COP DUCATO LUM NL_DUCATO UM ITA 20/03/14 08:48 Pagina 1 F I A T D U C A T O NEDERLANDS De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Fiat behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk. Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.
COP DUCATO LUM NL_DUCATO UM ITA 20/03/14 08:48 Pagina 2 WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Wij, die uw auto hebben bedacht, ontworpen en gebouwd, kennen daarvan werkelijk elk detail en onderdeel. In de erkende Fiat Professional Service garages vindt u technici die rechtstreeks door ons zijn opgeleid die kwaliteit en professionaliteit bieden voor alle onderhoudswerkzaamheden.
.
Beste klant, Wij feliciteren u en bedanken u dat u voor een Fiat Ducato hebt gekozen. Wij hebben dit boekje opgesteld om u te helpen alle kenmerken van dit voertuig te leren kennen en het op de beste manier te gebruiken. Wij raden aan het aandachtig door te lezen voordat u voor de eerste keer gaat rijden. Dit boekje bevat informatie, tips en belangrijke waarschuwingen voor een juist gebruik van het voertuig, zodat u het maximum uit de technologische eigenschappen van uw Fiat Ducato kunt halen.
AANDACHTIG LEZEN TANKEN Tank uitsluitend diesel voor motorvoertuigen die aan de Europese norm EN590 voldoet. Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en derhalve de garantie voor de veroorzaakte schade ongeldig maken. MOTOR STARTEN Controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in de vrijstand.
Deze pagina is opzettelijk blanco gelaten 4
GRAFISCHE INDEX . 1 KOPLAMPEN ❒ Soorten gloeilampen ...........................219 ❒ Dagverlichting ..................................... 48 ❒ Stadslicht en dimlicht .......................... 48 ❒ Grootlicht ............................................ 49 ❒ Lamp vervangen .................................221 WIELEN ❒ Velgen en banden ...............................278 ❒ Bandenspanning .................................279 ❒ Een wiel verwisselen ...........................207 ❒ Fix&Go bandenreparatiekit .
GRAFISCHE INDEX . 2 ACHTERLICHTEN ❒ Soorten gloeilampen ...........................219 ❒ Lamp vervangen .................................224 LAADRUIMTE ❒ Openen/sluiten ................................... 74 6 F1A5001 DERDE REMLICHT ❒ Soorten gloeilampen ...........................219 ❒ lamp vervangen ..................................226 PARKEERSENSOREN ❒ Werking ..............................................
. INFO RADIO MEDIA A-B-C PHONE MENU 1 2 3 4 5 6 3 LUCHTROOSTERS ❒ Luchtstroomroosters ........................... 29 LINKERHENDEL ❒ Buitenverlichting ................................. 48 INSTRUMENTENPANEEL ❒ Instrumentenpaneel en boordinstrumenten .............................118 ❒ Controlelampjes ..................................134 RECHTERHENDEL ❒ Ruiten reinigen ....................................
GRAFISCHE INDEX . MODE 4 HENDEL VOOR HET OPENEN VAN DE MOTORKAP ❒ Openen/sluiten ................................... 78 BEDIENINGSPANEEL ❒ Bedieningselementen .......................... 60 ❒ Bedieningstoetsen ..............................123 HOUDERS VOOR BLIKJES / KOPJES / FLESSEN ❒ Uitrusting ............................................ 64 8 F1A5003 PORTIEREN HANDREM ❒ Vergrendelen/Ontgrendelen ................ 71 STOELEN ❒ Afstelling .............................................
WEGWIJS IN UW AUTO Grondige kennis van uw nieuwe voertuig begint hier. In dit boekje is op eenvoudige en rechtstreekse wijze beschreven hoe uw voertuig gemaakt is en hoe het werkt. Daarom adviseren u het comfortabel zittend in uw voertuig te lezen, dan kunt u met eigen ogen zien wat hier beschreven is. SYMBOLEN .................................... FIAT CODE SYSTEEM..................... DE SLEUTELS ................................ DIEFSTALALARM............................ CONTACTSLOT .......................
WEGWIJS IN UW AUTO SYMBOLEN Sommige onderdelen van het voertuig zijn voorzien van gekleurde plaatjes met daarop symbolen die die voorzorgsmaatregelen aangeven die in acht genomen moeten worden wanneer het betreffende onderdeel wordt gebruikt. Onder de motorkap is tevens een plaatje aangebracht, waarop de betekenis van deze symbolen wordt toegelicht. FIAT CODE SYSTEEM IN HET KORT Dit is een elektronische startblokkering die de beveiliging tegen diefstalpogingen verbetert.
Inschakeling van waarschuwingslampje tijdens het rijden ❒ Als het waarschuwingslampje gaat branden, betekent dit dat het systeem een zelfdiagnose uitvoert (bijv. bij een spanningsval). ❒ Als het waarschuwingslampje blijft branden, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk. DE SLEUTELS Om de metalen baard uit te klappen, op knop B fig. 6 - fig. 7 drukken. SLEUTEL ZONDER AFSTANDSBEDIENING Ga als volgt te werk om de baard in de houder te steken: De metalen baard A fig.
WEGWIJS IN UW AUTO Wanneer de portieren worden ontgrendeld, wordt de interieurverlichting tijdelijk ingeschakeld. Voor sommige versies is er een sleutel met afstandsbediening en 2 knoppen en fig. 7. Met knop worden alle portieren vergrendeld. Gebruik knop ontgrendelen. om alle portieren te 8 F1A0303 Extra afstandsbedieningen aanvragen 7 F1A0005 Indicatie op het dashboard met leds Bij het vergrendelen van de portieren, gaat led A fig.
DIEFSTALALARM (voor bepaalde versies/markten) BELANGRIJK 1) Druk knop B alleen in wanneer de sleutel ver genoeg van het lichaam (vooral de ogen) en van voorwerpen die snel beschadigen (bijvoorbeeld kleding) is verwijderd. Laat de sleutel niet onbeheerd achter, om te voorkomen dat mensen, met name kinderen, per ongeluk op de knop drukken. Het alarm wordt net als alle eerder beschreven afstandsbedieningsfuncties geregeld door de ontvanger die zich onder het dashboard naast de zekeringenkast bevindt.
WEGWIJS IN UW AUTO Als een portier of de motorkap niet goed gesloten is, worden ze niet door het alarmsysteem gecontroleerd. Wanneer zelfs bij goed gesloten portieren, motorkap en laadruimte het geluidssignaal weerklinkt, dan heeft zich een storing in de werking van het systeem voorgedaan. Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk. BELANGRIJK Wanneer de portieren met de metalen baard van de sleutel centraal worden vergrendeld, wordt het alarm niet ingeschakeld.
STUURSLOT Inschakeling Wanneer de sleutel op STOP staat, de sleutel verwijderen en het stuurwiel verdraaien tot het vergrendelt. Uitschakeling Draai het stuur enigszins terwijl de contactsleutel in de stand MAR wordt gedraaid. BELANGRIJK 2) Als er geknoeid is aan het contactslot (bijv. een poging tot diefstal), dan moet dit gecontroleerd worden bij het Fiat Servicenetwerk voordat er verder gereden wordt.
WEGWIJS IN UW AUTO De stoel omlaag verstellen: ga op de stoel zitten, trek de hendel B (voorste deel van de stoel) of de hendel C (achterste deel van de stoel) omhoog en leun met uw lichaamsgewicht tegen het deel van de stoel dat omlaag versteld moet worden. GEVEERDE STOEL Afstelling rugleuning Zie de paragraaf “Stoelen” voor de verstelling in lengterichting, de hoogteverstelling, de rugleuning- en lendensteunverstelling en de verstelling van de armsteun. Draai knop D naar fig. 11.
Afstelling in de hoogte 11) Gebruik knop B fig. 18 of C fig. 18 om de voorkant/achterkant van de stoel omhoog of omlaag te brengen. Stoel draaien 15 F1A0025 17 F1A0027 Gebruik hendel D fig. 19 (op de rechterkant van de stoel) om de stoel te draaien. Afstelling rugleuning Gebruik hendel A fig. 18. 1 16 De stoel kan tot 180° worden gedraaid in de richting van de stoel aan de tegenoverliggende zijde en ongeveer 35° naar het portier.
WEGWIJS IN UW AUTO Stoelverwarming (voor bepaalde versies/markten) Met de sleutel op stand MAR, knop E fig. 20 indrukken om de functie in/uit te schakelen. 22 OPBERGVAK ONDER DE STOEL (voor bepaalde versies/markten) 20 Onder de stoel bevindt zich een opbergvak A fig. 23 dat gemakkelijk verwijderd kan worden door de haken op de vloer los te maken. F1A0030 CAPTAIN CHAIR STOEL (voor bepaalde versies/markten) Het voertuig kan uitgerust zijn met een Captain Chair fig.
KUNSTSTOF DEKSELS OP DE STOELVOET (voor bepaalde versies/markten) Het voorste deksel A fig. 24 kan geopend worden door de hendel B fig. 24 op de bovenkant los te maken. PANORAMAVERSIES Verstelling opklapbare rugleuning passagiersstoel Draai aan knop A fig. 25. Zo wordt toegang verkregen tot het opbergvak onder de stoel (zie paragraaf "opbergvak onder de stoel"). De twee zijzitplaatsen op de Panoramabank van de tweede rij zijn vast ingebouwd.
WEGWIJS IN UW AUTO 26 F1A0035 Neergeklapte stand Ga als volgt te werk: – verwijder de hoofdsteunen na de bank in de stand "easy entry" te hebben gezet; – til hendel B fig. 27 (die zich onder hendel A bevindt fig. 26) omhoog met uw rechterhand; F1A0036 28 F1A0037 F1A0038 draai, vanuit de ingeklapte stand, de hendels C en D fig.
❒ til hendel A op (beweging 3), tot deze zich boven de bevestigingsschuif C fig. 31 (aan de zijkant) bevindt, hetgeen garandeert dat het systeem stevig omhoog is gezet tijdens de handelingen. 30 Het is ook mogelijk, door de stoel waar de clips vrij zijn in verhouding tot de openingen in de rails; in deze stand te zetten (die gemakkelijk bereikt kan worden door de onderkant enigszins te schuiven en tegelijkertijd te verwijderen"), de stoel gemakkelijk te verwijderenfig. 33.
WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK Het systeem is alleen vergrendeld als het met de veiligheidsclip onder de hendel horizontaal geblokkeerd is. Als dat niet gebeurt, controleren of de stoel in de exacte vergrendelingsstand ten opzichte van de rail staat (door de stoel enkele millimeters naar achteren of voren te schuiven tot hij goed vast zit).
HOOFDSTEUNEN 11) Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden. Zorg er tijdens het draaien van de stoel voor dat deze niet tegen de handrem komt. 12) Controleer of de stoel in de rijstand is vergrendeld voordat de motor gestart wordt. 13) Zet geen zware voorwerpen op de klep terwijl het voertuig rijdt, bij bruusk remmen of een botsing zouden deze de inzittenden kunnen raken en tot ernstig letsel kunnen leiden.
WEGWIJS IN UW AUTO 24 Om de hoofdsteunen voor te verwijderen, druk tegelijkertijd op de knoppen A en B fig. 37 op de zijkant van de beide steunen en trek de steunen naar boven. STUURWIEL Het stuurwiel kan axiaal worden versteld. Ga als volgt te werk om in te stellen: ❒ trek de hendelfig. 38 naar het stuur (stand 2) om hem te ontgrendelen; ❒ zet het stuurwiel in de gewenste stand; BELANGRIJK 16) De verstelling mag alleen bij stilstaand voertuig en uitgeschakelde motor gebeuren.
ACHTERUITKIJKSPIEGELS Spiegels met elektrische verstelling Spiegels met de hand inklappen BINNENSPIEGEL De elektrische verstelling kan alleen uitgevoerd worden met de contactsleutel in de stand MAR. Indien nodig (bijvoorbeeld in smalle doorgangen of in wastunnels) kunnen de spiegels met de hand ingeklapt worden door ze van stand 1 in stand 2 te zetten fig. 41. Met hendeltje A fig. 39 kan de spiegel in twee standen gezet worden: normaal of anti-verblindingsstand.
WEGWIJS IN UW AUTO Handmatig inklappen Om de spiegels handmatig in te klappen, ze van stand 1 fig. 41 in stand 2 zetten. Als de spiegels handmatig zijn ingeklapt, dan kunnen ze zowel handmatig als elektrisch weer worden uitgeklapt. 42 F1A0044 Elektrisch inklappen Om de spiegel elektrisch in te klappen, op punt 2 van de tuimelschakelaar A fig. 42 drukken. Druk op punt 1 op de schakelaar om de spiegels weer in geopende stand te zetten.
Ontdooien/ontwasemen (voor bepaalde versies/markten) De spiegels zijn voorzien van verwarmingselementen die in werking treden als de achterruitverwarming ingeschakeld wordt (door het indrukken ). van de knop BELANGRIJK Dit is een tijdgeregelde functie die na enkele minuten automatisch wordt uitgeschakeld. BELANGRIJK 19) De buitenspiegel aan bestuurderszijde is bolvormig; hierdoor wordt de afstandswaarneming ietwat vertekend.
WEGWIJS IN UW AUTO VERWARMING EN VENTILATIE . MODE 43 F1A0302 1. Vast luchtrooster bovenkant - 2. Verstelbare luchtroosters in het midden - 3. Vaste luchtroosters aan zijkant - 4. Verstelbare luchtroosters aan zijkant - 5. Onderste luchtroosters voor voorstoelen.
LUCHTROOSTERS VERSTELBARE LUCHTROOSTERS IN HET MIDDEN EN AAN DE ZIJKANT A Vaste luchtroosters voor zijruiten. B Verstelbare luchtroosters aan zijkant. C Vaste luchtroosters. D Verstelbare luchtroosters in het midden. E Regelknop luchtopbrengst. BEDIENINGSELEMENTEN VERWARMING EN VENTILATIE BEDIENINGSELEMENTEN Ventilatieopeningen A en C zijn niet verstelbaar.
