FIAT SEICENTO 603.45.
Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Seicento. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk onderdeel van uw Seicento leert kennen en u uw auto op de juiste manier zult gebruiken. Wij raden u aan alle hoofdstukken door te lezen voordat u voor de eerste keer met de auto gaat rijden. Dit instructieboekje bevat informatie, tips en aanwijzingen die u zullen helpen de technische kwaliteiten van uw Seicento volledig te benutten.
VEILIG EN MILIEUBEWUST RIJDEN Veiligheid en respect voor het milieu zijn de uitgangspunten geweest bij het ontwerpen van de Seicento. Dankzij deze opvatting kon de Seicento strenge veiligheidstests het hoofd bieden en goed doorstaan. De Seicento voldoet daarmee aan de hoogste eisen in zijn klasse. Bovendien is deze auto, naar alle waarschijnlijkheid, al voorbereid op de toekomstige normen.
SIGNALEN VOOR EEN CORRECT GEBRUIK De signalen die u op deze pagina ziet, zijn zeer belangrijk. Zij staan bij onderdelen in dit boekje waar we extra aandacht voor vragen. Zoals u ziet, bestaat elk signaal uit een verschillend symbool. Zo wordt direct duidelijk om welk onderwerp het gaat: Veiligheid van de inzittenden. Attentie. Het niet of gedeeltelijk opvolgen van deze instructies kan gevaar opleveren voor de inzittenden. Bescherming van het milieu.
WEGWIJS IN UW AUTO SYMBOLEN FIAT CODE Op of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw Seicento zijn specifiek gekleurde plaatjes aangebracht met daarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelen aangeven die u in acht moet nemen als u met het betreffende onderdeel te maken krijgt. Voor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering (Fiat CODE). Het systeem schakelt automatisch in als de start-/contactsleutel wordt uitgenomen.
A - De sleutel met blauwe handgreep dient voor: – op de voorzijde: A - de elektronische code voor het uitvoeren van een noodstart; – het starten – de portieren – de achterklep – de dop van de brandstoftank – het in-/uitschakelen van de airbag aan passagierszijde. B - de mechanische code van de sleutels; – op de achterzijde: B - Afstandsbediening voor diefstalalarm. C - vakjes voor het aanbrengen van de codestickers van de eventuele afstandsbedieningen.
schakelt het beveiligingssysteem de startblokkering in. Draai bij het starten van de motor de start-/contactsleutel in MAR: 1) Als de code wordt herkend, gaat het controlelampje ¢ op het instrumentenpaneel kort knipperen; het beveiligingssysteem heeft de door de sleutel gezonden code herkend en de startblokkering wordt opgeheven. Draai de sleutel in stand AVV om de motor te starten. 2) Als het controlelampje ¢ blijft branden, wordt de code niet herkend.
DE WERKING – staat, voor de landen waar een zendmachtiging verplicht is, het toelatingsnummer op de afstandsbediening. De sensoren C voor de interieurbeveiliging zijn in het plafondlampje geplaatst. Diefstalalarm inschakelen: druk kort op knop A-fig. 3 van de afstandsbediening. U hoort een “biep”-geluid en de richtingaanwijzers gaan ongeveer 3 seconden branden (alleen bepaalde landen). Het diefstalalarm van de Seicento wordt bediend via de ontvanger in het plafondlampje voor (fig.
Interieurbeveiliging uitschakelen: voordat u het diefstalalarm inschakelt, is het ook mogelijk de interieurbewaking uit te schakelen. Ga als volgt te werk draai vanuit stand STOP de sleutel in stand MAR en vervolgens onmiddellijk weer in stand STOP. Trek de sleutel vervolgens uit het contactslot. Het lampje A gaat ongeveer 2 seconden branden om de uitschakeling te bevestigen.
Lege batterijen zijn schadelijk voor het milieu. Ze moeten bij een daarvoor bestemd depot worden ingeleverd. Ze kunnen ook ingeleverd worden bij een Fiat-dealer. Die zorgt vervolgens voor de afvoer.
Om het systeem weer in te schakelen, drukt u de sleutel in en draait u de sleutel rechtsom (stand “ON”). Laat de sleutel niet in de schakelaar zitten. Sluit de schakelaar af met de rubber dop om te voorkomen dat er vocht of stof inkomt. SYSTEEM BUITEN WERKING STELLEN Als de batterijen van de afstandsbediening leeg zijn, of als er een storing is in het diefstalalarm, kunt u het systeem buiten werking stellen met de sleutel van de sleutelschakelaar A-fig. 9, waarvan twee exemplaren zijn geleverd.
P4Q01000 VEILIGHEIDSGORDELS HET GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS (ZITPLAATSEN VOOR EN ZIJZITPLAATSEN ACHTER) Maak de gordel vast door de gesp B-fig. 9 in de sluiting C te drukken, totdat hij hoorbaar blokkeert. Trek de veiligheidsgordel geleidelijk uit. Als de oprolautomaat blokkeert, laat dan de gordel een stukje teruglopen en trek hem vervolgens weer geleidelijk uit. Druk om de gordel los te maken op knop D. Begeleid de gordel tijdens het teruglopen om te voorkomen dat de gordelband draait. fig.
Via de rolautomaat wordt de lengte van de gordel automatisch aangepast aan het postuur van de drager, waarbij er voldoende bewegingsruimte overblijft. Als de auto op een steile helling staat, kan de rolautomaat blokkeren; dit is een normaal verschijnsel. GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS ACHTER De veiligheidsgordels achter moeten worden gebruikt zoals is aangegeven in fig. 10. P4Q01001 Bovendien blokkeert de rolautomaat als u de gordel snel uittrekt.
HOOGTEVERSTELLING VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS Gordel vastmaken: druk de gesp A-fig. 11 in de sluiting B totdat hij hoorbaar blokkeert. Voor de veiligheidsgordels voor zijn twee bevestigingspunten A en B-fig. 12 in de portierstijl gemonteerd. Gordel losmaken: druk op knop C. Voordat u voor het eerst gaat rijden, moet de hoogte van de geleidebeugel aangepast worden aan het postuur van de inzittenden; laat indien nodig de geleidebeugel op het bovenste bevestigingspunt monteren.
Draag altijd veiligheidsgordels, zowel voorin als achterin! Rijden zonder veiligheidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of dodelijke afloop bij een ongeval. P4Q00038 De gordelband mag nooit gedraaid zijn. Het diagonale gordelgedeelte moet via het midden van de schouder schuin over de borst liggen. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik liggen, zodat wordt voorkomen dat u tijdens een botsing onder de gordel uitschuift.
Ook vrouwen die in verwachting zijn moeten een gordel dragen: ook voor hen (zowel voor de aanstaande moeder als het kind) is de kans op letsel bij een ernstig ongeval groter als ze geen gordel dragen. Uiteraard moeten zwangere vrouwen het onderste deel van de gordel meer naar beneden omleggen, zodat de gordel onder de buik langs loopt fig. 15.
De resultaten van het onderzoek over de optimale bescherming van kleine kinderen zijn opgenomen in de Europese ECE/R44-voorschriften die wettelijk verplicht zijn.
GROEP 1 Baby’s tot 10 kg moeten in wiegjes worden vervoerd die achterstevoren zijn geplaatst fig. 17, waardoor het achterhoofd wordt gesteund en bij abrupte snelheidswisselingen de nek niet wordt belast. Kinderen met een gewicht vanaf 9 kg moeten worden vervoerd in kinderzitjes met een kussen fig. 18 die naar voren zijn gekeerd, waarbij de veiligheidsgordel van de auto zowel het kinderzitje als het kind op zijn plaats moet houden.
Kinderen moeten zo in de kinderzitjes worden geplaatst, dat het diagonale gordelgedeelte schuin over de borst en niet langs de nek moet liggen. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik van het kind liggen fig. 19. In de figuur worden slechts aanwijzingen gegeven voor de montage. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.
GORDELSPANNERS Voor een nog effectievere bescherming zijn de veiligheidsgordels voor van de Seicento voorzien van gordelspanners. Dit systeem wordt bij een heftige botsing door een sensor in werking gesteld en trekt de gordel enige centimeters aan. Op deze wijze worden de inzittenden veel beter op hun plaats gehouden en wordt de voorwaartse beweging beperkt.
START-/CONTACTSLOT – PARK: motor uit, parkeerverlichting aan, sleutel uitneembaar, stuurslot geblokkeerd. Om de sleutel in stand PARK te kunnen draaien, moet u knop A indrukken. De sleutel kan in 4 standen worden gedraaid fig. 21. – STOP: motor uit, sleutel uitneembaar en stuurslot geblokkeerd. Enkele elektrische installaties werken (bijv. autoradio). Als het start-/contactslot is geforceerd (bijv.
