FIAT SCUDO 603.45.
WELKOM AAN BOORD VAN DE SCUDO Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de SCUDO. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk onderdeel van uw SCUDO leert kennen en u uw auto op de juiste manier zult gebruiken. Wij raden u aan alle hoofdstukken door te lezen voordat u voor de eerste keer met de auto gaat rijden.
ABSOLUUT LEZEN! BRANDSTOF TANKEN K Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON. Dieselmotoren: tank uitsluitend dieselbrandstof voor motorvoertuigen die voldoet aan de Europese specificatie EN590.
BESCHERMING VAN HET MILIEU U De auto is uitgerust met een diagnosesysteem, dat continu controles uitvoert op de componenten die van invloed zijn op de uitlaatgasemissie zodat overmatige vervuiling van het milieu wordt voorkomen. ELEKTRISCHE APPARATUUR Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die stroom verbruiken (waardoor de accu langzaam kan ontladen), dient u contact op te nemen met de Fiat-dealer.
VEILIG EN MILIEUBEWUST RIJDEN Veiligheid, respect voor het milieu en optimalisering van het laadvermogen zijn de uitgangspunten geweest bij het ontwerpen van de SCUDO. Dankzij deze opvatting kon de SCUDO strenge veiligheidstests het hoofd bieden en goed doorstaan. De SCUDO voldoet aan de strengste eisen in zijn klasse. Bovendien is deze auto, naar alle waarschijnlijkheid, al voorbereid op de toekomstige normen.
SIGNALEN VOOR EEN CORRECT GEBRUIK VAN UW AUTO De signalen die u op deze pagina ziet, zijn zeer belangrijk. Zij staan bij onderdelen in dit boekje waar we extra aandacht voor vragen. Zoals u ziet, bestaat elk signaal uit een verschillend symbool. Zo wordt direct duidelijk om welk onderwerp het gaat: Veiligheid van de inzittenden. Let op: Het niet of gedeeltelijk opvolgen van deze instructies kan gevaar opleveren voor de inzittenden. Milieubewust rijden.
SYMBOLEN Op of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw SCUDO zijn specifiek gekleurde plaatjes aangebracht met daarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelen aangeven die u in acht moet nemen als u met het betreffende onderdeel te maken krijgt. SYMBOLEN DIE GEVAAR AANDUIDEN Accu Corrosieve vloeistof. Accu Ontploffingsgevaar.
WAARSCHUWINGSSYMBOLEN Katalysator VERBODSSYMBOLEN Accu Niet dichtbij komen met open vuur. Stuurbekrachtiging Accu Houd afstand. Parkeer niet boven brandbare materialen. Raadpleeg het hoofdstuk “Voorzorgsmaatregelen voor het behoud van de emissiereductiesystemen”. kinderen Hitteschilden - riemen - poelies - ventilateur Niet aanraken. op De vloeistof in het reservoir mag het maximum niveau niet overschrijden. Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de “Vullingstabel”.
VERPLICHTINGSSYMBOLEN Auto rijdt op diesel DIESEL Tank uitsluitend dieselbrandstof. Bescherm de ogen. Expansiereservoir Accu Krik Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de “Vullingstabel”. 8 Accu Raadpleeg het instructieboekje.
WEGWIJS IN UW AUTO DASHBOARD (BEHALVE UITVOERINGEN MET AIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE) F0F0289m fig.
DASHBOARD (UITVOERINGEN MET AIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE) F0F0557m fig. 2 1. Openen/sluiten verstelbaar luchtrooster - 2. Vaste uitstroomopeningen voor zijruiten - 3. Regelschuif voor richten luchtstroom - 4. Inbouwplaats linker luidspreker - 5. - Linker hendel: claxon - richtingaanwijzers - koplampen - 6. Instrumentenpaneel - 7. Rechter hendel: ruitenwissers - ruitensproeiers - 8. Ontwaseming voorruit - 9. Opbergvak inbouwplaats autoradio - 10. Inbouwplaats airbag passagierszijde - 11.
FIAT CODE Voor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering (Fiat CODE). Het systeem wordt ingeschakeld als de contactsleutel wordt uitgenomen. In de handgreep van de sleutels zit een elektronisch component gemonteerd dat bij het starten van de motor een signaal ontvangt via een speciale antenne die in het start-/ contactslot is ingebouwd.
regeleenheid van de centrale portiervergrendeling met afstandsbediening; de codes van de standaard geleverde sleutels zijn hierbij inbegrepen. Het is dus mogelijk een verschillend aantal sleutels in bezit te hebben met een maximum van 5 sleutels A (bij een auto zonder afstandsbediening voor centrale portiervergrendeling), 4 sleutels B en één sleutel A. Wendt u voor duplicaatsleutels rechtstreeks tot de Fiat-dealer, en neemt u de CODE-card en alle andere in uw bezit zijnde sleutels mee.
PROGRAMMEREN VAN HET SYSTEEM Bij aflevering van de nieuwe auto is het diefstalalarm al geprogrammeerd door de Fiat-dealer. Wendt u voor eventuele nieuwe programmeerprocedures tot de Fiat-dealer. EXTRA AFSTANDSBEDIENINGEN BESTELLEN De ontvanger kan in totaal 4 afstandsbedieningen herkennen. Als u extra exemplaren hebt aangeschaft, bedenk dan dat het programmeren voor alle afstandsbedieningen moet worden uitgevoerd als de auto nieuw is.
START-/CONTACTSLOT STUURSLOT De sleutel kan in 4 standen worden gedraaid fig. 7: Inschakelen: zet de sleutel in stand S, trek de sleutel uit het contact en draai het stuur totdat het vergrendelt. S: motor uit, sleutel uitneembaar en stuurslot geblokkeerd. A: enkele elektrische installaties werken. M: contact aan. D: starten van de motor. F0F0019m fig.
ZITPOSITIE INSTELLEN BESTUURDERSSTOEL fig. 8 ATTENTIE Verstel de stoel alleen als de auto stilstaat. Verstellen in lengterichting Trek hendel A omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren. Laat de hendel los en controleer of de stoel goed geblokkeerd is door naar voren en naar achteren te schuiven. Als de stoel niet goed geblokkeerd is, kan deze onverwachts verschuiven, waardoor een gevaarlijke situatie kan ontstaan.
HOOFDSTEUNEN fig. 10 De stoelen zijn voorzien van in hoogte verstelbare hoofdsteunen die de juiste ondersteuning bieden aan volwassen inzittenden ongeacht het postuur. TOEGANG TOT DE ZITPLAATSEN ACHTER fig.11 Zitplaatsen achter van de 3e rij bereiken: trek hendel A omhoog en klap de stoel van de 2e rij naar voren. Verplaats de hoofdsteun omhoog of omlaag totdat de gewenste hoogte is bereikt.
Stoelen van de 3e rij neerklappen, verwijderen en monteren Om de rugleuning neer te klappen, moet u lus A - fig.12 omhoogtrekken. Ga voor het verwijderen van de stoel als volgt te werk: – klap de rugleuning neer zoals hiervoor beschreven; – kantel de zitting door de hendel B - fig. 12 omhoog te trekken; – til de stoel omhoog, trek de pennen los en verwijder de stoel met behulp van de handgrepen C - fig. 12; houd daarbij de rugleuning neergeklapt tegen de zitting aan.
ACHTERUITKIJKSPIEGEL BUITENSPIEGELS De achteruitkijkspiegel is verstelbaar met de hendel fig. 14: Verstelling van buitenaf Druk op het spiegelglas om de spiegel in de gewenste stand te zetten. 1) normale stand 2) anti-verblindingsstand. De spiegel is uitgerust met een veiligheidsvoorziening: de spiegel springt tijdens een botsing los. Verstelling van binnenuit met de hand (indien aanwezig) Bedien knop A-fig. 15.
VEILIGHEIDSGORDELS GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS VOOR EN ACHTER AAN DE ZIJKANT fig. 17-18-19 Ga goed rechtop zitten, steun tegen de rugleuning en leg dan de gordel om. F0F0282m Maak de gordels vast door gesp C in sluiting D te drukken, totdat hij hoorbaar blokkeert. Als de gordel tijdens het uittrekken blokkeert, laat dan de veiligheidsgordel een stukje teruglopen en trek hem vervolgens weer rustig uit. ATTENTIE Druk niet op knop C tijdens het rijden. Druk op knop E om de gordel los te maken.
De achterbank is voorzien van driepunts-veiligheidsgordels met rolautomaat voor zowel de zijzitplaatsen als de middelste zitplaats. HOOGTEVERSTELLING VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS VOOR fig. 17 Controleer na het instellen altijd of beugel B goed vergrendeld is door hem naar beneden te duwen zonder knop A in te drukken. ATTENTIE ATTENTIE De veiligheidsgordels achter moeten worden omgelegd zoals in fig. 18 wordt aangegeven. Het schema in fig. 19 toont de verkeerde verbindingen van de veiligheidsgordels.
GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDEL VAN DE MIDDELSTE ZITPLAATS fig. 20 (indien aanwezig) De driepunts-veiligheidsgordel van de middelste zitplaats is voorzien van een rolautomaat A - fig. 20. F0F0608m fig. 20 De gordel moet op dezelfde manier worden omgelegd als de veiligheidsgordels voor. GORDELSPANNERS Voor een nog effectievere bescherming zijn de veiligheidsgordels voor van de Fiat Scudo voorzien van gordelspanners.
Werkzaamheden in de buurt van de gordelspanners, waarbij stoten, sterke trillingen of verhitting optreden (maximaal 100°C gedurende ten hoogste 6 uur), kunnen de gordelspanners beschadigen of activeren: bij die omstandigheden horen niet trillingen die voortgebracht worden door een slecht wegdek of door contacten met kleine obstakels zoals trottoirs. Als er iets aan de gordelspanners moet gebeuren, dient u zich tot een Fiat-dealer te wenden.
ATTENTIE ATTENTIE Als de gordel aan een zware belasting wordt blootgesteld (bijvoorbeeld tijdens een ongeval), dan moet de gordel samen met de verankeringen, bevestigingspunten en de gordelspanners worden vervangen. De gordel kan verzwakt zijn, ook als de schade niet zichtbaar is. Het is streng verboden onderdelen van de veiligheidsgordels of gordelspanners te demonteren of open te maken. Werkzaamheden aan de veiligheidsgordels en gordelspanners moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel.
KINDEREN VEILIG VERVOEREN ATTENTIE Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als deze is uitgerust met een airbag. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben. Wij raden u aan kinderen altijd op de zitplaatsen achter te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. Monteer dus absoluut geen kinderzitje op de passagiersstoel voor als deze is uitgerust met een airbag.
De resultaten van het onderzoek over de optimale bescherming van kleine kinderen zijn opgenomen in de Europese ECE/R44-voorschriften die wettelijk verplicht zijn. De systemen zijn onderverdeeld in vijf groepen: In het Fiat Lineaccessori-programma zijn kinderzitjes opgenomen voor elke gewichtsgroep, die speciaal ontworpen en ontwikkeld zijn voor de Fiat-modellen.
