Operation Manual
111
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
PLAFONDVERLICHTING
PLAFONDVERLICHTING VOOR
Met de schakelaar (A) kunnen de plafondlampjes worden in- en uitge-
schakeld.
Met de schakelaar (A) in het midden worden de lampjes (C) en (D) in-/
uitgeschakeld bij het openen/sluiten van de voorportieren.
Met de schakelaar (A) naar links geschoven, blijven de lampjes (C) en
(D) altijd uitgeschakeld.
Met de schakelaar (A) naar rechts geschoven, blijven de lampjes (C) en
(D) altijd branden.
Het inschakelen/doven van de verlichting gaat geleidelijk.
Met de schakelaar (B) bedient u de spotjes; bij uitgeschakelde plafond-
verlichting wordt met de schakelaar (B):
❒ in linker stand, het spotje (C) ingeschakeld;
❒ in rechter stand, het spotje (D) ingeschakeld.
BELANGRIJK Controleer voordat u de auto verlaat of beide schakelaars
in de middelste stand staan. Op deze manier zullen de lampjes van de
plafondverlichting doven bij het sluiten van de portieren, en voorkomt u
dat de accu ontlaadt.
Als de schakelaar in de rechter stand is blijven staan, schakelt de verlich-
ting 15 minuten na het uitzetten van de motor automatisch uit.
F0H0077m










