FordFiesta Instructieboekje Feel the difference
De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties, ontwerpen of onderdelen zonder voorafgaande kennisgeving of verplichtingen te wijzigen. Deze publicatie, of een deel daarvan, mag niet worden gereproduceerd of vertaald zonder onze toestemming. Fouten of omissies uitgesloten. © Ford Motor Company 2008 Alle rechten voorbehouden.
Inhoudsopgave Inleiding Motorstartblokkering Over deze handleiding..............................7 Overzicht van symbolen...........................7 Onderdelen en accessoires....................7 Werking.....................................................37 Gecodeerde sleutels..............................37 Immobilisatiesysteem inschakelen.......37 Immobilisatiesysteem uitschakelen.....37 Kort overzicht Kort overzicht...........................................
Inhoudsopgave Wegenkaartopbergvakken...................84 Glashouder .............................................84 Paslezer tolwegen .................................84 Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN) ................................................................85 USB-poort................................................85 Ruiten en spiegels Elektrisch bedienbare ruiten.................56 Buitenspiegels.........................................57 Elektrisch verstelbare buitenspiegels.............
Inhoudsopgave Auto op vier wielen slepen....................117 Parkeerhulp Werking.....................................................99 Gebruik maken van de parkeerhulp Auto's met Parkeerhulp achteruit.....99 Gebruik maken van de parkeerhulp Auto's met Parkeerhulp voor en achter ..................................................100 Onderhoud Algemene informatie.............................119 De motorkap openen en sluiten.........
Inhoudsopgave Gebruik van sneeuwkettingen............146 Technische specificatie........................146 CD-speler CD afspelen............................................165 Nummer selecteren..............................165 Versneld vooruit/achteruit....................165 Shuffle/random (door elkaar/willekeurig)..............................165 CD-nummers herhalen........................166 CD-nummers scannen.........................166 MP3-bestand afspelen.........................
Inhoudsopgave iPod gebruiken ......................................196 Bijlagen Typegoedkeuringen..............................198 Elektromagnetische compatibiliteit.....
6
Inleiding Symbolen op uw auto OVER DEZE HANDLEIDING Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford. Wij raden u aan de tijd te nemen om uw auto goed te leren kennen door dit instructieboekje zorgvuldig te lezen. Hoe meer u van uw auto afweet, des te beter kunt u ermee omgaan en dat komt de veiligheid en het rijplezier ten goede. Wanneer u deze symbolen ziet, lees dan eerst de betreffende instructies in dit instructieboekje en volg deze op voordat u iets aanraakt of probeert af te stellen. N.B.
Inleiding Bumper en radiateurgrille Het is nu eenvoudiger te bewijzen dat werkelijk Originele Ford Onderdelen zijn gebruikt. Het Ford logo is duidelijk op de volgende onderdelen zichtbaar wanneer Originele Ford Onderdelen zijn gebruikt. Wanneer uw auto moet worden gerepareerd, kijk dan of het duidelijk zichtbare Ford beeldmerk te zien is en controleer of uitsluitend Originele Ford Onderdelen zijn gebruikt.
Inleiding Ruit • • • Achterruit Zijruiten Voorruit E102438 E89939 Verlichting • • Achterlichtunits Koplampen 9
Kort overzicht KORT OVERZICHT Overzicht instrumentenpaneel Stuur links A S B R Q C P D O E N M E102562 10 F L G K H J I
Kort overzicht Stuur rechts H I G J F L B K D Q C O P E M A N R S E102559 A Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 74). B Multifunctionele hendel: Richtingaanwijzers. Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 49). Grootlicht. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 46). Zie Spraaksturing (bladzijde 40). Zie Tripcomputer (bladzijde 69). C Instrumentengroep. Zie Meters (bladzijde 60). Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 60). D Startknop.
Kort overzicht H Portiervergrendelingsknop. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 32). I Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Waarschuwingsknipperlichten (bladzijde 49). J Toetsen van klimaatregeling. Zie Klimaatregeling (bladzijde 74). K Waarschuwingslamp parkeerhulp. Zie Gebruik maken van de parkeerhulp (bladzijde 100). L Controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld. Zie Passagiersairbag uitschakelen (bladzijde 29). M Contactslot. N Automatische snelheidsregeling.
Kort overzicht Vergrendelen en ontgrendelen Sleutelloze toegang Auto ontgrendelen A B C E78276 A Ontgrendelen B Vergrendelen Voor het passief vergrendelen en ontgrendelen is een geldige passive key nodig die zich in de omgeving van een van de drie externe detectiezones bevindt. C Bagageruimte ontgrendelen Auto vergrendelen E71963 Druk de ontgrendelknop eenmaal in om de auto te ontgrendelen. Zie Programmeren van de afstandsbediening (bladzijde 30).
Kort overzicht Auto ontgrendelen Motor starten bij uitvoeringen met handgeschakelde versnellingsbak N.B.: Door tijdens het starten het koppelingspedaal op te laten komen, wordt de startmotor uitgeschakeld maar blijft het contact aan. 1. Druk het koppelingspedaal volledig in. 2. Druk de startknop kortstondig in. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 86). Controlelamp overmatige hoeveelheid roet E87384 Druk een vergrendelknop eenmaal in. De controlelamp gaat branden als regeneratie nodig is.
Kort overzicht Handmatige klimaatregeling 2 Voorruit ontdooien en ontwasemen 2 1 E95178 E102397 WAARSCHUWING Interieur snel verwarmen Duw de ontgrendelingshendel helemaal op zijn plaats wanneer u deze weer in de oude stand zet. E102393 Interieur snel afkoelen 3 E95179 Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 39). E102396 Zie Handmatige klimaatregeling (bladzijde 75).
Kort overzicht Automatische klimaatregeling Richtingaanwijzers Voorruit ontdooien en ontwasemen E91392 Druk de knop voorruit ontdooien en ontwasemen in. Zie Automatische klimaatregeling (bladzijde 77). E102016 Indien de hendel licht naar boven of naar beneden wordt bewogen knipperen de richtingaanwijzers driemaal. Automatische inschakeling van de verlichting Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 49).
Kort overzicht Airbag E69213 WAARSCHUWING Om het risico van fataal letsel of ernstige verwonding te vermijden, mag nooit een kinderzitje achterwaarts op een voorstoel worden geplaatst, tenzij de airbag is uitgeschakeld. Zie Veiligheidsuitrusting voor kinderen (bladzijde 18). Zie Passagiersairbag uitschakelen (bladzijde 29).
Veiligheidsuitrusting voor kinderen N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het gebruik van kinderzitjes zijn per land verschillend. KINDERZITJES Alleen kinderzitjes die volgens ECE-R44.03 (of later) gecertificeerd zijn, zijn getest en goedgekeurd voor gebruik in uw auto. Een aantal zijn leverbaar via uw dealer.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen Kinderveiligheidszitje PLAATSING VAN KINDERZITJES WAARSCHUWINGEN Wanneer een kinderzitje met steunpoot wordt gebruikt, dan moet de steunpoot stevig op de vloer rusten. Wanneer een kinderzitje met een gordel wordt gebruikt, dan mag de gordel niet slap hangt of is gedraaid. LET OP Het kinderzitje moet stevig tegen de stoel aan rusten. De hoofdsteun moet wellicht worden opgetild of verwijderd. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 80).
Veiligheidsuitrusting voor kinderen U¹ Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep. Wij raden u echter aan een door de overheid goedgekeurd kinderzitje te gebruiken dat op de achterbank is geplaatst. UF¹ Geschikt voor universele, voorwaarts gekeerde kinderzitjes, die zijn goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep. Wij raden u echter aan een door de overheid goedgekeurd kinderzitje te gebruiken dat op de achterbank is geplaatst.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen Kinderzitje (groep 2) ZITVERHOGERS WAARSCHUWINGEN Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger nooit alleen met de heupgordel. Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger niet met een veiligheidsgordel die niet gespannen is of gedraaid zit. Leg de schoudergordel niet onder de arm of achter de rug van het kind langs. Gebruik geen kussens, boeken of handdoeken om het kind hoger te laten zitten.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen Kinderzitje met een veiligheidsriem aan de bovenzijde bevestigen ISOFIX VERANKERINGSPUNTEN WAARSCHUWING WAARSCHUWING Gebruik bij toepassing van het ISOFIX systeem een voorziening dat voorkomt dat de veiligheidsgordel kan draaien. Wij raden het gebruik van een veiligheidsgordel aan de bovenzijde of met een voet aan. Bevestig de veiligheidsgordel aan de bovenzijde aan geen ander punt dan aan het verankeringspunt dat hiervoor is bestemd. N.B.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen WAARSCHUWING Controleer of de rugleuning van de zitplaats achterin stevig vastzit en goed is vergrendeld. 4. Druk de rugleuning weer in verticale stand. E87145 5. Druk het kinderzitje stevig naar achteren zodat de onderste ISOFIX verankeringspunten goed aangrijpen. 6. Bevestig de veiligheidsgordel volgens de instructies van de fabrikant van het kinderzitje.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen KINDERSLOTEN WAARSCHUWING Wanneer de kindersloten in werking zijn gesteld, kunnen de portieren niet van binnenuit worden geopend.
Bescherming van inzittenden N.B.: Het opblazen van een airbag gaat gepaard met een luide knal en u ziet een onschadelijke, poederachtige stofwolk. Dit is normaal. WERKING Airbags WAARSCHUWINGEN Wijzig de voorzijde van de wagen op geen enkele wijze. Dit zou nadelige gevolgen voor het ontvouwen van de airbags kunnen hebben. N.B.: Reinig de panelen van de airbags met een vochtige doek. Airbags voor de bestuurder en passagier, voorin Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.
Bescherming van inzittenden De knieairbag voor de bestuurder treedt in werking bij zware frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbag wordt in enkele milliseconden opgeblazen en stroomt weer leeg zodra hij in contact komt met het lichaam van de inzittende, waardoor hij een kussen vormt tussen de knieën van de bestuurder en de stuurkolom.
Bescherming van inzittenden Veiligheidsgordels WAARSCHUWINGEN Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer u de veiligheidsgordel op de juiste wijze draagt, kan deze u op uw plaats houden, waardoor de airbag zijn maximale bescherming kan bieden. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 80). Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meer dan een persoon. Gebruik voor iedere stoel het juiste gordelslot.
Bescherming van inzittenden De lamp van het herinneringssysteem gaat branden en er klinkt een akoestisch signaal wanneer u of de passagier op de voorstoel de veiligheidsgordel niet hebt omgedaan en de rijsnelheid meer dan 25 km/u bedraagt. De lamp gaat ook branden wanneer de veiligheidsgordels worden losgemaakt wanneer de wagen in beweging is. Het akoestisch signaal wordt na na vijf minuten uitgeschakeld maar de lamp van het herinneringssysteem blijft branden tot u de veiligheidsgordel hebt omgedaan.
Bescherming van inzittenden N.B.: De sleutelschakelaar wordt in het handschoenenkastje gemonteerd en op het instrumentenpaneel wordt een controlelamp aangebracht. De heupgordel moet comfortabel over de heupen liggen aan de onderzijde van uw zwangere buik. Leg de schoudergordel tussen uw borsten, boven en aan de zijkant van uw zwangere buik. Wanneer de controlelamp van de airbag tijdens het rijden gaat branden of knipperen, duidt dit op een storing. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 60).