ATTENTIE De afbeelding geeft uitsluitend richtlijnen voor de montage. Monteer het zitje volgens de instructies die de fabrikant verplicht is bij te leveren. ATTENTIE Er bestaan kinderzitjes die geschikt zijn voor de gewichtsgroepen 0 en 1. Deze kinderzitjes kunnen worden bevestigd aan de veiligheidsgordels achter en hebben zelf gordels om het kind te beschermen.
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN KINDERZITJES De Fiat Scudo voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EU-richtlijnen voor de montage van kinderzitjes op de verschillende plaatsen in de auto.
Hieronder zijn de richtlijnen voor een veilig vervoer van kinderen aangegeven, waaraan u zich dient te houden: 1) Plaats het kinderzitje bij voorkeur op één van de zitplaatsen achter omdat deze plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. ATTENTIE Monteer absoluut geen kinderzitje op de passagiersstoel voor als deze is uitgerust met een airbag, omdat kinderen nooit op de voorstoel mogen reizen.
INSTRUMENTENPANEEL (BEHALVE UITVOERINGEN MET AIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE) A - Koelvloeistoftemperatuurmeter B - Snelheidsmeter C - Onderhoudsmeter en kilometerteller/dagteller - Digitaal klokje Olieniveaumeter D - Toerenteller E - Brandstofmeter met waarschuwingslampje voor brandstofreserve fig. 29 - Uitvoering 2.
INSTRUMENTENPANEEL (UITVOERINGEN MET AIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE) A - Brandstofmeter met waarschuwingslampje voor brandstofreserve. B - Toerenteller. C - Snelheidsmeter. D - Koelvloeistoftemperatuurmeter en waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur. E - Controle-/waarschuwingslampjes. fig. 31 - Uitvoering 2.0 16V fig. 32 - Uitvoering 1.9D en 2.0 JTD 30 WEGWIJS IN UW AUTO F0F0588m F - Onderhoudsmeter. G - Buitentemperatuurmeter (tripcomputer, indien aanwezig).
INSTRUMENTEN (BEHALVE UITVOERINGEN MET AIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE) SNELHEIDSMETER KILOMETERTELLER A - Druktoets voor regelen onderhoudsmeter en het op nul zetten van de kilometerteller. B - LCD-display met: 1 - waarschuwingslampje onderhoudsmeter; 2 - onderhoudsmeter en kilometerteller/dagteller en olieniveaumeter; De kilometerteller 2 bewaart de laatst gekozen weergave in het geheugen. Druk op knopje A om de dagteller op nul te zetten zodat de kilometerteller 2 drie keer knippert en “0” aangeeft.
3) als tijdens het meten de motor wordt gestart, geeft de kilometerteller het totaal aantal kilometers aan of de dagstand en de tijd fig. 35. Als u op knop A-fig. 33 drukt, is het mogelijk vooruit te lopen op de conclusie van de meting; in dat geval wordt de totale kilometerstand en de tijd fig. 35 aangegeven. KOELVLOEISTOFTEMPERATUURMETER fig. 36 Onder normale omstandigheden staat de wijzernaald van de koelvloeistoftemperatuurmeter ongeveer in het midden van de schaal.
TOERENTELLER Uitvoeringen 2.0 16V - fig. 37 Uitvoeringen 1.9 D en 2.0 JTD fig. 38 BELANGRIJK De regeleenheid van de elektronische inspuiting blokkeert tijdelijk de toevoer van brandstof als de motor met te hoge toerentallen draait, waardoor het motorvermogen zal afnemen. BRANDSTOFMETER fig. 39 Het waarschuwingslampje A van de reservebrandstof gaat branden, als er nog 5 tot 7 liter brandstof in de tank aanwezig is.
LICHTSTERKTEREGELAAR INSTRUMENTENPANEEL De lichtsterkteregelaar werkt bij een draaiende motor en ingeschakelde parkeerverlichting. De lichtsterkte kan geregeld worden met knop B-fig. 40: – als u de knop telkens kort indrukt, verandert de lichtsterkte van het instrumentenpaneel geleidelijk; – als u de knop ingedrukt houdt, verandert de lichtsterkte snel. DIGITAAL KLOKJE fig. 41 Minuten instellen Het klokje kan worden ingesteld als de motor uitstaat en de contactsleutel in stand M staat.
ONDERHOUDSMETER De onderhoudsmeter geeft door middel van het waarschuwingslampje 1-fig. 42 en de kilometerteller 2, het aantal kilometers aan waarna de motorolie en het oliefilter vervangen dienen te worden op basis van het onderhoudsschema. De onderhoudsmeter wordt alleen weergegeven als de motor stilstaat en de contactsleutel in stand M staat.
Na deze 5 seconden hervat de kilometerteller zijn normale werking maar het waarschuwingslampje 1 blijft branden en geeft aan dat er binnenkort een onderhoudsbeurt moet worden uitgevoerd. De kilometerteller 2 geeft het totaal aantal kilometers of de dagstand aan fig. 46. Onderhoudsinterval overschreden fig. 47 Als u de sleutel in stand M draait, gaan het waarschuwingslampje 1 en de kilometerteller 2 5 seconden branden. Voorbeeld: de onderhoudsbeurt is al 300 km overschreden.
Configuratieprocedure Onderhoudsinterval De onderhoudsmeter is ingesteld op normale gebruiksomstandigheden van de auto. Als u het onderhoudsinterval wilt veranderen, moet u de contactsleutel in stand S draaien, knopje A-fig. 50 indrukken en ingedrukt houden en vervolgens de contactsleutel in stand M: draaien: het aantal nog af te leggen kilometers tot de volgende onderhoudsbeurt begint te knipperen.
Als het gewenste onderhoudsinterval op het display verschijnt, moet u 10 seconden knopje A indrukken en gaat het gekozen interval 10 seconden knipperen. Als de cijfers op de kilometerteller 2-fig. 51 constant gaan branden, moet u het knopje loslaten om de waarde te bevestigen. Op nul zetten BELANGRIJK De Fiat-dealer zet de onderhoudsmeter na iedere olieverversingsbeurt op nul. Om de onderhoudsmeter op nul te zetten, moet u de contactsleutel in stand S draaien, knopje A-fig.
INSTRUMENTEN (UITVOERINGEN MET AIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE) SNELHEIDSMETER KILOMETERTELLER ONDERHOUDSMETER fig. 54 A - Snelheidsmeter. KOELVLOEISTOFTEMPERATUURMETER fig. 55 KILOMETERTELLER TOTAAL Gewoonlijk geeft het display B-fig. 54 het totaal aantal afgelegde kilometers aan. B - Onderhoudsmeter/Kilometerteller (totaal- of dagstand). DAGTELLER C - Druktoets voor configuratie en het op nul zetten van het instrument. Druk op knopje C-fig. 54 om de dagstand op het display weer te geven.
BRANDSTOFMETER fig. 56 Het waarschuwingslampje A van de reservebrandstof gaat branden, als er nog 5 tot 7 liter brandstof in de tank aanwezig is. Rijd niet met een bijna lege tank: door een onregelmatige brandstoftoevoer kan de katalysator beschadigen. OLIENIVEAUMETER fig. 57 Onder normale rij-omstandigheden bevindt de wijzernaald zich aan de linkerzijde en is de meter gedoofd. Als de contactsleutel in stand A of M staat, gaat de meter 2 of 3 seconden branden en geeft het olieniveau in het motorcarter aan.
ONDERHOUDSMETER fig. 60 De onderhoudsmeter geeft door middel van het waarschuwingslampje 1 en de kilometerteller 3, het aantal kilometers aan waarna de motorolie en het oliefilter vervangen dienen te worden op basis van het onderhoudsschema. Gebruik uitsluitend motorolie met de voorgeschreven specificaties (zie “Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen” in het hoofdstuk “Technische gegevens”). Hierdoor worden de in het onderhoudsschema aangegeven intervallen gegarandeerd.
Onderhoudsinterval overschreden Configuratieprocedure Als u de sleutel in stand M draait, gaan het waarschuwingslampje I en het display 2-fig. 62 5 seconden knipperen. Op het display wordt het aantal overschreden kilometers aangegeven, voorafgegaan door het minteken. Als u de contactsleutel in stand M draait, blijft het waarschuwingslampje 1-fig. 63 5 seconden branden en geeft het display 2 het totaal aantal kilometers of de dagstand aan.
Als het gewenste onderhoudsinterval op het display verschijnt, moet u 10 seconden knopje 1-fig. 64 indrukken (de gekozen interval knippert 10 seconden). Laat het knopje los zodra het display niet meer knippert. 2 - Op nul zetten Buitentemperatuur fig. 67 Om de onderhoudsmeter op nul te zetten, moet u de contactsleutel in stand S zetten en knopje 1-fig. 65 indrukken en ingedrukt houden. Draai de contactsleutel in stand M; houd knopje 1-fig.
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES De lampjes branden in de volgende gevallen: R RICHTINGAANWIJZERS (knipperend) (groen) E Als u de hendel van de richtingaanwijzers (pijlen) bedient. BUITENVERLICHTING (groen) 6 Als de buitenverlichting is ingeschakeld. DIMLICHT (groen) 2 Als de buitenverlichting en het dimlicht zijn inge- schakeld. GROOTLICHT (blauw) 1 Als het grootlicht is ingeschakeld. 44 WEGWIJS IN UW AUTO j DEFECT IN HET ANTI-BLOKKEERSYSTEEM (ABS) (geel) Als het ABS niet goed werkt.
STORING IN AIRBAG (geel) Als u onder normale omstandigheden de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na het starten van de motor moet het lampje doven. Het lampje gaat eerst branden om de juiste werking ervan aan te geven. AIR BAG BRANDSTOFRESERVE (geel) B Als er nog 5 tot 7 liter brandstof in de tank aanwezig is. STORING IN MOTORMANAGEMENTSYSTEEM (EOBD) (alleen benzine-uitvoeringen) (geel) å Als het systeem niet goed werkt.
m VOORGLOEI-INSTALLATIE (dieseluitvoeringen) (geel) Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Het lampje dooft als de voorgloeibougies de vooraf ingestelde temperatuur hebben bereikt. STOP STOP (rood) Dit lampje gaat gelijktijdig branden als één van de overige waarschuwingslampjes brandt. w ACCU WORDT NIET VOLDOENDE OPGELADEN (rood) Als er een defect is in het laadcircuit van de dynamo. Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden.
v TE LAGE MOTOROLIEDRUK E (rood) Als de motoroliedruk onder de normale waarde zakt. TE HOGE KOELVLOEISTOF-TEMPERATUUR (rood) Als de temperatuur van de koelvloeistof de maximum waarde overschrijdt. Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart. U TE LAAG KOELVLOEISTOFNIVEAU (rood) Als het koelvloeistofniveau onder het minimumniveau is gedaald.
F0F0572m VERWARMING EN VENTILATIE A - Verstelbaar luchtrooster zijkant. B - Uitstroomopening voor ontwasemen of ontdooien van de zijruiten voor. C - Uitstroomopening voor ontwasemen of ontdooien van de voorruit. D - Bovenste luchtrooster in het midden. E - Verstelbaar luchtrooster in het midden. F - Uitstroomopeningen aan de zijkant. G - Uitstroomopening middenonder. fig.
