Operation Manual

166
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN BERICHTEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
NOOD-
GE VALLEN
Start de motor niet als de
auto wordt gesleept.
ATTENTIE!
Maak de schroefdraad zorg-
vuldig schoon, voordat u het
sleepoog op de schroefdraadpen
draait. Controleer, voordat de auto
wordt gesleept, of het sleepoog tot te-
gen de aanslag op de schroefdraad-
pen is gedraaid.
ATTENTIE!
Schakel voordat de auto ge-
sleept wordt, het stuurslot
uit (zie de paragraaf “Start-/con-
tactslot” in het hoofdstuk “Dash-
board en bediening”). Houd er tijdens
het slepen rekening mee dat de rem-
en stuurbekrachtiging niet werken als
de motor niet draait, waardoor meer
kracht nodig is voor de bediening van
het rempedaal en het stuur. Gebruik
voor het slepen geen elastische ka-
bels en rijd zo gelijkmatig mogelijk.
Controleer tijdens het slepen of de
sleepkabel geen carrosseriedelen kan
beschadigen. Houdt u bij het slepen
van een auto aan de wettelijke voor-
schriften. Dit geldt zowel voor het
slepen zelf als voor het gedrag naar
andere weggebruikers.
ATTENTIE!
Het sleepoog voor en achter
mag uitsluitend worden ge-
bruikt voor pechgevallen op een vlak-
ke weg. Slepen, waarbij gebruik moet
worden gemaakt van een sleepver-
binding (sleepstang) die aan de wet-
telijke eisen voldoet, is toegestaan
over korte afstanden om de auto op
een vlakke weg te verplaatsen als
voorbereiding op transport m.b.v. een
afsleepauto of een autoambulance.
De sleepogen MOGEN NIET worden
gebruikt voor het slepen van het voer-
tuig buiten een vlakke weg of als er
obstakels aanwezig zijn en/of voor het
slepen met sleepkabels of andere
elastische materialen.
Naast bovenstaande voorwaarden
moeten de twee voertuigen (het sle-
pende en het gesleepte) tijdens het
slepen ook zo veel mogelijk in een
rechte lijn achter elkaar blijven.
ATTENTIE!
fig. 44
F0M0243m
fig. 45
F0M0238m
135-166 ACTUAL NL 1ed 19-11-10 09:05 Pagina 166