening radio - - X Bediening telefoon - - X Bediening auxiliary aansluiting - - X Druk op de op en neer pijltjestoetsen op het stuurwiel om door de displays van de boordcomputer te scrollen. Zie Tripcomputer (bladzijde 97).
Infodisplays Menustructuur BLIS ECO MODE Schakelen Anticiperen Snelheid voor nadere info Reset afst. Gereden afst Gem.verbruik Gem.snelheid Alle waarden Informatie Klok E131626 Berichten Auto StartStop Stel klok in 24/h-modus 12/h-modus Druk op de op en neer pijltjestoetsen op het stuurwiel om door de displays van de boordcomputer te scrollen. Zie Tripcomputer (bladzijde 97). Type 2 09:00 Gem.
Infodisplays Menustructuur ESP BLIS ECO MODE Schakelen Anticiperen Snelheid voor nadere info Dagteller Gem.Verbruik Gem.Snelheid Alle Meldingen Auto StartStop Band.spann. Stel klok in 24/h-modus 12/h-modus Scherm Configureren Reset afst. Informatie Tijd Instellingen Talen Maateenheid A B E131627 91 Help-scherm Radioinfo Telefooninfo NAV-info Altijd uit Bij aanw.
Infodisplays A B Geluiden WeinigBrndst Alg. Info. Alg. waarsch. Uitstaplicht Forw Alert Laag Normaal Hoog Uit Hellingstart Uit Automatisch Handmatig Band.spann. Alarm Controleer Onbeladen Beladen Voll. alarm Gereduceerd Vragen Hulpverwarm.
Infodisplays Type 3 CD-speler CD-wisselaar Radio Telefoon E88048 Boordcomputer Scroll met de toetsen door de menudisplays. Instellingen Lijst met componenten De geselecteerde icoon geeft het menu weer dat in gebruik is.
Infodisplays Menustructuur Navigatie Naar huis Favor.Gebruik. Favor. A-Z Laatste best. Beg.beëind. Bestemmingen Bestemmingen Bestemmingen CD Map / Tracks CD-wisselaar CD 1 CD 2 CD 3 CD 4 CD 5 CD 6 Map / Tracks Map / Tracks Map / Tracks Map / Tracks Map / Tracks Map / Tracks de radio Lijst zenders FM 1 / FM FM 2 FM 3 FM - AST MW / AM LW / AM-AST Zenders Zenders Zenders Zenders Zenders Zenders Zenders Telefoon Nummers Telefoonboek Nummerherhaling Ontvang. oproep. Nummers Nummers Gebelde numm.
Infodisplays A Instellingen ESP BLIS ECOMODE Schakelen Anticiperen Snelheid Nadere info Meldingen Driver alert Auto StartStop Band.spann. Koelvloeistoftemp. Informatie Stel klok in 24-uurs 12-uursmodus Driver alert Kleurthema's Scherm Configureren Help-scherm NAV-info Altijd uit Bij aanw.
Infodisplays C Geluiden WeinigBrndst Alg. Info. Alg. waarsch. Uitstaplicht Forw Alert Laag Normaal Hoog Automatisch LDWA Gevoeligheid Normaal Hoog Intensiteit Hoog Normaal Laag Auto gr. licht Aan Gevoeligheid Hellingstart Automatisch Automatisch Handmatig Band.spann. Controleer Onbeladen Beladen Alarminstallatie Voll. alarm Gereduceerd Vragen Hulpverwarm.
Infodisplays A B Parkeerverw. Tijd 1 Instellen Maandag Dinsdag Woensdag Donderdag Vrijdag Zaterdag Zondag Tijd 2 Instellen Maandag Dinsdag Woensdag Donderdag Vrijdag Zaterdag Zondag Eenmalig Nu actief E88067 Aux-ingang Gemiddeld brandstofverbruik TRIPCOMPUTER Kilometerteller Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld. De kilometerteller geeft het totale aantal gereden kilometers weer.
Infodisplays Type 1 en 2 Boordcomputer terugstellen met behulp van het hoofdmenu Een bepaald display terugstellen: 10:20 Gem.Verbruik l 6,3 100km 1. 2. A 3. 123456 km B 234,2 km C 4. 5. E74428 Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. Selecteer Reset teller met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. Selecteer de functie die moet worden teruggesteld. Druk op de rechter pijltjestoets om de functie te selecteren.
Infodisplays 1. Selecteer Boordcomputer met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 2. Selecteer de functie die moet worden teruggesteld. 3. Houd de OK toets ingedrukt. 6. Druk op de linker pijltjestoets om het menu te verlaten. Houd de linker pijltjestoets ingedrukt om naar het scherm van de boordcomputer terug te keren. Type 3 1. PERSOONLIJKE INSTELLINGEN 2. De volgende informatie wordt op het informatiedisplay getoond wanneer u dit hebt geselecteerd: 3.
Infodisplays Type 1 en 2 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. Engels, Duits, Italiaans, Frans, Spaans, Turks, Russisch, Nederlands, Pools, Zweeds en Portugees. Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. Selecteer Display en druk op de rechter pijltjestoets. Selecteer Configure en druk op de rechter pijltjestoets. Selecteer Nav Info en druk op de rechter pijltjestoets.
Infodisplays Metrische of Engelse eenheden kiezen: INFOBERICHTEN Type 1 en 2 1. 2. 3. 4. 5. 6. Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. Selecteer Display en druk op de rechter pijltjestoets. Selecteer Measure Unit en druk op de rechter pijltjestoets. Selecteer de gewenste instelling en druk op de OK toets om de instelling te bevestigen.
Infodisplays Actuele berichten bekijken Type 3 Type 1 en 2 1. 1. Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Informatie met de op- en neer-pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Berichten en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Bekijk de actuele berichten m.b.v. de op- en neer-pijltjestoetsen. 2. 3. 4. 5. Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan.
Infodisplays Alarmsignaal Bericht Controlelampje Te verrichten handeling Alarm in werking gezet oranje Zie Alarm (bladzijde 47). Alarmsysteem: Onderh. nodig - Laat het systeem door een goed opgeleide monteur controleren. Automatische grootlichtregeling, waarschuwingssysteem verlaten rijstrook en waarschuwingssysteem bestuurder Bericht Controlelampje Te verrichten handeling Chauffeur moe Rusten nu! rood Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en pauzeer. Frontcamera Ruit schoonm.
Infodisplays Dodehoekmonitor Bericht Controlelampje BLIS sensor geblokk. Te verrichten handeling oranje Zie Monitor dode hoek (bladzijde 79). BLIS: storing rechter sensor oranje Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide monteur controleren. BLIS: storing linker sensor oranje Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide monteur controleren. BLIS-storing oranje Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide monteur controleren.
Infodisplays Bericht Controlelampje Te verrichten handeling Cruise control actief - Zie Snelheidsregeling (Cruise Control) (bladzijde 172). Cruise control standby - Zie Snelheidsregeling (Cruise Control) (bladzijde 172). ACC niet beschikbaar - Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC) (bladzijde 174). Bericht Controlelampje Te verrichten handeling Portier open bestuurder rood Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig kan en sluit het portier.
Infodisplays Hellingstart Bericht Controlelampje Te verrichten handeling Hellingstart niet beschikb. oranje Laat het systeem door een goed opgeleide monteur controleren. Haal parkrem aan! oranje Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde 163). Hellingstart actief - Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde 163). Hellingstart uit - Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde 163).
Infodisplays Bericht Controlelampje Te verrichten handeling Lamp defect: remlicht - Een of beide gloeilampen van de remlichten is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de remlichten. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 67). Lamp defect: rem aanhang. - Een of beide gloeilampen van de remlichten van uw aanhanger is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de remlichten van uw aanhanger.
Infodisplays Handrem Bericht Controlelampje Te verrichten handeling Parkrem aangehaald rood Zie Parkeerrem (bladzijde 160). Parkrem aangehaald oranje Zie Parkeerrem (bladzijde 160). Bericht Controlelampje Te verrichten handeling Storing servobesturing oranje De auto blijft bestuurbaar, maar hiervoor is meer kracht vereist. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide monteur controleren.
Infodisplays Start/stop Bericht Berichtsymbolen Te verrichten handeling Auto StartStop Contact Uit rood Schakel het contact uit voordat u uit het voertuig stapt als het systeem de motor uitgeschakeld heeft. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 145). Auto StartStop Kopp. indrukk. - De motor moet weer worden gestart; trap het koppelingspedaal in om te starten. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 145).
Infodisplays Bandenspanningscontrolesysteem Bericht Controlelampje Te verrichten handeling Controleer bandenspanning! rood De spanning van aangegeven band is afgenomen. Controleer de band en breng de spanning op de aanbevolen waarde. Zie Technische specificatie (bladzijde 253). Controleer bandenspanning rood De spanning van een of meer banden is aanzienlijk te laag. Dit bericht kan verschijnen nadat een nieuwe sensor is gemonteerd. Controleer de banden en breng de spanning op de aanbevolen waarde.
Infodisplays Bericht Controlelampje Te verrichten handeling Pomp banden op v. hoge snelh. oranje De bandenspanning is niet geschikt voor het rijden met snelheden van 160 km/h (100 mph). Breng de spanning van alle banden op de voorgeschreven waarde. Zie Technische specificatie (bladzijde 253). Dit bericht wordt samen met de waarschuwing voor een te lage bandenspanning slechts enkele seconden weergegeven.
Klimaatregeling Het interieur verwarmen WERKING Laat de lucht naar de beenruimten stromen. Laat, bij koud of vochtig weer, een geringe hoeveelheid lucht naar de voorruit en de portierruiten stromen. Buitenlucht Houd de luchtinlaten voor de voorruit vrij van belemmeringen (sneeuw, bladeren, enz.) zodat het klimaatregelsysteem effectief kan werken. Het interieur afkoelen Laat de lucht naar het hoofdniveau stromen.
Klimaatregeling Ventilator HANDMATIGE KLIMAATREGELING Toetsen voor luchtverdeling A A F B E C E75470 A A Voorruit B Beenruimte en voorruit C Beenruimte D Hoofdniveau en beenruimte A Hoofdniveau F Hoofdniveau en voorruit Off (uit) N.B.: Wanneer u de aanjager uitschakelt kan de voorruit beslaan. D E71379 Gerecirculeerde lucht E73059 Druk op de toets om te kiezen tussen toevoer van buitenlucht en het recirculeren van de in het interieur aanwezige lucht.
Klimaatregeling Ventilatie Interieur snel afkoelen E71381 E71378 Voorruit ontdooien en ontwasemen Stel de regelknoppen van de luchtstroom, de aanjager en luchtroosters naar wens in. N.B.: Schakel de airconditioning in voor hulp bij voorruit- en zijruitontdooiing. Airconditioning N.B.: Zet de verwarmingsregeling op maximale verwarming voor hulp bij voorruiten zijruitontdooiing. Airconditioning in- en uitschakelen Wanneer u de aanjager uitschakelt, wordt ook de airconditioning uitgeschakeld.
Klimaatregeling Luchtvochtigheid in het interieur verlagen E71383 AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING E91390 N.B.: Vermijd het wijzigen van de instellingen wanneer het in de auto extreem warm of koud is. De automatische klimaatregeling past zich automatisch aan de actuele omstandigheden aan. Voor een correcte werking van het systeem moeten de midden- en zijroosters volledig zijn geopend.
Klimaatregeling Mono modus uitschakelen N.B.: Voor informatie over de automatische klimaatregeling in auto's met een gecombineerd navigatie- en klimaatregelingssysteem, verwijzen wij naar de aparte handleiding. Selecteer met de draaiknop aan passagierszijde een temperatuur voor de passagierszijde. De mono modus wordt uitgeschakeld en MONO verdwijnt van het display. De temperatuur voor de bestuurderszijde blijft ongewijzigd.
Klimaatregeling Luchtverdeling Druk om terug te keren naar de auto modus op de AUTO toets. Druk op de gewenste toets om de luchtverdeling in te stellen. Iedere combinatie van instellingen kan tegelijkertijd worden geselecteerd. Airconditioning in- en uitschakelen Druk op de A/C toets om de airconditioning in of uit te schakelen. A/C OFF verschijnt op het display wanneer de airconditioning is uitgeschakeld. E91393 A B A/C ON verschijnt op het display wanneer de airconditioning wordt ingeschakeld.
Klimaatregeling Voorruitverwarming • • E72506 • Achterruitverwarming Het interieur wordt voorverwarmd. De ruiten blijven bij vorst vrij van ijs en condensatie wordt voorkomen. De koude start wordt vermeden waardoor de motor eerder op bedrijfstemperatuur is. N.B.: De standverwarming werkt alleen wanneer er zich minimaal 7,5 liter brandstof in de tank bevindt en de buitentemperatuur lager is dan 15 °C. De standverwarming werkt niet wanneer de accu slecht geladen is.
Klimaatregeling N.B.: U moet de tijden minimaal 70 minuten ten opzichte van de tijd die u wilt instellen vooruit programmeren. • N.B.: U moet de tijd en de datum correct invoeren. Zie Klok (bladzijde 132). Verwarmingstijden programmeren: • • Met de functies Program 1 en Program 2 kunt u twee verwarmingscycli per dag programmeren. Deze tijden blijven in het geheugen opgeslagen en de verwarming schakelt elke dag van de week op deze tijden in.
Klimaatregeling 5. Selecteer, om de tijd in te stellen waarop de auto moet zijn verwarmd, de tijd aan de bovenzijde van het display en druk op de rechter pijltjestoets. 6. Druk op de OK toets en de uren knipperen. Voer met behulp van de op en neer pijltjestoetsen de individuele instellingen in en ga met de linker en rechter pijltjestoetsen naar de volgende of de vorige instelling. 7. Wanneer alle instellingen zijn ingevoerd, drukt u nogmaals op de OK toets om de keuze te bevestigen.
Klimaatregeling Starten De LED op de afstandsbediening licht rood op gedurende ongeveer twee seconden. Dit geeft aan dat het signaal is ontvangen door de auto en dat de verwarming is uitgeschakeld. Houd de afstandsbediening met de antenne naar boven gericht en druk minimaal 2 seconden op de toets ON. De LED van de afstandsbediening licht groen op ter bevestiging dat het signaal is ontvangen. De LED op de afstandsbediening knippert groen of rood gedurende ongeveer twee seconden.