WEGWIJS IN UW AUTO Draaischakelaar luchtverdeling C voor een luchtstroom naar de luchtroosters in het midden en aan de zijkant; voor een warme luchtstroom naar de voeten en een ietwat minder warme luchtstroom naar de luchtroosters op het dashboard, bij gematigde temperaturen; voor het verwarmen bij zeer lage buitentemperaturen: zoveel mogelijk luchtstroom naar de voeten; voor zowel een warme luchtstroom naar de voeten als het ontwasemen van de voorruit; voor het snel ontwasemen van de voorruit.
ONTWASEMEN/ ONTDOOIEN VAN VERWARMDE ACHTERRUIT EN BUITENSPIEGELS (voor bepaalde versies/markten) SNEL ONTWASEMEN/ ONTDOOIEN VAN DE VOORRUIT EN DE VOORSTE ZIJRUITEN F Ga als volgt te werk: MODE ❒ draai schakelaar A naar het blauwe gebied; ❒ schakel de interne luchtrecirculatie uit door de draaiknop D in de stand te zetten; ❒ draai de schakelaar C naar de stand ; ❒ draai knop B naar 4 ventilatorsnelheid).
WEGWIJS IN UW AUTO INSCHAKELING VAN DE INTERNE LUCHTRECIRCULATIE Draai knop D fig. 46 naar . Geadviseerd wordt de interne luchtrecirculatie in te schakelen in de file of in tunnels, om te voorkomen dat er vervuilde lucht in het interieur komt. Gebruik de functie niet langdurig, vooral als er meerdere passagiers aan boord zijn, om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
Aan/uit knop klimaatregeling E ❒ draai de schakelaar C naar de stand ; VERWARMING VAN HET INTERIEUR Druk op de knop (led op knop aan) om de klimaatregeling in te schakelen. ❒ druk op knop E om de klimaatregeling in te schakelen; de led op de knop gaat aan; Ga als volgt te werk: ❒ draai knop B naar 4 ventilatorsnelheid). ❒ draai schakelaar C naar de gewenste stand; Druk nogmaals op de knop (led op knop uit) om de klimaatregeling uit te schakelen.
WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK Bij koude motor moet enkele minuten gewacht worden tot de vloeistof van het systeem de optimale bedrijfstemperatuur heeft bereikt. Nadat de ruiten ontwasemd/ontdooid zijn, kan een stand worden gekozen om de gewenste comfortsituatie te herstellen. SNEL ONTWASEMEN/ ONTDOOIEN VAN DE VOORRUIT EN DE VOORSTE ZIJRUITEN BELANGRIJK De klimaatregeling is erg nuttig om het ontwasemen te versnellen, aangezien de lucht wordt ontvochtigd.
BELANGRIJK Plak geen stickers op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging te voorkomen. BELANGRIJK Met de interne luchtrecirculatie kan de gewenste toestand (verwarming of koeling, afhankelijk van de keuze) sneller bereikt worden. AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING Het wordt echter afgeraden de luchtrecirculatie in te schakelen op regenachtige of koude dagen omdat dit de mogelijkheid dat de ruiten beslaan aanzienlijk doet toenemen.
WEGWIJS IN UW AUTO Alle functies kunnen handmatig worden gewijzigd. Met andere woorden, men kan een of meer functies selecteren en de parameters naar wens veranderen. Hierbij wordt echter de automatische regeling van de functies die handmatig zijn gewijzigd uitgeschakeld: het systeem grijpt alleen in om veiligheidsredenen (bijv. kans op beslaan).
❒ luchtrecirculatie, om de functie altijd uit- of ingeschakeld te houden; ❒ voor het snel ontwasemen/ ontdooien van de voorruit, de achterruit en de achteruitkijkspiegels. Tijdens de volledig automatische werking van het systeem, kan te allen tijd de ingestelde temperatuur, de luchtverdeling en de ventilatorsnelheid gewijzigd worden met de betreffende knoppen: het systeem past automatisch de eigen instellingen aan de nieuwe instellingen aan.
WEGWIJS IN UW AUTO Om de functie uit te schakelen, volstaat het om de temperatuurknop naar links te draaien en de gewenste temperatuur in te stellen. Drukknoppen voor luchtverdeling (B) Door op een van deze knoppen te drukken, kan handmatig een van de zeven instellingen voor de luchtverdeling worden gekozen: luchtstroom naar de luchtroosters van de voorruit en de voorste zijruiten om deze te ontwasemen of te ontdooien.
AUTO-knop (A) (automatische werking) Druk op AUTO om de hoeveelheid en de verdeling van de lucht in het interieur automatisch door het systeem te laten regelen. Alle vorige handmatige instellingen worden geannuleerd. Tijdens de werking van de automatische klimaatregeling, verschijnt de tekst FULL AUTO op het display.
WEGWIJS IN UW AUTO Bij het uitschakelen van de compressor schakelt het systeem de luchtrecirculatie uit om te voorkomen dat de ruiten beslaan. Hoewel het systeem de gewenste temperatuur kan handhaven, verdwijnt het woord FULL van het display. Wanneer het systeem de gewenste temperatuur echter niet meer kan handhaven, gaan de letters knipperen en verdwijnt het woord AUTO.
Om de vorige werkingsomstandigheden te herstellen, op knop B drukken, op de recirculatieknop G, op de knop van de compressor F of op de AUTO-knop A. Opmerking Voor het snel ontwasemen/ontdooien moet, wanneer er een extra verwarming/klimaatregeling aanwezig is (onder de voorstoel of achterstoel bij Panorama- en Combi-versies), deze verwarming, indien ingeschakeld, worden uitgeschakeld door te drukken op knop F (led uit) op het bedieningspaneel F fig. 55.
WEGWIJS IN UW AUTO ONAFHANKELIJKE EXTRA VERWARMING (voor bepaalde versies/markten) Het voertuig kan optioneel worden uitgerust met twee verschillende soorten onafhankelijke verwarming: een volautomatische en een programmeerbare verwarming. AUTOMATISCHE VERSIE De extra verwarming schakelt automatisch in wanneer de motor wordt gestart en op basis van de buitentemperatuur en de koelvloeistoftemperatuur. De uitschakeling is altijd automatisch.
Wanneer het systeem werkt, schakelt de regeleenheid de ventilator van het verwarmingssysteem in het interieur met de tweede snelheid in. Het thermisch vermogen van de ketel wordt automatisch geregeld door de elektronische regeleenheid, afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur. BELANGRIJK De verwarming is voorzien van een thermische beveiliging die de verbranding onderbreekt in geval van oververhitting door een te laag koelvloeistofpeil of door koelvloeistoflekkage.
WEGWIJS IN UW AUTO Onmiddellijke inschakeling van de verwarming De instelling van de tijd is niet mogelijk wanneer de verwarming of de ventilatie werkt. Druk op knop 6 van de timer om het systeem handmatig in te schakelen: het display en het controlelampje 9 lichten op en blijven branden zolang het systeem actief is. WAARSCHUWING Let op bij de instelling van de zomertijd/ standaardtijd. De inschakelduur verdwijnt na 10 seconden.
WAARSCHUWING De fabrieksinstellingen worden gewist door nieuwe invoer. De voorkeuzetijden blijven tot de volgende wijziging opgeslagen. Als de klok van de elektrische installatie wordt losgemaakt (bijv. als de accu wordt losgekoppeld), worden de fabrieksinstellingen hersteld. De geprogrammeerde inschakeltijd uitschakelen Druk kort op knop 4 om de geprogrammeerde inschakeltijd te wissen: de verlichting van het display dooft en het nummer 5 van de voorkeuzetijd verdwijnt.
WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK De standverwarming schakelt uit wanneer de accuspanning laag is, zodat het starten van de motor mogelijk blijft. BELANGRIJK Controleer alvorens het systeem in te schakelen of het brandstofpeil boven het reserveniveau staat. Is dat niet het geval, dan kan het systeem blokkeren en dient u zich tot het Fiat Servicenetwerk te wenden. ❒ Tijdens het tanken en in de nabijheid van tankstations moet de verwarming altijd worden uitgeschakeld om explosie- of brandgevaar te voorkomen.
EXTRA KLIMAATREGELING ACHTER (Panorama- en Combiversies) (voor bepaalde versies/markten) F MODE 56 F1A0305 Door de draaiknop D in de maximaal koude stand te zetten (draaiknop in blauwe gebied), zal lucht op omgevingstemperatuur uit de uitstroomopeningen voor de beenruimte achterin stromen (onder de stoelen van de 2e-3e rij bij Panoramaversies en uit het rooster aan de zijde van de linker wielkuip bij Combiversies).
WEGWIJS IN UW AUTO BUITENVERLICHTING IN HET KORT BELANGRIJK 21) Net als de motor verbruikt ook de verwarming brandstof, maar in mindere mate. Dus om vergiftiging en verstikking te voorkomen, mag de extra verwarming nooit worden ingeschakeld in een afgesloten ruimte, zoals een garage of een werkplaats zonder een afzuigsysteem voor uitlaatgassen, ook niet gedurende korte tijd. 22) Net als de motor verbruikt ook de verwarming brandstof, maar in mindere mate.
Als de contactsleutel naar STOP wordt gedraaid of wordt verwijderd en de draaischakelaar wordt van O naar gedraaid, gaan het stadslicht en de kentekenplaatverlichting branden. AUTOMATISCH GROOTLICHT Om andere weggebruikers niet te verblinden, worden de lichten automatisch uitgeschakeld wanneer er voertuigen naderen die uit de tegengestelde richting komen of wanneer u achter een voertuig in dezelfde richting rijdt. op het Het controlelampje instrumentenpaneel gaat branden.
WEGWIJS IN UW AUTO Als de rijsnelheid lager dan 15 km/h is en de functie ingeschakeld is, schakelt deze functie het grootlicht uit. Als de hendel opnieuw naar de grootlichtstand wordt getrokken, wordt dit geïnterpreteerd als verzoek om vast brandend grootlicht, en dus gaat het op het paneel blauwe lampje branden en gaat het grootlicht vast branden zolang de snelheid niet boven 40 km/komt. De functie wordt weer automatisch ingeschakeld zodra de .
SENSOR AUTOMATISCHE INSCHAKELING KOPLAMPEN (schemersensor) (voor bepaalde versies/markten) 62 F1A0069 Het controlelampje gaat branden wanneer de hendel bediend wordt en blijft branden totdat de functie automatisch wordt uitgeschakeld. Telkens als de hendel wordt bediend, wordt uitsluitend de inschakeltijd van de verlichting verlengd.
WEGWIJS IN UW AUTO 24) Het systeem is gebaseerd op herkenning via een camera. Bijzondere omgevingsomstandigheden kunnen van invloed zijn op de correcte herkenning van de verkeersomstandigheden. Daarom is de bestuurder altijd verantwoordelijk voor het correcte gebruik van het grootlicht van de koplampen in overeenstemming met de geldende wetten. Zet de draaischakelaar in de stand fig. 58 om de automatische functie uit te schakelen.
Automatische wis-/wasregeling Trek de hendel naar het stuur (instabiele stand) om de ruitensproeiers in te schakelen fig. 65. Als de hendel langer dan een halve seconde wordt aangetrokken, dan worden in één beweging de ruitenwissers en -sproeiers ingeschakeld.
WEGWIJS IN UW AUTO CRUISE-CONTROL (voor bepaalde versies/markten) BELANGRIJK 3) Gebruik de ruitenwissers niet om opgehoopte sneeuw of ijs van de voorruit te verwijderen. Onder dergelijke omstandigheden wordt bij overbelasting van de ruitenwissers de beveiliging ingeschakeld, waardoor de ruitenwissers enkele seconden worden uitgeschakeld. Als hierna de ruitenwissers niet meer werken, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk.
Voertuigsnelheid opslaan Ga als volgt te werk: ❒ schakel de versnelling in die ingeschakeld was op het moment dat de snelheid werd opgeslagen; ❒ zet draaischakelaar A fig. 66 - fig. 67 (afhankelijk van in de stand ON of de versie) en trap het gaspedaal in om de gewenste snelheid te bereiken; ❒ druk op knop B fig. 66 - fig. 67. ❒ zet de hendel omhoog (+) gedurende minstens een seconde, laat hem vervolgens los. De voertuigsnelheid is nu in het geheugen opgeslagen en u kunt dus het gaspedaal loslaten.
WEGWIJS IN UW AUTO ❒ door een verzoek om sequentieel te schakelen bij een automatische versnellingsbak; ❒ bij een voertuigsnelheid onder de ingestelde limiet ❒ door het gaspedaal in te trappen; in dit geval wordt het systeem eigenlijk niet uitgeschakeld, maar wordt voorrang aan het acceleratieverzoek gegeven. De Cruise-Control blijft actief, zonder de noodzaak om de CAN/RES-knop in te drukken om na het accelereren naar de vorige toestand terug te keren.
Beweeg, om een lagere snelheid dan de weergegeven snelheid op te slaan, hendel A omlaag (-). Elke beweging van de hendel komt overeen met een snelheidsverlaging van ongeveer 1 km/h, terwijl als de hendel omlaag wordt gehouden, een verlaging van 5 km/h wordt verkregen. Inschakeling/ uitschakeling van het systeem Druk op de toets CANC RES om het systeem te activeren/deactiveren.
WEGWIJS IN UW AUTO Automatische uitschakeling van het systeem PLAFONDVERLICHTING ❒ rechts ingedrukt: het lampje D gaat aan. Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld in geval van een systeemstoring. PLAFONDVERLICHTING VOOR MET SPOTS BELANGRIJK Controleer alvorens het voertuig te verlaten of beide schakelaars in de middelste stand staan; wanneer de portieren worden gesloten, gaan de lampjes uit, zodat wordt voorkomen dat de accu ontlaadt.
❒ ongeveer 10 seconden wanneer de portieren worden gesloten. INSTAPVERLICHTING LAADRUIMTE ACHTER De tijdregeling wordt onderbroken wanneer de sleutel in de stand "MAR" wordt gezet. Deze bevindt zich boven het achterportier. Druk op het lampenglas op het aangegeven punt fig. 70 om het licht in te schakelen. TIJDEGEREGELDE WERKING OM UIT HET VOERTUIG TE STAPPEN VERWIJDERBARE INSTAPVERLICHTING (voor bepaalde versies/markten) Deze kan zowel als vast licht en als elektrische zaklamp gebruikt worden.