DASHBOARD Uitvoeringen met stuur links De aanwezigheid en de opstelling van de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uitvoering verschillen. fig. 22 P4Q01002 1. Inbouwplaats linker luidspreker - 2. Uitstroomopeningen voor ontwaseming/ontdooiing van de zijruit - 3. Bedieningshendel buitenverlichting - 4. Claxon - 5. Instrumentenpaneel - 6. Stuurwiel met airbag - 7. Bedieningshendel ruitenwissers/sproeiers voor/achter - 8. Centrale luchtroosters - 9. Toerenteller - 10.
Uitvoeringen met stuur rechts De aanwezigheid en de opstelling van de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uitvoering verschillen. fig. 23 P4Q01003 1. Inbouwplaats linker luidspreker - 2. Uitstroomopeningen voor ontwaseming/ontdooiing van de zijruit - 3. Uitstroomopeningen voor ontwaseming/ontdooiing voorruit - 4. Centrale luchtroosters - 5. Toerenteller - 6. Bedieningshendel buitenverlichting - 7. Hoogteregelaar koplampen - 8. Instrumentenpaneel - 9. Stuurwiel met airbag - 10. Claxon 11.
INSTRUMENTENPANEEL P4Q01004 fig. 24 - Uitvoeringen met stuur links P4Q01005 fig. 25 - Uitvoeringen met stuur rechts A. Druktoets voor het instellen van de tijd - B. Snelheidsmeter C. Brandstofmeter - D. Druktoets voor het op nul zetten van de dagteller E. Totaal kilometerteller/mijlenteller of dagteller F.
INSTRUMENTEN C - Keuzetoets omschakeling/op nul zetten kilometerteller/mijlenteller of dagteller. SNELHEIDSMETER MIJLENTELLER (fig. 26-27-28) A - Totaal kilometerteller of totaal mijlenteller. B - Snelheidsmeter. BRANDSTOFMETER Het waarschuwingslampje A-fig. 29 van de reservebrandstof gaat branden, als er nog 5 tot 7 liter brandstof in de tank aanwezig is.
KLOK TOERENTELLER fig. 31 B-fig. 30 Weergave van de tijd. Als de wijzernaald in het rode gebied staat, betekent dit dat de motor met extreem hoge toerentallen draait. Deze toerentallen mogen slechts kort worden aangehouden. Druk voor het op tijd zetten van uren op knopje A-fig. 30. Elke keer als u het knopje indrukt, verspringt het klokje een eenheid. Als u het knopje even ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch door.
Controle- en waarschuwingslampjes 1 GROOTLICHT (blauw) Als het grootlicht is ingeschakeld. De lampjes branden in de volgende gevallen: y RICHTINGAANWIJZERS (groen) (knipperend) Als u de hendel van de richtingaanwijzers (pijlen) bedient. > 3 BUITENVERLICHTING (groen) Als de buitenverlichting is ingeschakeld. RICHTINGAANWIJZERS VAN EEN EVENTUELE AANHANGER (groen) l Als u de hendel van de richtingaanwijzers (pijlen) bedient.
STORING IN MOTORMANAGEMENTSYSTEEM (EOBD) (geel) U Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart. Het lampje gaat eerst branden om de juiste werking ervan aan te geven. Als het lampje blijft branden of tijdens het rijden gaat branden: 1. Constant branden - duidt op een defect in het inspuit-/ontstekingssyteem.
¢ FIAT CODE (geel) In drie gevallen (met de contactsleutel in stand MAR): 1. Eén maal knipperen - code van de sleutel herkend. Het is mogelijk de motor te starten. 2. Constant branden - code van de sleutel niet herkend. Voer voor het starten van de motor een noodstart uit (zie hoofdstuk NOODGEVALLEN). 3. Knipperend - de auto wordt niet beveiligd door het systeem. Het is mogelijk de motor te starten. HANDREM AANGETROKKEN/TE LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU (rood) x In drie gevallen: 1.
STORING ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING (rood) g In twee gevallen: 1 - Als het beschermingssysteem tegen oververhitting van de elektromotor van de stuurbekrachtiging in werking treedt na veelvuldig draaien aan het stuur. Verdraai het stuur niet en wacht totdat het lampje gedoofd is, voordat de manoeuvre wordt voorgezet. 2 - Als er een storing is in de elektrische stuurbekrachtiging. Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na twee seconden moet het lampje doven.
ZITPOSITIE INSTELLEN ZITPLAATSEN VOOR Verstel de stoelen alleen als de auto stil staat. Verstellen in lengterichting Laat de hendel los en controleer of de stoel goed geblokkeerd is door hem naar voren en naar achteren te schuiven. Als de stoel niet goed geblokkeerd is, kan deze onverwachts verschuiven, waardoor een gevaarlijke situatie kan ontstaan.
TOEGANG TOT DE ZITPLAATSEN ACHTER Voor de zitplaatsen achter zijn twee vaste hoofdsteunen verkrijgbaar. De spiegel is verstelbaar met hendel A-fig. 37. Van beide kanten kunt u de achterzitplaatsen gemakkelijk bereiken. Druk op de twee knoppen om ze te verwijderen. 1) anti-verblindingsstand; Trek de hendel C-fig. 36 omhoog en klap de rugleuning naar voren. 2) normale stand. In beide standen kan de spiegel in alle richtingen worden afgesteld.
VERWARMING EN VENTILATIE BUITENSPIEGELS Handbediende verstelling: Van binnenuit met knop B- fig. 38. Als de breedte van de spiegel A in een nauwe doorgang problemen oplevert, dan kan de spiegel van stand 1 in stand 2 worden geklapt. Als optional is een tweede, van binnenuit verstelbare, buitenspiegel leverbaar voor de rechterzijde van de auto. P4Q00032 P4Q01013 fig. 39 1. Luchtrooster voor ontdooiing of ontwaseming van de voorruit 2. Centraal, verstelbaar luchtrooster - 3.
VERSTELBARE EN REGELBARE LUCHTROOSTERS fig. 40 De roosters kunnen naar boven en naar beneden gekanteld worden. BEDIENINGSKNOPPEN fig. 41 VERWARMING A - Draaiknop voor regeling van de luchttemperatuur (menging van warme/koude lucht). 1) Draaiknop voor de luchttemperatuur A-fig. 41: in het rode vlak. 2) Draaiknop voor de aanjager B: schakel de gewenste snelheid in. B - Draaiknop voor inschakeling van de aanjager.
BELANGRIJK Ga voor een snelle verwarming als volgt te werk: – sluit alle luchtroosters op het dashboard; – zet draaiknop A in het rode vlak; – zet draaiknop B van de aanjager op de maximale snelheid; – zet draaiknop C in stand -. ONTWASEMEN EN/OF ONTDOOIEN VAN DE ACHTERRUIT Druk op knop (. Nadat de achterruit ontwasemd is, is het raadzaam het systeem uit te schakelen.
VENTILATIE 1) Zij- en middenroosters: geheel open. 2) Draaiknop voor de luchttemperatuur A-fig. 41: in het blauwe vlak. 3) Regelschuif D in stand U. 4) Draaiknop voor de aanjager B: schakel de gewenste snelheid in. 5) Draaiknop voor de luchtverdeling C: in stand ¥. RECIRCULATIE Met regelschuif D in stand T circuleert alleen de lucht in het interieur. HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING C - Draaiknop voor de luchtverdeling. D - Schuif voor inschakeling van het recirculatiesysteem.
AIRCONDITIONING (koeling) 1) Draaiknop voor de luchttemperatuur A-fig. 42: in het blauwe vlak. 2) Airconditioning: druk op schakelaar √ E. 3) Schuif D: in stand T. BELANGRIJK De airconditioning kan goed gebruikt worden om de ruiten sneller te ontwasemen, omdat de lucht droger wordt. Zet hiervoor de bedieningsknoppen op ontwasemen en schakel de airconditioning in door schakelaar √ in te drukken. ONDERHOUD VAN HET SYSTEEM Schakel in de winter de airconditioning 1 keer per maand gedurende 10 minuten in.
HENDELS AAN HET STUUR HENDEL LINKS Buitenverlichting fig. 43 Grootlicht fig. 45 Draai de schakelaar van stand å in stand 6. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 3 branden. Druk de hendel naar voren in de richting van het dashboard in stand 2. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 1 branden. Dimlicht fig. 44 Met de linker hendel bedient u de meeste onderdelen van de buitenverlichting. Het grootlicht wordt uitgeschakeld als u de hendel naar het stuur trekt.
Richtingaanwijzers (pijlen) fig. 47 Trek de hendel naar het stuur (stand zonder vergrendeling). HENDEL RECHTS Ruitenwissers/-sproeiers fig. 48 Plaats de hendel: Deze werkt uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat. naar boven - rechter richtingaanwijzer ingeschakeld naar beneden - linker richtingaanwijzer ingeschakeld. Standen: Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje y knipperen. 1 - Interval wissen.
