NEDERLANDS De gegevens in deze uitgave zijn hoofdzakelijk bedoeld als richtlijn. Fiat behoudt zich het recht voor de in dit boekje beschreven modellen en uitvoeringen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Neem contact op met uw Fiat-dealer voor meer informatie. Gedrukt op kringlooppapier zonder chloor. 1500100_Dutch_FIAT_Freemont_OM_cover.
KIES VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Als uitvinder, ontwerper en fabrikant kennen wij uw auto als geen ander: wij zijn vertrouwd met ieder detail. Bij erkende Fiat Service werkplaatsen werken monteurs die rechtstreeks door ons zijn opgeleid en alle soorten onderhoud professioneel en kwaliteitsbewust uitvoeren. Er is altijd een Fiat werkplaats in uw omgeving voor regulier onderhoud, zomer- en winterchecks en praktisch advies door onze experts.
Al onze originele onderdelen zijn onderworpen aan strenge tests, zowel in de ontwerp- als de fabricagefase, door specialisten die controleren op het gebruik van de beste materialen en de betrouwbaarheid testen. Dit garandeert prestaties en veiligheid op de lange termijn, voor u en de passagiers in uw auto. Vraag altijd om originele onderdelen en controleer of deze zijn gebruikt.
Beste klant, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze van de Fiat Freemont. We hebben deze handleiding geschreven om u vertrouwd te maken uw auto en u te leren deze op de best mogelijke manier te gebruiken. U dient deze handleiding volledig te lezen voordat u voor de eerste keer de weg op gaat.
UW AUTO INLEIDING Gefeliciteerd met de keuze van uw nieuwe FIAT. U kunt er zeker van zijn dat uw auto beschikt over alle karakteristieke FIAT-kenmerken: nauwkeurig vakmanschap, exclusieve styling en hoogwaardige kwaliteit. Voordat u met uw nieuwe auto gaat rijden, dient u deze gebruikershandleiding en alle bijlagen aandachtig te lezen. Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met alle bedieningselementen van de auto en besteed vooral aandacht aan het remmen, sturen en schakelen.
BELANGRIJKE OPMERKING UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 2 DE VOLLEDIGE INHOUD VAN DIT DOCUMENT IS GEBASEERD OP DE MEEST RECENTE INFORMATIE OP HET MOMENT VAN PUBLICATIE. WIJ BEHOUDEN ONS HET RECHT VOOR OP ELK MOMENT HERZIENINGEN TE PUBLICEREN.
goedgekeurde of aanbevolen onderdelen worden gemonteerd of geïnstalleerd door een erkende dealer. Dit geldt tevens voor aanpassingen die een wijziging inhouden van de oorspronkelijke staat van de voertuigen van de fabrikant. Onderdelen die niet door de fabrikant zijn geleverd, vallen niet onder onze garanties.
UW AUTO VEILIGHEID HOE GEBRUIKT U DEZE HANDLEIDING? In de gedetailleerde index, achter in deze handleiding, vindt u een volledig overzicht van alle onderwerpen. Raadpleeg de inhoudsopgave om te weten in welk hoofdstuk de informatie staat die u zoekt. Raadpleeg de volgende tabel voor een beschrijving van de symbolen die mogelijk aanwezig zijn in uw auto of worden gebruikt in deze gebruikershandleiding: (afb.
WIJZIGINGEN/AANPASSINGEN VAN DE AUTO UW AUTO WAARSCHUWING! Wijzigingen en aanpassingen kunnen de rijeigenschappen en veiligheid van de auto in ernstige mate beïnvloeden en kunnen leiden tot ongevallen met ernstig of zelfs dodelijk letsel.
FUNCTIES VAN HET INSTRUMENTENPANEEL UW AUTO (afb. 2) VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 6 (afb.
INSTRUMENTEN (afb. 3) 1. Toerenteller Deze meter telt het aantal omwentelingen per minuut van de motor (omw/min x 1000). Voordat de meternaald het rode gedeelte bereikt moet u gas terugnemen om schade aan de motor te voorkomen. UW AUTO 2. Snelheidsmeter Geeft de snelheid van het voertuig aan. VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 8 3. Brandstofmeter De brandstofmeter geeft het brandstofpeil in de tank aan wanneer de contactschakelaar zich in de stand ON/RUN bevindt. UW SLEUTELS 4. Koelvloeistoftemperatuurmeter De thermometer geeft de temperatuur van de koelvloeistof aan. Als de meternaald het normale bereik aanwijst, werkt het koelsysteem naar behoren.
OPMERKING: Wanneer de contactschakelaar na het indrukken van een toets niet reageert, is de batterij van de afstandsbediening (sleutelhouder) mogelijk bijna leeg of leeg. Als dit het geval is, kan de contactschakelaar ook op een andere manier worden bediend. Druk de voorzijde (zijde tegenover de noodsleutel) van de sleutelhouder tegen de knop ENGINE START/STOP om de contactschakelaar te bedienen. (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 10 OPMERKING: U kunt de noodsleutel op twee manieren in de slotcilinders steken; het maakt niet uit welke kant van de sleutel zich aan de bovenzijde bevindt.
Een niet-afgesloten auto is een uitnodiging voor dieven. Neem altijd de sleutelhouder uit de auto, zet de contactschakelaar in de stand OFF en sluit alle portieren af wanneer u de auto zonder toezicht achterlaat. SENTRY KEY® De Sentry Key® startonderbreker voorkomt ongeoorloofd gebruik van de auto door derden door de motor te blokkeren. U hoeft het systeem niet te activeren of in te schakelen. Dit systeem werkt automatisch, ongeacht of de auto is afgesloten.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 12 Als het controlelampje van het beveiligingssysteem gaat branden tijdens normaal gebruik van de auto (nadat deze langer dan tien seconden heeft gereden), duidt dat op een storing in de elektronica. Laat in dat geval de storing zo snel mogelijk verhelpen door een erkende dealer.
AFSTANDSBEDIENING Met het afstandsbedieningssysteem kunt u vanaf een afstand van maximaal 20m met behulp van een losse sleutelhouder met afstandsbediening de portieren en achterklep vergrendelen of ontgrendelen. U hoeft de afstandsbediening niet op de auto te richten om het systeem te activeren. OPMERKING: Vanaf een rijsnelheid van 8 km/u reageert het systeem op geen enkele knop van geen enkele afstandsbediening meer. (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 14 Lichten laten knipperen bij ontgrendelen/ vergrendelen Met deze functie knipperen de richtingaanwijzers wanneer u de portieren vergrendelt of ontgrendelt met de afstandsbediening. U kunt deze functie in- en uitschakelen. Raadpleeg voor het veranderen van de huidige instellingen "Uconnect® instellingen" in "Uw auto" voor meer informatie.
1. Verwijder de noodsleutel door de mechanische vergrendeling aan de achterzijde van de afstandsbediening met uw duim opzij te schuiven en vervolgens met uw andere hand de sleutel eruit te trekken. 2. Steek het uiteinde van de noodsleutel of een platte schroevendraaier, maat 2, in de sleuf en wrik de twee helften van de afstandsbediening voorzichtig los. Let erop dat u de afdichting tijdens het openen niet beschadigt. (afb. 7) 3.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 16 eisen worden vermeld in de Europese Richtlijn 95/56/ EC, Bijlage VI. De werking moet voldoen aan de volgende voorwaarden: • De apparatuur mag geen schadelijke interferentie veroorzaken. • De apparatuur moet eventuele ontvangen interferentie tolereren, ook interferentie die mogelijk een ongewenste werking veroorzaakt.
2. Sluit de auto op een van de volgende manieren af: • Druk op LOCK op de schakelaar voor de centrale portiervergrendeling in het interieur terwijl de bestuurders- en/of passagiersportier is geopend. • Druk op de vergrendelknop op de Passive Entryhandgreep aan de buitenzijde, terwijl een geldige sleutelhouder zich ook aan buitenzijde bevindt (raadpleeg de paragraaf "Keyless Enter-N-Go™" in het hoofdstuk "Uw auto" voor meer informatie hierover). • Druk op vergrendelknop op de afstandsbediening. 3.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 18 Het alarmsysteem is bedoeld om uw auto te beveiligen, maar er zijn omstandigheden die een ongewenst alarm veroorzaken. Als een van de eerder beschreven procedures voor het inschakelen van het alarm is uitgevoerd, zal het alarmsysteem worden ingeschakeld, ongeacht of u zich in de auto bevindt.
ALARM INSCHAKELEN Volg deze stappen voor het inschakelen van het alarmsysteem: 1. Zorg ervoor dat de contactschakelaar in de stand "OFF" staat. (Raadpleeg de paragraaf "Startprocedures" in het hoofdstuk "Starten en rijden" voor meer informatie hierover.) 2. Sluit de auto op een van de volgende manieren af: • Druk op LOCK op de schakelaar voor de centrale portiervergrendeling in het interieur terwijl de bestuurders- en/of passagiersportier is geopend.
UW AUTO VEILIGHEID ALARM UITSCHAKELEN Het alarmsysteem kan op de volgende manieren worden uitgeschakeld: • Druk op de ontgrendelknop op de afstandsbediening. STARTEN EN RIJDEN • Pak de Passive Entry Unlock-portiergreep vast, terwijl er zich ook een sleutelhouder aan de buitenzijde bevindt (raadpleeg "Keyless Enter-N-Go™" in "Uw auto" voor meer informatie hierover). WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN • Draai de contactschakelaar uit de stand OFF.
STUURSLOT (voor bepaalde uitvoeringen/landen) ELEKTRONISCH VOERTUIGINFORMATIECENTRUM Uw auto is mogelijk uitgerust met een passief elektro- (EVIC) nisch stuurslot. Dit slot zorgt ervoor dat de auto zonder contactsleutel niet kan worden bestuurd. Als het stuurwiel naar een van de vergrendelingsposities wordt bewogen terwijl de sleutel zich in de stand OFF bevindt, wordt het stuurwiel vergrendeld.
• Bandenspanning UW AUTO • De functie Vehicle Information (Voertuiginformatie) • Beeldschermweergaven voor waarschuwingsmeldingen VEILIGHEID • Menu uitschakelen STARTEN EN RIJDEN Met dit systeem kan de bestuurder informatie selecteren door op de volgende knoppen op het stuur te drukken: (afb.
3. Het gedeelte met instelbare indicatoren onder de kilometerteller. In het hoofdscherm worden normaal gesproken het hoofdmenu of de schermen van een gekozen functie uit het hoofdmenu weergegeven. Het hoofdscherm toont ook ongeveer 60 mogelijke waarschuwings- of informatieberichten.
UW AUTO VEILIGHEID Onder bepaalde voorwaarden geeft het EVIC de volgende berichten weer: • Turn Signal On (richtingaanwijzer aan, met een ononderbroken geluidssignaal als de auto langer dan 1,6 km rijdt met ingeschakelde richtingaanwijzers) • Left Front Turn Signal Light Out (Richtingaanwijzer linksvoor defect) (met één geluidssignaal) STARTEN EN RIJDEN • Left Rear Turn Signal Light Out (Richtingaanwijzer linksachter defect) (met één geluidssignaal) WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN • Right Front Turn
• Service TPM System (Onderhoud bandenspanningscontrolesysteem) (met één geluidssignaal). Raadpleeg de informatie "Bandenspanningscontrole" in "Uw auto". • Oil Change Required (Olie verversen - met een geluidssignaal) • Check Gascap (Brandstofvuldop controleren) (raadpleeg "Brandstof tanken" in "Uw auto") • Oil Change Due (Olie verversen) (met één geluidssignaal) • Uitlaatsysteem — regeneratie nu vereist.
UW AUTO ORANJE VERKLIKKERLAMPJES EVIC In dit gedeelte worden instelbare oranje indicatoren getoond. Voorbeelden van deze indicatoren zijn: RODE VERKLIKKERLAMPJES EVIC In dit gedeelte worden instelbare rode indicatoren getoond. Voorbeelden van deze indicatoren zijn: VEILIGHEID • Controlelampje brandstofpeil Als het brandstofpeil is gezakt tot ongeveer 11,0 liter, gaat dit lampje aan en blijft het branden tot er brandstof wordt bijgevuld.
stationair draait). Als het lampje van het laadsysteem blijft branden, is er een probleem met het laadsysteem. Laat de auto dan ONMIDDELLIJK CONTROLEREN. Neem contact op met een erkende dealer. noodzakelijk. In een dergelijk geval is het mogelijk dat het motorvermogen afneemt, de motor versneld of onregelmatig stationair draait of afslaat en dat uw auto moet worden gesleept. Wanneer met startkabels moet worden gestart, raadpleeg dan "Starten met startkabels" onder "Noodgevallen".
UW AUTO kant van de weg. Schakel vervolgens naar NEUTRAL en laat de motor stationair of met een hoger toerental draaien tot het lampje dooft. Wanneer de indicatie voor opschakelen (+) op het display wordt getoond, adviseert de GSI de bestuurder naar een hogere versnelling te schakelen. (afb. 10) (afb.
OLIEVERVERSING VEREIST Uw auto is uitgerust met een indicator voor olieverversing. Het bericht "Oil change due"(olie verversen) knippert ongeveer 10 seconden in het EVIC-scherm na één geluidsignaal om de volgende oliebeurt aan te geven. De indicator voor olieverversing is gebaseerd op de belasting van de motor, wat betekent dat de periodieke oliebeurten afhankelijk zijn van uw persoonlijke rijstijl. (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD BRANDSTOFVERBRUIK Druk kort op OMHOOG- of OMLAAG-knop totdat de melding "Fuel Economy" (Brandstofverbruik) wordt gemarkeerd in het EVIC en druk dan op de selectieknop.
l/100 km Deze weergave toont tijdens het rijden het huidige verbruik in l/100 km in een staafdiagram. Hierdoor wordt het brandstofverbruik constant tijdens het rijden bewaakt, zodat u uw rijstijl kunt aanpassen om minder brandstof te verbruiken. (afb. 15) VOERTUIGSNELHEID Druk op de OMHOOG- of OMLAAG-knop en houd deze ingedrukt totdat de melding "Vehicle Speed" (Voertuigsnelheid) verschijnt in het EVIC. Druk op de selectieknop om de huidige snelheid weer te geven in km/u.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 32 In de tripfunctiemodus wordt de volgende informatie weergegeven: Trip A (Rit A) Toont de totale afstand voor Trip A die werd afgelegd sinds de laatste reset. Trip B (Rit B) Toont de totale afstand voor Trip B die werd afgelegd sinds de laatste reset. Elapsed Time (Verstreken tijd) Toont de totale reistijd die is verstreken sinds de laatste reset.
BERICHTEN Druk in het hoofdmenu op de OMHOOG- of OMLAAG-knop en houd deze ingedrukt totdat het bericht "Messages: XX" (Berichten: XX) gemarkeerd verschijnt in het EVIC. Als er meer dan één bericht is, kunt u door op de selectieknop te drukken een opgeslagen waarschuwingsbericht weergeven. Druk op de OMHOOG- en OMLAAG-knop als er meer dan één bericht is om de overige opgeslagen berichten weer te geven. Als er geen berichten zijn, gebeurt er niets als u op de selectieknop drukt.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN bij uitgeschakelde motor), Compass Settings (Kompasinstellingen), Audio and Phone/Bluetooth settings (Audio- en telefoon-/Bluetooth-instellingen). OPMERKING: Er kan telkens slechts één onderdeel van het aanraakscherm tegelijk worden weergegeven. Druk op de toets SETTINGS om toegang te krijgen tot het scherm Settings (instellingen), gebruik de schermtoetsen Page Up / Down om door de volgende instellingen te scrollen.
• Modus (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Druk op de schermtoets Mode (Modus) om dit scherm te veranderen. In dit scherm kunt u een van de automatische scherminstellingen selecteren. Om de status van de modus te veranderen drukt u op de schermtoets Day (Dag), Night (Nacht) of Auto en laat deze weer los. Druk vervolgens op de schermtoets met de pijl naar links. • Taal Druk op de schermtoets Language (Taal) om dit scherm te veranderen.
Clock (klok) UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 36 • Tijd instellen Druk op de schermtoets Set Time (Tijd instellen) om dit scherm te veranderen. Wanneer u toegang tot dit scherm hebt kunt u de weergegeven tijd veranderen.
• Hill Start Assist (voor bepaalde uitvoeringen/ landen) Druk op de schermtoets Hill Start Assist om dit scherm te veranderen. Wanneer deze functie is geselecteerd, is het Hill Start Assist (HSA) systeem actief. Raadpleeg de paragraaf "Elektronische remregeling" in het hoofdstuk "Starten en rijden" voor informatie over de werking en bediening van het systeem. Druk, om uw keuze te maken, op de schermtoets Hill Start Assist. Druk vervolgens op de schermtoets met de pijl naar links.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 38 • Auto High Beams (automatisch grootlicht) "SmartBeam™" (voor bepaalde uitvoeringen/ landen) Druk op de schermtoets Auto High Beams (automatisch grootlicht) om dit scherm te veranderen. Wanneer u deze functie selecteert, zal het grootlicht onder bepaalde omstandigheden automatisch uitgeschakeld worden.
• Remote Door Unlock Order (Volgorde van portieren ontgrendelen met afstandsbediening) (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Druk op de schermtoets Remote Door Unlock Order (Volgorde van portieren ontgrendelen met afstandsbediening) om dit scherm te veranderen. Als u Unlock Driver Door Only On 1st Press (alleen bestuurdersportier na eerste keer drukken ontgrendelen) selecteert, wordt alleen het bestuurdersportier ontgrendeld bij de eerste druk op de ontgrendeltoets op de afstandsbediening.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 40 Stoelverwarming (voor bepaalde uitvoeringen/landen) • Auto Heated Seats (Automatische stoelverwarming) (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Druk op de schermtoets Auto Heated Seats (automatische stoelverwarming) om dit scherm te veranderen.
Compass Settings (instellingen van kompas) • Variance (afwijking) (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Druk op de schermtoets Variance (afwijking) om dit scherm te veranderen. De kompasafwijking is het verschil tussen het magnetische noorden en het geografische noorden. Ter compensatie van de verschillen moet de kompasafwijking aan de hand van de zonekaart worden ingesteld voor de zone waarin de auto wordt gebruikt.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 42 • Calibration (Kalibratie) (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Druk op de knop Calibration om deze instelling te veranderen. Het kompas is zelfijkend, zodat u het niet handmatig hoeft te resetten. Mogelijk geeft het kompas onjuiste waarden weer wanneer de auto nieuw is. In dat geval geeft het EVIC het bericht CAL weer totdat het kompas is gekalibreerd.
Telefoon / Bluetooth® Display (scherm) • Gekoppelde apparaten Deze functie toont welke telefoons zijn gekoppeld aan het telefoon/Bluetooth® systeem. Raadpleeg voor meer informatie de aanvullende handleiding van Uconnect®. • Display Mode (schermmodus) (voor bepaalde uitvoeringen/landen) In dit scherm kunt u een van de automatische scherminstellingen selecteren. Om de status van de modus te veranderen drukt u op de schermtoets Day (Dag), Night (Nacht) of Auto en laat deze weer los.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 44 • Set Language (Taal instellen) (voor bepaalde uitvoeringen/landen) In dit scherm kunt u een van de drie talen voor de schermweergave selecteren, met inbegrip van de ritfuncties en het navigatiesysteem (voor bepaalde uitvoeringen/landen).
• Uren instellen Wanneer u toegang tot dit scherm hebt kunt u de weergegeven tijd veranderen. Druk, om uw keuze te maken, op de schermtoets Set Time (Tijd instellen), stel de uren in met de schermtoetsen up (omhoog) en down (omlaag) en druk vervolgens op de schermtoets met de pijl naar links wanneer alle keuzes zijn gemaakt. • Minuten instellen Wanneer u toegang tot dit scherm hebt kunt u de weergegeven tijd veranderen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 46 • Hill Start Assist (voor bepaalde uitvoeringen/ landen) Wanneer deze functie is geselecteerd, is het Hill Start Assist (HSA) systeem actief. Raadpleeg de paragraaf "Elektronische remregeling" in het hoofdstuk "Starten en rijden" voor informatie over de werking en bediening van het systeem. Druk, om uw keuze te maken, op de schermtoets Hill Start Assist.
naar beneden gericht en worden afgestemd op links- of rechtsrijdend verkeer om verblinding zoveel mogelijk te voorkomen. • Flash Headlights with Lock (Knipperen bij vergrendelen) (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Wanneer deze functie geselecteerd is, knipperen de richtingaanwijzers voor en achter wanneer u de portieren vergrendelt of ontgrendelt via de afstandsbediening. Druk, om uw keuze te maken, op de schermtoets Flash Headlights with Lock (Knipperen bij vergrendelen).
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 48 OPMERKING: Wanneer de auto is uitgerust met Keyless Enter-N-Go™ (Passive Entry) en het EVIC is geprogrammeerd om alle portieren na eenmaal drukken te ontgrendelen, dan zullen alle portieren worden ontgrendeld, ongeacht welke portierhandgreep wordt vastgepakt.
Compass Settings (instellingen van kompas) • Variance (afwijking) (voor bepaalde uitvoeringen/landen) De kompasafwijking is het verschil tussen het magnetische noorden en het geografische noorden. Ter compensatie van de verschillen moet de kompasafwijking aan de hand van de zonekaart worden ingesteld voor de zone waarin de auto wordt gebruikt. Nadat u het kompas correct heeft ingesteld, worden de verschillen automatisch gecompenseerd, zodat de nauwkeurigheid van de kompasrichting optimaal is.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 50 • Perform Compass Calibration (kompaskalibratie uitvoeren) (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Druk op de knop Calibration om deze instelling te veranderen. Het kompas is zelfijkend, zodat u het niet handmatig hoeft te resetten. Mogelijk geeft het kompas onjuiste waarden weer wanneer de auto nieuw is.
STOELEN De stoelen vormen een belangrijk onderdeel van het beveiligingssysteem voor inzittenden van de auto. WAARSCHUWING! • Het is gevaarlijk om tijdens het rijden personen te vervoeren in de laadruimte. Bij een ongeval lopen personen in deze ruimte een groter risico op ernstig of dodelijk letsel. • Vervoer geen personen in een ruimte van de auto die niet is voorzien van stoelen en veiligheidsgordels. Bij een ongeval lopen personen in deze ruimte een groter risico op ernstig of dodelijk letsel.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 52 De stoel naar voren of naar achteren verstellen De stoel kan zowel naar voren als naar achteren worden versteld. Druk de stoelschakelaar naar voren of naar achteren om de stoel in de richting van de schakelaar te verstellen. Laat de schakelaar los zodra de gewenste stand is bereikt. De stoel omhoog of omlaag verstellen U kunt de hoogte van de stoel verstellen.