VERSTELBARE EN REGELBARE LUCHTROOSTERS fig. 69-70-71 De roosters kunnen naar boven en naar beneden gekanteld worden. A - Knop voor het regelen van de luchtopbrengst: draai in stand ß rooster open B - Regelschuif voor het richten van de luchtstroom. C - Vaste uitstroomopening voor zijruiten fig. 69. BELANGRIJK De verstelbare luchtroosters in het midden fig. 7071 zijn alleen aanwezig op bepaalde uitvoeringen. F0F0035m draai in stand ß rooster dicht. VERWARMING EN VENTILATIE BEDIENINGSKNOPPEN fig.
VERWARMING 1) Schuif voor de luchttemperatuur: in het rode vlak. 2) Schuif voor de aanjager: op de gewenste snelheid. 3) Schuif voor de luchtverdeling: in stand K voor verwarming van de beenruimte en ontwaseming van de voorruit. in stand H voor verwarming van de beenruimte van de inzittenden. in stand J voor verwarming van de hoofdruimte van de inzittenden.
BELANGRIJK Als de auto is uitgerust met handbediende airconditioning, wordt het ontwasemen van de ruiten versneld door naast de bovengenoemde instellingen ook knop E-fig. 74 in te drukken. VENTILATIE 1) Zij- en middenroosters: geheel open. 2) Schuif voor de luchttemperatuur: in het blauwe vlak. RECIRCULATIE (indien aanwezig) Als de schuif in stand I A-fig. 73 staat, circuleert alleen de lucht in het interieur.
E - Schakelaar om de handbediende airconditioning in- en uit te schakelen. Als u deze schakelaar indrukt, schakelt tevens de aanjager automatisch in op stand 1. AIRCONDITIONING (KOELING) BELANGRIJK Als u het recirculatiesysteem inschakelt, koelt de lucht bij zomerse temperaturen sneller af. Ook is dit systeem bruikbaar bij geconcentreerde luchtvervuiling (in de file, in tunnels enz.). Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, vooral niet als u met meer personen in de auto zit.
Claxon fig. 75 Dimlicht fig. 77 Grootlichtsignaal fig. 79 Druk in de richting van de pijl om te claxonneren. Draai de schakelaar van stand 6 in stand 2 1. Trek de hendel naar het stuur (stand zonder vergrendeling). Buitenverlichting fig. 76 Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 2 branden. Draai de draaiknop van stand 0 in stand 6. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 6 branden. Grootlicht fig.
Mistlampen voor (indien aanwezig) fig. 80 Ga voor het inschakelen van de mistlampen voor als volgt te werk: – draai knop A in stand ¨ dimlicht ingeschakeld; – draai knop B in stand 5 mistlampen voor ingeschakeld. Mistachterlicht fig. 80 Ga voor het inschakelen van het mistachterlicht als volgt te werk: – draai knop A in stand 6, buitenverlichting ingeschakeld; – draai knop B in stand 4, mistachterlicht ingeschakeld.
De richtingaanwijzers schakelen automatisch uit als de auto weer rechtuit rijdt. HENDEL RECHTS Als u kort richting aan wilt geven (wisselen van rijbaan), druk de hendel dan iets naar boven of naar beneden zonder dat de hendel vergrendelt. Zodra u de hendel loslaat, gaat deze automatisch terug. Deze werken uitsluitend als de contactsleutel in stand A staat. Ruitenwissers/-sproeiers fig. 82 Als u de hendel naar het stuur trekt fig.
BEDIENINGSORGANEN WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN DRUKKNOPPEN fig. 84 Deze vindt u boven de versnellingspook. Knop A werkt alleen bij een draaiende motor. Als u een knop indrukt, gaat op de knop zelf een lampje branden. A - Inschakelen van de achterruitverwarming (indien aanwezig). Deze schakelt na 12 minuten automatisch uit B - In-/uitschakelen van de waarschuwingsknipperlichten. Afhankelijk van de uitvoering bevindt zich onder het linker luchtrooster de knop voor het inschakelen van de “stoelverwarming”.
CRUISE-CONTROL (indien aanwezig) Dit elektronische systeem maakt het mogelijk een constante, vooraf ingestelde kruissnelheid aan te houden, zonder het gaspedaal te bedienen. De ingestelde snelheid moet hoger zijn dan 40 km/h. Dit systeem bestaat uit: – knop A-fig. 86 om het systeem in of uit te schakelen; – hendel B-fig. 87 om de ingestelde snelheid te verhogen, te verlagen of te wissen. F0F0300m fig.
BRANDSTOFNOODSCHAKELAAR ATTENTIE Deze veiligheidsschakelaar springt omhoog bij een ongeval, waardoor de toevoer van brandstof wordt gestopt en de motor afslaat. Draai na een ongeval de contactsleutel in stand S om te voorkomen dat de accu ontlaadt. Als u na een ongeval een brandstoflucht ruikt of merkt dat het brandstofsysteem lekt, druk dan de schakelaar niet weer terug, zodat brand wordt voorkomen.
U zet de pook vanuit de vrijstand op de volgende wijze in achteruit (R): – Trek bij de JTD-uitvoeringen de schuifring A-fig. 90 onder de knop omhoog en verplaats de pook naar links en vervolgens naar achteren. – Verplaats bij de benzine-uitvoeringen de pook naar rechts en vervolgens naar achteren fig. 91. ATTENTIE Om op de juiste wijze te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen. Daarom mag er niets onder het pedaal liggen dat dit kan verhinderen.
SELECTORHENDEL fig. 92 STANDEN VAN DE SELECTORHENDEL P = Parkeren. R = Achteruit rijden. Vooruit rijden, waarbij automatisch uit de vier versnellingen wordt gekozen (D) N = Vrijstand. D = Vooruit rijden, waarbij automatisch uit de vier versnellingen wordt gekozen. M = Sequentiële werking. + = Opschakelen naar een hogere versnelling bij sequentiële werking. – = Terugschakelen naar een lagere versnelling bij sequentiële werking. F0F0566m U gebruikt stand D binnen en buiten de bebouwde kom.
Met de hendel in stand R kan de motor niet gestart worden. Parkeren (P) In stand P worden de aangedreven wielen mechanisch geblokkeerd. Deze stand kan alleen worden gekozen als de auto stilstaat en de handrem eventueel is aangetrokken. Houdt u aan de instructies en waarschuwingen die in het hoofdstuk “Motor starten” vermeld staan. BELANGRIJK Als de selectorhendel niet goed is geplaatst, knippert op het display de laatst ingeschakelde stand.
WEGRIJDEN MET DE AUTO – Houd bij een stationair draaiende motor de auto op zijn plaats door het rempedaal in te trappen. – Kies de gewenste stand. – Geef geleidelijk gas; de auto gaat nu rijden en de versnellingsbak schakelt, afhankelijk van de gekozen stand, automatisch de juiste versnelling in. De selectorhendel kan uitsluitend uit stand P worden verplaatst als de contactsleutel in stand M staat en het rempedaal is ingetrapt (beveiligingssysteem Shift-lock). Verplaats de hendel A-fig.
Bij de sequentiële werking functioneert de elektronisch geregelde versnellingsbak als een versnellingsbak met vaste overbrengingsverhoudingen die sequentieel worden gekozen. De regeleenheid schakelt echter automatisch op of terug als het motortoerental boven of onder een vastgestelde limiet komt. AUTOMATISCHE WERKING Bij sequentiële werking is het onder alle rij-omstandigheden mogelijk stand D te kiezen.
STORING IN AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK Als er een storing is in de automatische versnellingsbak gaat het lampje t branden/knipperen en gaat eventueel ook het lampje B-fig. 97 op het display knipperen; in dit geval schakelt de versnellingsbak automatisch de derde versnelling in. ATTENTIE Als er tijdens het rijden een storing ontstaat in de versnellingsbak, moet zo voorzichtig mogelijk en met een lage snelheid verder worden gereden. F0F0571m B fig.
INTERIEURUITRUSTING DASHBOARDKASTJE/OPBERGVAK Om het kastje te openen, moet u knop A-fig. 98 naar links duwen. In de klep zitten uitsparingen waarin u als de auto stilstaat bekers en blikjes kunt plaatsen. ATTENTIE Rijd niet met een geopend dashboardkastje: dit kan de passagier verwonden bij een ongeval. Het dashboardkastje is van binnen voorzien van een elastische band voor het opbergen van documenten. Rijd niet met een geopend dashboardkastje: dit kan de passagier verwonden bij een ongeval.
PLAFONDLAMPJE ZIJKANT fig. 102 U kunt het lampje inschakelen door op de korte zijde van het lampenglas te drukken. Controleer voordat u de auto verlaat of de interieurverlichting bij gesloten portieren is uitgeschakeld. ASBAK De asbak B kan uitgenomen worden. Om de asbak uit te nemen, moet u bij geopend klepje licht op de aangegeven hoek drukken (extra slag). ATTENTIE Gebruik de asbak niet als prullenbak: papiertjes en dergelijke kunnen door peuken in brand raken. Voor de zitplaatsen achter fig.
AANSTEKER fig. 105 (indien aanwezig) PORTIEREN ATTENTIE 1) Trek het klepje A aan de rand zover mogelijk omhoog en duw de hoek links naar beneden zodat het klepje in de daarvoor bestemde zitting zakt. 2) Druk op knop B om de aansteker in te schakelen; na ongeveer 15 seconden springt de knop automatisch terug en is de aansteker gereed voor gebruik. BELANGRIJK Controleer altijd of de aansteker na het indrukken ook uitschakelt. De aansteker wordt erg heet.
ATTENTIE Als de auto op een steile helling omlaag geparkeerd staat, laat dan de auto niet met geopende deur in vergrendelde stand staan: als u tegen de deur stoot, kan deze losraken en naar voren schuiven. Van buitenaf ontgrendelen Van buitenaf vergrendelen Draai de sleutel in stand 1fig. 107 en trek de handgreep in de richting van de pijl. Voorportieren: draai de sleutel in stand 2-fig. 107. BELANGRIJK Voordat de sleutel wordt gedraaid, moet deze volledig in het slot zijn gestoken.
Ver-/ontgrendelen zijschuifdeur, van binnenuit ATTENTIE Ontgrendelen: trek knopje A-fig. 110 omhoog en trek hendel B in de richting van de pijl. Vergrendelen: druk knopje A naar beneden; dit kan ook bij een geopend portier. ATTENTIE Het systeem van klemveren is ontwikkeld voor een beter gebruikscomfort; door tegen de deur te stoten of door een windstoot kunnen de veren loshaken en kunnen de deuren onverwacht dichtvallen.