Als u de hendel naar het stuur trekt fig. 49 schakelen de ruitensproeiers in. PLAFONDLAMPJE Achterruitwisser/-sproeier Deze werkt uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat. Het lampje gaat automatisch branden als u één van de voorportieren opent. Standen: Het lampenglas A-fig. 52 heeft drie standen: P4Q00054 1) draai de schakelaar van stand å in stand ' fig. 50; - zijde 1 ingedrukt: lampje brandt altijd 2) als u de hendel naar voren duwt (stand zonder vergrendeling) fig.
BEDIENINGSKNOPPEN Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is afhankelijk van de verkeersvoorschriften in het land waarin u rijdt. U dient zich aan de voorschriften te houden. WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN Voor inschakeling drukt u op schakelaar A-fig. 53. Deze werken onafhankelijk van de stand van de contactsleutel. A - In-/uitschakeling van de mistlampen voor. Deze lampen werken alleen als de buitenverlichting is ingeschakeld. B - In-/uitschakelen van de mistachterlichten.
CLAXON BRANDSTOFNOODSCHAKELAAR Druk voor het inschakelen van de claxon op één van de in fig. 55 aangegeven delen van het stuurwiel. Deze veiligheidschakelaar springt omhoog bij een ongeval, waardoor de toevoer van brandstof wordt gestopt en de motor afslaat. Als u geen brandstoflekkage waarneemt en de auto kan nog verder rijden, druk dan op knop A-fig. 56 midden onder het dashboard (tegen het schutbord tussen het interieur en de motorruimte) om de brandstoftoevoer weer te herstellen.
INTERIEURUITRUSTING BELANGRIJK Controleer altijd of de aansteker na het indrukken ook uitschakelt. ASBAK EN AANSTEKER 2) Schuif om de asbak te gebruiken het klepje B-fig. 57 open. U gebruikt deze als volgt: Voor de zitplaatsen achter is een asbak in het zijpaneel rechts geplaatst. Om de asbak te gebruiken moet u in de richting van de pijl fig. 59 drukken. Druk voor het uitnemen het uitdrukplaatje A iets omlaag. De asbak kan uitgenomen worden.
ZONNEKLEPPEN fig. 60 Opendak De zonnekleppen zitten aan beide zijden naast de achteruitkijkspiegel. Ze kunnen voor de voorruit of voor de zijruit worden gedraaid. HANDBEDIEND Draai om het dak te openen de draaiknop B-fig. 61 linksom. Hierdoor gaat het opendak aan de achterzijde open. Draai om het dak te sluiten de draaiknop rechtsom.
Het zonnescherm verhindert het binnendringen van direct zonlicht en kan worden verwijderd. Draai voor het wegnemen van het zonnescherm met een schroevendraaier of een muntstuk de, op de afbeelding aangegeven, schroef C-fig. 61 los. Voor het opbergen van het opendak en het zonnescherm is in de bagageruimte een elastische band tegen de rugleuning van de achterbank gemonteerd, waarmee beide onderdelen vastgezet kunnen worden.
Zodra u de knop loslaat, blijft het dak in de stand staan waarin het zich op dat moment bevindt. Voor het geheel openen of sluiten van het dak, moet de knop A ingedrukt worden gehouden. Als het elektrische systeem niet werkt, neem dan de sleutel D-fig. 67 uit het documententasje. Steek de sleutel in de zitting C en draai aan de sleutel. Op deze wijze kunt u het dak met de hand bedienen.
– Vergrendelen: Draai de sleutel in stand 1-fig. 68 als het portier goed gesloten is. Van binnenuit Bij centrale portiervergrendeling moeten beide portieren goed gesloten zijn. Als één van de portieren niet goed gesloten is, kunnen beide portieren niet tegelijkertijd vergrendeld worden: – Openen: trek de hendel A-fig. 69 naar achteren, ongeacht de stand van de vergrendelknop. P4Q01047 P4Q00027 fig.
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING Onzorgvuldig gebruik van de elektrische ruitbediening kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het sluiten van een ruit altijd of de passagiers niet verwond kunnen worden door de beweging van de ruit zelf of door in beweging gebrachte voorwerpen. Het systeem werkt alleen als de contactsleutel in stand MAR staat. De twee bedieningsknoppen fig.
De achterklep gaat dank zij de gasveren gemakkelijk open. U sluit de achterklep door hem bij het slot naar beneden te duwen totdat de klep hoorbaar in het slot valt. Naderhand aangebrachte voorwerpen op de hoedenplank of de achterklep (luidsprekers, spoiler, enz.) kunnen een goede werking van de gasveren op de achterklep verhinderen. Rijd niet met een geopende achterklep: het uitlaatgas kan in het interieur terecht komen.
VERGROTEN Trek de pennen A-fig. 75 uit de zittingen en trek vervolgens de hoedenplank naar buiten. U kunt de bagageruimte als volgt vergroten: Achterbank weer in normale stand zetten: – til de rugleuning fig. 78 op en duw deze naar achteren, totdat u de klik van het borgmechanisme hoort; zorg ervoor dat de veiligheidsgordels weer voor de rugleuning zitten; De losse hoedenplank kunt u dwars achter de rugleuningen van de voorstoelen opbergen.
De auto kan zijn uitgerust met een deelbare achterbank. Bagage vastzetten Bij auto’s met een deelbare achterbank zijn er meerdere mogelijkheden om de bagageruimte te vergroten, afhankelijk van het aantal passagiers en de hoeveelheid bagage: In de bagageruimte bevindt zich aan beide zijden van de achterbank een bevestigingspunt A-fig. 79 waaraan banden kunnen worden bevestigd, waarmee de bagage goed kan worden vastgezet.
MOTORKAP Motorkap openen: 1) Trek de hendel fig. 80 in de richting van de pijl. Attentie. Als de steunstang verkeerd geplaatst wordt, kan de motorkap onverwachts dichtvallen. 2) Druk aan de zijkant op haak B zoals aangegeven in fig. 81. Voer deze handeling alleen uit als de auto stilstaat. 3) Til de motorkap op en trek gelijktijdig de steunstang B-fig. 82 uit de klem A. P4Q00025 Controleer of de arm van de ruitenwisser tegen de ruit aanstaat voordat u de motorkap optilt.
Pas op als u sjaals, dassen of loszittende kledingstukken draagt: deze kunnen door de bewegende onderdelen worden gegrepen. Motorkap sluiten: 1) Houd de motorkap met een hand omhoog, trek met de andere hand de stang B-fig. 82 uit de zitting C en plaats de stang terug in de klem A. 2) Laat de motorkap tot op ongeveer 20 cm zakken. P4Q00070 3) Laat de motorkap dichtvallen: hij vergrendelt nu automatisch. BEVESTIGINGSPUNTEN fig.
Controleer na enkele kilometers of de bevestigingsbouten nog goed vastzitten. KOPLAMPEN Als de auto beladen is, helt hij achterover. Het gevolg is dat de lichtbundel van de koplampen meer naar boven schijnt. De stand van de koplampen moet nu worden gecorrigeerd. KOPLAMPEN AFSTELLEN Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk voor het comfort en de veiligheid van uzelf en de overige weggebruikers. Overschrijd nooit het maximum draagvermogen (zie hoofdstuk TECHNISCHE GEGEVENS).
MISTLAMPEN VOOR AFSTELLEN ABS gerekend, zal de remcapaciteit van de auto absoluut niet minder zijn. Door aan schroef A-fig. 85-86 te draaien, kunt u de lichtbundel van deze lamp afstellen. De auto is uitgerust met een antiblokkeerremsysteem (ABS). Het systeem voorkomt dat de wielen blokkeren, waardoor de beschikbare grip optimaal wordt benut en de auto ook tijdens een noodstop bestuurbaar en stabiel blijft.
Het ABS maakt zoveel mogelijk gebruik van de beschikbare grip maar kan deze niet verhogen. Daarom moet op gladde weggedeelten altijd voorzichtig worden gereden en mogen er geen onnodige risico’s worden genomen. Wees voorzichtig bij het remmen in bochten, ook als de auto is voorzien van ABS. Als het ABS in werking treedt, betekent dit dat de grip van de banden op het wegdek beperkt is; u dient uw snelheid te verlagen en aan te passen aan de beschikbare grip.
Als het waarschuwingslampje x voor te laag remvloeistofniveau gaat branden, stop dan onmiddellijk de auto en raadpleeg de dichtstbijzijnde Fiat-dealer. Als er vloeistof lekt uit het hydraulische systeem, wordt de werking van zowel het conventionele remsysteem als het ABS in gevaar gebracht. AIRBAGS VOOR AIRBAGS VOOR fig. 87 WEGWIJS IN UW AUTO Bij een ongeval verwerkt een regeleenheid de gegevens van een vertragingssensor en zorgt ervoor, indien nodig, dat het kussen wordt opgeblazen.