WEGWIJS IN UW AUTO BEDIENINGSELEMENTEN Noodremmen (voor bepaalde versies/markten) ALARMKNIPPERLICHTEN De lichten worden ingeschakeld door op schakelaar A fig. 73te drukken, ongeacht de stand van de contactsleutel. MISTLAMPEN VOOR (voor bepaalde versies/markten) 73 F1A0306 Wanneer de alarmknipperlichten zijn ingeschakeld, knipperen de controlelampjes en op het instrumentenpaneel. Druk opnieuw op schakelaar A om de alarmknipperlichten uit te schakelen.
Druk, om de contactsleutel naar de stand BATT te draaien, op de (rode) knop A fig. 78. MODE 75 F1A0323 PARKEERLICHTEN Deze lichten kunnen alleen worden ingeschakeld met de contactsleutel in de stand STOP of verwijderd, door de linker ring eerst naar de stand O en of te vervolgens naar de stand draaien. Het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden.
WEGWIJS IN UW AUTO AFSLUITER BRANDSTOFTOEVOER Steek, om de accuverbinding te herstellen, de contactsleutel in het slot en draai hem naar de stand MAR. Nu kan het voertuig op normale wijze worden gestart. Het voertuig is voorzien van een afsluiter voor de brandstoftoevoer. Bij een ongeval springt deze schakelaar omhoog, waardoor de brandstoftoevoer wordt gestopt en de motor afslaat. Na het loskoppelen van de accu kan het nodig zijn om sommige elektrische systemen (bv. klok, datum, etc.
BELANGRIJK Vergeet niet na een ongeval de sleutel uit het contactslot te nemen om het ontladen van de accu te voorkomen. Als er na een ongeval geen brandstoflekkage of beschadiging van elektrische onderdelen van het voertuig (bijv. koplampen) wordt vastgesteld en het voertuig verder kan rijden, de automatische afsluiter van de brandstoftoevoer weer inschakelen. De afsluiter van de brandstoftoevoer weer inschakelen Druk op knop A fig. 81 om de afsluiter van de brandstoftoevoer weer in te schakelen.
WEGWIJS IN UW AUTO DASHBOARDKASTJE (voor bepaalde versies/markten) DASHBOARDKASTJE Gebruik de handgreep A fig. 83 om het dashboardkastje te openen. Het opbergvak A fig. 85 bevindt zich midden op het dashboard. Het opbergvak B fig. 86 bevindt zich rechts op het dashboard, net boven het dashboardkastje. 83 85 F1A0091 Draai de sleutel naar rechts/links om het slot te ver-/ontgrendelen fig. 84. 87 Gebruik de handgreep om het dashboardkastje te openen.
HOUDER MOBIELE TELEFOON (voor bepaalde versies/markten) OPBERGVAK ONDER VOORSTE PASSAGIERSSTOEL Bevindt zich op de tunnelconsole op de plaats getoond in fig. 88 Ga als volgt te werk om dit opbergvak te gebruiken: ❒ Open en verwijder de klep A fig. 90 zoals is aangegeven; ❒ draai de vergrendelknop B linksom en verwijder hem om het vak te kunnen uitschuiven. 91 F1A0096 BEKERHOUDER BLIKJESHOUDER De beker-/blikjeshouder bevindt zich midden op het dashboard fig. 92.
WEGWIJS IN UW AUTO AANSTEKER De aansteker bevindt midden op het dashboard fig. 93. USB-POORTEN (voor versies/markten, daar waar aanwezig) ASBAK Deze zijn te vinden: ❒ in het midden van het dashboard op de plaats van de aansteker en kan alleen gebruikt worden als oplaadbron voor externe apparaten; ❒ op de tunnelconsole, boven de houder voor de mobiele telefoon fig. 94, hierop kunnen USB/iPod externe apparaten worden aangesloten (zie het Uconnect Supplement).
ZONNEKLEPPEN Deze bevinden zich aan beide kanten van de achteruitkijkspiegel fig. 96. STOPCONTACT (voor bepaalde versies/markten) Het stopcontact bevindt zich op de middenconsole naast de aansteker. Open het deksel A fig. 97 om het te gebruiken. 98 F1A0102 TABLETHOUDER (voor bepaalde versies/markten) 96 Deze bevindt zich in het midden van het dashboard en is ontworpen om hierop een tablet te bevestigen. F1A0100 Ze kunnen naar voren en opzij worden gedraaid.
WEGWIJS IN UW AUTO OPBERGVAK BOVEN ZONNEKLEPPEN (voor bepaalde versies/markten) Dit opbergvak bevindt zich boven de zonnekleppen fig. 101 en is ontworpen voor het snel en makkelijk opbergen van lichte voorwerpen (documenten, wegenkaarten enz.). 99 102 F1A0342 OPBERGVAK BOVEN DE CABINE (voor bepaalde versies/markten) Dit opbergvak bevindt zich boven in de bestuurderscabine fig. 100 en biedt ruimte voor lichte voorwerpen.
TACHOGRAAF Raadpleeg voor de werking en het gebruik van de tachograaf het door de fabrikant geleverde instructieboek. Voertuigen (met of zonder aanhanger) met een gewicht van meer dan 3,5 ton, moeten uitgerust zijn met een tachograaf. BELANGRIJK Elke verandering aan het controle-instrument of aan het signaaltransmissiesysteem, die de registratie door het controle-instrument beïnvloedt, vooral m.b.t. frauduleus gebruik, is strafbaar.
WEGWIJS IN UW AUTO AUTOMATISCHE NIVEAUREGELING LUCHTVERING ALGEMENE INFORMATIE Het systeem werkt alleen op de achterwielen in. Het systeem houdt de achterste rij-instelling van het voertuig onder alle beladingscondities constant, terwijl een groter rijcomfort wordt gegarandeerd. Daarnaast maakt het systeem het mogelijk de hoogte van het voertuig te regelen terwijl het voertuig stil staat, door te kiezen uit 7 verschillende standen om de toegang tot het achterste compartiment te vergemakkelijken.
Het niveau dat geselecteerd is bij stilstaand voertuig wordt gehandhaafd tot een snelheid van ongeveer 20 km/h; wanneer deze snelheid wordt overschreden, zal het systeem het normale niveau automatisch herstellen: “rij-instelling 0”. BELANGRIJK 4) Controleer, alvorens handmatig te regelen met geopende portieren, of er voldoende ruimte rond het voertuig is voor een dergelijke handeling.
WEGWIJS IN UW AUTO Wanneer de portieren worden ontgrendeld, gaat de led op de knop uit; wanneer de knop opnieuw wordt bediend, worden alle portieren vergrendeld. De centrale portiervergrendeling werkt alleen als alle portieren perfect gesloten zijn. 106 F1A0114 Draai de sleutel linksom in het slot van het bestuurdersportier fig. 106 om alle portieren te ontgrendelen. Bij losgekoppelde accu, kan het voertuig uitsluitend worden geopend door het mechanische slot van het bestuurdersportier te ontgrendelen.
❒ wanneer het instrumentenpaneel wordt ingeschakeld; DEAD LOCK (voor bepaalde versies/markten) ❒ wanneer een van de voorportieren wordt geopend; Deze veiligheidsvoorziening verhindert de werking van: ❒ wanneer het portier wordt vergrendeld bij 20 km/h (indien ingeschakeld vanaf het menu). ❒ de binnenhandgrepen vergrendel-/ontgrendelknop A fig.
WEGWIJS IN UW AUTO DUBBELE ACHTERDEUR Eerste deur handmatig openen van buitenaf Draai de sleutel linksom fig. 106 of druk van de op de knop afstandsbediening en trek de handgreep A fig. 112 in de richting aangegeven door de pijl. 109 F1A0117 Pak, om de zijschuifdeur te sluiten, de buitenhandgreep A (of de binnenhandgreep) vast en duw hiermee de deur dicht. Controleer in elk geval of de geopende deur correct is vergrendeld in het vangmechanisme.
De openingshoek van de twee deuren kan worden vergroot voor een beter comfort bij het in- en uitladen. Druk hiervoor op de knop A fig. 116; nu kunnen de deuren ongeveer 180 graden worden geopend. 38) 39) 113 F1A0121 Eerste deur handmatig sluiten van buitenaf Draai de sleutel rechtsom of druk op de knop van de sleutel met afstandsbediening. Sluit eerst de linkerdeur en dan de rechterdeur.
WEGWIJS IN UW AUTO ACHTERSTE OPSTAPTREDE (voor versies voor goederenvervoer) 40) 41) 42) 43) BELANGRIJK 5) Het voertuig kan uitgerust zijn met een intrekbare opstaptrede A fig. 117 ter ondersteuning van het heffen en laten zakken van de achterste laadruimte. De opstaptrede kan onder het voertuig geschoven worden wanneer hij niet gebruikt worden om de buitenafmetingen van het voertuig niet te laten toenemen. De opstaptrede kan met de hand verschoven worden zowel om te openen als te sluiten.
42) Zorg ervoor dat de opstaptrede goed vergrendeld is met de aanwezige bevestigingssystemen voor, na en tijdens het gebruik. Onvolledig uit- of inschuiven kan leiden tot een onjuiste beweging van de opstaptrede met het daaruit voortvloeiende risico's voor de chauffeur en externe gebruikers. 43) De opstaptrede steekt enigszins buiten het voertuig uit, ook als hij ingeschoven is, daarom wordt het werkingsbereik van achterste parkeersensoren, indien aanwezig, enigszins beperkt.
WEGWIJS IN UW AUTO MOTORKAP OPENEN BELANGRIJK 44) Oneigenlijk gebruik van de elektrische ruitbediening kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het bedienen altijd of de passagiers niet kunnen worden verwond door de bewegende ruiten of door voorwerpen die door de ruit worden meegesleept of geraakt.
IMPERIAAL/SKIDRAGER BELANGRIJK Controleer altijd of de motorkap goed vergrendeld is om te voorkomen dat deze tijdens het rijden open gaat. BELANGRIJK 45) 46) 47) 45) Om veiligheidsredenen moet de motorkap tijdens het rijden altijd perfect gesloten zijn. Controleer dus altijd of de motorkap goed gesloten en vergrendeld is. Mocht men tijdens het rijden merken dat de motorkap niet goed vergrendeld is, stop dan onmiddellijk en sluit de motorkap op de correcte manier.
WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK 48) Controleer na enkele kilometers rijden of de schroeven van de bevestigingen nog goed zijn vastgedraaid. 49) Verdeel de lading gelijkmatig en houd bij het rijden rekening met een verhoogde zijwindgevoeligheid. KOPLAMPEN Hoogteregeling koplampen LICHTBUNDEL AFSTELLEN Druk op of op het bedieningspaneel fig. 124. Een goede afstelling van de koplampen is belangrijk voor het comfort en de veiligheid van de bestuurder en alle overige weggebruikers.
KOPLAMPAFSTELLING IN HET BUITENLAND De dimlichten zijn afgesteld voor gebruik in het land waar het voertuig oorspronkelijk is gekocht. Als gereden wordt in landen waar op de andere weghelft wordt gereden, dient de richting van de bundel gewijzigd te worden door een speciale folie op de koplamp aan te brengen, zodat verblinding van tegenliggers wordt voorkomen.
WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK 50) Het ABS benut zoveel mogelijk de beschikbare grip maar kan deze niet verhogen. Rijd dus altijd voorzichtig op gladde weggedeelten en neem geen onnodige risico’s. 55) De capaciteiten van het ABS mogen nooit op onverantwoorde en gevaarlijke wijze worden uitgetest, waardoor de persoonlijke veiligheid en die van anderen in gevaar komt. 51) Wanneer het ABS ingrijpt en trillingen in het rempedaal worden gevoeld, moet u niet bang zijn om het pedaal stevig ingedrukt te houden.
❒ Onderstuur: treedt op wanneer het voertuig minder draait dan overeenkomstig de hoek van het stuurwiel zou moeten.
WEGWIJS IN UW AUTO Afhankelijk van de slipcondities, kunnen twee verschillende regelsystemen worden geactiveerd: ❒ als beide aandrijfwielen doorslippen, grijpt het ASR-systeem in door het door de motor doorgegeven vermogen te reduceren; Wanneer het systeem wordt ingeschakeld, verschijnt er bij sommige versies een bericht op het display. ❒ als slechts één aandrijfwiel doorslipt, blokkeert het ASR-systeem automatisch het doorslippende wiel.
Het is niet mogelijk om de neiging tot over de kop slaan te voorkomen wanneer dit te wijten is aan redenen zoals met de wielen aan één kant op steile hellingen rijden, botsing tegen voorwerpen of andere voertuigen. BELANGRIJK Het systeem is beschikbaar bij snelheden van minder dan 25 km/h.
WEGWIJS IN UW AUTO 59) Het ESC kan geen ongelukken voorkomen, waaronder ongelukken wegens overmatige snelheid in bochten, rijden op wegdek met weinig grip of aquaplaning. 60) De capaciteiten van het ESC mogen nooit op onverantwoorde en gevaarlijke wijze worden uitgetest, waardoor de persoonlijke veiligheid en die van anderen in gevaar komt. 61) De prestaties van het ESC- en het ASR-systeem mogen de bestuurder er niet toe aanmoedigen om onnodige risico's te nemen.
TRACTION PLUS SYSTEEM Wanneer met sneeuwkettingen wordt gereden, kan het handig zijn om Traction Plus in te schakelen en op die manier de ASR-functie te blokkeren: onder deze omstandigheden levert het doorslippen van de aandrijfwielen bij het wegrijden immers meer trekkracht op. (voor bepaalde versies/markten) Traction Plus is een rijhulpmiddel bij het wegrijden en optrekken in omstandigheden van slechte grip op niet-homogene wegoppervlakken (sneeuw/asfalt, ijs/asfalt, modder/asfalt, enz.
WEGWIJS IN UW AUTO TPMS (Tyre Pressure Monitoring System) (voor bepaalde versies/markten) 69) 70) 71) 72) 73) 74) 75) 76) 77) BESCHRIJVING Het bandenspanningscontrolesysteem (TPMS) meldt aan de bestuurder een lage bandenspanning op basis van de koude bandenspanning die voor het voertuig is voorgeschreven. Schommelende buitentemperaturen kunnen de bandenspanning beïnvloeden. Dit betekent dat een afname van de buitentemperatuur overeenkomt met een afname van de bandenspanning.