Rechter deur van buitenaf vergrendelen Draai de 1-fig. 112. sleutel in stand Linker deur openen Trek na het openen van de rechter deur hendel A-fig. 114 in de richting van de pijl. Rechter deur van binnenuit ontgrendelen Trek hendel A-fig. 113 in de richting van de pijl. 70 F0F0056m fig. 114 WEGWIJS IN UW AUTO Van buitenaf Sluit de portieren, steek de sleutel in het slot van één van de voorportieren, en draai de sleutel.
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING VOORPORTIEREN (indien aanwezig) fig. 115 In het midden, boven de interieurverlichting voor, zijn twee drukschakelaars gemonteerd. Met de sleutel in stand M bedient u de zijruiten: Als u de schakelaar A bij een draaiende motor geheel indrukt, opent of sluit de ruit aan bestuurderszijde automatisch. Houd de schakelaar niet ingedrukt als de ruit aan het einde van zijn A - openen/sluiten zijruit linksvoor B - openen/sluiten zijruit rechtsvoor. slag is.
MOTORKAP 3) Til de motorkap op en trek gelijktijdig steunstang C-fig. 119 uit klem D. 4) Steek het uiteinde van de stang in zitting E in de motorruimte. ATTENTIE Open of sluit de motorkap alleen als de auto stilstaat. ATTENTIE Wees voorzichtig als u werkzaamheden in de motorruimte moet verrichten en de motor nog warm is, om brandwonden te voorkomen.
ATTENTIE onverwachts inschakelen. Wacht totdat de motor is afgekoeld. Pas op als u sjaals, dassen of loszittende kledingstukken draagt: deze kunnen door de bewegende onderdelen worden gegrepen. Motorkap sluiten: 1) Houd de motorkap met een hand omhoog, trek met de andere hand steunstang C-fig. 119 uit zitting E en plaats de stang terug in klem D. MONTAGEVOORBEREIDING IMPERIAAL/ SKIDRAGER ATTENTIE Controleer na enkele kilometers opnieuw of de bevestigingsbouten nog goed vastzitten.
KOPLAMPEN STAND KOPLAMPEN CORRIGEREN KOPLAMPEN AFSTELLEN Als de auto beladen is, helt hij achterover. Het gevolg is dat de lichtbundel van de koplampen meer naar boven schijnt. De stand van de koplampen moet nu worden gecorrigeerd. BELANGRIJK Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk voor het comfort en de veiligheid van uzelf en de overige weggebruikers. Bovendien zijn er wettelijke voorschriften. Voor optimaal zicht en zichtbaarheid moeten de koplampen op de juiste wijze zijn afgesteld.
ABS (indien aanwezig) De auto is uitgerust met een antiblokkeersysteem (ABS). Het systeem voorkomt dat de wielen blokkeren, waardoor de beschikbare grip optimaal wordt benut en de auto ook tijdens een noodstop bestuurbaar en stabiel blijft. Als het ABS in werking is getreden, merkt de bestuurder dit aan een trilling in het rempedaal, die gepaard gaat met enig geluid.
ATTENTIE Het ABS maakt zoveel mogelijk gebruik van de beschikbare grip maar kan deze niet verhogen. Daarom moet op gladde weggedeelten altijd voorzichtig worden gereden en mogen er geen onnodige risico’s worden genomen. Wees voorzichtig bij het remmen in bochten, ook als de auto is voorzien van ABS.
ATTENTIE Als bij een draaiende motor alleen het waarschuwingslampje j gaat branden, dan is er een storing in het ABS-systeem. In dat geval werkt het conventionele remsysteem op de normale manier, terwijl geen gebruik wordt gemaakt van het anti-blokkeersysteem. Onder deze omstandigheden kan ook de werking van het EBD-systeem verminderen. Ook in dit geval raden wij u aan onmiddellijk en zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Fiat-dealer te rijden, om het systeem te laten controleren.
Bij een ongeval kan een inzittende die geen veiligheidsgordel heeft omgelegd in contact komen met een airbag die nog niet volledig opgeblazen is, waardoor de inzittende minder beschermd wordt. De airbag is geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordel wettelijk verplicht in Europa en in de meeste landen daarbuiten. Als de airbag in werking treedt, ontsnapt er een beetje rook.
De conditie van de airbag wordt constant gecontroleerd door een elektronische regeleenheid. Het waarschuwingslampje B op het instrumentenpaneel geeft, bij het starten van de motor, de juiste werking van het systeem aan. Bij storingen gaat het waarschuwingslampje ongeveer 5 minuten knipperen en blijft daarna constant branden. Het airbagsysteem heeft een geldigheid van 14 jaar voor wat betreft de pyrotechnische lading en van 10 jaar voor wat betreft het spiraalmechanisme.
BELANGRIJK Als tijdens het rijden lampje B gaat branden of lampje F gaat knipperen (storingsmelding), wendt u dan onmiddellijk tot de Fiat-dealer om de storing te laten verhelpen. Het airbagsysteem heeft een geldigheid van 14 jaar voor wat betreft de pyrotechnische lading en van 10 jaar voor wat betreft het spiraalmechanisme. Laat na het verstrijken van deze termijnen het systeem door de Fiat-dealer vervangen. F0F0607m fig.
ALGEMENE OPMERKINGEN ATTENTIE Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje ¬ branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Als het waarschuwingslampje niet gaat branden of tijdens het rijden blijft branden, wendt u dan onmiddellijk tot de Fiatdealer. ATTENTIE Rijd altijd met beide handen op de stuurwielrand, zodat bij het in werking treden van de airbag, het systeem niet wordt gehinderd door obstakels die ernstig letsel kunnen veroorzaken.
ATTENTIE De stoelen mogen niet met water of stoom onder druk worden gereinigd (met de hand of in een automatische stoelenreiniger). ATTENTIE De airbag voor treedt in werking als de botsing zwaarder is dan een botsing waarbij alleen de gordelspanners worden geactiveerd. Bij aanrijdingen die tussen die twee drempelwaarden in liggen, treden alleen de gordelspanners in werking. ATTENTIE Haak geen harde voorwerpen aan de kledinghaakjes en aan de steunhandgrepen.
EOBD-SYSTEEM (alleen benzineuitvoeringen) Het op de auto gemonteerde EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) is conform de EU 98/69richtlijnen (EURO 3). Dit systeem voert continue een diagnose uit op de emissiereductiesystemen van de auto; als het waarschuwingslampje B op het instrumentenpaneel gaat branden, betekent dit dat een systeem niet meer goed functioneert.
AUTORADIO De inbouwvoorbereiding bestaat uit: – voedingskabels voor de autoradio; – kabels voor de luidsprekers in de portieren; – een inbouwplaats voor de autoradio; De luidsprekers moeten in de zittingen aan de onderkant van de voorportieren worden gemonteerd fig. 126: A - inbouwplaats luidspreker. Montage: verwijder de onderste bekleding van het portier en monteer de luidspreker in de daarvoor bestemde zitting. – een antennekabel.
ANTENNE VOEDING Montage: STEKKERPENNEN 1) Verwijder de kunststof dop A-fig. 127 op het dak van de auto. A-fig.128 A4 Verbinding met de +12V-voedingsspanning A6 Verbinding met de instrumentenpaneelverlichting 2) Schroef de antenne vast. A7 Verbinding met de +12V-voedingsspanning Zie voor de elektrische bedrading het hoofdstuk “Accessoires monteren” om beschadigingen aan het systeem te voorkomen. A8 Massa-aansluiting.
F0F0298m SCHEMA VOOR DE VOORBEREIDE ELEKTRISCHE BEDRADING EN EXTRA AANSLUITINGEN fig. 130 fig.
TANKEN MET DE SCUDO Tank met de SCUDO nooit, niet in noodgevallen en ook niet een klein beetje, loodhoudende benzine. U zou de katalysator onherstelbaar beschadigen. MET BENZINEMOTOR Door de toepassing van emissiereductiesystemen in de SCUDO mag u uitsluitend loodvrije benzine tanken. Om vergissingen te voorkomen is de diameter van de vulpijp van de tank kleiner, zodat het vulpistool voor loodhoudende benzine er niet in past. Het octaangetal van de benzine moet ten minste 95 RON zijn.
Bij lage buitentemperaturen kan de vloeibaarheid van de dieselbrandstof verminderen door de vorming van paraffine, waardoor het dieselfilter verstopt kan raken. Om dit probleem te voorkomen wordt er, afhankelijk van het seizoen, dieselbrandstof geleverd die speciaal voor de zomer of voor de winter is ontwikkeld. Bij buitentemperaturen die tussen de 0 en 15°C schommelen (bijvoorbeeld in het voor- en najaar), kan de door het tankstation geleverde dieselbrandstof niet toereikend blijken te zijn.
BELANGRIJK Voor uw veiligheid raden wij bovendien aan om, voor het starten van de motor, te controleren of het vulpistool op de juiste wijze in de benzinepomp is geplaatst, of de tankdop goed is vastgedraaid en of het tankklepje is gesloten. ATTENTIE Kom niet dicht bij de vulopening met open vuur of een brandende sigaret: brandgevaar. Houd uw hoofd ook niet dichtbij de vulopening om te voorkomen dat u schadelijke dampen inademt.
Lambdasondes Deze zorgen voor de juiste mengselverhouding van lucht en benzine, wat zeer belangrijk is voor de juiste werking van de motor en de katalysator. Benzinedamp-opvangsysteem Het is onmogelijk, ook bij stilstaande motor, benzinedampen te voorkomen. Daarom “vangt” dit systeem de dampen in een speciaal actieve-koolfilter, waaruit de dampen bij draaiende motor vervolgens afgezogen en verbrand worden.
C O R R E C T G E B R U I K VA N D E A U T O MOTOR STARTEN ATTENTIE Het is gevaarlijk om de motor in een afgesloten ruimte te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert koolmonoxide en andere giftige stoffen. ATTENTIE Raak de hoogspanningskabels (bougiekabels) nooit aan als de motor draait. BENZINEMOTOR STARTEN BELANGRIJK Het gaspedaal mag pas worden ingetrapt nadat de motor is gestart. 1) Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken. 2) Zet de versnellingspook in vrij.
Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand S voordat u opnieuw start. De elektrische installaties die veel stroom verbruiken (airconditioning, achterruitverwarming, enz.) schakelen tijdens het starten tijdelijk uit. BELANGRIJK Laat de contactsleutel niet in stand M staan als de motor stilstaat. ROLLEND STARTEN Draai de contactsleutel in stand S terwijl de motor stationair draait.
PARKEREN Zet de motor uit, trek de handrem aan, schakel een versnelling in (1e als de weg omhoog loopt, in achteruit als de weg omlaag loopt). Zet de voorwielen zo dat de auto, als de handrem losschiet, snel tot stilstand komt. Laat de contactsleutel nooit in stand M of A staan omdat hierdoor de accu ontlaadt. Neem de sleutel altijd uit het contactslot als u de auto verlaat. HANDREM Handrem uitschakelen: De handrem is links van de bestuurdersstoel geplaatst.