Bij botsingen tegen snel vervormbare of beweegbare objecten (zoals verkeerspalen, sneeuw- of ijs-ophopingen, geparkeerde auto’s, enz), bij aanrijdingen van achteren (zoals een aanrijding door een andere auto) en bij zijdelingse aanrijdingen door andere auto’s of tegen veiligheidsbarrières (bijvoorbeeld tegen de onderkant van de auto of de vangrail), wordt de airbag niet geactiveerd omdat geen enkele aanvullende bescherming wordt geboden op de veiligheidsgordels.
De sleutelschakelaar heeft twee standen: 1) Airbag voor aan passagierszijde ingeschakeld: (stand ON P) het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel brandt niet: het is absoluut verboden kinderen op de voorstoel te vervoeren. 2) Airbag voor aan passagierszijde uitgeschakeld: (stand OFF F) het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel brandt: het is mogelijk om kinderen in goedgekeurde kinderzitjes op de voorstoel te vervoeren.
treedt, dan duidt dat niet op een storing in het systeem. Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje F (met de blokkeerschakelaar voor de werking van de passagiersairbag in stand ON) 4 seconden branden en vervolgens 4 seconden knipperen om aan te geven dat de passagiersairbag bij een ongeval kan inschakelen. Vervolgens moet het lampje doven. Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje ¬ branden. Na ongeveer 4 seconden moet het lampje doven.
Laat bij diefstal of een poging tot diefstal, bij beschadiging of als de auto bij een overstroming onder water is geweest, het airbagsysteem door de Fiat-dealer controleren. Als de contactsleutel in stand MAR staat, kunnen, ook bij uitgezette motor, de airbags inschakelen als de auto stilstaat en frontaal wordt aangereden door een andere auto die met voldoende snelheid rijdt. Daarom mogen er ook als de auto stilstaat absoluut geen kinderen op de passagiersstoel voor worden geplaatst.
P4Q00503 Dit diagnosesysteem voert continu controles uit op de componenten die van invloed zijn op de emissies; bovendien kan de bestuurder door het branden van lampje U op het instrumentenpaneel een vermindering in de werking van de componenten constateren. Het doel is: – de werking van het systeem controleren; – signaleren wanneer door een storing de emissies boven de wettelijk vastgestelde drempelwaarde uitkomen; – signaleren wanneer het noodzakelijk is de beschadigde componenten te vervangen.
BELANGRIJK Na het verhelpen van de storing moet de Fiat-dealer voor een complete controle van het systeem, tests uitvoeren op een testbank en, zonodig, een proefrit maken die eventueel een langere afstand kan omvatten. ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING fig. 89 BELANGRIJK De elektrische stuurbekrachtiging werkt alleen als de contactsleutel in stand MAR staat. Op de Seicento is een nieuw type elektrische stuurbekrachtiging geïnstalleerd met de naam EPAS (Electrical Power Assisted Steering).
Aanwijzingen voor het laden – maximum totaalgewicht De Seicento Van is ontworpen en goedgekeurd op basis van vastgestelde maximum gewichten: – maximum voorasbelasting – leeggewicht – maximum achterasbelasting – aanhangergewicht. Alle opgegeven maximum gewichten mogen nooit worden overschreden. Gebruik voor het vastzetten van de lading metalen kabels, touwen of riemen, die stevig genoeg zijn om de lading op zijn plaats te houden.
Als de auto niet is uitgerust met de AUTORADIO, beschikt u op het dashboard en in de portieren over een aantal opbergvakken, die de functionaliteit van het interieur vergroten. In het Lineaccessori-programma van Fiat is een speciale kit beschikbaar voor de INBOUWVOORBEREIDING AUTORADIO.
F C D RN NZ BN SN RV B B NL CR ST EQ E - Zekeringen voor de voeding CARD 1 A 2 3 4 5 6 SEARCH B - Aansluitstekker radio D - Luidspreker op het dashboard linksvoor N A A - Antenne C - Luidspreker op het dashboard rechtsvoor E 15 22 P4Q00181 SCHEMA VOOR DE VOORBEREIDE ELEKTRISCHE BEDRADING EN EXTRA AANSLUITINGEN fig. 92 SCAN. F - Extra zekering voor voeding van een losse versterker (bij inbouw van een geluidsinstallatie met een vermogen boven 20 + 20W).
LUIDSPREKERS INBOUWPAKKET De luidsprekers moeten in de zittingen aan het uiteinde van het dashboard worden gemonteerd. Naast de standaardvoorziening kan de auto uitgerust zijn met: – 2 luidsprekers voor; – fig. 93 luidspreker links – een antenne die op het dak moet worden gemonteerd; – fig. 94 luidspreker rechts. – voedingskabels voor de autoradio. P4Q00129 1) Draai de 4 schroeven B los en verwijder het rooster.
P4Q01049 De auto kan als optional zijn uitgerust met een inbouwvoorbereiding voor een mobiele telefoon. Deze voorbereiding bestaat uit: – een luidspreker met dubbele spoel (autoradio + mobiele telefoon) D-fig.
De antenne is geschikt voor een zendvermogen tot 20W. Aansluitschema van de elektrische bedrading: N elektronische massa Plaats de microfoon bij voorkeur in de nabijheid van het plafondlampje en zorg ervoor dat het zicht niet wordt belemmerd. RADIOZENDAPPARATUUR EN MOBIELE TELEFOON Mobiele telefoons en andere radiozendapparaten (bijvoorbeeld 27 mc) mogen alleen in de auto worden gebruikt als er een aparte antenne aan de buitenkant van de auto wordt gemonteerd.
TANKEN MET DE SEICENTO Tank met de Seicento nooit, niet in noodgevallen en ook niet een klein beetje, loodhoudende benzine. U zou de katalysator onherstelbaar beschadigen. Door de toepassing van emissiereductiesystemen in de Seicento mag u uitsluitend loodvrije benzine tanken. Om vergissingen te voorkomen is de diameter van de vulpijp van de tank kleiner, zodat het vulpistool voor loodhoudende benzine er niet in past. Het octaangetal van de benzine moet ten minste 95 R.O.N. zijn.
BELANGRIJK Door de hermetische afsluiting van de tank kan de druk in de tank iets verhoogd zijn: Het is daarom normaal als u bij het losdraaien van de tankdop een sissend geluid hoort. BELANGRIJK Vervang de tankdop zonodig alleen door een ander exemplaar van hetzelfde type, anders kan de werking van het benzinedampopvangsysteem in gevaar worden gebracht. Sluiten: 1) De tankdop is voorzien van een bajonetsluiting.
C O R R E C T G E B R U I K VA N D E A U T O MOTOR STARTEN Het is gevaarlijk om de motor in een afgesloten ruimte te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert koolmonoxide en andere giftige stoffen. Raak de hoogspanningskabels (bougiekabels) nooit aan als de motor draait. 1) Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken. 3) Trap het koppelingspedaal geheel in, zonder het gaspedaal in te trappen.
NOODSTART MOTOR UITZETTEN Als de regeleenheid van de Fiat CODE de via de contactsleutel gezonden code niet herkent (controlelampje ¢ op het instrumentenpaneel brandt constant) kan een noodstart worden uitgevoerd met de code die op de CODE-card vermeld staat. Draai bij stationair draaiende motor de contactsleutel in stand STOP. Zie het hoofdstuk NOODGEVALLEN. Probeer auto’s met katalysator nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling te laten rijden.
Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. BELANGRIJK Als dit niet het geval is, laat dan de Fiat-dealer de handrem afstellen. GEBRUIK VAN DE VERSNELLINGSBAK HANDREM Als bij aangetrokken handrem de contactsleutel in stand MAR staat, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje x branden. De standen van de pook komen overeen met de verschillende versnellingen en staan aangegeven in het schema in fig. 2 (dit schema staat ook op de knop van de pook).
BELANGRIJK De achteruit kan alleen bij een volledig stilstaande auto worden ingeschakeld. Wacht bij een stationair draaiende motor met geheel ingetrapt koppelingspedaal ten minste 2 seconden voordat u de achteruit inschakelt, om beschadiging aan de versnellingsbak te voorkomen. Om op de juiste wijze te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen. Daarom mag er niets onder het pedaal liggen dat dit kan verhinderen.
