Operation Manual
245
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
De lampen zijn op de volgende wijze in de lichtunit geplaatst:
D: achterlichten/remlichten
E: richtingaanwijzers
F: achteruitrijlichten
G: mistachterlichten
DERDE REMLICHT
Gloeilampen vervangen:
❒ open de achterklep;
❒ draai de twee schroeven (A) los;
❒ druk op de borglip (B) en neem de lamphouder uit;
❒ verwijder de geklemde lampen en vervang ze;
❒ plaats de lamphouder in de lichtunit en controleer of de borglip (B)
goed bevestigd is; draai de twee bevestigingsschroeven (A) vast.
BELANGRIJK Vervang bij de uitvoeringen met verduisterde ruiten,
(indien aanwezig) de gehele lichtunit, omdat deze is dicht gelijmd.
KENTEKENPLAATVERLICHTING
Gloeilampen vervangen:
❒ verwijder het lampenglas (A) op het door de pijl aangegeven punt;
❒ maak de lamp (B) los uit de veercontacten aan de zijkant en vervang
hem; controleer of de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten;
❒ monteer het lampenglas.
F0H0190m
F0H0192m
F0H0189m