AANWIJZINGEN VOOR HET LADEN De door u gebruikte SCUDO-uitvoering is ontworpen en goedgekeurd op basis van vastgestelde maximum gewichten (zie “Gewichten” in het hoofdstuk “Technische gegevens”): – leeggewicht – nuttig laadvermogen – maximum totaalgewicht – maximum voorasbelasting – maximum achterasbelasting – aanhangergewicht. F0F0072m fig. 3 94 CORRECT GEBRUIK VAN DE AUTO ATTENTIE Alle opgegeven maximum gewichten mogen NOOIT WORDEN OVERSCHREDEN.
ATTENTIE Ook als de auto schuin staat of op een helling, kunnen bij het openen van de achterdeuren of van de zijdeur losse voorwerpen onverwachts naar buiten schuiven. ATTENTIE Als u reservebrandstof in een jerrycan wilt vervoeren, dan dient u zich aan de geldende wetgeving te houden. Gebruik alleen een goedgekeurde jerrycan en bevestig deze op de juiste wijze aan de bevestigingsogen. Toch zal bij een ongeval de kans op brand groter zijn.
KOSTENBESPARING EN BEPERKING VAN DE UITSTOOT VAN SCHADELIJKE UITLAATGASSEN Hierna volgen enkele nuttige tips, waardoor de kosten van de auto zo laag mogelijk blijven en de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen zoveel mogelijk beperkt wordt. ALGEMENE OPMERKINGEN Onderhoud van de auto Doelmatig onderhoud is een beslissende factor voor een lange levensduur, de beste prestaties en een zo zuinig mogelijk gebruik van de auto.
warmt de motor veel langzamer op, terwijl het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toenemen. Het is beter om rustig weg te rijden en geen hoge toerentallen te gebruiken. Op deze manier warmt de motor sneller op. Maximum snelheid Trap het gaspedaal niet in als u stilstaat voor een stoplicht of voordat u de motor afzet. Deze laatste handeling heeft evenals het overschakelen met tussengas, geen enkel nut. Het kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
ECONOMISCH EN MILIEUBEWUST RIJDEN Het milieu is een van de uitgangspunten geweest bij de ontwikkeling van de SCUDO. Het is niet voor niets dat de resultaten van zijn emissiereductiesystemen boven de geldende normen liggen. Het milieu heeft recht op maximale aandacht van iedereen. De automobilist kan door enkele simpele aanwijzingen op te volgen, voorkomen dat hij/zij onnodig schade aan het milieu toebrengt. Vaak wordt door die aanwijzingen ook het brandstofverbruik beperkt.
Spuit geen reinigings- of beschermingsmiddelen op de katalysator, de lambdasonde en het uitlaatsysteem. ATTENTIE Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven brandbare materialen (gras, droge bladeren, dennennaalden, enz.): brandgevaar. Het negeren van deze aanwijzingen kan brandgevaar opleveren.
F0F0611m TREKHAAK MONTEREN Voor iedere uitvoering moet een trekhaak worden gebruikt die geschikt is voor het maximale aanhangergewicht van de auto waarop de trekhaak wordt bevestigd. Voor de elektrische aansluiting moet een gestandaardiseerde stekker worden gebruikt die kan worden bevestigd op de daarvoor bestemde steun op de trekhaak.
F0F0127m Linker zijde Traverse achter Rechter zijde MONTAGESCHEMA De trekhaak fig. 5 moet op de punten aangegeven met Ø bevestigd worden met 6 M10-bouten. BELANGRIJK Het is verplicht om op dezelfde hoogte als de trekkogel een (goed zichtbaar) plaatje van voldoende afmetingen en kwaliteit aan te brengen met de volgende tekst: Grond Achteras Midden v.d. auto Chassisbalken achter MAX. GEWICHT OP KOPPELING 60 kg Balk achter Hart trekkogel Volbeladen ATTENTIE fig.
F0F0299m AANSLUITSCHEMA VAN DE ELEKTRISCHE BEDRADING fig. 6 1 - Knipperautomaat met dubbele capaciteit 2 - 7-polige stekkerdoos 3 - Aansluitstekker in de linker achterlichtunit. fig.
SNEEUWKETTINGEN AUTO LANGERE TIJD STALLEN – Reinig en conserveer de glimmende metalen delen met daarvoor geschikte middelen. Beperk de snelheid als u sneeuwkettingen gebruikt, vermijd kuilen, stoepranden en andere obstakels en rijd, om de banden, de wielophanging en de stuurinrichting niet te beschadigen, geen lange stukken op sneeuwvrije wegen.
PERIODIEKE CONTROLES EN VOOR LANGE REIZEN Controleer regelmatig: – bandenspanning en conditie van de banden; – niveau van het elektrolyt van de accu; – niveau van de motorolie; – niveau van de koelvloeistof en de conditie van het koelsysteem; – niveau van de remvloeistof; – niveau van de ruitensproeiervloeistof; – niveau van de olie van de stuurbekrachtiging.
N O O D G E VA L L E N STARTEN MET EEN HULPACCU of de versnellingsbak van de auto die gestart moet worden. Als de accu leeg is, kan de motor worden gestart met een hulpaccu, die ten minste dezelfde capaciteit moet hebben als de lege accu (zie hoofdstuk “Technische gegevens”). 4) Neem als de motor draait, de kabels in de omgekeerde volgorde los: klem D, C, B en ten slotte A. Ga als volgt te werk fig. 1: 3) Start de motor.
ROLLEND STARTEN Probeer auto’s nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen. EEN LEKKE BAND Voor het verwisselen van het wiel en voor het juiste gebruik van de krik moeten de onderstaande voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen.
1. ZET DE AUTO STIL – Stop de auto op een plaats waar het verkeer niet in gevaar wordt gebracht en in alle veiligheid het wiel kan worden verwisseld. Zet de auto zo mogelijk op een vlakke en stevige ondergrond. Kies als het donker is bij voorkeur een verlichte plaats. – Zet de motor uit en trek de handrem aan. – Schakel de eerste versnelling of de achteruit in.
Het is nodig te weten dat: – de krik 3,4 kg weegt; – de krik geen afstelwerkzaamheden vereist; – de krik bij beschadiging vervangen moet worden door een krik van hetzelfde type; – buiten de slinger geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd mag worden. Ga als volgt te werk: – Draai met de slinger de krik gedeeltelijk naar beneden zodat deze loskomt van de bevestigingsstang Bfig. 2 en neem hem uit. – Neem de slinger A uit de houder. – Draai met de slinger A-fig.
9) Zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het reservewiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen. Monteer het reservewiel, waarbij één van de gaten C-fig. 5 over de pen B moet vallen. 10) Draai de 5 wielbouten handvast. 11) Draai de slinger van de krik zodat de auto zakt, en verwijder de krik. Ter afsluiting: – Plaats het verwisselde wiel in de reservewielhouder onder de laadvloer en draai de blokkeerschroef weer vast.
EEN GLOEILAMP VERVANGEN ATTENTIE Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brand veroorzaken. ATTENTIE Wij raden u aan defecte gloeilampen, indien mogelijk, door een Fiat-dealer te laten vervangen.
TYPEN GLOEILAMPEN Op de auto zijn verschillende typen gloeilampen gemonteerd fig. 7: A Glasfittinglampen Deze zijn voorzien van een klemfitting. Verwijder de lamp door hem uit de houder te trekken. B Gloeilampen met bajonetfitting Verwijder de lamp uit de houder door hem iets in te drukken en linksom te draaien. Buislampen Verwijder de lamp door hem uit de veercontacten te trekken. C Fig.
DEFECTE BUITENVERLICHTING GROOTLICHT EN DIMLICHT Halogeenlamp (type H4, 12V 55/60W) vervangen: 1) Verwijder de rubberen manchet A-fig. 8 en trek de stekker B-fig. 9 los. 2) Haak de twee borgveren C los en trek de lamp uit de fitting. 3) Plaats de nieuwe lamp in de juiste positie. 4) Haak de borgveren weer vast, monteer de rubberen manchet en de stekker. PARKEERLICHTEN VOOR Gloeilamp (12V - 5W) vervangen: 1) Draai de lamphouder A-fig. 10 iets om hem los te maken. 2) Verwijder de lamp B.
RICHTINGAANWIJZERS OP VOORSPATBORD Gloeilamp (12V-5W) vervangen: 1) Plak de lak naast de lampunit met afplakband af. 2) Druk voorzichtig met een platte schroevendraaier de borglip A-fig. 12 iets in om de lampunit uit te nemen. 3) Draai de lamphouder iets om hem los te maken en vervang de lamp. MISTLAMPEN VOOR Halogeenlamp (type H3, 12V-55W) vervangen: 1) Draai het stuur geheel naar rechts voor het vervangen van de lamp aan de linkerzijde en geheel naar links voor het vervangen aan de rechterzijde.
ACHTERLICHTUNIT Gloeilampen vervangen: 1) Draai vanuit het interieur van de auto de twee driehoekige knoppen A-fig. 15, die de unit op zijn plaats houden, los. 2) Maak vanaf de buitenzijde de stekker los en verwijder de achterlichtunit. 3) Druk op de twee lippen B-fig. 16 en maak de lamphouder los van de unit.
DERDE REMLICHT Gloeilamp (12V-21W) vervangen: 1) Open de linker achterdeur. 2) Houd het lampenglas A-fig. 18 vast en draai de schroef van de lamphouder los. 3) Verwijder de lamp door hem iets in te drukken en linksom te draaien. 4) Vervang de defecte lamp, duw de nieuwe lamp licht in de lamphouder en draai hem rechtsom. DEFECTE INTERIEURVERLICHTING PLAFONDLAMPJE ZIJKANT Vervang het gloeilampje (12V-5W) door met een schroevendraaier het geklemde lampenglas los te wippen, zoals is aangegeven in fig. 21.
EEN DOORGEBRANDE ZEKERING ATTENTIE ATTENTIE Als de zekering opnieuw doorbrandt, wendt u dan tot de Fiat-dealer. ZEKERINGEN VERVANGEN fig. 22 Als een elektrisch onderdeel niet werkt, controleer dan eerst of de betreffende zekering niet is doorgebrand. A - Zekering in goede staat. B - Zekering met doorgebrande strip. Controleer voordat u een zekering vervangt of de contactsleutel uit het contactslot is genomen en alle stroomgebruikers uit staan en/of zijn uitgeschakeld.
PLAATS VAN DE ZEKERINGEN Zekeringen in de zekeringenkast De zekeringenkast bevindt zich in een vakje onder het stuur. F0F0615m U kunt het bereiken, nadat u de 2 bevestigingsschroeven A-fig. 23 90° hebt losgedraaid en het deksel hebt verwijderd. 10 - Beschikbaar 11 - 5 A - Relais aanjager, relais voor uitschakelen aircocompressor Verwijder een zekering met behulp van het tangetje A-fig. 24 uit de zekeringenkast.
20 - 5 A - Koplampverstelling, buitenverlichting rechtsvoor, buitenverlichting linksachter 21 - 5 A - Koplampverstelling, buitenverlichting rechtsvoor, buitenverlichting linksachter 22 - Beschikbaar 23 - 20 A - Aansteker 24 - 10 A - Autoradio 25 - 10 A - Relais waarschuwingszoemer ingeschakelde buitenverlichting, waarschuwingszoemer automatische versnellingsbak, bediening achteruitkijkspiegel, richtingaanwijzers Zekeringen in de motorruimte Een andere zekeringenkast is in de motorruimte geplaatst.