Sleutels en afstandsbediening ALGEMENE INFORMATIE OVER RADIOFREQUENTIES PROGRAMMEREN VAN DE AFSTANDSBEDIENING LET OP U kunt maximaal acht afstandsbedieningen voor uw auto programmeren (inclusief die met uw auto werd meegeleverd). Vraag uw dealer om instructies. De radiofrequentie van de afstandsbediening kan ook worden gebruikt door andere zenders met een klein bereik (bijvoorbeeld zendamateurs, medische apparatuur, draadloze hoofdtelefoons, afstandsbedieningen en alarmsystemen).
Sleutels en afstandsbediening Afstandsbediening zonder inklapbaar sleutelblad 2. Draai de schroevendraaier in de afgebeelde richting om een begin te maken de twee huishelften van de afstandsbediening van elkaar te scheiden. 3 E74385 E74386 3. Draai de schroevendraaier in de afgebeelde richting om de twee huishelften van de afstandsbediening van elkaar te scheiden. 1. Steek een schroevendraaier in de uitsparing aan de achterzijde van de sleutel en verwijder het sleutelblad. 2.
Sloten Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen VERGRENDELEN EN ONTGRENDELEN Centrale vergrendeling B B U kunt de portieren alleen centraal vergrendelen wanneer alle portieren zijn gesloten. N.B.: Het bestuurdersportier kan met de sleutel worden ontgrendeld. Deze moet worden gebruikt wanneer de afstandsbediening of de keyless entry niet werkt. A A Dubbel vergrendelen WAARSCHUWING Schakel de dubbele vergrendeling niet in wanneer zich personen of dieren in de auto bevinden.
Sloten Portieren en achterklep vergrendelen en ontgrendelen met de afstandsbediening A B De kofferdeksel/ achterklep sluiten C E87379 A Ontgrendelen B Vergrendelen C Bagageruimte ontgrendelen E89132 Portieren en achterklep vergrendelen met de afstandsbediening Aan de binnenzijde van de kofferdeksel/ achterklep bevindt zich een greep die het sluiten vereenvoudigt. Druk toets B eenmaal in.
Sloten Wanneer u de ontgrendeltoets op de afstandsbediening indrukt, worden alle portieren ontgrendeld of wordt alleen het bestuurdersportier ontgrendeld. Door opnieuw op de ontgrendeltoets te drukken worden alle portieren ontgrendeld. Voor het passief vergrendelen en ontgrendelen is een geldige passive key nodig die zich in de omgeving van een van de drie externe detectiezones bevindt.
Sloten N.B.: Eenmaal geactiveerd, blijft de auto gedurende drie seconden vergrendeld. Na de vertragingsperiode kunnen de portieren weer worden ontgrendeld, op voorwaarde dat de passive key zich binnen het detectiegebied bevindt. Twee korte knippersignalen van de richtingaanwijzers geeft aan dat alle portieren en de bagageruimte zijn vergrendeld en dat de alarminstallatie is ingeschakeld. E87384 Kofferdeksel/ achterklep Druk een vergrendeltoets eenmaal in. N.B.
Sloten Uitgeschakelde sleutels In de auto achtergebleven sleutels worden uitgeschakeld bij het vergrendelen van de auto. Een uitgeschakelde sleutel kan niet meer worden gebruikt voor het aanzetten van het contact of het starten van de motor. Om deze passive keys opnieuw te kunnen gebruiken moeten ze opnieuw worden geactiveerd. Ontgrendel de auto met behulp van een passive key of de afstandsbediening om al uw passive keys te activeren.
Motorstartblokkering De controlelamp in de instrumentengroep brandt ongeveer drie seconden en gaat vervolgens uit. Wanneer de controlelamp langer dan een minuut blijft branden of knipperen en vervolgens met onregelmatige intervallen gaat branden, dan is uw sleutel niet herkend. Neem de sleutel uit het slot en probeer het nogmaals. WERKING Het immobilisatiesysteem is een diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt dat iemand de motor van uw auto met een onjuist gecodeerde sleutel kan starten.
Alarm Bij elke poging de auto zonder een geldige sleutel te starten of om de audio-installatie te verwijderen gaat het alarm opnieuw af. WERKING Het alarm is een afschrikmiddel voor personen die ongeoorloofd de portieren en de motorkap proberen te openen. Het beveiligt ook de audio-installatie. Automatische vertraging van het inschakelen Alarm activeren De vertraging van 12 seconden treedt in werking zodra de motorkap, de bagageruimte en alle portieren gesloten zijn.
Stuurwiel STUURWIEL AFSTELLEN WAARSCHUWING Duw de ontgrendelingshendel helemaal op zijn plaats wanneer u deze weer in de oude stand zet. WAARSCHUWING Verstel nooit het stuurwiel als de auto in beweging is. AUDIOBEDIENING N.B.: Controleer of u in de juiste positie zit. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 80).
Stuurwiel • • af te stemmen op het volgende radiostation op een hogere of lagere frequentie het volgende of vorige nummer op de CD af te spelen. Druk de seek toets in en houd deze ingedrukt om: • • af te stemmen op een radiostation op een hogere of lagere frequentie door een CD nummer te zoeken SPRAAKSTURING E102756 Druk op de toets om de spraakbesturing in of uit te schakelen. Voor meer informatie Zie Spraaksturing (bladzijde 177).
Ruitenwissers en ruitensproeiers Automatisch wissen VOORRUITWISSERS B D C B E102034 WAARSCHUWINGEN Vervang de ruitenwisserbladen zodra deze strepen water en vuil achterlaten of wanneer ze het water niet meer volledig verwijderen. Indien de ruitenwisserbladen niet worden vervangen, zal de regensensor water op de voorruit blijven waarnemen. Dit heeft tot gevolg dat de ruitenwissers blijven werken terwijl het grootste gedeelte van de voorruit droog is.
Ruitenwissers en ruitensproeiers Automatisch ruitenwissersysteem N.B.: De automatische ruitenwisserfunctie moet niet worden ingeschakeld bij sneeuw, mist of wanneer de wegen zijn gepekeld. Kies onder deze weersomstandigheden zonodig stand A, C of D. Sommige uitvoeringen zonder een automatisch ruitenwissersysteem zijn uitgerust met een snelheidsafhankelijk ruitenwissersysteem voor de voorruit.
Ruitenwissers en ruitensproeiers Ruitensproeier, achter Na het loslaten van de knop of de hendel blijven de ruitenwissers nog kortstondig in werking. ACHTERRUITWISSERS EN SPROEIERS Intervalwissen E102053 WAARSCHUWING Schakel de ruitensproeiers niet langer dan tien seconden achtereen in; schakel de ruitensproeiers nooit in als het reservoir leeg is. E102052 Wanneer de hendel naar het stuurwiel wordt getrokken treden zowel de sproeier als de ruitenwissers in werking.
Ruitenwissers en ruitensproeiers RUITENWISSERBLADEN VERVANGEN VOORRUITSPROEIERS AFSTELLEN Voorruitwisserbladen 2 1 E72899 1. Druk de lip in. 2. Verwijder het ruitenwisserblad. N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt te zitten. E73425 De ruitensproeiers kunnen worden afgesteld door een speld in de kogelvormige sproeierkoppen te steken en de sproeiers in de gewenste stand te draaien. 3. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Ruitenwissers en ruitensproeiers 3. Maak het ruitenwisserblad los van de wisserarm. 4. Verwijder het ruitenwisserblad. N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt te zitten. 5. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Verlichting Grootlicht en dimlicht VERLICHTINGSBEDIENING Standen van de lichtschakelaar A B C E101829 Trek de hendel geheel naar het stuurwiel toe om tussen grootlicht en dimlicht te wisselen. Lichtsignaal E70718 A Off (uit) Trek de schakelaarhendel naar het stuurwiel toe. B Stads- en achterlichten Home safe verlichting C Koplampen Schakel de verlichting uit en trek de richtingaanwijzer naar het stuurwiel toe om de koplampen in te schakelen. Er klinkt kort een signaal.
Verlichting AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE VERLICHTING MISTACHTERLICHTEN E70720 WAARSCHUWINGEN Gebruik de mistachterlichten alleen wanneer het zicht minder dan 50 meter bedraagt. E70719 Schakel de mistachterlichten niet in bij regen of sneeuwval en wanneer het zicht meer dan 50 meter bedraagt. N.B.: Wanneer u de automatisch in-/uitschakelende verlichting hebt ingeschakeld, kunt u alleen het grootlicht inschakelen wanneer de functie de koplampen heeft ingeschakeld.
Verlichting KOPLAMPHOOGTE AFSTELLEN A Hoge stand van de koplamplichtbundels B Lage stand van de koplamplichtbundels U kunt de hoogte van de koplamplichtbundels aanpassen aan de belading van de auto. A B E70722 Aanbevolen regelknopstanden Belading Voorstoelen 1 Gewicht in bagageruimte Achterbank 1 Regelknopstand 1-2 - - 0 1-2 3 - 2 1-2 3 Max. 2,5 1 - Max. 4 Zie Voertuigidentificatieplaatje (bladzijde 149).
Verlichting WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN INTERIEURVERLICHTING Interieurverlichting E71943 A B C Voor locatie: Zie Kort overzicht (bladzijde 10). RICHTINGAANWIJZERS E71945 A Off (uit) B Portiercontact C Aan Wanneer u de schakelaar in stand B zet, gaat de interieurverlichting branden wanneer u een portier of het kofferdeksel / de achterklep ontgrendelt of opent.
Verlichting Leeslampen 3 4 E71946 Wanneer u het contact afzet, gaan de leeslampen korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen. E102590 3. Trek de stekker los. 4. Verwijder de koplamp. EEN KOPLAMP VERWIJDEREN 1. N.B.: Zorg er bij het monteren van de koplamp voor dat deze volledig in de klemmen voor de koplamp aangrijpt. Open de motorkap. Zie De motorkap openen en sluiten (bladzijde 120).
Verlichting 3. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 4. Verwijder de gloeilamp. Grootlicht 1. Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 50). 4 2 E102593 4 2. Verwijder het paneeltje. 3. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 4. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. 2 Koplamp, dimlicht E102597 1. 2. Verwijder het paneeltje. 3. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 4. Verwijder de gloeilamp.
Verlichting 3 3 2 2 E99398 2. Maak de klem los. 3. Verwijder de gloeilamp en de lamphouder. Verwijder de gloeilamp. E102596 2. Verwijder het paneeltje. 3. Trek aan de lamphouder en verwijder deze. Verwijder de gloeilamp. Voormistlichten N.B.: De voormistlichten voor kunnen niet worden gerepareerd, raadpleeg bij defecten uw dealer. Zijknipperlichten Achterlichtunits 1 1 E102854 1. Verwijder de schroeven. E99397 1. Verwijder het paneeltje.
Verlichting Derde remlicht N.B.: De LED verlichting kan niet worden gerepareerd, raadpleeg bij defecten uw dealer. 3 Kentekenplaatverlichting 2 2 1 3 E102620 2. Verwijder de vleugelmoer. 3. Verwijder de achterlichtunit en maak de lamphouder los. E72789 1. Maak voorzichtig de klemveer los. 2. Verwijder het lamphuis. 3. Verwijder de gloeilamp. A Interieurverlichting 2 B 3 C 1 E102621 A Rem- en achterlicht B Achteruit C Controlelampje E99452 1. Werk de lamp voorzichtig los. 2.
Verlichting Leeslampen Verlichting bagagecompartiment 2 3 1 E99453 1. Werk de lamp voorzichtig los. 2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 3. Verwijder de gloeilamp. E72784 1. Werk de lamp voorzichtig los. 2. Verwijder de gloeilamp.
