Operation Manual

18
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Inschakeling van het systeem (indien aanwezig)
Het systeem schakelt in de volgende gevallen op alle portieren automa-
tisch in:
als u de metalen baard van de sleutel (A) twee keer in de vergrendel-
stand zet;
als u twee keer op de knop Á drukt.
Als het systeem is ingeschakeld, knipperen de richtingaanwijzers 3 keer
en knippert het bewakingslampje (zie de tabel op de volgende pagina).
Het systeem schakelt niet in als een of meerdere portieren niet goed
gesloten zijn: zo wordt voorkomen dat een persoon via het geopende
portier het interieur van de auto kan betreden en, als het portier vervol-
gens wordt gesloten, de auto niet meer kan verlaten.
Uitschakeling van het systeem (indien aanwezig)
Het systeem schakelt in de volgende gevallen automatisch op alle portie-
ren uit:
als de portieren worden ontgrendeld;
als alleen het bestuurdersportier wordt ontgrendeld;
als de start-/contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid.
F0H0020m