ELEKTRISCHE LENDENSTEUN (voor bepaalde uitvoeringen/landen) De schakelaar voor de elektrisch verstelbare lendensteun bevindt zich aan de buitenzijde van de bestuurdersstoel. Druk de schakelaar naar voren om meer lendensteun in te stellen. Druk de schakelaar naar achteren om minder lendensteun in te stellen. Druk de schakelaar omhoog of omlaag om de positie van de lendensteun te verhogen of te verlagen. (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD Uitvoeringen met Uconnect® 4.3: Druk de toets CLIMATE (aan de linkerzijde van het Uconnect® scherm) om het bedieningsscherm van de klimaatregeling te openen. Uitvoeringen met Uconnect® 8.4 en 8.4 Nav: Kies de schermtoets "Controls" (bedieningselementen) op het Uconnect® scherm. (afb.
Kies eenmaal de schermtoets onder "Driver" (bestuurder) of "Passenger" (passagier) om een hoge verwarmingsstand (HI) te kiezen. Kies de schermtoets een tweede maal om de LO-level verwarming te selecteren. Kies de schermtoets een derde maal om de verwarmingselementen uit te schakelen (OFF). (afb. 23) OPMERKING: Zodra u een stand hebt geselecteerd, voelt u na twee tot vijf minuten dat de stoel warm wordt.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES WAARSCHUWING! • Het verstellen van een stoel tijdens het rijden kan gevaarlijk zijn. Het verstellen van een stoel tijdens het rijden kan ertoe leiden dat u de macht over het stuur verliest en een aanrijding met ernstig of zelfs dodelijk letsel veroorzaakt.
HOOGTEVERSTELLING BESTUURDERSSTOEL De hendel voor de hoogteverstelling bevindt zich aan de buitenzijde van de stoel. Breng de hendel naar boven om de zitting te verhogen. Breng de hendel naar beneden om de zitting te verlagen. De hoogteverstelling van de stoel bedraagt in totaal circa 55 mm. (afb. 26) neel in de auto passen). De neerklapbare rugleuning heeft ook een hard oppervlak dat u kunt gebruiken als uw werkvlak als de stoel wordt neergeklapt en het voertuig niet in beweging is. (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD HOOFDSTEUNEN Hoofdsteunen zijn ontworpen om het risico van letsel te verlagen door de bewegingsvrijheid van het hoofd te beperken tijdens aanrijdingen van achteren. De hoofdsteunen moeten zodanig worden afgesteld, dat de bovenkant van uw oor zich onder de bovenkant van de hoofdsteun bevindt.
Voor een comfortabele positie kan de actieve hoofdsteun naar voren en naar achteren worden gekanteld. Als u de hoofdsteun dichter naar uw achterhoofd wilt kantelen, trekt u de onderkant van de hoofdsteun naar voren. Druk de onderkant van de hoofdsteun naar achteren om de hoofdsteun van uw hoofd af te duwen. (afb. 29) (afb. 30) OPMERKING: • De hoofdsteunen mogen uitsluitend door bevoegde monteurs worden verwijderd en alleen voor onderhoudswerkzaamheden.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES WAARSCHUWING! • Leg geen voorwerpen zoals jassen, stoelhoezen of draagbare dvd-spelers over de hoofdsteunen. Deze voorwerpen kunnen bij botsingen de werking van de actieve hoofdsteunen belemmeren en leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel. • Actieve hoofdsteunen kunnen geactiveerd worden als ze geraakt worden, bijvoorbeeld door een hand, voet of losse voorwerpen.
WAARSCHUWING! Rijden in een voertuig zonder hoofdsteunen of met hoofdsteunen die niet goed zijn afgesteld kan leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel in geval van een botsing.Voordat u met de auto gaat rijden moet u de hoofdsteunen controleren. De hoofdsteunen mogen nooit worden versteld tijdens het rijden. DERDE ZITRIJ (uitvoeringen voor zeven passagiers) Deze hoofdsteunen zijn niet verstelbaar en kunnen niet worden verwijderd. Ze kunnen echter wel naar voren worden geklapt als ze niet in gebruik zijn.
UW AUTO Stoel neerklappen 4. Klap de rugleuning langzaam neer. 1. De regelhendel bevindt zich onder aan de portierzijde van de stoel. (afb. 32) Stoel opklappen Klap de rugleuning op en zorg dat deze vergrendeld is. 2. Oefen met één hand op de rugleuning lichte druk uit. VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN 3. Licht de regelhendel met de andere hand omhoog zodat de rugleuning iets naar voren beweegt en laat dan de hendel los.
WAARSCHUWING! Het is gevaarlijk om tijdens het rijden een stoel in te stellen. Door een plotselinge beweging van de stoel zou u de controle over de auto kunnen verliezen. De veiligheidsgordel dan is wellicht niet goed afgesteld waardoor u letsel kunt oplopen.Verstel de stoelen alleen als de auto is geparkeerd. Rugleuning verstellen De verstelhendel bevindt zich aan de buitenzijde van de stoel.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN WAARSCHUWING! • Het is gevaarlijk om tijdens het rijden een stoel in te stellen. Door een plotselinge beweging van de stoel zou u de controle over de auto kunnen verliezen. De veiligheidsgordel dan is wellicht niet goed afgesteld waardoor u letsel kunt oplopen.Verstel de stoel alleen als de auto is geparkeerd. • Rijd nooit met de rugleuning zo schuin ingesteld dat de schoudergordel niet meer tegen uw borstkas rust.
WAARSCHUWING! Houd de gesp schoon en vrij van obstakels en zorg ervoor dat de rugleuning/ armsteun stevig is vergrendeld. Anders is de zitting niet voldoende stabiel voor kinderzitjes en/of de andere inzittenden. Een instabiele zitting kan leiden tot ernstig letsel. UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Stadium Tip 'n Slide™ (Easy Entry/Exit Seat) — uitvoeringen voor zeven passagiers Met deze functie kunnen de passagiers van de derde zitrij makkelijk in - en uitstappen aan beide zijden van het voertuig.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN OPMERKING: Aan de voorkant van het bekledingspaneel naast de portieropening bevindt zich een handgreep om het in- en uitstappen voor passagiers op de derde zitrij te vereenvoudigen. WAARSCHUWING! Rijd niet met de stoel in deze stand, omdat deze stand alleen bedoeld is om het in- en uitstappen voor passagiers op de derde zitrij te vergemakkelijken. Als u deze waarschuwing niet opvolgt, kan dit ernstig letsel tot gevolg hebben.
Rugleuning neerklappen Trek de ontgrendellus, die zich boven aan de rugleuning bevindt, omhoog, duw de rugleuning enigszins naar voren en laat de lus los. Blijf de rugleuning naar voren drukken. Als de rugleuning naar voren kantelt worden de hoofdsteunen automatisch neergeklapt. (afb. 38) Rugleuning opklappen Neem de hulpriem op de rugleuning vast en trek deze naar u toe om de rugleuning omhoog te brengen. Ga door met de rugleuning op te heffen totdat deze op zijn plaats vastklikt.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN WAARSCHUWING! • Controleer of de rugleuning stevig is vergrendeld.Anders biedt de stoel onvoldoende stabiliteit voor de passagiers. Een instabiele zitting kan leiden tot ernstig letsel. • Laat nooit iemand meerijden op de derde zitrij, tenzij de hoofdsteun is opgeklapt en vergrendeld. Als aan deze waarschuwing geen gehoor wordt gegeven, kan dit bij een ongeval lichamelijk letsel tot gevolg hebben.
Om de stuurkolom te ontgrendelen drukt u de bedieningshendel naar beneden. Om de stuurkolom in de hoogte te verstellen beweegt u het stuur omhoog of omlaag naar de gewenste positie. Om de stuurkolom in de lengte te verstellen trekt u het stuur naar buiten of duwt u het naar binnen naar de gewenste positie. Om de stuurkolom op zijn plaats te vergrendelen trekt u de bedieningshendel naar boven tot deze klikt. WAARSCHUWING! Verstel het stuur niet tijdens het rijden.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN (afb. 41) Schermtoets Controls (bedieningselementen) SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD (afb. 42) Schermtoets Heated Steering Wheel 70 WAARSCHUWING! • Personen die geen pijn op de huid kunnen voelen als gevolg van ouderdom, chronische ziekte, diabetes, rugletsel, medicatie, alcoholgebruik, uitputting of een andere lichamelijke conditie, moeten voorzichtig zijn bij het gebruik van de stoelverwarming.
SPIEGELS BINNENSPIEGEL MET DAG/NACHTSTAND Via een dubbel scharniersysteem kunt u de spiegel horizontaal en verticaal verstellen. Stel de spiegel zo in dat u door het midden van de achterruit kijkt. U kunt hinderlijke weerspiegeling van koplampen verminderen door het bedieningshendeltje onder de spiegel in de nachtstand te zetten (hendel naar de achterkant van de auto gekanteld). Stel de spiegel af terwijl deze in de dagstand staat (naar de voorruit toe). (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES BUITENSPIEGELS Voor een optimaal resultaat dient u de spiegels zo af te stellen dat u de naastliggende rijbaan goed in het zicht hebt en er tevens een geringe overlapping is met het zicht in de binnenspiegel. OPMERKING: Het bolle oppervlak van de buitenspiegel aan de passagierszijde biedt een veel bredere kijkhoek met name op de rijbaan naast uw auto.
OPMERKING: Een lampje in de knop geeft dan aan dat de spiegel is geactiveerd en kan worden versteld. ELEKTRISCH INKLAPBARE SPIEGELS (voor bepaalde uitvoeringen/landen) De schakelaar voor de elektrische inklapbare spiegels bevindt zich tussen de spiegelschakelaars L (links) en R (rechts). Druk eenmaal op de schakelaar om de spiegels in te klappen en druk nogmaals op de schakelaar om de spiegels naar de normale rijstand terug te klappen.
UW AUTO VEILIGHEID "Schuifstangfunctie" zonneklep (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Met deze functie zijn er meer standen mogelijk om de zon te weren met de zonneklep. 1. Klap de zonneklep naar beneden. 2. Neem de zonneklep van de klem in het midden af. STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 74 3. Trek de zonneklep in de richting van de achteruitkijkspiegel om het zonwerende vlak te vergroten.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN (afb. 49) Uconnect® 4.3 Manual 3 - Zoneregeling (temperatuurregeling) - Schermtoetsen (afb. 47) WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD (afb. 50) (afb. 48) Handbediende temperatuurregeling - toetsen Uconnect® 8.
Beschrijving van de toetsen en schermtoetsen UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 76 1. Knop MAX A/C Druk kort op deze knop om de huidige instelling te wijzigen. Het indicatielampje brandt wanneer MAX A/C is ingeschakeld. Als u nogmaals op deze knop drukt, schakelt de functie MAX A/C naar de handmatige modus en gaat het indicatielampje MAX A/C uit. 2.
Het negeren van de volgende waarschuwingen kan leiden tot schade aan de verwarmingselementen: • Wees voorzichtig bij het wassen van de binnenkant van de achterruit. Gebruik geen schurende schoonmaakmiddelen om de binnenzijde van de ruit te reinigen. Gebruik een zachte doek en een mild schoonmaakmiddel en wrijf evenwijdig aan de verwarmingselementen. U kunt stickers verwijderen met warm water.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN 10. Aanjagerschakelaar De aanjagerschakelaar wordt gebruik om de hoeveelheid lucht te regelen, die door het klimaatsysteem stroomt. Er zijn zeven aanjagerstanden. Als u het aanjagertoerental wijzigt, schakelt het systeem van automatische werking naar handmatige bediening.
• Gemengde stand De lucht stroomt via de vloeropeningen, ontdooiroosters en de roosters voor ontwaseming van de zijramen. Deze stand kunt u het beste gebruiken bij koud weer of sneeuw. 12. Toets klimaatregeling aan/uit Druk op deze toets om de klimaatregeling in of uit te schakelen. 13. Knop temperatuurverlaging bestuurder (alleen Uconnect® 8.4) Biedt de bestuurder een onafhankelijke temperatuurregeling. Druk op deze knop om de ingestelde temperatuur te verlagen.
OPMERKING: UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 80 • Als het systeem bij handmatige klimaatregeling in de stand Mengen, Vloer of Ontdooien/ontwasemen staat, kan de A/C worden uitgeschakeld, maar blijft het aircosysteem actief om te voorkomen dat de ruiten beslaan. • Wanneer zich wasem of condens vormt op de voorruit of zijramen, kiest dan de ontdooistand en verhoog het aanjagertoerental.
Handbediende temperatuurregeling achterin (MTC) (voor bepaalde uitvoeringen/landen) • Als u wilt terugkeren naar het scherm voor regeling voorin, drukt u nogmaals op de knop "REAR". Als u niet op deze toets drukt, wordt dit scherm na zes seconden automatisch getoond. Het MTC-systeem achterin heeft luchtroosters in de vloer rechtsachter de 3e zitrij en luchtroosters boven beide buitenste zitplaatsen achterin.
Achterin geblokkeerd UW AUTO VEILIGHEID • Wanneer op de schermtoets Rear Temperature Lock (Temperatuurregeling achterin blokkeren) op het Uconnect® aanraakscherm wordt gedrukt, wordt op het scherm achterin een verlicht vergren- Achterin geblokkeerd WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 82 • De passagiers achterin kunnen de regelknoppen achterin alleen bedienen wanneer de knop Rear Temperature Lock is uitgezet.
AANJAGERKNOP ACHTERIN U kunt de aanjagerknop achterin handmatig instellen op de stand "off" of op elke gewenste aanjagersnelheid door de knop van laag naar hoog te draaien. Zo kunnen de passagiers achterin de luchthoeveelheid regelen die naar het achtercompartiment van de auto wordt gevoerd. Lucht stroomt het automatische luchtregelsysteem achterin via een inlaatrooster binnen. Dit rooster bevindt zich aan de rechterzijde in het bekledingspaneel.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD REGELKNOP LUCHTDISTRIBUTIE ACHTERIN • Dakbekleding stand Er komt lucht naar binnen via de ventilatieroosters in de dakbekleding. U kunt deze roosters afzonderlijk verstellen om zo de luchtstroming te regelen. Als de lamellen van de roosters naar één kant worden gezet, wordt de luchtstroom onderbroken. • Stand Twee niveaus Er stroomt lucht naar binnen via de dakventilatieroosters en de vloerroosters.
Beschrijving van de toetsen en schermtoetsen (afb. 55) Automatische temperatuurregeling — toetsen 1. Knop MAX A/C Druk kort op deze knop om de huidige instelling te wijzigen. Het indicatielampje brandt wanneer MAX A/C is ingeschakeld. Als u nogmaals op deze knop drukt, schakelt de functie MAX A/C naar de handmatige modus en gaat het indicatielampje MAX A/C uit. UW AUTO 2. A/C-knop Druk kort op deze knop om de huidige instelling te wijzigen. Het indicatielampje brandt wanneer A/C is ingeschakeld.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 86 3. Recirculatieknop Druk kort op deze knop om de huidige instelling te wijzigen. Het indicatielampje brandt wanneer de functie is ingeschakeld. 4. Knop AUTO Regelt automatisch de interieurtemperatuur door de luchtverdeling en de luchthoeveelheid in te stellen.
8. Knop temperatuurverhoging passagiers Biedt de passagiers een onafhankelijke temperatuurregeling. Druk op deze toets om de ingestelde temperatuur te verhogen. OPMERKING: Als in de modus Sync op deze knop wordt gedrukt, wordt deze modus automatisch afgesloten. 9. Knop temperatuurverlaging passagiers Biedt de passagiers een onafhankelijke temperatuurregeling. Druk op deze knop om de ingestelde temperatuur te verlagen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 88 12. Standen De luchtverdeling kan zo worden ingesteld dat lucht vanuit de luchtroosters in het instrumentenpaneel, de vloerroosters, de ontwasemingsroosters en de ontdooiroosters stroomt. De volgende standen zijn beschikbaar: • Ventilatie instrumentenpaneel Er komt lucht naar binnen via de roosters in het instrumentenpaneel.
13. Toets klimaatregeling aan/uit Druk op deze toets om de klimaatregeling in of uit te schakelen. 14. Knop temperatuurverlaging bestuurder Biedt de bestuurder een onafhankelijke temperatuurregeling. Druk op deze knop om de ingestelde temperatuur te verlagen. OPMERKING: In de modus Sync regelt deze knop tegelijkertijd ook automatisch de temperatuurregeling aan passagierszijde. 15. Knop temperatuurhoging bestuurder Biedt de bestuurder een onafhankelijke temperatuurregeling.
MAX A/C UW AUTO Met MAX A/C wordt maximaal gekoeld. VEILIGHEID Druk kort op de knop om te schakelen tussen MAX A/C en de voorgaande instellingen. De schermtoets gaat branden wanneer MAX A/C is ingeschakeld (ON). STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 90 De gebruiker kan in de modus MAX A/C het gewenste aanjagertoerental en de gewenste stand kiezen.
3. Nadat de gewenste temperatuur is ingesteld, hoeft u de instellingen niet meer te wijzigen. U ervaart het meeste gebruiksgemak wanneer u het systeem automatisch laat werken. Handmatige bediening Met het systeem kunt u ook handmatig het aanjagertoerental, de luchtverdeling, de airco en de recirculatie bedienen. OPMERKING: Het aanjagertoerental kan op elke gewenste constante waarde worden ingesteld met de aanjagerschakelaar.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN Automatische temperatuurregeling achterin (ATC) (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Het ATC systeem achterin heeft luchtroosters in de vloer rechtsachter de 3e zitrij en luchtroosters boven beide buitenste zitplaatsen van de 3e zitrij. Het systeem voert warme lucht toe via beide vloeropeningen of koele, gedroogde lucht via de ventilatieroosters in de dakbekleding.
Ga als volgt te werk om de instellingen voor de klimaatregeling achterin te wijzigen: • Druk op de knop "REAR" om de bediening van de klimaatregeling achterin te activeren. Het scherm voor regeling achterin (zie volgende afbeelding) wordt weergegeven. Met de regelfuncties kunt u nu de klimaatregeling achterin bedienen. • Als u wilt terugkeren naar het scherm voor regeling voorin, drukt u nogmaals op de knop "REAR". Als u niet op deze toets drukt, wordt dit scherm na zes seconden automatisch getoond. (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Het ATC-systeem achterin bevindt zich in de hemelbekleding in het midden van de auto. (afb. 60) • De ATC wordt geselecteerd door de aanjagerknop achterin linksom te draaien naar de stand AUTO. • Druk op de knop Rear Temperature Lock (Blokkering temperatuur achterin) op het Uconnect® aanraakscherm. Hierdoor wordt het pictogram "Temperatuur achterin geblokkeerd" in de temperatuurregelknop achterin uitgeschakeld.
Lucht stroom het automatische luchtregelsysteem achterin via een inlaatrooster binnen. Dit rooster bevindt zich aan de rechterzijde in het bekledingpaneel achter de derde zitrij. De roosters achterin zijn aangebracht in het rechter bekledingspaneel van de derde zitrij. Zorg dat u het luchtinlaatrooster of de ventilatieroosters niet blokkeert door voorwerpen of anderszins. Het elektrisch systeem kan zo overbelast raken en de aanjagermotor beschadigen.
Aanwijzingen voor bediening UW AUTO OPMERKING: Zie de tabel aan het eind van dit hoofdstuk voor de juiste instellingen voor de verschillende weersomstandigheden. VEILIGHEID Rijden in de zomer Het motorkoelsysteem moet worden beschermd met een koelvloeistof met antivries van uitstekende kwaliteit om een goede bescherming te bieden tegen roestvorming en oververhitting van de motor. Een oplossing van 50% OAT (Organic Additive Technology) koelvloeistof die voldoet aan de kwalificatie Fiat 9.
Luchtinlaat aan buitenzijde Aircoluchtfilter Zorg dat de luchtinlaat, direct vóór de voorruit, niet Het klimaatregelsysteem filtert stof, pollen en somwordt verstopt door achtergebleven bladeren e.d. mige geuren uit de buitenlucht. Sterke stank kan niet Wanneer bladeren achterblijven in de luchtinlaat wordt volledig worden gefilterd.
VERLICHTING UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN KOPLAMPSCHAKELAAR De koplampschakelaar bevindt zich links van het instrumentenpaneel. Met deze schakelaar bedient u de koplampen, de parkeerlichten, de instrumentenverlichting, het dimmen van de instrumentenverlichting, de interieurverlichting en de mistlampen. (afb. 62) Draai de koplampschakelaar rechtsom naar de eerste klikstand om de parkeerlichten en de instrumentenverlichting te bedienen.
KOPLAMPEN AAN BIJ INGESCHAKELDE RUITENWISSERS (ALLEEN BESCHIKBAAR IN COMBINATIE MET AUTOMATISCHE KOPLAMPEN) Als deze functie is ingeschakeld en de koplampschakelaar in de stand AUTO is gezet, gaan de koplampen na ongeveer 10 seconden branden nadat de ruitenwissers zijn ingeschakeld. Wanneer de koplampen via deze functie zijn ingeschakeld, gaan ze uit wanneer u de ruitenwissers uitschakelt.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN MISTLAMPEN VÓÓR EN MISTACHTERLICHTEN (voor bepaalde uitvoeringen/landen) De schakelaar voor de mistlampen vóór en de mistachterlichten is geïntegreerd in de koplampschakelaar. (afb. 63) blijven aan). Druk de schakelaar een derde keer in om de mistachterlichten uit te schakelen (mistkoplampen blijven aan). Druk de schakelaar een vierde keer in om de mistkoplampen uit te schakelen.
RICHTINGAANWIJZERS Beweeg de multifunctionele hendel op of neer om te controleren of de pijlen aan beide zijden van de instrumentengroep gaan knipperen, wat betekent dat de richtingaanwijzers voor en achter naar behoren werken. OPMERKING: • Als een van de lampjes blijft branden en niet knippert, of als een van de lampjes zeer snel knippert, controleer dan aan de buitenzijde van de auto of een lamp defect is.
UW AUTO DIMSCHAKELAARS De dimschakelaar maakt deel uit van de koplampschakelaar en bevindt zich aan de linkerzijde van het instrumentenpaneel. (afb. 65) VEILIGHEID Door bij ingeschakelde parkeerlichten of koplampen de linker dimschakelaar naar boven te draaien neemt de intensiteit van de instrumentenverlichting toe. STARTEN EN RIJDEN INTERIEURVERLICHTING INSTELLEN Draai de dimschakelaar helemaal omhoog naar de tweede klikstand om de interieurverlichting in te schakelen.