Verlichting Lampje Specificatie Vermogen (watt) Kentekenplaatverlichting W5W 5 Interieurverlichting W6W 6 Leeslamp W5W 5 Informatie niet beschikbaar Informatie niet beschikbaar Verlichting bagagecompartiment 55
Ruiten en spiegels Veiligheidsschakelaar voor de achterste ruiten ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN N.B.: U kunt altijd de ruiten achterin vanaf het bestuurdersportier bedienen. WAARSCHUWING Schakel de elektrisch bedienbare ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van obstructies. N.B.: Wanneer de ruiten gedurende korte tijd vaak worden bediend kan het systeem een bepaalde tijd buiten werking treden om schade door oververhitting te voorkomen.
Ruiten en spiegels Om deze veiligheidsvoorziening uit te schakelen wanneer er meer weerstand is, bijvoorbeeld in de winter, gaat u als volgt te werk: BUITENSPIEGELS Groothoekspiegels 1. Sluit de ruiten tweemaal tot aan de weerstand en laat deze terugschuiven. 2. Sluit de ruit voor een derde keer tot deze weerstand ondervindt. De antiklemfunctie wordt uitgeschakeld en u kunt de ruit niet meer automatisch sluiten. De ruit zal de weerstand overbruggen en u kunt de ruit volledig sluiten. 3.
Ruiten en spiegels De spiegels klappen automatisch uit wanneer u de auto vergrendelt met behulp van de sleutel, de afstandsbediening of een verzoek van de sleutelloze toegang. De spiegels klappen uit wanneer u de auto ontgrendelt met behulp van de sleutel, de afstandsbediening, een verzoek van de sleutelloze toegang, de binnenhandgreep van het bestuurdersportier of door de motor te starten.
Ruiten en spiegels AUTOMATISCH DIMMENDE SPIEGEL E71028 De automatisch dimmende achteruitkijkspiegel voorkomt verblinding door achteropkomend verkeer. Bij ingeschakelde achteruitversnelling werkt hij niet.
Instrumenten METERS A B E C D E102660 A Toerenteller B Informatiedisplay C Snelheidsmeter D Brandstofpeilmeter E Terugsteltoets dagteller • • • • • • Brandstofpeilmeter De pijl naast het symbool van de benzinepomp duidt aan, aan welke zijde zich de brandstofvulklep bevindt. WAARSCHUWINGS- EN INDICATIELAMPEN Indien een van deze waarschuwings- of controlelampen niet gaat branden wanneer het contact wordt aangezet, duidt dit op een storing.
Instrumenten Controlelamp ABS Waarschuwingslamp koelvloeistoftemperatuur Wanneer deze lamp tijdens het rijden brandt, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. De remmen blijven normaal werken (zonder ABS) maar laat deze storing zo spoedig mogelijk controleren. LET OP Hervat uw reis niet wanneer de waarschuwingslamp gaat branden terwijl het peil correct is. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Instrumenten Controlelampen motor Controlelamp 'Vorst' Controlelamp motorstoring WAARSCHUWING Ook wanneer de temperatuur tot boven + 4 ºC stijgt, is dit nog geen garantie dat de weg vrij is van gevaren die door plotselinge weersveranderingen kunnen ontstaan. Controlelamp aandrijflijn De lamp gaan branden en wordt oranje wanneer de buitentemperatuur tussen 4 ºC en 0 ºC ligt. De lamp wordt rood wanneer de temperatuur lager is dan 0 ºC.
Instrumenten Controlelamp laag brandstofniveau Controlelamp stuurbekrachtiging Wanneer deze lamp brandt, ga dan zo spoedig mogelijk tanken. Deze lamp gaan branden wanneer zich een storing in het stuurbekrachtigingssysteem voordoet. De auto blijft bestuurbaar, maar hiervoor is meer kracht vereist. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide monteur controleren. Controlelamp grootlicht De controlelamp gaat branden wanneer u het grootlicht inschakelt.
Instrumenten Controlelamp Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP) Sleutel niet in auto Auto's met sleutelloze toegang N.B.: Wanneer bij het aanzetten van het contact de controlelamp niet brandt of wanneer hij tijdens het rijden blijft branden, duidt dit op een storing. Indien de motor draait en er niet langer een passive key in het interieur wordt waargenomen, klinkt een akoestisch waarschuwingssignaal zodra het portier wordt gesloten.
Infodisplays Bedieningstoetsen ALGEMENE INFORMATIE WAARSCHUWING Bedien de toetsen van het informatiedisplay niet wanneer de auto in beweging is. N.B.: Het informatiedisplay blijft nadat u het contact hebt afgezet gedurende enkele minuten aan. E103626 Druk op de pijltoetsen omhoog en omlaag om door de opties in het menu te scrollen en deze te selecteren. Meerdere systemen kunnen geprogrammeerd worden m.b.v. de bedieningselementen van de audio-unit.
Infodisplays RADIO AUT/HAND HANDM. AFSTELLEN SCAN AUTOM. OPSLAAN CD OPTIE NORMAAL Herh. SHUFFLE SCAN MP3 OF CD OPTIE NORMAAL Herh. SHUFFLE SCAN AUDIO MENU AVC NIVEAU GELUID DSP BEZETTING DSP EQUALISER NIEUWS ALTERNAT. FREQ. RDS REGIONAAL VOERTG INSTELL. SLOT/SPIEG INKLAP RICHT. AANW. -BOCHT SFEERVERLICHTING WAARSCH. SIGNALEN INFO. SIGNALEN INSTELLING KLOK TIJD INSTELLEN DATUM INSTELLEN 12/24-UURSMODUS SCHERMINSTELL.
Infodisplays Type 2 Gebruik de knop MENU en de linker pijltoets om toegang tot de menu's te krijgen. N.B.: Het telefoonmenu hangt af van de telefoonfuncties, de gespreksstatus, etc.
Infodisplays CD Radio AUX Telefoon Map / Tracks Zenders Zenders Zenders Zenders Afspeellijsten Artiesten Albums Nummers Genres Map / Tracks FM FM AST AM AM AST iPOD USB Audio-ingang Nummer kiezen Actief gesprek Opnieuw kiezen Telefoonboek Oproepen Gemiste oproepen Ontv. Oproepen Uitg. Oproepen Telefoon kiezen Bluetooth aan Alles weigeren Menu Aanpassing volume Geluid DSP-instelling DSP equalizer Nieuws Alternat. freq. RDS regionaal Slot/spieg inkl. Ri. aamw. rijstr.
Infodisplays Actieradius tot de brandstoftank leeg is TRIPCOMPUTER B Duidt bij benadering de afstand aan die nog kan worden afgelegd voordat de tank leeg is. De waarde zal variëren naarmate de rijomstandigheden veranderen. C Gemiddeld brandstofverbruik A Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld.
Infodisplays Gong uitschakelen • • De volgende geluidssignalen kunnen worden uitgeschakeld: Waarschuwingsmeldingen. Informatiemeldingen. INFOBERICHTEN Niet goed gesloten portier(en) Mededeling Controlelamp Systeem Driver door open rood Sloten. Auto is in beweging. Stop de auto zo snel en veilig mogelijk en sluit het portier. Driver rear door open rood Sloten. Auto is in beweging. Stop de auto zo snel en veilig mogelijk en sluit het portier. Passenger door open rood Sloten.
Infodisplays Sleutelloze toegang Mededeling Immobiliser malfunction service now Controlelamp Systeem rood Sleutelloze toegang. Key not detected oranje Sleutelloze toegang. Key outside car oranje Sleutelloze toegang. Key battery low replace battery oranje Sloten. Turn ignition off use POWER button oranje Sleutelloze toegang. To start press brake - Sleutelloze toegang. To start press clutch - Sleutelloze toegang. Close boot or use spare key - Sleutelloze toegang.
Infodisplays Mededeling Controlelamp Systeem Engine oil change due next service - Motor. Onderhoudsindicatie. Diesel filter overloaded refer to handbook - Motor. Raadpleeg handboek. Stuurinrichting Mededeling Controlelamp Steering malfunction service now rood Stuurinrichting Steering malfunction stop safely rood Stuurinrichting Power steering malfunction service now oranje Steering locked retry unlock - Systeem Stuurbekrachtiging.
Infodisplays Mededeling Controlelamp Systeem To start select N or P - Transmissie. To start press brake - Transmissie. To start select N - Transmissie. Door open apply brake - Transmissie. Stabiliteitsregeling (ESP) Mededeling Controlelamp Systeem ABS malfunction service now oranje Stabiliteitsregeling (ESP). ESP malfunction next service - Stabiliteitsregeling (ESP). ESP off - Stabiliteitsregeling (ESP).
Klimaatregeling Algemene informatie over de klimaatregeling in het interieur WERKING Buitenlucht Sluit alle ruiten. Houd de luchtinlaten voor de voorruit vrij van belemmeringen (sneeuw, bladeren, enz.) zodat het klimaatregelsysteem effectief kan werken. Het interieur verwarmen Laat de lucht naar de beenruimten stromen. Laat, bij koud of vochtig weer, een geringe hoeveelheid lucht naar de voorruit en de portierruiten stromen.
Klimaatregeling Ventilator HANDMATIGE KLIMAATREGELING Toetsen voor luchtverdeling A A B E E102390 A Off (uit) N.B.: Wanneer u de aanjager uitschakelt kan de voorruit beslaan. D C Gerecirculeerde lucht E102387 A Beenruimte B Beenruimte en voorruit C Voorruit D Hoofdniveau E Hoofdniveau en beenruimte Druk op de toets om te kiezen tussen toevoer van buitenlucht en het recirculeren van de in het interieur aanwezige lucht.
Klimaatregeling Ventilatie Interieur snel afkoelen E102394 E102396 Stel de regelknoppen van de luchtstroom, de aanjager en luchtroosters naar wens in. Voorruit ontdooien en ontwasemen Airconditioning Airconditioning in- en uitschakelen Wanneer u de aanjager uitschakelt, wordt ook de airconditioning uitgeschakeld. Wanneer u de aanjager weer inschakelt, schakelt de airconditioning automatisch in. E102397 Wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C, schakelt de airconditioning automatisch in.
Klimaatregeling Luchtvochtigheid in het interieur verlagen E102398 AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING E102705 N.B.: Vermijd het wijzigen van de instellingen wanneer het in de auto extreem warm of koud is. De automatische klimaatregeling past zich automatisch aan de actuele omstandigheden aan. Voor een correcte werking van het systeem moeten de midden- en zijroosters volledig zijn geopend.
Klimaatregeling N.B.: Als het systeem bij lage buitentemperaturen in de auto modus staat, wordt de lucht zolang de motor koud is naar de voorruit en de zijruiten geleid. A Temperatuur instellen B C E70308 A Beenruimte B Hoofdniveau C Voorruit Wanneer u voorruit ontdooien en ontwasemen kiest schakelen A, B en C automatisch uit en wordt de airconditioning ingeschakeld. Buitenlucht stroomt nu het interieur in. U kunt de recirculatiestand niet selecteren.
Klimaatregeling Airconditioning in- en uitschakelen VERWARMDE RUITEN EN SPIEGELS Verwarmbare ruiten E91393 Schakel de ruitverwarming in om de voorof achterruit te ontdooien of ontwasemen. Druk op de A/C toets om de airconditioning in of uit te schakelen. A/C OFF verschijnt op het display wanneer de airconditioning is uitgeschakeld. N.B.: De ruitverwarming werkt alleen bij een draaiende motor. Verwarmde voorruit A/C ON verschijnt op het display wanneer de airconditioning wordt ingeschakeld.