TIJDENS DE RIT – De eerste regel van veilig rijden is voorzichtigheid. – Voorzichtigheid houdt ook in, dat u alert bent op fouten en onvoorzichtigheden van anderen. – Houdt u altijd strikt aan de geldende verkeersregels van elk land waarin u rijdt en houdt u vooral aan de maximum snelheden. – Zorg er altijd voor dat naast uzelf ook alle overige inzittenden de veiligheidsgordel dragen en dat kinderen in passende zitjes worden vervoerd.
IN HET DONKER RIJDEN Enkele belangrijke tips voor het rijden in het donker: – Rijd extra voorzichtig: rijden in het donker vergt veel meer concentratie. – Beperk de snelheid, vooral op onverlichte wegen. – Stop bij de eerste tekenen van slaperigheid: doorrijden levert gevaar op voor uzelf en voor anderen. Ga pas weer rijden na voldoende rust. – Bewaar een veilige afstand, groter dan overdag, van de auto’s die voor u rijden.
BELANGRIJK Doof bij stukken met goed zicht de mistachterlichten om de weggebruikers achter u niet te hinderen. – Denk eraan dat mist de wegen ook nat maakt, waardoor manoeuvres moeilijker uit te voeren zijn en de remweg langer is. – Houd ruim afstand van de auto’s voor u. – Voorkom zoveel mogelijk abrupte snelheidswisselingen. – Vermijd zoveel mogelijk het inhalen van andere voertuigen. – Als u plotseling moet stoppen (bij een defect, door sterke vermindering van het zicht enz.
– Blijf niet te lang met een draaiende motor in diepe sneeuw stilstaan: de sneeuw kan de afvoer van uitlaatgas verhinderen, waardoor dit in het interieur kan terecht komen. Het beste gebruik van ABS: MET ABS RIJDEN – Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen, maar verhoogt de grip van de banden op het wegdek niet. Houd daarom ook met auto’s met ABS een veilige afstand van de auto’s die voor u rijden en beperk de snelheid voor u een bocht inrijdt.
Banden Stroomverbruikers Controleer regelmatig, ten minste één keer per maand, de spanning van de banden. Als de spanning te laag is, wordt de weerstand groter en neemt het verbruik toe. Bovendien slijten hierdoor de banden sneller en verslechtert de wegligging van de auto, waardoor de veiligheid in gevaar wordt gebracht. Gebruik de elektrische installaties alleen als u ze nodig hebt.
neemt bij het oneigenlijke gebruik van een hoge versnelling, het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toe. Bovendien slijt de motor hierdoor sneller. GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN Maximum snelheid Bij korte ritten en regelmatig koud starten, bereikt de motor niet de optimale bedrijfstemperatuur. Hierdoor neemt niet alleen het brandstofverbruik toe (van 15 tot aan 30% in stadsverkeer) maar ook de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET BEHOUD VAN DE EMISSIEREDUCTIESYSTEMEN De correcte werking van deze systemen is niet alleen belangrijk voor het milieu, maar ook voor het rendement van de auto. Het in goede conditie houden van de systemen is de belangrijkste voorwaarde voor milieubewust en economisch rijden. De eerste eis is, dat u zich te allen tijde houdt aan het geprogrammeerd onderhoud.
TREKKEN VAN AANHANGERS BELANGRIJK Controleer of de auto geschikt is voor het trekken van een aanhanger of caravan. De auto moet worden uitgerust met een trekhaak van een goedgekeurd type en een adequate elektrische installatie. De montage van de trekhaak moet door gespecialiseerd personeel worden uitgevoerd. Ook moet documentatie worden overhandigd m.b.t. het rijden met een aanhanger. Monteer zonodig speciale achteruitkijkspiegels, waarmee u voldoet aan de geldende wetgeving.
P4Q00220 900 2 2 Hart achterwielen Bestaand referentiegat ∅ 25 1 15 110 43,5 1 43,5 8 Hart trekkogel 310 43,5 ≥65 43,5 De elektrische aansluitingen moeten afgetakt worden zoals is aangegeven in fig. 4. 3 587 3 10 3 152 3 87 157 87 Beladen 385 ± 35 fig.
P4Q00178 De trekhaak moet op de carrosserie gemonteerd worden zonder gaten in of vervormingen van de achterbumper die zichtbaar zijn bij gedemonteerde trekhaak. BELANGRIJK Het is verplicht om op dezelfde hoogte als de trekkogel een (goed zichtbaar) plaatje van voldoende afmetingen en kwaliteit aan te brengen met de volgende tekst: E D MAX. GEWICHT OP KOPPELING 70 kg.
WINTERBANDEN Deze banden zijn speciaal ontworpen voor het rijden op sneeuw en ijs en kunnen worden gemonteerd in plaats van de standaard geleverde banden. Gebruik winterbanden die dezelfde maat hebben als de standaard gemonteerde banden. De Fiat-dealer kan u adviseren welke band het meest geschikt is voor het doel waarvoor u hem wilt gebruiken.
SNEEUWKETTINGEN Het gebruik van sneeuwkettingen is afhankelijk van de voorschriften van het land waar wordt gereden. De sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen gemonteerd worden (aangedreven wielen). Gebruik uitsluitend sneeuwkettingen met een geringe dikte (de ketting mag maximaal 12 mm boven het profiel van de band uitsteken). Wij raden u het gebruik aan van sneeuwkettingen uit het Fiat Lineaccessori-programma. Controleer na enkele meters rijden of de kettingen nog goed gespannen zijn.
AUTO LANGERE TIJD STALLEN – Maak de gespoten plaatdelen schoon en behandel ze met een beschermende was. NUTTIGE ACCESSOIRES Tref de volgende maatregelen als de auto enkele maanden niet wordt gebruikt: – Reinig en conserveer de glimmende metalen delen met daarvoor geschikte middelen. – Zet de auto in een overdekte, droge en zo mogelijk goed geventileerde ruimte. – Smeer de wisserrubbers van de ruitenwissers en achterruitwisser in met talkpoeder en laat ze los van de ruit staan.
N O O D G E VA L L E N NOODSTART Als de Fiat CODE er niet in slaagt om de startblokkering op te heffen, blijven het controlelampje ¢ en het waarschuwingslampje U branden en start de motor niet. Voor het starten van de motor is het nodig een noodstart uit te voeren. Wij raden u aan eerst de instructies goed te lezen voordat u de motor op deze wijze start. Als er een vergissing wordt gemaakt, moet de contactsleutel in stand STOP gedraaid worden en de gehele procedure vanaf het begin (punt 1) worden herhaald.
STARTEN MET EEN HULPACCU BELANGRIJK Verbind de minpolen van de twee accu’s niet direct: eventuele vonken kunnen het explosieve gas ontsteken dat uit de accu kan ontsnappen. Als de accu leeg is, kan de motor worden gestart met een hulpaccu, die ten minste dezelfde capaciteit moet hebben als de lege accu (zie hoofdstuk TECHNISCHE GEGEVENS).
ROLLEND STARTEN EEN LEKKE BAND Algemene aanwijzingen Probeer auto’s met katalysator nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande benzine in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen. Houd er rekening mee dat de rembekrachtiging niet werkt zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal.
Op het reservewiel mag geen sneeuwketting worden gemonteerd. Als u een lekke voorband hebt, kunt u het reservewiel op de achteras plaatsen en het achterwiel op de vooras. Zo hebt u op de vooras twee normale wielen waarop uw sneeuwkettingen kunt monteren. Monteer nooit een normale band op de velg van het reservewiel. Laat het verwisselde wiel zo snel mogelijk repareren en monteren. Gebruik nooit twee of meer reservewielen.
2. PAK HET GEREEDSCHAP, DE KRIK EN HET RESERVEWIEL Het is nodig te weten dat: – de krik geen afstelwerkzaamheden mag vereisen; – de krik bij beschadiging vervangen moet worden door een krik van hetzelfde type; – buiten de slinger geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd mag kunnen worden. U vindt ze in de bagageruimte. – Til de bekleding op fig. 2 staan. 1) Draai de wielbouten van het te verwisselen wiel ongeveer één slag los fig. 4. 2) Draai de slinger van de krik zo, dat hij iets omhoog komt.
8) Zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het reservewiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen. 1) Volg de hiervoor beschreven procedure, krik de auto op en demonteer het reservewiel. 9) Monteer het reservewiel, waarbij de centreerpen A-fig. 7 in één van de pasgaten B in de velg moet vallen. 2) Monteer het normale wiel, waarbij u eerst de bout A -fig. 6 in het gat draait dat tegenover het ventiel zit.
BELANGRIJK In tubeless banden mogen geen binnenbanden gebruikt worden. 6) Draai de bouten verder vast volgens de eerder aangegeven volgorde in fig. 8. SPORT KIT DEMONTEREN Bij uitvoeringen met de Sport-kit moeten om banden met bandenmaat 155/65 R13” 73H te kunnen monteren, enkele onderdelen van de voorwielen gedemonteerd worden, zoals hierna beschreven is: Controleer regelmatig de spanning van de banden, ook van het reservewiel.