Klimaatregeling 1. Steek een schroevendraaier of een ander geschikt gereedschap in de opening aan de achterzijde van de afstandsbediening en schroef de batterij-afdekking los. 4. Sluit de voeding naar de ontvanger aan door de zekering te plaatsen en binnen vijf seconden op de OFF toets van de nieuwe afstandsbediening te drukken tot de LED dooft. 5. De nieuwe afstandsbediening is nu geprogrammeerd. LET OP Raak de batterijcontacten of de printplaat niet met de schroevendraaier aan.
Klimaatregeling 1. Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Aux. Heater en druk nogmaals op de OK toets om de verwarming in of uit te schakelen. Wanneer de verwarming is ingeschakeld verschijnt in het vak ernaast een kruis. 4. Druk op de linker pijltjestoets om het menu te verlaten.
Klimaatregeling Schuifdak kantelen WAARSCHUWINGEN Het onvoorzichtig sluiten van het elektrisch bedienbare schuifdak kan de antiklemfunctie teniet doen en verwondingen tot gevolg hebben. Wanneer het schuifdak tijdens het sluiten met een obstakel in aanraking komt, stopt het automatisch en schuift het een stukje terug. Ga, om de antiklemfunctie op te heffen wanneer er sprake is van weerstand, bijv.
Klimaatregeling Wanneer het systeem een storing vaststelt, treedt de veiligheidsmodus in werking. Het schuifdak beweegt dan slechts gedurende ca. 0,5 seconden per keer en stopt vervolgens. Sluit het schuifdak door opnieuw de schakelaar in te drukken wanneer het schuifdak stopt. Wanneer de achterzijde van het schuifdak omhoog is gekanteld, laat dan het schuifdak volledig omhoogkantelen en sluit het vervolgens. Laat het systeem onmiddellijk door een deskundige controleren.
Stoelen • DE JUISTE ZITPOSITIE INNEMEN • • het stuurwiel met licht gebogen armen vasthoudt. uw benen licht buigt zodat u de pedalen volledig kunt indrukken. de schoudergordel over het midden van uw schouder en de heupgordel strak over uw heupen legt. Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel is en dat u de volledige controle over de auto hebt. HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN Stoelen naar voren en achteren schuiven E68595 WAARSCHUWINGEN Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden.
Stoelen Lendensteun afstellen Hellingshoek van de rugleuning verstellen E70729 E70731 Hoogte van de bestuurdersstoel verstellen ELEKTRISCH VERSTELBARE STOELEN In twee richtingen elektrisch verstelbare stoel 1 1 E70730 2 2 E70733 127
Stoelen In acht richtingen elektrisch verstelbare stoel 2 2 1 3 1 4 3 4 8 5 7 6 5 8 7 E70734 128 6
Stoelen HOOFDSTEUNEN ACHTERBANK Hoofdsteun instellen WAARSCHUWINGEN Wanneer u de rugleuningen neerklapt, let er dan op dat uw vingers niet tussen de rugleuning en het stoelframe komen. WAARSCHUWINGEN Trek de achterste hoofdsteun omhoog wanneer iemand achterin plaatsneemt. Zorg ervoor dat de stoelen en de rugleuningen goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld.
Stoelen LET OP Laat de hoofdsteunen zakken. 2 2 1 3 E70601 E86612 1. Steek uw vingers tussen de zitting en de rugleuning en klap de zitting naar voren. 2. Druk de ontgrendelknoppen naar beneden en houd ze in deze stand. 3. Druk de rugleuning naar voren. Omhoog klappen van de rugleuningen E71224 WAARSCHUWING N.B.: Het aantal lampjes dat naast de toets brandt geeft het geselecteerde niveau aan.
Stoelen N.B.: Wanneer het contact wordt afgezet, worden de instellingen in het geheugen opgeslagen. GEVENTILEERDE STOELEN N.B.: Wanneer deze functie bij stilstaande motor wordt ingeschakeld, wordt hierdoor de accu ontladen. N.B.: Wanneer de stoel wordt geventileerd, is het mogelijk dat de verwarming automatisch wordt ingeschakeld. Dit om te voorkomen dat de luchtstroom oncomfortabel koud wordt. N.B.: Voor het ventileren van de stoelen wordt gebruik gemaakt van de lucht in het passagierscompartiment.
Gemaksfuncties ZONNEKLEPPEN DIMMER INSTRUMENTENPANEELVERLICHTING Trek het zonnescherm omhoog en bevestig het aan de haken (A). Zijruiten A A E70723 KLOK N.B.: Sommige navigatiesystemen stellen met behulp van GPS signalen automatisch tijd en de datum van de klok in. E74809 Achterruit A N.B.: Zie Algemene informatie (bladzijde 88). A 1. 2. 3. 4. E86514 5. Selecteer in het hoofdmenu de klokfunctie. Kies de gewenste optie. Druk op OK.
Gemaksfuncties Asbak, achterin N.B.: De aansteker werkt alleen bij aangezet contact. De aansteker kan nog 30 minuten nadat het contact is afgezet worden gebruikt. N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 15 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen. E73705 Open de asbak om deze te verwijderen, druk hem tegen de veerdruk in en verwijder hem.
Gemaksfuncties Posities: • Middenconsole. • Bagageruimte. LET OP Bewaar geen voor warmte gevoelige voorwerpen en vloeistoffen in enig opbergvak. BEKERHOUDERS WAARSCHUWING Plaats tijdens het rijden geen hete dranken in de bekerhouders. DASHBOARDKASTJE Gekoeld handschoenenkastje N.B.: U kunt het handschoenenkastje koelen met behulp van de lucht uit de airconditioning. E73704 E70885 E72905 OPBERGRUIMTES WAARSCHUWING Rijd niet met openstaande kleppen van de opbergvakken.
Gemaksfuncties WEGENKAARTOPBERGVAKKEN A B E86768 E74686 A Schakelaars stoelverstelling Zie Elektrisch verstelbare stoelen (bladzijde 127). B Insteltoetsen geheugen In het geheugen kunnen maximaal vier verschillende stoelinstellingen en buitenspiegelstanden worden opgeslagen. Ook kan de kantelstand van de buitenspiegel tijdens het achteruitrijden worden opgeslagen. Zie Elektrisch verstelbare buitenspiegels (bladzijde 77).
Gemaksfuncties 3. Druk op de gewenste insteltoets B en houd deze ingedrukt tot ter bevestiging een gongsignaal klinkt. 2. Bedien de schakelaar stoelverstelling om de stoel in de gewenste richting te bewegen tot deze stopt. Zie Elektrisch verstelbare stoelen (bladzijde 127). Er is een klikgeluid hoorbaar. 3. Laat de schakelaar stoelverstelling los en houd de schakelaar direct daarna minstens 3 seconden in dezelfde richting gedrukt.
Gemaksfuncties AANSLUITING AUXILIARY INGANG De aansluiting vindt u in het dashboardkastje of de middenconsole. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 287). USB-POORT De aansluiting vindt u in het dashboardkastje of de middenconsole. Zie Verbinding (bladzijde 317). VLOERMATTEN WAARSCHUWING Wanneer de vloermatten worden gebruikt, zorg dan dat de vloermatten correct worden vastgemaakt met de correcte bevestigingselementen, zodat de matten geen invleod hebben op de bediening van de pedalen.
Motor starten en stoppen N.B.: Laat, om te voorkomen dat de accu leegraakt, de contactsleutel niet te lang in deze stand staan. ALGEMENE INFORMATIE Algemene opmerkingen over het starten II Het contact staat aan. Alle elektrische circuits zijn ingeschakeld. Waarschuwingsen controlelampen branden. Dit is de stand waarin de sleutel moet staan tijdens het rijden. U moet deze stand ook kiezen wanneer de auto wordt gesleept.
Motor starten en stoppen Contact aan Motor slaat niet aan. Druk de toets eenmaal in. Alle elektrische circuits zijn operationeel, de waarschuwings- en controlelampjes branden. Het startsysteem met passive key werkt niet indien: • De frequenties van de passive key worden verstoord. • De batterij in de passive key leeg is. Motor starten bij uitvoeringen met handgeschakelde versnellingsbak Volg de volgende procedure wanneer de motor niet kan worden gestart. N.B.
Motor starten en stoppen Motor stoppen bij stilstaande auto Type 2 N.B.: Het contact, alle elektrische circuits, waarschuwings- en controlelampen worden uitgeschakeld. Handgeschakelde versnellingsbak Druk de knop kortstondig in. Automatische transmissie 1. Zet de keuzehendel in de stand "P". 2. Druk de knop kortstondig in. Motor uitschakelen bij rijdende auto E87381 1. WAARSCHUWING Werk voorzichtig de kap los.
Motor starten en stoppen Uitvoeringen met keyless startsysteem N.B.: Door tijdens het starten het koppelingspedaal op te laten komen, kan de startmotor uitgeschakeld maar blijft het contact aan. N.B.: Het stuurslot wordt niet geactiveerd bij ingeschakeld contact of wanneer met de auto wordt gereden. 1. Druk het koppelingspedaal volledig in. 2. Start de motor. Uw auto is uitgerust met een elektronisch bediend stuurslot. Deze werkt automatisch. Auto's met automatische transmissie N.B.
Motor starten en stoppen 3. Druk het rempedaal volledig in. 4. Start de motor. Indien de buitentemperatuur lager dan -10°C blijft, is het raadzaam ongelode benzine met een octaangetal van 95 bij te tanken indien de tank niet geheel gevuld is. Ongeveer 10 liter benzine brengt de verhouding bio-ethanol E85 in een ¾ gevulde tank van 85% naar 70% terug, waardoor de koude-starteigenschappen aanzienlijk worden verbeterd.
Motor starten en stoppen Regeneratie EEN DIESELMOTOR STARTEN WAARSCHUWING Koude of warme motor Laat de motor niet stationair draaien of parkeer de auto niet op droge bladeren, droog gras of ander brandbaar materiaal. Het DPF-regeneratieproces werkt met bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen en na het afzetten van de motor en tijdens en na DPF-regeneratie blijft de uitlaat een aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen. Hierdoor ontstaat het gevaar van brand. Alle auto's N.B.
Motor starten en stoppen • • • • Rijd tot 20 minuten met een constante snelheid, bij voorkeur op een hoofdweg of snelweg. Voorkom langdurig stationair draaien en neem altijd snelheidslimieten en het type wegdek in acht. Zet de auto niet van contact. Kies zo nodig een lagere versnelling dan normaal om tijdens deze rit een hoger motortoerental te verkrijgen. MOTOR UITSCHAKELEN E97918 Auto's met turbocompressor Sluit de motorverwarming 2 tot 3 uur aan, voordat u de motor start.
Start/stop knop N.B.: Het systeem werkt alleen wanneer de motor de normale bedrijfstemperatuur heeft bereikt en de buitentemperatuur tussen 0 °C en 30 °C ligt. WERKING LET OP Voor auto's met start/stop-schakelaar verschillen de accuvereisten. De accu moet worden vervangen door een accu met exact dezelfde specificatie als de originele. N.B.: Als u de motor laat afslaan en vervolgens binnen een paar seconden het koppelingspedaal intrapt, dan wordt de motor automatisch opnieuw gestart. N.B.
Start/stop knop Het systeem zet de motor wellicht niet af onder bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld: • • • • • • • • Om het interieurklimaat te behouden. Lage accuspanning. De buitentemperatuur is te laag of te hoog. Het bestuurdersportier is geopend. Lage bedrijfstemperatuur motor. Weinig vacuüm in remsysteem. Als een snelheid van 5 km/u niet is overschreden. De veiligheidsgordel van de bestuurdersstoel is niet vastgemaakt. Motor starten N.B.: De keuzehendel moet in de neutraalstand staan.
Eco-modus Anticipatie WERKING Door uw rijsnelheid aan te passen en de afstand tot voertuigen voor u aan te passen zodat hard remmen of versnellen niet nodig is, verbetert het brandstofverbruik. Het systeem assisteert de bestuurder bij het efficiënter rijden door voortdurend de karakteristieken van het schakelen, het anticiperen op verkeersomstandigheden en de snelheid op autosnelwegen en buitenwegen te controleren. Efficiënte snelheid N.B.
Brandstof en tanken VEILIGHEIDSMAATREGELEN BRANDSTOFKWALITEIT - FLEX FUEL (FF, ETHANOL) WAARSCHUWINGEN Stop met tanken nadat het vulpistool voor de tweede keer is afgeslagen. Alle brandstof die u dan nog toevoegt vult de expansieruimte in de brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden dat de brandstof overstroomt. Het morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn voor andere weggebruikers. WAARSCHUWINGEN Breng geen wijzigingen aan het brandstofsysteem of onderdelen ervan aan.
Brandstof en tanken Opslaan voor de lange termijn Opslaan voor de lange termijn Vanwege kleine hoeveelheden corrosiebevorderende verontreinigingen in E85 wordt aanbevolen de tank alleen te vullen met ongelode benzine met een octaangetal van 95 alvorens de auto voor een langere periode niet te gebruiken.
Brandstof en tanken TANKKLEP WAARSCHUWINGEN Voorkom dat tijdens het tanken brandstof wordt gemorst, die zich in het vulpistool bevindt. A Vermijd open vuur of hittebronnen in de nabijheid van het brandstofsysteem. Het brandstofsysteem staat onder druk. Wanneer het brandstofsysteem lekt, bestaat het gevaar van verwonding. E139202 LET OP N.B.: Wanneer u het vulpistool plaatst, opent een veerbelaste klep wanneer de correcte vulpistooldiameter wordt geregistreerd.
Brandstof en tanken WAARSCHUWINGEN Verwijder tijdens de gehele tankprocedure het vulpistool niet uit de volledig geplaatste positie. A B E139203 A Incorrecte positie B Correcte positie E119081 5. Til het vulpistool licht op om het te verwijderen. 3. Til tijdens het tanken het vulpistool niet op. Dit kan de brandstofstroom beïnvloeden en het vulpistool afsluiten voordat de brandstoftank vol is. Tanken met een jerrycan Gebruik de trechter in reservewielkuip.
