Operation Manual
71
CORRECT GEBRUIK VAN DE AUTO
MOTOR
STARTEN
1) Zorg ervoor dat de handrem is
aangetrokken.
2) Zet de versnellingspook in vrij.
3) Trap het koppelingspedaal geheel
in, zonder het gaspedaal in te trappen.
4) Draai de start-/contactsleutel in
stand AVV en laat hem los zodra de
motor aanslaat.
Als met de contactsleutel in stand
MAR het controlelampje ¢ blijft
branden, raden wij u aan de sleutel in
stand STOP te draaien en vervolgens
weer in MAR; als het lampje nog
steeds blijft branden, probeer het dan
met de andere geleverde sleutels.
Als de motor nog niet aanslaat, voer
dan zelf een noodstart uit met de co-
de die op de CODE-card vermeld
staat (zie
NOODSTART
in het hoofdstuk
NOODGEVALLEN
) of neem contact op
met de Fiat-dealer.
BELANGRIJK Laat de start-/con-
tactsleutel niet in stand MAR staan als
de motor stilstaat.
MOTOR OPWARMEN NA
HET STARTEN
– Rijd rustig weg, laat de motor niet
met hoge toerentallen draaien en trap
het gaspedaal niet bruusk in.
CC
CC
OO
OO
RR
RR
RR
RR
EE
EE
CC
CC
TT
TT
GG
GG
EE
EE
BB
BB
RR
RR
UU
UU
II
II
KK
KK
VV
VV
AA
AA
NN
NN
DD
DD
EE
EE
AA
AA
UU
UU
TT
TT
OO
OO
Het is gevaarlijk om de
motor in een afgesloten
ruimte te laten draaien.
De motor verbruikt zuurstof en
produceert koolmonoxide en an-
dere giftige stoffen.
Raak de hoogspannings-
kabels (bougiekabels)
nooit aan als de motor
draait.
BELANGRIJK Het gaspedaal mag
pas worden ingetrapt nadat de motor
is gestart.