EEN GLOEILAMP VERVANGEN 5 - monteer het nieuwe wiel en bevestig het met de bijbehorende bouten E-fig. 12. Bij de achterwielen moeten, na het verwijderen van het wiel, de tapeinden worden verwijderd en het nieuwe wiel gemonteerd worden. Bevestig het wiel vervolgens met de bijbehorende bouten.
Controleer voordat u een defect lampje vervangt of de contacten niet zijn geoxideerd. Vervang een defecte lamp door een exemplaar van hetzelfde type en vermogen. Op de auto zijn verschillende typen gloeilampen gemonteerd: A. Glasfittinglampen Deze hebben een klemfitting. Verwijder de lampen door ze uit de houder te trekken. B. Gloeilampen met bajonetfitting Verwijder de gloeilampen uit de lamphouder door ze iets in te drukken en linksom te draaien.
DEFECTE BUITENVERLICHTING Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brandgevaar veroorzaken. GROOTLICHT EN DIMLICHT 3) Plaats de nieuwe lamp, waarbij u erop moet letten dat de lippen E-fig. 16 op het metalen deel in de uitsparingen van de reflector vallen. Halogeenlamp vervangen: 1) Trek eerst de stekker A-fig.
PARKEERLICHTEN VOOR 3) Vervang de lamp en monteer de lamphouder A. 5) Vervang de lamp en monteer de lamphouder in de lichtunit. RICHTINGAANWIJZERS VOOR 6) Plaats de unit terug, waarbij de twee lippen E-fig. 21 in de geleiders F aan de zijkant van de koplamp moeten vallen. Gloeilamp (12V-5W) vervangen: 1) Draai de lamphouder A-fig. 17 iets en trek hem uit de zitting. Gloeilamp (12V-21W) vervangen: 7) Haak de borgveer A-fig. 19 weer vast. 1) Haak de borgveer A-fig.
RICHTINGAANWIJZERS OP VOORSPATBORD 2) Verwijder het lampenglas. 3) Haak de borgveer C-fig. 26 los en trek de lamp D uit de zitting. 3) Verwijder de lamp B-fig. 23 en vervang hem. Gloeilamp (12V-5W) vervangen: 4) Voer voor het monteren de hierboven beschreven handelingen in omgekeerde volgorde uit. 4) Monteer het lampenglas en draai het in stand 1 om het weer vast te zetten. 1) Draai het lampenglas A-fig.
3) Verwijder de gloeilampen fig. 29 door ze iets in te drukken en linksom te draaien. Gloeilamp vervangen: 1) Draai de twee schroeven Afig. - 27 los en kantel de lichtunit naar achteren. P4Q00175 2) Verwijder de lamphouder C-fig. 28 door de hendel D los te haken.
3) Vervang het in de lamphouder geklemde lampje (12V-5W) B-fig. 32. DERDE REMLICHT 4) Vervang de geklemde lamp E-fig. 36. Gloeilamp(en) (12V-5W) vervangen: 5) Monteer de lichtunit omgekeerde volgorde. 1) Draai de 5 schroeven A-fig. 33 los en verwijder de complete beschermkap. in 3) Draai de 4 schroeven D-fig. 35 los en verwijder de lamphouder uit de lichtunit. P4Q00119 P4Q00116 2) Trek de stekker B- fig. 34 los en draai de 3 schroeven C van de lichtunit los. fig. 33 fig.
DEFECTE INTERIEURVERLICHTING EEN DOORGEBRANDE ZEKERING Plafondlampje voor Gloeilamp (12V-5W) vervangen: wip met een schroevendraaier het geklemde lampenglas los, zoals is aangegeven in fig. 37. Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brandgevaar veroorzaken.
Verwijder een zekering met behulp van het tangetje C uit de zekeringenkast. Vervang een defecte zekering nooit door ander materiaal. Gebruik altijd een zekering met dezelfde kleur. Als een hoofdzekering (MAXI-FUSE) doorbrandt, voer dan niet zelf reparatiewerkzaamheden uit maar neem contact op met de Fiat-dealer. ZEKERINGOPSTELLING De zekeringenkast bevindt zich links van het stuur. De zekeringen zijn bereikbaar nadat de schroef B-fig. 39 is losgedraaid en het deksel A is verwijderd.
Een andere zekering van 7,5A bevindt zich naast de airconditioning, onder het dashboard, en is bereikbaar vanuit het interieur. BELANGRIJK Neem voor het vervangen van één van de 4 hierboven genoemde zekeringen contact op met de Fiat-dealer. Zekeringen in de motorruimte Een zekeringenkast links in de motorruimte, achter de accu, bevat 4 hoofdzekeringen A-fig. 41 met een hoog ampèrage (MAXI-FUSE), die oververhitting van de hoofdvoedingskabels moet voorkomen, waardoor het risico op brand wordt vermeden.
Systeem/Component Parkeerlicht linksvoor Parkeerlicht rechtsvoor Achterlicht links Achterlicht rechts Dimlicht links Dimlicht rechts Grootlicht links Grootlicht rechts Remlicht links Remlicht rechts Derde remlicht Kentekenplaatverlichting links Kentekenplaatverlichting rechts Achteruitrijlicht Mistachterlicht Waarschuwingsknipperlichten Richtingaanwijzers (pijlen) Mistlampen voor Plafondlampje Ruitenwissers-/sproeiers Claxon Elektrische ruitbediening Portiervergrendeling Achterruitverwarming Sigarenaansteke
EEN LEGE ACCU 2) Sluit de klemmen van de acculader aan op de accupolen. 3) Schakel de acculader in. Wij raden u aan in het hoofdstuk ONDERHOUD VAN DE AUTO de voorzorgsmaatregelen door te lezen om een lege accu te voorkomen en om een lange levensduur van de accu te garanderen. 4) Aan het einde van het opladen: schakel eerst de acculader uit en koppel dan de accu los. 5) Sluit de accuklemmen weer aan op de accupolen. Let daarbij op de polariteit.
Zie de paragraaf EEN LEKKE BAND in dit hoofdstuk. De boordkrik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel van de auto waarbij hij geleverd is. Andere werkzaamheden zoals bijv. het opkrikken van een andere auto zijn absoluut uitgesloten. Gebruik de krik in geen enkel geval voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto.
HET SLEPEN VAN DE AUTO Aan de zijkant Bij de auto is een sleepoog geleverd. De auto kan ook aan de zijkant worden opgekrikt als op de hefarm van de hydraulische krik de speciale steun wordt gemonteerd. Sleepoog bevestigen: 1) Verwijder het sleepoog uit de zak die zich in het reservewiel bevindt. Draai voor het slepen de sleutel in stand MAR en vervolgens in stand STOP zonder de contactsleutel uit het slot te verwijderen.
BIJ EEN ONGEVAL 4) Verwijder met een schroevendraaier het luikje A-fig. 49 in de achterbumper op het door de pijl aangegeven punt en draai het sleepoog B-fig. 50 geheel op de schroefdraadpen. Deze is zichtbaar na het verwijderen van het luikje. Dit sleepoog dient voor het slepen van een andere auto. P4Q00139 3) Draai het sleepoog B-fig. 48 geheel op de schroefdraadpen. Deze is zichtbaar na het verwijderen van het luikje. – Het is belangrijk altijd rustig te blijven.
– Bij kettingbotsingen op de snelweg, in het bijzonder bij mist, is het risico om bij volgende botsingen betrokken te raken groot. Verlaat onmiddellijk de auto en zoek bescherming achter de vangrail. ALS ER GEWONDEN ZIJN VERBANDTROMMEL fig. 51 – Blijf altijd bij de gewonde. Ook de personen die niet direct bij het ongeval betrokken zijn, zijn verplicht hulp te bieden. – Probeer bij geblokkeerde portieren de auto niet te verlaten door de gelaagde voorruit in te slaan.
O N D E R H O U D VA N D E A U T O GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD Doelmatig onderhoud is een beslissende factor voor een lange levensduur, de beste prestaties en een zo zuinig mogelijk gebruik van de auto. Om dit te realiseren heeft Fiat een reeks controle- en onderhoudsbeurten samengesteld die iedere 20.000 km moeten worden uitgevoerd. Onthoud echter dat het GEPROGRAMONDERHOUD niet volledig toereikend is om de auto in optimale staat te houden: zowel in de beginperiode voor de servicebeurt bij 20.
ONDERHOUDSSCHEMA De servicebeurten moeten iedere 20.000 km. worden uitgevoerd. x 1000 km Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel afstellen Werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, waarschuwings-/controlelampjes, enz.
x 1000 km 20 40 60 ● Inspuiting/ontsteking controleren (m.b.v.