4 - 25A - Koplampsproeiers 5 - Beschikbaar 6 - 10A - Fiat CODE, inspuitsysteem (uitvoeringen met stuur links) 7 - 10A - Verwarming lambdasonde, brandstofsysteem 2.0 JTD (uitvoeringen met stuur rechts) 8 - 20A - Voeding diagnosestekker, voeding aanhanger 9 - 30A - Elektroventilateur motorkoelsysteem 10 - Beschikbaar 11 - Extra verwarming (uitvoering 2.
4 - 10A - Dimlicht rechts MF1 - 60A - ABS 5 - 10A - Voeding diagnosestekker MF2 - 30A - Elektroventilateur (uitvoering 2.0 16V) 6 - 10A - Fiat CODE 8 - 10A - Grootlicht rechts MF3 - 30A - Inspuitsysteem (uitvoeringen 2.0 JTD); regeleenheid automatische versnellingsbak 9 - 30A (*) - Elektroventilateur motorkoelsysteem MF4 - 20A - Inspuitsysteem (uitvoering 2.0 JTD). 7 - 10A - Grootlicht links 10 - 30A - Koplampsproeiers 11 - 20A - Extra verwarming (uitvoering 2.
Gebruik voor het starten van de motor beslist nooit een acculader. Hierdoor kunnen de elektronische systemen en in het bijzonder de regeleenheden die de inspuiting en ontsteking regelen, beschadigd worden. ACCU OPLADEN We raden u aan de accu langzaam en met een lage stroomsterkte (ampère) gedurende ca. 24 uur op te laden. Als u de accu langer oplaadt, kan de accu worden beschadigd. 4) Aan het einde van het opladen: schakel eerst de acculader uit en koppel dan de accu los.
OPKRIKKEN VAN DE AUTO MET DE BOORDKRIK Zie de paragraaf “Een lekke band” in dit hoofdstuk. ATTENTIE De krik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel van de auto waarbij hij geleverd is. Andere werkzaamheden zoals bijv. het opkrikken van andere auto’s zijn absoluut uitgesloten. Gebruik de krik in geen enkel geval voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto. ATTENTIE Als de auto een aanhanger trekt, ontkoppel dan eerst de aanhanger en krik dan de auto op.
MET DE GARAGEKRIK MET EEN HEFBRUG Voorzijde De auto mag uitsluitend worden opgekrikt door de hefarm van de krik onder de daarvoor bestemde plaat te plaatsen, zoals aangegeven in fig. 29. De auto moet zo opgekrikt worden dat de uiteinden van de hefarmen zich op de in fig. 30 aangegeven plaatsen bevinden. A - Hefarm voor. B - Hefarm achter. Achterzijde De auto is voorzien van twee sleepogen om een sleepkabel aan te bevestigen fig. 31. A - Sleepoog voor. B - Sleepoog achter.
ATTENTIE Houdt u bij het slepen van een auto aan de wettelijke voorschriften. Dit geldt zowel voor het slepen zelf als voor het gedrag naar andere weggebruikers. ATTENTIE Houd er rekening mee dat de rem- en eventuele stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. Gebruik voor het slepen geen elastische kabels en rijd zo gelijkmatig mogelijk.
ALS ER GEWONDEN ZIJN VERBANDTROMMEL fig. 32 – Blijf altijd bij de gewonde. Ook de personen die niet direct bij het ongeval betrokken zijn, zijn verplicht hulp te bieden. De verbandtrommel moet ten minste bevatten: – Blijf niet om de gewonde heen staan. – Stel de gewonde gerust over het tijdig komen van de hulp. Blijf bij de gewonde om eventuele paniekaanvallen te vermijden.
O N D E R H O U D VA N D E A U T O GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD Doelmatig onderhoud is een beslissende factor voor een lange levensduur, de beste prestaties en een zo zuinig mogelijk gebruik van de auto. Om dit te realiseren heeft Fiat een reeks controle- en onderhoudsbeurten samengesteld die moeten worden uitgevoerd: – iedere 30.000 km bij de 2.0 16V-uitvoering; – iedere 15.000 km bij de 1.9 D-uitvoering; – iedere 30.000 km bij de 2.0 JTD-uitvoering.
ONDERHOUDSSCHEMA UITVOERING 2.0 16V x 1000 km 30 60 90 120 150 180 Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel afstellen ● ● ● ● ● ● Werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, waarschuwings-/controlelampjes, enz.
x 1000 km Slag of hoogte van het koppelingspedaal controleren/afstellen 30 60 90 120 150 180 ● ● ● ● ● ● Brandstoffilter vervangen ● ● ● Luchtfilter vervangen ● ● ● Vloeistofniveaus bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, ruitensproeiers, accu, enz.) ● ● ● ● ● Getande distributieriem controleren ● ● ● Getande distributieriem vervangen (*) Inspuiting/ontsteking controleren (m.b.v.
UITVOERING 1.9 D x 1000 km 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 165 180 Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel afstellen ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, waarschuwings-/controlelampjes, enz.
x 1000 km 15 30 45 Conditie en spanning van diverse aandrijfriemen controleren en eventueel afstellen Slag of hoogte van het koppelingspedaal controleren/afstellen 60 75 90 105 120 135 150 165 180 ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Uitlaatgasemissie/-rook controleren ● ● ● ● ● ● Brandstoffilter vervangen ● ● ● ● ● ● Luchtfilter vervangen ● ● ● ● ● ● Vloeistofniveaus bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, ruitensproeiers, accu, enz.
UITVOERING 2.0 JTD 8V x 1000 km 30 60 90 Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel afstellen ● ● ● ● ● ● Werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, waarschuwings-/controlelampjes, enz.
x 1000 km 30 60 90 120 150 180 Brandstoffilter vervangen ● ● ● Luchtfilter vervangen ● ● ● Vloeistofniveaus bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, ruitensproeiers, accu, enz.) ● Getande distributieriem controleren ● ● ● ● ● ● Getande distributieriem vervangen (*) Inspuiting/ontsteking controleren (m.b.v.
UITVOERING 2.0 JTD 16V x 1000 km 30 60 90 Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel afstellen ● ● ● ● ● ● Werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, waarschuwings-/controlelampjes, enz.
x 1000 km 30 60 90 120 150 180 Brandstoffilter vervangen ● ● ● Luchtfilter vervangen ● ● ● Vloeistofniveaus bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, ruitensproeiers, accu, enz.) ● ● ● ● ● Getande distributieriem controleren ● ● ● Getande distributieriem vervangen (*) Inspuiting/ontsteking controleren (m.b.v.
AANVULLENDE WERKZAAMHEDEN Gebruik bij voorkeur producten van FL Selenia omdat die speciaal zijn afgestemd op de Fiat-modellen (zie “Vullingstabel” in het hoofdstuk “Technische gegevens”). Iedere 1.
BELANGRIJK - Accu Wij raden u aan de acculading voor het begin van de winter te controleren, om eventuele bevriezing van het elektrolyt te voorkomen. Voer deze controle vaker uit als de auto overwegend voor korte trajecten wordt gebruikt, of als er accessoires zijn gemonteerd die permanent, ook bij uitgeschakeld contact, stroom verbruiken. Dit geldt in het bijzonder voor achteraf aangebrachte accessoires. Vertrouw het onderhoud in principe toe aan de Fiat-dealer.
F0F0335m 1. Motorolie - 2. Accu - 3. Remvloeistof - 4. Ruitensproeiervloeistof - 5. Koelvloeistof - 6. Olie van de stuurbekrachtiging (indien aanwezig). F0F0337m fig. 1 - Uitvoeringen 2.0 16V 1. Motorolie - 2. Accu - 3. Remvloeistof - 4. Ruitensproeiervloeistof - 5. Koelvloeistof - 6. Olie van de stuurbekrachtiging (indien aanwezig). fig. 2 - Uitvoeringen 1.
F0F0336m 1. Motorolie - 2. Accu - 3. Remvloeistof - 4. Ruitensproeiervloeistof - 5. Koelvloeistof - 6. Olie van de stuurbekrachtiging (indien aanwezig). F0F0344m fig. 3 - Uitvoeringen 2.0 JTD 8V 1. Motorolie - 2. Accu - 3. Remvloeistof - 4. Ruitensproeiervloeistof - 5. Koelvloeistof - 6. Olie van de stuurbekrachtiging (indien aanwezig). fig. 4 - Uitvoeringen 2.
MOTOROLIE ATTENTIE Wees voorzichtig als u werkzaamheden in de motorruimte moet verrichten en de motor nog warm is, om brandwonden te voorkomen. Fig. 5 uitvoeringen 2.0 16V Fig. 6 uitvoeringen 1.9 D Fig. 7 uitvoeringen 2.0 JTD 8V Fig. 8 uitvoeringen 2.0 JTD 16V Controleer het oliepeil als de auto op een vlakke ondergrond staat en enige minuten (circa 10) na het uitzetten van de motor. Het oliepeil moet altijd tussen het MIN- en MAX-merkteken op de oliepeilstok staan.
MOTOROLIEVERBRUIK KOELVLOEISTOF Als richtlijn geldt een maximaal motorolieverbruik van ongeveer 400 gram per 1.000 km. ATTENTIE De motor van een nieuwe auto moet nog worden ingereden. Dit betekent dat het motorolieverbruik pas na de eerste 5000 ÷ 6000 km stabiliseert. Draai bij een warme motor de dop van het expansiereservoir nooit los: gevaar voor verbranding. BELANGRIJK Het motorolieverbruik hangt af van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden van de auto.
RUITENSPROEIER-/KOPLAMPSPROEIERVLOEISTOF (indien aanwezig) fig. 11-12 Om de ruitensproeiervloeistof bij te vullen, dop A lostrekken en de vloeistof bijvullen totdat het MAXmerkteken op de peilstok is bereikt fig. 12. BELANGRIJK Rijd nooit met een leeg ruitensproeierreservoir: de ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een optimaal zicht. Gebruik een mengsel van water en in de volgende mengverhouding: ATTENTIE DPI, 30% DPI en 70% water in de zomer. 50% DPI en 50% water in de winter.
ATTENTIE Voorkom dat de olie voor de stuurbekrachtiging in contact komt met de warme delen van de motor: de olie is licht ontvlambaar. Het olieverbruik van de stuurbekrachtiging is zeer laag; als na het bijvullen de olie binnen korte tijd weer moet worden bijgevuld, moet het systeem door een Fiat-dealer op eventuele lekkage worden gecontroleerd. REMVLOEISTOF fig. 14 Controleer of de remvloeistofniveau nog op het maximale niveau staat.