Brandstof en tanken Laat de motor na het tanken 5 minuten met een rijsnelheid van boven de 48 km/h werken om het risico van een langere herstarttijd van de motor te verkleinen. Deze gegevens zijn bedoeld voor het vergelijken van merken en modellen. Ze zijn niet bedoeld als weergave van het werkelijke brandstofverbruik van uw wagen.
Brandstof en tanken Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd CO2-emissie l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) g/km 2.0L EcoBoost - MI4 (149 kW/203 pk), handgeschakelde 6-versnellingsbak 10,4 (27,2) 6 (47,1) 7,6 (37,2) 176 2.0L EcoBoost - MI4 (177 kW/240 pk), handgeschakelde 6-versnellingsbak 10,4 (27,2) 6 (47,1) 7,6 (37,2) 176 2.0L EcoBoost - MI4 (149 kW/203 pk), 6-traps automatische transmissie 10,7 (26,4) 6 (47,1) 7,7 (36,7) 179 2.
Brandstof en tanken Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd CO2-emissie l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) g/km 2.0L Duratorq-TDCi - DW fase IV (85 kW/115 pk), handgeschakelde 6versnellingsbak ECONETIC 6,4 (44,1) 4,6 (61,4) 5,3 (53,3) 139 2.0L Duratorq-TDCi - DW fase IV (100 kW/136 pk), 6traps automatische transmissie 9,7 (29,1) 5,5 (51,4) 7,1 (39,8) 187 2.0L Duratorq-TDCi - DW fase V, 6-traps automatische transmissie 7,2 (39,2) 4,7 (60,1) 5,6 (50,4) 149 2.
Brandstof en tanken Stationwagon Brandstofverbruikscijfers Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd CO2-emissie l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) g/km 1.6L Duratec-16V Ti-VCT fase IV (92 kW/125 pk), handgeschakelde 5versnellingsbak 10 (28,2) 5,6 (50,4) 7,2 (39,2) 170 1.6L Duratec-16V Ti-VCT fase V (88 kW/120 pk), handgeschakelde 5versnellingsbak 9,1 (31) 5,3 (53,3) 6,7 (42,2) 156 1.
Brandstof en tanken Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd CO2-emissie l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) g/km 1.6L Duratorq-TDCi (85 kW/115 pk), handgeschakelde 6-versnellingsbak zonder start/stop-systeem 6 (47,1) 4,2 (67,3) 4,9 (57,6) 129 1.6L Duratorq-TDCi (85 kW/115 pk), handgeschakelde 6-versnellingsbak met start/stop-systeem ECONETIC 5 (56,5) 3,9 (72,4) 4,3 (65,7) 114 1.
Versnellingsbak/transmissie HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK AUTOMATISCHE TRANSMISSIE Keuzehendelstanden LET OP S Schakel de achteruit niet in wanneer de wagen in beweging is. Dit kan inwendige schade aan de versnellingsbak veroorzaken. E80836 E99067 P Parkeren Bij sommige auto's moet de kraag omhoog worden gebracht tijdens inschakelen van de achteruit.
Versnellingsbak/transmissie Parkeren Sportmodus en handmatig schakelen WAARSCHUWINGEN Schakel de parkeerstand alleen in wanneer de wagen stilstaat. 1 Trek voordat u de wagen verlaat de handrem aan en schakel de parkeerstand in. Controleer of de keuzehendel is vergrendeld. S N.B.: Wanneer het bestuurdersportier wordt geopend en u de parkeerstand niet hebt ingeschakeld, klinkt een akoestisch signaal. 2 In deze stand wordt geen aandrijfkracht op de wielen overgebracht en de transmissie is geblokkeerd.
Versnellingsbak/transmissie Aanwijzingen voor het rijden met een automatische transmissie Wegrijden 1. Zet de handrem los. 2. Laat het rempedaal opkomen en druk het gaspedaal in. Stoppen 1. Laat het gaspedaal opkomen en druk het rempedaal in. 2. Schakel de parkeerrem in. Kickdown E87935 N.B.: De hendel is geel van kleur. Druk het gaspedaal volledig in terwijl het keuzehendel in de rijstand staat om voor optimale prestaties de eerstvolgende lagere versnelling in te schakelen.
Remmen Het ABS voorkomt geen risico's die ontstaan wanneer: • u te weinig afstand ten opzichte van voor u rijdend verkeer houdt; • de auto te maken krijgt met aquaplaning; • u bochten te snel neemt; • het wegdek slecht is. WERKING N.B.: Afhankelijk van de verkeerswetgeving van het land waarin uw auto oorspronkelijk is gebouwd, knipperen de remlichten wanneer u krachtig remt. N.B.: Zo nu en dan kunnen remgeluiden hoorbaar zijn. Dit is normaal en duidt niet op een storing.
Stabiliteitsregeling WERKING Waarschuwingslamp stabiliteitsregeling (ESP) Elektronisch Stabiliteitsprogramma (ESP) Wanneer het systeem tijdens het rijden wordt geactiveerd, knippert de lamp. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 84). WAARSCHUWING Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.
Stabiliteitsregeling Uitvoeringen zonder schakelaar stabiliteitsregeling (ESP) Het systeem kan worden in- en uitgeschakeld m.b.v. het informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 88).
Regeling voor bergop rijden WERKING Het systeem maakt het eenvoudiger op te trekken wanneer de auto op een helling staat zonder dat het noodzakelijk is gebruik te maken van de parkeerrem. Wanneer het systeem actief is, dan blijft de auto korte tijd op de helling stil staan nadat u het rempedaal loslaat. Gedurende deze tijd heeft u de tijd om uw voet van het rempedaal te halen, het gaspedaal in te drukken en op te trekken.
Regeling voor bergop rijden 5. Druk op de linker pijltjestoets om het menu te verlaten. Houd de linker pijltjestoets ingedrukt om direct terug te keren naar het scherm van de boordcomputer. N.B.: Wanneer het systeem in de handmatige modus staat, gebruik het systeem dan alleen bij het optrekken op hellingen van meer dan 3%. Wanneer de wagen op een vlakke ondergrond of een neerwaartse helling staat, maakt een actief systeem het moeilijk om soepel op te trekken. 1.
Regeling voor bergop rijden WAARSCHUWING Wanneer het systeem actief is en het systeem een storing waarneemt, wordt het systeem gedeactiveerd en verschijnt het bericht Please use park brake! gevolgd door Hill Launch A .not available op het display. U kunt veilig met de wagen rijden en de storing kan bij de volgende onderhoudsbeurt worden verholpen. Het bericht Hill Launch A.
Actieve schokdemperregeling De instelling kan tijdens het rijden worden veranderd. WERKING Het actieve schokdempsysteem zorgt voor een betere wendbaarheid, verhoogd comfort en een hogere stabiliteit door continu de karakteristiek van de schokdempers aan te passen aan het wegdek en de rijomstandigheden. Dit systeem in combinatie met ABS heeft het voordeel dat de remweg op slechte wegen korter wordt. Storing in het systeem Het actieve schokdempersysteem schakelt bij storingen automatisch uit.
Parkeerhulp N.B.: Houd de sensoren vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de sensoren niet met scherpe voorwerpen. WERKING WAARSCHUWING N.B.: Wanneer de parkeerhulp een signaal registreert dat op dezelfde frequentie wordt uitgezonden als de sensoren gebruiken, of wanneer de auto maximaal is beladen, kan een vals signaal worden gegeven. Ondanks de parkeerhulp bent u verplicht voorzichtig en aandachtig te rijden.
Parkeerhulp Manoeuvreren met de parkeerhulp E72902 N.B.: Wanneer een hoge, harde waarschuwingstoon drie seconden lang klinkt en het lampje in de schakelaar knippert, duidt dit op een storing. Het systeem wordt uitgeschakeld. Laat het systeem door goed opgeleide monteurs controleren. U hoort een onderbroken signaal wanneer de afstand tussen de achterbumper en een obstakel ongeveer 150 cm bedraagt, 80 cm tussen een obstakel en de voorbumper of 50 cm aan de zijkanten.
Achteruitkijkcamera WERKING De camera is een visueel hulpmiddel bij achteruitrijden. WAARSCHUWING Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn. LET OP Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw wagen te wassen, spuit dan kort op de camera vanaf een afstand van niet minder dan 20 centimeter. E99105 Achteruitkijkcamera activeren Oefen geen druk op de camera uit.
Achteruitkijkcamera D LET OP Markeringen worden alleen gebruikt als algemene richtlijn en worden berekend voor auto's met een maximale belading op een egaal wegdek. De lijnen geven een geprojecteerde route van de auto (gebaseerd op de huidige stuurwielhoek) en de afstand vanaf de buitenspiegels en de achterbumper aan.
Achteruitkijkcamera D Oranje - 2 meter A Oranje - middenlijn van de geprojecteerde route van de auto N.B.: Bij achteruitrijden met een aanhanger geven de lijnen op het scherm de autorichting aan en niet de richting van de aanhanger. Achteruitkijkcamera deactiveren N.B.: Schakel een vooruitversnelling in. De display blijft een korte periode aan alvorens deze wordt uitgeschakeld. Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld wanneer de voertuigsnelheid ongeveer 15 km/u is.
Snelheidsregeling (Cruise Control) Snelheid instellen WERKING Met cruise control (automatische snelheidsregeling) kunt u met behulp van de schakelaars op het stuurwiel de rijsnelheid instellen. Cruise control werkt vanaf snelheden van 30 km/h. GEBRUIK MAKEN VAN SNELHEIDSREGELING WAARSCHUWING E70615 Schakel onder drukke verkeersomstandigheden, op trajecten met veel bochten en op gladde wegen cruise control niet in.
Snelheidsregeling (Cruise Control) Cruise control uitschakelen Cruise control uitschakelen E70614 E70613 Druk het rempedaal of de CAN schakelaar in. Het systeem regelt niet langer de rijsnelheid. De controlelamp van het cruise control gaat uit maar de laatst ingestelde rijsnelheid blijft in het geheugen opgeslagen. Druk op de OFF schakelaar. De eerder door u ingestelde snelheid blijft niet in het geheugen opgeslagen. De controlelamp van het cruise control gaat uit.
Adaptieve snelheidsregeling (ACC) WERKING LET OP De radarsensor heeft een beperkt gezichtsveld. In sommige situaties kan het een andere wagen dan verwacht registeren of helemaal geen. WAARSCHUWINGEN Het systeem is geen aanrijdingswaarschuwings- of aanrijdingsvoorkomingssysteem. De afzonderlijke forward alert functie waarschuwt voor aanrijdingen en verlaagt de rijsnelheid. Zie Functie voorgangerwaarschuwing (forward alert) (bladzijde 179).
Adaptieve snelheidsregeling (ACC) Onverwachte reacties Automatisch remmen met ACC WAARSCHUWINGEN U dient dan onmiddellijk te reageren, omdat adaptive cruise control onvoldoende remt om een veilige afstand tot uw voorligger aan te houden. In sommige gevallen kan de waarschuwing ontbreken of vertraag worden. U moet altijd remmen indien dit nodig is. Wanneer u een auto volgt dan remt adaptive cruise control niet automatisch tot stilstand af.
Adaptieve snelheidsregeling (ACC) Auto's zonder snelheidsbegrenzer A E D ACC afstand vergroten E ACC afstand verkleinen Het systeem inschakelen Druk op de schakelaar A. Het systeem wordt in de stand-by modus geschakeld. B Snelheid instellen D N.B.: Het systeem moet in de standby-modus staan.
Adaptieve snelheidsregeling (ACC) N.B.: De ingestelde afstand is tijdafhankelijk en daarom zal de afstand automatisch de rijsnelheid aanpassen. Wanneer bijvoorbeeld de afstand wordt ingesteld op vier balken, bedraagt de tijdsafstand 1,8 seconden. Dit houdt in dat bij een snelheid van 100 km/u (62 mph) de afstand tot uw voorligger wordt gehandhaafd op 50 meter (164 feet). F G N.B.
Adaptieve snelheidsregeling (ACC) Systeem uitschakelen Wanneer een voertuig door de sensor wordt geregistreerd. geeft het display een ander voertuig boven de horizontale balken weer: Auto's zonder snelheidsbegrenzer Druk op schakelaar C om het systeem uit te schakelen. N.B.: Bij deactiveren van het systeem door op schakelaar C te drukken, wordt de opgeslagen snelheid niet behouden. Auto's met snelheidsbegrenzer E82312 Druk op schakelaar A om het systeem uit te schakelen.
Adaptieve snelheidsregeling (ACC) • • • • • • de snelheid afneemt tot onder 30 km/u (20 mph) de wielen de grip op het wegdek verliezen de temperatuur van de remmen hoog is, bijvoorbeeld tijdens het rijden door de bergen of over heuvelachtige wegen het motortoerental te laag is de radarsensor is afgedekt de handrem of elektrische parkeerrem (EPB) wordt gebruikt. LET OP Het systeem maakt gebruik van dezelfde radarsensor als de adaptive cruise control en heeft daardoor dezelfde beperkingen.
Adaptieve snelheidsregeling (ACC) Het systeem in- en uitschakelen N.B.: Wanneer het systeem is uitgeschakeld, blijft een waarschuwingslampje in het informatiedisplay branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 84). N.B.: De systeemstatus en instellingen blijven onveranderd tijdens ontstekingscycli. Het systeem kan worden in- en uitgeschakeld m.b.v. het informatiedisplay. Zie Algemene informatie (bladzijde 88).
Snelheidsbegrenzer Snelheidslimiet instellen WERKING Gebruik de cruise control schakelaars om de instelling van de maximumsnelheid te wijzigen. WAARSCHUWING Wanneer u een heuvel afrijdt, kan de snelheid hoger worden dan de ingestelde snelheid. Het systeem bedient de remmen niet, maar geeft een waarschuwing af. Via het systeem kan een snelheid worden ingesteld waar de auto vervolgens op wordt begrensd.