AANVULLENDE WERKZAAMHEDEN Iedere 1.000 km of voor een lange reis controleren en eventueel bijvullen/herstellen: – koelvloeistofniveau, remvloeistofniveau, niveau elektrolyt in de accu, niveau van de ruitensproeiervloeistof, spanning en conditie van de banden. Iedere 3.000 km controleren en eventueel bijvullen: motoroliepeil Gebruik bij voorkeur producten van de FL Group omdat die speciaal zijn afgestemd op de Fiat-modellen (zie de VULLINGSTABEL in het hoofdstuk TECHNISCHE GEGEVENS).
NIVEAUS CONTROLEREN Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht ontvlambare gassen aanwezig zijn; brandgevaar. Pas op als u sjaals, dassen of loszittende kledingstukken draagt: deze kunnen door de bewegende onderdelen worden gegrepen. P4Q01038 Als de auto wordt gebruikt in warme klimaten of onder zeer zware bedrijfsomstandigheden moet de acculading (elektrolyt) vaker worden gecontroleerd dan is voorgeschreven in het ONDERHOUDSSCHEMA in dit hoofdstuk.
MOTOROLIE Wees bij het uitvoeren van werkzaamheden in de motorruimte extra voorzichtig als de motor nog warm is: gevaar voor verbranding. Onthoud dat bij een warme motor de elektroventilateur onverwachts kan inschakelen: kans op verwonding. Controleer het oliepeil als de auto op een vlakke ondergrond staat en enige minuten (circa 5) na het uitzetten van de motor. Het oliepeil moet altijd tussen het MIN- en MAX-merkteken op de oliepeilstok B-fig. 2 staan. Belangrijk.
KOELVLOEISTOF Het niveau van de koelvloeistof moet gecontroleerd worden bij een koude motor en moet tussen het MIN- en MAX-merkteken op het expansiereservoir staan. Draai bij een warme motor de dop van het expansiereservoir nooit los: gevaar voor verbranding. Een te laag niveau bijvullen door langzaam via de vulopening A-fig. 3 een mengsel van 50% gedestilleerd water en 50% PARAFLU11 van de FL Group te gieten totdat het niveau dicht bij het MAX-merkteken staat.
Voorkom contact tussen de zeer corrosieve remvloeistof en de lak. Als er remvloeistof wordt gemorst, moet de lak onmiddellijk met water worden afgespoeld. REMVLOEISTOF Controleer of het remvloeistofniveau nog op het maximumniveau staat. Controleer regelmatig de werking van het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel: als u op het deksel van het reservoir drukt (met de contactsleutel in stand MAR), moet het waarschuwingslampje x gaan branden. Draai de bouten A-fig.
ACCU VLOEISTOFNIVEAU VAN DE ACCU (elektrolyt) De accu van de Fiat Seicento is “onderhoudsarm”: onder normale gebruiksomstandigheden is het niet nodig gedestilleerd water bij te vullen. Het vloeistofniveau moet worden gecontroleerd (en eventueel bijgevuld) overeenkomstig de intervallen die staan aangegeven in het ONDERHOUDSSCHEMA in dit hoofdstuk. Laat deze handelingen door de Fiat-dealer uitvoeren.
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (diefstalalarm, handsfree mobiele telefoon, satellietnavigatiesysteem, enz.), dient u contact op te nemen met de Fiat-dealer. Deze kan u de meest geschikte installaties aanraden en controleren of het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren.
– Neem de stekkers van de regeleenheden los voor het uitvoeren van laswerkzaamheden aan de carrosserie. Verwijder de regeleenheden als de temperatuur boven de 80°C stijgt (bijzondere werkzaamheden aan de carrosserie, enz.). BELANGRIJK Een niet correcte installatie van een radio en/of diefstalalarm kan tot storingen in de elektronische regeleenheden leiden.
Door een te lage bandenspanning wordt de band te heet, waardoor er onherstelbare inwendige schade aan de band kan ontstaan. Banden moeten worden vervangen als de profieldiepte van het loopvlak minder is dan 1,6 mm. Houdt u echter altijd aan de bepalingen van het land waarin u rijdt. BELANGRIJKE TIPS Voorkom bruusk remmen, met spinnende wielen optrekken, enz. Vermijd ook harde contacten tussen banden en stoepranden, kuilen, en andere obstakels.
RUBBER SLANGEN Houd voor de rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem zeer nauwkeurig de voorschriften van het geprogrammeerd onderhoudsschema aan. Ozon, hoge temperaturen en het gedurende langere tijd ontbreken van vloeistof in een systeem zorgen ervoor dat de slangen uitdrogen en scheuren, waardoor het betreffende systeem gaat lekken. Daarom is zorgvuldige controle noodzakelijk.
Wisserbladen vervangen. Wisserblad achter vervangen 1) Trek de wisserarm A-fig. 9 van de voorruit en plaats het wisserblad onder een hoek van 90 ° ten opzichte van de arm. 2) Plaats de nieuwe wisserarm in de juiste stand en draai de moer B zorgvuldig vast. 1) Kantel het dopje A-fig. 10 omhoog en draai de bevestigingsmoer B-fig. 11 van de wisserarm los. Trek de complete wisserarm los van de draaipen. 2) Druk op de lip B van de veerklem in het wisserblad en druk het wisserblad naar beneden uit de arm A.
CARROSSERIE Stel de sproeiermonden zodanig af dat de straal de ruit raakt op het hoogste punt in de slag van de ruitenwissers. BESCHERMING TEGEN ATMOSFERISCHE INVLOEDEN De belangrijkste oorzaken van roest zijn: – luchtverontreiniging; – zoutgehalte in de lucht en luchtvochtigheid (gebieden aan zee, warm en vochtig klimaat); – omgevings-/seizoensinvloeden.
TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE Lak De lak heeft behalve een esthetische ook een beschermende functie. Daarom moeten beschadigingen van de laklaag, zoals krassen, onmiddellijk worden bijgewerkt om roestvorming te voorkomen. Het bijwerken dient met de originele lak te worden uitgevoerd (zie het hoofdstuk TECHNISCHE GEGEVENS). Het normale onderhoud van de auto beperkt zich tot wassen, waarbij de frequentie afhankelijk is van het gebruik van de auto en van de omgeving.
Voor het behoud van de auto verdient het aanbeveling de auto regelmatig in de was te zetten. Als de laklaag door de aanhechting van smog dof is geworden, kan de lak met autopolish behandeld worden. Deze autopolish brengt niet alleen een beschermende laag aan maar polijst de lak ook. Ruiten Gebruik voor het schoonmaken van de ruiten een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel. Gebruik een schone, zachte doek om krassen en beschadigingen te voorkomen.
STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING REINIGEN MET LEER BEKLEDE STOELEN SCHOONMAKEN KUNSTSTOF INTERIEURDELEN – Verwijder stof met een zachte borstel of een stofzuiger. – Verwijder droog vuil met een zeemleer of een iets vochtige doek, zonder hard te drukken. Gebruik speciale reinigingsmiddelen om het visuele effect van de componenten niet te wijzigen. – Dep een vochtige vlek of vet met een droge en absorberende doek en wrijf daarbij niet.
TECHNISCHE GEGEVENS CHASSISNUMMER MOTORCODE De motorcode is in het cilinderblok ingeslagen en bestaat uit het motortype en een oplopend productienummer. Het chassisnummer is ingeslagen in de bodemplaat rechts in de bagageruimte fig. 1. TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIEGEGEVENS Het is bereikbaar nadat de vloerbedekking is opgetild en bevat de volgende gegevens: P4Q00080 – oplopend productienummer. P4Q00081 Het typeplaatje fig.
PLAATJE MET INFORMATIE OVER DE CARROSSERIELAK MOTORCODES CARROSSERIE-UITVOERINGEN Het plaatje fig. 4 is aangebracht op de binnenzijde van de achterklep. Uitvoering Typecode van de motor Code van de carrosserie uitvoering S - SX 187A1.000 187AXC1A 02 Sporting 187A1.000 187AXC1A 02B Sport KIT (Abarth) 187A1.000 187AXC1A 02C Van 187A1.
MOTOR 1108 cm3 ALGEMEEN 187A1.000 Typecode Otto Cyclus 4 in lijn Aantal en opstelling cilinders Boring en slag mm 70 x 72 Cilinderinhoud cm3 1108 9,6 Compressieverhouding Max.
INSPUITING ONTSTEKING BOUGIES Geïntegreerde multipoint elektronische inspuiting en ontsteking: één regeleenheid regelt zowel inspuitduur van de inspuiting (benzinedosering) als de ontstekingsvervroeging. Schone en goede bougies met de juiste warmtegraad zijn van doorslaggevend belang voor een goede werking van de motor en een lage uitstoot van schadelijke stoffen van de motor. Stationair toerental: 750 ±50 min-1.