Bediening: draai de schakelaar voor het verstellen van de koplampen tot het nummer dat overeenstemt met de in de onderstaande tabel aangegeven belasting oplicht op de schakelaar. 0 Alleen bestuurder, of bestuurder en voorpassagier. Bestuurder, en een gelijkmatig verdeelde lading in de bagageruimte. Het totale 1 gewicht van bestuurder plus lading blijft beneden het maximale laadgewicht van de auto. Alle zitplaatsen bezet, en een gelijkmatig verdeelde lading in de bagageruimte.
RUITENWISSERS EN -SPROEIERS UW AUTO VEILIGHEID De bedieningshendel voor de ruitenwissers/sproeier bevindt zich links van de stuurkolom. (afb. 66) De voorruitwissers worden bediend met een schakelaar op het uiteinde van de hendel te draaien. Raadpleeg “Functies achterruit” voor meer informatie over het gebruik van de achterruitwisser/-sproeier.
OPMERKING: De intervaltijd tussen wisslagen is afhankelijk van de voertuigsnelheid. Als de auto langzamer rijdt dan 16 km/u wordt de intervaltijd verdubbeld. BEDIENING VAN RUITENWISSERS VOORRUIT Draai het uiteinde van de hendel naar boven tot de eerste stand voorbij de intervalstand voor langzame wisbewegingen. Draai voor snelle wisbewegingen het uiteinde van de hendel naar boven tot de tweede stand voorbij de intervalstand. (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 106 RUITENSPROEIERS Druk de ruitenwisserschakelaar op het uiteinde van de multifunctionele schakelaar tot de tweede stand in om de ruitensproeiers in te schakelen.
KOPLAMPSPROEIERS (voor bepaalde uitvoeringen/landen) De koplampsproeiers zijn verzonken in de bovenkant van het spatbord, in het midden onder de koplamp. Met de bedieningshendel voor de ruitenwissers/ sproeiers bedient u de koplampsproeiers als de contactschakelaar in de stand ON staat en de koplampen zijn ingeschakeld. De hendel bevindt zich aan de linkerzijde van de stuurkolom.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN Draai de schakelaar tot voorbij de eerste stand om de achterruitsproeier in te schakelen. De ruitensproeierpomp blijft werken zolang u de schakelaar in deze stand houd. Na loslaten maakt de ruitenwisser nog drie wisbewegingen en keert vervolgens in de ruststand terug. (afb. 70) Als de achterruitwisser is ingeschakeld wanneer het contactslot in de stand LOCK wordt gezet, keert de ruitenwisser automatisch in de ruststand terug.
achterruitverwarming is ingeschakeld. De achterruitverwarming wordt na ongeveer 10 minuten automatisch uitgeschakeld. CRUISECONTROL OPMERKING: Gebruik de achterruitverwarming uitsluitend wanneer de motor draait, om ontladen van de accu te voorkomen. (afb. 71) Het negeren van de volgende waarschuwingen kan leiden tot schade aan de verwarmingselementen: • Wees voorzichtig bij het wassen van de binnenkant van de achterruit.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 110 INSCHAKELEN Druk op de knop ON/OFF. Het indicatielampje van de cruisecontrol gaat branden in de instrumentengroep. Druk nogmaals op de knop ON/OFF om het systeem uit te schakelen. Het indicatielampje van de cruisecontrol gaat uit. Het systeem moet worden uitgeschakeld wanneer het niet wordt gebruikt.
Als u eenmaal op de knop RES (+) drukt, wordt de ingestelde snelheid verhoogd met 1,6 km/u. Telkens wanneer u opnieuw kort op de knop drukt, wordt de snelheid met 1,6 km/u verhoogd. Als u de snelheid wilt verlagen terwijl de cruisecontrol is ingesteld, drukt u op de knop SET (-). Als u de knop SET (-) ingedrukt houdt, wordt de ingestelde snelheid continu verlaagd totdat u de knop loslaat. Laat de knop los zodra de gewenste snelheid is bereikt. De nieuwe snelheid zal vervolgens worden ingesteld.
DAKCONSOLE UW AUTO VEILIGHEID De dakconsole bevat de interieurverlichting, leeslampjes, een bergvakje voor zonnebrillen, een observatiespiegel en een schakelaar voor het optionele, elektrisch bedienbare zonnedak. (afb. 72) STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN INTERIEURVERLICHTING/LEESLAMPJES De dakconsole is voorzien van twee lampjes voor de interieurverlichting. De verlichting gaat aan wanneer u een portier of de achterklep opent.
OPBERGVAKJE ZONNEBRIL Om het bergvakje te openen drukt u de reliëfstangen op het klepje van het bergvak in het midden van de console kort in, dan zwaait het klepje open. (afb. 74) OBSERVATIESPIEGEL INTERIEUR De bolle achteruitkijkspiegel biedt de bestuurder en de passagier voorin een breed zicht op de inzittenden achterin. Als u de observatiespiegel wilt gebruiken, drukt u op uitstekende staven van de klep voor het opbergvak, waarna u de klep loslaat om deze naar beneden te laten klappen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 114 SCHAKELAAR ELEKTRISCH BEDIENBAAR 'ZONNEDAK (voor bepaalde uitvoeringen/ landen) Raadpleeg “Elektrisch bedienbaar zonnedak" voor meer informatie. WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN De schakelaar voor de waarschuwingsknipperlichten bevindt zich in het schakelaarpaneel op het instrumentenpaneel boven de klimaatregelknoppen.
OPBERGRUIMTE UW AUTO HANDSCHOENENKASTJE Het handschoenenkastje bevindt zich aan de passagierszijde van het instrumentenpaneel. Trek aan de handgreep om het handschoenenkastje te openen. VEILIGHEID (afb. 76) OPBERGVAK IN VLOERCONSOLE In de vloerconsole bevindt zich een open opbergvak. STARTEN EN RIJDEN (afb. 77) OPBERGRUIMTE MIDDENCONSOLE Onder de armsteun van de middenconsole bevindt zich een opbergruimte. (afb. 78) WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN Trek de handgreep aan de voorzijde van de klep naar boven om de opbergruimte te openen. (afb. 79) WAARSCHUWING! Ga niet rijden met de auto als consolevak is geopend. Tijdens het rijden moeten mobiele telefoons, MP3-spelers en andere draagbare apparatuur zijn opgeborgen. Gebruik van deze apparatuur tijdens het rijden kan uw aandacht afleiden en ernstig of zelfs dodelijk letsel veroorzaken door ongevallen.
FLIP 'N STOW™ OPBERGRUIMTE IN VOORSTOEL PASSAGIERSZIJDE (voor bepaalde uitvoeringen/landen) De ontgrendelriem van de stoel bevindt zich in het midden tussen de zitting en de rugleuning. Trek de riem naar boven om het veerslot te ontgrendelen en daarna naar voren om de zitting open te zetten tot de klikstand. (afb. 81) OPMERKING: Zorg dat de voorwerpen in het opbergvak de grendel niet blokkeren voordat u de stoel dichtklapt.
UW AUTO KAARTENVAK EN BOODSCHAPPENNET TWEEDE ZITRIJ In de rugleuning van de bestuurdersstoel zijn een kaartenvak en boodschappennet aangebracht. (afb. 82) OPBERGVAK IN DE VLOER MET UITNEEMBARE BAK STARTEN EN RIJDEN OPMERKING: Zet de voorstoel midden op de rails zodat u makkelijk bij het opbergvak kunt. Dit opbergvak bevindt zich in de vloer achter de voorstoelen. Ieder opbergvak van 5,9 l kan 12 blikjes van 0,35 l bevatten plus ijs of andere voorwerpen.
De bak kan eenvoudig worden gereinigd door de bak, zoals is afgebeeld, aan de openingen op te tillen en hem te verwijderen. (afb. 84) ELEKTRISCHE AANSLUITCONTACTEN In de middenconsole onder de radio bevindt zich een aansluitcontact van 12 volt (13 amp). Op dit aansluitcontact staat spanning wanneer de contactschakelaar in de stand ON/RUN of ACC staat. (afb. 85) UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Dit aansluitcontact werkt ook als sigarettenaansteker. Om het verwarmingselement te sparen, mag de aansteker niet ingedrukt in de verwarmingstand worden gehouden. Aan de achterzijde van de middenconsole bevindt zich het derde aansluitcontact van 12 volt. Op dit aansluitcontact staat spanning wanneer de contactschakelaar in de stand LOCK, ON of ACC staat. (afb. 87) In het opbergvak in de middenconsole bevindt zich het tweede aansluitcontact van 12 volt (13 amp).
Op het linker bekledingspaneel van de bagageruimte bevindt zich het vierde aansluitcontact van 12 volt. Op dit aansluitcontact staat spanning wanneer de contactschakelaar in de stand ON of ACC staat. (afb. 88) • Zorg ervoor dat het maximumvermogen van 160 watt (13 amp) bij 12 volt niet wordt overschreden. Als het vermogen van 160Watt (13 amp) wordt overschreden zal de zekering, die het systeem beveiligt, vervangen moeten worden.
WAARSCHUWING! Ter voorkoming van ernstig of zelfs dodelijk letsel: • Sluit op de 12 volt-aansluitcontacten alleen apparaten aan die geschikt zijn voor dit type aansluitcontact. • Raak de aansluitcontacten niet aan met natte handen. • Zorg dat het klepje is gesloten tijdens het rijden en wanneer u het aansluitcontact niet gebruikt. • Onjuist gebruik van dit aansluitcontact kan leiden tot een elektrische schok en storing.
• Veel accessoires die u op de aansluitcontacten kunt aansluiten, ontvangen ook voedingsspanning van de accu in de auto als u ze niet gebruikt (bijv. mobiele telefoons). Als u de accessoires te lang aangesloten laat, raakt de accu zo ver ontladen dat de levensduur ervan afneemt en/of de motor niet meer zal starten. • Accessoires die veel vermogen vergen, zoals koelers, stofzuigers, lampen, enz., zullen de accu nog sneller ontladen. Gebruik deze met mate en wees extra voorzichtig.
UW AUTO Wanneer de armsteun is neergeklapt bevinden de bekerhouders zich in de hoofdsteun. De hoofdsteun kan worden versteld om de bekerhouders een betere plaats te geven. (afb. 91) Naast de bekerhouders kunnen sommige uitvoeringen zijn voorzien van flessenhouders. De flessenhouders bevinden zich in de portierpanelen. (afb. 92) VEILIGHEID Laat kinderen nooit alleen achter in de auto terwijl de sleutel in de contactschakelaar steekt.
ELEKTRISCH BEDIENBAAR ZONNEDAK (voor bepaalde uitvoeringen/landen) De schakelaar voor het elektrisch bedienbare zonnedak bevindt zich in de dakconsole tussen de zonnekleppen. (afb. 93) WAARSCHUWING! • Laat kinderen nooit zonder toezicht in de auto achter, en laat de sleutelhouder niet achter in of in de buurt van de auto, of op een voor kinderen bereikbare plaats. Laat het contact van auto's met Keyless Enter-N-Go™ niet in de modus ACC of ON/RUN staan.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 126 ZONNEDAK OPENEN — SNEL Als u de schakelaar naar achteren drukt en snel (binnen een halve seconde) loslaat, wordt het zonnedak automatisch vanuit iedere stand geopend. Het zonnedak wordt volledig geopend en stopt automatisch. Dit is de functie "Snel openen". De functie Snel openen zorgt dat bij iedere beweging van de schakelaar het zonnedak stopt.
BEDIENING VAN ZONWERING De zonwering kan handmatig worden geopend. De zonwering wordt echter ook automatisch geopend wanneer het zonnedak wordt geopend. ONDERHOUD VAN ZONNEDAK Gebruik voor het reinigen van het glaspaneel uitsluitend niet-schurende schoonmaakmiddelen en een zachte doek. OPMERKING: U kunt de zonwering niet sluiten als het zonnedak is geopend.
PORTIERVERGRENDELING UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN HANDMATIGE PORTIERVERGRENDELING Als u alle portieren wilt vergrendelen, drukt u de portiervergrendelknop op ieder bekledingspaneel omlaag. Als u de voorportieren wilt ontgrendelen, trekt u de binnenhandgreep in de eerste klikstand. Als u de achterportieren wilt ontgrendelen, trekt u de portiervergrendelknop op het bekledingspaneel omhoog. (afb.
WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Laat de sleutelhouder niet achter in of in de buurt van de auto, of op een voor kinderen bereikbare plaats, en laat het contact van een voertuig met Keyless Enter-N-Go™ niet in de modus ACC of ON/RUN staan. Een kind zou de knoppen van de elektrische raambediening of andere schakelaars kunnen bedienen of de auto in beweging kunnen zetten.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 130 Automatische portiervergrendelingen De automatische portiervergrendeling is standaard uitgeschakeld. Wanneer deze ingeschakeld is, worden de portieren automatisch vergrendeld zodra de rijsnelheid hoger is dan 24 km/u. De automatische portiervergrendeling kan door de erkende dealer in of buiten werking worden gesteld op schriftelijk verzoek van de klant.
KINDERSLOT — ACHTERPORTIEREN Voor de veiligheid van kleine kinderen die op de achterste zitplaatsen meerijden, zijn de achterportieren voorzien van een kinderslot. Activeren van het kinderslot 1. Open het achterportier. 2. Steek de punt van de noodsleutel (of een soortgelijk voorwerp) in het kinderslot en draai het slot naar de stand LOCK. (afb. 96) (afb. 97) 3. Herhaal stappen 1 en 2 voor het andere achterportier.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN OPMERKING: Het kinderslot uitschakelen • Controleer na het activeren van het kinderslot altijd of het portier niet van binnenuit kan worden geopend. 1. Open het achterportier. • Als u in een noodsituatie de auto moet verlaten terwijl het systeem is geactiveerd, trekt u de vergrendelknop omhoog naar de ontgrendelde stand, draait u de ruit omlaag en opent u het portier via de portiergreep aan de buitenzijde. 2.
KEYLESS ENTER-N-GO™ Ontgrendelen vanaf de bestuurderszijde: Het Passive Entry-systeem is een uitbreiding van het afstandsbedieningsysteem van de auto en een functie van Keyless Enter-N-Go™. Met deze functie kunt u portieren van uw auto vergrendelen en ontgrendelen zonder dat u op de vergrendel- en ontgrendelknoppen van de afstandsbediening hoeft te drukken.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 134 OPMERKING: Als "Unlock All Doors On 1st Press" (alle portieren ontgrendelen met één druk op de ontgrendelknop) is geprogrammeerd, worden alle portieren ontgrendeld wanneer u de handgreep van het bestuurdersportier vastpakt.
Als een van de autoportieren is geopend en de schakelaar in het bekledingspaneel wordt bediend om de auto af te sluiten, zal het voertuigsysteem na het sluiten van alle portieren controleren of er binnen of buiten de auto geldige afstandsbedieningen met Passive Entry aanwezig zijn.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD OPMERKING: RAMEN • Nadat u de vergrendelknop hebt ingedrukt, dient u twee seconden te wachten voordat u de portieren kunt vergrendelen of ontgrendelen met een Passive Entry-portiergreep. Op deze wijze kunt u door aan de portiergreep te trekken controleren of de auto is afgesloten, zonder dat de auto reageert en de portieren ontgrendelt.
OPMERKING: Bij auto's die zijn uitgerust met Uconnect®, blijven de schakelaars van de elektrisch bediende ramen nog maximaal 10 minuten werken nadat de contactschakelaar in de stand LOCK/OFF is gezet. Door het openen van een voorportier wordt deze functie uitgeschakeld. Deze tijd kan worden geprogrammeerd. Raadpleeg "Uconnect® instellingen" in "Uw auto" voor meer informatie. WAARSCHUWING! Laat nooit kinderen zonder toezicht in de auto achter.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD • Tijdens het automatisch sluiten kunnen schokken vanwege een slecht wegdek de automatische omkeringsfunctie tijdens het sluiten onverwachts activeren. Als dat gebeurt, trekt u de schakelaar iets omhoog tot aan het eerste drukpunt en houdt u de schakelaar vast om het raam handmatig te sluiten. WAARSCHUWING! De obstakeldetectie wordt uitgeschakeld wanneer het raam bijna gesloten is.
WINDGERUIS Windgeruis kan worden beschreven als het gevoel van druk op de oren, vergelijkbaar met het geluid van een helikopter. U ervaart dit windgeruis mogelijk wanneer de ramen zijn geopend of wanneer het zonnedak (voor bepaalde uitvoeringen/landen) geheel of gedeeltelijk is geopend. Dit is een normaal verschijnsel, dat tot een minimum kan worden beperkt. Als u last heeft van windgeruis bij geopende achterramen, open dan ook de voorramen om het effect te verminderen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWING! • Wanneer u met een geopende achterklep rijdt, kunnen giftige uitlaatgassen in de auto belanden. Deze dampen kunnen schadelijk zijn voor u en uw passagiers. Rijd alleen met gesloten achterklep. • Wanneer u toch met open achterklep moet rijden, zorg dan dat alle ramen gesloten zijn en dat de aanjager van de airco op de hoogste stand staat. Schakel de recirculatiestand niet in.
Om de zaklamp te gebruiken, moet u de schakelaar één keer indrukken voor veel licht, twee keer voor minder licht en drie keer om deze uit te schakelen. (afb. 107) BAGAGE-MANAGEMENTSYSTEEM OPMERKING: Zorg dat u de zaklamp terugzet in de oplader als deze niet in gebruik is om te zorgen dat hij altijd paraat is wanneer u deze nodig heeft. • Een hogere laadvloer die bovenop een grote ingebouwde opbergruimte ligt.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SYSTEEMFUNCTIES BIJ UITVOERINGEN VOOR ZEVEN PASSAGIERS SJORHAKEN BAGAGE • Een grote ingebouwde opbergruimte met een scharnierluik dat zich in de vloer bevindt achter de derde zitrij. WAARSCHUWING! De sjorlussen zijn geen veilige verankeringen voor de ankerband van een kinderzitje. Bij een noodstop of een aanrijding kan een sjorlus worden losgetrokken en kan het kinderzitje losraken.
WAARSCHUWING! Het gewicht en de positie van lading en inzittenden is van invloed op de locatie van het zwaartepunt van de auto en het weggedrag. Volg de onderstaande richtlijnen voor de belading van uw auto, om te voorkomen dat u de macht over het stuur verliest en letsel veroorzaakt: • Vervoer geen lading die zwaarder is dan het maximum laadgewicht zoals vermeld op de sticker op het linkerportier of op de linker middenstijl. • Verdeel bagage altijd gelijkmatig over de laadvloer.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Als het dekzeil niet wordt gebruikt, rolt deze netjes op in de behuizing. U kunt het dekzeil ook uit de auto nemen om meer ruimte te maken in de laadbak. Breng vervolgens de veerstang aan de tegenoverliggende kant van de dekzeilbehuizing in het bevestigingspunt aan de tegenoverliggende kant van de auto. Om het dekzeil te installeren legt u het in de auto met de platte kant van de behuizing naar boven gericht.
WAARSCHUWING! Een dekzeil dat niet is bevestigd aan de auto kan bij een aanrijding letsel veroorzaken. Het kan losschieten bij een noodstop en een inzittende treffen. Berg het dekzeil niet op in de bagageruimte of in het interieur.Verwijder het zeil uit de auto als dit wordt losgemaakt van de bevestiging. Berg het niet op in de auto. OPENEN EN SLUITEN VAN DE MOTORKAP UW AUTO Voor het openen van de motorkap moeten twee vergrendelingen worden vrijgezet. 1.
UW AUTO 2. Aan de buitenkant van het voertuig bevindt zich de veiligheidspal bij het midden van het rooster tussen rooster en motorkapopening. Duw de veiligheidspal naar rechts en til de motorkap op. (afb. 112) Houd de motorkap omhoog met de steunstang. Steek de bovenzijde van de steun in de opening links aan de onderzijde van de motorkap. (afb. 113) Om mogelijke schade te voorkomen: • U moet zorgen dat de steunstang van de motorkap goed is bevestigd in de houderklemmen voordat u de motorkap sluit.
WAARSCHUWING! Controleer voordat u gaat rijden of de motorkap goed vergrendeld is. Als de motorkap niet volledig vergrendeld is, kan hij opklappen tijdens rijden, waardoor uw zicht wordt belemmerd. Als u deze waarschuwing niet opvolgt, kan dit ernstig en zelfs dodelijk letsel tot gevolg hebben. IMPERIAAL (voor bepaalde uitvoeringen/landen) De zijrails op het dak van uw auto zijn NIET bestemd om lading te dragen zonder de montage van dwarsdragers.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 148 • Om schade aan het dak van de auto te voorkomen, mag u NOOIT bagage op uw imperiaal vervoeren zonder dat de dwarsdragers zijn aangebracht. De bagage moet op de dwarsdragers worden gezet en hieraan worden bevestigd, niet rechtstreeks op het dak zelf.
WAARSCHUWING! • Rijden met uw voet op het rempedaal is gevaarlijk en kan leiden tot een aanrijding. Rijden met uw voet op het rempedaal veroorzaakt abnormaal hoge remtemperaturen, verhoogt de slijtage van de remvoering en kan leiden tot schade aan het remsysteem.U beschikt dan in noodgevallen niet over het volledige remvermogen. • Rijden in een auto waarvan het waarschuwingslampje voor het remsysteem brandt, is gevaarlijk.De remwerking kan aanzienlijk afnemen of de auto wordt tijdens remmen minder stabiel.
ELEKTRONISCHE REMREGELING UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD Uw auto is uitgerust met een geavanceerde elektronische remkrachtregeling die gewoonlijk ESP wordt genoemd.
WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Pompend remmen heeft op het ABS-systeem een averechtse uitwerking. De effectieve remkracht wordt hierdoor verminderd en het risico van een ongeval neemt toe. Pompend remmen verlengt de remweg.Wanneer u moet afremmen of stoppen, trap dan alleen stevig het rempedaal in. • Met het ABS-systeem wordt niet voorkomen dat de auto onderworpen blijft aan de wetten van de natuur.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 152 REMASSISTENT (BAS) De remassistent (BAS) is ontworpen om de remwerking van de auto te optimaliseren tijdens noodremsituaties. Het systeem herkent een noodremsituatie aan de hand van de snelheid en kracht waarmee het rempedaal wordt ingetrapt en optimaliseert de remdruk dienovereenkomstig. Dit draagt bij aan een verkorting van de remweg. Het BAS vult het ABS aan.
kan de kans op het optillen van een wiel alleen verminderen tijdens zeer ernstige of ontwijkende rijmanoeuvres. Het systeem kan niet voorkomen dat het wiel wordt opgetild als gevolg van andere factoren, zoals de staat van de weg, het verlaten van de rijbaan of het raken van objecten of andere voertuigen. WAARSCHUWING! Er zijn veel factoren, zoals de belading van het voertuig en de weg- en rijomstandigheden, die ervoor kunnen zorgen dat een wiel wordt opgetild of het voertuig kantelt.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 154 WAARSCHUWING! (Vervolgd) • ESP kan geen ongelukken voorkomen, zeker geen ongelukken die worden veroorzaakt door te hoge snelheden in bochten, het rijden op zeer glad wegdek, of aquaplaning. ESP kan evenmin ongelukken voorkomen die het gevolg zijn van het verlies van de controle over het voertuig doordat het rijgedrag niet is aangepast aan de omstandigheden.
OPMERKING: Om de grip te verbeteren tijdens het rijden met sneeuwkettingen, bij het wegrijden in diepe sneeuw, zand of grind, kan het raadzaam zijn naar de stand "Gedeeltelijk uit" te schakelen door kort op de schakelaar "ESP uit" te drukken. Wanneer er geen reden meer is om de bedrijfsmodus "Partial Off" (Gedeeltelijk uit) te gebruiken, drukt u kort op de toets "ESP OFF". Dit is ook mogelijk tijdens het rijden.
OPMERKING: Voorwaarden voor activering van HSA UW AUTO • Het controle-/storingslampje ESP en het controlelampje "ESP uit" gaan altijd kort branden wanneer de contactschakelaar in de stand ON wordt gezet. HSA wordt geactiveerd als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: VEILIGHEID • Telkens wanneer de contactschakelaar in de stand ON wordt gezet, wordt het ESP-systeem ingeschakeld, ook wanneer dit eerder werd uitgeschakeld. • De auto moet op een helling van ongeveer 6% of meer staan.
Een aanhanger trekken met HSA HSA uitschakelen HSA helpt u tijdens het wegrijden op een helling terwijl u een aanhanger trekt. U kunt het HSA-systeem uitschakelen via de door de klant te programmeren functies in het elektronisch voertuiginformatiecentrum (EVIC). Raadpleeg voor meer informatie "Elektronisch voertuiginformatiecentrum (EVIC)" in "Uw auto". WAARSCHUWING! • Als u een aanhangerremregeling gebruikt op uw aanhanger, kunt u de remmen van uw aanhanger in- en uitschakelen met de remschakelaar.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 158 WAARSCHUWING! • TSC is niet in staat om het slingeren van alle aanhangers te stoppen. Ga tijdens het trekken van een aanhanger altijd voorzichtig te werk en volg de aanbevelingen voor het disselgewicht van de aanhanger. Raadpleeg “Trekken van een aanhanger” onder “Starten en rijden” voor meer informatie.
• Als u lange tijd blijft rijden met een brandend storingslampje (MIL), kan het emissieregelsysteem verder beschadigd raken. Het kan ook van invloed zijn op het brandstofverbruik en het rijgedrag. De auto vereist onderhoud om emissietests te kunnen uitvoeren. • Als het lampje knippert wanneer de motor draait, zal de katalysator vrij snel ernstig defect raken en zal het motorvermogen afnemen. Raadpleeg dan onmiddellijk uw dealer.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 160 WAARSCHUWING! Blijven rijden zonder optimale stuurbekrachtiging is onverstandig. U kunt zo de veiligheid van uzelf en anderen in gevaar brengen. Laat zo snel mogelijk onderhoud verrichten. Spoel het systeem van de stuurbekrachtiging niet met chemicaliën, omdat daardoor de onderdelen van de stuurbekrachtiging beschadigd kunnen raken.
BANDENSPANNINGSCONTROLESYSTEEM Het bandenspanningscontrolesysteem waarschuwt de bestuurder voor te lage bandenspanning op basis van de op de sticker vermelde bandenspanning. De bandenspanning varieert met de temperatuur, circa 0,07 bar voor elke 6,5 °C. Dat betekent dat de bandenspanning afneemt wanneer de buitentemperatuur daalt. De bandenspanning moet altijd worden gemeten en ingesteld wanneer de banden "koud" zijn.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 162 • Het bandenspanningscontrolesysteem is geoptimaliseerd voor de originele banden en wielen. De bandenspanning en waarschuwing van het bandenspanningscontrolesysteem zijn ingesteld voor de bandenmaat van uw auto.
BASISSYSTEEM Het bandenspanningscontrolesysteem maakt gebruik van draadloze technologie met op de velg gemonteerde elektronische sensoren die de bandenspanning meten. De sensors, die bij het ventiel op de velgen zijn gemonteerd, sturen informatie over de bandenspanning naar de ontvangstmodule. OPMERKING: Het is uiterst belangrijk dat u de spanning van alle banden van de auto maandelijks controleert en de banden zo nodig op de juiste spanning brengt.
OPMERKING: UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN 1. Het compacte reservewiel is niet voorzien van een spanningssensor. Daarom wordt de bandenspanning van het compacte reservewiel niet door het bandenspanningscontrolesysteem geregistreerd. 2. Als u het compacte reservewiel monteert in plaats van een wegband waarvan de spanning onder de waarschuwingsgrens ligt, klinkt er een geluidssignaal en gaat het bandenspanningslampje branden als de auto opnieuw wordt gestart. WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN 3.
met een snelheid van meer dan 25 km/u. Het geluidssignaal van het bandenspanningscontrolesysteem klinkt en het bandenspanningslampje knippert gedurende 75 seconden. PREMIUM SYSTEEM (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Het bandenspanningscontrolesysteem maakt gebruik van draadloze technologie met op de velg gemonteerde elektronische sensoren die de bandenspanning meten. De sensors, die bij het ventiel op de velgen zijn gemonteerd, sturen informatie over de bandenspanning naar de ontvangstmodule.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 166 Waarschuwing onderhoud bandenspanningscontrolesysteem Als een fout in het systeem wordt ontdekt, knippert het bandenspanningslampje gedurende 75 seconden en blijft het daarna branden. Bij een systeemstoring wordt ook een geluidssignaal weergegeven.
2. Als u het compacte reservewiel aanbrengt in plaats van een band met een spanning onder de waarschuwingsgrens, blijft het bandenspanningslampje branden en klinkt er een geluidssignaal wanneer u het contact uit en weer inschakelt. Daarnaast wordt de bandenspanningswaarde in de afbeelding in het EVIC met een andere kleur aangegeven. Het bericht "Inflate Tire to XXX" (band oppompen tot XXX) wordt ook weergegeven. 3.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 168 snelheid van meer dan 25 km/u. Het bandenspanningscontrolesysteem geeft een geluidssignaal en het waarschuwingslampje voor lage bandenspanning gaat gedurende 75 seconden knipperen, waarna het aanhoudend blijft branden.
PARKEERSENSOREN ACHTER (voor bepaalde uitvoeringen/landen) De parkeersensoren achter zorgen voor zichtbare en hoorbare aanwijzingen m.b.t. de afstand tussen de achterzijde van de auto en een gedetecteerd obstakel bij het achteruitrijden, bijvoorbeeld tijdens een parkeermanoeuvre. Raadpleeg "Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik van het parkeerhulpsysteem" voor de beperkingen van dit systeem en aanbevelingen.
UW AUTO PARKEERHULPSCHERM Als de versnellingsbak in de stand REVERSE (achteruit) staat, wordt het waarschuwingsscherm ingeschakeld en geeft het de systeemstatus weer. (afb. 115) (afb. 116) VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD (afb. 115) (afb.
Het systeem geeft een gedetecteerd obstakel aan met drie boogjes en laat gedurende een halve seconde een toon horen. Als de auto het object nadert, zal het EVIC-display minder bogen laten zien en de geluidstoon zal veranderen van langzaam naar snel tot ononderbroken. (afb. 117) (afb. 118) (afb. 119) UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN (afb. 118) Snelle toon NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD (afb. 117) (afb.
UW AUTO De auto is dichtbij het obstakel als het EVIC-display een knipperende boog laat zien en een ononderbroken toon laat horen.
ONDERHOUD VAN PARKEERSENSOREN ACHTER Wanneer tijdens het starten van de auto de parkeersensoren achter een storing hebben gedetecteerd, geeft het elektronisch voertuiginformatiecentrum (EVIC) eenmaal per contactcyclus een geluidssignaal, en wordt op het display het bericht "CLEAN PARK ASSIST" (parkeersensoren reinigen), "SERVICE PARK ASSIST" (parkeersensoren repareren) of "SERVICE PARK ASSIST SYSTEM" (laat parkeersensoren reinigen) weergegeven.
UW AUTO VOORZORGSMAATREGELEN VOOR GEBRUIK VAN DE PARKEERHULP OPMERKING: VEILIGHEID • Zorg ervoor dat de achterbumper vrij is van sneeuw, ijs, modder en vuil om te zorgen dat de parkeerhulp correct werkt. STARTEN EN RIJDEN • Drilboren, grote vrachtwagens en andere bronnen van trilling kunnen de werking van de parkeerhulp nadelig beïnvloeden.
• De parkeersensoren zijn uitsluitend bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren en zijn niet in staat ieder voorwerp, inclusief kleine obstakels, waar te nemen. Stoepranden worden mogelijk tijdelijk of helemaal niet gedetecteerd. Op kleine afstanden worden obstakels boven of onder de sensoren niet gedetecteerd. • Bij gebruik van de parkeersensoren moet u langzaam rijden, zodat u tijdig kunt stoppen wanneer een obstakel wordt gedetecteerd.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 176 PARKVIEW® ACHTERUITRIJCAMERA (voor bepaalde uitvoeringen/ landen) Als u uit de achteruitversnelling schakelt, wordt de achteruitrijcamera uitgeschakeld en wordt opnieuw het navigatie- of audioscherm weergegeven. Uw auto is mogelijk voorzien van een ParkView® achteruitrijcamera.
WAARSCHUWING! Bestuurders moeten altijd voorzichtig achteruit rijden, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van de ParkView® achteruitrijcamera. Controleer het gebied achter de auto altijd zorgvuldig, kijk naar achteren en wees bedacht op voetgangers,dieren,andere voertuigen,obstakels en dode hoeken, voordat u achteruitrijdt. U bent verantwoordelijk voor de veiligheid van uw omgeving en moet blijven opletten als u achteruitrijdt.Anders bestaat er een risico op ernstig of zelfs dodelijk letsel.
UW AUTO NAVIGATIESYSTEEM (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Raadpleeg de gebruikershandleiding van uw Uconnect®. VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 178 AUDIOSYSTEMEN Raadpleeg de gebruikershandleiding van Uconnect®.
STUURBEDIENING VOOR AUDIO FUNCTIES RECHTERSCHAKELAAR De knoppen van de afstandsbediening van het audiosysteem bevinden zich achter op het stuur. De regelknoppen rechts en links zijn tuimelschakelaars met een druktoets in het midden van elke schakelaar. Reik met uw vingers achter het stuur om de knoppen te bedienen. (afb. 120) • Druk de bovenkant van de schakelaar in om de geluidssterkte hoger te zetten. • Druk de onderkant van de schakelaar in om de geluidssterkte lager te zetten.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 180 UCONNECT® MULTIMEDIA VIDEO ENTERTAINMENT SYSTEM (VES™) • Druk eenmaal op de bovenkant van de schakelaar om (voor bepaalde uitvoeringen/ het volgende nummer te beluisteren. landen) FUNCTIES LINKERSCHAKELAAR VOOR BEDIENING VAN DE MEDIA (BIJV.
Beginnen Videoscherm • Scherm in de dakconsole: klap het LCD-scherm uit door te drukken op de knop die zich achter het scherm op de dakconsole bevindt. (afb. 121) OPMERKING: De functies van het Video Entertainment System (VES™) kunnen op twee manieren worden bediend. UW AUTO • Schakel, met de contactschakelaar in de stand ON of ACC, de radio in door op de draaiknop ON/OFFVOLUME te drukken.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 182 Als een extern apparaat op de AUX-ingang wordt aangesloten, dient u rekening te houden met de standaard kleurencode voor de aansluitingen van VES™: 3. Als "Rear entertainment" (Entertainmentsysteem achter) is uitgeschakeld, kiest u de schermtoets "Power" (Aan).
De regelknoppen van het aanraakscherm van de radio gebruiken 1. Kies de schermtoets "MORE" (Meer). 2. Kies de schermtoets "Rear Entertainment" (Entertainmentsysteem achter) om de bedieningselementen van het entertainmentsysteem achterin weer te geven. 3. Als "Rear entertainment" (Entertainmentsysteem achter) is uitgeschakeld, kiest u de schermtoets "Power" (Aan). 4.
OPMERKING: UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 184 • Het VES™ systeem slaat de laatste instelling op wanneer het wordt uitgeschakeld. • De mogelijkheid om een dvd op het aanraakscherm van de radio te bekijken is niet beschikbaar in alle regio's of op alle locaties. Bovendien moet de auto stilstaan en de schakelhendel in de stand PARK staan bij auto's met een automatische versnellingsbak.
Werking afstandsbediening Kaart met beknopte informatie OPMERKING: Deze kaart geeft beknopte informatie over de functies van de regelknoppen op de afstandsbediening voor de verschillende radiomodi en menuschermen. Knop voor de afstandsbediening AM/FM/ MW/LW Aan/uit Verlichting Pijl omhoog, volgende Omhoog zoeken* Pijl omlaag, vorige Omlaag zoeken* • Zorg dat de kanaal/schermkeuzeschakelaar van de afstandsbediening ingesteld is op het scherm of kanaal dat bediend moet worden.
UW AUTO Knop voor de afstandsbediening AM/FM/ MW/LW Standaard schermen DISK AUX/AUX1/AUX2 VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN Pijl naar rechts FF Omhoog afstemmen* Snel vooruit Pijl naar links RW Omlaag afstemmen* Snel achteruit Enter Numeriek invoermenu weergeven* Numeriek invoermenu weergeven NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD Audio: snel vooruit Video afspelen: snel vooruit Videomenu: selectie rechts Audio: snel achteruit Video afspelen: snel achteruit Videomenu:
Knop voor de afstandsbediening AM/FM/ MW/LW Standaard schermen DISK AUX/AUX1/AUX2 Audio: Niet beschikbaar Setup Niet beschikbaar Niet beschikbaar Menu Niet beschikbaar Menu Diskopties tonen Afspelen/pauze Niet beschikbaar Pauzeren/ afspelen hervatten Stop Niet beschikbaar Mute (geluid uit) Stop Video afspelen: instellingen tonen/ verbergen Audio: menu diskopties Video afspelen: diskmenu weergeven Audio: pauzeren indien afspelen/hervatten Video afspelen: pauzeren indien afspelen/hervatten Vi
UW AUTO Knop voor de afstandsbediening AM/FM/ MW/LW Standaard schermen DISK AUX/AUX1/AUX2 VEILIGHEID Langzaam STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN Niet beschikbaar Niet beschikbaar Audio: Niet beschikbaar Video afspelen: afspelen/ hervatten tonen Videomenu: niet beschikbaar Audio: Niet beschikbaar Status Niet beschikbaar Niet beschikbaar Video: info-modus tonen NOODGEVALLEN Niet beschikbaar Niet beschikbaar Niet beschikbaar Audio: Niet beschikbaar Video: Info-modus tonen Niet
Zorg dat de schakelaar voor de afstandsbediening ingesteld is op het scherm of kanaal dat bediend moet worden: 1 of 2. Zorg dat de schakelaar voor de hoofdtelefoon ingesteld is op het scherm of kanaal dat bediend moet worden: 1 of 2. *Geen actie als de modus gedeeld wordt met de autoluidsprekers. (afb. 122) 1. Aan/uit – Het scherm en de zender voor de draadloze hoofdtelefoons voor het betreffende kanaal inof uitschakelen.
9. ▪ (Stop) – Stoppen met afspelen van de disk UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 190 10. PROG Up/Down – Bij het luisteren naar de radio wordt de volgende of vorige voorkeurzender op de radio geselecteerd als u op PROG Up resp. PROG Down drukt. Bij het beluisteren van gecomprimeerde audio op een gegevensdisk kiest u met PROG Up de volgende map en met PROG Down de vorige map.
Opbergen van afstandsbediening De beeldschermen worden geleverd met een ingebouwd opbergvakje voor de afstandsbediening. Dit vakje is toegankelijk als het scherm is geopend. Om de afstandsbediening te verwijderen, gebruikt u uw wijsvinger om de afstandsbediening naar u toe te trekken en te draaien. Probeer de afstandsbediening niet recht naar beneden te trekken, want op die manier is het moeilijk om hem te verwijderen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Gebruik van hoofdtelefoons De hoofdtelefoons ontvangen twee aparte audiokanalen via een infraroodzender van het beeldscherm. Bedieningselementen Het voedingslampje en de bedieningselementen van de hoofdtelefoon bevinden zich op de rechter oorschelp. Als u geen geluid hoort nadat het volume is verhoogd, controleer dan of het scherm is ingeschakeld en omlaag is gezet.
3. Als het videoscherm een video toont (bijvoorbeeld een dvd-video), verschijnt de status in een balk onderaan in het scherm wanneer u op STATUS drukt. Als u nogmaals op de toets MODE drukt, wordt de volgende modus geactiveerd. Als een modus actief is met alleen een audiobron (bijvoorbeeld FM), verschijnt het menu Mode Selection (Modus kiezen) op het scherm. 4.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 194 HET PRODUCT, NOCH IS UNWIRED AANSPRAKELIJK VOOR ENIGE ALGEMENE, BIJZONDERE, DIRECTE, INDIRECTE, INCIDENTELE, VOORTVLOEIENDE, MORELE, STRAFRECHTELIJKE SCHADE OF SCHADE VAN ENIGE ANDERE SOORT OF AARD.
In een systeem met twee schermen wordt de video voor kanaal 1 getoond op het scherm van de eerste stoel achterin en de video voor kanaal 2 wordt getoond op het scherm van de tweede stoel achterin. De Informatiemodus wordt op een gedeeld scherm getoond, de linkerkant van het scherm (kanaal 1) toont de status/modus van het scherm van de eerste stoel achterin en de rechterkant van het scherm (kanaal 2) toont de status/modus van het scherm van de tweede stoel achterin.
UW AUTO kanaal 1 in de videomodus staat. Mute (geluid uit): als het pictogram "Mute" verschijnt, is het geluid voor kanaal 2 gedempt met behulp van de MUTE-toets op de afstandsbediening. VEILIGHEID • Modus kanaal 2 – Geeft de huidige bron voor kanaal 2 weer.
2. Als het cijfer wordt gemarkeerd, drukt u op de ENTER-toets van de afstandsbediening om het cijfer te selecteren. Herhaal deze stappen tot u alle cijfers heeft ingevoerd. 3. Om het laatste cijfer te wissen navigeert u naar de toets Del (wistoets) en drukt u op de ENTER-toets van de afstandsbediening. 4. Nadat alle cijfers zijn ingevoerd, navigeert u naar de toets Go en drukt u op de ENTER-toets van de afstandsbediening. Menu Options (Opties) (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES Beeldinstellingen Wanneer u een videobron (dvd-video met disk in afspeelmodus, Aux-video, enz.) bekijkt, activeert u het menu Display Settings (Beeldinstellingen) door op de toets SETUP van de afstandsbediening te drukken. Deze instellingen bepalen de weergave van het beeld op het scherm.
Dvd-regiocodes De dvd-speler en veel dvd's hebben een code die overeenkomt met de geografische regio. Deze regiocodes moeten overeenkomen; anders wordt de disk niet afgespeeld. Indien de regiocode van de dvd niet overeenkomt met de regiocode van de speler, wordt de disk niet afgespeeld en wordt een waarschuwing weergegeven.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 200 Voor het labelen van opneembare disks (CD-R, CDRW, DVD-R en DVD-RW) wordt een markeerstift met onuitwisbare inkt aanbevolen. Gebruik geen kleefetiketten, want die kunnen losraken van de disk of blijven plakken in het mechanisme en onherstelbare schade veroorzaken aan de dvd-speler.
Diskfouten Als de dvd-speler de disk niet kan lezen, verschijnt de melding "Disc Error" (diskfout) in het radioscherm en wordt de disk automatisch uitgeworpen. Oorzaken van het bericht "Disc Error" (diskfout) zijn o.a. een vervuilde of beschadigde disk of een incompatibel formaat. Als de disk een beschadigd nummer bevat waardoor er een hoorbare of zichtbare storing van minstens 2 seconden optreedt, probeert de dvd-speler de disk verder af te spelen door telkens 1 à 3 seconden vooruit te springen.
UW AUTO BEDIENING iPod®/USB/MP3 (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Deze voorziening maakt het mogelijk een iPod® of extern USB-apparaat aan te sluiten op de USB-poort. VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 202 iPod® bediening is compatibel met iPod® Mini, 4G, Photo, Nano, 5G en iPhone® apparaten. Sommige versies van de iPod® software zijn mogelijk niet volledig compatibel met de functies van de iPod® bediening.
WERKING VAN DE RADIO EN MOBIELE TELEFOONS Onder bepaalde omstandigheden kan een ingeschakelde mobiele telefoon in uw auto de radio storen. Deze situatie kunt u verhelpen door de antenne van de mobiele telefoon te verplaatsen. Dit probleem is niet schadelijk voor de radio. Wanneer de radio nog steeds niet naar tevredenheid werkt nadat de antenne is verplaatst, is het raadzaam de radio zachter of uit te zetten wanneer de mobiele telefoon in gebruik is.
UW AUTO OPMERKING: Wanneer u de brandstofvuldop verwijdert, hangt u de kabel van de dop over de haak op de versterking van de brandstofvulklep. • Een slecht passende brandstofvuldop VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 204 kan schade aan het brandstofsysteem of aan het emissieregelsysteem veroorzaken. • Door een slecht passende dop kan er vuil in het brandstofsysteem terechtkomen.
VEILIGHEID BEVEILIGINGSSYSTEMEN VOOR INZITTENDEN Een zeer belangrijke veiligheidsvoorziening in uw auto zijn de beveiligingssystemen voor inzittenden: • Driepuntsgordels voor alle zitplaatsen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 206 WAARSCHUWING! Bij een aanrijding bestaat het risico dat u en uw passagiers aanmerkelijk ernstiger letsel oplopen wanneer de veiligheidsgordels niet op de juiste wijze worden gedragen. U kunt in aanraking komen met de binnenkant van uw auto of met andere passagiers of uit de auto worden geslingerd.
WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Het onjuist dragen van veiligheidsgordels is gevaarlijk.Veiligheidsgordels zijn zo ontworpen dat ze over het zwaardere beendergestel van het lichaam gedragen worden. Dit zijn de sterkste lichaamsdelen, die het beste de vrijkomende krachten bij een aanrijding kunnen opvangen.Als uw veiligheidsgordel niet op de juiste plaatsen om uw lichaam sluit, kan dit leiden tot zwaarder letsel bij aanrijdingen. U kunt inwendig letsel oplopen of gedeeltelijk onder de gordel door glijden.
UW AUTO 3. Wanneer de gordel lang genoeg is, plaatst u de gesp in de gespsluiting tot u een 'klik' hoort. (afb. 130) VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES WAARSCHUWING! • Een veiligheidsgordel waarvan de gesp in de verkeerde sluiting is bevestigd, biedt onvoldoende bescherming. Het heupgedeelte valt dan mogelijk te hoog over uw lichaam, waardoor inwendig letsel kan worden veroorzaakt.
WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Een schoudergordel die achter uw rug is geplaatst, biedt geen enkele bescherming bij een aanrijding.Als u de schoudergordel niet draagt, is bij een aanrijding de kans op hoofdletsel groter. Het heup- en schoudergedeelte van de gordel behoren samen te worden gebruikt. 4. Leg de heupgordel over uw dijen, onder de buik. Om een losse heupgordel strak te trekken, moet u het schoudergedeelte van de gordel aantrekken.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 210 WAARSCHUWING! • Een heupgordel die te hoog wordt gedragen,kan het risico van inwendig letsel bij een aanrijding vergroten. De krachten op de gordel worden dan niet opgevangen via de sterke heupbeenderen en het bekken, maar via de buik. Draag de heupgordel altijd zo laag mogelijk en zorg dat de gordel strak zit.
Als u minder lang bent dan gemiddeld, zult u een lagere stand gebruiken. Als u langer bent dan gemiddeld, zult u een hogere stand gebruiken. Probeer na het loslaten van de knop de verankering nog eens op en neer te bewegen, om te controleren of deze stevig is vergrendeld. Op de achterbank moet u meer naar het midden van de bank gaan zitten om de gordel niet langs de hals te laten lopen. Verdraaide driepuntsgordel ontwarren Gebruik de volgende methode om een verdraaide driepuntsgordel te ontwarren: 1.
GORDELSPANNERS De veiligheidsgordels voor de beide voorstoelen zijn voorzien van gordelspanners, die ervoor zorgen dat een loszittende gordel wordt strak getrokken bij een aanrijding. Deze apparaten verbeteren de werking van de veiligheidsgordels door ervoor te zorgen dat de gordel al in een vroeg stadium van een aanrijding strak over het lichaam van de inzittende komt te liggen. Gordelspanners werken bij alle lichaamsafmetingen, ook bij gebruik van kinderzitjes.
OPMERKING: De actieve hoofdsteunen kunnen wel of niet geactiveerd worden bij een frontale botsing of een botsing van opzij. Als echter tijdens een frontale botsing een tweede botsing van achteren plaatsvindt, kunnen de actieve hoofdsteunen geactiveerd worden, afhankelijk van factoren zoals de soort botsing en de ernst ervan. (afb.
UW AUTO 1. Pak de geactiveerde actieve hoofdsteun beet vanuit de achterbank. (afb. 134) 2. Plaats de handen in een comfortabele positie aan de bovenzijde van de geactiveerde actieve hoofdsteun. 3. Trek de steun eerst omlaag en vervolgens naar achteren richting de achterkant van de auto, en trek de steun daarna omlaag om het vergrendelmechanisme te activeren. (afb. 135) (afb.
4. De voorste helft van de actieve hoofdsteun met zacht schuim en bekleding moet in de achterste helft met decoratief kunststof vergrendeld worden. (afb. 137) OPMERKING: • Als u problemen ondervindt met het terugstellen van de actieve hoofdsteunen, neem dan contact op met een erkende dealer. • Laat uit veiligheidsoverwegingen de actieve hoofdsteunen controleren door een specialist bij een erkende dealer.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 216 Sensoren en regeleenheden voor activering De elektronische voetgangersbeschermingsmodule (EPPM) bepaalt of de actuatoren bij een frontale aanrijding geactiveerd moeten worden. Op basis van de signalen van de botsingsensoren bepaalt de EPPM voor inzittenden wanneer de actuatoren geactiveerd worden. De botsingsensoren bevinden zich bij de voorbumper.
Nadat de actieve motorkap is geactiveerd, kan de motorkap tijdelijke worden teruggezet door de achterrand boven de scharnieren omlaag te drukken, wanneer de inwendige druk van de actuatoren is afgelaten. De tijdelijke stand waarin de motorkap kan worden teruggezet, dient om het zicht over de motorkap bij vooruitrijden te verbeteren totdat de auto kan worden gerepareerd. In de tijdelijke stand waarin de motorkap kan worden teruggezet, ligt de motorkap ongeveer 5 mm boven het oppervlak van de spatborden.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 218 WAARSCHUWING! • Wanneer u het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel of het bericht "SERVICE ACTIVE HOOD" (onderhoud actieve motorkap noodzakelijk) op het EVIC negeert, kan dat betekenen dat de actieve motorkap,en daarmee de bescherming van voetgangers, niet functioneert.
De BeltAlert® waarschuwingscyclus begint wanneer de auto een snelheid van meer dan 8 km/u bereikt: het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordels knippert en er klinkt een geluidssignaal met tussenpozen. Wanneer de cyclus is gestart, wordt deze volledig afgewerkt of gestopt wanneer de desbetreffende veiligheidsgordels zijn vastgegespt. Nadat de cyclus is voltooid, blijft het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordels branden totdat de desbetreffende veiligheidsgordels zijn vastgegespt.
Kinderzitjes UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN (afb. 139) Iedereen in uw auto moet altijd een veiligheidsgordel dragen, ook baby's en kinderen. Kinderen van 12 jaar en jonger moeten altijd goed vastgegespt op de achterbank zitten. Statistieken tonen aan dat kinderen beter beschermd zijn wanneer ze op de achterbank zijn vastgegespt en niet op de voorstoelen.
Gewicht Groep — tot 10 kg Groep 0+ — tot 13 kg Groep 1 – 9 tot 18 kg Groep II – 15 tot 25 kg Groep III – 22 tot 36 kg Zitplaats (of andere plaats) Achterbank Tweede zitrij midden buitenzijde N.v.t. **U Voorstoel passagierszijde X Achterbank buitenzijde *U X *U N.v.t. **U U X *U N.v.t. **U U X *U N.v.t. **U U X *U N.v.t. **U U Legenda voor letters in bovenstaande tabel: • U = Geschikt voor universele kinderzitjes, goedgekeurd voor het gewicht.
Tabel ISOFIX-posities UW AUTO VEILIGHEID Bevestiging Voorstoel passagierszijde Achterbank buitenzijde Achterbank midden Gewicht Maat Reiswieg F G ISO/L1 ISO/L2 (1) X X X X X X X X X E ISO/R1 X X X (1) X X X E ISO/R1 X X X D ISO/R2 X X X C ISO/R3 X X X (1) X X X STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 222 0 — tot 10 kg 0+ — tot 13 kg Zitplaatsen rechts en links aan het raam op de tweed
Tabel ISOFIX-posities Gewicht I – 9 tot 18 kg II – 15 tot 25 kg III – 22 tot 36 kg D ISO/R2 X X X C ISO/R3 X X X B B1 A ISO/F2 ISO/F2X ISO/F3 (1) X X X X X X X X X X X X Zitplaatsen rechts en links aan het raam op de tweede zitrij *IUF / *IUF *IUF / *IUF IUF / IUF IUF / IUF IUF / IUF X (1) X X X (1) X X X Maat Bevestiging Voorstoel passagierszijde Achterbank buitenzijde Legenda voor letters in bovenstaande tabel: (1) = Als kinderzitjes geen ISO/XX-identificatie hebben (A t/m
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD • IL = geschikt voor bepaalde ISOFIX-kinderzitjes, zoals vermeld in de bijgevoegde lijst. Deze CRSkinderzitjes van ISOFIX vallen onder de categorieën van "specifiek voertuig", "beperkt gebruik" of "semiuniverseel". • X = ISOFIX-positie niet geschikt voor ISOFIXbeschermingssystemen voor kinderen in deze gewichtsklasse en/of deze grootteklasse.
Grotere kinderen Kinderen die te groot zijn voor een zitverhoger Grootte, lengte, gewicht en leeftijd van het kind Kinderen die hun naar voren gerichte kinderzitje zijn ontgroeid, maar te klein zijn om de veiligheidsgordel van de auto goed te gebruiken Kinderen van 12 jaar of jonger die de lengte- of gewichtslimiet van hun zitverhoger overschrijden Baby- en kinderzitjes Veiligheidsdeskundigen raden aan kinderen tot twee jaar, of totdat ze de lengte- of gewichtslimiet van het kinderzitje hebben bereikt, t
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 226 Oudere kinderen en kinderzitjes Kinderen die twee jaar zijn of het tegen de rijrichting in geplaatste aanpasbare kinderzitje zijn ontgroeid, kunnen in de rijrichting in de auto rijden.
Volg de onderstaande stappen om het kind op de zitverhoger te zetten: 1. Om de geïntegreerde zitverhoger te kunnen gebruiken dient u de tweede zitrij volledig naar achteren te schuiven. OPMERKING: De bank op de tweede zitrij moet in de achterste positie blijven tijdens het gebruik van de ingebouwde zitverhoger. 2. Trek de lus naar voren om de vergrendeling en de zitting los te maken. (afb. 140) 3. Licht het stoelkussen op en duw het naar achteren om het in de verhogingsstand vast te zetten. (afb. 141) 4.
UW AUTO OPMERKING: Leg de heupgordel laag over de heupen en trek de gordel zo strak mogelijk aan. 7. Wanneer de gordel lang genoeg is, plaatst u de gesp in de gespsluiting tot u een klik hoort. (afb. 142) VEILIGHEID 8. Om de speling uit de heupgordel te verwijderen trekt u het schoudergedeelte van de gordel naar boven. STARTEN EN RIJDEN 9. Om de gordel los te maken drukt u op de rode knop op de gespsluiting.
3. Loopt de schoudergordel over de schouder van het kind tussen de nek en de arm in? Als het antwoord op een van deze vragen "nee" was, moet het kind nog steeds een zitverhoger gebruiken in 4. Bevindt het heupgedeelte van de veiligheidsgordel deze auto. Als het kind de driepuntsgordel gebruikt, zich zo laag mogelijk, en raakt het de dijbenen van controleer dan regelmatig of de gordel goed past. Door de bewegingen van het kind kan de gordel een foutieve het kind en niet de maag? positie aannemen.
UW AUTO Soorten zitjes VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 230 Naar voren gericht kinderzitje Naar voren gericht kinderzitje Gecombineerd gewicht van het kind + kinderzitje Gebruik een van de bevestigingsmethodes die hieronder met "X" zijn gemarkeerd ISOFIX Onderste VeiligheidsgorISOFIX ankerpunt + del + bovenste Alleen Alleen de veibovenste ankerpunt voor onderste ligheidsgordel ankerpunt de bevestiankerpunte
Zoeken van de ISOFIX-ankerpunten De onderste ankerpunten zijn ronde stangen die tussen de rugleuning en de zitting zijn aangebracht. Deze zijn nog net zichtbaar wanneer u tegen de zitting steunt om het kinderzitje te installeren. U voelt deze stangen wanneer u met uw vinger langs de rand gaat waar rugleuning en zitting samenkomen. (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES bovenste ankerpunt te bevestigen en een manier om de riem strak te trekken nadat deze aan het ankerpunt is bevestigd. ISOFIX middelste zitplaats Deze auto heeft 5 onderste ISOFIX-ankerpunten op de achterbank. Ankerpunten A en B worden gebruikt voor de zitplaats aan de rechterbuitenzijde achter de voorpassagier (1).
2. Linker buitenste en middelste zitplaats (3 en 2): plaats het eerste kinderzitje op de linker buitenste zitplaats met behulp van de onderste ankerpunten D en E. Breng het tweede kinderzitje aan met behulp van de middelste ankerpunten B en C. Gebruik niet het buitenste ankerpunt A dat zich het dichtst bij het tegenoverliggende portier bevindt. Gebruik de resterende rechter buitenste zitplaats (1) niet voor een inzittende.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 234 2. Maak het verstelmechanisme aan de onderste koppelstukken en aan de bevestigingsband van het kinderzitje los, zodat u de koppelstukken gemakkelijker aan de ankerpunten in de auto kunt vastmaken. 7. Test of het kinderzitje stevig vastzit door het kinderzitje bij de gordelopening naar achteren en naar voren te trekken.
WAARSCHUWING! • Onjuiste bevestiging aan de ISOFIXankerpunten kan ertoe leiden dat het kinderzitje niet goed functioneert. Het kind kan daardoor ernstig of zelfs dodelijk letsel oplopen. Volg daarom bij de bevestiging van een kinderzitje nauwkeurig de aanwijzingen van de fabrikant. • De bevestigingen van kinderzitjes zijn ontworpen om alleen de last van op de juiste wijze aangebrachte kinderzitjes te weerstaan.
UW AUTO 2. Trek de gordel ver genoeg uit het oprolmechanisme om deze door de gordelopening van het kinderzitje te leiden. De gordel mag niet worden verdraaid in de gordelopening. VEILIGHEID 3. Schuif de gesp in de gespsluiting totdat u een 'klik' hoort. STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 236 4. Trek aan de band om de heupgordel stevig vast te zetten tegen het kinderzitje. 5.
2. Vervolgens trekt u de gordel ver genoeg uit het oprolmechanisme om deze door de gordelopening van het kinderzitje te leiden. De gordel mag niet worden verdraaid in de gordelopening. 3. Schuif de gesp in de gespsluiting totdat u een 'klik' hoort. 4. Trek daarna aan eventuele slappe delen van de gordel om het heupgedeelte rond het kinderzitje strak te trekken terwijl u het kinderzitje naar achteren en omlaag tegen de zitting drukt. 5.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Installeren van kinderzitjes met het bovenste ankerpunt 1. Kijk achter de zitplaats waar u van plan bent het kinderzitje te installeren om het ankerpunt te vinden. U moet mogelijk de stoel naar voren bewegen om beter bij de ankerpunten te komen. Als er geen bovenste ankerpunt is voor de zitplaats, verplaats het kinderzitje dan naar een andere plaats in de auto als er een beschikbaar is. (afb. 146) 2.
4. Trek de bevestigingsband strak volgens de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje. OPMERKING: De geavanceerde frontairbags voor bestuurder en voorpassagier voldoen aan de richtlijnen voor geavanceerde airbags. WAARSCHUWING! • Als een bevestigingsband verkeerd is vastgemaakt, zal het kind het hoofd misschien te veel kunnen bewegen en kan het kind letsel oplopen. Gebruik alleen de verankeringspunten direct achter het kinderzitje om de bovenste bevestigingsband van het kinderzitje vast te maken.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 240 Deze auto is mogelijk uitgerust met een gespsluitingsschakelaar voor de veiligheidsgordel voor de bestuurdersstoel en/of de voorpassagiersstoel die registreert of de gordel is vastgeklikt. Met deze gespsluitingschakelaar kan het niveau worden aangepast waarmee de geavanceerde frontairbags worden opgeblazen.
controller ontvangt informatie van de sensoren voor frontale botsingen. Het eerste opblaasmechanisme wordt onmiddellijk geactiveerd bij een botsing waarbij gebruik van de airbags noodzakelijk is. Deze geringe opblazing wordt toegepast voor minder zware botsingen. Bij zwaardere botsingen wordt een krachtiger opblazing toegepast.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Aanvullende gordijn-zijairbags (SABIC) Ter aanvulling op de bescherming die de carrosserie biedt, bieden de gordijn-zijairbags de inzittenden op de voor- en achterstoelen die naast een raam zitten bescherming bij zijdelingse botsingen. Elke airbag heeft opblaasruimten die zich naast het hoofd van de passagiers bij het raam bevinden en zo de kans op hoofdletsel bij zijdelingse botsingen beperken.
WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Gebruik geen aanvullende stoelhoezen en plaats geen voorwerpen tussen uzelf en de zijairbags. De werking van de airbags kan zo verslechteren en/of voorwerpen kunnen met kracht tegen u aan slaan en zo ernstig letsel veroorzaken. • Uw auto is voorzien van gordijn-zijairbags (SABIC). Installeer geen accessoires die het dak wijzigen, zoals bijvoorbeeld een het aanbrengen van een zonnedak.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 244 voor inzittenden zo nodig de geavanceerde frontairbags, gordijn-zijairbags, aanvullende zijairbags in de stoelen (SAB) en de gordelspanners voorin, afhankelijk van verschillende factoren, zoals de aard en de ernst van de botsing.
controller van het beveiligingssysteem voor inzittenden een storing in het systeem detecteert, gaat het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem knipperen of continu branden. Een enkel geluidssignaal klinkt als het lampje gaat branden na de eerste keer starten. De module bevat ook diagnosefuncties die het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem in de instrumentengroep laten branden wanneer een storing wordt geconstateerd die het airbagsysteem zou kunnen beïnvloeden.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 246 Opblaasmodules voor aanvullende zijairbags in de stoelen (SAB) De aanvullende zijairbags in de stoelen worden uitsluitend bij bepaalde zijdelingse botsingen geactiveerd. De controller van het beveiligingssysteem voor inzittenden bepaalt op basis van de aard en ernst van een zijdelingse botsing of de zijairbags moeten worden opgeblazen.
OPMERKING: Wanneer het voertuig over de kop slaat, kunnen de gordelspanners en/of de aanvullende zijairbags in de voorstoelen en de extra gordijnzijairbags worden geactiveerd aan beide zijden van de auto. Sensoren voor frontale en zijdelingse botsingen Bij frontale en zijdelingse botsingen kunnen de botsingsensoren de controller van het beveiligingssysteem voor inzittenden helpen bij het bepalen van de juiste reactie op de botsingen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 248 • Wanneer de airbags leeglopen ziet u mogelijk zwevende stofdeeltjes die op rook lijken. Dit stof is een normaal bijproduct van het activeringsproces voor het niet-giftige opblaasgas. Deze zwevende stofdeeltjes kunnen de huid, ogen, neus of keel irriteren. Spoel met koud water als u last hebt van geïrriteerde ogen of huid.
OPMERKING: Als de snelheidsmeter, toerenteller of andere meters voor motorfuncties niet werken, is het mogelijk dat ook de controller van het beveiligingssysteem voor inzittenden niet werkt. De airbags zijn dan mogelijk niet gereed om u te beschermen. Controleer onmiddellijk de zekeringhouder op doorgeslagen zekeringen. Raadpleeg "Zekeringen" in "Noodgevallen" voor de juiste airbagzekeringen. Laat uw erkende dealer controleren of de zekering nog goed is.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 250 Voor het uitlezen van de geregistreerde EDR-gegevens is toegang tot de auto of de EDR en speciale apparatuur nodig. Naast de fabrikant van de auto kunnen ook anderen die over deze speciale apparatuur beschikken, zoals de politie, de EDR-gegevens lezen indien zij toegang hebben tot de auto of de EDR.
WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Bij modellen voor zeven passagiers wordt het rijden met de tweede zitrij in de instap/uitstapstand (zitting naar boven geklapt en stoel naar voren geschoven) afgeraden omdat deze stand alleen bedoeld is om de toegang tot de derde zitrij te vergemakkelijken. Als u deze waarschuwing niet opvolgt, kan dit ernstig letsel tot gevolg hebben. • Bij modellen voor zeven passagiers mag er niemand op de derde zitrij plaatsnemen als de rugleuningen van de tweede zitrij zijn neergeklapt.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 252 De beste bescherming tegen koolmonoxidevergiftiging is een goed onderhouden uitlaatsysteem. Wanneer u merkt dat het uitlaatgeluid is veranderd, uitlaatgassen in de auto ruikt of als de onder- of achterzijde van de auto is beschadigd, is er mogelijk sprake van lekkage in het uitlaatsysteem.
Veiligheidsinformatie over vloermatten Plaats uitsluitend vloermatten die overeenkomen met de afmetingen van de voetruimte van uw auto. U mag alleen vloermatten gebruiken die het gebied rondom de pedalen vrijlaten en stevig vastzitten, zodat de matten niet kunnen verschuiven, de beweging van de pedalen kunnen belemmeren of de veilige besturing van uw auto op een andere manier kunnen hinderen.
Veiligheidscontroles buiten de auto UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 254 Banden Controleer de banden op overmatige of ongelijkmatige slijtage. Controleer de banden op stenen, spijkers, glas of andere voorwerpen die in het loopvlak of de wang vast zijn blijven zitten. Controleer het loopvlak op sneden en scheuren. Controleer de wangen op sneden, scheuren en bobbels.
STARTEN EN RIJDEN AANBEVELINGEN VOOR INRIJDEN STARTPROCEDURES UW AUTO De motor en aandrijflijn (overbrenging en as) van uw auto vereisen geen lange inrijperiode. Doe het volgende voordat u uw auto start: stel uw stoel in, stel de binnen- en buitenspiegels in, doe uw veiligheidsgordel om en verzoek eventuele passagiers ook hun veiligheidsgordel om te doen. VEILIGHEID Rijd de eerste 500 km rustig. Na de eerste 100 km kunt u het beste een snelheid tot 80 à 90 km/u aanhouden.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Laat de sleutelhouder niet achter in of in de buurt van de auto (of op een voor kinderen bereikbare plaats) en laat het contact van een voertuig met Keyless Enter-N-Go™ niet in de modus ACC of ON/RUN staan. Een kind zou de knoppen van de elektrische raambediening of andere schakelaars kunnen bedienen of de auto in beweging kunnen zetten.
3. Als de schakelhendel niet in de stand PARK staat en de rijsnelheid hoger is dan 8 km/u, moet de knop ENGINE START/STOP twee seconden lang worden ingedrukt voordat de motor wordt uitgeschakeld. De contactschakelaar blijft in de stand ACC, totdat de schakelhendel in de stand PARK staat en de knop twee keer wordt ingedrukt naar de stand OFF.