Het TPMS maakt gebruik van draadloze apparaatjes met elektronische sensoren die op de wielvelgen zijn gemonteerd om voortdurend de bandenspanning te controleren. De sensoren die op elk wiel als deel van het ventiel gemonteerd zijn, verzenden diverse gegevens van de banden naar de ontvangermodule, om de spanning te kunnen berekenen. WAARSCHUWING De controle en het behoud van de juiste spanning van alle banden zijn zeer belangrijk.
WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJKE INFORMATIE BELANGRIJK 69) Het TPMS is geoptimaliseerd voor de originele banden en wielen die geleverd zijn. De spanningen en waarschuwingen van het TPMS zijn afgestemd op de maat banden die op het voertuig zijn gemonteerd. Als een vervangende uitrusting van verschillende maat, type of soort wordt gebruikt, kan een onregelmatige werking van het systeem of beschadiging van de sensoren optreden. Niet-originele reservebanden kunnen de sensor beschadigen.
DRIVING ADVISOR (waarschuwing rijstrookafwijking) (voor bepaalde versies/markten) 82) 79) 80) De Driving Advisor is een waarschuwingssysteem dat de bestuurder informeert bij rijstrookafwijking omdat hij/zij afgeleid is. WERKING Het systeem is altijd actief wanneer het voertuig gestart wordt. Het kan uitgeschakeld of ingeschakeld worden met de knop A fig. 128 op het dashboard (zie volgende beschrijving).
WEGWIJS IN UW AUTO BEDRIJFSCONDITIES VOOR INSCHAKELING ❒ voertuig niet constant naast de rijbaanmarkeringslijn. SYSTEEM UITSCHAKELEN Zodra het systeem is ingeschakeld, wordt het alleen actief als aan de volgende condities is voldaan: SYSTEEM IN-/ UITSCHAKELEN Handmatig ❒ vooruit rijden (achteruit niet ingeschakeld); ❒ het systeem detecteert geen fouten; ❒ kalibratie bezig; ❒ voertuigsnelheid tussen 60 km/h en max.
SYSTEEMSTORING In het geval van een storing, informeert het systeem de bestuurder hierover via een bericht op het display, een geluidssignaal en de weergave van het op het display (voor pictogram bepaalde versies/markten). BELANGRIJKE INFORMATIE De Driving Advisor kan niet werken bij een niet perfect gebalanceerde of excessieve belading. De werking van het systeem kan in sommige gevallen negatief beïnvloed worden door de morfologie van het terrein/de weg waarover gereden wordt (bijv.
WEGWIJS IN UW AUTO OVERZICHTSTABEL VAN DE MELDINGEN TIJDENS HET GEBRUIK VAN DE DRIVING ADVISOR Toestand van de led op de knop Uit Bericht op het display Toestand van het symbool op het display Geluidssignaal Betekenis – – – systeem ingeschakeld (automatisch bij elke startcyclus) - systeem ingeschakeld maar zonder dat aan bedrijfscondities is voldaan - systeem ingeschakeld en aan bedrijfscondities voldaan: het systeem kan akoestischevisuele meldingen geven ja het systeem is actief en herkent
Toestand van de led op de knop Bericht op het display Toestand van het symbool op het display Geluidssignaal Betekenis ja het systeem is actief en herkent de bedrijfscondities: het waarschuwt over een afwijking t.o.v.
WEGWIJS IN UW AUTO CAMERA ACHTER (PARKVIEW® ACHTERUITRIJCAMERA) (voor bepaalde versies/markten) 9) 81) Het voertuig kan uitgerust zijn met een ParkView® achteruitrijcamera, waarmee de bestuurder het beeld van de zone achter het voertuig op het display kan zien, elke keer dat de achteruit wordt ingeschakeld of de achterklep wordt geopend fig. 129. 130 SYMBOLEN EN MELDINGEN OP HET DISPLAY Het beeld wordt samen met een waarschuwingsmelding weergegeven: na circa 5 seconden verdwijnt de melding.
In de volgende tabel worden de afstanden bij benadering voor elke zone getoond: Zone (referentie fig. 129) Afstand vanaf de achterkant van de auto Rood (A) 0 - 30 cm Geel (B) 30 cm - 1 m Groen (C) 1 m of meer BELANGRIJKE INFORMATIE BELANGRIJK Onder bepaalde omstandigheden, zoals bij ijs, sneeuw of modder op het oppervlak van de camera, kan de gevoeligheid ervan afnemen.
WEGWIJS IN UW AUTO TRAFFIC SIGN RECOGNITION (voor bepaalde versies/markten) 78) 83) 84) 85) 10) 11) 12) 13) 14) 15) 16) Het systeem detecteert automatisch herkenbare verkeersborden: snelheidslimieten, inhaalverboden en borden die het einde van dergelijke verboden aangeven. De camera is achter de achteruitkijkspiegel gemonteerd. De sensor controleert voortdurend de verkeersborden om de huidige snelheidslimiet en eventuele inhaalverboden aan te geven.
BELANGRIJK 82) Als de camera van zijn plaats komt door een wijziging in de belading, kan het systeem tijdelijk niet werken om de camera in de gelegenheid te stellen een automatische kalibratie uit te voeren. 83) Het systeem detecteert alleen de van te voren ingestelde verkeersborden. Als voldaan wordt aan de voorwaarden voor minimale zichtbaarheid en afstand tot het bord, kunnen alle verkeersborden gedetecteerd worden.
WEGWIJS IN UW AUTO EOBD-SYSTEEM Het EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) voert een doorlopende diagnose uit op onderdelen die bij de uitstoot van uitlaatgassen betrokken zijn. Bovendien waarschuwt het systeem de bestuurder met een brandend lampje op het instrumentenpaneel (samen met een bericht op het multifunctionele display (voor bepaalde versies/ markten)), wanneer de toestand van deze onderdelen verslechtert (zie het hoofdstuk “Lampjes en berichten”).
GELUIDSSIGNAAL STORINGSMELDINGEN Zodra de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, wordt automatisch een geluidssignaal geactiveerd.
WEGWIJS IN UW AUTO ❒ De sensoren kunnen een onbestaand voorwerp (echogeluid) wegens mechanische geluiden detecteren, bijvoorbeeld tijdens het wassen van de auto, in geval van regen, sterke wind, hagel. ❒ De door de sensoren verzonden signalen kunnen ook gewijzigd worden door ultrasoonsystemen (bijv. pneumatisch remsysteem of pneumatische hamers) in de buurt van het voertuig. ❒ De prestaties van het parkeerhulpsysteem kunnen ook beïnvloed worden door de positie van de sensoren.
START&STOP SYSTEEM Het afzetten van de motor wordt aangegeven door het symbool op het display. IN HET KORT Het Start&Stop-systeem zet automatisch de motor af wanneer de auto stilstaat en start de motor zodra de bestuurder wil wegrijden. Dit verhoogt de efficiency van de auto dankzij een reductie van het brandstofverbruik, de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen en de geluidsoverlast.
WEGWIJS IN UW AUTO ❒ onvoldoende acculading; ❒ regeneratie van het roetfilter is bezig (alleen bij dieselmotoren); ❒ bestuurdersportier niet gesloten; ❒ veiligheidsgordel van de bestuurder niet omgelegd; ❒ ingeschakelde achteruit (bijv.
"ENERGY SAVING" FUNCTIE (voor bepaalde versies/markten) Als de bestuurder, na een automatische start van de motor, gedurende enige tijd (ongeveer drie minuten) geen enkele handeling uitvoert, dan schakelt het Start&Stop-systeem de motor definitief uit om brandstof te besparen. In dergelijke gevallen kan de motor alleen m.b.v. de contactsleutel worden gestart. Opmerking De motor kan in elk geval draaiende worden gehouden door het Start&Stop-systeem uit te schakelen.
WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK 18) Als een comfortabele temperatuur prioritair is, dan kan het Start&Stop-systeem worden uitgeschakeld zodat de klimaatregeling kan blijven werken. BELANGRIJK 87) Alle inzittenden moeten uit de auto stappen nadat de contactsleutel is uitgenomen of naar de OFF-stand is gedraaid. Controleer tijdens het tanken of de motor is afgezet en of de contactsleutel in de STOP-stand staat. 88) Laat de accu alleen vervangen door een dealer van het Fiat Servicenetwerk.
Beschrijving van het systeem Het voertuig is uitgerust met een UREUM-inspuitsysteem en een katalysator voor Selectieve Katalytische Reductie om te voldoen aan de emissienormen. Deze twee systemen zorgen ervoor dat aan de vereisten voor dieselemissies wordt voldaan en dat het lage brandstofverbruik, de bestuurbaarheid, het koppel en het vermogen behouden blijven. Raadpleeg voor meldingen en waarschuwingen van het systeem "Kennismaking met het instrumentenpaneel" en "Lampjes en berichten".
WEGWIJS IN UW AUTO OPTIONELE ACCESSORIES BELANGRIJK 90) Neem voor verbinding met de bestaande apparaten in het voertuig contact op met het Fiat Servicenetwerk om elk probleem te voorkomen dat de veiligheid van het voertuig in gevaar zou kunnen brengen. Als men na aanschaf van het voertuig accessoires wil monteren die constante elektrische voeding nodig hebben (diefstalalarm, satellietbewaking via GPS enz.
RADIOZENDAPPARATUUR EN MOBIELE TELEFOONS Radiozendapparatuur (autotelefoons, CB-zenders, radioamateurs e.d.) mag alleen in de auto worden gebruikt met een aparte antenne die aan de buitenkant is gemonteerd. BELANGRIJK Het gebruik van deze apparaten in het voertuig (zonder buitenantenne) kan storingen in de elektrische systemen van het voertuig veroorzaken. Dit kan de veiligheid van het voertuig in gevaar brengen en een potentieel gevaar voor de gezondheid van de passagiers opleveren.
WEGWIJS IN UW AUTO TANKEN IN HET KORT Tank uitsluitend diesel voor motorvoertuigen conform de Europese specificatie EN590. Zet de motor af alvorens te tanken. In dit geval wordt tevens geadviseerd om de tank meer dan 50% gevuld te houden. 19) WERKING BIJ LAGE TEMPERATUREN Bij zeer lage buitentemperaturen kan de vloeibaarheid van de dieselolie onvoldoende worden wegens de vorming van paraffine met een slechte werking van het brandstoftoevoersysteem als gevolg.
In geval van verlies of beschadiging van de brandstoftankdop, zorg ervoor dat de vervangende dop geschikt is voor het voertuig. Draai de vergrendeldop van de brandstoftank vuller aan totdat u een "klik" hoort. Dit geluid geeft aan dat de vergrendeldop van de brandstoftank vuller goed is vastgedraaid. Voor versies / marketen indien van toepassing, draai de contactsleutel met de klok mee totdat deze niet verder kan.
WEGWIJS IN UW AUTO ❒ door te drukken op de bodem van de vulfles druk op de vulbuis, tde veiligheidsklep van de bijvulfles ontgrendelt en start met het bijvullen(fig. 142 ref. 2); ❒ indien tijdens het bijvullen het niveau van AdBlue in de bijvulfles niet daalt, betekent dit dat de tank volledig is bijgevuld, vervolgens trek de bijvulfles naar u toe, om zodoende de veiligheidsklep te sluiten en schroef de bodem van de bijvulfles los (fig. 142, ref.
BELANGRIJK ❒ Bij overschrijding van de maximale vulniveau van de UREUM tank, kan het beschadiging van de tank en het morsen UREUM veroorzaken. Vermijd alsjeblieft het bijvullen na het vullen van de tank. ❒ HET MAXIMUM NIVEAU NIET OVERSCHRIJDEN. De UREUM bevriest onder -11 ° C. Hoewel het systeem is ontworpen om te functioneren onder het vriespunt van het UREUM, verdient het aanbeveling de tank niet te vullen boven het maximumniveau want de installatie kan beschadigd raken als het UREUM bevriest.
WEGWIJS IN UW AUTO Als de UREUM tank was gevuld boven de maximaal niveau en bevriest, kan het beschadigen; om die reden verdient het de aanbeveling om het maximumniveau van de tank niet te overschrijden. Besteed extra aandacht om te voorkomen dat het maximumniveau wordt overschreden wanneer u draagbare verpakkingen voor het bijvullen gebruikt. Brandstofopslag Dieselbrandstof AdBlue opslag (UREUM) AdBlue (UREUM) wordt beschouwd als een zeer stabiel product met een lange houdbaarheid.
BELANGRIJK 92) Breng geen open vuur of brandende sigaretten in de buurt van de vulopening van de tank: brandgevaar. Kom niet te dicht met het gezicht bij de vulopening, om geen schadelijke dampen in te ademen. 93) Om het morsen van brandstof en de overschrijding van het maximumniveau te voorkomen, voorkom het bijvullen na het vullen van de tank. 94) Brandstof pompen in draagbare verpakkingen die zich op een vloer bevinden kan brand veroorzaken. Gevaar voor brandwonden.
WEGWIJS IN UW AUTO Aangezien dit filter roetdeeltjes opvangt, moet het regelmatig geregenereerd (gereinigd) worden door de roetdeeltjes te verbranden. De regeneratie wordt automatisch geregeld door de elektronische motorregeleenheid afhankelijk van de toestand van het roetfilter en de gebruiksomstandigheden van het voertuig.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL In dit deel van het instructieboek vindt u alle informatie die u nodig hebt om het instrumentenpaneel goed te begrijpen, te interpreteren en te gebruiken. INSTRUMENTENPANEEL ...............118 DISPLAY ........................................122 TRIP COMPUTER ...........................131 LAMPJES EN BERICHTEN .............134 - LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU / HANDREM AANGETROKKEN ............ 135 - STORING EBD ................................. 136 - STORING AIRBAG ..............
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL INSTRUMENTENPANEEL . Versies met multifunctioneel display 143 F1A0356 A. Snelheidsmeter – B. Display – C. Toerenteller – D. Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje oververhitting – E.