REMMEN HANDREM WIELOPHANGING VOETREM De handrem werkt mechanisch d.m.v. een handremhefboom op de remschoenen van de achterwielen. Voor: Onafhankelijk met onderste wieldraagarmen en veer poten bestaande uit een gegoten naafdrager die vast verbonden is met de hydraulische, dubbelwerkende telescoopschokdemper. Coaxiaal ten opzichte van de geplaatste schroefveer met aanslagrubbers. “For life” gesmeerde stuurkogels. Stabilisatorstang aan de carrosserie en aan de wieldraagarmen bevestigd.
STUURINRICHTING WIELEN Samendrukbare, energie-absorberende stuurkolom met twee cardankoppelingen. VELGEN EN BANDEN “For life” gesmeerd tandheugelstuurhuis. Aantal stuuromwentelingen van aanslag tot aanslag (ongeveer) ........... 3,9 Minimum draaicirkel: 10,5 meter (gemiddelde van alle uitvoeringen).
WINTERBANDEN WIELUITLIJNING R Gebruik winterbanden zoals is aangegeven in het hoofdstuk WINTERBANDEN. Toespoor gemeten tussen de velgranden van de voorwielen: -1 ± 1 mm. 14 = Diameter van de velg (in inch). De waarden zijn van toepassing op een onbelaste auto in rijklare staat. H RESERVEWIEL Geperst stalen velg. Tubeless band. SNEEUWKETTINGEN Gebruik uitsluitend sneeuwkettingen met een geringe dikte, zie hoofdstuk SNEEUWKETTINGEN.
AFMETINGEN PRESTATIES Berlina Van Lengte mm 3337 3337 Breedte (❒) mm 1508 1508 Hoogte bij onbelaste auto (▲) mm 1420 1440 voor mm 637 637 achter mm 500 500 mm 2200 2200 voor (▼) mm 1277 1275 achter mm 1270 1268 Inhoud bagageruimte bij onbeladen auto (VDA-norm): dm3 170 (*) 810 Oversteek Wielbasis Spoorbreedte (❒) Afhankelijk van de velgmaat of de uitvoeringen kunnen de afmetingen kleine verschillen vertonen.
GEWICHTEN Gewichten (in kg) Berlina VAN Rijklaar gewicht (met volle reservoirs, reservewiel, gereedschap en accessoires) (1) 760 735 Nuttig laadvermogen (5 personen + 50 kg of 1 persoon + 330 kg) 450 465 Max. toelaatbaar gewicht (2) – vooras – achteras – totaalgewicht 610 720 1210 610 630 1200 Gewicht van de aanhanger – geremd – ongeremd 400 200 400 350 Gewicht op de trekhaak 28 28 Max. dakbelasting 30 30 (1) Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (opendak, trekhaak, enz.
VULLINGSTABEL 1108 cm3 liter kg Voorgeschreven brandstof Aanbevolen producten 38 5÷7,5 – – Loodvrije superbenzine met octaangetal van ten minste 95 R.O.N. Motorkoelsysteem: 4 – Mengsel van gedestil. water en 50% PARAFLU11 Motorcarter: Carter en oliefilter: 3,1 3,5 2,8 3,1 SELENIA 20 K Versnellingsbak en differentieel 2,4 2,15 TUTELA CAR ZC 75 SYNTH Hydraul.
SPECIFICATIES VAN DE SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN AANBEVOLEN PRODUCTEN EN HUN SPECIFICATIES Specificaties van de smeermiddelen en de vloeistoffen voor een correct functioneren van de auto Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen Toepassing 40° SAE 10W-40 Multigrade motorolie SAE 10W-40 op synthetische basis voldoet ruimschoots aan de specificaties ACEA A3 en API SJ SELENIA 20K Smering voor benzinemotoren 30° 20° 10° Multigrade motorolie SAE 5W-30 op synthetische basis voldoet ruimschoots aan de speci
Gebruik Specificaties van de smeermiddelen en de vloeistoffen voor een correct functioneren van de auto Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen Toepassing Smeermiddel voor stuurhuis Vet op basis van lithiumzepen, indringingsgetal: N.L.G.I. 000, bevat molybdeensulfide. K854 Vloeistof voor hydraulisch remsysteem Synthetische remvloeistof, F.M.V.S.S. nr.
BRANDSTOFVERBRUIK Het brandstofgebruik dat in de tabellen is opgenomen, is gemeten volgens een vastgestelde testmethode die in EU-normen is vastgelegd. Het brandstofverbruik is gemeten tijdens: – een stadsrit, opgebouwd uit een koude start gevolgd door een gesimuleerde, normale testrit in stadsverkeer. – een testrit buiten de stad, waarbij veelvuldig wordt geaccelereerd in alle versnellingen en waarmee een normaal gebruik van de auto buiten de stad wordt gesimuleerd.
BANDENSPANNING BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) Bij warme banden moet de bandenspanning +0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Bandenmaat Alle uitvoeringen Winterbanden VAN Winterbanden Gemidd. belading Voor. Achter.
RADIOGOLF-AFSTANDBEDIENING: MINISTERIËLE GOEDKEURING Internationale landencode Land Toelatingscode A Oostenrijk CEPT L PD F B België RTT/D/X 1238 CH Zwitserland BAKOM 96.0331 K.P.
B Z T G129 383H B Z T G127 064H Attesté ART Conforme 144 TECHNISCHE GEGEVENS ministerie van verkeer en waterstaat NL 96040274 E D.G.Tel. E01960332 E01960332 atc date pres.
A L FA B E T I S C H R E G I S T E R Aansteker........................................42 ABS ......................................................54 Accu - accu vervangen.............................119 - elektrolyt controleren................119 - nuttige tips ....................................119 - opladen...........................................106 - starten met een hulpaccu ....89-106 Achterklep .........................................47 Achterruitverwarming.....................
- achteruitkijkspiegel ........................31 - buitenspiegels..................................32 Buitenverlichting - bediening..........................................37 - gloeilamp achter vervangen.......100 - gloeilamp voor vervangen............98 Carrosserie - bescherming tegen atmosferische invloeden .......................................125 - carrosseriegarantie......................125 - tips voor het behoud..................126 - uitvoeringen ..................................
Instrumentenpaneel .........................23 Interieurverlichting - bediening..........................................39 - gloeilamp vervangen....................102 Kentekenplaatverlichting...........100 Kilometerteller .................................24 Kinderen veilig vervoeren ..............15 Koplampen - koplampen afstellen.......................53 - koplampverstelling.........................53 Koppeling .........................................132 Kostenbesparing ...............................
Parkeren..........................................71 Plafondlampje - bediening..........................................39 - gloeilampje vervangen.................102 Portieren ............................................45 Prestaties..........................................136 Radiogolf-afstandsbediening - gebruik................................................6 - typegoedkeuring ..........................143 Radiozendapparatuur ......................68 Remlichten.......................................
- voor u wegrijdt...............................74 Veilig en milieubewust rijden ...........2 Veiligheidsgordels - algemene opmerkingen.................14 - gebruik..............................................11 - gebruik van de heupgordel middenachter..................................13 - gebruik van de veiligheidsgordel achter................................................12 - hoogteverstelling............................13 - kinderen veilig vervoeren ............15 - onderhoud..........................
SELENIA: DE PERFECTE KEUZE VOOR UW AUTO De motor van uw nieuwe auto is ontwikkeld met Selenia 20K; een synthetische motorolie die voldoet aan de meest geavanceerde internationale specificaties. Selenia 20K verbetert de eigenschappen van de motor en garandeert optimale prestaties en maximale bescherming. SELENIA 20K Top quality fuel economy motorolie volgens API SJ-specificaties voor normale, turbo- of multiklepsmotoren. Brandstofbesparing tot 2% en maximale stabiliteit bij hoge temperaturen.
OLIE VERVERSEN? DE EXPERTS ADVISEREN SELENIA. Uw auto is ontwikkeld met de producten van FL Group. Fiat adviseert u dan ook om bij de eerstvolgende olieverversing Selenia motorolie te gebruiken. 35.000 Motorexperts in Europa adviseren Selenia voor een maximale bescherming van de motor in uw auto. VRAAG UW DEALER NAAR SELENIA.
NOTITIES 152 ALFABETISCH REGISTER
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) Bandenmaat Alle uitvoeringen Winterbanden VAN Winterbanden Bij gemidd.
WEGWIJS IN UW AUTO Symbolen .................................................................. FIAT CODE.............................................................. Diefstalalarm............................................................. Veiligheidsgordels ................................................... Kinderen veilig vervoeren .................................... Gordelspanners ...................................................... Start-/contactslot ...............................................
NEDERLANDS De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Fiat behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot de Fiat-dealer. Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.