Snelheidsbegrenzer De snelheidslimiet doelbewust overschrijden Trap het gaspedaal stevig in (bijna volledige pedaalslag), waarna de snelheidslimiet tijdelijk wordt gedeactiveerd. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd nadat de voertuigsnelheid onder de ingestelde snelheid is gedaald. Systeemwaarschuwingen Als de ingestelde limiet per ongeluk wordt overschreden, dan knippert de ingestelde snelheid in de informatiedisplay en wordt een hoorbare waarschuwing afgegeven.
Bestuurderswaarschuwing WERKING LET OP Voer geen voorruitreparaties uit in de directe omgeving van de sensor. WAARSCHUWINGEN Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn. Indien uw auto is uitgerust met een niet door ons goedgekeurde wielophangingsset, is het mogelijk dat het systeem niet naar behoren werkt.
Bestuurderswaarschuwing Het waarschuwingssysteem werkt in twee fasen. In eerste instantie geeft het systeem een tijdelijke waarschuwing dat een rustpauze moet worden genomen. Dit bericht verschijnt slechts gedurende een korte periode. Wordt geen rustpauze genomen, dan kan een tweede waarschuwing worden gegeven die in het informatiedisplay blijft weergegeven totdat ze geannuleerd wordt. Zie Infoberichten (bladzijde 101).
Waarschuwing rijden buiten baan WERKING LET OP Indien uw auto is uitgerust met een niet door ons goedgekeurde wielophangingsset, is het mogelijk dat het systeem niet naar behoren werkt. WAARSCHUWINGEN Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn. N.B.: Houd de voorruit vrij van belemmeringen zoals uitwerpselen van vogels, insecten en sneeuw of ijs.
Waarschuwing rijden buiten baan Systeemwaarschuwingen WAARSCHUWING RIJDEN BUITEN BAAN GEBRUIKEN Het systeem in- en uitschakelen N.B.: Wanneer het systeem is uitgeschakeld, blijft een waarschuwingslampje in het informatiedisplay branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 84). N.B.: De systeemstatus en instellingen blijven onveranderd tijdens ontstekingscycli. E131363 Een kolom wordt weergegeven aan weerszijden van een tekening van de auto, die de rijstrookmarkeringen voorstellen.
Waarschuwing rijden buiten baan Indien de rijstrookmarkeringen rood worden of indien een trilling in het stuurwiel voelbaar is, moet u meteen veilige actie ondernemen om de auto in het juiste spoor te brengen en onbedoeld afdrijven te corrigeren.
Transport ALGEMENE INFORMATIE WAARSCHUWINGEN Gebruik bevestigingsriemen die voldoen aan een norm, bijv. DIN. Zorg ervoor dat alle losse voorwerpen goed zijn vastgezet. Plaats bagage en ander voorwerpen zo laag mogelijk en zo ver mogelijk naar voren in de bagageruimte of de laadruimte. E97377 Rijd niet met geopende achterklep of achterdeur. Uitlaatgassen kunnen de auto worden binnengezogen. BAGAGEVERANKERINGSPUNTEN Overschrijd niet de maximum vooren achterasbelasting voor uw auto.
Transport 4- en 5-deurs E74810 Druk de ontgrendelhendel in en trek de laadvloer naar achteren. Deze stopt en wordt in het midden vergrendeld. E86913 SCHUIFBARE LAADVLOER WAARSCHUWING Schuif de laadvloer niet naar achteren wanneer de wagen met de voorzijde naar boven op een helling van 15 graden of meer staat. LET OP Het maximum toelaatbare gewicht op de schuifbare laadvloer bedraagt 200 kg.
Transport Opbergvak 1. In de vloer aan de achterzijde van de bagageruimte bevindt zich een opbergvak. 2. Til, om toegang te krijgen tot dit opbergvak, de laadvloer als volgt op: 3. 4. 5. 2 6. 1 Druk de ontgrendelhendel in en trek de laadvloer iets naar achteren. Til de achterzijde van de laadvloer 1) omhoog. Druk de vloer naar voren tot deze aan de voorzijde (2) tegen de aanslag komt. Maak de steun los van de klem op de onderzijde van de vloer.
Transport Uitvoeringen zonder uitschuifbare laadvloer E87689 E112572 BAGAGEAFDEKKINGEN Maak de afdekking los uit de bevestigingspunten door onder de handgreep te drukken. Laat de afdekking langzaam in de behuizing terugrollen. WAARSCHUWING Leg geen voorwerpen op de afdekking van de bagageruimte. E112588 Druk een van de uiteinden van de behuizing naar binnen om de afdekking te verwijderen of aan te brengen. E112571 Trek de afdekking naar buiten tot deze in de bevestigingspunten vastklikt.
Transport Afdekking bagageruimtevloer opbergen - Stationwagon zonder reserveband van volledige afmeting 1. Druk de uiteinden van de bovenste stang naar elkaar toe en breng ze aan in de houders tegen het dak. Druk de stang naar voren in het smalle deel van de houders. E87053 2. Bevestig het net aan de bevestigingspunten voor de bagage. Zie Bagageverankeringspunten (bladzijde 188). E134798 Er is ruimte vrijgemaakt in de opbergruimte onder de bagageruimtevloer.
Transport Net verwijderen • • • voordat u vertrekt na 50 kilometer (30 mijl) te hebben gereden met intervallen van 1.000 kilometer (600 mijl). Wanneer de imperiaal niet in gebruik is, moeten de rails in dwarsrichting naar achteren worden verplaatst om geluiden die door de wind worden veroorzaakt tot een minimum te beperken. Als de rails in dwarsrichting niet worden gebruikt, moeten ze worden verwijderd om het brandstofverbruik te verlagen. HONDENREK E87135 1. Maak de riemen los. 2.
Transport Aanbrengen achter de achterbank E86848 E87782 1. 2. Bevestig het hondenrek aan de onderste bevestigingspunten. Zet de schroeven niet vast. Druk de uiteinden van de bovenste stang op het rooster naar elkaar toe en breng ze aan in de houders tegen het dak. Druk de stang naar voren in het smalle deel van de houders. E87783 3. Zet het rek met behulp van de kartelwielen vast op de onderste stang. Zet de kartelwielen niet vast. 4. Zet de schroeven bij de onderste bevestigingspunten vast. 5.
Transport Ladingsteunen monteren 2. Maak de twee bouten los van beide bevestigingspunten voor de bagage. Zie Bagageverankeringspunten (bladzijde 188). 3. Zet de onderste stang met behulp van de kartelwielen vast op het rek. Zet de kartelwielen niet vast. 4. Bevestig de onderste stang van het scheidingshek voor de hond aan de bevestigingspunten voor de bagage met behulp van de nieuwe meegeleverde bouten. 5. Draai de kartelwielen vast. Het verwijderen geschiedt in omgekeerde volgorde.
Transport 3 3 2 1 E76378 1. Draai de box om. 2. Breng de ladingsteun aan. 3. Zet de ladingsteun met vier schroeven vast. E76380 5. Zet de ladingsteun met de twee vleugelmoeren vast. 6. Het verwijderen geschiedt in omgekeerde volgorde. E76379 4. Schuif de bouten in de bevestiging voor de ladingsteun.
Aanhangers trekken Steile hellingen TREKKEN VAN EEN AANHANGER WAARSCHUWING Houd er rekening mee dat de oplooprem van een aanhanger niet door het ABS wordt geregeld. WAARSCHUWINGEN Rijd niet harder dan 100 km/h (62 mph). De bandenspanningen achter moeten worden vermeerderd met 0,2 bar (3 psi) boven de specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 253). Schakel terug voordat u een steile afdaling bereikt.
Aanhangers trekken Trekhaakkogel aanbrengen Een 13 pins stekkerdoos en het bevestigingspunt voor de trekhaakkogel bevinden zich onder de achterbumper. Draai de stekkerdoos 90 graden tot hij in zijn eindstand wordt vergrendeld. Trekhaakkogel ontgrendelen 1 3 1 2 E71329 1. Verwijder de beschermkap (1). Steek de sleutel in het slot en draai hem rechtsom om hem te ontgrendelen (2). 2. Houd de trekhaakkogel vast. Trek het kartelwiel naar buiten en draai het rechtsom tot het klikt (3). 3.
Aanhangers trekken Rijden met een aanhanger Trekhaakkogel verwijderen A 3 B E71331 2 WAARSCHUWING Wanneer aan één van de onderstaande voorwaarden niet kan worden voldaan, gebruik dan de trekhaak niet en laat deze door een goed opgeleide monteur controleren. 1 E71332 Controleer voordat u gaat rijden of de trekhaakkogel goed is vergrendeld. Controleer of: • • • • 1. Koppel de aanhanger af. 2. Verwijder de beschermkap. Schuif de kap op de sleutel. Steek de sleutel in het slot en ontgrendel deze (1). 3.
Aanhangers trekken Rijden zonder aanhanger 1 E94771 1. Verwijder de trekhaakkogel. 2. Steek de stekker in de houder (1). WAARSCHUWING Ontgrendel de trekhaakkogel nooit terwijl een aanhanger is aangekoppeld. Onderhoud WAARSCHUWING Verwijder voordat u uw auto met een hogedrukreiniger reinigt de afneembare trekhaakkogel en sluit de opening met de dop af. Houd het systeem schoon. Smeer de lagerpunten, glij-oppervlakken en vergrendelingskogels met harsvrij vet of olie. Smeer het slot met grafiet.
Tips voor het rijden INRIJDEN VOORZORGSMAATREGELEN VOOR KOUDE WEERSOMSTANDIGHEDEN Banden WAARSCHUWING De werking van sommige componenten en systemen kan worden beïnvloed bij temperaturen lager dan -30 °C. Nieuwe banden hebben een inlooptijd van ongeveer 500 kilometer. Gedurende deze periode kan de auto een andere rijkarakteristiek vertonen. DOOR WATER RIJDEN Door water rijden Remmen en koppeling LET OP Rijd alleen door water in noodgevallen en niet als normaal wordt gereden.
Wat te doen bij pech Wagon EERSTEHULPSET Er is ruimte vrijgemaakt in de bagageruimte. 4-deurs E87656 GEVARENDRIEHOEK 4- en 5-deurs E87654 5-deurs E87657 E87655 Er is ruimte vrijgemaakt in de bagageruimte. Stationwagon en auto's met bandenreparatieset Er is ruimte vrijgemaakt onder de vloerbedekking. Zie Opbergruimte onder vloer achterin (bladzijde 190).
Zekeringen PLAATSEN ZEKERINGENHOUDERS Zekeringenkast in de motorcompartiment E72590 2. Verwijder het deksel. 3. Draai de knop 90 graden en maak de zekeringenkast los van de steun. 4. Laat de zekeringenkastafdekking zakken en trek deze naar u toe. E72588 5. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan. Centrale zekeringenkast Zekeringenkast achterin - 4- en 5deurs Alle modelvarianten 1 E72589 E87481 1. Knijp in de klemmen om de afdekking los te maken. 1.
Zekeringen 3 2 3 3 E87482 E87480 2. Verwijder de kap van de zekeringenkast. 3. Verwijder de kap van de zekeringenkast. Zekeringenkast achterin - Wagon EEN ZEKERING VERVANGEN WAARSCHUWINGEN Wijzig de elektrische installatie van de wagen op geen enkele wijze. Laat reparaties aan de elektrische installatie en het vervangen van relais en zekeringen voor hoge stroomsterktes door een goed opgeleide monteur uitvoeren.
Zekeringen N.B.: Er zit een zekeringentrekker in de zekeringenkast van de motorruimte.
Zekeringen Zekering Amperage Beveiligde circuits F1 10 Transmissieregelmodule (AWF21) F1 15 Transmissieregelmodule (MPS6) F2 5 Voorgloeicontrole (dieselmotoren) F2 5 Controlefunctie gloeibougie verdamper (2.0L DuratorqTDCi Ftage V en 2.2L Duratorq-TDCi Fase V) F3 70 1 Koelventilator - dubbele ventilator (2.3L Duratec-HE en 2.2L Duratorq-TDCi met automatische transmissie) 1 F3 80 Elektrohydraulische stuurbekrachtiging (EHPAS) (1.6L Duratec-16V Ti-VCT Fase V, 1.6L EcoBoost SCTi, 2.
Zekeringen Zekering Amperage Beveiligde circuits F9 10 MAF-sensor, verstuivers, variabele inlaatklep, variabele uitlaatklep, bobines (motorregeling). F9 5 Brandstofpompverdamper (2.0L Duratorq-TDCi Fase V) F9 7,5 MAF-sensor, EGR-omloopklep, Brandstofpompverdamper (2.2L Duratorq-TDCi Fase V) (motormanagement) F9 7,5 Ontluchtingsklep, TMAF-sensor, actieve afsluitklep radiateurgrille, omloopklep, relaisspoel, extra koelvloeistofpomp met doordraaifunctie (1.6L EcoBoost SCTi).
Zekeringen Zekering Amperage Beveiligde circuits F12 10 EGR-klep, variabele turbocompressorregeling (2.0L Duratorq-TDCi) F12 5 Relaisspoelen (2.0L Duratorq-TDCi Fase V, 2.2L Duratorq-TDCi Fase V en 1.6L Duratorq-TDCi) F13 15 Airconditioning F14 15 Verwarming dieselfilter (2.0L Duratorq-TDCi, 2.0L Duratorq-TDCi Fase V en 1.6L Duratorq-TDCi) F14 10 HEGO-sensor (2.
Zekeringen 1 Zekering Amperage Beveiligde circuits F34 40 Voorruitverwarming, linkerzijde F35 40 Voorruitverwarming, rechterzijde F36 15 Ruitenwisser achter 15 voeding F37 7,5 Verwarmede ruitensproeiers voor/FLR + FSM KL15 F38 10 PCM/TCM/EHPAS 15 voeding F39 15 Adaptieve koplampen (AFS) F40 5 Module koplampafstelling/AFS F41 20 Instrumentenpaneel F42 5 Instrumentengroep F43 15 Module audio/BVC / module DAB F44 5 Automatische AC / handmatige AC F45 5 FLR (start/stop)
Zekeringen Centrale zekeringenkast A B E124888 A Stuur links B Stuur rechts Zekering Amperage F1 7,5 Beveiligde circuits F2 5 Instrumentengroep F3 10 Interieurverlichting F4 5 Startblokkeringssysteem Stuurwielmodule 210
Zekeringen Zekering Amperage Beveiligde circuits F5 7,5 F6 5 F7 20 Aansteker F8 10 Voeding brandstofvulklep ontgrendelen F9 15 Ruitensproeiers, achter F10 15 Ruitensproeiers, voor F11 10 Voeding bagageruimte ontgrendelen Adaptieve snelheidsregeling (ACC) Regensensor F12 10 Voeding brandstofvulklep vergrendelen F13 20 Brandstofpomp F13 7,5 Brandstofpomp (2.
