Operation Manual

6
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Als bij het starten de code niet wordt herkend, gaat
op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje
Y
branden.
Draai in dat geval de sleutel in stand STOP en vervol-
gens opnieuw in stand MAR; als de motor geblok-
keerd blijft, probeer het dan opnieuw met de andere
geleverde sleutels. Als de motor nog niet aanslaat,
voer dan een noodstart uit (zie het hoofdstuk
“Noodgevallen”) en wendt u daarna tot de Fiat-dealer.
BELANGRIJK Elke sleutel heeft een eigen code, die in
de regeleenheid van het systeem moet worden opge-
slagen. Voor het opslaan van nieuwe sleutels (maxi-
maal acht) moet u zich tot de Fiat-dealer wenden.
Als het lampje
Y
tijdens het rijden gaat bran-
den
Als het lampje
Y
gaat branden, betekent dit dat
het systeem zichzelf controleert (bijv. bij een ver-
mindering van de spanning). Als u het systeem wilt
controleren, moet u de auto stilzetten en de con-
tactsleutel in stand STOP en vervolgens opnieuw
in stand MAR draaien: als er geen enkele storing
wordt gevonden, gaat het waarschuwingslampje
Y
niet branden.
Als het lampje
Y
blijft branden, dan moet de
gehele procedure herhaald worden, waarbij de
contactsleutel ten minste 30 seconden in stand
STOP moet blijven. Als de storing blijft bestaan,
wendt u dan tot de Fiat-dealer.
Als het waarschuwingslampje
Y
blijft branden,
wordt de code niet herkend. Draai in dat geval de
sleutel in stand STOP en vervolgens opnieuw in
stand MAR. Als de motor nog niet aanslaat, voer
dan een noodstart uit (zie het hoofdstuk
“Noodgevallen”) en wendt u daarna tot de Fiat-
dealer.
Bij krachtige stoten kunnen de elektronische componenten in de sleutel beschadigd worden.