Stoelen • DE JUISTE ZITPOSITIE INNEMEN • • • voldoende afstand houdt tussen uzelf en het stuurwiel. minimaal 254 mm (10 inch) tussen uw borstbeen en de kap van de airbag aanhoudt. het stuurwiel met licht gebogen armen vasthoudt. uw benen licht buigt zodat u de pedalen volledig kunt indrukken. de schoudergordel over het midden van uw schouder en de heupgordel strak over uw heupen legt. Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel is en dat u de volledige controle over de wagen hebt.
Stoelen Hoofdsteun verwijderen WAARSCHUWING Schuif de stoel naar voren en naar achteren nadat u de hendel hebt losgelaten om ervoor te zorgen dat de stoel weer goed wordt vergrendeld. Druk de knoppen in en verwijder de hoofdsteun. HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN Lendensteun instellen WAARSCHUWINGEN Breng geen extra stoelhoezen aan die niet speciaal zijn ontwikkeld voor het gebruik op stoelen met zij-airbags. Laat het aanbrengen van deze stoelhoezen over aan de gedegen getrainde monteurs.
Stoelen Hellingshoek van de rugleuning instellen WAARSCHUWINGEN Zorg ervoor dat de stoelen en de rugleuningen goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld. LET OP Verwijder het zitkussen van de achterbank niet. Rugleuningen neerklappen LET OP Laat de hoofdsteunen zakken. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 80). E70731 1 Rugleuning naar voren klappen 1 1 2 2 E102532 1. Druk de ontgrendelknoppen naar beneden en houd ze in deze stand. 2. Druk de rugleuning naar voren.
Gemaksfuncties N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 15 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen. ZONNEKLEPPEN E72973 KLOK E103382 N.B.: U kunt de klok instellen met de uur en minuten toetsen naast het display. Druk op resp. op de H en M toetsen om de tijd in te stellen. Druk het verwarmingselement in om de aansteker te laten gloeien.
Gemaksfuncties GLASHOUDER E72980 E75193 WEGENKAARTOPBERGVAKKEN PASLEZER TOLWEGEN 120 40 70 13 E74686 E99272 Bij auto's met een warmtewerende voorruit moet de transponder zoals afgebeeld worden aangebracht (alle maten zijn in millimeters weergegeven), anders kan de chipkaart bij de tolpoorten niet goed worden afgelezen.
Gemaksfuncties De transponder moet aan passagierszijde worden aangebracht om te voorkomen dat het zicht van de bestuurder wordt belemmerd (bijv. verkeerslichten). AANSLUITING AUXILIARY INGANG (AUX IN) E102671 Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 170). USB-POORT E102670 Zie Verbinding (bladzijde 193).
De motor starten ALGEMENE INFORMATIE Algemene opmerkingen over het starten Als de accu losgekoppeld is geweest kan de motor, nadat de accukabels weer zijn aangesloten, een afwijkende draaikarakteristiek vertonen gedurende ca. 8 kilometer. E85766 Contact aan De oorzaak is, dat het motormanagement zich weer aan de motor moet aanpassen. Ongebruikelijke rijkarakteristieken tijdens deze periode moeten worden genegeerd. Druk eenmaal de startknop in.
De motor starten N.B.: Houd het koppelings- of rempedaal ingetrapt tot de motor wordt gestart. STUURWIELBLOKKERING WAARSCHUWING Motor slaat niet aan. Controleer altijd voordat u probeert uw wagen in beweging te brengen of het stuurslot is uitgeschakeld. Het startsysteem met passive key werkt niet indien: • De frequenties van de passive key worden verstoord. • De batterij in de passive key leeg is.
De motor starten Koude of warme motor 2. Druk het gaspedaal volledig in en houd het ingedrukt. 3. Start de motor. Alle modelvarianten LET OP Uitvoeringen met automatische transmissie Zet, wanneer de temperatuur lager dan -20 ºC is, het contact minimaal één seconde aan voordat u de motor start. Hierdoor zorgt u ervoor dat de maximale benzinedruk wordt opgebouwd voordat de motor wordt gestart. 1. Schakel park of neutral in. 2. Druk het gaspedaal volledig in en houd het ingedrukt. 3.
De motor starten EEN DIESELMOTOR STARTEN Regeneratie Koude of warme motor Laat de motor niet stationair draaien of parkeer de wagen niet op droge bladeren, droog gras of ander brandbaar materiaal. Het regeneratieproces werkt met bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen en na het afzetten van de motor en tijdens en na regeneratie blijft de uitlaat een aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen. Hierdoor ontstaat het gevaar van brand. WAARSCHUWING Alle modelvarianten N.B.
Brandstof en tanken VEILIGHEIDSMAATREGELEN WAARSCHUWING Meng de dieselolie niet met olie, benzine of andere vloeistoffen. Deze kunnen een chemische reactie veroorzaken. WAARSCHUWINGEN Stop met tanken nadat het vulpistool voor de tweede keer is afgeslagen. Alle brandstof die u dan nog toevoegt vult de expansieruimte in de brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden dat de brandstof overstroomt. Het morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn voor andere weggebruikers.
Brandstof en tanken KATALYSATOR Rijden met een auto met katalysator LET OP Zorg ervoor dat u de tank niet leeg rijdt. Schakel de startmotor niet langdurig achtereen in. E103203 Laat de motor niet met een losgekoppelde bougiekabel draaien. Druk op de klep om deze te openen. Open de klep volledig tot hij vergrendelt. Sleep of duw de auto niet aan. Gebruik hulpstartkabels. Zie Gebruik van startkabels (bladzijde 134).
Brandstof en tanken Deze gegevens zijn bedoeld voor het vergelijken van merken en modellen. Ze zijn niet bedoeld als weergave van het werkelijke brandstofverbruik van uw wagen. Het werkelijke brandstofverbruik wordt door vele factoren bepaald, waaronder de rijstijl, rijden met hoge snelheden, starten/stoppen, gebruik van de airconditioning, de gemonteerde accessoires, rijden met een aanhanger, enz.
Brandstof en tanken Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd CO2emissie l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) g/km 5,2 (54,3) 3,6 (78,5) 4,2 (67,3) 110 Variant 1.
Versnellingsbak/transmissie Standen van transmissiehendel HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK Alle modelvarianten LET OP Schakel de achteruit niet in wanneer de wagen in beweging is. Dit kan inwendige schade aan de versnellingsbak veroorzaken. Oefen een onnodige zijdelingse kracht uit op de schakelhendel wanneer u van de 5e naar de 4e versnelling schakelt. Hierdoor kan per ongeluk de 2e versnelling worden ingeschakeld, waardoor de versnellingsbak kan worden beschadigd.
Versnellingsbak/transmissie Selecteer handmatig schakelen om handmatig gebruik te maken van de voorwaartse versnellingen. Druk de keuzehendel naar voren om terug te schakelen en trek hem naar achteren om op te schakelen. WAARSCHUWINGEN Trek voordat u de wagen verlaat de handrem aan en schakel de parkeerstand in. Controleer of de keuzehendel is vergrendeld. WAARSCHUWING N.B.: Wanneer u het bestuurdersportier opent en de parkeerstand is niet ingeschakeld, klinkt er een akoestisch waarschuwingssignaal.
Versnellingsbak/transmissie Stoppen 1. Laat het gaspedaal opkomen en druk het rempedaal in. 2. Trek de handrem aan. Kickdown Druk het gaspedaal volledig in terwijl het keuzehendel in de rijstand staat om voor optimale prestaties de eerstvolgende lagere versnelling in te schakelen. Laat het gaspedaal los wanneer kickdown niet langer gewenst is. E78322 Druk met een geschikt voorwerp de vergrendelhendel in de opening en verplaats tegelijkertijd de keuzehendel uit de stand P.
Remmen WERKING PARKEERREM Schijfremmen Alle uitvoeringen Natte remschijven hebben een lagere wrijvingscoëfficiënt. Druk na het verlaten van een wasstraat het rempedaal even voorzichtig in om de waterfilm op de remschijven te laten verdampen. WAARSCHUWING Bij auto's met automatische transmissie moet de keuzehendel altijd in de stand P staan. ABS • • WAARSCHUWING ABS is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.
Stabiliteitsregeling Het systeem zorgt ook voor een betere tractieregeling door het motorkoppel te verlagen wanneer de wielen bij het accelereren beginnen door te spinnen. Het verbetert de mogelijkheden om op gladde of losse oppervlakken te kunnen optrekken en het verbetert het comfort door wielspin in haarspeldbochten te beperken. WERKING Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP) WAARSCHUWING ESP houdt niet in dat u niet langer voorzichtig en aandachtig hoeft te rijden.
Parkeerhulp WERKING GEBRUIK MAKEN VAN DE PARKEERHULP - AUTO'S MET PARKEERHULP ACHTERUIT WAARSCHUWING Ondanks de parkeerhulp bent u verplicht voorzichtig en aandachtig te rijden. LET OP Bij zware regenval of andere omstandigheden waardoor verstorende reflecties ontstaan is het mogelijk dat de sensoren bepaalde voorwerpen niet 'zien'. E77927 De sensoren kunnen voorwerpen met een oppervlak de ultrasone geluidsgolven absorberen niet 'zien'.
Parkeerhulp N.B.: Bij wagens met een afneembare trekhaakkoppeling worden de sensoren automatisch uitgeschakeld wanneer een van de aanhangerlampen (of verlichting) wordt aangesloten op de 13 pins stekkerdoos via een door ons goedgekeurde trekhaakmodule. Bij wagens zonder een door Ford goedgekeurde trekhaakmodule, moet u de parkeerhulp met behulp van de schakelaar uitschakelen. De parkeerhulp wordt automatisch geactiveerd wanneer u bij aangezet contact de achteruit inschakelt.
Parkeerhulp LET OP De parkeerhulp detecteert geen obstakels die van de wagen af bewegen. Zij worden alleen kort nadat zij opnieuw naar de wagen toe bewegen gedetecteerd. Wees bijzonder voorzichtig wanneer u met een gemonteerde trekhaakkogel of accessoires zoals een fietsdrager achteruitrijdt, omdat de parkeersensor alleen de afstand vanaf de bumper tot het obstakel meet. N.B.
Snelheidsregeling (cruise control) Snelheid instellen WERKING Met cruise control (automatische snelheidsregeling) kunt u met behulp van de schakelaars op het stuurwiel de rijsnelheid instellen. U kunt cruise control gebruiken bij snelheden hoger dan ongeveer 30 km/u. GEBRUIK MAKEN VAN SNELHEIDSREGELING (CRUISE CONTROL) E102680 Druk de schakelaar in om de huidige snelheid op te slaan en aan te houden. De controlelamp van de cruise control gaat branden. Zie Waarschuwingsen indicatielampen (bladzijde 60).
Snelheidsregeling (cruise control) Ingestelde snelheid opnieuw inschakelen A B E102681 A Accelereren (versnellen) E102682 B Decelereren (vertragen) De controlelamp van de cruise control gaat branden en het systeem zal proberen de auto met de eerder door u ingestelde snelheid te laten rijden. Ingestelde snelheid uitschakelen Cruise control uitschakelen E102682 Druk het rempedaal of de CAN RES schakelaar in. E102683 De eerder door u ingestelde snelheid blijft niet in het geheugen opgeslagen.