LUCHTFILTER DIESELFILTER VERVANGEN CONDENS AFTAPPEN Haak de borgveren A- fig. 15 los of draai de schroeven A-fig. 16 los (afhankelijk van de uitvoering), verwijder het deksel B-fig. 17 en neem het te vervangen filterelement C uit. Het condens moet iedere 5.000 km worden afgetapt. Ga als volgt te werk: F0F0348m – draai de knop fig. 18 enige slagen los en draai de knop weer vast als er uitsluitend brandstof zonder water uitstroomt. Het verdient aanbeveling dit door een Fiat-dealer te laten doen. fig.
ACCU ATTENTIE De accu van de SCUDO is “onderhoudsarm”: onder normale gebruiksomstandigheden is het niet nodig gedestilleerd water bij te vullen. Als de auto op een vlakke ondergrond staat, moet het niveau van de vloeistof (elektrolyt) tussen de twee merklijnen op de accubak staan. Als het niveau onder de merklijn MIN fig. 19 staat, wendt u dan tot een Fiat-dealer. Zie voor het opladen van de accu het hoofdstuk “Noodgevallen”. De vloeistof in de accu is giftig en corrosief.
Bij een te laag niveau van het elektrolyt kan de accu onherstelbaar beschadigen. Hierdoor kan de accubak barsten, waarna het accuzuur weglekt. BELANGRIJK Controleer bij de montage van de accu of deze op de juiste wijze is bevestigd. PRAKTISCHE TIPS OM DE LEVENSDUUR VAN DE ACCU TE VERLENGEN Wanneer u de auto parkeert, controleer dan of de voorportieren, de motorkap, de zijschuifdeur en de achterdeur goed gesloten zijn. De interieurverlichting moet gedoofd zijn.
Als grote stroomverbruikers, zoals flessenverwarmer, stofzuiger, mobiele telefoon, koelbox, bij uitgezette motor van voedingsspanning worden voorzien, dan zal de accu sneller ontladen. BELANGRIJK Als aan boord van de auto extra systemen moeten worden geïnstalleerd, moet goed op de juiste aansluitingen worden gelet. Niet correcte elektrische verbindingen kunnen gevaarlijk zijn, vooral voor de elementaire elektronische systemen.
BOUGIES Schone en goede bougies met de juiste warmtegraad fig. 20 zijn van doorslaggevend belang voor een goede werking van de motor en een lage uitstoot van schadelijke stoffen van de motor. De informatie die de bougie levert aan een deskundige is een belangrijke bron voor het opsporen van de storing, ook als deze niet door de ontsteking wordt veroorzaakt. Het is daarom belangrijk dat bij storingen in de motorwerking de bougies worden gecontroleerd door de Fiatdealer.
Een onjuiste bandenspanning veroorzaakt een onregelmatige slijtage van de banden fig. 21: A - Juiste spanning: gelijkmatige slijtage van het loopvlak. ATTENTIE Door een te lage bandenspanning wordt de band te heet, waardoor er onherstelbare inwendige schade aan de band kan ontstaan. B - Te lage spanning: te grote slijtage aan de zijkanten van het loopvlak. C - Te hoge spanning: te grote slijtage in het midden van het loopvlak.
De SCUDO is voorzien van tubeless banden zonder binnenband. In dit type band mag nooit een binnenband worden gemonteerd. Bij de montage van een nieuwe band moet ook het ventiel vernieuwd worden. Om een gelijke slijtage van de banden op de vooras en de achteras te verkrijgen, is het raadzaam de banden om de 10.000 ÷ 15.000 km van as te verwisselen. Hierbij moeten de banden aan dezelfde zijde van de auto gemonteerd blijven, zodat een omkering van de draairichting wordt voorkomen.
Met enkele simpele voorzorgsmaatregelen is het mogelijk beschadigingen van het rubber te voorkomen. – wanneer de temperatuur onder 0°C is gedaald, moet gecontroleerd worden of er geen ijs tussen wisserblad en ruit zit; maak de wissers zonodig vrij met een anti-vriesmiddel; – verwijder eventueel opgehoopte sneeuw van de ruit om de wisserbladen te beschermen en oververhitting van de ruitenwissermotor te voorkomen; – schakel de ruitenwissers niet in op een droge ruit.
AIRCONDITIONING, HANDBEDIEND (indien aanwezig) Schakel in de winter de airconditioning 1 keer per maand gedurende 10 minuten in. Laat voor het zomerseizoen de werking van de airconditioning door de Fiat-dealer controleren. CARROSSERIE BESCHERMING TEGEN ATMOSFERISCHE INVLOEDEN De belangrijkste oorzaken van roest zijn: – luchtverontreiniging; – zoutgehalte in de lucht en luchtvochtigheid (gebieden aan zee, warm en vochtig klimaat); – omgevings-/seizoensinvloeden. Het systeem gebruikt koelmiddel R134a.
CARROSSERIEGARANTIE Bij de SCUDO is de carrosserie tegen doorroesten van alle originele componenten van de carrosserie en van alle dragende delen gegarandeerd. Voor de specifieke voorwaarden van deze garantie wordt verwezen naar het boekje “SERVICE EN GARANTIEHANDLEIDING”. TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE Lak De lak heeft behalve een esthetische functie ook een beschermende functie.
staan, zodat waterresten buiten kunnen verdampen. Was de auto nooit in de zon of als de motorkap nog warm is: omdat dan de glans van de lak kan afnemen. De kunststof carrosseriedelen kunnen op dezelfde wijze worden gewassen als de gespoten carrosseriedelen. Parkeer de auto niet onder bomen, aangezien harsdruppels bij langere inwerking de lak kunnen beschadigen, waardoor de kans op roestvorming wordt vergroot.
INTERIEUR STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING REINIGEN KUNSTSTOF INTERIEURDELEN Controleer af en toe of er onder de vloerbedekking geen water is blijven staan (dooiwater van sneeuwresten aan schoenen, lekkende paraplu’s, enz.), waardoor roestvorming op de bodem veroorzaakt zou kunnen worden. – Verwijder stof met een zachte borstel of een stofzuiger. Gebruik speciale reinigingsmiddelen om het visuele effect van de componenten niet te wijzigen.
TECHNISCHE GEGEVENS IDENTIFICATIEGEGEVENS MOTORCODE CHASSISNUMMER Het chassisnummer is ingeslagen in de motorruimte op de spatbordrand rechtsvoor fig. 1. De motorcode is ingeslagen in een plaatje dat aan het hijsoog van het cilinderblok is bevestigd, en bestaat uit het motortype en een oplopend productienummer. TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIEGEGEVENS De plaatjes fig.
I - Naam van de fabrikant. J - Nationaal nummer typegoedkeuring (alleen uitvoering Combi). L - Identificatiecode van het autotype en chassisnummer. F0F0342m Typeplaatje 2 O - Max. toelaatbare voorasbelasting. P - Max. toelaatbare achterasbelasting. Q - Identificatiecode van het autotype. M - Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto. R - Correctiewaarde voor de uitlaatrookgasmeting (alleen bij dieselmotoren). N - Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto met aanhanger. S - Oplopend productienummer.
F0F0291m PLAATJE MET INFORMATIE OVER DE CARROSSERIELAK Het plaatje met de kleurcode fig. 3 bevindt zich op het portier aan bestuurderszijde, op punt H-fig. 4. Hierna volgt de omzettingstabel van de kleurcodes. Fiat-code Unikleuren 194 Nice Rood 249 IJswit 341 Carioca Geel 479 Line Blauw Fiat-code Metallic kleuren 242 Lucifer Rood 722 China Blauw 685 Kwarts Grijs 691 IJzer Grijs F0F0325m fig. 3 fig.
MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN 2.016V 1.
2.0 JTD 8V 2.
MOTOR 2.0 16V 1.9 D Typecode RFN WJY Cyclus Otto Diesel 4 in lijn 4 in lijn 86x86 82,2x88 1997 1867 10,8:1 23:1 min-1 100 136 6000 51 69 4600 min-1 190 19,4 4100 125 12,7 2500 Bosch FR8ME – Loodvrije benzine Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) ALGEMEEN Aantal en opstelling cilinders Boring en slag mm Cilinderinhoud cm 3 Compressieverhouding Max. vermogen (EU) Max.
ALGEMEEN 2.0 JTD 8V Typecode RHX RHZ Cyclus Diesel Diesel Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn 85x88 85x88 1997 1997 17,6 : 1 17,6 : 1 min-1 69 94 4000 80 109 4000 min-1 215 22 1750 250 25,5 1750 Boring en slag mm Cilinderinhoud cm 3 Compressieverhouding Max. vermogen (EU) Max.
ALGEMEEN 2.0 JTD 16V Typecode RHW Cyclus Diesel Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn Boring en slag mm 3 Cilinderinhoud cm Max. koppel (EU) { { kW pk bijbehorend toerental Nm kgm bijbehorend toerental min-1 80 109 4000 min-1 270 27,5 1750 Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) Brandstof 162 1997 17,3:1 Compressieverhouding Max.
INSPUITING/ ONTSTEKING Uitvoering 2.0 16V Geïntegreerde elektronische “full group” inspuiting (gelijktijdige inspuiting van de 4 inspuitventielen) en ontsteking: een regeleenheid regelt zowel inspuitduur van de inspuiting (benzinedosering) als de ontstekingsvervroeging. – Type:.............................. Multipoint. – Luchtfilter: droog met verwisselbaar papieren element en thermostatisch geregelde luchttoevoer. – Brandstofpomp: ondergedompeld in brandstoftank. – Inspuitdruk: ..........................
BRANDSTOFSYSTEEM Uitvoering 2.0 JTD Uitvoering 1.9 D – Directe “common rail” dieselinspuiting met turbodrukvulling en intercooler. – Indirecte dieselinspuiting. – Roterende inspuitpomp met Min/Max-regulateur en automatische inspuitmomentversteller. – Afstelling inspuitpomp bij begin inspuiting. – Inspuitvolgorde: 1 - 3 - 4 - 2. – Openingsdruk inspuitstukken: 130 bar. – Stationair toerental: 800 ± 100 min-1. – Droog luchtfilter. – Verwisselbaar brandstoffilter in motorruimte. – E.G.R.
SMEERSYSTEEM KOELING Uitvoering 2.0 JTD Uitvoeringen 2.0 16V - 1.9 D Uitvoeringen 2.0 16V - 1.9 D Smering onder druk d.m.v. een tandwieloliepomp met ingebouwde oliedrukregelklep. Koelsysteem met radiateur, centrifugale waterpomp en expansiereservoir. Koelsysteem met radiateur, centrifugale waterpomp en expansiereservoir. Tandwieloliepomp: aangedreven via een getande riem. Thermostaat met “by-pass”-regeling in het secundaire circuit voor de recirculatie van de motor naar de radiateur.
TRANSMISSIE HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK EN DIFFERENTIEEL KOPPELING “Meervoudige plaatkoppeling in oliebad”. Mechanisch bediende koppeling, behalve uitvoering 2.0 JTD, met koppelingspedaal zonder vrije slag en afstelbaar. Voor uitvoering 2.0 JTD een hydraulisch bediende koppeling. Vijf gesynchroniseerde versnellingen vooruit en één versnelling achteruit. De overbrengingsverhoudingen zijn: Aandrijving van de voorwielen m.b.v.