Versies met herconfigureerbaar multifunctioneel display 144 F1A0358 A. Snelheidsmeter – B. Display – C. Toerenteller – D. Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje oververhitting – E.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 120 SNELHEIDSMETER BRANDSTOFMETER KOELVLOEISTOFTEMPERATUURMETER De meter A geeft de snelheid van de auto aan. De wijzer E geeft de hoeveelheid brandstof in de tank aan. De wijzer D geeft de koelvloeistoftemperatuur aan en meldt de gebruiker wanneer de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan circa 50°C. Bij normaal gebruik kan de wijzer op verschillende standen staan, afhankelijk van de gebruikscondities. TOERENTELLER De meter C geeft het motortoerental aan.
MOTOROLIENIVEAUMETER (voor bepaalde versies/markten) De symbolen doven geleidelijk aan om het dalende olieniveau aan te geven. De meter geeft de hoeveelheid olie in de motor grafisch weer. Er branden vier of vijf symbolen wanneer de oliehoeveelheid voldoende is. Als het vijfde symbool niet brandt, duidt dit niet op een defect of op een tekort aan olie in het oliecarter. Bij het draaien van de contactsleutel naar de stand MAR, toont het display fig. 145 - fig.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL DISPLAY E Stand hoogteregeling koplampen (alleen bij ingeschakeld dimlicht). (voor bepaalde versies/markten) Het voertuig kan uitgerust zijn met een multifunctioneel display of met een herconfigureerbaar multifunctioneel display, waarop informatie kan worden weergegeven die tijdens het rijden nuttig en noodzakelijk is.
BEDIENINGSKNOPPEN MODE 149 Opmerking Met de knoppen en kunnen verschillende functies geactiveerd worden, afhankelijk van de volgende situaties: Het Setup-menu wordt geactiveerd door de MODE knop kort in te drukken. Regeling lichtsterkte interieurverlichting ❒ Verlichting - bij ingeschakeld stadslicht en standaardscherm, kan de lichtsterkte van de interieurverlichting worden ingesteld.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Door het kort indrukken van de of kan door de knoppen opties van het setup-menu gebladerd worden. - druk op de knoppen of (meerdere keren kort indrukken) om de nieuwe instelling voor deze menu-optie te selecteren; - om alleen de door de gebruiker opgeslagen (en door het indrukken van de knop MODE bevestigde) wijzigingen op te slaan. De bedieningswijzen verschillen afhankelijk van de gekozen optie.
Verlichting (Regeling interieurverlichting) (alleen bij ingeschakeld stadslicht) Deze functie wordt gebruikt om de lichtsterkte van het instrumentenpaneel, de bedieningsknoppen van het uconnect™ systeem (voor bepaalde versies/markten) en de bedieningsknoppen van de automatische klimaatregeling (voor bepaalde versies/markten) (op 8 niveaus) te regelen. Ga als volgt te werk om de lichtsterkte te regelen: ❒ druk kort op de knop MODE.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL - druk kort op de knop MODE, op het display knippert (On); , op het display - druk op knop gaat (Off) knipperen; - druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop ingedrukt om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Instelling gevoeligheid sensor koplampen (voor bepaalde versies/markten) Met deze functie kan de gevoeligheid van de regensensor van de koplampen op 3 niveaus ingesteld worden.
Verkeersborden Met deze functie kan de functie Verkeersborden in (On) of uit (Off) geschakeld worden om de verkeersborden te herkennen (niet inhalen of snelheidslimieten). - druk na het submenu te hebben geselecteerd kort op de knop MODE; Datum instellen (Datum instellen) - wanneer het submenu “Uur” is gekozen, gaan de "uren" op het display knipperen wanneer kort op de knop MODE wordt gedrukt; Met deze functie kan de datum ingesteld worden (dag - maand - jaar).
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL - druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop ingedrukt om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. - druk nogmaals op de knop MODE om terug te keren naar het standaardscherm of het hoofdmenu afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt.
- druk nogmaals op de knop MODE om terug te keren naar het standaardscherm of het hoofdmenu afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt. Taal instellen (Taal) De berichten op het display kunnen in de volgende talen worden weergegeven: Italiaans, Duits, Engels, Spaans, Frans, Portugees en Nederlands.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 130 – druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm. Opmerking Het “Geprogrammeerd onderhoudsschema” voorziet elke 48.000 km (of 30.000 mijl) in een servicebeurt. Deze melding verschijnt automatisch wanneer de sleutel in de stand MAR wordt gedraaid, vanaf 2.000 km (of 1.240 mijl) voor de servicebeurt. Deze melding wordt elke 200 km (of 124 mijl) herhaald. Meldingen m.b.t.
Ga als volgt te werk om de functie inen uit te schakelen: ❒ druk kort op de knop MODE. Op het display verschijnt een submenu; ❒ druk kort op de knop MODE.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL “Trip B” is alleen beschikbaar op multifunctionele displays en geeft informatie over: ❒ Afgelegde afstand B ❒ Gemiddeld verbruik B ❒ Gemiddelde snelheid B ❒ Reistijd B.
❒ nadat de accu losgekoppeld is geweest. TRIP 150 BELANGRIJK Als het systeem wordt gereset wanneer de details van “Trip A” worden weergegeven, dan wordt alleen de met deze functie geassocieerde informatie gereset. F1A0301 Nieuwe reis Deze begint na een: ❒ “handmatige” reset door de gebruiker, door de betreffende knop in te drukken; ❒ “automatische” reset wanneer de afgelegde afstand de waarde 3.999,9 km of 9.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 134 LAMPJES EN BERICHTEN Behalve het branden van de controlelampjes, verschijnt er (bij bepaalde instrumentenpanelen) een specifiek bericht en/of klinkt er een geluidssignaal. Deze meldingen zijn korte waarschuwingen en mogen vanwege hun beknopte karakter niet worden beschouwd als volledig en/of een alternatief voor de informatie die is opgenomen in het Instructieboek. Het wordt daarom geadviseerd het instructieboek altijd aandachtig te lezen.
Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent Wat te doen LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU / HANDREM AANGETROKKEN Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid en moet enkele seconden later doven. rood Remvloeistofniveau te laag Dit lampje gaat branden wanneer het remvloeistofniveau in het reservoir zich onder het minimumpeil bevindt, bijvoorbeeld wegens een lek in het circuit.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel rood geel Wat te doen STORING EBD Wanneer bij draaiende motor de lampjes (rood), (geel) en (geel) tegelijk gaan branden (voor bepaalde versies/markten), dan is er een storing in het EBD-systeem of is het systeem niet beschikbaar. In dit geval kunnen de achterwielen bij hard remmen plotseling blokkeren waardoor het voertuig kan gaan slippen. Op het display verschijnt een speciaal bericht.
Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel rood Wat het betekent VEILIGHEIDSGORDELS NIET VASTGEMAAKT (voor bepaalde versies/markten) Het waarschuwingslampje blijft continu branden bij stilstaand voertuig als de veiligheidsgordel van de bestuurder niet is vastgemaakt. Het lampje gaat knipperen en er klinkt een geluidssignaal als het voertuig rijdt en de veiligheidsgordel van de bestuurder niet goed is vastgemaakt.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Waarschuwingslampjes op display rood 138 Wat het betekent Wat te doen TE HOGE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR Als de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, gaat dit lampje branden. Na enkele seconden moet het doven. Het lampje gaat branden wanneer de motor oververhit is. Op het display verschijnt een speciaal bericht.
Waarschuwingslampjes op display Wat het betekent MOTOROLIEDRUK TE LAAG Wanneer de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid, gaat het digitale waarschuwingslampje branden maar het moet doven zodra de motor is gestart. Het waarschuwingslampje gaat continu branden en er verschijnt een bericht op het display wanneer het systeem detecteert dat de motoroliedruk onvoldoende is. Wat te doen 22) Neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 140 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel rood Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel rood Wat het betekent Wat te doen PORTIEREN/LAADRUIMTE NIET GOED GESLOTEN Bij sommige versies gaat dit lampje branden wanneer een of meerdere portieren of de laadruimte niet goed gesloten zijn. Bij sommige versies verschijnt er een bericht op het display waarbij wordt aangegeven welk(e) portier/deur (links/rechts voor of achter/laadruimte) niet goed gesloten is.
Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel rood Wat het betekent Wat te doen STORING AUTOMATISCHE NIVEAUREGELING (voor bepaalde versies/markten) Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid en moet enkele seconden later doven. Het lampje gaat branden wanneer er een storing in de automatische niveauregeling wordt gedetecteerd.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL BELANGRIJK 98) Als het waarschuwingslampje niet dooft wanneer de sleutel naar MAR wordt gedraaid of als het blijft branden tijdens het rijden (terwijl er ook een bericht op het display wordt weergegeven), dan kan er iets mis zijn met de veiligheidssystemen; in dit geval worden de airbags misschien niet opgeblazen of werken de gordelspanners niet goed indien een ongeval optreedt of, in een zeer beperkt aantal gevallen, werken ze op het verkeerde moment.
Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent STORING INSPUIT-/EOBD-SYSTEEM Onder normale omstandigheden, wanneer de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid, gaat het lampje branden maar dit moet doven zodra de motor is gestart. De verkeerspolitie beschikt over speciale apparatuur kan worden waarmee de werking van het lampje gecontroleerd. Neem in elk geval de wettelijke voorschriften van het land waarin u rijdt in acht.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel amber geel 144 Wat het betekent STORING UREUM-INSPUITSYSTEEM Het waarschuwingslampje gaat branden en er wordt een speciaal bericht op het display weergegeven (voor bepaalde versies/markten), als een vloeistof die niet voldoet aan de nominale eigenschappen wordt ingespoten of als een gemiddeld UREUM-verbruik van meer dan 50% wordt gedetecteerd.
Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent Wat te doen BRANDSTOFRESERVE Als de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, gaat dit lampje branden. Na enkele seconden moet het doven. Het lampje gaat branden wanneer er nog ongeveer 10-12 liter brandstof (voor versies met tankinhoud van 90-120 liter) of 10 liter (voor versies met tankinhoud van 60 liter) in de tank zit. geel BELANGRIJK Het lampje knippert om een storing in het systeem aan te geven.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel STORING VOORGLOEIBOUGIES / VOORGLOEISYSTEEM Voorgloeisysteem Dit lampje gaat branden wanneer de contactsleutel in de stand MAR wordt gedraaid. Het lampje dooft zodra de voorgloeibougies de van te voren ingestelde temperatuur hebben bereikt. geel Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel geel 146 Wat het betekent Wat te doen Start de motor onmiddellijk nadat het lampje is gedoofd.
Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent Wat te doen STORING STARTBLOKKERING - FIAT CODE Wanneer de contactsleutel in de stand MAR wordt gedraaid, knippert het lampje één keer en gaat het vervolgens uit.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent INDICATIE AANVULLENDE STORING (Versies met multifunctioneel display) Het lampje gaat onder de volgende omstandigheden branden: geel ❒ Als de brandstofnoodschakelaar in werking treedt ❒ Storing in de verlichting (mistachterlichten, richtingaanwijzers, remlichten, kentekenplaatverlichting, stadslichten, dagverlichting, automatisme grootlicht koplampen, richtingaanwijzers aanhanger, stadslichten aanhanger) De sto
Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel geel Wat het betekent DPF (ROETFILTER) WORDT SCHOONGEMAAKT (voor bepaalde versies/markten) Als de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, gaat dit lampje branden. Na enkele seconden moet het doven. Het lampje gaat continu branden om de bestuurder te waarschuwen dat het DPF-systeem bezig is met het verwijderen van de opgehoopte vervuilende deeltjes (roet) middels regeneratie.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 150 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel geel geel Wat het betekent Wat te doen STORING ESC-ASR SYSTEEM/TRACTION PLUS Bij sommige versies verschijnt een speciaal bericht op het display. Het lampje gaat tijdens het rijden knipperen om aan te geven dat het ESC systeem in werking is getreden. Als het lampje niet uit gaat, of tijdens het rijden blijft branden, contact opnemen met het Fiat Servicenetwerk.
Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel geel Wat het betekent Wat te doen DRIVING ADVISOR Als de twee lampjes branden dan betekent het dat het systeem begonnen is met het herkennen van de bedrijfscondities. Wanneer het systeem de bedrijfscondities herkent, wordt het actief, d.w.z. het kan de bestuurder met visuele en akoestische waarschuwingen assisteren. Daarom gaan de lampjes uit.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent TPMS Storing TPMS Het lampje gaat branden wanneer er een storing in het TPMS wordt gedetecteerd. geel Wat te doen Neem in dit geval zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk. Lage bandenspanning Het waarschuwingslampje gaat branden om aan te geven dat de bandenspanning lager is dan de aanbevolen waarde en/of dat de band langzaam spanning verliest.
BELANGRIJK 102) Rijd altijd met een snelheid die is afgestemd op de verkeerssituatie, de weersomstandigheden en de wegenverkeerswetgeving. De motor afzetten terwijl het DPF lampje brandt is toegestaan, maar het meermaals onderbreken van het regeneratieproces kan leiden tot voortijdig kwaliteitsverlies van de motorolie. Daarom wordt aanbevolen altijd te wachten tot het lampje is gedoofd alvorens de motor af te zetten, zoals hierboven is beschreven.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 154 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel groen Wat het betekent RECHTER RICHTINGAANWIJZER Het lampje gaat branden wanneer de richtingaanwijzerhendel omhoog wordt verplaatst of, samen met de linker richtingaanwijzer, wanneer de drukknop voor de alarmknipperlichten wordt ingedrukt. MISTLAMPEN VOOR Het lampje gaat branden wanneer de mistlampen voor worden ingeschakeld.
Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel groen Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent Wat te doen SNELHEIDSBEGRENZER (voor bepaalde versies/markten) Het lampje op het bedieningspaneel gaat branden wanneer de functie ingeschakeld wordt. Bij sommige versies verschijnt een speciaal bericht op het display. Wat het betekent Wat te doen AUTOMATISCH GROOTLICHT Dit lampje gaat branden wanneer het grootlicht automatisch wordt ingeschakeld.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 156 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel groen Wat het betekent "UP" FUNCTIE (alleen met COMFORT-MATIC-versnellingsbak, voor bepaalde versies/markten) De UP-functie kan alleen worden ingeschakeld als de automatische logica van de COMFORTMATIC-versnellingsbak is ingeschakeld. De UP-functie kan worden ingeschakeld door te drukken op de UP-knop tussen de bedieningen op het dashboard.