Transport ALGEMENE INFORMATIE DAKREKKEN EN BAGAGEDRAGERS WAARSCHUWINGEN Gebruik bevestigingsriemen die voldoen aan een norm, bijv. DIN. Imperiaal WAARSCHUWINGEN Wanneer u een imperiaal gebruikt, kan het brandstofverbruik van uw auto hoger zijn en kan de rijkarakteristiek anders zijn. Zorg ervoor dat alle losse voorwerpen goed zijn vastgezet. Plaats bagage en ander voorwerpen zo laag mogelijk en zo ver mogelijk naar voren in de bagageruimte of de laadruimte.
Aanhangers trekken Steile hellingen TREKKEN VAN EEN AANHANGER WAARSCHUWING Houd er rekening mee dat de oplooprem van een aanhanger niet door het ABS wordt geregeld. WAARSCHUWING Overschrijd het maximum toelaatbare totaalgewicht en het aanhangergewicht dat op het identificatieplaatje van de auto staat niet. Zie Voertuigidentificatieplaatje (bladzijde 149). Schakel terug voordat u een steile afdaling bereikt.
Tips voor het rijden INRIJDEN Banden WAARSCHUWING Nieuwe banden hebben een inlooptijd van ongeveer 500 kilometer (300 mijl). Gedurende deze periode kan de auto een andere rijkarakteristiek vertonen. Remmen en koppeling WAARSCHUWING Vermijd indien mogelijk het intensief gebruik van de remmen en de koppeling gedurende de eerste 150 kilometer (100 mijl) in de stad en gedurende de eerste 1.500 kilometer (1.000 mijl) op snelwegen. Motor LET OP Rijd de eerste 1.500 kilometer (1.000 mijl) niet te snel.
Nooduitrusting EERSTEHULPSET Er is ruimte in de reservewielkuip. GEVARENDRIEHOEK Er is ruimte in de reservewielkuip.
Staat na een aanrijding COMPONENTEN VAN VEILIGHEIDSSYSTEEM INSPECTEREN Veiligheidsgordels Veiligheidsgordels die zijn belast ten gevolge van een aanrijding moeten worden vervangen en de verankeringen worden gecontroleerd. Deze werkzaamheden moeten door een correct hiertoe opgeleide monteur worden uitgevoerd.
Zekeringen PLAATSEN ZEKERINGENHOUDERS EEN ZEKERING VERVANGEN Zekeringenkast in de motorcompartiment WAARSCHUWINGEN Wijzig de elektrische installatie van uw auto op geen enkele wijze. Laat reparaties aan de elektrische installatie en het vervangen van relais en zekeringen voor hoge stroomsterktes door goed getrainde monteurs uitvoeren. Zet het contact af en schakel alle elektrische onderdelen uit voordat u probeert een zekering te vervangen of deze aanraakt.
Zekeringen SPECIFICATIE-OVERZICHT ZEKERINGEN Zekeringenkast in de motorcompartiment Zekering Ampère Beveiligde circuits 1 40 ABS-module 1 30 ABS/ESP-module 2 60 Hoog toerental ventilator koelsysteem 3 40 Ventilator koelsysteem 3 30 Laag toerental ventilator koelsysteem 4 30 Verwarmingsaanjager 5 60 Voeding zekeringenkast passagiersruimte (accu) 6 30 Carrosserieregelmodule (BCM) 7 60 Voeding zekeringenkast passagiersruimte (ontsteking) 8 60 Gloeibougies 9 60 Verwarmde voorr
Zekeringen Zekering Ampère Beveiligde circuits 22 15 Voeding verlichting 23 15 Voormistlichten 24 15 Richtingaanwijzers 25 10 Dagverlichting 26 7,5 Schakelaar buitenspiegels met elektrische afstelling, elektrisch inklapbare buitenspiegels, elektrisch bediende ruit (bestuurdersportier) 27 7,5 PCM 28 20 ABS-module, ESP 29 10 Koppeling van compressor airconditioning 30 - Niet in gebruik 31 - Niet in gebruik 32 20 Claxon, accuspaarvoorziening, module sleutelloosvoertuigsysteem
Zekeringen Relais Geschakelde circuits R5 Dimlicht R6 Dagverlichting R7 Koelventilateur R8 Startmotor R9 Koppeling van compressor airconditioning R10 Voormistlichten R11 Brandstofpomp, brandstofverwarming R12 Achteruitrijlicht R13 Verwarmingsaanjager Zekeringenkast passagiersruimte - Type 1 Zekering Ampère 1 7,5 Ontsteking, regensensor, verwarmde voorruit 2 10 Remlichten 3 7,5 Achteruitrijlamp 4 7,5 Hoogteverstelling koplamplichtbundels 5 20 Ruitenwissers 6 15 Achterru
Zekeringen Zekering Ampère Beveiligde circuits 13 10 Ontsteking, elektrische stuurbekrachtiging (EPAS), instrumentengroep, passief anti-diefstalsysteem (PATS), ABS 14 7,5 PCM, keuzehendel, brandstofpomp, 15 7,5 Audiosysteem, instrumentengroep 16 7,5 Verwarmbare buitenspiegel 17 15 Contactslot 18 7,5 Instrumentengroep 19 15 Data link stekker 20 7,5 Multifunctioneel display, klok, interne scanner, paneel verwarming, ventilatie en airconditioning (HVAC) 21 15 Audiosysteem, Bluetoot
Zekeringen Zekeringenkast passagiersruimte - Type 2 Zekering Ampère Beveiligde circuits 1 7,5 Ontsteking, regensensor, verwarmde voorruit 2 10 Remlichten 3 7,5 Achteruitrijlamp 4 7,5 Hoogteverstelling koplamplichtbundels 5 20 Ruitenwissers 6 15 Achterruitwisser 7 10 Sproeierpomp 8 15 Aanhangermodule 9 10 Vooruit- en achteruitrijbeveiliging 10 7,5 Stoelverwarming 11 - Niet in gebruik 12 10 Airbagmodule 13 10 Ontsteking, elektrische stuurbekrachtiging (EPAS), instrumen
Zekeringen Zekering Ampère 20 7,5 Multifunctionele display, klok, interne scanner, HVAC-paneel 21 15 Audiosysteem, Bluetooth 22 20 Aansteker, voorste voedingspunt 23 22 Aanhangermodule 24 - 25 30 26 - Niet in gebruik 27 - Niet in gebruik 28 - Niet in gebruik 29 - Niet in gebruik 30 - Niet in gebruik 31 30 Elektrisch bediende ruiten (achter) 32 30 Voorruitverwarming, linkerzijde 33 30 Voorruitverwarming, rechterzijde 34 20 Sleutelloze toegang 35 20 Sleutelloze t
Zekeringen Zekering Ampère 42 - Niet in gebruik 43 - Niet in gebruik 44 7,5 45 - Niet in gebruik 46 - Niet in gebruik 47 - Niet in gebruik 48 - Niet in gebruik 49 - Niet in gebruik Relais Beveiligde circuits Contactslotpositie 2 Geschakelde circuits R1 Contact R2 Elektrisch inklapbare buitenspiegel 1 R3 Elektrisch inklapbare buitenspiegel 2 R4 Niet in gebruik R5 Verwarmde voorruit R6 Sleutelloze toegang (accessoire) R7 Sleutelloze toegang (ontsteking) R8 Accuspaar
Bergen van de auto SLEEPPUNTEN AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN Sleepoog, voor Alle uitvoeringen WAARSCHUWINGEN Zet het contact aan wanneer uw auto wordt gesleept. Bij afgezet contact treedt het stuurslot in werking en werken de richtingaanwijzers en de remlichten niet. De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait. Druk het rempedaal harder in en houd rekening met langere remafstanden en een zwaarder draaiend stuurwiel. E99490 Er is ruimte in de reservewielkuip.
Bergen van de auto LET OP Sleep uw wagen niet achterwaarts. Zet de versnellingsbak in neutraal wanneer uw auto wordt gesleept.
Onderhoud Controles bij het tanken ALGEMENE INFORMATIE • Wanneer u uw auto regelmatig laat onderhouden zal dit de betrouwbaarheid en de inruilwaarde ten goede komen. Er staat een groot netwerk van Ford Erkende Reparateurs ter beschikking die u met hun professionele expertise ter zijde kunnen staan. De speciaal opgeleide monteurs zijn het best gekwalificeerd om het onderhoud aan uw auto snel en vakkundig uit te voeren.
Onderhoud Trek de motorkap iets omhoog en beweeg de veiligheidshaak naar links. DE MOTORKAP OPENEN EN SLUITEN De motorkap openen E87786 Open de motorkap en ondersteun deze met de steunstang. De motorkap sluiten E102165 WAARSCHUWING Positie van onderdeel: Zie Kort overzicht (bladzijde 10). Zorg dat de motorkap goed wordt gesloten. Laat de motorkap zakken en vanaf een hoogte van 20 – 30 cm dichtvallen.
Onderhoud OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,25 L DURATEC-16V (SIGMA) /1,4 L DURATEC-16V (SIGMA) A B C D I E H G F E103505 * A Expansiereservoir : Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 127). B Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts) : Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 128). C Motorolievuldop : Zie Motorolie controleren (bladzijde 126). D Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 134).
Onderhoud H Luchtfilter: geen onderhoud vereist. I Motoroliepeilstaaf : Zie Motorolie controleren (bladzijde 126). 1 1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning. OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6 L DURATEC-16V TI-VCT (SIGMA) A B C D I E H G F E103507 * A Expansiereservoir : Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 127).
Onderhoud * E Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links) : Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 128). F Zekeringenkast in motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 109). G Vloeistofreservoir voor de voor- en achterruitsproeiers : Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 128). H Luchtfilter: geen onderhoud vereist. I Motoroliepeilstaaf : Zie Motorolie controleren (bladzijde 126). Zie Motorolie controleren (bladzijde 126).
Onderhoud * A Expansiereservoir : Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 127). B Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts) : Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 128). C Motorolievuldop : Zie Motorolie controleren (bladzijde 126). D Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 134). E Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links) : Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 128).
Onderhoud OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6 L DURATORQ-TDCI (DV) DIESEL A B C D I H E G F E103509 * A Expansiereservoir : Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 127). B Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts) : Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 128). C Motorolievuldop : Zie Motorolie controleren (bladzijde 126). D Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 134).
Onderhoud H Luchtfilter: geen onderhoud vereist. I Motoroliepeilstaaf : Zie Motorolie controleren (bladzijde 126). 1 1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning.
Onderhoud Het oliepeil controleren MOTORKOELVLOEISTOF CONTROLEREN LET OP Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat. Koelvloeistofpeil controleren WAARSCHUWING N.B.: Controleer het peil voordat de motor wordt gestart. Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts. N.B.: De wagen moet op een vlakke ondergrond staan. N.B.
Onderhoud LET OP Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan. LET OP Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat. Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 129). N.B.: Het remsysteem en het bedieningsmechanisme van de koppeling zijn aangesloten op één reservoir. Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij. RUITENSPROEIERVLOEISTOF CONTROLEREN Bijvullen Verwijder de brandstofdop. N.B.