Zekeringen Zekeringenkast achterin 4- en 5-deurs E87483 212
Zekeringen Stationwagon E75526 Zekering Amperage Beveiligde circuits FA1 25 Portiermodule (linksvoor) (ruit op/neer, centrale vergrendeling, inklapbare spiegel, spiegelverwarming) FA2 25 Portiermodule (rechtsvoor) (ruit op/neer, centrale vergrendeling, inklapbare spiegel, spiegelverwarming) FA3 25 Portiermodule (linksachter) (ruit op/neer) 213
Zekeringen Zekering Amperage Beveiligde circuits FA4 25 Portiermodule (rechtsachter) (ruit op/neer) FA5 10 Vergrendelen achter (zonder portiermodules achter) FA6 15 Extra elektrische aansluiting Relaisspoelen FA7 5 FA8 20 FA9 5 Relaisspoelen VQM (start/stop) FA10 - Wordt niet gebruikt Keyless-module FA11 20 Accessoires, trekhaakmodule FA12 30 Elektrisch verstelbare bestuurdersstoel FB1 - Wordt niet gebruikt FB2 15 Module schokdemperregeling FB3 15 Verwarming bestuurderss
Zekeringen Zekering Amperage Beveiligde circuits FC7 5 FC8 7,5 Entertainment-systeem achterin/CD-wisselaar FC9 20 Versterker van geluidsinstallatie FC10 10 Sony audiosysteem FC11 – Wordt niet gebruikt FC12 – Wordt niet gebruikt Module stoelgeheugen 215
Bergen van de auto Sleepoog, achter SLEEPPUNTEN Locatie sleepoog Het afneembare sleepoog bevindt zich in het bagagecompartiment. Het sleepoog moet altijd in de auto worden meegenomen. Sleepoog aanbrengen LET OP Het afneembare sleepoog heeft linkse schroefdraad. Draai het linksom om het te bevestigen. Zorg ervoor dat het sleepoog volledig wordt vastgezet. E87282 Steek uw vinger in het gat aan de onderzijde van het paneel en trek het paneel los. Breng het sleepoog aan.
Bergen van de auto LET OP Zet de versnellingsbak in neutraal wanneer uw auto wordt gesleept. Trek rustig en soepel zonder rukken op. Wagens met automatische transmissie LET OP Wanneer uw auto met snelheden boven 20 km/h en over afstanden van meer dan 20 kilometer moet worden gesleept, moet hij worden getransporteerd terwijl alle vier wielen vrij zijn van het wegdek. Het wordt aanbevolen de auto niet te slepen met de aandrijfwielen op het wegdek.
Onderhoud Dagelijkse controles ALGEMENE INFORMATIE • • • Wanneer u uw auto regelmatig laat onderhouden zal dit de betrouwbaarheid en de inruilwaarde ten goede komen. Er staat een groot netwerk van Ford Erkende Reparateurs ter beschikking die u met hun professionele expertise ter zijde kunnen staan. De speciaal opgeleide monteurs zijn het best gekwalificeerd om het onderhoud aan uw auto snel en vakkundig uit te voeren.
Onderhoud Trek de motorkap iets omhoog en beweeg de veiligheidshaak naar links. DE MOTORKAP OPENEN EN SLUITEN Motorkap openen E73698 E87786 Open de motorkap en ondersteun hem met de steunstang. Motorkap sluiten WAARSCHUWING Zorg dat de motorkap goed wordt gesloten. Laat de motorkap zakken en vanaf een hoogte van 20 – 30 cm dichtvallen.
Onderhoud OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6 L DURATEC-16V TI-VCT (SIGMA) B A J I H D C G E F E87714 A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 231). B Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 230). C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 231). D Accu. Zie Accu van de auto (bladzijde 239).
Onderhoud OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6L ECOBOOST SCTI (SIGMA) B A J I D C H G E F E132430 A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 231). B Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 230). C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 231). D Accu. Zie Accu van de auto (bladzijde 239).
Onderhoud I Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 232). J Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 231). 1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf zijn voor een makkelijke herkenning fel gekleurd. OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,0 L DURATEC-HE (MI4) B A J I H D C G E F E73231 A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 231).
Onderhoud 1 H Motoroliepeilstaaf . Zie Motorolie controleren (bladzijde 230). I Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 232). J Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 231). 1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning. OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,0 L ECOBOOST SCTI (MI4) A E124921 J B C H I D G E F A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts).
Onderhoud G Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 232). H Motoroliepeilstaaf . Zie Motorolie controleren (bladzijde 230). I Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 232). J Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 231). 1 1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf zijn voor een makkelijke herkenning fel gekleurd.
Onderhoud F Luchtfilter. Geen onderhoud nodig. G Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 232). H Motoroliepeilstaaf . Zie Motorolie controleren (bladzijde 230). I Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 232). J Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 231). 1 1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning.
Onderhoud C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 231). D Accu. Zie Accu van de auto (bladzijde 239). A Zekeringenkast in motorruimte. Zie Zekeringen (bladzijde 203). F Luchtfilter. Geen onderhoud nodig. G Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 232). H Motoroliepeilstaaf . Zie Motorolie controleren (bladzijde 230). I Reservoir stuurbekrachtiging.
Onderhoud A J B I C H D G E F E124913 A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 231). B Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 230). C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 231). D Accu. Zie Starten met hulpstartkabels (bladzijde 239).
Onderhoud OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,2 L DURATORQ-TDCI (DW) DIESEL B A J I H D C G E F E87715 A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 231). B Motorolievuldop : Zie Motorolie controleren (bladzijde 230). C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 231). D Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 239).
Onderhoud OLIEPEILSTAAF - 1,6 L DURATEC-16V TI-VCT (SIGMA) A OLIEPEILSTAAF - 2,0 L DURATEC-HE (MI4)/2,3 L DURATEC-HE (MI4) B A B E95540 A MIN B MAX E92036 OLIEPEILSTAAF - 1,6L ECOBOOST SCTI (SIGMA) A A MIN B MAX OLIEPEILSTAAF - 2,0 L ECOBOOST SCTI (MI4) B A B E124917 E134114 A A MIN B MAX B E134040 229 A MIN B MAX
Onderhoud N.B.: Bij verwarming zet olie uit. Daardoor kan het oliepeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan. OLIEPEILSTAAF - 1,6 L DURATORQ-TDCI (DV) DIESEL /2,0 L DURATORQ-TDCI (DW) DIESEL /2,2 L DURATORQTDCI (DW) DIESEL A Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze met een schone, niet pluizende doek schoon. Breng de oliepeilstaaf weer aan en verwijder hem opnieuw om het oliepeil te controleren. B Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.
Onderhoud MOTORKOELVLOEISTOF CONTROLEREN LET OP In een noodgeval kan water in het koelsysteem worden bijgevuld om een tankstation te bereiken. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. Koelvloeistofpeil controleren WAARSCHUWING Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.
Onderhoud N.B.: Bewaar remvloeistof schoon en droog. Vervuiling door vuil, water, petroleumproducten of andere materialen kunnen leiden tot beschadiging en mogelijk het defect raken van het remsysteem. Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij. Bijvullen Verwijder de brandstofdop. N.B.: Het remsysteem en het bedieningsmechanisme van de koppeling zijn aangesloten op één reservoir. LET OP Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.
Onderhoud Specificatie Viscositeitsgraad Motorolie - alleen benzinemotoren WSS-M2C948-B 5W-20 Castrol of Ford motorolie Alternatieve motorolie - alle benzinemotoren WSS-M2C913-C 5W-30 Castrol of Ford motorolie Motorolie - dieselmotoren WSS-M2C913-C 5W-30 Castrol of Ford motorolie Antivries WSS-M97B44-D - Motorcraft SuperPlus antivries WSS-M6C65-A2 of ISO 4925 klasse 6 - Motorcraft of Ford DOT 4 LV High Performance remvloeistof WSS-M2C204-A2 - Ford stuurbekrachtigingsvloeistof Item
Onderhoud Variant Nr. Inhoud in liter (gallons) 1.6L Duratec-16V Ti-VCT Smeersysteem van de motor - inclusief oliefilter 4,1 (0,9) 1.6L Duratec-16V Ti-VCT Smeersysteem van de motor - exclusief oliefilter 3,8 (0,8) 1.6L Duratec-16V Ti-VCT Koelsysteem 1.6L EcoBoost SCTi (Sigma) Smeersysteem van de motor - inclusief oliefilter 4,1 (0,9) 1.6L EcoBoost SCTi (Sigma) Smeersysteem van de motor - exclusief oliefilter 3,8 (0,8) 1.6L EcoBoost SCTi (Sigma) Koelsysteem 6 (1,3) 6,5 (1,4) 2.
Onderhoud Variant Nr. Inhoud in liter (gallons) 2.0L Duratorq-TDCi Smeersysteem van de motor - exclusief oliefilter 2.0L Duratorq-TDCi Koelsysteem 2.2L Duratorq-TDCi Smeersysteem van de motor - inclusief oliefilter 6 (1,3) 2.2L Duratorq-TDCi Smeersysteem van de motor - exclusief oliefilter 5,4 (1,2) 2.
Verzorging van de auto Achterruit reinigen REINIGEN VAN BUITENZIJDE AUTO LET OP Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen op de binnenzijde van de achterruit te reinigen. WAARSCHUWING Wanneer de auto tijdens het wassen in een autowasserette in de was wordt gezet, verwijder dan de was van de voorruit. Gebruik een schone, niet pluizende doek of een vochtige zeem om de binnenzijde van de achterruit te reinigen.
Verzorging van de auto Lichtmetalen velgen en wieldeksels zijn voorzien van een blanke laklaag. Om de goede staat van de velgen en wieldeksels te behouden wordt het volgende aangeraden: • • • REINIGEN VAN BINNENZIJDE AUTO Veiligheidsgordels Wekelijks reinigen met behulp van de aanbevolen wielen- en bandenreiniger. Een spons gebruiken om zware afzettingen (vuil en remmenstof) te verwijderen. Grondig afspoelen met een hogedrukspuit nadat de reinigingsprocedure is voltooid.
Verzorging van de auto KLEINE LAKSCHADE REPAREREN LET OP Verwijder onmiddellijk ogenschijnlijk onschadelijke substanties van het lakwerk (bijvoorbeeld uitwerpselen van vogels, boomsappen, dode insecten, teervlekken, wegenzout en industriële neerslag). Lakbeschadigingen door steenslag of kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk worden hersteld. Uw Ford dealer heeft een grote keuze aan producten. Lees en volg nauwkeurig de instructies van de fabrikant op.
Accu van de auto Hulpstartkabels aansluiten STARTEN MET HULPSTARTKABELS WAARSCHUWING Gebruik brandstofleidingen, motorafdekkingen of inlaatspruitstuk nooit als massapunten. A LET OP Verbind alleen accu's met dezelfde nominale spanning met elkaar. C Gebruik altijd hulpstartkabels met geïsoleerde klemmen en een voldoende dikke kern. D Koppel de ontladen accu niet los van de elektrische installatie van de auto. B E102925 1.
Accu van de auto AANSLUITPUNTEN VAN DE ACCU LET OP Sluit de kabel niet aan op de minpool (–) van de ontladen accu. Zorg ervoor dat de kabels niet met draaiende onderdelen en onderdelen van het brandstoftoevoersysteem in aanraking kunnen komen. Motor starten 1. Start de motor van auto B en laat deze met een matig hoog toerental draaien. 2. Start de motor van auto A. 3. Laat beide motoren minimaal drie minuten draaien alvorens de kabels los te koppelen.
Velgen en banden Uitvoeringen met een ruimtebesparend reservewiel ALGEMENE INFORMATIE LET OP Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan schade aan de auto tot gevolg hebben en kan de typegoedkeuring ongeldig maken. WAARSCHUWINGEN Rijd niet harder dan 80 km/h. Leg zo kort mogelijke afstanden af.
Velgen en banden Het verdient aanbeveling een hydraulische garagekrik te gebruiken wanneer u bijv. de zomerbanden door winterbanden vervangt. Uw boordkrik en wielmoersleutel bevinden zich in de reservewielkuip. Kriksteunpunten N.B.: Gebruik een krik met een minimum hefvermogen van 1,5 ton en een krikkop met een diameter van minimaal 80 mm. LET OP Gebruik alleen de aangegeven kriksteunpunten.
Velgen en banden A B E92658 A Alleen voor gebruik in noodsituaties B Onderhoud A E93184 Uitsparingen in de dorpels A duiden de kriksteunpunten aan.
Velgen en banden Verleng de wielmoersleutel. Type 2 LET OP Het afneembare sleepoog heeft linkse schroefdraad. Draai het linksom om het vast te zetten. Zorg ervoor dat het sleepoog volledig wordt vastgezet. Het afneembare sleepoog bevindt zich in het bagagecompartiment. E93020 Uitvoeringen met zijskirts E122502 E95345 Wielmoersleutel monteren Steek het afneembare sleepoog in de wielmoersleutel.
Velgen en banden Type 2 WAARSCHUWINGEN Schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer uw auto is uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak. Is de auto met een automatische transmissie uitgerust, selecteer dan de stand 'P'. 1 Laat de inzittenden uitstappen. 2 Blokkeer het diagonaal tegenoverliggende wiel met een geschikt blok hout of een wielkeg. Let erop dat bij richting gebonden banden de pijlen in de draairichting wijzen wanneer de auto vooruit rijdt.