REMMEN VOETREM Voor: schijfremmen met zwevende remtangen, één remcilinder per wiel en remblokslijtage-sensoren. Achter: trommelremmen met zelfcentrerende remschoenen en micrometrisch mechanisme voor corrigeren van de speling. Diagonaal gescheiden hydraulisch remsysteem. Onderdrukrembekrachtiger van 10”. Remdrukregelaar in het hydraulische remcircuit van de achterremmen.
STUURINRICHTING WIELEN Samendrukbare, energie-absorberende stuurkolom en stuurwiel. VELGEN EN BANDEN “For life” gesmeerd tandheugelstuurhuis. Hydraulische stuurbekrachtiging (indien aanwezig). Minimum draaicirkel: – onbekrachtigd stuurhuis: 11,6 m – met hydraulische stuurbekrachtiging: 11,8 m. Aantal stuuromwentelingen van aanslag tot aanslag: Geperst stalen velgen. Tubeless radiaalbanden. Op de typegoedkeuring zijn bovendien alle goedgekeurde banden aangegeven.
ELEKTRISCHE INSTALLATIE ACCU Met min aan massa. Spanning van de elektrische installatie: 12 Volt. ATTENTIE Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brand veroorzaken. Capaciteit bij ontlading in 20 uur Startstroom in koude toestand (–18°C) DYNAMO Gelijkrichter met diodes en ingebouwde elektronische spanningsregelaar.
PRESTATIES Max. snelheid na inrijperiode van de auto, in km/h. 1e versnelling 2.0 16V 1.9 D 2.0 JTD 8V (95 PK) 2.0 JTD 8V (110 PK) 2.
GEWICHTEN BESTELUITVOERING MET/ZONDER RUITEN 2.0 16V 1.9 D 1334 ÷ 1533 (▼) 1560 ÷ 1595 (▼) Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (1): – – Max. toelaatbaar gewicht (2) - vooras: - achteras: - totaalgewicht: 1230 1300 2185 1230 1230 2205 Max. dakbelasting: 150 150 Gewicht van de aanhanger - geremd: - ongeremd: 1300 750 1100 750 60 60 Gewichten (kg) Rijklaar gewicht (met volle reservoirs, reservewiel, gereedschap en accessoires): Max.
BESTELUITVOERING MET/ZONDER RUITEN 1.9 D lange wielbasis 2.0 JTD 8V 2.0 JTD 8V* 2.0 JTD 8V lange wielbasis Rijklaar gewicht (met volle reservoirs, reservewiel, gereedschap en accessoires): 1375 ÷ 1595 (▼) 1397 ÷ 1607 (▼) 1651 1435 Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (1): – – – – Max. toelaatbaar gewicht (2) - vooras: - achteras: - totaalgewicht: 1230 1230 2205 1230 1300 2250 1230 1300 2330 1230 1300 2330 Gewichten (kg) Max.
COMBI 2.0 16V 1.9 D 2.0 JTD 8V 2.0 JTD 16V 1520 ÷ 1629 (*) 1476 1587 ÷ 1707 (*) 1598 ÷ 1715 (*) Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (1): 5p+435 - 6p+360 8p+210 - 9p+135 5p+354 - 6p+279 8p+129 - 9p+54 5p+360 - 6p+285 8p+135 - 9p+60 5p+360 - 6p+285 8p+135 - 9p+60 Max. toelaatbaar gewicht (2) - vooras: - achteras: - totaalgewicht: 1213 ÷ 1223 (*) 1282 ÷ 1295 (*) 2505 1230 1230 2205 1211 ÷ 1224 (*) 1281 ÷ 1294 (*) 2505 1218 ÷ 1223 (*) 1282 ÷ 1287 (*) 2505 Max.
AFMETINGEN BESTEL - COMBI De afmetingen zijn aangegeven in mm. De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto. F0F0613m fig. 5 A B C D E F G H Normale wielb. 919 2824 779 4522 1540 1844 1540 1919÷1954 Lange wielb.
VULLINGSTABEL liter kg Voorgeschreven brandstof Aanbevolen producten 80 5÷7 – – Loodvrije superbenzine met octaangetal van ten minste 95 RON. 8,5 – Mengsel van gedestil. water en 50% PARAFLU11 4,25 (4,25) 4,50 (4,50) 3,80 4,00 SELENIA 20K (❒) Handgeschakelde versnellingsbak en differentieel: 1,9 1,7 TUTELA CAR ZC 75 SYNTH Hydraulische stuurbekrachtiging: 1,3 1,17 TUTELA GI/A 0,47 – TUTELA TOP 4 0,52 – TUTELA TOP 4 4,5 – Mengsel van water en DPI 2.0 16V Brandstoftank: incl.
1.9 D 2.0 JTD 8V - 2.0 JTD 16V liter kg Voorgeschreven brandstof Aanbevolen producten liter kg 80 5÷7 – – 80 5÷7 – – Diesel voor motorvoertuigen (Specificatie EN590) Motorkoel-: systeem: 8,5 – 9 – Mengsel van gedestil.
SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN AANBEVOLEN PRODUCTEN EN HUN SPECIFICATIES Specificaties van de smeermiddelen vloeistoffen voor een correct functioneren van de auto Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen Toepassing P4B00293 Gebruik Multigrade motorolie SAE 10W-40 op synthetische basis; voldoet Smering voor benzinemotoren (*) SELENIA 20K ruimschoots aan de specificaties ACEA A3-96, CCMC G5 en API SJ Multigrade motorolie SAE 5W-30 op synthetische basis; voldoet ruimschoots aan de specificaties ACEA A1
Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen voor een correct functioneren van de auto Gebruik Olie en vetten voor Aanbev. smeermiddelen en vloeistoffen Toepassing SAE 75W-80 EP olie. Voldoet ruimschoots aan de specificaties API GL-5 en MIL-L-2105 D TUTELA CAR ZC 75 SYNTH Mechanische versnellingsbak en differentieel Olie type ATF DEXRON II D LEV, SAE 10W TUTELA GI/A Automatische versn. bak Hydr. stuurbekrachtiging Vloeistof voor remsysteem Synthetische remvloeistof, NHTSA. nr.
BRANDSTOFVERBRUIK Het brandstofverbruik dat in de tabellen is opgenomen, is gemeten volgens een vastgestelde testmethode die in EU-normen is vastgelegd.
CO2-EMISSIE VIA DE UITLAAT INVLOED VAN DE RIJ- EN GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN OP HET BRANDSTOFVERBRUIK De CO2 -emissie via de uitlaat is gemeten op een gemiddeld gecombineerd traject. De maximale waarden zijn in onderstaande tabellen weergegeven. F0F0331m CO2-emissie vlgns. EU 1999/100-normen (g/km) 2.0 16V 216 2.0 16V aut. 227 2.0 JTD 16V 186 80÷100% Maximumsnelheid (gaspedaal geheel ingetrapt) (fig. 7) fig. 7 F0F0334m CO2-emissie vlgns. EU 93/116-normen (g/km) 1.9 D 211 2.
F0F0333m +5% Imperiaal of ruiten voor de helft open (fig. 9) fig. 9 F0F0332m +5% Ingeschakelde airconditioning (fig. 10) fig.
BANDENSPANNING Bandenspanning in koude toestand (bar) Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Bandenmaat 2.0 16V Onbelast en gemidd. belading Voor Achter Volbeladen Voor Achter 205/65 R15 94T 2,5 2,5 2,5 3,0 (verhoogd laadverm.) 205/65 R15 94T 2,6 2,6 2,6 3,2 1.9 D 195/70 R14 91T 2,5 2,5 2,5 3,0 2.0 JTD 8V 205/65 R15 94T 2,5 2,5 2,5 3,0 (verhoogd laadverm.) 205/65 R15 94T 2,6 2,6 2,6 3,2 2.
E - Gemonteerd bandentype. Op de portierstijl aan bestuurderszijde, zoals aangegeven in fig. 11, bevindt zich het identificatieplaatje fig. 12 waarop het volgende is aangegeven: F - Productiedatum van de auto. A - Bandenspanning bij onbelaste auto. I - Oplopend productienummer. F0F0278m Wielen G - Leeg vakje. H - Kleurcode lak. B - Bandenspanning bij volle belading. C - Bandenmaat. D - Velgmaat. F0F0325m fig. 11 fig.
ALFABETISCH REGISTER Aansteker...............................................67 Aanvullende werkzaamheden ............135 Aanwijzingen voor het laden................94 ABS.............................................................75 Accu - opladen................................................121 - starten met een hulpaccu ...............121 - technische gegevens.........................169 - vloeistofniveau...................................144 Achterruitverwarming ...........................
Dimlicht - bediening...............................................53 - gloeilamp vervangen.........................112 Driewegkatalysator.................................85 Duplicaatsleutels .....................................11 Dynamo...................................................169 Economisch en milieubewust rijden......................................................98 Elektrische ruitbediening.......................71 Elektronische regeleenheden.............146 EOBD (het systeem) ..............
- oliepeil controleren..........................139 - technische specificaties ...........175-176 - verbruik...............................................140 Motorolieverbruik ................................135 Motorruimte (reinigen) .......................153 Niveau van de koelvloeistof ............140 Niveau van de motorolie ....................139 Niveau van de olie van de stuurbekrachtiging ............................141 Niveau van de remvloeistof................
Symbolen.....................................................6 Tanken met de Scudo...........................87 Technische gegevens.................155 Toerenteller .......................................33-40 Transmissie ...........................................166 Trekken van aanhangers - voorzorgsmaatregelen .......................99 Wiel (verwisselen)................................108 Wielen.....................................................147 - een lekke band ..................................
NOTITIES 188
189
OLIE VERVERSEN? DE EXPERTS ADVISEREN SELENIA. Uw nieuwe auto is ontwikkeld met producten van de FL Group. Bij de werkplaatsen van het Fiat-dealernet kunt u Selenia-motorolie verkrijgen. 35.000 Motorexperts in heel Europa adviseren Selenia voor een maximale bescherming van de motor in uw auto. VRAAG UW DEALER NAAR SELENIA.
SELENIA: DE PERFECTE KEUZE VOOR UW AUTO De motor van uw nieuwe auto is ontwikkeld met Selenia 20K; een synthetische motorolie die voldoet aan de meest geavanceerde internationale specificaties. SELENIA 20K verbetert de eigenschappen van de motor en garandeert optimale prestaties en maximale bescherming. SELENIA 20K Top Quality fuel economy motorolie volgens API SJspecificaties voor normale, turbo- of multikleps-benzinemotoren. Brandstofbesparing tot 2% en maximale stabiliteit bij hoge temperaturen.
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) Bandenmaat 2.0 16V 2.0 16V (verhoogd laadverm.) 1.9 D 2.0 JTD 8V 2.0 JTD 8V (verhoogd laadverm.) 2.0 JTD 16V Bij gemidd.
NEDERLANDS De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Fiat behoudt zich het recht voor op elk moment de in dit boekje beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Voor de laatste informatie hieromtrent kunt u zich tot de Fiat-dealer wenden. Gedrukt op houtvrij milieuvriendelijk papier.