ALS DE MOTOR NIET START UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 258 WAARSCHUWING! • Giet nooit brandstof of andere brandbare vloeistoffen in de luchtinlaat van het gasklephuis om de auto te starten. Hierdoor kunnen steekvlammen ontstaan die ernstig letsel kunnen veroorzaken. • Probeer niet de auto te starten door middel van aanduwen of slepen.
3. DRUK NIET op het gaspedaal. Om de motor te starten, moet de schakelhendel in de stand PARK of NEUTRAL staan. Trap op het rempedaal (alleen automatische versnellingsbak) of houd het koppelingspedaal ingetrapt (alleen handgeschakelde versnellingsbak) terwijl u tegelijkertijd de knop ENGINE START/STOP (Motor aan/uit) ingedrukt houdt. Laat de knop los als de motor start. 2. De contactschakelaar keert terug naar de stand OFF.
Turbocompressor "afkoelen" UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Afkoelschema turbocompressor OPMERKING: Door de motor stationair te laten lopen na een lange rit krijgt de turbine-unit de kans om af te koelen tot een normale bedrijfstemperatuur. Hanteer het volgende schema om te bepalen hoeveel stationaire draaitijd nodig is om de turbocompressor voldoende te koelen voordat u de motor afzet, afhankelijk van de rijwijze en de belading van de auto.
HANDREM Afkoelschema turbocompressor Rijomstandigheden Hellingen Lading Maximaal toelaatbaar totaalgewicht van het voertuig en de aanhangwagen samen Temperatuur van de turbocompressor Heet Stationaire draaitijd (in minuten) voor het afzetten van de motor 5 Voordat u het voertuig verlaat, moet u er zeker van zijn dat de handrem goed is aangetrokken.
Automatische versnellingsbak UW AUTO VEILIGHEID Het handrempedaal bevindt zich in de hoek links onder het instrumentenpaneel. Om de handrem aan te trekken, moet u het handrempedaal volledig intrappen. Om de handrem vrij te zetten, trapt u nogmaals het handrempedaal in en laat u het pedaal langzaam opkomen, waarbij u voelt dat de rem wordt vrijgegeven. (afb.
Wanneer u op een helling parkeert is het belangrijk dat u op een afdaling de voorwielen naar de stoeprand toe draait en op een helling van de stoeprand af. Trek bij voertuigen met een automatische versnellingsbak de handrem aan voordat u de versnellingspook in de stand PARK zet. Anders kan het door de belasting die op het vergrendelmechanisme van de versnellingsbak werkt moeilijk zijn om de versnellingspook uit de PARK-stand te verwijderen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN WAARSCHUWING! (Vervolgd) • De handrem moet altijd goed worden aangetrokken wanneer u de auto verlaat. Anders kan de auto wegrollen en schade of letsel veroorzaken. Zorg ook dat u de hendel bij een automatische versnellingsbak in de stand PARK zet en bij een handmatige versnellingsbak in REVERSE of in de 1e versnelling. Als dit wordt nagelaten kan de auto gaan rollen en zo schade of letsel veroorzaken.
Schakel in numerieke volgorde door de versnellingen heen – sla er geen over. Zorg dat de eerste versnelling is ingeschakeld (niet de derde), wanneer u uit stilstand wegrijdt. De koppeling kan beschadigd raken als u vanuit de derde versnelling wegrijdt. Bij de meeste stadsritten is het gemakkelijker om alleen de lage versnellingen te gebruiken. Voor rijden met een constante rijsnelheid op snelwegen, met af en toe iets accelereren, wordt de zesde versnelling aanbevolen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK (voor bepaalde uitvoeringen/ landen) De versnellingsbak kan beschadigd raken indien de volgende voorzorgsmaatregelen niet in acht genomen worden: • Schakel alleen naar PARK als de auto volledig stilstaat. • Schakel alleen naar of uit REVERSE, als de auto volledig stilstaat en de motor stationair draait.
WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Laat nooit kinderen alleen in een auto achter of in de buurt van een auto die niet is afgesloten. • Het achterlaten van kinderen zonder toezicht in een auto is om verschillende redenen gevaarlijk. Kinderen of derden lopen dan het risico op ernstig of zelfs dodelijk letsel.Waarschuw kinderen dat ze niet aan de handrem,het rempedaal of de schakelhendel mogen komen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN U mag uitsluitend van DRIVE naar PARK of REVERSE schakelen nadat u het gaspedaal hebt losgelaten en de auto tot stilstand is gekomen. Houd altijd uw voet op het rempedaal als u naar deze standen schakelt. Versnellingen Laat de motor NOOIT met hoge toerentallen draaien wanneer u vanuit de standen PARK of NEUTRAL naar een andere schakelgroep schakelt. De schakelhendel heeft de standen PARK, REVERSE, NEUTRAL, DRIVE en AutoStick®.
WAARSCHUWING! • Gebruik de stand PARK nooit als vervanging voor de handrem.Trek de handrem altijd volledig aan als u de auto parkeert, om te voorkomen dat de auto gaat rollen en mogelijk letsel of schade veroorzaakt. • Uw auto kan zich in beweging zetten en u en anderen verwonden wanneer hij niet volledig in de stand PARK staat. Controleer dit door te proberen de schakelhendel uit de stand PARK te bewegen zonder het rempedaal in te trappen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 270 WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Laat nooit kinderen alleen in een auto achter of in de buurt van een auto die niet is afgesloten. Het achterlaten van kinderen zonder toezicht in een auto is om verschillende redenen gevaarlijk. Kinderen of derden lopen dan het risico op ernstig of zelfs dodelijk letsel.
REVERSE (ACHTERUIT) (R) Deze stand is bedoeld om achteruit te rijden. Schakel alleen naar REVERSE als de auto volledig stilstaat. NEUTRAL (N) (Neutraal) Gebruik deze stand wanneer de auto langere tijd stilstaat met draaiende motor. In deze stand kunt u de motor starten. Trek de handrem aan en schakel naar PARK wanneer u wilt uitstappen. WAARSCHUWING! Laat de auto niet uitrollen in de stand NEUTRAL en schakel nooit het contact uit om in vrijloop een helling af te dalen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 272 Als de temperatuur in de versnellingsbak de normale bedrijfstemperatuur overschrijdt, wijzigt de controller van de aandrijflijn het schakelpatroon en wordt het bereik voor het aangrijpen van de koppelomvormerkoppeling vergroot. Hiermee voorkomt u schade aan de versnellingsbak door oververhitting.
5. Start de motor opnieuw. Koppelomvormerkoppeling 6. Schakel naar de gewenste versnelling. Als het probleem niet langer wordt gedetecteerd, werkt de versnellingsbak weer op de normale manier. De automatische transmissie in deze auto beschikt over een functie die het brandstofverbruik helpt beperken. Bij gekalibreerde toerentallen grijpt automatisch een koppeling in de koppelomvormer aan. Dit kan een iets ander gevoel of respons geven tijdens normale werking in de hogere versnellingen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 274 AUTOSTICK® (voor bepaalde uitvoeringen/landen) naar een hogere of lagere versnelling wordt geschakeld, met uitzondering van de onderstaande situaties. AutoStick® is een interactieve functie, die handmatig schakelen mogelijk maakt waardoor u meer controle over de auto krijgt.
AANDRIJVING OP ALLE WIELEN (AWD) (voor bepaalde • Het systeem kan terugkeren naar de automatische uitvoeringen/landen) • Het schakelen van de transmissie valt meer op als AutoStick® is ingeschakeld. schakelmodus als een storing of oververhitting wordt gedetecteerd. U kunt de stand AutoStick® uitschakelen door de schakelhendel weer in de stand DRIVE te zetten. U kunt AutoStick® op elk moment in of uitschakelen zonder dat u uw voet van het gaspedaal hoeft te nemen.
RIJDEN OP GLAD WEGDEK UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 276 OPTREKKEN Snel optrekken op een besneeuwd, nat of anderszins glad wegdek kan doorslippen van de aangedreven wielen en zijdelings wegglijden van de auto tot gevolg hebben. Dit komt voor wanneer de voorwielen (de aangedreven wielen) verschillende grip hebben. WAARSCHUWING! Snel optrekken op een glad wegdek is gevaarlijk.
DOOR WATER RIJDEN Ga bij het rijden door water met een diepte van meer dan enkele centimeters voorzichtig te werk om schade aan de auto en lichamelijk letsel te voorkomen. STROMEND/OPKOMEND WATER WAARSCHUWING! Rij niet op een weg of een weg of pad oversteken waar water stroomt en/of opkomt (zoals na een storm). Stromend water kan het wegdek of de bovenlaag van het pad wegspoelen en de auto in dieper water doen zinken. Bovendien kan de auto snel worden meegevoerd met het stromende en/of opkomende water.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 278 WAARSCHUWING! • Rijden door stilstaand water beperkt de grip. Rijd niet met een hogere snelheid dan 8 km/u door stilstaand water. • Rijden door stilstaand water beperkt het remvermogen van het voertuig waardoor de remweg langer wordt.
Maximaal toelaatbaar aanhangergewicht (GTW) GTW staat voor het gewicht van de aanhanger, plus het gewicht van alle lading, verbruiksgoederen en apparatuur (vast of tijdelijk) in of op de aanhanger in "geladen en gebruiksklare" staat. De aanbevolen manier om het GTW te meten is de geladen aanhanger op een weegbrug plaatsen. Het volledige gewicht van de aanhanger moet op de weegbrug rusten.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD WAARSCHUWING! Een verkeerd ingesteld koppelsysteem kan het rijgedrag, de stabiliteit verminderen en kan een ongeluk veroorzaken. Neem voor meer informatie contact op met de fabrikant(en) van de trekhaak en de aanhangwagen of met een betrouwbare dealer van aanhangwagens.
• Bij een vaste trekhaak met kogel bevestigt u de klem direct op het daartoe bestemde punt. Deze alternatieve oplossing vereist speciale toestemming van de fabrikant van de aanhanger, omdat de klem wellicht niet sterk genoeg is voor gebruik op deze manier. (afb. 156) UW AUTO VEILIGHEID Zonder bevestigingspunten • Bij een trekhaak met afneembare kogel dient u zich te houden aan de door de fabrikant of leverancier aanbevolen werkwijze. (afb.
UW AUTO TREKGEWICHTEN (MAXIMALE AANHANGERGEWICHTEN) In de onderstaande tabel worden de maximale aanhangergewichten voor uw type aandrijflijn weergegeven. Motor/versnellingsbak VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 282 Frontaal oppervlak Max. BGA (Bruto gewicht aanhanger) (model voor 5 of 7 passagiers) 454 kg 1.100 kg 1.250 kg Max.
AANHANGER- EN DISSELGEWICHT Lading die schommelt boven de wielen of achteraan zwaarder is dan vooraan, kan leiden tot ernstige zijwaartse slingeringen waardoor de bestuurder de controle over auto en aanhanger kan verliezen. Het onvoldoende voorin plaatsen van vracht vormt een belangrijke oorzaak van ongevallen met aanhangers. Overschrijd nooit het maximale disselgewicht dat op uw trekhaak is gestempeld.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 284 WAARSCHUWING! Onjuist trekken van een aanhanger kan leiden tot ongevallen en letsel. Volg de onderstaande richtlijnen om uw aanhanger zo veilig mogelijk te trekken: • Zorg dat de vracht stevig is vastgezet en tijdens het rijden niet kan schuiven.
Vereisten voor het trekken van een aanhanger – banden Vereisten voor het trekken van een aanhanger – aanhangerremmen – Probeer de aanhanger niet te trekken wanneer een compact reservewiel is gemonteerd. – Sluit het hydraulische remsysteem of vacuümsysteem van uw auto niet aan op dat van de aanhanger. Dit kan leiden tot onjuist remgedrag en lichamelijk letsel. – Voor een comfortabel en veilig gebruik van uw auto is een juiste bandenspanning absoluut noodzakelijk.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES WAARSCHUWING! • Sluit de remmen van de aanhanger niet aan op de hydraulische remleidingen van uw auto. Dit kan leiden tot overbelasting en uitval van het remsysteem. Dan kan het voorkomen dat u niet kunt remmen wanneer dit nodig is en zo een ongeval veroorzaakt. • Bij het trekken van een aanhanger moet u rekening houden met een langere remweg.
Aantal pennen 4 Functie Kleur draad RechterrichtingGroen aanwijzer 5 Parkeerlicht Bruin rechtsachter, zijmarkeringsverlichting en verlichting kentekenplaat achter. b 6 Remlichten Rood Zwart 7 Parkeerlicht linksachter, zijmarkeringsverlichting en verlichting kentekenplaat achter. b b De verlichting van de kentekenplaat achter wordt zo aangesloten dat geen enkele lamp van de verlichting een aansluiting deelt met pen 5 en 7.
UW AUTO Aantal pennen 5 VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN 6 7 WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 288 8 9 Functie Parkeerlicht rechtsachter, zijmarkeringsverlichting en verlichting kentekenplaat achter. b Remlichten Parkeerlicht linksachter, zijmarkeringsverlichting en verlichting kentekenplaat achter.
TIPS VOOR HET TREKKEN VAN EEN AANHANGER Oefen het nemen van bochten, remmen en achteruitrijden met de aanhanger in een omgeving zonder druk verkeer voordat u met de aanhanger de weg op gaat. Handgeschakelde versnellingsbak (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Als u een auto met handgeschakelde versnellingsbak gebruikt voor het trekken van een aanhangwagen, moet u altijd in de EERSTE versnelling wegrijden om te voorkomen dat de koppeling gaat slippen.
UW AUTO Cruisecontrol (voor bepaalde uitvoeringen/ landen) • Gebruik de cruisecontrol niet in heuvelachtig terrein of met een zware belading. VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 290 • Als de rijsnelheid bij gebruik van de cruisecontrol afneemt met meer dan 16 km/u, schakel het systeem dan uit totdat u weer de kruissnelheid kunt aanhouden.
BEVESTIGINGSPUNTEN TREKHAAK Uw auto vergt extra uitrusting om veilig en efficiënt een aanhanger te kunnen trekken. De trekhaak moet aan uw auto worden bevestigd met behulp van de speciale bevestigingspunten aan het autochassis. In de volgende afbeelding ziet u de correcte bevestigingspunten. Ook andere uitrusting, zoals aanhangerstabilisatoren, hulpremmen, gewichtverdeelsystemen en extra brede spiegels, is mogelijk verplicht of wordt aanbevolen. (afb.
DE AUTO SLEPEN ACHTER EEN CAMPER UW AUTO SLEPEN VAN DEZE AUTO ACHTER EEN ANDERE AUTO VEILIGHEID Sleepmethode Wielen VAN de grond STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN Slepen met alle wielen op de grond NOODGEVALLEN Slepen met behulp van een wiellift of dolly SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 292 Autoambulance GEEN UITVOERINGEN MET VOORWIELAANDRIJVING - HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK • Transmissie in de stand NEUTRAL • Contact in stand ACC of ON/RUN Achter NIE
Uitvoeringen met voorwielaandrijving (FWD) handgeschakelde versnellingsbak Auto's met voorwielaandrijving en handgeschakelde versnellingsbak mogen met alle vier de wielen op de grond worden gesleept tot de wettelijk toegestane snelheid, zonder afstandsbeperking, als de handgeschakelde versnellingsbak in de neutraalstand staat en het contact in de stand ACC of ON/RUN.
WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN UW AUTO INSTRUMENTENGROEP (afb. 162) VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD (afb.
BESCHRIJVINGEN INSTRUMENTENGROEP 1. Waarschuwingslampje voor het airbagsysteem Het lampje gaat ter controle vier tot acht seconden branden nadat u de contactschakelaar de eerste keer in de stand ON/RUN hebt gezet. Wanneer het lampje niet brandt tijdens het starten, blijft branden of gaat branden tijdens het rijden, moet het systeem zo snel mogelijk door een erkende dealer worden nagekeken. Raadpleeg “Veiligheidsgordelsystemen” in “Veiligheid” voor meer informatie. 2.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 296 3. Controle-/storingslampje ESP (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Het controle-/storingslampje van het elektronisch stabiliteitsregelsysteem (ESP) in de instrumentengroep gaat branden wanneer de contactschakelaar in de stand ON/RUN wordt gezet. Als de motor draait, behoort dit lampje uit te gaan.
6. Controlelampje mistlampen vóór (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Dit lampje gaat branden wanneer de mistlampen vóór zijn ingeschakeld. (Raadpleeg "Verlichting" in "Uw auto" voor meer informatie.) 7. Scherm kilometerteller/elektronisch voertuiginformatiecentrum (EVIC) Kilometerteller De kilometerteller geeft het aantal kilometers aan dat de auto in totaal heeft gereden.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 298 Uw voertuig is ook uitgerust met een controlelampje voor storingen van het bandenspanningscontrolesysteem, dat gaat branden wanneer het systeem niet goed werkt. Het controlelampje voor storingen van het bandenspanningscontrolesysteem werkt in combinatie met het bandenspanningslampje.
10. Waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordels Dit lampje gaat ter controle vier tot acht seconden branden nadat u de contactschakelaar de eerste keer in de stand ON/RUN hebt gezet. Als tijdens deze gloeilampcontrole de veiligheidsgordel voor de bestuurder niet is vastgegespt, hoort u een geluidssignaal. Als de gordel ook na de gloeilamptest of tijdens het rijden nog niet is vastgegespt, gaat het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordels knipperen of continu branden.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 300 OPMERKING: Het lampje kan bij het nemen van een scherpe bocht even knipperen, doordat dan het vloeistofpeil verandert. Breng de auto naar de dealer voor onderhoud en laat het remvloeistofpeil controleren. Als een storing van het remsysteem wordt aangegeven, laat de auto dan onmiddellijk repareren.
Als het ABS-lampje tijdens het rijden blijft of gaat branden, wijst dit erop dat het ABS-gedeelte van het remsysteem niet functioneert en dat onderhoud noodzakelijk is. Het gewone remsysteem zal echter normaal functioneren, zolang het remwaarschuwingslampje niet brandt. Wanneer het ABS-lampje brandt, moet u het remsysteem zo spoedig mogelijk laten controleren om weer van de voordelen van ABS te kunnen profiteren. Controleer het ABS-waarschuwingslampje regelmatig om er zeker van te zijn dat het goed werkt.
NOODGEVALLEN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 302 STARTEN MET STARTKABELS Wanneer de accu van uw auto leeg is, kan de motor met behulp van een set startkabels en een accu in een andere auto, of met een draagbare snellader weer worden gestart. Bij onjuist gebruik kan het starten met startkabels gevaarlijk zijn. Houd u daarom zorgvuldig aan de hier beschreven procedures.
WAARSCHUWING! • Pas op voor de radiateurventilator wanneer de motorkap is geopend.Als het contact is ingeschakeld, kan deze ventilator op elk moment gaan draaien. Er bestaat gevaar voor letsel door draaiende ventilatorbladen. • Verwijder alle metalen sieraden zoals ringen, horloges en armbanden die onbedoeld elektrisch contact kunnen maken. Dit kan ernstig letsel veroorzaken. • Accu's bevatten zwavelzuur dat in uw huid en ogen kan branden en ze produceren waterstofgas dat ontvlambaar en explosief is.
2. Sluit het andere einde van de pluskabel (+) aan op de pluspool (+) van de hulpaccu. 7. Koppel het andere einde van de minkabel (-) van de startkabel los van de minpool (-) van de hulpaccu. 3. Sluit het einde van de minkabel (-) van de startkabel aan op de minpool (-) van de hulpaccu. 8. Koppel de pluskabel (+) van de startkabel los van de pluspool (+) van de hulpaccu. VEILIGHEID 4. Sluit het andere einde van de minkabel (-) aan op de externe minpool (-) van de auto met de lege accu. 9.
AANHAALMOMENTEN VOOR WIELEN Het juiste aanhaalmoment voor de wielmoeren/bouten is van het grootste belang om te verzekeren dat het wiel juist is gemonteerd op het voertuig. Telkens wanneer een wiel is verwijderd en teruggeplaatst op het voertuig, moeten de wielmoeren/bouten worden aangehaald met een juist gekalibreerde momentsleutel. Inspecteer het wielmontagevlak voordat u de band monteert en verwijder eventuele roest- of losse deeltjes. (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN Trek de wielmoeren/-bouten in stervolgorde aan totdat iedere moer/bout twee keer aangetrokken is. (afb. 165) Controleer na 40 km het aanhaalmoment van de wielmoeren/-bouten om er zeker van te zijn dat alle wielmoeren/-bouten goed tegen het wiel aanliggen.
Bergplaats krik De krik en de slinger worden opgeborgen onder een deksel in het opbergvak achterin in de laadruimte. (afb. 166) Plaats van het reservewiel De reserveband wordt onder de achterkant van de auto opgeborgen en wordt op zijn plaats gehouden door een kabellierinrichting. UW AUTO Voorbereidingen voor het opkrikken VEILIGHEID 1. Parkeer de auto op een stevige en vlakke ondergrond, zo ver mogelijk verwijderd van de weg. Vermijd een gladde ondergrond.
UW AUTO 6. Blokkeer de voor- en achterkant van het wiel schuin tegenover het gebruikte krikpunt. Wanneer u bijvoorbeeld het rechtervoorwiel vervangt, blokkeert u het linkerachterwiel. VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN OPMERKING: Laat geen passagiers in de auto zitten wanneer deze wordt opgekrikt. OPMERKING: Monteer onderdelen 2 en 3; dit doet u door de kleine kogel aan het uiteinde van onderdeel 2 in het gaatje aan het uiteinde van onderdeel 3 aan te brengen.
2. Breng de in elkaar gezette krikhendel aan op de lieraandrijfmoer die zich in de bergplaats voor de krik bevindt. Draai de krikhendel naar links tot de reserveband op de grond rust met voldoende speling in de kabel om de reserveband van zijn plaats onder het voertuig te trekken. 4. Kantel de houder aan het eind van de lierkabel en verwijder deze uit het midden van het wiel. (afb. 168) UW AUTO VEILIGHEID Het liermechanisme mag alleen worden gebruikt met de krikhendel.
Opbergruimte reservewiel UW AUTO OPMERKING: Raadpleeg "Reservewiel verwijderen" voor informatie over het monteren van het liergereedschap. VEILIGHEID 1. Zet het reservewiel naast de lierkabel. Houd het reservewiel zodanig rechtop dat het loopvlak op de grond rust en het ventiel zich boven aan het wiel bevindt en niet naar de achterkant van de auto wijst. STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 310 2.
WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Gebruik de krik alleen op de aangegeven plaatsen en alleen om de auto op te krikken voor het verwisselen van banden. • Wees uiterst voorzichtig als u de band moet verwisselen op of langs de weg. • Om de reservebanden, plat of opgeblazen, veilig op te bergen, moeten ze met het ventiel naar beneden gericht worden opgeborgen. (afb. 169) Probeer niet om de auto op te krikken op andere plaatsen dan de aangegeven plaatsen in de instructies voor het opkrikken van deze auto. (afb.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN 3. Plaats de krik onder het krikpunt dat zich het dichtst bij de lekke band bevindt. Centreer de krikkop tussen de inkepingen in de dorpelbalk. Draai de krikschroef rechtsom totdat de bovenkant van de krik stevig aangrijpt in het krikpunt op de dorpelbalk. (afb. 171) (afb. 172) (afb. 173) (afb. 174) 4. Krik het voertuig op door de krikas naar rechts te draaien met de slinger.
WAARSCHUWING! Als u de auto hoger opkrikt dan noodzakelijk, zal hij minder stabiel staan. De auto kan van de krik glijden en zo ernstig letsel veroorzaken. Krik de auto slechts zo ver op als nodig is om het wiel te verwijderen. 5. Verwijder de wielmoeren. Verwijder de wieldop, indien aanwezig, van het wiel met de hand. Wrik de wieldop niet los. Trek vervolgens het wiel los van de wielnaaf. WAARSCHUWING! Om persoonlijk letsel te voorkomen, dient u de wieldoppen voorzichtig te hanteren.
OPMERKING: UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 314 • Installeer geen sierdop of wieldop op het compacte reservewiel. • Raadpleeg de paragrafen "Compact reservewiel" en "Reservewiel voor beperkt gebruik" onder "Banden — algemene informatie" in het hoofdstuk "Technische specificatie" voor meer waarschuwingen, voorzorgsmaatregelen en informatie over het reservewiel, het gebruik en de werking ervan. 7.
ORIGINEEL WIEL MONTEREN Auto's uitgerust met wieldoppen 1. Monteer het originele wiel op de as. 2. Breng om het monteren van stalen wielen met wieldoppen gemakkelijker te maken twee wielmoeren aan op de tapeinden die zich aan beide zijden van het ventiel bevinden. Breng de wielmoeren aan met het conusvormige uiteinde van de moer in de richting van het wiel. Haal de wielmoeren licht aan. 3. Zet de ventieluitsparing in de wieldop in lijn met het ventiel op het wiel.
UW AUTO VEILIGHEID WAARSCHUWING! Om te voorkomen dat de auto door de op de krik uitgeoefende kracht verschuift, mogen de wielmoeren pas definitief worden vastgezet als de auto weer vast op de grond staat.Als u deze waarschuwing niet opvolgt, kan dit ernstig letsel tot gevolg hebben. STARTEN EN RIJDEN 5. Laat de auto zakken tot op de grond door de slinger linksom te draaien. WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN SERVICE EN ONDERHOUD 6. Zet de wielmoeren stevig vast.
TIREFIT-SET(voor bepaalde uitvoeringen/landen) Klein gaatjes (tot 6 mm) in het loopvlak van de band kunnen worden gedicht met TIREFIT. Voorwerpen, zoals als spijkers en schroeven, mogen niet uit de band worden verwijderd. TIREFIT kan worden gebruikt bij buitentemperaturen tot ongeveer -20 °C. ONDERDELEN EN GEBRUIK VAN DE TIREFIT-SET (afb. 177) UW AUTO 1. Fles met afdichtingsmiddel 2. Knop voor leeglaten VEILIGHEID 3.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 318 Gebruik van de functieregelknop en slangen Uw TIREFIT-set is voorzien van de volgende symbolen, die de lucht- en afdichtfunctie aangeven. • Luchtfunctie selecteren Druk de functieregelknop (5) in en draai hem naar de stand voor alleen luchtpompbediening. Gebruik de zwarte luchtpompslang (7) wanneer u deze functie selecteert.
• U kunt de luchtpomp van TIREFIT gebruiken om fietsbanden op te pompen. De set bevat tevens twee naalden, die zich in de opbergruimte voor toebehoren (aan de onderkant van de luchtpomp) bevinden, waarmee u ballen, luchtbedden of andere opblaasbare voorwerpen kunt oppompen. Gebruik uitsluitend de zwarte luchtpompslang (7) en zorg ervoor dat de functieregelknop (5) op de luchtmodus is afgesteld als zulke voorwerpen worden opgepompt om te voorkomen dat ze worden ingespoten met afdichtingsmiddel.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 320 WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Voorkom dat TIREFIT in contact komt met uw haar, ogen of kleding. TIREFIT is schadelijk bij inademen, inslikken en huidcontact. Het veroorzaakt irritatie van de huid, ogen en luchtwegen. Spoel onmiddellijk met veel water na eventuele aanraking met de ogen of de huid.
(B) Voorbereiding op het gebruik van TIREFIT: 1. Druk de functieregelknop (5) in en draai hem naar de stand voor de afdichtingsfunctie. 2. Rol de afdichtingsslang (6) uit en verwijder de dop van de fitting aan het uiteinde van de slang. 3. Zet de TIREFIT-set recht op de grond, naast de lekke band. 4. Verwijder het dopje van het ventiel en schroef de fitting aan het uiteinde van de afdichtingsslang (6) op het ventiel. 5. Maak de stekker (8) los en steek de stekker in de 12 Volt-aansluiting van de auto.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 322 Als er afdichtingsmiddel (witte vloeistof ) door de afdichtingsslang (6) stroomt: Als de band niet binnen 15 minuten wordt gevuld tot een druk van ten minste 1,8 bar: 1. Laat de pomp werken totdat er geen afdichtingsmiddel meer door de slang stroomt (dit duurt meestal 30 tot 70 seconden).
• De metalen fitting van de stekker (8) kan na gebruik heet zijn en moet daarom voorzichtig worden gehanteerd. • Als u de dop niet op de fitting aan het uiteinde van de afdichtingsslang (6) aanbrengt,kan afdichtingsmiddel in aanraking komen met uw huid, kleiding en het interieur van de auto.Ook kan dan afdichtingsmiddel in contact komen met interne onderdelen van de TIREFIT-set, waardoor de set onherstelbaar beschadigd kan raken.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN OPMERKING: Druk, als de band een te hoge spanning heeft, op de knop Deflation (leeglopen) om de bandenspanning te verminderen tot de voorgeschreven bandenspanning voordat u verder gaat. 2. Koppel de TIREFIT-set los van het ventiel, breng de dop weer aan op het ventiel en verwijder de stekker uit de 12 Volt-aansluiting. 3. Berg de TIREFIT-set op de daarvoor bestemde plaats in de auto op. 4.
VERVANGENDE LAMPEN GLOEILAMPEN – Exterieur Alle interieurlampjen hebben een messing of glazen wigvormige fitting. Gloeilampen met aluminium fitting zijn niet goedgekeurd en mogen bij vervanging niet worden gebruikt. Dimlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . H11 Grootlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . HB3/9005 Richtingaanwijzer voor . . . . . . . . . . PY27W/3757AK Parkeerlicht vóór . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . W5W Mistlamp vóór . . . . . . . . . .
GLOEILAMPEN VERVANGEN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 326 OPMERKING: Onder bepaalde weersomstandigheden kunnen de lenzen beslaan. Normaliter lost dit zich weer op wanneer de weersomstandigheden veranderen en de condens weer verdampt. Het inschakelen van de lampen versnelt het ontwasemingsproces meestal. Laat lampen voor zover mogelijk vervangen door een FIAT-dealer.
MISTLAMP VÓÓR OPMERKING: Draai het stuur naar rechts als de mistlamp linksvoor wordt vervangen of naar links als de mistlamp rechtsvoor wordt vervangen zodat u makkelijker bij de voorkant van de wielkuip kunt. 1. Verwijder de houders waarmee het onderpaneel aan de voorkant van de wielholte zijn bevestigd en verwijder het toegangspaneel. 2. Trek de stekker los van het mistlamphuis. (afb. 179) 3.
MISTLAMP ACHTER UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN 1. Ga met uw hand achter de bumper boven de bumperversterking en druk op de houderklemmetjes op de mistlampbehuizing. (afb. 180) 6. Verwijder de lamp uit het contact en breng de nieuwe gloeilamp aan. 2. Neem de mistlampbehuizing van de bumper. 7. Houd de lipjes op de nieuwe achtermistlamp gelijk aan de sleuven in de kraag van de lampopening in de achterzijde van het mistlamphuis. 3.
ZIJKNIPPERLICHT De zijknipperlichten bevinden zich aan weerszijden in de spatbordpanelen vóór. 1. Duw de lens van de zijrichtingaanwijzer naar links en laat de veer vrijkomen en trek de lens daarna naar u toe. RICHTINGAANWIJZER ACHTER EN ACHTERUITRIJLAMP De achterlichtunits bestaan uit twee delen. De achterlichten / richtingaanwijzers bevinden zich in de units op de hoeken. De achterlichten en achteruitrijlampen bevinden zich in de achterklep. 2.
VEILIGHEID 3. Breng voorzichtig met één hand een bekledingspatel (plastic spatelvormig stuk gereedschap) aan tussen het carrosseriepaneel en de buitenzijde van het achterlichthuis en pak de flens aan de binnenzijde van het achterlichthuis met de andere hand vast. Druk met de spatel en uw hand het achterlichthuis los. STARTEN EN RIJDEN 4. Draai de fitting van de betreffende gloeilamp een kwart slag linksom en neem de gloeilamp uit het achterlichthuis.
4. Draai de elektrische fitting van de overeenkomstige lamp een kwart slag naar links en verwijder deze uit de behuizing. 5. Verwijder de lamp uit het contact en breng de nieuwe gloeilamp aan. 6. Installeer de gloeilamp met fitting in de behuizing en draai de fitting een kwart slag naar rechts om deze op zijn plaats te vergrendelen. 7. Breng het achterlichthuis en de bevestigingen aan. KENTEKENVERLICHTING 1.
ZEKERINGEN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 332 WAARSCHUWING! • Vervang doorgebrande zekeringen uitsluitend door exemplaren met dezelfde ampèrewaarde.Vervang een zekering nooit door een zekering met een hogere ampèrewaarde. Vervang een doorgebrande zekering nooit door een metalen draad of enig ander materiaal.
Locatie Patroonzekering Minizekering 10 A rood F107 15 A blauw 10 A rood 10 A rood 10 A rood F108 F109 F110 F112 F114 20 A geel F115 20 A geel F116 F117 F118 F119 30 A roze 10 A rood 10 A rood 10 A rood Omschrijving Achteruitrijcamera – Voor bepaalde uitvoeringen/landen Instrumentenpaneel Airconditioning / HVAC Regelaar voor vasthouden inzittende Reserve Aanjager / motor airconditioning achterin Motor achterruitwisser Achteruitverwarming (EBL) Verwarmde buitenspiegels Regelaar voor vasthouden inz
Patroonzekering Minizekering UW AUTO Locatie VEILIGHEID F130 15 A blauw F131 10 A rood STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN F132 F133 10 A rood 10 A rood Omschrijving ZEKERINGEN ONDER MOTORKAP (STROOMVERDEELKAST) In de motorruimte bevindt zich een stroomverdeelkast. (afb.
Locatie F101 F102 F103 F105 F106 F139 F140 F141 Patroonzekering 60 A geel 60 A geel 60 A geel 60 A geel 60 A geel 40 A groen 30 A roze 40 A groen F142 40 A groen F143 40 A groen Minizekering Omschrijving Rail stroomverdeelkast interieur Rail stroomverdeelkast interieur Rail stroomverdeelkast interieur Rail stroomverdeelkast interieur, relais ontsteking Rail stroomverdeelkast interieur, relais contact aan / accessoires Aanjager klimaatregeling Centrale portiervergrendeling ABS-systeem Gloeibougies
Patroonzekering Minizekering UW AUTO Locatie VEILIGHEID F156 10 A rood F157 10 A rood F158 10 A rood STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES F160 F161 F162 F163 INHOUD 336 10 A rood 20 A geel 20 A geel F159 50 A rood 50 A rood Omschrijving Module rem / elektronisch stabiliteitsregelsysteem (ESP) Module verdeelbak – Voor bepaalde uitvoeringen/landen Module actieve motorkap – Voor bepaalde uitvoeringen/landen Locatie P
Locatie Patroonzekering SCHAKELHENDEL ONTGRENDELEN Minizekering 30 A groen 10 A rood F175 F176 20 A geel F177 F178 25 A blanco F179 10 A rood F181 100 A blauw F182 50 A rood F184 30 A roze Omschrijving Reserve Als zich een storing voordoet en de schakelhendel niet uit de stand PARK kan worden bewogen, dan kunt u de volgende procedure uitvoeren om de schakelhendel tijdelijk te kunnen bewegen: 1. Zet de motor af.
EEN VASTZITTENDE AUTO WEER 5. Steek een schroevendraaier of soortgelijk klein ge- VRIJKRIJGEN 4. Houd het rempedaal stevig ingetrapt. UW AUTO reedschap in de opening en houd het ontgrendelmechanisme naar voren gedrukt. VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 338 6. Beweeg de schakelhendel naar de stand NEUTRAL. 7. De motor kan dan in de stand NEUTRAL worden gestart. 8.
• Het overmatig laten oplopen van het toerental van de motor of het laten doorslippen van de wielen kan leiden tot oververhitting en beschadiging van de versnellingsbak. Laat de motor ten minste één minuut stationair draaien met de keuzehendel in de stand NEUTRAL telkens nadat de auto vijf keer heen en weer is bewogen. Zo voorkomt u oververhitting en vermindert u het risico op schade aan de versnellingsbak bij langdurige pogingen om de auto vrij te krijgen.
SLEEPOOG UW AUTO Uw auto is uitgerust met een sleepoog dat kan worden gebruikt voor het slepen van een auto met pech. (afb. 188) VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWING! Blijf op afstand van auto's die gesleept worden. Sleepbanden en -kettingen kunnen breken en zo ernstig letsel toebrengen. WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD (afb.
GEBRUIK VAN HET SLEEPOOG VOOR De aansluiting voor het sleepoog voor bevindt zich rechtsonder op het frontpaneel. GEBRUIK VAN HET SLEEPOOG ACHTER De aansluiting voor het sleepoog achter bevindt zich achter een klep op de bumperbeschermer linksachter. Om het sleepoog te plaatsen verwijdert u de rubber plug en brengt u het sleepoog in de aansluiting aan. Om het sleepoog te plaatsen opent u de klep met een autosleutel of smalle schroevendraaier, en leidt u het sleepoog door de aansluiting.
SLEPEN VAN EEN AUTO MET PECH UW AUTO VEILIGHEID In dit hoofdstuk worden de procedures beschreven voor het slepen van een auto met pech door een wegsleepbedrijf.
Wanneer u tijdens het slepen accessoires wenst te gebruiken (ruitenwissers, ruitontdooier, enz.), dient de contactschakelaar in stand ON/RUN te staan en niet in stand ACC. Wanneer de accu van de auto leeg is, raadpleeg dan de paragraaf "Schakelhendel ontgrendelen" in dit hoofdstuk voor instructies over hoe u de automatische versnellingsbak uit de stand PARK haalt om het voertuig te kunnen slepen. • Gebruik geen takelsysteem met sleeplus om de auto te slepen. Dit kan het bumperpaneel beschadigen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 344 UITVOERINGEN MET VOORWIELAANDRIJVING (FWD) HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK De fabrikant raadt aan de auto op een autoambulance te vervoeren (alle wielen VAN de grond). UITVOERINGEN MET VOORWIELAANDRIJVING (FWD) — AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK De fabrikant raadt aan de auto op een autoambulance te vervoeren (alle wielen VAN de grond).
SERVICE EN ONDERHOUD ONDERHOUDSSCHEMA OPMERKING: ONDERHOUDSSCHEMA — BENZINEMOTOR De geplande onderhoudsbeurten in deze handleiding moeten op de aangeduide tijdstippen of kilometerstanden worden uitgevoerd om uw garantie te behouden en optimale betrouwbaarheid en prestaties van de auto te garanderen. Bij veeleisend gebruik, bijvoorbeeld door het rijden in stoffige omgevingen of veel korte ritten, is mogelijk meer onderhoud vereist.
In duizenden kilometers 24 48 72 96 120 144 168 192 Maanden 12 24 36 48 60 72 84 96 UW AUTO Motorolie verversen en oliefilter vervangen (*). VEILIGHEID PCV-klep controleren en zo nodig vervangen. Accustatus controleren en zo nodig bijladen. STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 346 Banden op conditie/slijtage controleren en bandenspanning indien nodig corrigeren.
In duizenden kilometers 24 48 72 96 120 144 168 192 Maanden 12 24 36 48 60 72 84 96 • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • STARTEN EN RIJDEN • WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN Conditie en slijtage van de remblokken vóór controleren. Conditie en slijtage van de remblokken achter controleren. Vloeistofniveaus (remmen/hydraulische koppeling, ruitensproeier, accu, koelvloeistof, enz.) controleren en, indien nodig, vloeistof bijvullen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN In duizenden kilometers 24 48 72 96 120 144 168 192 Maanden 12 24 36 48 60 72 84 96 Vloeistof in het achterdifferentieel (RDA) verversen (voor bepaalde uitvoeringen/landen). Vloeistof in de verdeelbak (PTU) verversen (voor bepaalde uitvoeringen/landen).
Gebruik van auto onder zware omstandigheden Als de auto hoofdzakelijk onder een van de volgende omstandigheden wordt gebruikt: • visuele controle uitvoeren van de conditie van de hulpaandrijfriemen; • trekken van aanhanger of caravan; • pollenfilter controleren en indien nodig vervangen; • stoffige wegen; • luchtfilter controleren en indien nodig vervangen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 350 De auto is uitgerust met een indicator voor olieverversing. Het bericht "Oil Change Required"(olie verversen) knippert ongeveer 10 seconden in het EVICscherm na één geluidsignaal om de volgende oliebeurt aan te geven.
In duizenden kilometers 30 60 90 120 150 180 Maanden 24 48 72 96 120 144 • • • • • • Werking van het ruitensproeiersysteem controleren en, indien nodig, de sproeiers afstellen. Conditie en slijtage van de remblokken vóór controleren. Conditie en slijtage van de remblokken achter controleren. Conditie en visuele controle: buitenzijde carrosserie, chassisbescherming, pijpen en slangen (uitlaat, brandstofsysteem, remsysteem), rubberdelen (hoezen, manchetten enz.
In duizenden kilometers 30 60 90 120 150 180 Maanden 24 48 72 96 120 144 • • • • • • • • • • • • UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 352 Accustatus controleren en zo nodig bijladen. Werking motorsysteem controleren (via diagnosestekker). Visuele controle van de conditie van de hulpaandrijfriem. • • Hulpaandrijfriemen vervangen. • Toestand van distributieriem controleren.
In duizenden kilometers 30 60 90 120 150 180 Maanden 24 48 72 96 120 144 Vloeistof in de verdeelbak (PTU) verversen (voor bepaalde uitvoeringen/landen). Vloeistof voor automatische versnellingsbak verversen en filter vervangen (voor bepaalde uitvoeringen/ landen) (#). (*) Als er minder dan 10.000 km per jaar met de auto wordt gereden, moet om de 12 maanden de motorolie worden ververst en het oliefilterelement worden vervangen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 354 • werking van verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, enz.); U dient de volgende inspecties vaker uit te voeren dan is aangegeven in het onderhoudsschema: • werking van ruitenwissers/-sproeiers, stand en slijtage van voor- en achterwisserbladen. • remblokken vóór op conditie en slijtage contoleren; Controleer na elke 3.
MOTORCOMPARTIMENT — 2,4-LITER BENZINE (afb. 191) UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD (afb.
MOTORCOMPARTIMENT — 3,6-LITER BENZINE UW AUTO (afb. 192) VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 356 (afb.
MOTORCOMPARTIMENT — 2,0-LITER DIESEL (afb. 193) UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES (afb.
ONDERHOUDSPROCEDURES UW AUTO De volgende pagina's bevatten de vereiste onderhoudswerkzaamheden zoals vastgesteld door de fabrikant van uw auto. VEILIGHEID Naast de onderhoudsaspecten die worden vermeld in het onderhoudsschema zijn er mogelijk ook andere componenten die op een later tijdstip onderhoud vereisen of vervangen moeten worden.
MOTOROLIE Oliepeil controleren – benzinemotor Om een optimale smering van de motor te waarborgen, moet het juiste motoroliepeil gehandhaafd blijven. Controleer het oliepeil daarom regelmatig, bijvoorbeeld bij elke tankstop. Het ideale tijdstip voor een controle van het motoroliepeil is ongeveer vijf minuten nadat een volledig opgewarmde motor is uitgezet. Controleer het oliepeil niet voordat u de motor start, wanneer de auto een nacht niet gebruikt is.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 360 Laat het onderhoud van uw auto over aan een FIAT-dealer. Voor routineonderhoud en klein onderhoud dat u zelf wilt uitvoeren, raden wij u aan om het juiste gereedschap, originele reserveonderdelen van FIAT en de vereiste vloeistoffen te gebruiken.Voer geen onderhoud uit als u geen ervaring hebt.
Afvoeren van afgewerkte motorolie en oliefilters Wees zorgvuldig bij het afvoeren van afgewerkte motorolie en een gebruikte motoroliefilter. Onzorgvuldig afgevoerde olie en motoroliefilters kunnen een belasting voor het milieu vormen. Neem contact op met uw erkende dealer, vakgarage of de gemeentelijke overheid voor advies over het afvoeren van afgewerkte olie en oliefilters. LUCHTFILTER Raadpleeg het hoofdstuk "Onderhoudsschema" voor de juiste onderhoudsintervallen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 362 WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Accugas is brandbaar en explosief. Houd open vuur of vonken daarom altijd uit de buurt van de accu.Gebruik geen hulpaccu of andere acculader van meer dan 12 volt. Zorg dat de kabelklemmen elkaar niet raken. • Accupolen, accuklemmen en toebehoren bevatten lood en loodhoudende stoffen.
WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Het aircosysteem bevat een koudemiddel onder hoge druk. Om persoonlijk letsel of schade aan het systeem te voorkomen mag het bijvullen van koudemiddel, of andere reparaties waarbij leidingen moeten worden losgekoppeld, alleen worden uitgevoerd door een vakbekwame monteur. Koudemiddel opvangen en recyclen Het airconditioningsysteem van uw auto bevat R-134a, een koudemiddel dat de ozonlaag niet aantast.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Het luchtfilter van het aircosysteem bevindt zich in de luchtinlaat achter het handschoenenkastje. Volg de onderstaande stappen om het filter te vervangen: 1. Open het handschoenenkastje en neem alle voorwerpen eruit. 2. Druk het lipje aan weerszijden van het handschoenenkastje naar binnen en trek tegelijkertijd zachtjes aan het klepje van het handschoenenkastje tot beide lipjes vrijkomen en het klepje opengaat op het instrumentenpaneel. (afb.
Het luchtfilter van de airco is voorzien van een pijl die de richting van de luchtstroom door het filter aangeeft. Als het filter niet op de juiste wijze wordt geïnstalleerd, moet het wellicht vaker worden vervangen. 7. Plaats het klepje van het handschoenenkastje weer terug. Zorg dat de scharnieren volledig op hun plaats zitten als u het klepje omhoog doet. Anders klikt het veerslot niet goed dicht.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN OPMERKING: De levensduur van ruitenwisserbladen is afhankelijk van de geografische regio en de mate van gebruik. Wanneer u merkt dat de ruitenwissers klapperen of (water)sporen of natte plekken achterlaten, dan duidt dit op een slechte werking van de ruitenwisserbladen. Wanneer een van deze symptomen zich voordoet, reinig of vervang dan de ruitenwisserbladen.
4. Plaats de scharnierpen in de bladhouder aan het uitende van de ruitenwisserarm, druk het ruitenwisserblad stevig aan tot deze op zijn plaats schiet. 5. Kantel het ruitenwisserblad omlaag en breng de kap op het scharnier op zijn plaats. RUITENSPROEIERVLOEISTOF BIJVULLEN De ruitensproeiers vóór en achter maken gebruik van hetzelfde vloeistofreservoir. Het vloeistofreservoir bevindt zich in de motorruimte. Controleer regelmatig de inhoud van het reservoir.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 368 UITLAATSYSTEEM De beste bescherming tegen koolmonoxidevergiftiging is een goed onderhouden uitlaatsysteem.
• De motor niet voor langere tijd in zijn vrij laten lopen terwijl de aansluitingen van de bobine zijn losgekoppeld. KOELSYSTEEM WAARSCHUWING! • Als u werkzaamheden gaat verrichten in de buurt van de radiatorventilator, moet u de ventilatormotor loskoppelen of de contactschakelaar in de stand LOCK zetten. De ventilator is temperatuurgeregeld en kan op elk moment gaan draaien indien de contactschakelaar in de stand ON staat.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 370 Koelsysteem – aftappen, spoelen en bijvullen Raadpleeg het hoofdstuk "Onderhoudsschema" voor de juiste onderhoudsintervallen. Reinig het koelsysteem met een betrouwbaar reinigingsmiddel als de koelvloeistof vuil is of als er veel bezinksel aanwezig is. Voer daarna een grondige spoelbeurt uit om alle afzettingen en chemicaliën te verwijderen.
Keuze van koelvloeistof – dieselmotor Gebruik uitsluitend door de fabrikant aanbevolen koelvloeistof (antivries). Raadpleeg "Vloeistoffen, smeermiddelen en originele onderdelen" in "Technische gegevens" voor meer informatie. • Gebruik geen HOAT (Hybride Organische Additief Technologie) producten in dieselmotoren. • Gebruik geen OAT-producten (Organische additieventechnologie) die 2-EH (2–ethylhexanol) bevatten. • Gebruik niet gewoon water of een product op basis van alcohol (antivries).
VEILIGHEID Koelvloeistof bijvullen – dieselmotor Uw auto wordt af-fabriek geleverd met een verbeterde koelvloeistof (antivries) die grotere onderhoudsintervallen mogelijk maakt. Om te vermijden dat dit grotere onderhoudsinterval wordt verkleind, moet u altijd dezelfde koelvloeistof gebruiken. STARTEN EN RIJDEN Het is de taak van de eigenaar van de auto om de concentratie van de koelvloeistof aan te passen aan de buitentemperatuur.
Koelvloeistofpeil De radiator is normaliter helemaal gevuld. Het is dus niet nodig de radiatordop te openen, behalve om de antivriesconcentratie te controleren of de koelvloeistof te verversen. Maak uw monteur hierop attent. Zolang de bedrijfstemperatuur van de motor in orde is, hoeft u het koelvloeistofreservoir slechts eenmaal per maand te controleren. Wanneer u koelvloeistof moet bijvullen, moet u dat doen via de vulopening van het expansiereservoir. Vul nooit te veel vloeistof bij.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 374 REMSYSTEEM Om altijd optimale remprestaties te waarborgen, moeten alle onderdelen van het remsysteem regelmatig worden gecontroleerd. Raadpleeg het hoofdstuk "Onderhoudsschema" voor de juiste onderhoudsintervallen. WAARSCHUWING! Rijden met uw voet op het rempedaal is gevaarlijk en kan leiden tot ongevallen.
OPMERKING: Als uw auto met een handgeschakelde versnellingsbak is uitgerust, levert het remvloeistofreservoir de vloeistof voor zowel het remsysteem als voor het koppelingssysteem. Beide systemen worden in het reservoir gescheiden, een lek in het ene systeem heeft geen invloed op het andere systeem. Voor het koppelingssysteem van de handgeschakelde versnellingsbak is het niet nodig de vloeistof te vervangen tijdens de levensduur van de auto.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 376 WAARSCHUWING! (Vervolgd) • Het bijvullen van het vloeistofreservoir met te veel remvloeistof kan leiden tot het morsen van vloeistof op hete motoronderdelen, waardoor de remvloeistof vlam kan vatten. Remvloeistof kan ook schade toebrengen aan gelakte oppervlakken en vinyl. Let er daarom op dat er geen remvloeistof op deze oppervlakken terecht komt.
Spoel de versnellingsbak niet met chemicaliën, omdat deze de versnellingsbak kunnen beschadigen. Dergelijke schade wordt niet gedekt door de standaardgarantie. Vloeistofpeil controleren - Zestraps versnellingsbak De vloeistof is in de fabriek op het juiste peil gebracht en vereist onder normale gebruiksomstandigheden geen aanpassingen. Het is niet nodig om het vloeistofpeil regelmatig te controleren, daarom is de vulbuis van de versnellingsbak afgesloten met een dop en is geen peilstok aanwezig.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 378 3. Trek de handrem zo ver mogelijk aan en trap het rempedaal in. 4. Plaats de schakelhendel heel kort in iedere versnelling (wacht totdat iedere versnelling goed aangrijpt) en zet de schakelhendel ten slotte in PARK. 5. Veeg de omgeving van de peilstok schoon om te voorkomen dat vuil in de versnellingsbak terechtkomt. 6.
• Wanneer u een andere transmissievloeistof gebruikt dan wordt aanbevolen door de fabrikant,kan de schakelwerking van de versnellingsbak afnemen en/of grijpt de koppelomvormer schokkend aan en moeten vloeistof en filter vaker worden ververst resp. vervangen. Raadpleeg "Vloeistoffen, smeermiddelen en originele onderdelen" in "Technische gegevens" voor de specificaties van vloeistoffen. • Vuil en water in de versnellingsbak kunnen ernstige schade aanbrengen.
UW AUTO VEILIGHEID Indien nodig moet vloeistof worden bijgevuld tot aan het juiste niveau. VERZORGING VAN DE AUTO EN BESCHERMING TEGEN ROEST Verversingsinterval vloeistoffen Raadpleeg het hoofdstuk "Onderhoudsschema" voor de juiste onderhoudsintervallen. Carrosserie en lak beschermen tegen roest De aandacht die aan de carrosserie moet worden besteed is sterk afhankelijk van de weersinvloeden en het gebruik van de auto.
Oorzaken van corrosie Corrosie ontstaat als de lak en beschermende coatings op uw auto zijn aangetast of loslaten. De meest voorkomende oorzaken zijn: Gebruik nooit schurende of sterke reinigingsmiddelen zoals staalwol of schuurpoeder. Deze veroorzaken krassen op het metaal en de lak. • Strooizout, vuil en achterblijven van vocht. Speciale verzorging • Steenslag.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 382 • Wanneer u speciale ladingen met chemicaliën, kunstmest, zout, enz., vervoert, let dan goed op of alles goed is verpakt en afgesloten. • Wanneer u vaak op grindwegen rijdt, raden wij u aan spatlappen bij ieder wiel te laten aanbrengen. • Gebruik Touch Up Paint of een gelijkwaardig product om krassen zo snel mogelijk bij te werken.
Verzorging van het interieur Dashboardbekleding De dashboardbekleding heeft een speciale antireflectielaag, zodat er geen hinderlijke weerspiegelingen in de voorruit ontstaan. Gebruik geen beschermproducten of andere middelen die een hinderlijke weerspiegeling veroorzaken. Gebruik zeepsop en warm water om de antireflectielaag te herstellen. Reiniging van interieurbekleding Gebruik een vochtige doek voor het reinigen van de interieurbekleding. Gebruik geen bijtende reinigingsproducten.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES Ruitoppervlakken Alle ruiten behoren regelmatig met een normale glasreiniger te worden gereinigd. Gebruik nooit schurende reinigingsmiddelen. Wees voorzichtig bij het schoonmaken van de binnenkant van de achterruit als deze voorzien is van een elektrische ontdooi-inrichting. Gebruik geen schrapers of andere scherpe voorwerpen die de elementen kunnen beschadigen.
STALLEN VAN DE AUTO ROULEREN VAN BANDEN Als u meer dan 21 dagen geen gebruik maakt van uw auto, wilt u misschien voorzorgsmaatregelen nemen ter bescherming van de accu. U kunt het volgende doen: De banden die gebruikt worden aan de voorzijde van de auto krijgen een andere belasting te verwerken dan de banden aan de achterzijde. De functies bij de besturing, de aandrijving en het remmen zijn verschillend. Hierdoor slijten de voor- en achterbanden onevenredig.
TECHNISCHE SPECIFICATIES UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN CHASSISNUMMER (VIN) Het chassisnummer (VIN) bevindt zich vooraan op de linkerhoek van het instrumentenpaneel en is van buitenaf door de voorruit zichtbaar. Dit nummer is ook ingeslagen op de dorpel van het portier rechtsvoor onder de sierlijst en staat verder op het label Motorvoertuiginformatie dat op een raam van het voertuig is bevestigd, op de voertuigregistratie en op de eigendomspapieren. (afb. 198) (afb.
BANDEN — ALGEMENE INFORMATIE Bandenspanning Voor de veiligheid en goede rijeigenschappen is een juiste bandenspanning absoluut noodzakelijk. Als de bandenspanning niet juist is, heeft dit de onderstaande gevolgen: Veiligheid WAARSCHUWING! • Een onjuiste bandenspanning is gevaarlijk en kan leiden tot ongelukken. • Bij een te lage bandenspanning veert de band te veel in en kan de band te warm worden en lek raken. • Bij een te hoge bandenspanning zal de band schokken op het wiel minder goed opvangen.
OPMERKING: UW AUTO • Een ongelijke bandenspanning tussen linker- en rechterbanden kan leiden tot een onnauwkeurige en onvoorspelbare besturing. VEILIGHEID • Ongelijke bandenspanning links en rechts kan leiden tot naar links of naar rechts trekken van de auto.
Bandenspanning bij hoge snelheden De fabrikant is een voorstander van het rijden met een veilige snelheid, binnen de geldende snelheidslimiet. Wanneer de snelheidslimiet en omstandigheden het toelaten om met hoge snelheden te rijden, is de juiste bandenspanning erg belangrijk. Mogelijk moet u de bandenspanning verhogen en de belading van de auto verminderen als u met hoge snelheden wilt rijden.
Type banden UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN Allseasonbanden (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Allseasonbanden bieden grip in alle seizoenen (lente, zomer, herfst en winter). De hoeveelheid grip kan tussen verschillende allseasonbanden variëren. Allseasonbanden zijn te herkennen aan de aanduiding M+S, M&S, M/S of MS op de wang van de band.
Run-flat-banden (voor bepaalde uitvoeringen/ landen) Run-flat-banden maken het mogelijk om 80 km te rijden met 80 km/u na een snel verlies van bandenspanning. Dit snelle verlies van spanning wordt de run-flatmodus genoemd. Een run-flat-modus treedt op bij een bandenspanning van 96 kPa of lager. Zodra een run-flatband de run-flat-modus bereikt, heeft deze slechts beperkte rij-eigenschappen en moet deze onmiddellijk worden vervangen. Een run-flat-band is niet te repareren.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 392 Compact reservewiel (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Het compacte reservewiel mag slechts tijdelijk en alleen in noodgevallen worden gebruikt. U kunt aan de beschrijving van het reservewiel op de band- en beladingsinformatiesticker op de portieropening aan bestuurderszijde of op de wang van de band zien of uw auto is uitgerust met een compact reservewiel.
Reservewiel voor beperkt gebruik (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Het reservewiel voor beperkt gebruik mag slechts tijdelijk en alleen in noodgevallen worden gebruikt. De omschrijving van de band bevindt zich op een sticker op het reservewiel voor beperkt gebruik. Op deze sticker worden de beperkingen voor het rijden met het reservewiel aangegeven. Het reservewiel lijkt op het oorspronkelijke wiel op de voor- of achteras van de auto, maar heeft andere eigenschappen.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN WAARSCHUWING! Het laten doorslippen van de wielen is gevaarlijk. De krachten die vrijkomen bij te hoge wielsnelheden kunnen de banden beschadigen of lek raken. Er kan een band exploderen,waardoor iemand gewond kan raken.Laat de wielen van uw auto niet met een hogere snelheid dan 48 km/u of langer dan 30 seconden continu doorslippen.
Levensduur van banden De levensduur van een band is afhankelijk van verschillende factoren, waaronder, maar niet beperkt tot: • Rijstijl • Bandenspanning • Gereden afstand • Prestatiebanden, banden met een snelheidsaanduiding V of hoger, en zomerbanden, hebben in de regel een kortere levensduur. Het wordt ten zeerste aanbevolen deze banden volgens het voertuigonderhoudsschema te rouleren.
UW AUTO Wij raden u aan contact op te nemen met de erkende bandenspecialist of dealer voor alle vragen omtrent de juiste band. Wanneer u een ander type band monteert, kan dat de veiligheid, de wegligging en het rijgedrag van uw auto nadelig beïnvloeden.
SNEEUWKETTINGEN Het gebruik van sneeuwkettingen vereist voldoende ruimte tussen band en wielkast. Volg deze aanbevelingen op om schade te voorkomen. • Sneeuwkettingen moeten qua maatvoering geschikt zijn voor de auto, zoals aanbevolen door de fabrikant van de sneeuwketting. • Uitsluitend gebruiken op de voorwielen. • Gebruik vanwege de beperkte ruimte bij bandenmaat 225/65R17 102h sneeuwkettingen of tractiehulpmiddelen die maximaal 6 mm boven het bandenprofiel uitsteken.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 398 BRANDSTOFVEREISTEN — BENZINEMOTOR Alle motoren voldoen aan alle emissie-eisen, hebben een laag brandstofverbruik en bieden optimale rijeigenschappen als u hoogwaardige loodvrije benzine met een minimum octaangehalte (RON) van 91 gebruikt. Licht pingelen bij lage motortoerentallen is niet schadelijk voor de motor.
van gebruik van methanol/benzine of E-85ethanolmengsels is de fabrikant niet aansprakelijk. Hoewel MTBE een zuurstofverbinding op basis van methanol is, heeft het niet de negatieve effecten van methanol. Het gebruik van brandstof met een ethanolgehalte van meer dan 10% kan motordefecten, start- en rijproblemen, en aantasting van materialen veroorzaken. Deze nadelige werking kan blijvende schade aan uw auto tot gevolg hebben.
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 400 WAARSCHUWING! Koolmonoxide (CO) in uitlaatgassen is dodelijk. Volg de onderstaande voorschriften om koolmonoxidevergiftiging te voorkomen: • Adem nooit uitlaatgassen in. Deze bevatten namelijk koolmonoxide, een kleur- en reukloos gas dat dodelijk kan zijn.
VLOEISTOFINHOUD UW AUTO Metrisch Brandstof (ongeveer) Uitvoeringen met voorwielaandrijving Uitvoeringen met aandrijving op alle wielen Motorolie met filter 2,4-liter motor 3,6-liter motor 2,0-liter dieselmotor Motorkoelsysteem* 2,4-liter motor en airconditioning met één of twee klimaatzones 2,4-liter motor en airconditioning met drie klimaatzones 3,6L dieselmotor en airconditioning met één of twee klimaatzones 3,6-liter motor en airconditioning met drie klimaatzones 2,0-liter dieselmotor en airconditioning
VLOEISTOFFEN, SMEERMIDDELEN EN ORIGINELE ONDERDELEN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN MOTOR Component Motorkoelvloeistof* Motorolie – 2,4-liter motor*** NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 402 Motorolie – 3,6-liter motor*** Motorolie — 2,0-liter dieselmotor*** Specificaties van vloeistoffen en smeermiddelen (vloeistoffen, smeermiddelen) Rood beschermingsmiddel met antivrieswerking op basis van monoethyleenglycol met organische for
Component Bougies - 2,4-liter motor Bougies - 3.
CHASSIS UW AUTO Component VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN Automatische versnellingsbak (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Handgeschakelde versnellingsbak (voor bepaalde uitvoeringen/landen) Hoofdrem/koppelingscilinder Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 404 Vloeistof ruitensproeiers/ achterruitsproeier Specificaties van vloeistoffen en smeermiddelen (vloeistoffen, smeermiddelen) Geheel synthetisch smee
WANNEER HET VOERTUIG HET EINDE VAN DE LEVENSDUUR HEEFT BEREIKT FIAT spant zich al vele jaren in voor de bescherming van het milieu door voortdurend de productieprocessen te verbeteren en producten te vervaardigen die het milieu steeds minder belasten. FIAT wil zijn klanten de best mogelijke service geven bij het naleven van de milieuwetgeving en het voldoen aan de Europese richtlijn 2000/53/EC inzake voertuigen aan het einde van de levensduur.
406
407
INHOUD UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 408 Aandrijving op alle wielen (AWD) . . . . . . . . . . . . . . .275 Aanhangergewicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .282 Aanhangwagen trekken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .278 Aansluiting voor randapparatuur . . . . . . . . . . . . . . . .119 Aanvullend veiligheidssysteem - Airbag . . . . . . . . . . . .239 ABS . . . . . . . . .
Automatische versnellingsbak, AutoStick . . . . . . . . . . . . . . . . schakelgroepen . . . . . . . . . . . . . vloeistof bijvullen . . . . . . . . . . . vloeistof en filter vervangen . . . . vloeistofpeil controleren . . . . . . . Automatisch ontgrendelen, portieren AutoStick . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .274 .268 .377 .379 .377 .
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 410 lampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .26 meter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .8 octaangetal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .398, 402 specificaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .402 tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Elektrisch zonnedak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .125 Elektronische snelheidsregeling (cruisecontrol) . . . . . .109 Elektronisch remregelsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . .150 Elektronisch remregelsysteem, antiblokkeerysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .149 Electronic Roll Mitigation . . . . . . . . . . . . . . . . . .152 rembekrachtiging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .152 tractieregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 412 Interieur, verzorging en onderhoud . . . . . . Interieur, zekeringen . . . . . . . . . . . . . . . . Intervalstand ruitenwissers (intervalschakeling van de ruitenwissers) . Intervention Regeneration Strategy . . . . . . . . . . . . . .383 . . . . . . . .332 . . . . . . . .104 . . . . . . . .367 Kaart-/leeslampen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Lampen vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .325, 326 Lampjes Indicatielampje grootlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . .296 Lane Change Assist. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .101 Lekken, vloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .254 Levensduur van banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .395 Lichtsignaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .101 Lights (Verlichting). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 414 Noodgevallen, slepen . . . . . . . . . . . . . . . . starten met startkabels . . . . vastgelopen voertuig vrijmaken waarschuwingsknipperlichten . ... ... .. ... . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .342 .302 .338 .114 Octaangetal, benzine (brandstof) . . . . . . . . . . . .398, 402 Olie, motor . . .
Rotatie, banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .385 Ruitensproeier, reservoir vullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .367 Ruitensproeiers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .104, 106 Ruitensproeiers, vloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .367 Ruitensproeiers voorruit . . . . . . . . . . . . . .104, 106, 367 Ruitenwisserbladen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .365 Ruitenwisserinterval . . . . . . . . . . . . . . . . . .
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 416 Starten, bij lage temperaturen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .257 motor start niet . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .258 Starten en rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .255 Starten met startkabels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .302 Startonderbreking (Sentry Key) . . . . . . . . . . . . . . . . .
Veiligheidscontrole aan de buitenkant van het voertuig . .254 Veiligheidscontrole in het voertuig. . . . . . . . . . . . . . .252 Veiligheidscontroles . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .250 Veiligheidsgordels . . . . . . . . . . . . . . . . . . .205, 206, 252 Veiligheidsgordels, achterbank . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .206 controle . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .252 gordelspanners . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN WAARSCHUWINGSLAMPJES EN MELDINGEN NOODGEVALLEN SERVICE EN ONDERHOUD TECHNISCHE SPECIFICATIES INHOUD 418 Viscositeit, motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .360 Viscositeitstabel motorolie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .360 Vloeistoffen, smeermiddelen en originele onderdelen . .402 Vloeistoffen, vulhoeveelheden. . . . . . . . . . . . . . . . . .401 Vloeistoflekkage. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Notes
Notes Fiat Group Automobiles S.p.A. - Parts & Services - Technical Services - Service Engineering Largo Senatore G. Agnelli, 3 - 10040 Volvera - Torino (Italia) Print n. 530.02.
KIES VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Als uitvinder, ontwerper en fabrikant kennen wij uw auto als geen ander: wij zijn vertrouwd met ieder detail. Bij erkende Fiat Service werkplaatsen werken monteurs die rechtstreeks door ons zijn opgeleid en alle soorten onderhoud professioneel en kwaliteitsbewust uitvoeren. Er is altijd een Fiat werkplaats in uw omgeving voor regulier onderhoud, zomer- en winterchecks en praktisch advies door onze experts.
NEDERLANDS De gegevens in deze uitgave zijn hoofdzakelijk bedoeld als richtlijn. Fiat behoudt zich het recht voor de in dit boekje beschreven modellen en uitvoeringen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Neem contact op met uw Fiat-dealer voor meer informatie. Gedrukt op kringlooppapier zonder chloor. 1500100_Dutch_FIAT_Freemont_OM_cover.