Velgen en banden N.B.: De wielmoeren voor lichtmetalen velgen en stalen spaakvelgen kunnen gedurende korte tijd worden gebruikt voor het vastzetten van de stalen velg van het reservewiel (maximaal twee weken). N.B.: Zorg ervoor dat de contactvlakken tussen de velg en de naaf vrij zijn van vreemde voorwerpen. N.B.: Zorg ervoor dat de conische zijde van de wielmoeren naar de velg zijn gekeerd. 1. Breng het wiel aan. 2. Draai de wielmoeren handvast aan. 3. Breng de dopsleutel voor de slotmoer aan.
Velgen en banden • WAARSCHUWING Laat het aanhaalmoment van de wielmoeren en de bandenspanning zo spoedig mogelijk controleren. • BANDENREPARATIESET Uw wagen heeft eventueel geen reservewiel. In dat geval is er een bandenreparatieset aan boord, waarmee u één lekke band kunt repareren. • De bandenreparatieset bevindt zich in de reservewielkuip.
Velgen en banden • • • • Probeer geen vreemde voorwerpen, zoals spijkers of schroeven, uit de band te verwijderen. Laat, wanneer u de set gebruikt, de motor draaien, maar niet wanneer de wagen in een gesloten of slecht geventileerde ruimte staat (bijv. in een gebouw). Zet in dergelijke gevallen de compressor aan zonder de motor te starten. Vervang de fles met het afdichtmiddel door een nieuwe voordat de houdbaarheidsdatum (zie de bovenzijde van de fles) is bereikt.
Velgen en banden 1. A K 2. B J 3. 4. 5. I 6. H 7. C 8. D E94973 G A Beschermkap B Aflaatklep F C Slang D Oranje dop E Flessenhouder F Drukmeter G Stekker met kabel H Compressorschakelaar I Label J Flessendop K Fles afdichtmiddel 9. E 10. 11. 12. 13. 249 Open het deksel van de bandenreparatieset.
Velgen en banden 14. Draai de slang C snel van het ventiel los en breng de beschermdop A aan. Draai het ventieldopje vast. 15. Laat de fles afdichtmiddel K in de flessenhouder E zitten. 16. Zorg ervoor dat de set, de flessendop en de oranje dop veilig worden opgeborgen, maar makkelijk bereikbaar zijn. De set kan weer nodig zijn wanneer u de bandenspanning controleert. 17. Ga onmiddellijk ongeveer drie kilometer (twee mijl) rijden, zodat het afdichtmiddel het lek kan afdichten. N.B.
Velgen en banden VERZORGING VAN BANDEN GEBRUIK VAN WINTERBANDEN LET OP Controleer of u de velgen met de winterbanden met het correcte type wielmoeren hebt bevestigd. Indien winterbanden zijn gemonteerd, controleer dan of de bandenspanning correct is. Zie Technische specificatie (bladzijde 253).
Velgen en banden Uitvoeringen met stabiliteitsregeling (ESP) N.B.: Als u banden aanbrengt zonder bewakingssensoren, dan wordt een bericht in de display weergegeven. Zie Infoberichten (bladzijde 101). Bevestig dit bericht om het systeem te deactiveren. Uitvoeringen met stabiliteitsregeling (ESP) kunnen een wat ongebruikelijke rijkarakteristiek vertonen, hetgeen kan worden verminderd door het aandrijfregelsysteem (traction control) uit te schakelen.
Velgen en banden 4. Selecteer de gewenste instelling en druk op de OK toets om de instelling te bevestigen. 5. Druk op de linker pijltjestoets om het menu te verlaten. Houd de linker pijltoets ingedrukt om naar het scherm van de boordcomputer terug te keren. 1. 2. 3. Belading instellen N.B.: Instrumentenpanelen van type 3 hebben een iets andere menustructuur. Selecteer eerst Instellingen om toegang tot Instellingen te krijgen. 4. 5.
Velgen en banden Tot 160 km/u Normale belasting Uitvoering Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (lbf/ in²) bar (lbf/ in²) bar (lbf/ in²) bar (lbf/ in²) 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,9 (42) 1.6L Duratec-16V TiVCT (Sigma) 205/55 R 16 1.6L EcoBoost SCTi (Sigma), 2.0L EcoBoost SCTi (MI4), 1.6L Duratorq-TDCi (DV) Diesel Fase V, 2.0L Duratorq-TDCi (DW) en 2.2L Duratorq-TDCi (DW) 215/55 R 16 235/45 R18 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,9 (42) 1.6L EcoBoost SCTi (Sigma), 2.
Velgen en banden Normale belasting Uitvoering * Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (lbf/ in²) bar (lbf/ in²) bar (lbf/ in²) bar (lbf/ in²) 1.6L EcoBoost SCTi (Sigma), 2.0L EcoBoost SCTi (MI4), 1.6L Duratorq-TDCi (DV) Diesel Fase V, 2.0L Duratorq-TDCi (DW) en 2.2L Duratorq-TDCi (DW) 235/40 R 19 2,4 (35) 2,2 (32) 2,6 (38) 3 (44) 2.0L Duratec-HE (MI4) en 2.3L Duratec-HE (MI4) 215/55 R 16 * 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,9 (42) 2.0L Duratec-HE (MI4) en 2.
Velgen en banden Snelheid continu hoger dan 160 km/u (100 mph) Normale belasting Uitvoering Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (lbf/ in²) bar (lbf/ in²) bar (lbf/ in²) bar (lbf/ in²) 1.6L Duratec-16V TiVCT (Sigma) 205/55 R 16 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,9 (42) 1.6L EcoBoost SCTi (Sigma), 2.0L Duratec-HE (MI4), 2.3L Duratec-HE (MI4) en 1.6L Duratorq-TDCi (DV) Diesel Fase V 215/55 R 16, 235/40 R 18, 235/45 R 18 en 235/40 R 19 2,4 (35) 2,2 (32) 2,6 (38) 3,1 (45) 1.
Voertuigidentificatie N.B.: Het ontwerp van het identificatieplaatje kan afwijken van het getoonde plaatje. VOERTUIGIDENTIFICATIEPLAATJE N.B.: De informatie op het identificatieplaatje is afhankelijk van de vereisten per land.
Voertuigidentificatie VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER E87496 Het Voertuig Identificatie Nummer (chassisnummer) is rechtsvoor naast de voorstoel in de bodemplaat ingeslagen. Het is ook op de linkerzijde van het instrumentenpaneel vermeld.
Inhouden en specificaties TECHNISCHE SPECIFICATIE Afmetingen van de auto 4-deurs Beschrijving van afmeting Afmeting in mm Maximale lengte - zonder bumper-stylingset 4850 (190,9) Maximale lengte - met bumper-stylingset 4866 (191,6) Totale breedte inclusief buitenspiegels 2092 (82,4) Totale hoogte - EC rijklaargewicht 1460 - 1500 (57,5 - 59,1) Wielbasis 2850 (112,2) Spoorbreedte, voor 1579 - 1589 (62,2 - 62,6) Spoorbreedte, achter 1595 - 1605 (62,8 - 63,2) 5-deurs Beschrijving van afmeting Af
Inhouden en specificaties Beschrijving van afmeting Afmeting in mm Totale hoogte - EC rijklaargewicht zonder dwarsprofielen dakrails 1472 - 1512 (58 - 59,5) Totale hoogte - EC rijklaargewicht met dwarsprofielen dakrails 1508 - 1548 (59,4 - 61) Wielbasis 2850 (112,2) Spoorbreedte, voor 1579 - 1589 (62,2 - 62,6) Spoorbreedte, achter 1595 - 1605 (62,8 - 63,2) Afmetingen trekhaak A B C D E F G E87092 260
Inhouden en specificaties 4-deurs Item Beschrijving van afmeting Afmeting in mm A Bumper – achterzijde trekhaakkogel 102 (4) B Bevestigingspunt – hart trekhaakkogel 1 (0,04) C Hart wiel – hart trekhaakkogel D Hart trekhaakkogel – langsbalk 438 (17,2) E Binnenzijde langsbalk 876 (34,5) F Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigingspunt 434 (17,1) G Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt 707 (27,8) 1150 (45,3) 5-deurs Item Beschrijving van afmeting Afmeting in mm A Bumper – ac
Inhouden en specificaties Stationwagon Item Beschrijving van afmeting Afmeting in mm A Bumper – einde van trekhaakkogel (zonder bumperstylingset) 100 (3,9) A Bumper – einde van trekhaakkogel (met bumperstylingset) 95 (3,7) A Bumper – einde van trekhaakkogel (zonder bumperstylingset, met niveauregeling) 113 (4,4) A Bumper – einde van trekhaakkogel (met bumperstylingset, met niveauregeling) 108 (4,3) B Bevestigingspunt – hart trekhaakkogel 1 (0,04) C Hart wiel – hart trekhaakkogel D Hart
Inleiding audio-installatie Labels op het audiotoestel BELANGRIJKE AUDIOINFORMATIE WAARSCHUWINGEN Door technische verschillen kunnen opneembare CD’s (CD-R's) en opnieuw beschrijfbare CD’s (CD-RW's) mogelijk niet correct functioneren. E66256 Op deze toestellen kunnen CD's worden afgespeeld die aan de International Red Book standaard audiospecificatie voldoen.
Overzicht audio-installatie 6000CD A B C Q D P E O F N G H M L K J I E141803 A CD-sleuf. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 281). B Aan, uit en volumeregeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 270). C CD uitwerpen. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 284). D Klok. Zie Tijd en datum van de audio-installatie instellen (bladzijde 268). A Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 273). F Map omhoog. G Map omlaag. H Oproep beëindigen. Zie Telefoon (bladzijde 290).
Overzicht audio-installatie O Lage- en hoge-tonenregeling. Zie Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling (bladzijde 270). Balans- en fade-regeling. Zie Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling (bladzijde 270). P Radio en golfband selecteren. Zie Golfband toets (bladzijde 273). Q Extra ingang en CD selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 287). Zie CD-speler (bladzijde 281). Sony CD en Sony CD DAB A B C E D F G S R H Q I P J E138370 O M N L K A Scannen.
Overzicht audio-installatie J Aan/uit-regeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 270). K Balans- en fade-regeling. Zie Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling (bladzijde 270). L Oproep beëindigen. Zie Telefoon (bladzijde 290). M Volumeregeling, navigatietoetsen en keuzetoets. N Oproep beantwoorden. Zie Telefoon (bladzijde 290). O Toonregeling. Zie Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling (bladzijde 270). P Telefoonmenu. Zie Telefoon (bladzijde 290). Q Radio en golfband selecteren.
Beveiliging van uw audio-installatie BEVEILIGINGSCODE ONJUISTE BEVEILIGINGSCODE Elk toestel bevat een unieke code die moet worden ingevoerd voordat het toestel kan worden gebruikt. Maximaal zijn 10 invoerpogingen van de unieke code toegestaan, met verschillende consequenties indien u een fout maakt. Is de accu losgekoppeld of is het toestel uit de auto verwijderd geweest, dan moet de code opnieuw worden ingevoerd voordat het toestel kan worden gebruikt.
Audiodisplays met tijd- en datumaanduiding 12/24 uurs modus TIJD EN DATUM VAN DE AUDIO-INSTALLATIE INSTELLEN 1. Druk enkele malen op de MENU toets totdat het 12/24 symbool in het display verschijnt. 2. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gewenste instelling te kiezen. 3. Druk enkele malen op de MENU toets of laat het menu de functie afbreken om uw selectie te bevestigen. 6000CD Datum en tijd veranderen Druk op de CLOCK toets om de datum en tijd weer te geven. N.B.
Audiodisplays met tijd- en datumaanduiding 3. Druk op de linker of rechter navigatietoets om de gewenste instelling te selecteren. 4. Druk op de MENU toets of de toets tussen de navigatietoetsen om uw selectie te bevestigen.
Werking van de audio-installatie 1. Druk eenmaal op de TONE knop voor de instelling bass, tweemaal voor middle of driemaal voor treble. 2. Gebruik de navigatietoets opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gewenste aanpassingen door te voeren. AAN/UIT TOETS Druk op de aan/uit knop. Hierdoor kan het toestel nog een uur nadat het contact is afgezet worden gebruikt. Na een uur schakelt het radiotoestel automatisch uit.
Werking van de audio-installatie Gebruik de MENU toets om toegang te verkrijgen tot functies die niet direct via een van de bedieningstoetsen gekozen kunnen worden. Druk op de MENU toets voor functies op het eerste niveau, of op de MENU toets en houd deze ingedrukt voor functies op het tweede niveau (niet leverbaar op Sony of Sony DAB toestellen).
Werking van de audio-installatie Sony CD en Sony CD DAB Menufuncties Tijdens radio-ontvangst Tijdens het afspelen van een CD 12/24 uur 12/24 uur CLIP AAN/UIT CLIP AAN/UIT Nieuws AAN/UIT Nieuws AAN/UIT 1 AVC AVC 2 1 2 AF AF TA volume TA volume Lokale of algemene verkeersberichten Lokale of algemene verkeersberichten Regionaal AAN/UIT Shuffle 3 3 - Herhalen - Comp AAN/UIT N.B.
Werking van de audio-installatie Sony CD Dit kan op elke golfband en voor iedere voorkeuzetoets worden herhaald. Druk op de AST of RADIO toets en houd deze ingedrukt. N.B.: Wanneer u naar een ander deel van het land rijdt, worden FM RDS (Radio Data System) radiostations die op alternatieve frequenties uitzenden onder de voorkeuzetoetsen opgeslagen. REGELING FUNCTIE VERKEERSINFORMATIE Veel radiostations die op de FM-band uitzenden hebben een TP-code die aangeeft dat deze verkeersinformatie uitzenden.
Werking van de audio-installatie Wanneer het verkeersinformatiesignaal zwakker wordt, knippert TP in het display. Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken (de linker of rechter navigatietoets op Sony of Sony DAB audiotoestellen) om een ander radiostation te zoeken. 3. Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om lokale (TA LOCAL) dan wel algemene (TA DIST) verkeersinformatie te selecteren. 4.
Werking van de audio-installatie Zoeken N.B.: Het gekozen niveau wordt in het display weergegeven. 6000CD Verkeersberichten beëindigen Kies een golfband en druk kort op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken. Het toestel stopt bij het eerste radiostation dat in de door u gekozen richting wordt gevonden. Aan het einde van een verkeersbericht gaat het audiotoestel weer door met zijn normale werking. Om een verkeersbericht voortijdig af te breken, drukt u tijdens het verkeersbericht op TA.