Berichten op het display Wat het betekent Wat te doen STORING BUITENLICHTEN (Versies met herconfigureerbaar multifunctioneel display) Het symbool wordt weergegeven wanneer er een storing in een van de volgende lichten wordt gedetecteerd: ❒ richtingaanwijzers ❒ mistachterlichten ❒ remlichten ❒ stadslicht De storing kan de volgende oorzaken hebben: een of meer lampen doorgebrand, de betreffende zekering(en) doorgebrand of elektrische verbinding onderbroken.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 158 Wat het betekent STORING AUTOMATISME GROOTLICHT KOPLAMPEN (Versies met herconfigureerbaar multifunctioneel display) Het symbool verschijnt wanneer er een storing gedetecteerd wordt in het automatische inschakelingssysteem van het grootlicht. KANS OP GLAD WEGDEK Wanneer de buitentemperatuur 3 °C of lager bedraagt dan gaat de aanwijzing knipperen om de bestuurder te waarschuwen voor de mogelijke aanwezigheid van een glad wegdek.
Wat het betekent BRANDSTOFNOODSCHAKELAAR IN WERKING GETREDEN (Versies met herconfigureerbaar multifunctioneel display) Dit symbool verschijnt op het display als de brandstofnoodschakelaar in werking is getreden. Wat te doen Zie voor de procedure om de brandstofnoodschakelaar weer in te schakelen het deel "Elektrische voeding en brandstofnoodschakelaar" in het hoofdstuk "Kennismaking met het voertuig". Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk als de brandstoftoevoer nog steeds niet hersteld kan worden.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 160 Wat het betekent BEPERKTE ACTIERADIUS Op het display verschijnt een speciaal bericht om de bestuurder te waarschuwen dat de actieradius minder dan 50 km bedraagt. INSCHAKELING/UITSCHAKELING START&STOP-SYSTEEM (voor bepaalde versies/markten) Inschakeling Start&Stop-systeem Er verschijnt een bericht op het display wanneer het Start&Stop-systeem wordt ingeschakeld.
Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent Wat te doen INDICATIE LAAG NIVEAU ADDITIEF VOOR DIESELEMISSIES (UREUM) ❒ De eerste waarschuwing van een laag niveau wordt rond een bereik van 1.200 km gegeven en wordt bepaald volgens het huidige verbruik. Het waarschuwingslampje van een laag UREUM-niveau en de melding om bij te vullen worden op het dashboard weergegeven.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 162 BELANGRIJK 25) Water in het brandstofcircuit kan het inspuitsysteem ernstig beschadigen en de motor onregelmatig doen draaien. Als het symbool gaat branden (bij bepaalde versies verschijnt ook een melding op de display), neem dan zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk om de condens te laten aftappen.
VEILIGHEID Dit hoofdstuk is erg belangrijk. Hierin worden de veiligheidssystemen beschreven waarmee de auto is uitgerust en aanwijzingen over hoe deze op de juiste wijze gebruikt moeten worden. VEILIGHEIDSGORDELS ..................164 SBR-SYSTEEM...............................165 GORDELSPANNERS.......................166 KINDEREN VEILIG VERVOEREN.....168 INBOUWVOORBEREIDING VOOR “UNIVERSEEL ISOFIX” KINDERZITJE..................................173 FRONTAIRBAGS.............................179 ZIJAIRBAGS .....
VEILIGHEID VEILIGHEIDSGORDELS GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS De veiligheidsgordel moet omgelegd worden terwijl men goed rechtop, met de rug tegen de rugleuning zit. Pak, om de gordel om te leggen, de gesp A fig. 151 en steek deze in de sluiting B, totdat de klik van het vergrendelen wordt gehoord. Via de oprolautomaat past de gordel zich automatisch aan het lichaam van de passagier aan, waarbij voldoende bewegingsvrijheid wordt gelaten.
SBR-SYSTEEM IN HET KORT BELANGRIJK 104) Druk tijdens het rijden nooit op knop C fig. 151. 105) De hoogte van de veiligheidsgordels mag alleen ingesteld worden bij stilstaande auto. 106) Controleer na de afstelling altijd of de beugel, waaraan de ring is bevestigd, in één van de vaste standen is geblokkeerd. Om dit te doen, de hendel loslaten en de gordel omlaag trekken tot het bevestigingspunt in één van de mogelijke standen blokkeert.
VEILIGHEID GORDELSPANNERS Voor een nog doeltreffender bescherming zijn de veiligheidsgordels van de voorstoelen voorzien van gordelspanners. Bij een frontale of zijdelingse botsing, trekken de gordelspanners de gordel enige centimeters aan. Op die manier worden de inzittenden veel beter op hun plaats gehouden en wordt de voorwaartse beweging ingeperkt. De rolautomaat blokkeert als de gordelspanner in werking is geweest; het oprollen van de gordel is niet meer mogelijk, ook niet als hij wordt begeleid.
ONDERHOUD VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS Volg voor het juiste onderhoud van de veiligheidsgordels de volgende aanwijzingen zorgvuldig op: ❒ zorg er altijd voor dat de gordel goed uitgetrokken en niet gedraaid is; controleer ook of de oprolautomaat niet haperend werkt; 154 155 F1A0148 F1A0149 ❒ vervang de gordels na een ongeval, ook al lijken ze niet beschadigd. Vervang de gordels ook steeds als de gordelspanners werden geactiveerd. ❒ Gebruik water en neutrale zeep om de gordels met de hand te wassen.
VEILIGHEID 109) Voor optimale bescherming moet de rugleuning rechtop gezet worden, moet men goed tegen de rugleuning aanzitten en moet de gordel goed aansluiten op de borst en het bekken. Draag altijd veiligheidsgordels, zowel voor- als achterin! Rijden zonder veiligheidsgordels doet bij ongeval het risico op ernstige verwondingen toenemen en kan zelfs de dood tot gevolg hebben. 110) Het demonteren of aanpassen van onderdelen van de veiligheidsgordel of gordelspanner is ten strengste verboden.
Groep Gewichtsgroep Groep 0 tot 10 kg Groep 0+ tot 13 kg Groep 1 9-18 kg Groep 2 15-25 kg Groep 3 22-36 kg Zoals men kan opmerken, bestaat er een gedeeltelijke overlapping tussen de groepen. Er zijn dan ook systemen in de handel verkrijgbaar die geschikt zijn voor meer dan één gewichtsgroep. GROEP 0 en 0+ GROEP 1 Baby's tot 13 kg moeten in babyzitjes worden vervoerd die achterstevoren zijn geplaatst, waarbij het achterhoofd wordt gesteund en bij plotseling remmen de nek niet wordt belast.
VEILIGHEID GROEP 2 GROEP 3 Kinderen met een gewicht tussen 15 en 25 kg mogen rechtstreeks de veiligheidsgordels van het voertuig gebruiken fig. 159. De borstomvang van kinderen met een gewicht tussen 22 en 36 kg is groot genoeg om gewoon tegen de rugleuning te kunnen steunen zonder gebruik te maken van een kinderzitje.
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN KINDERZITJES Het voertuig voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EG-richtlijn inzake de montage van kinderzitjes op de verschillende plaatsen in het voertuig overeenkomstig de volgende tabel (de tabel heeft betrekking op Bestel-, Combi- en Panoramaversies): Groep Gewichtsgroep CABINE 1e en 2e RIJ STOELEN Eén- of tweepersoonsbank (1 of 2 passagiers) Passagier links achterin Passagier rechts achterin Passagier in het midden Groep 0, 0+ Tot 13 kg U
VEILIGHEID Belangrijkste veiligheidsvoorschriften voor het vervoeren van kinderen ❒ Het wordt aanbevolen kinderen altijd op de achterbank te vervoeren, bij een ongeval biedt de achterbank de meeste bescherming. ❒ Controleer tijdens het rijden of het kind geen verkeerde houding aanneemt of de gordels losmaakt. ❒ Als de passagiersairbag buiten werking is gesteld, controleer dan of op het de led op de knop instrumentenpaneel brandt om er zeker van te zijn dat deze airbag daadwerkelijk is uitgeschakeld.
115) Sommige kinderzitjes zijn geschikt voor de gewichtsgroepen 0 en 1. Op de achterzijde van deze kinderzitjes is een aansluiting voor bevestiging aan de autogordels voorzien en ook hebben deze kinderzitjes aparte gordels om het kind te beschermen. In geval van verkeerde montage kunnen deze kinderzitjes wegens hun gewicht gevaarlijk zijn (bijvoorbeeld wanneer tussen het kinderzitje en de autogordels een kussen wordt geplaatst). Neem de montagevoorschriften zorgvuldig in acht.
VEILIGHEID Bij Isofix Universele kinderzitjes kunt u gebruik maken van alle zitjes die goedgekeurd zijn volgens de ECE R44/03-richtlijn “Universeel Isofix".
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN UNIVERSELE ISOFIX KINDERZITJES In onderstaande tabel worden, conform de Europese regelgeving ECE 16, de mogelijkheden weergegeven van de montage van Universeel Isofix kinderzitjes op de stoelen die zijn uitgerust met Isofix-beugels.
VEILIGHEID DOOR FIAT PROFESSIONAL VOOR UW NIEUWE DUCATO AANBEVOLEN KINDERZITJES Lineaccessori Fiat omvat een volledige reeks kinderzitjes die bevestigd moeten worden met de driepuntsveiligheidsgordel of de Isofix beugels.
Gewichtsgroep Kinderzitje Type kinderzitje G0/1 kinderzitje Nummer typegoedkeuring: E4 04443718 Fiat bestelcode:71805991 + + Isofix RWF type "I" platform voor G0/1 Fiat bestelcode: 71806309 of Isofix FWF type "G" platform voor G0/1 Fiat bestelcode: 71806308 Groep 1 – van 9 tot 18 kg + + Installatie kinderzitje Dit mag zowel in de rijrichting als tegen de rijrichting in gemonteerd worden met behulp van alleen de veiligheidsgordels van het voertuig of de Isofix beugels.
VEILIGHEID Gewichtsgroep Kinderzitje Type kinderzitje Installatie kinderzitje Junior Kidfix kinderzitje Nummer typegoedkeuring: E4 04443721 Fiat bestelcode: 71806570 Het kan alleen in de rijrichting gemonteerd worden, met behulp van de driepuntsveiligheidsgordel en de Isofixbevestigingen, indien aanwezig. Scout-zitje Nummer typegoedkeuring: E4 04443718 Fiat bestelcode: 71805372 Dit mag alleen bevestigd worden in de rijrichting met de driepuntsveiligheidsgordel.
FRONTAIRBAGS Het voertuig is uitgerust met frontairbags voor bestuurder en passagier. De frontairbags voor bestuurder/ passagier zijn ontworpen om de inzittenden te beschermen bij middelzware frontale botsingen, door de airbag tussen de inzittende en het stuurwiel of het dashboard op te blazen. Als de airbags niet worden opgeblazen bij andere soorten botsingen (botsingen opzij, achterop, over de kop slaan enz.), wijst dit niet op een storing van het systeem.
VEILIGHEID FRONTAIRBAG BESTUURDERSZIJDE Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar kussen dat in een speciale ruimte in het midden van het stuurwiel is geplaatst fig. 164. 164 FRONTAIRBAG PASSAGIERSZIJDE (voor bepaalde versies/markten) Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar kussen dat in een speciale ruimte in dashboard is opgeborgen fig. 165: deze airbag heeft een groter volume dan de bestuurdersairbag.
Wanneer het voertuig wordt gestart (sleutel in stand MAR), brandt de led circa 8 seconden, als ten minste 5 seconden na de vorige uitschakeling zijn verstreken. Als dit niet het geval is, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk. Als het voertuig binnen 5 seconden opnieuw wordt in-/uitgeschakeld, kan de led gedoofd blijven. Controleer in dit geval de correcte ledwerking, schakel het voertuig uit, wacht minstens 5 seconden en schakel weer in.
VEILIGHEID FRONTAIRBAG PASSAGIER EN KINDERZITJES: WAARSCHUWING 167 182 F1A0387
BELANGRIJK 119) Breng geen stickers of andere voorwerpen op het stuurwiel, op het dashboard in de zone van de passagiersairbag en op de stoelen aan. Plaats nooit voorwerpen (bijv. mobiele telefoons) op het dashboard aan passagierszijde, omdat deze het correct openen van de passagiersairbag kunnen hinderen en tevens de inzittenden ernstig kunnen verwonden. 120) Plaats NOOIT een kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel van auto's met een actieve passagiersairbag.
VEILIGHEID ZIJAIRBAGS 121) 122) 123) 124) 125) 126) 127) 128) 129) 130) 131) 132) 133) Het voertuig is uitgerust met frontairbags voor bestuurder en passagier, zijairbags voor bestuurder en passagier voor bescherming van borst en schouders (voor bepaalde versies/markten) en hoofdairbags voor het beschermen van de hoofden van de inzittenden voor- en achterin.
BELANGRIJK De frontairbags en/of zijairbags kunnen geactiveerd worden bij krachtige stoten aan de onderzijde van de carrosserie (bijv. heftige botsing tegen drempels of stoepranden, grote gaten of verzakkingen in het wegdek etc.). BELANGRIJK Als de airbag geactiveerd wordt, ontsnapt een kleine hoeveelheid poeder. Dit poeder is niet schadelijk en duidt niet op het begin van een brand.
VEILIGHEID 186 127) Wanneer de contactsleutel is ingebracht en naar de stand MAR is gedraaid, kunnen de airbags ook geactiveerd worden als de stilstaande auto door een andere auto wordt aangereden, ook al is de motor afgezet. Daarom mag, wanneer de passagiersairbag is ingeschakeld, en ook al staat de auto stil, GEEN tegen de rijrichting in gemonteerd kinderzitje op de voorstoel gemonteerd worden.
STARTEN EN RIJDEN Laten we eens kijken naar het "hart" van het voertuig: dan kunt u zien hoe u het potentieel ervan optimaal kunt benutten. We zullen u laten zien hoe u het voertuig in elke situatie veilig kunt besturen, zodat het een echte "maatje" voor u kan zijn, waarbij het comfort en de portefeuille niet vergeten worden. MOTOR STARTEN ..........................188 PARKEREN .....................................189 GEBRUIK VAN DE VERSNELLINGSBAK ......................191 TIPS VOOR HET LADEN ............