Onderhoud TECHNISCHE SPECIFICATIE Vloeistoffen Punt Aanbevolen vloeistof Ford of Motorcraft Formula E SAE 5W-30 Motorolie Specificatie WSS-M2C913-B * motorolie Koelvloeistof Motorcraft SuperPlus antivries Remvloeistof Ford of Motorcraft Super DOT 4 remvloeistof WSS-M97B44-D ESD-M6C57-A * Als alternatief kunt u SAE 5W-30 motorolie gebruiken, wanneer deze voldoet aan de specificatie WSS-M2C913-B. N.B.
Onderhoud Variant Nr. Inhoud in liter (gallons) 1.25L Duratec-16V (Sigma)Smeersysteem van de 80pk-handgeschakelde motor - inclusief oliefilter versnellingsbak 3,8 (0,8) 1.25L Duratec-16V (Sigma)Smeersysteem van de 80pk-handgeschakelde motor - exclusief oliefilter versnellingsbak 3,5 (0,8) 1.25L Duratec-16V (Sigma)80pk-handgeschakelde Koelsysteem versnellingsbak 5,5 (1,2) 1.25L Duratec-16V (Sigma)80pk-handgeschakelde Brandstoftank versnellingsbak 42 (9,2) 1.
Onderhoud Variant Nr. Inhoud in liter (gallons) 1.6L Duratec-16V Ti-VCT Smeersysteem van de (Sigma)-115pk-handgeschamotor - inclusief oliefilter kelde versnellingsbak 4,1 (0,9) 1.6L Duratec-16V Ti-VCT Smeersysteem van de (Sigma)-115pk-handgeschamotor - exclusief oliefilter kelde versnellingsbak 3,8 (0,8) 1.6L Duratec-16V Ti-VCT (Sigma)-115pk-handgescha- Koelsysteem kelde versnellingsbak 5,5 (1,2) 1.6L Duratec-16V Ti-VCT (Sigma)-115pk-handgescha- Brandstoftank kelde versnellingsbak 42 (9,2) 1.
Verzorging van de auto Achterruit reinigen REINIGEN VAN BUITENZIJDE AUTO LET OP Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen op de binnenzijde van de achterruit te reinigen. WAARSCHUWING Wanneer de auto tijdens het wassen in een autowasserette in de was wordt gezet, verwijder dan de was van de voorruit. Gebruik een schone, niet pluizende doek of een vochtige zeem om de binnenzijde van de achterruit te reinigen.
Verzorging van de auto Lakbeschadigingen door steenslag of kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk worden hersteld. Uw Ford dealer heeft een grote keuze aan producten. Lees en volg nauwkeurig de instructies van de fabrikant op. REINIGEN VAN BINNENZIJDE AUTO Veiligheidsgordels WAARSCHUWINGEN Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen of chemische oplosmiddelen. Let er op dat geen vocht in het oprolmechanisme komt. Reinig de veiligheidsgordels met een interieurreiniger of water met een zachte spons.
Accu van de auto 1. Plaats de auto's zodanig dat ze elkaar niet raken. 2. Zet het contact van beide wagens af en schakel alle stroomverbruikers uit. 3. Verbind de plus (+) pool van auto B met de plus (+) pool van auto A (kabel C). 4. Verbind de min (-) pool van auto B met de massa-aansluiting van auto A (kabel D). Zie Aansluitpunten van de accu (bladzijde 135). GEBRUIK VAN STARTKABELS LET OP Verbind alleen accu's met dezelfde nominale spanning met elkaar.
Accu van de auto AANSLUITPUNTEN VAN DE ACCU E102923 LET OP Sluit de kabel niet aan op de minpool (–) van de ontladen accu.
Velgen en banden ALGEMENE INFORMATIE WAARSCHUWINGEN Controleer, voordat u de boordkrik gebruikt, of deze niet is beschadigd of vervormd en dat de schroefdraad is gesmeerd en vrij is van verontreinigingen. LET OP Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan schade aan de auto tot gevolg hebben en kan de typegoedkeuring ongeldig maken. U mag nooit iets tussen de krik en de grond of de krik en de auto plaatsen.
Velgen en banden Kriksteunpunten LET OP Gebruik uitsluitend de aangegeven kriksteunpunten. Wanneer u andere punten gebruikt kan dit de carrosserie, de stuurinrichting, de wielophanging, de motor, het remsysteem of de brandstofleidingen beschadigen.
Velgen en banden B A E102950 A Alleen voor gebruik in noodsituaties B Onderhoud 138
Velgen en banden WAARSCHUWINGEN Zorg ervoor dat de auto met de wielen in de rechtuitstand op een stevige, vlakke ondergrond staat. A Zet het contact af en schakel de parkeerrem in. Schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer uw auto is uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak. Selecteer stand 'P' wanneer deze met een automatische transmissie is uitgerust. E93184 Uitsparingen in de dorpels A duiden de kriksteunpunten aan. Laat de inzittenden uitstappen.
Velgen en banden 1. Steek het platte uiteinde van de wielmoersleutel tussen de velg en het wieldeksel en verwijder voorzichtig de naafdop of het wieldeksel. LET OP Bevestig lichtmetalen velgen niet met moeren die voor stalen velgen zijn bestemd. N.B.: Zorg ervoor dat de contactvlakken tussen de velg en de naaf vrij zijn van vreemde voorwerpen. N.B.: Zorg ervoor dat de conische zijde van de wielmoeren naar de velg is gekeerd. 1. Breng het wiel aan. 2. Draai de wielmoeren handvast aan. E90922 2.
Velgen en banden Algemene informatie 3 1 WAARSCHUWINGEN Afhankelijk van het type en de omvang van de beschadiging kunnen sommige banden slechts gedeeltelijk of soms geheel niet worden gedicht. Een te lage bandenspanning kan het weggedrag van de wagen beïnvloeden, waardoor u de macht over het stuur kunt verliezen. 2 4 Gebruik de bandenreparatieset niet wanneer de band al beschadigd is door het rijden met een te lage bandenspanning. E90589 4. Zet de wielmoeren in de aangegeven volgorde voorlopig vast.
Velgen en banden • • • Houd de set buiten het bereik van kinderen. Gebruik de set bij omgevingstemperaturen van –30 °C tot +70 °C. • Gebruik van de bandenreparatieset WAARSCHUWINGEN Samengeperste lucht kan zich gedragen als een explosief of drijfmiddel. Band oppompen WAARSCHUWINGEN Controleer de bandwang voordat u het afdichtmiddel in de band pompt. Wanneer u scheuren, knobbels of dergelijke ziet, probeer dan niet de band op te pompen.
Velgen en banden A B C I H D G E F E102881 1. A Label B Fles afdichtmiddel C Slang voor fles afdichtmiddel D Flessenhouder E Drukmeter F Stekker met kabel G Compressorschakelaar H Slangreparatieset I Aflaatklep Verwijder de bandenreparatieset uit de verpakking.
Velgen en banden 2. Trek het label A waarop de maximaal toelaatbare snelheid van 80 km/u vermeld staat van de fles afdichtmiddel en maak het binnen het gezichtsveld van de bestuurder vast op het instrumentenpaneel. Het label mag niets belangrijks aan het oog onttrekken. 3. Haal de slang H met de aflaatklep I en de stekker met kabel F uit de set. 4. Sluit de slang H met de aflaatklep I aan op de fles afdichtmiddel B. 5. Zet de fles afdichtmiddel K in de flessenhouder D. 6.
Velgen en banden 21. Als de band de correcte bandenspanning heeft, zet dan de compressorschakelaar G in stand 0, verwijder de stekker F uit de aansluiting, draai de slang C los en draai de ventieldop vast. VERZORGING VAN BANDEN 22. Laat slang C en H aangesloten op de fles afdichtmiddel B en berg de set veilig op. 23. Rijd naar de dichtstbijzijnde bandenspecialist om de beschadigde band te laten vervangen.
Velgen en banden GEBRUIK VAN WINTERBANDEN LET OP Wanneer uw auto is uitgerust met wieldeksels, verwijder deze dan voordat u sneeuwkettingen monteert. LET OP Controleer of u de velgen met de winterbanden met het correcte type wielmoeren hebt bevestigd. N.B.: Het ABS blijft normaal werken. Gebruik alleen sneeuwkettingen met kleine schakels. Indien winterbanden zijn gemonteerd, controleer dan of de bandenspanning correct is. Zie Technische specificatie (bladzijde 146).
Velgen en banden Bandenspanning (koude banden) Tot 80 km/h (50 mph) Normale belasting Uitvoering Alle Bandenmaat 175/65 R14 Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (psi) bar (psi) bar (psi) bar (psi) 3 (44) 3 (44) 3 (44) 3 (44) Tot 160 km/u Normale belasting Uitvoering Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (psi) bar (psi) bar (psi) bar (psi) Alle auto's met benzinemotor 175/65 R14 * 2,1 (31) 1,8 (26) 2,4 (35) 3,2 (46) Alle auto's met benzinemotor 19
Velgen en banden Normale belasting Uitvoering Bandenmaat Maximaal beladen Voor Achter Voor Achter bar (psi) bar (psi) bar (psi) bar (psi) Alle auto's met dieselmotor 195/45 R16 2,3 (33) 2 (29) 2,4 (35) 3,2 (46) Alle auto's met dieselmotor 205/40 R17 2,3 (33) 2 (29) 2,4 (35) 2,8 (41) Alle auto's met dieselmotor 195/60 R15 2,1 (31) 1,8 (26) 2,4 (35) 2,6 (38) * Breng alleen sneeuwkettingen aan op gespecificeerde banden.
Voertuigidentificatie VOERTUIGIDENTIFICATIEPLAATJE B A E VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER (VIN) D C E85610 E87496 A Voertuig Identificatie Nummer B Maximaal toelaatbare totaalgewicht C Maximaal toelaatbaar treingewicht D Maximum voorasbelasting E Maximum achterasbelasting Het Voertuig Identificatie Nummer (chassisnummer) is rechtsvoor naast de voorstoel in de bodemplaat ingeslagen. Het is ook op de linkerzijde van het instrumentenpaneel vermeld.
Technische specificaties TECHNISCHE SPECIFICATIE Afmetingen van de auto 3- en 5-deurs D A C E B E101870 Nr.
Technische specificaties Nr.
Technische specificaties Afstanden trekhaak 3- en 5-deurs A B C E D F G E101872 Nr.
Technische specificaties Nr.
Inleiding audio-installatie Labels op de audio-installatie BELANGRIJKE AUDIOINFORMATIE WAARSCHUWINGEN Door technische verschillen kunnen opneembare CD’s (CD-R's) en opnieuw beschrijfbare CD’s (CD-RW's) mogelijk niet correct functioneren. E66256 Deze radio / CD-spelers spelen CD's af die voldoen aan de standaard audiospecificaties van het International Red Book. CD’s met een kopieerbeveiliging van sommige fabrikanten voldoen niet aan deze standaard en het afspelen ervan kan niet worden gegarandeerd.
Overzicht audio-installatie N.B.: Audio-units zijn voorzien van een geïntegreerd multifunctioneel display boven de CD-sleuf. Hierop wordt belangrijke informatie weergegeven over de bediening van de audio-unit. Daarnaast bevinden zich rondom het display diverse pictogrammen die oplichten wanneer een functie actief is (bijvoorbeeld CD, Radio of Aux.) OVERZICHT AUDIOINSTALLATIE Type 1 A B C D O E F N M L G K J I H E103293 A CD-uitwerptoets. Zie CD-speler (bladzijde 165).
Overzicht audio-installatie F Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 162). G Stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 161). H Opwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 160). Zie Nummer selecteren (bladzijde 165). I Aan of uit en volumeregelknop J Neerwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 160). Zie Nummer selecteren (bladzijde 165). K Menu selecteren L Geluidsmenu selecteren.
