Operation Manual
84
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
PARKEERSENSOREN
(indien aanwezig)
Deze bevinden zich in de achterbumper
van de auto fig. 114 en attenderen de
bestuurder via een repeterend geluids-
signaal op de aanwezigheid van obstakels
achter de auto.
Druk voor tijdelijke uitschakeling van de
parkeersensoren op de knop A-fig. 115
op het schakelaarpaneel op de midden-
console. Als het systeem is uitgescha-
keld, brandt het lampje B op de knop.
Als de afstand tot het obstakel achter de
auto kleiner wordt, neemt de frequentie
van het akoestische signaal toe.
AKOESTISCH
WAARSCHUWINGSSYSTEEM
Als bij ingeschakelde sensoren de ach-
teruit wordt ingeschakeld, klinkt er
automatisch een onderbroken geluids-
signaal.
De frequentie van het geluidssignaal:
❒
neemt toe als de afstand tot het
obstakel kleiner wordt;
❒
klinkt ononderbroken als de afstand
tot het obstakel minder is dan onge-
veer 30 cm en stopt onmiddellijk als
de afstand tot het obstakel groter
wordt;
❒
blijft constant als de gemeten afstand
onveranderd blijft, terwijl, als deze
situatie zich voordoet bij de sensoren
aan de zijkant, het signaal na 3 secon-
den onderbroken wordt, om bijvoor-
beeld signalen te voorkomen als u
langs een muur rijdt.
STORINGSMELDINGEN
Een storing in de parkeersensoren
wordt tijdens het inschakelen van de
achteruit aangegeven door een geluids-
signaal, een brandend waarschuwings-
lampje B-fig. 115 en een bericht op het
display.
fig. 114
F0F0105m
fig. 115
F0F0106m