STARTEN EN RIJDEN MOTOR STARTEN Het voertuig is uitgerust met een elektronische startblokkering: zie de paragraaf "Fiat CODE startblokkering" in "Kennismaking met de auto" als de motor niet start.
29) Als het waarschuwingslampje na het starten of tijdens langdurig "aanzwengelen" 1 minuut knippert, duidt dit op een defect van de voorgloeibougies. Als de motor start kan het voertuig zoals gewoonlijk gebruikt worden, maar moet zo snel mogelijk contact worden opgenomen met het Fiat Servicenetwerk. 30) Onthoud dat de rembekrachtiging en de elektrische stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is gestart; om die reden is meer kracht benodigd voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
STARTEN EN RIJDEN BELANGRIJK Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk om de handrem te laten afstellen als dit niet het geval is. Als de slag van de hendel langer mocht worden, moet contact worden opgenomen met het Fiat Servicenetwerk. Bij aangetrokken handrem en contactsleutel in de stand MAR, gaat op het waarschuwingslampje het instrumentenpaneel branden. 170 BELANGRIJK 34) BELANGRIJK Trek de handrem alleen aan als het voertuig stilstaat.
GEBRUIK VAN DE VERSNELLINGSBAK Trap, om de versnellingen in te schakelen, het koppelingspedaal volledig in en plaats de pook in de gewenste stand (het schakelschema is aangegeven op de pookknop fig. 171). BELANGRIJK De achteruit kan uitsluitend bij stilstaand voertuig worden ingeschakeld. Wacht bij draaiende motor minstens 2 seconden met het koppelingspedaal helemaal ingetrapt alvorens de achteruit in te schakelen om beschadiging aan de tandwielen te voorkomen.
STARTEN EN RIJDEN TIPS VOOR HET LADEN De door u gebruikte versie van de Fiat Ducato is ontworpen en typegoedgekeurd op basis van bepaalde maximumgewichten (zie de tabel "Gewichten" in het hoofdstuk "Technische gegevens): rijklaar gewicht, nuttig laadvermogen, totaalgewicht, maximumgewicht op vooras, maximumgewicht op achteras, aanhangergewicht. BELANGRIJK De maximum toelaatbare belasting op de sjorogen op de laadvloer is 500 kg; de maximum toelaatbare belasting op de laadklep is 150 kg.
139) Als u brandstof in een reservetank wilt meenemen, moet dit met inachtneming van de wettelijke voorschriften gebeuren door alleen een typegoedgekeurde tank te gebruiken die stevig met de sjorogen is verankerd. Bedenk echter wel dat op deze manier het risico op brand bij een ongeval toeneemt.
STARTEN EN RIJDEN Klimaatregelsysteem Overbodige handelingen Acceleratie Het gebruik van de klimaatregeling doet het brandstofverbruik toenemen (gemiddeld zo'n 20% extra). Gebruik bij voorkeur alleen de ventilatie als de buitentemperatuur dit toestaat. Bruusk optrekken kost veel brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen: geef geleidelijk aan gas. Aerodynamische accessoires Trap het gaspedaal niet in wanneer u stilstaat voor een stoplicht of voordat de motor wordt afgezet.
Stilstaan in het verkeer Bij langdurig stilstaan (bijv. spoorwegovergangen) is het raadzaam de motor af te zetten. AANHANGERS TREKKEN BELANGRIJKE INFORMATIE Voor het trekken van aanhangers of caravans moet het voertuig voorzien zijn van een goedgekeurde trekhaak en een geschikte elektrische installatie. De trekhaak moet door gespecialiseerd personeel worden gemonteerd die de speciale documentatie voor het rijden over wegen zal overhandigen.
STARTEN EN RIJDEN MONTAGE VAN DE TREKHAAK BELANGRIJK Schakel de elektrisch rem of lier alleen bij draaiende motor in. Laat de trekhaak door gespecialiseerd personeel aan de carrosserie monteren, in overeenstemming met de extra en/of aanvullende aanwijzingen van de fabrikant van de trekhaak.
Installatieschema voor Laadbak- en Chassiscabineversies fig. 173 Een andere trekhaak speciaal voor Laadbak- en Chassis-cabineversies wordt getoond in fig. 173. De structuur Ø moet bevestigd worden in de aangegeven punten met in totaal 6 M10x1,25-schroeven en 4 M12schroeven. MAX. GEWICHT OP KOGEL: 100/120 kg afhankelijk van het laadvermogen (zie tabel “Gewichten” in het hoofdstuk “Technische gegevens”). 143) 141) Wijzig nooit het remsysteem van het voertuig om de remwerking van de aanhanger aan te passen.
M12 172 198 F1A0164 STARTEN EN RIJDEN
173 F1A0165 199
STARTEN EN RIJDEN AANWIJZINGEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE VERWIJDERBARE TREKSTANG MET KOGELKOP 37) 38) 39) 40) 41) 42) Controleer, vóór het wegrijden, als volgt of de verwijderbare trekstang met kogelkop correct vergrendeld is: Gebruik nooit gereedschappen of middelen, want dan zou het mechanisme beschadigd kunnen raken. ❒ Het groene merkteken van het vliegwiel moet samenvallen met het groene merkteken op de trekstang.
De trekstang met kogelkop installeren 1. Verwijder de plug uit de zittingbuis. 175 - Vergrendelde stand, tijdens het rijden 176 - Ontgrendelde stand, verwijderd . F1A0381 F1A0382 De trekstang met kogelkop staat gewoonlijke in de ontgrendelde stand als hij uit de bagageruimte genomen wordt.
STARTEN EN RIJDEN 38) Het bijgeleverde plaatje moet op een goed zichtbaar punt op het voertuig worden aangebracht, dichtbij de montagepijp of in de bagageruimte. WINTERBANDEN 2. Houd de trekstang stevig vast, verwijder het vliegwiel in de richting van de pijl en draai het in de richting van pijl b tot de aanslag, om het te verwijderen tot de uitgetrokken stand. Verwijder vervolgens de trekstang uit de zittingbuis. Nu kan het vliegwiel losgemaakt worden; het stopt vanzelf in de losgemaakte stand.
Monteer op de vier wielen dezelfde banden (zelfde merk en profieldiepte) voor meer veiligheid tijdens het rijden en het remmen en voor een betere bestuurbaarheid. SNEEUWKETTINGEN Denk eraan dat de draairichting van de banden niet omgedraaid mag worden. Sneeuwkettingen mogen alleen op de banden van de voorwielen (aandrijfwielen) gemonteerd worden. Het gebruik van sneeuwkettingen moet aan de plaatselijke voorschriften in elk land voldoen.
STARTEN EN RIJDEN LANGDURIGE STILSTAND Tref de volgende voorzorgsmaatregelen als het voertuig langer dan een maand niet gebruikt zal worden: ❒ parkeer het voertuig in een overdekte, droge en indien mogelijk goed geventileerde ruimte; ❒ schakel een versnelling in; ❒ pomp de banden 0,5 bar boven de voorgeschreven spanning op en controleer de spanning met regelmatige tussenpozen; ❒ controleer of de handrem niet is aangetrokken; ❒ tap het koelsysteem van de motor niet af.
NOODGEVALLEN Een lekke band of een doorgebrand lampje? Soms kan een probleem uw reis in gevaar brengen. De pagina's over noodsituaties kunnen u helpen om op zelfstandige en kalme wijze kritieke situaties op te lossen. Wij adviseren u om in een noodsituatie het gratis telefoonnummer te bellen dat in het garantieboekje is vermeld. U kunt ook het gratis telefoonnummer 00 800 3428 0000 bellen om de dichtstbijzijnde Fiat dealer te vinden. MOTOR STARTEN ..........................206 EEN WIEL VERVANGEN ..........
NOODGEVALLEN MOTOR STARTEN Ga als volgt te werk om de auto te starten: Ga onmiddellijk naar het Fiat Servicenetwerk als het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel continu blijft branden. ❒ til het kapje A fig. 177 op om de plusklem van de accu toegankelijk te maken.
EEN WIEL VERVANGEN ALGEMENE INSTRUCTIES BELANGRIJK 145) Deze procedure moet uitgevoerd worden door gekwalificeerd personeel aangezien onjuiste handelingen kunnen leiden tot zeer sterke elektrische ontladingen. Bovendien is accuvloeistof giftig en corrosief: vermijd contact met huid en ogen. Houd open vuur en brandende sigaretten uit de buurt van de accu en veroorzaak geen vonken.
NOODGEVALLEN ❒ Indien er een wiel verwisseld moet worden op een helling of een onverharde weg, leg dan iets onder de wielen om ze te blokkeren; ❒ neem de gereedschapstas vanonder de passagiersstoel (zie “Compartiment onder voorste passagiersstoel” in het hoofdstuk “Kennismaking met het voertuig”); In de tas zitten de volgende gereedschappen: A - trekoog C - wielboutsleutel D - krik E - verlenging voor sleutel ❒ neem de verlenging voor de sleutel, de wielboutsleutel en de stang voor de sleutel uit de geree
❒ bij versies uitgerust met automatische niveauregeling, moeten, voordat het voertuig met de krik omhoog wordt gebracht, de knoppen A en B fig. 182 tegelijkertijd minstens gedurende 5 seconden ingedrukt worden. De werkingsmodus om het voertuig omhoog te brengen is ingeschakeld: de leds blijven constant branden. Druk, om deze modus te verlaten, nogmaals 5 seconden tegelijkertijd op de knoppen A en B; beide leds op de knoppen gaan uit en de volledige systeemwerking wordt hersteld.
NOODGEVALLEN ❒ monteer het reservewiel en laat de gaten G fig. 187 over de pennen H vallen. Zorg bij montage van het reservewiel ervoor dat de contactvlakken van het reservewiel volledig schoon zijn, want anders kunnen de wielbouten na verloop van tijd loskomen; ❒ draai de 5 wielbouten niet te hard vast; ❒ assembleer de gereedschappen en draai de wielbouten om de beurt en diametraal vast, in de volgorde aangegeven in fig.
❒ gebruik de inbussleutel en haal de drie speciale bouten vast op de moeren van de beugel fig. 192 waardoor de velg vergrendeld wordt; 189 190 F1A0424 F1A0425 ❒ breng het geassembleerde gereedschap fig. 184 met het geschikte verlengstuk B fig. 183 aan op de bout A fig. 183 van het hefmechaniek van het reservewiel aan en draai de sleutel rechtsom om het reservewiel omhoog te laten komen totdat het volledig in de zitting onder de bodemplaat rust. Controleer daarbij of het vangteken D fig.
NOODGEVALLEN 147) Het reservewiel (voor bepaalde versies/markten) is specifiek voor het voertuig waarbij het geleverd is. Monteer het niet op andere auto’s of modellen. Monteer ook geen reservewielen van andere modellen op uw voertuig. De wielbouten zijn specifiek voor uw voertuig: gebruik ze niet voor andere modellen en monteer ook geen wielbouten van andere voertuigen op het uwe. 148) Zorg ervoor dat het vervangen wiel zo snel mogelijk gerepareerd en gemonteerd wordt.
157) Het hefmechaniek van het reservewiel is voorzien van een veiligheidskoppelingssysteem om het mechaniek te beschermen; dit kan geactiveerd worden als er buitensporige kracht op de manoeuvreerbout wordt uitgeoefend. SNELLE BANDENREPARATIE -KIT FIX & GO AUTOMATIC (voor bepaalde versies/markten) De snelle bandenreparatiekit Fix & Go automatic bevindt zich voorin in de passagiersruimte en bevat fig. 193: ❒ informatiefolder (zie fig.
NOODGEVALLEN BELANGRIJKE INFORMATIE: Het afdichtmiddel van de snelle bandenreparatiekit werkt bij buitentemperaturen tussen –20 °C en +50 °C. Het afdichtmiddel heeft een houdbaarheidsdatum. 161) 162) 195 F1A0182 2) OPPOMPEN 163) 164) 165) 166) 167) ❒ Trek de handrem aan. Draai de ventieldop los, neem de vulleiding A fig. 195 uit en draai de ringmoer B op het ventiel van de band vast; ❒ steek de stekker E fig. 197 in het dichtstbijzijnde 12V-stopcontact en start de motor. Draai de schakelaar D fig.
❒ stop na ongeveer 10 minuten en controleer de bandenspanning opnieuw; vergeet niet de handrem aan te trekken; ❒ als een spanning van minstens 3 bar wordt gemeten, herstel dan de correcte bandenspanning (bij draaiende motor en aangetrokken handrem) vermeld in de paragraaf "Bandenspanning" in het hoofdstuk "Technische gegevens", ga weer rijden en rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde garage van een Fiat dealer.
NOODGEVALLEN BELANGRIJK 158) Overhandig de informatiefolder aan het personeel dat de behandelde band moet repareren. 159) Beschadigingen op de zijkanten van de band kunnen niet gerepareerd worden. Gebruik de reparatiekit niet als de band beschadigd is geraakt door het rijden met een lege band. 160) De band kan niet gerepareerd worden als de velg beschadigd is (zodanig verbogen dat dit tot luchtlekkage leidt). Verwijder niet het eventueel in de band binnengedrongen voorwerp (schroef of spijker).
EEN LAMP VERVANGEN ALGEMENE INSTRUCTIES BELANGRIJK 44) Als de band door vreemde voorwerpen lek is gelaakt, kan de kit gebruikt worden voor beschadigingen in het loopvlak of de schouder van de band met een diameter van maximaal 4 mm. 45) 168) 169) ❒ Als een lamp niet functioneert, controleer dan of de betreffende zekering is doorgebrand alvorens de lamp te vervangen. Om de zekeringen te vinden wordt verwezen naar de paragraaf “Zekeringen vervangen” in dit hoofdstuk.
NOODGEVALLEN BELANGRIJK 168) Wijzigingen of reparaties aan het elektrische systeem die niet correct zijn uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische systeemgegevens, kunnen storingen veroorzaken die tot brand kunnen leiden. 169) In halogeenlampen bevindt zich gas onder druk; als ze breken, kunnen er glassplinters wegschieten.