Overzicht audio-installatie A B C D E F T S G R Q H P O N M L K J I E103294 A CD-uitwerptoets. Zie CD-speler (bladzijde 165). B Navigatiepijlen C CD-sleuf. Zie CD-speler (bladzijde 165). D OK E Informatie F Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 162). G Geluidsmenu selecteren. Zie Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling (bladzijde 160). Zie Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling (bladzijde 160).
Overzicht audio-installatie K Opwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 160). Zie Nummer selecteren (bladzijde 165). L Aan of uit en volumeregelknop M Neerwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 160). Zie Nummer selecteren (bladzijde 165). N Functie 2 O Functie 1 P Menu selecteren Q Telefoon selecteren. Zie Telefoon (bladzijde 172). R Extra ingang, USB en iPod selecteren. Zie Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN) (bladzijde 85).
Beveiliging van uw audio-installatie BEVEILIGINGSCODE Elke installatie heeft een unieke code die gekoppeld is aan het chassisnummer (VIN). Het systeem controleert automatisch of de audio-installatie en de auto overeenkomen, voordat het gebruik wordt toegestaan. Als een veiligheidscodemelding verschijnt, neem dan contact op met uw dealer.
Werking van de audio-installatie Het display geeft de gekozen instelling weer. Druk op de toets OK om de nieuwe instelling te bevestigen. AAN/UIT TOETS Druk op de aan/uit knop. Hierdoor kan het toestel nog een uur nadat het contact is afgezet worden gebruikt. GOLFBAND TOETS Na een uur schakelt het radiotoestel automatisch uit. Druk op de toets RADIO om een van de beschikbare frequentiebanden te selecteren.
Werking van de audio-installatie Type 2 • • • • • • Druk op functietoets 2. Druk vervolgens op één van de pijltjestoetsen om de golfband in kleine stappen omlaag of omhoog af te zoeken of houd de toets ingedrukt om met grote stappen te zoeken tot u een radiostation vindt waarnaar u wilt luisteren. Druk op OK om naar een radiostation te blijven luisteren. Dit kan op elke golfband en voor iedere voorkeuzetoets worden herhaald.
Werking van de audio-installatie Volume van de verkeersberichten N.B.: De AutoStore-band kan, net als bij de andere golfbanden, ook worden gebruikt om radiostations handmatig op te slaan. Verkeersberichten onderbreken de normale geluidsweergave met een voorgeprogrammeerd volume dat gewoonlijk hoger is dan het gebruikelijke luistervolume.
Menu's audio-installatie Regionale modus OFF (uit): Hiermee kan een groter gebied worden ontvangen wanneer naburige regionale netwerken hetzelfde programma uitzenden, maar kan leiden tot overschakelen wanneer dit niet het geval is. AUTOMATISCHE VOLUMEREGELING Indien van toepassing, past de automatische volumeregeling (AVC) het geluidsvolume aan, om geluiden van de motor en het wegdek te compenseren. • • • • • • • • Druk op de MENU toets en kies AUDIO. Kies AVC LEVEL of ADAPTIVE VOL.
Menu's audio-installatie Wanneer een radiostation wordt gevonden wordt de weergave van het geluid hervat; wanneer er geen radiostation wordt gevonden, stemt het systeemautomatisch af op de oorspronkelijke frequentie. Indien geselecteerd wordt 'AF' op het display weergegeven. • • • • Druk op de MENU toets. Selecteer AUDIO. Blader naar ALTERNAT. FREQ. en schakel dit in of uit met de toets OK. Druk op de toets MENU om terug te keren.
CD-speler CD AFSPELEN VERSNELD VOORUIT/ACHTERUIT N.B.: Tijdens het afspelen wordt de CD, het nummer en de verstreken tijd van het nummer op het display weergegeven. • Druk tijdens radio-ontvangst eenmaal op de toets CD om de CD-weergave te starten. Houd de zoeken omlaag of omhoog toets ingedrukt om achteruit of vooruit binnen de nummers op de CD te gaan. Het afspelen start onmiddellijk wanneer een CD wordt geladen.
CD-speler CD-NUMMERS HERHALEN Type 2 Type 1 • • • • • Druk op de toets MENU en selecteer CD MODE. Selecteer REPEAT waarna de functie kan worden in- of uitgeschakeld. Het nummer wordt na afloop herhaald. Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld, bestaan de opties uit HERHALEN van het nummer of van alle nummers in de map. • MP3-BESTAND AFSPELEN Type 2 • • MP3 (MPEG 1 Audio Layer-3) is een standaard technologie en format voor het comprimeren van audiodata.
CD-speler • Elke folder kan maximaal 8 bomen bevatten. Denk aan deze beperkingen voor Joliet of Romeo in het geëxpandeerde format wanneer u de software voor uw CD-brander configureert. • Multi session Deze opnamemethode maakt het mogelijk gegevens met behulp van de Track-At-Once methode toe te voegen. Conventionele CD’s beginnen met een CD regelgebied waarvan het begin Lead-in wordt genoemd en het einde Lead-out.
CD-speler N.B.: Een map die geen MP3 bestand bevat wordt overgeslagen. • Tip voor het afspelen:om de gewenste volgorde van afspelen aan te duiden, moet vóór de map of de bestandsnaam, het volgnummer (bijv. “01,” “02”) worden ingevoerd, en daarna het nummer op de CD. (De volgorde verschilt afhankelijk van de software die voor het schrijven werd gebruikt.) • • Wanneer een deel van ID3 tag ver.2 (aan het begin van het nummer) wordt overgeslagen, wordt geen geluid weergegeven.
CD-speler N.B.: Hierdoor wordt niet de CD uitgeworpen; het weergeven van de CD wordt alleen onderbroken op de plaats waar de weergave van de radio werd hervat. MP3 WEERGAVE-OPTIES N.B.: Bij units van type 1 kan het nodig zijn meerdere keren op de toets INFO te drukken om alle beschikbare nummerinformatie weer te geven. Druk nogmaals op de CD toets om het afspelen van de CD te hervatten.
Ingangsaansluiting (AUX IN) INGANGSAANSLUITING (AUX IN) N.B.: Stel voor optimale prestaties bij het afspelen van een extra apparaat het volume daarvan hoog. Hierdoor worden storingen gereduceerd wanneer het apparaat wordt aangesloten op de aansluiting voor de sigarenaansteker in de auto. Via de extra ingang (AUX IN), indien aanwezig, kan een extra apparaat zoals een MP3-speler op de audio-installatie van de auto worden aangesloten. Het geluid kan via de luidsprekers in de auto worden weergegeven.
Storingen verhelpen audio-installatie STORINGEN VERHELPEN AUDIO-INSTALLATIE Display van de audio-installatie Rectificatie CONTROLEER CD Algemeen bericht voor storingen tijdens het afspelen van een CD, zoals 'cannot read the CD' (kan CD niet lezen), 'data-CD inserted' (data-CD aangebracht), enz. Controleer of de CD is aangebracht met de juiste zijde naar boven is gekeerd. Reinig de CD of reinig deze opnieuw of vervang de CD door een exemplaar met voor u bekende muziek.
Telefoon Telefoontoestellen met een Symbian bedieningssysteem ALGEMENE INFORMATIE LET OP N.B.: Om via Bluetooth toegang tot het telefoonboek te kunnen krijgen moet voor bepaalde telefoons eerst een speciaal bestand worden geïnstalleerd. Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen. Dit bestand wordt een SIS-bestand genoemd en kan vanaf de Ford website www.ford-mobile-connectivity.com worden gedownload.
Telefoon Van een telefoon een actieve telefoon maken Telefoons bedienen Er kunnen maximaal zes Bluetooth apparaten aan het systeem in de auto worden gekoppeld. Wanneer het systeem voor het eerst wordt gebruikt, zijn er nog geen telefoons gekoppeld met het systeem. Bluetooth telefoon N.B.: Wanneer met de telefoon die als de nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd een gesprek wordt gevoerd, wordt het gesprek doorgeschakeld naar het audiosysteem in de auto.
Telefoon Bellen N.B.: Als de audiounit wordt uitgeschakeld, wordt een telefoongesprek verbroken. Wanneer de contactsleutel in de stand '0' wordt gezet, blijft de telefoonverbinding behouden. Een nummer kiezen m.b.v. spraakbesturing Telefoonnummers kunnen m.b.v. spraakbesturing worden gekozen. Zie Commando’s telefoon (bladzijde 186). BEDIENINGSELEMENTEN TELEFOON Een nummer kiezen m.b.v. het adresboek Afstandsbediening U kunt via Bluetooth toegang krijgen tot uw adresboek.
Telefoon N.B.: Als u bij het kiezen van een telefoonnummer een onjuist cijfer intoetst, druk dan op functietoets 3 om het laatste cijfer te wissen. Wanneer de toets lang wordt ingedrukt, wordt de complete serie cijfers gewist. 1. Druk op de toets PHONE. 2. Druk op de toets OK. 3. Druk op functietoets 2. Een inkomend gesprek ontvangen Een gesprek beëindigen Een inkomend gesprek beantwoorden Gesprekken kunnen worden beëindigd door op functietoets 4 te drukken.
Telefoon Microfoon dempen N.B.: Het is mogelijk om tijdens een gesprek de microfoon te dempen. Tijdens het dempen verschijnt er een bevestiging op het display. Druk op functietoets 1. Druk nogmaals op de toets om deze functie uit te schakelen. Van actieve telefoon veranderen N.B.: Voordat telefoons kunnen worden geactiveerd moeten ze bij het systeem worden aangemeld. N.B.: Nadat een telefoon aan het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon. 1. Druk op de toets PHONE. 2.
Spraaksturing Reactie van het systeem WERKING Wanneer u een gesproken commando geeft, antwoordt het systeem telkens met een piep wanneer het gereed is om door te gaan. LET OP Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen. Probeer geen nieuwe commando's te geven voordat u de piep hebt gehoord. Het spraakbesturingssysteem herhaalt elk gesproken commando.
Spraaksturing Short cuts Spraaklabel Er zijn een aantal gesproken woorden (short cuts) mogelijk, waarmee u enkele functies van de auto kunt regelen zonder het complete commandomenu te hoeven volgen. Dit zijn: Het spraaklabel kan de telefoon, de audio-installatie en het navigatiesysteem ondersteunen door gebruik te maken van de "STORE NAME" functie (naam opslaan). U kunt spraaklabels toewijzen aan items zoals favoriete radiozenders en persoonlijke telefooncontacten.
Spraaksturing "CD PLAYER" "REPEAT FOLDER" ** "REPEAT TRACK" "REPEAT OFF" * Kan als short cut worden gebruikt. ** Alleen beschikbaar als de CD audiogegevensbestanden bevat, zoals MP3 of WMA. Muzieknummer U kunt direct een muzieknummer op de CD kiezen. Stappen Gebruiker zegt 1 "CD PLAYER" Systeem antwoordt "CD PLAYER" 2 "TRACK NUMBER PLEASE" "TRACK" 3 "" * ** "TRACK " * Kan als short cut worden gebruikt. ** Getallen kunnen ook als max.