Werking van de audio-installatie Scanfunctie Met de SCAN functie kunt u elk gevonden station 10 seconden lang beluisteren. 6000CD 1. Druk enkele malen op de MENU toets totdat SCAN in het display wordt weergegeven. 2. Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gekozen golfband omhoog of omlaag af te zoeken. 3. Afhankelijk van het audiotoestel drukt u op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken of op de MENU toets om verder te luisteren naar een radiostation.
Menu's audio-installatie DSP-instellingen wijzigen AUTOMATISCHE VOLUMEREGELING 1. Druk eenmaal op de DSP toets voor bezette zitplaatsen en tweemaal voor de equalizer. Positie van onderdeel: Zie Overzicht audio-installatie (bladzijde 264). 2. Gebruik de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gewenste instelling te kiezen. 3. Druk op de toets tussen de navigatietoetsen om uw keuze te bevestigen.
Menu's audio-installatie Sony en Sony DAB Wanneer AF-MAN is gekozen, werkt het toestel op dezelfde wijze als bij AF-AUTO of AF-ON, maar er wordt dan alleen naar alternatieve frequenties gezocht wanneer op een voorkeuzetoets wordt gedrukt. 1. Druk kort op de MENU toets. 2. Gebruik de navigatietoets omhoog of omlaag om CLIP te selecteren. 3. Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen.
Menu's audio-installatie Sony en Sony DAB REGIONALE MODUS (REG) 1. Druk kort op de MENU toets. 2. Gebruik de navigatietoets omhoog of omlaag om REGIONAL te selecteren. 3. Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen. De regionale modus (REG) regelt het gedrag van AF door tussen regionale netwerken van een hoofdzender te schakelen. Een zender kan over een groot netwerk beschikken dat in een groot gedeelte van het land te ontvangen is.
Menu's audio-installatie 4. Gebruik de linker of de rechter navigatietoets om de functie in- of uit te schakelen. 5. Druk op de MENU toets of de toets tussen de navigatietoetsen om uw selectie te bevestigen.
CD-speler Sony en Sony DAB CD'S AANBRENGEN 1. Druk eenmaal op de navigatietoets voor opwaarts zoeken om naar het volgende nummer te gaan of druk er meerdere malen op om naar daaropvolgende nummers te gaan. 2. Druk eenmaal op de navigatietoets voor neerwaarts zoeken om het huidige nummer te herhalen. Wanneer binnen twee seconden vanaf het begin van een nummer op deze toets wordt gedrukt, dan wordt het vorige nummer gekozen. 3.
CD-speler 6. Herhaal stap vier en vijf om de resterende CD's te verwijderen. 7. Breng het magazijn in de door de pijl aangegeven richting aan. Er is een duidelijke klik hoorbaar ter bevestiging van correct laden. 8. Sluit het portier. CD AFSPELEN N.B.: Tijdens het afspelen wordt de CD, het nummer en de tijd die is verstreken sinds de start van het nummer in het display weergegeven. E66144 Open het portier. Druk de toets. Verwijder het magazijn.
CD-speler Sony en Sony DAB Sony CD en Sony CD DAB Druk op de linker of rechter navigatietoets en houd deze ingedrukt om voorwaarts of achterwaarts te zoeken binnen de nummers van de CD. 1. Druk op de MENU toets. 2. Scroll met de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat SHUFFLE in het display wordt weergegeven. 3. Gebruik de linker of de rechter navigatietoets om de functie in- of uit te schakelen.
CD-speler 4. Gebruik de linker of de rechter navigatietoets om de functie in- of uit te schakelen. 5. Druk op de MENU toets of de toets tussen de navigatietoetsen om uw selectie te bevestigen. CD'S UITWERPEN N.B.: De radio-ontvangst wordt automatisch hervat wanneer op de toets EJECT wordt gedrukt. N.B.: Wanneer onbedoeld op de EJECT toets wordt gedrukt, kunt u het uitwerpen annuleren door nogmaals op de toets te drukken.
CD-speler Een multi session CD afspelen 3. Kies met behulp van de linker of rechter navigatietoetsen REPEAT TRACK of REPEAT OFF. 4. Druk op de MENU toets om uw keuze te bevestigen. De normale afspeelvolgorde bij CD’s met meerdere mappen is eerst de nummers in de bovenliggende map, dan de nummers in de eerste onderliggende map, vervolgens de nummers in de tweede onderliggende map, etc.
CD-speler Opties weergave CD tekst Wanneer een audio CD met CD tekst wordt afgespeeld, kan een beperkte hoeveelheid informatie, die aan elk nummer is toegevoegd, worden weergegeven. Deze informatie omvat meestal: • • • De naam van de CD De naam van de artiest De naam van het nummer. N.B.: Deze display-opties kunnen op dezelfde wijze worden gekozen als bij MP3 CD’s. NO DISC NAME of NO TRACK NAME wordt weergegeven in de display als geen informatie is gecodeerd.
Ingangsaansluiting (AUX IN) N.B.: Stel voor optimale prestaties bij het afspelen van een extra apparaat het volume daarvan hoog. Hierdoor worden storingen gereduceerd wanneer het apparaat wordt aangesloten op de aansluiting voor de sigarenaansteker in de auto. Via de extra ingang (AUX IN), indien aanwezig, kan een extra apparaat zoals een MP3-speler op het audiotoestel van de auto worden aangesloten. Het geluid kan via de autoluidsprekers worden weergegeven.
Storingen verhelpen audio-installatie Display van het audiotoestel Remedie CD ERROR PLEASE CHECK CD CDC ERROR Algemeen storingsbericht voor storingen tijdens het afspelen van een CD, bijv.: kan CD niet aflezen, data-CD aangebracht. Kan ook wijzen op een storing in het audiotoestel. Controleer of de CD correct geladen is, reinig de CD en laad deze opnieuw of vervang de CD door een voor u bekende muziek-CD. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 284). Zie CD's aanbrengen (bladzijde 281).
Storingen verhelpen audio-installatie Display van het audiotoestel Remedie LOCKED Bericht dat aangeeft dat de systeembeveiliging het toestel heeft geblokkeerd nadat herhaaldelijk onjuiste Keycodes zijn ingegeven. Neem contact op met uw Ford dealer. KEYCODE.... ENTER KEYCODE.... INCORRECT Bericht dat u vraagt, de Keycode in te geven. Zie Beveiligingscode invoeren (bladzijde 267). Bericht dat u informeert dat de ingegeven Keycode onjuist is. Zie Onjuiste beveiligingscode (bladzijde 267).
Telefoon ALGEMENE INFORMATIE SETUP TELEFOON Telefoonboek LET OP Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen. Na het opstarten kan het al naar gelang de grootte enkele minuten duren voordat u toegang tot de telefoonboeklijst krijgt. Telefoonboekcategorieën In dit hoofdstuk worden de functies en eigenschappen van het handsfree systeem voor de Bluetooth mobiele telefoon beschreven.
Telefoon Van een telefoon een actieve telefoon maken Telefoons bedienen Er kunnen maximaal zes Bluetooth apparaten aan het systeem in de auto worden gekoppeld. Wanneer het systeem voor het eerst wordt gebruikt, zijn er nog geen telefoons gekoppeld met het systeem. N.B.: Wanneer met de telefoon die als de nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd een gesprek wordt gevoerd, wordt het gesprek doorgeschakeld naar het audiosysteem in de auto.
Telefoon N.B.: Als de audiounit wordt uitgeschakeld, wordt een telefoongesprek verbroken. Wanneer de contactsleutel in de stand '0' wordt gezet, blijft de telefoonverbinding behouden. N.B.: Raadpleeg de handleiding van de audio-unit voor meer informatie over de bedieningsorganen. Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn. Zelfs wanneer uw telefoon op de audio-unit is aangesloten, kan de telefoon op de gebruikelijke wijze worden gebruikt. BEDIENINGSELEMENTEN TELEFOON Afstandsbediening N.B.
Telefoon Een nummer kiezen m.b.v. het adresboek - Sony radio Een gesprek beëindigen Gesprekken kunnen worden beëindigd door op de toets 'weigeren' te drukken. U kunt via Bluetooth toegang krijgen tot uw adresboek. De namen en nummers verschijnen op het display van het apparaat. Bij audio-units zonder telefoontoetsenblok kunt u ook een gesprek beëindigen door op PHONE, CD, AM/FM of ON/OFF te drukken of door op de toets MODE op de afstandsbediening te drukken. 1. Druk op de toets PHONE. 2.
Telefoon 4. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden' om het telefoonnummer te kiezen. Een tweede inkomend gesprek weigeren Een tweede inkomend gesprek kan worden geweigerd door op de toets 'weigeren' te drukken. Bij audio-units zonder telefoontoetsenblok kunt u ook een tweede inkomend gesprek weigeren door op de toets CD of de toets AM/FM te drukken. Laatst gekozen nummer opnieuw kiezen - Sony radio 1. Druk op de toets 'beantwoorden'. 2.
Telefoon Met behulp van het menu op de audio-unit Een gekoppelde telefoon ontkoppelen - Sony radio N.B.: Nadat een telefoon aan het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon. Een actieve telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd. 1. 2. 3. 4. 5. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'. Druk op de MENU toets op de audio-unit. Selecteer de ACTIVE PHONE optie op de audio-unit.
Telefoon Een gesprek beëindigen Een tweede inkomend gesprek beantwoorden Gesprekken kunt u beëindigen door op de toets BEËINDIGEN, de toets MODE op de afstandsbediening of de toets AAN/UIT op het navigatiesysteem te drukken. Een tweede inkomend gesprek kunt u aannemen door op de toets 'beantwoorden', de toets MODE op de afstandsbediening of de toets PHONE op het apparaat te drukken of door de optie AANNEMEN in het menu te gebruiken. Een nummer herhalen 1. Druk op de toets PHONE op het apparaat. 2.
Telefoon 2. Selecteer met behulp van de optie BT-INSTELLINGEN in het menu de actvieve telefoon in de lijst. Actieve telefoon afmelden Een actieve telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd. 1. Druk op de toets PHONE op het apparaat. 2. Selecteer de optie BT-INSTELLINGEN in het menu. 3. Selecteer de AFMELDEN optie in het menu. 4. Selecteer de telefoon in de lijst.
Spraaksturing Reactie van het systeem WERKING Wanneer u een gesproken commando geeft, antwoordt het systeem telkens met een piep wanneer het gereed is om door te gaan. LET OP Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen. Probeer geen nieuwe commando's te geven voordat u de piep hebt gehoord. Het spraakbesturingssysteem herhaalt elk gesproken commando.
Spraaksturing Short cuts Druk de toets opnieuw in om de spraakbesturing uit te schakelen. Er zijn een aantal gesproken woorden (short cuts) mogelijk, waarmee u enkele functies van de auto kunt regelen zonder het complete commandomenu te hoeven volgen. Dit zijn: • • • • • • Spraaklabel Het spraaklabel kan de telefoon, de audio-installatie en het navigatiesysteem ondersteunen door gebruik te maken van de "STORE NAME" functie (naam opslaan).
Spraaksturing "CD PLAYER" ** "SHUFFLE FOLDER" "SHUFFLE OFF" "REPEAT FOLDER" ** "REPEAT TRACK" "REPEAT OFF" * Kan als short cut worden gebruikt. ** Alleen beschikbaar als de CD audiogegevensbestanden bevat, zoals MP3 of WMA. Muzieknummer U kunt direct een muzieknummer op de CD kiezen. Stappen Gebruiker zegt 1 "CD PLAYER" Systeem antwoordt "CD PLAYER" 2 "TRACK NUMBER PLEASE" "TRACK" 3 "" * ** "TRACK " * Kan als short cut worden gebruikt.
Spraaksturing CD-wisselaar Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden. Overzicht "CD CHANGER" "HELP" "PLAY" * "DISC" * "TRACK" "SHUFFLE ALL" "SHUFFLE CD" "SHUFFLE FOLDER" ** "SHUFFLE OFF" "REPEAT CD" "REPEAT FOLDER" ** "REPEAT TRACK" "REPEAT OFF" * Kan als short cut worden gebruikt.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "CD CHANGER" "CD CHANGER" 2 "DISC" "DISC NUMBER PLEASE" 3 "" "DISC " * * Kan als short cut worden gebruikt. Muzieknummer U kunt direct een muzieknummer op de CD kiezen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "CD CHANGER" "CD CHANGER" 2 "TRACK" 3 "" "TRACK NUMBER PLEASE" * ** "TRACK " * Kan als short cut worden gebruikt. ** Getallen kunnen ook als max.
Spraaksturing "RADIO" "HELP" "AM" "FM" "TUNE NAME" * "DELETE NAME" "DELETE DIRECTORY" "PLAY DIRECTORY" "STORE NAME" "PLAY" * Kan als short cut worden gebruikt. Afstemfrequentie Met deze functie kunt u met gesproken commando's afstemmen op radiostations. Stappen Gebruiker zegt 1 "RADIO" "RADIO" 2 "AM" "AM FREQUENCY PLEASE" "FM" "FM FREQUENCY PLEASE" 3 "" Systeem antwoordt "TUNE " * * De frequentie kan op verschillende manieren worden ingevoerd.
Spraaksturing • • "Fifteen zero three" (1503) "Ten eighty" (1080) Naam opslaan Wanneer u op een radiostation hebt afgestemd, kunt u deze met een naam in het bestand opslaan. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "RADIO" "RADIO" 2 "STORE NAME" "STORE NAME" "NAME PLEASE" 3 "" "REPEAT NAME PLEASE" 4 "" "STORING NAME" " STORED" Afstemmen op naam Met deze functie kunt u op een opgeslagen radiostation afstemmen.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt "CONFIRM YES OR NO" 4 "YES" "DELETED" "NO" "COMMAND CANCELLED" Bestand afspelen Met deze functie kunt u het systeem alle opgeslagen radiostations laten opnoemen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "RADIO" "RADIO" 2 "PLAY DIRECTORY" "PLAY " Bestand wissen Met deze functie kunt u alle opgeslagen radiostations wissen.
Spraaksturing Auxiliary ingang Met deze functie laat u de audiobron overschakelen op het aangesloten apparaat met auxiliary ingang. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "EXTERNAL DEVICE" "EXTERNAL DEVICE" 2 "LINE IN" "LINE IN" Overzicht Externe apparaten - USB Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
Spraaksturing Afspelen USB Met deze functie laat u de audiobron overschakelen op het aangesloten USB-apparaat. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "EXTERNAL DEVICE" "EXTERNAL DEVICE" 2 "USB" "USB" 3 "PLAY" USB-muzieknummer U kunt direct een muzieknummer op het USB-apparaat kiezen.
Spraaksturing "EXTERNAL DEVICE", "IPOD" "SHUFFLE ALL" "SHUFFLE PLAYLIST" "SHUFFLE OFF" "REPEAT TRACK" "REPEAT OFF" * Kan als short cut worden gebruikt. ** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 317). iPod-muzieknummer U kunt direct een muzieknummer op de iPod kiezen in de lijst met alle titels.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "EXTERNAL DEVICE" "EXTERNAL DEVICE" 2 "IPOD" "IPOD" 3 "PLAYLIST" "PLAYLIST NUMBER PLEASE" 4 "" * "PLAYLIST " * Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 317). Overzicht COMMANDO’S TELEFOON Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's.
Spraaksturing "TELEFOON" "ACCEPT CALLS" "REJECT CALLS" * Kan als short cut worden gebruikt. Telefoonfuncties Nummer kiezen Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen. Stappen Gebruiker zegt 1 "TELEFOON" Systeem antwoordt "TELEFOON" 2 "DIAL NUMBER" "NUMBER PLEASE" 3 "" " CONTINUE?" 4 "DIAL" "DIALLING" "CORRECTION" " CONTINUE?" * * Kan als short cut worden gebruikt.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 4 "YES" "DIALLING" "NO" "COMMAND CANCELLED" * Kan als short cut worden gebruikt. Nummer herhalen Deze functie maakt het mogelijk het laatst gekozen nummer te herhalen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "TELEFOON" "TELEFOON" 2 "REDIAL" "REDIAL" "CONFIRM YES OR NO" 3 "YES" "DIALLING" "NO" "COMMAND CANCELLED" * * Kan als short cut worden gebruikt.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 2 "NUMBER PLEASE" "" Een telefoonboek aanleggen Naam opslaan Nieuwe spraaklabels kunnen worden opgeslagen met het commando "STORE NAME". Deze functie kan worden gebruikt voor het kiezen van een nummer door de naam in plaats van het complete telefoonnummer uit te spreken.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "TELEFOON" "TELEFOON" 2 "DELETE NAME" "NAME PLEASE" 3 "" "DELETE " "CONFIRM YES OR NO" 4 "YES" " DELETED" "NO" "COMMAND CANCELLED" Bestand afspelen Gebruik deze functie om het systeem alle opgeslagen namen en nummers te laten opnoemen.
Spraaksturing Hoofdinstellingen Oproepen kunnen zo worden ingesteld dat ze met spraakbesturing automatisch worden geweigerd. Oproepen weigeren Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "TELEFOON" "TELEFOON" 2 "REJECT CALLS" "REJECT CALLS" "ACCEPT CALLS" * "ACCEPT CALLS" * schakel met dit commando de modus 'weigeren' uit Overzicht COMMANDO’S NAVIGATIESYSTEEM Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's.
Spraaksturing "CLIMATE" "TEMPERATURE" "AUTO MODE" * * * Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short cut "FAN" niet beschikbaar. Aanjager Met deze functie kunt u het aanjagertoerental instellen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "CLIMATE" "CLIMATE" 2 "FAN" "FAN SPEED PLEASE" "MINIMUM" "FAN MINIMUM" 3 "" "FAN " "MAXIMUM" "FAN MAXIMUM" a * Kan als short cut worden gebruikt.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "CLIMATE" "CLIMATE" 2 "TEMPERATURE" "MINIMUM" "TEMPERATURE MINIMUM" 3 "" of "" "TEMPERATURE " "MAXIMUM" "TEMPERATURE MAXIMUM" "TEMPERATURE PLEASE" * * Kan als short cut worden gebruikt. Automatische functie Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "CLIMATE" "CLIMATE" 2 "AUTO MODE" "AUTO MODE" * * Kan als short cut worden gebruikt.
Verbinding N.B.: De toegangstijd voor het lezen van de bestanden van het externe apparaat variëren afhankelijk van factoren zoals de bestandsstructuur, de grootte van het bestand en de inhoud van het apparaat. ALGEMENE INFORMATIE LET OP Ga voorzichtig te werk bij het omgaan met externe apparaten met blootliggende stekkers (zoals de USB-plug). Vervang altijd de beschermkap/beschermplaat (indien mogelijk). Er bestaat kans op elektrostatische ontlading, wat tot schade aan het apparaat kan leiden.
Verbinding Houd u aan het volgende: • 1000 items per map (bestanden, mappen en afspeellijsten) • 5000 mappen met USB-apparaat (inclusief afspeellijsten) • 8 submapniveau's. EXTERN APPARAAT AANSLUITEN WAARSCHUWING Zorg dat het externe apparaat stevig in de auto is bevestigd en dat bijbehorende aansluitingen de bedieningselementen voor het rijden niet blokkeren.
Verbinding EXTERN APPARAAT AANSLUITEN - AUTO'S MET: BLUETOOTH USB-APPARAAT GEBRUIKEN Verschillende pictogrammen worden gebruikt voor het herkennen van verschillende audiobestanden, mappen enz. Bluetooth audio-apparaat aansluiten USB-apparaat is de actieve bron LET OP E100029 Omdat er verschillende standaarden bestaan, kunnen fabrikanten een groot aantal profielen in hun Bluetooth apparaten implementeren.
Verbinding Druk eenmaal op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van het apparaat te bladeren. Druk op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van het apparaat te bladeren. De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie: • Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het mapoverzicht aan.
Verbinding De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie: • Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het mapoverzicht aan. • ">" na een ingang geeft aan dat een niveau lager leesbaar is (bijvoorbeeld een map vernoemd naar een album met afzonderlijke albumnummers in de betreffende map). • "<" links van de display geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is.
Verbinding • • "<" links van de display geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is. Pictogrammen aan de linkerzijde van de nummer-/maptekst geven het type bestand/map aan. Raadpleeg de lijst voor een uitleg van deze pictogrammen. IPOD GEBRUIKEN Verschillende pictogrammen worden gebruikt voor het herkennen van verschillende audiobestanden, mappen enz. iPod is de actieve bron Gebruik voor het navigeren door de inhoud van het USB-apparaat de scroll-toetsen om door lijsten te bladeren.
Verbinding De iPod-menulijst voor het bladeren door de inhoud is beschikbaar via de radiodisplay. Bladeren door de inhoud is gebaseerd op hetzelfde principe als voor het gebruik van een stand-alone iPod (bijvoorbeeld zoeken op artiest, titel enz.). Druk eenmaal op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van de iPod te bladeren. Houd de pijltjestoetsen naar links/rechts ingedrukt om snel achteruit/vooruit door een nummer te gaan.
Verbinding De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie: • Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het lijstoverzicht aan. • ">" na een ingang geeft aan dat een niveau omlaag leesbaar is (bijvoorbeeld alle albums van een bepaalde artiest). • "<" voor de lijst geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is.
Verbinding • • "<" voor de lijst geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is. Een pictogram aan de linkerzijde geeft het type van de op dit moment weergegeven lijst aan (bijvoorbeeld een albumlijst). Raadpleeg de lijst voor een uitleg van deze pictogrammen. Gebruik voor het navigeren door de inhoud van de iPod de scroll-toetsen om door lijsten te bladeren.
Bijlagen www.novero.com/declaration_of_conformity TYPEGOEDKEURINGEN Het woord, het merk en de logo's Bluetooth zijn eigendom van Bluetooth SIG Inc. en de Ford Motor Company mag dergelijke merktekens onder licentie gebruiken. Namen van andere producten en bedrijven kunnen handelsmerken of handelsnamen van de respectieve eigenaren zijn. FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE Het apparaat voldoet aan Deel 15 van de FCC-regelgeving.
Bijlagen E114220 Certificaat voor Verenigde Arabische Emiraten TYPEGOEDKEURINGEN EU-verklaring Valeo verklaart hierbij dat dit korte bereik-apparaat voldoet aan de noodzakelijke vereisten en andere relevante bepalingen in Directive 1999/5/EC.
Bijlagen ELEKTROMAGNETISCHE COMPATIBILITEIT WAARSCHUWINGEN Monteer geen zender/ontvangers, microfoons, luidsprekers en dergelijke in het ontvouwbereik van de airbags. WAARSCHUWINGEN Uw auto is getest en gecertificeerd volgens de wetgeving betreffende elektromagnetische comptabiliteit (72/245/EEC, UN ECE Regeling 10 of andere geldende lokale vereisten). U dient ervoor te zorgen dat apparatuur die u heeft gemonteerd voldoet aan de betreffende lokale wetgeving.
Bijlagen Frequentieband MHz Maximum uitgangsvermogen in watt (piek RMS) Antenneplaatsen 1 – 30 50 W 3, 4 30 – 54 50 W 1, 2, 3 68 – 87,5 50 W 1, 2, 3 142 – 176 50 W 1, 2, 3 380 – 512 50 W 1, 2, 3 806 – 940 10 W 1, 2, 3 1200 – 1400 10 W 1, 2, 3 1710 – 1885 10 W 1, 2, 3 1885 – 2025 10 W 1, 2, 3 N.B.: Controleer na het aanbrengen van een RF zender of deze niet de overige elektrische uitrusting in de wagen stoort, zowel in de standby- als in de zendmodus.
330
Index A Adaptieve cruise control gebruiken ...........................................................................175 Afstand tot uw voorligger instellen..............177 Automatisch uitschakelen..............................178 Het systeem inschakelen.................................176 Ingestelde snelheid veranderen....................176 Snelheid instellen...............................................176 Systeem tijdelijk deactiveren.........................178 Systeem uitschakelen................
Index B Asbak.................................................................133 Asbak, achterin....................................................133 Asbak, voorin........................................................133 Bagageafdekkingen......................................191 Audiobediening................................................51 Afdekking bagageruimtevloer opbergen Stationwagon zonder reserveband van volledige afmeting.........................................192 Modus...............
Index Belangrijke audio-informatie..................263 CD afspelen...................................................282 CD etiketten.........................................................263 Labels op het audiotoestel............................263 CD-nummers comprimeren....................283 Bergen van de auto......................................216 Bescherming van inzittenden...................30 Alle behalve Sony en Sony DAB...................283 Sony en Sony DAB...............................
Index Dashboardkastje...........................................134 Eerstehulpset................................................202 Elektrisch bedienbare ruiten......................75 Gekoeld handschoenenkastje.......................134 De juiste zitpositie innemen.....................126 De motorkap openen en sluiten.............219 Antiklemfunctie....................................................76 Geheugen van de elektrisch bedienbare ruiten opnieuw instellen................................
Index Extra verwarming..........................................118 Gebruik maken van snelheidsregeling.......................................172 Afstandsbediening programmeren..............122 Batterij van afstandsbediening vervangen...........................................................121 Extra verwarming diesel (afhankelijk van het land)............................................................122 Feedback tijdens starten en uitschakelen......................................................
Index Gloeilampen vervangen...............................67 Hoofdsteunen................................................129 Achterlichtunits....................................................70 Dagrijlichten...........................................................68 Derde remlicht........................................................71 Instapverlichting...................................................69 Interieurverlichting................................................
Index Infoberichten...................................................101 Interieurverlichting.........................................63 Accu en laadsysteem........................................103 Actief veersysteem............................................102 Actuele berichten bekijken.............................102 Airbag......................................................................102 Alarmsignaal........................................................
Index M N Menu's audio-installatie............................277 Meters.................................................................82 Nieuwsberichten..........................................279 Alle behalve Sony en Sony DAB...................279 Sony en Sony DAB.............................................279 Brandstofmeter....................................................84 Koelvloeistoftemperatuurmeter....................83 Nummer selecteren.....................................
Index R Overzicht motorruimte - 2,2 l Duratorq-TDCi (DW) diesel .................228 Overzicht motorruimte - 2,3 l Duratec-HE (MI4)..............................................................224 Overzicht van symbolen.................................7 Reductie geluidsvervorming (CLIP).............................................................277 Alle behalve Sony en Sony DAB....................277 Sony en Sony DAB.............................................278 Symbolen in dit instructieboekje......
Index S Snelheidsbegrenzer gebruiken.................181 De snelheidslimiet doelbewust overschrijden...................................................182 Snelheidslimiet instellen..................................181 Systeemwaarschuwingen...............................182 Schuifbare laadvloer...................................189 Opbergvak............................................................190 Schuifdak Snelheidsbegrenzer......................................181 Zie: Elektrisch zonnedak......
Index Stoelverhogers ...............................................23 Trekken van een aanhanger......................197 Kinderzitje (Groep 2)...........................................23 Zitverhoger (Groep 3).........................................24 Tripcomputer...................................................97 Steile hellingen....................................................197 Storingen verhelpen audio-installatie.......................................
Index Vergrendelen en ontgrendelen.................38 Voorruitwissers...............................................53 Achterklep..............................................................40 Automatisch opnieuw vergrendelen.............41 Bevestiging van vergrendelen en ontgrendelen....................................................38 Centrale vergrendeling.......................................38 De portieren van binnenuit vergrendelen en ontgrendelen..................................................
Index Waarschuwingssignaal veiligheidsgordel..........................................33 Herinneringssysteem uitschakelen...............33 Wagen wassen Zie: Reinigen van buitenzijde auto..............236 Wassen Zie: Reinigen van buitenzijde auto..............236 Wat te doen bij pech .................................202 Wegenkaartopbergvakken........................135 Werking van de audio-installatie...........270 Winterbanden Zie: Gebruik van winterbanden.....................251 Z Zekeringen...........
344
CG3536nl