Spraaksturing "RADIO" "HELP" "AM" "FM" "TUNE NAME" * "DELETE NAME" "DELETE DIRECTORY" "PLAY DIRECTORY" "STORE NAME" "PLAY" * Kan als short cut worden gebruikt. Afstemfrequentie Met deze functie kunt u met gesproken commando's afstemmen op radiostations. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "RADIO" "RADIO" 2 "AM" "AM FREQUENCY PLEASE" "FM" 3 "FM FREQUENCY PLEASE" "TUNE " * "" * De frequentie kan op verschillende manieren worden ingevoerd.
Spraaksturing • • • • • Naam opslaan "Five thirty one" (531) "Nine hundred" (900) "Fourteen forty" (1440) "Fifteen zero three" (1503) "Ten eighty" (1080) Wanneer u op een radiostation hebt afgestemd, kunt u deze met een naam in het bestand opslaan.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 4 "YES" "DELETED" "NO" "COMMAND CANCELLED" Bestand afspelen Met deze functie kunt u het systeem alle opgeslagen radiostations laten opnoemen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "RADIO" "RADIO" 2 "PLAY DIRECTORY" "PLAY " Bestand wissen Met deze functie kunt u alle opgeslagen radiostations wissen.
Spraaksturing Externe apparaten - USB Overzicht Deze gesproken commando's ondersteunen de functionaliteit van een extern USB-apparaat dat op de audiounit kan worden aangesloten. Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 2 "USB" "USB" 3 "PLAY" USB-muzieknummer U kunt direct een muzieknummer op het USB-apparaat kiezen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "EXTERNAL DEVICE" "EXTERNAL DEVICE" 2 "USB" "USB" 3 "TRACK" "TRACK NUMBER PLEASE" 4 "" "TRACK " ** * Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv.
Spraaksturing "EXTERNAL DEVICE", "IPOD" "REPEAT TRACK" "REPEAT OFF" * Kan als short cut worden gebruikt. ** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 193). iPod-muzieknummer U kunt direct een muzieknummer op de iPod kiezen in de lijst met alle titels.
Spraaksturing Overzicht COMMANDO’S TELEFOON Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden. Telefoon Met uw telefoonsysteem kunt u een extra telefoonboek aanleggen. De opgeslagen nummers kunnen met behulp van Voice Control worden gekozen.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "TELEFOON" "TELEFOON" 2 "STORE NAME" "STORE NAME" "NAME PLEASE" 3 "" "REPEAT NAME PLEASE" 4 "" "STORING NAME" " STORED" "NUMBER PLEASE" 5 "" "" 6 "STORE" "STORING NUMBER" "" "NUMBER STORED" Naam wissen Opgeslagen namen kunnen ook uit het bestand worden gewist.
Spraaksturing Bestand wissen Met deze functie kunt u alle ingevoerde gegevens in één keer wissen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "TELEFOON" "TELEFOON" 2 "DELETE DIRECTORY" "DELETE DIRECTORY" "CONFIRM YES OR NO" 3 "YES" "DIRECTORY DELETED" "NO" "COMMAND CANCELLED" Telefoonfuncties Naam mobiele telefoon Met deze functie kunt u met een spraaklabel toegang krijgen tot de in uw mobiele telefoon opgeslagen telefoonnummers.
Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt "CORRECTION" " CONTINUE?" * Kan als short cut worden gebruikt. Naam kiezen Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen. Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "TELEFOON" 2 "DIAL NAME" * "NAME PLEASE" "TELEFOON" 3 "" "DIAL " "CONFIRM YES OR NO" 4 "YES" "DIALLING" "NO" "COMMAND CANCELLED" * Kan als short cut worden gebruikt.
Spraaksturing N.B.: DTMF kan alleen worden gebruikt tijdens een telefoongesprek. Druk op de toets VOICE en wacht op de systeemprompt. DTMF ('Tone' instelling) Met deze functie worden gesproken getallen in DTMF-tonen omgezet. Voor bijvoorbeeld het op afstand bedienen van het antwoordapparaat bij u thuis of voor het invoeren van PIN-nummer, enz. Stappen Kan alleen worden gebruikt op auto's met een aparte toets VOICE.
Spraaksturing "CLIMATE" "HELP" * "FAN" "DEFROSTING/DEMISTING ON" * "DEFROSTING/DEMISTING OFF" "TEMPERATURE" "AUTO MODE" * * * * Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short cut "FAN" niet beschikbaar. Aanjager Met deze functie kunt u het aanjagertoerental instellen.
Spraaksturing Ontdooien/ontwasemen Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 1 "CLIMATE" "CLIMATE" "DEFROSTING ON/DEMISTING * ON" "DEFROSTING ON/DEMISTING ON" 2 "DEFROSTING OFF/DEMISTING * OFF" "DEFROSTING OFF/DEMISTING OFF" * Kan als short cut worden gebruikt. Temperatuur Met deze functie kunt u de temperatuur instellen.
Verbinding N.B.: Het kan voorkomen dat sommige USB-apparaten met een hoger stroomverbruik incompatibel zijn (bijvoorbeeld sommige grotere harde schijven). ALGEMENE INFORMATIE LET OP Ga voorzichtig te werk bij het omgaan met externe apparaten met blootliggende stekkers (zoals de USB-plug). Vervang altijd de beschermkap/beschermplaat (indien mogelijk). Er bestaat kans op elektrostatische ontlading, wat tot schade aan het apparaat kan leiden. N.B.
Verbinding Afspeellijsten moeten worden gemaakt in .m3u formaat. EXTERN APPARAAT AANSLUITEN Audiobestanden moeten worden gemaakt in .mp3 formaat. WAARSCHUWING Houd u aan het volgende: • 1000 items per map (bestanden, mappen en afspeellijsten) • 5000 mappen met USB-apparaat (inclusief afspeellijsten) • 8 submapniveau's. Zorg dat het externe apparaat stevig in de auto is bevestigd en dat bijbehorende aansluitingen de bedieningselementen voor het rijden niet blokkeren.
Verbinding USB-APPARAAT GEBRUIKEN Druk eenmaal op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van het apparaat te bladeren. Verschillende pictogrammen worden gebruikt voor het herkennen van verschillende audiobestanden, mappen enz. De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie: • Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het mapoverzicht aan.
Verbinding Houd de toetsen ingedrukt om snel achteruit/vooruit door een nummer te gaan. Algemene categorie iPod E100036 Algemeen mediabestand iPod Gebruik de functietoetsen om willekeurig afspelen en herhaald afspelen in te schakelen voor mappen en afspeellijsten. E100037 Druk op functietoets 3 om het volledige apparaat, de huidige map of een afspeellijst te scannen wanneer dit/deze actief is.
Verbinding Gebruik voor het navigeren door de inhoud van de iPod de pijltjestoets omhoog/omlaag om door de lijsten te bladeren en de pijltjestoets links/rechts om binnen de structuur omhoog of omlaag te bladeren. Druk op de OK toets om afspelen te selecteren nadat het gewenste nummer, album, genre of de gewenste afspeellijst of artiest is gemarkeerd. N.B.: Houd de pijltjestoets naar links ingedrukt als u naar het bovenste niveau van de inhoud van de iPod wilt navigeren.
Bijlagen TYPEGOEDKEURINGEN ELEKTROMAGNETISCHE COMPATIBILITEIT FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE WAARSCHUWINGEN Uw wagen is getest en gecertificeerd volgens de Europese wetgeving betreffende elektromagnetische comptabiliteit (EMC) (2004/104/EC). U dient ervoor te zorgen dat apparatuur die u heeft gemonteerd voldoet aan de betreffende lokale wetgeving. Laat apparatuur door goed geschoolde monteurs monteren. Het apparaat voldoet aan Deel 15 van de FCC-regelgeving.
Bijlagen 6 4 1 2 3 8 5 7 E85998 Frequentieband MHz Maximum uitgangsvermogen in watt (piek RMS) Antenneplaatsen 1 – 30 50 W 3, 8 30 – 54 50 W 2, 3 68 – 87,5 50 W 1, 2, 3, 4, 5 142 – 176 50 W 1, 2, 3, 4, 5 380 – 512 50 W 1, 2, 3, 4, 5 806 – 940 10 W (2 W ) 1, 2, 3, 4, 5 (6 , 7 ) 1200 – 1400 10 W 2 1710 – 1885 10 W (1 W ) 1885 – 2025 2400 – 2500 1 1 1 1 1 1 1 1 1, 2, 3, 4, 5 (6 , 7 ) 10 W (1 W ) 1 1, 2, 3, 4, 5 (6 , 7 ) 0,1 W Alle plaatsen 1 Alleen voor GSM/3G m
Bijlagen N.B.: Controleer na het monteren van een RF zender of deze niet de overige elektrische uitrusting in de wagen stoort, zowel in de standby- als in de zendmodus. Controleer alle elektrische uitrusting: • met het contact AAN • bij draaiende motor • tijdens een proefrit bij verschillende snelheden.
Index A Automatische klimaatregeling...............77 Aan/uit toets...........................................160 Aanhangers trekken.............................105 Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN) .................................................................85 Aansluitpunten van de accu ...............135 Aansteker.................................................83 Accessoires Airconditioning in- en uitschakelen............79 Automatische airconditioning uitschakelen...........................
Index Batterij van afstandsbediening vervangen..............................................30 Commando’s klimaatregeling.............190 Afstandsbediening met inklapbaar sleutelblad.................................................30 Afstandsbediening zonder inklapbaar sleutelblad..................................................31 Commando’s telefoon.........................186 Airconditioning.............................................190 Een telefoonboek aanleggen...................
Index Een wiel vervangen...............................136 Gebruik maken van stabiliteitsregeling.................................98 Gebruik van de sleutel............................30 Boordkrik......................................................136 Kriksteunpunten..........................................137 Wiel aanbrengen.........................................140 Wielslotmoeren...........................................136 Wiel verwijderen..........................................
Index K Handmatig verstelbare stoelen.............81 Hellingshoek van de rugleuning instellen......................................................82 Hoogte van de bestuurdersstoel verstellen....................................................81 Lendensteun instellen..................................81 Rugleuning naar voren klappen.................82 Stoelen naar voren of naar achteren schuiven.....................................................81 Katalysator.............................................
Index MP3 weergave-opties..........................169 Persoonlijke instellingen.........................69 Opties weergave CD tekst.......................169 Gong uitschakelen.......................................70 Maateenheden.............................................69 N Plaatsen zekeringenhouders..............109 Zekeringenkast in de motorcompartiment..............................109 Zekeringkast in de passagiersruimte......109 Nieuwsberichten...................................
Index S Specificatie-overzicht zekeringen.......110 Zekeringenkast in de motorcompartiment...............................110 Zekeringenkast passagiersruimte - Type 1..................................................................112 Zekeringenkast passagiersruimte - Type 2.................................................................114 Setup Bluetooth.....................................173 Eisen voor een Bluetooth verbinding......173 Telefoons bedienen....................................
Index Telefoon..................................................172 Vergrendelen en ontgrendelen............32 Algemene informatie..................................172 Automatisch opnieuw vergrendelen........33 Bevestiging van het vergrendelen en ontgrendelen............................................32 Centrale vergrendeling................................32 De portieren van binnenuit vergrendelen en ontgrendelen......................................33 Dubbel vergrendelen...............................
Index Voorste mistlampen................................47 Winterbanden Zie: Gebruik van winterbanden................146 W Z Waarschuwings- en indicatielampen.....................................60 Zekeringen.............................................109 Zitverhogers.............................................21 Berichtenindicator........................................63 Controlelamp 'Vorst'....................................62 Controlelamp ABS........................................
Feel the difference 9V2J-19A321-ACA (CG3545nl)