TYPEN LAMPEN Het voertuig is uitgerust met verschillende typen gloeilampen: Volglas lampen: (type A) klemmontage. Trek om te verwijderen. Lamp met bajonetsluiting: (type B) druk de lamp ietwat in en draai hem linksom om hem te verwijderen. Buislampen: (type C) trek de lamp uit de veercontacten om hem te verwijderen. Halogeenlampen: (type D) maak de lamp vrij en trek hem uit zijn zitting om hem te verwijderen. Halogeenlampen: (type E) maak de lamp vrij en trek hem uit zijn zitting om hem te verwijderen.
NOODGEVALLEN Lampen Lampen Type Vermogen Ref.
LAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN Zie voor het type lamp en het vermogen “Een lamp vervangen". KOPLAMPUNITS ❒ volg onderstaande stappen om de lampen te vervangen; De lampen zijn als volgt in de lichtunit opgesteld fig. 203: ❒ monteer de koplamp na de vervanging door hem met de schroeven B fig. 202 te bevestigen; A Richtingaanwijzers ❒ sluit de stekker A fig. 201 op de koplamp aan.
NOODGEVALLEN Breng de rubberen doppen weer aan na de lampen te hebben vervangen en controleer of ze goed vastzitten. GROOTLICHT STADSLICHT/ DAGRIJLICHTEN Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ verwijder het rubberen beschermdeksel A fig. 204; ❒ draai de lamphouder B fig. 205 linksom; ❒ verwijder de lamp door hem weg te trekken en vervang hem; 204 F1A0314 STADSLICHT/ DAGRIJLICHTEN (LEDS) Dit zijn led-lampjes. Neem voor het vervangen contact op met het Fiat Servicenetwerk.
DIMLICHT RICHTINGAANWIJZERS Lampjes aan zijkanten Met gloeilampen Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen fig. 209: ❒ verwijder het rubberen beschermdeksel A fig. 204; ❒ verstel de spiegel met de hand om toegang te krijgen tot de twee bevestigingsschroeven A; ❒ draai de lamphouder B fig.
NOODGEVALLEN MISTLAMPEN VOOR (voor bepaalde versies/markten) Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen fig. 213 fig. 214: Ga als volgt te werk om de mistlampen voor te vervangen: ❒ draai het wiel helemaal naar binnen; ❒ draai de schroef A los en verwijder de klep B fig. 210; ❒ druk op de veer C fig.
❒ sluit de stekker weer aan, monteer de lichtunit op de juiste wijze op de carrosserie en draai de bevestigingsschroeven B vast. Pick-up- en chassis/ cabine-versies: ❒ breng het plastic deksel aan en bevestig het met de 7 bevestigingsschroeven A.
NOODGEVALLEN DERDE REMLICHT KENTEKENVERLICHTING 219 216 F1A0204 218 F1A0206 Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ verwijder het lampenglas A fig. 218 in het door de pijl aangegeven punt; ❒ vervang de lamp door hem uit de zijcontacten los te maken; controleer of de nieuwe lamp correct tussen de contacten wordt geblokkeerd; 217 F1A0205 Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ draai de twee schroeven fig. 216 los; ❒ verwijder het lampenglas; ❒ druk de lipjes B fig.
LAMP BINNENVERLICHTING VERVANGEN Voor het type lamp en het vermogen, zie paragraaf “Een lamp vervangen". PLAFONDVERLICHTING VOOR Ga als volgt te werk om een lamp te vervangen: 221 ❒ verwijder de plafondlamp A fig. 220 in het door de pijl aangegeven punt; PLAFONDVERLICHTING ACHTER ❒ open het beschermklepje B fig. 221; Ga als volgt te werk om een lamp te vervangen: ❒ vervang de lampen C fig.
NOODGEVALLEN ZEKERINGEN VERVANGEN PLAATS VAN DE ZEKERINGEN ALGEMENE INFORMATIE 46) 170) 171) 172) 173) De elektrische installatie wordt beveiligd door zekeringen: bij een storing of bij oneigenlijk gebruik van de installatie brandt de zekering door. Controleer eerst de toestand van de zekering wanneer een elektrisch onderdeel niet meer werkt: de geleidende band A fig. 224 mag niet onderbroken zijn.
Zekeringenkast in motorruimte Voor het openen van de zekeringkasten fig. 229 fig. 228, verwijderen van de desbetreffende beschermkap fig. 227. ❒ het sluiten wordt aangegeven als de kop van de bout volledig in de behuizing zit.
NOODGEVALLEN BELANGRIJK 170) Vervang een zekering nooit door een exemplaar met een hogere stroomsterkte (ampère); BRANDGEVAAR. Als een hoofdzekering (MEGA-FUSE, MIDIFUSE) doorbrandt, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk. 171) Alvorens een zekering te vervangen, moet men controleren of de contactsleutel uit het slot is genomen en of alle stroomverbruikers uit staan en/of zijn uitgeschakeld.
Zekeringenkast in het dashboard fig. 225 - fig.
NOODGEVALLEN 232 STROOMVERBRUIKER ZEKERING AMPÈRE Instrumentenpaneel (+accu) F53 7,5 Afwezig F89 - Linker grootlicht F90 7,5 Rechter grootlicht F91 7,5 Linker mistlamp F92 7,5 Rechter mistlamp F93 7,5
Zekeringenkast in motorruimte fig. 227 - fig.
NOODGEVALLEN 234 Optioneel bedradinsmodule fig. 228 fig.
Euro 6 versies STROOMVERBRUIKER ZEKERING AMPÈRE Webasto regeleenheid F61 30 Webasto, ventilator inzittendenruimte F62 20 Trekhaak contactdoos F63 20 Koplampsproeiers F64 30 Trekhaak regeleenheid F65 15 Trekhaak regeleenheid F66 15 Trekhaak contactdoos F67 20 Niet beschikbaar F68 - 235
NOODGEVALLEN 236 Zekeringenkast in rechter stijl in interieur fig. 230 - fig.
ACCU OPLADEN ZONDER START&STOP SYSTEEM BELANGRIJK De procedure voor het opladen van de accu is uitsluitend bedoeld ter informatie. Geadviseerd wordt contact op te nemen met het Fiat Servicenetwerk om deze werkzaamheden te laten uitvoeren. Ga als volgt te werk om de accu op te laden: BELANGRIJK Wacht, nadat de contactsleutel naar STOP is gedraaid en het bestuurdersportier is gesloten, minstens één minuut alvorens de elektrische voeding naar de accu los te koppelen.
NOODGEVALLEN 175) Probeer nooit een bevroren accu op te laden: laat de accu eerst ontdooien om ontploffing ervan te voorkomen. Als de accu bevroren is geweest, moet door vakbekwaam personeel worden gecontroleerd of de cellen niet beschadigd zijn en of de behuizing geen scheuren vertoont, waardoor de giftige en corrosieve vloeistof kan weglekken.
Bij versies zonder gereedschapstas wordt het sleepoog samen met het instructieboek in de opslagruimte voor de boorddocumentatie bewaard. Om het te gebruiken, gaat u als volgt te werk: ❒ Open en verwijder de klep A zoals is aangegeven in fig. 234; 236 F1A0344 Het sleepoog voor bevindt zich in de gereedschapstas onder de passagiersstoel. Bij versies met Fix&Go kit en zonder reservewiel, is de gereedschapstas alleen optioneel verkrijgbaar voor bepaalde versies/markten. ❒ draai de borgknop B fig.
NOODGEVALLEN 180) Houd u bij het slepen aan de speciale voorschriften van de Wegenverkeerswet met betrekking tot de sleepvoorziening en het gedrag op de weg. 181) Start de motor niet wanneer het voertuig wordt gesleept. 182) Het slepen mag uitsluitend plaatsvinden over de weg; de voorziening mag niet gebruikt worden om het voertuig weer op de weg te brengen als het van de weg is geraakt. 183) Het voertuig mag niet gesleept worden om het over aanzienlijke obstakels op de weg te krijgen (bijv.
ONDERHOUD EN ZORG Dankzij correct onderhoud kunnen de prestaties van de auto, evenals beperkte bedrijfskosten en het behoud van de efficiëntie van de veiligheidssystemen gedurende langere tijd gegarandeerd worden. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe. GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD.................................242 GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA................243 PERIODIEKE CONTROLES .............246 ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO ...246 NIVEAUS CONTROLEREN..............247 LUCHTFILTER/ POLLENFILTER ......
ONDERHOUD EN ZORG GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD Juist onderhoud is uiterst belangrijk voor een lange levensduur van het voertuig onder optimale omstandigheden. Om die reden heeft Fiat een reeks controles en onderhoudsbeurten opgesteld die, afhankelijk van de motorversie, elke 48.000 kilometer uitgevoerd moeten worden. Het geprogrammeerde onderhoud is echter niet volledig toereikend om de auto in optimale toestand te houden: zowel in de beginperiode vóór de servicebeurt bij 48.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA km x 1000 48 96 144 192 240 Jaren 2 4 6 8 10 Laadtoestand accu controleren en zo nodig opladen ● ● ● ● ● Banden op conditie/slijtage controleren en eventueel op spanning brengen ● ● ● ● ● Werking verlichtingssysteem (koplampen, richtingaanwijzers, alarmknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, lampjes instrumentenpaneel, enz.
ONDERHOUD EN ZORG km x 1000 48 96 144 192 240 Jaren 2 4 6 8 10 Visueel de conditie controleren van aandrijfriem(en) van hulporganen (uitvoeringen zonder automatische riemspanner) (110 (°)- 130 - 150 - 180 MultiJet versies) ● De spanning controleren van aandrijfriem van hulporganen (uitvoeringen zonder automatische riemspanner)(^) ● De spanning controleren van aandrijfriem van hulporganen (uitvoeringen zonder automatische riemspanner) (115 MultiJet versies) (°)) (^) ● De toestand van de ge
km x 1000 48 96 144 192 240 Jaren 2 4 6 8 10 ● ● ● ● ● Remvloeistof verversen (§) ● ● ● ● ● Pollenfilter vervangen ● ● ● ● ● De getande distributieriem vervangen (*) (110 (°) 130 - 150 MultiJet versies) De getande distributieriem vervangen (**) (115 MultiJet versies (°)) Het luchtfilterelement vervangen (***) De motorolie en het oliefilter vervangen (°°) (#) (*) Wordt een maximale kilometerstand van 192.000 km aanbevolen.
ONDERHOUD EN ZORG PERIODIEKE CONTROLES ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO Vóór een lange reis controleren en eventueel bijvullen: Als vooral een intensief gebruik van het voertuig wordt gemaakt, zoals: ❒ niveau motorkoelvloeistof; ❒ het trekken van aanhangers of caravans; ❒ remvloeistofniveau; ❒ controle en herstel van het additief niveau voor AdBlue Diesel emissies (UREUM) (voor bepaalde versies /markten indien aanwezig); ❒ het rijden op stoffige wegen; ❒ vloeistofniveau ruitensproeier; ❒ de motor vaak st
NIVEAUS CONTROLEREN . 115 MultiJet versies 239 F1A0370 A. Motorolievulopening – B. Motoroliepeilstok – C. Motorkoelvloeistof – D. Ruitensproeiervloeistof – E. Remvloeistof – F.
ONDERHOUD EN ZORG 110 - 130 - 150 MultiJet versies 240 F1A0371 A. Motorolievulopening – B. Motoroliepeilstok – C. Motorkoelvloeistof – D. Ruitensproeiervloeistof – E. Remvloeistof – F.
150 MultiJet Euro 6 versies 241 F1A0450 A. Motorolievulopening – B. Motoroliepeilstok – C. Motorkoelvloeistof – D. Ruitensproeiervloeistof – E. Remvloeistof – F.
ONDERHOUD EN ZORG 180 MultiJet Power versies 242 F1A0372 A. Motorolievulopening – B. Motoroliepeilstok – C. Motorkoelvloeistof – D. Ruitensproeiervloeistof – E. Remvloeistof – F.
MOTOROLIE 48) Controleer ongeveer 5 minuten na het uitzetten van de motor het oliepeil met het voertuig op een horizontale ondergrond. Controleer of het peil zich tussen het MIN- en MAX-teken bevindt op de peilstok B fig. 239 - fig. 240 - fig. 241 fig. 242. Het verschil tussen het MIN en MAX-teken komt overeen met ongeveer 1 liter olie. Als het olieniveau dicht bij of onder de MIN-lijn komt, olie bijvullen door de vullerA fig. 239 - fig. 240 - fig. 241 - fig. 242 totdat het de MAX-lijn bereikt.
ONDERHOUD EN ZORG STUURBEKRACHTIGINGSOLIE 193) 3) 51) Controleer of de stuurbekrachtigingsolie in het reservoir op het maximum niveau staat. Deze controle mag alleen op een horizontale ondergrond en bij uitgeschakelde en koude motor worden verricht. Ga als volgt te werk: ❒ verwijder het kunststof deksel A fig. 243, door de bevestigingsbouten B fig. 243 linksom te draaien, om toegang te krijgen tot de vulopening van het reservoir; ❒ controleer of het niveau op het MAX-teken op de peilstok staat.
Ga als volgt te werk om de dop te sluiten: ❒ duw de trechter naar binnen tot hij vast zit; ❒ sluit de dop. 190) BELANGRIJK Remvloeistof is hygroscopisch (d.w.z. trekt water aan). Daarom moet bij overwegend gebruik van het voertuig in gebieden met grote luchtvochtigheid, de vloeistof vaker worden vervangen dan is aangegeven in het “Geprogrammeerd onderhoudsschema”. REMVLOEISTOF 191) 192) 50) Draai de dop E fig. 239 - fig. 240 - fig. 241 - fig.
ONDERHOUD EN ZORG 186) Wees bijzonder voorzichtig bij het werken in de motorruimte wanneer de motor heet is: gevaar voor brandwonden. Vergeet niet dat bij een warme motor de ventilator onverwacht kan inschakelen: gevaar voor letsel. Sjaals, dassen of andere loszittende kleding kunnen door de bewegende onderdelen worden meegetrokken. 187) Het koelsysteem staat onder druk. Vervang, indien nodig, de dop alleen door een origineel exemplaar om de werking van het systeem niet negatief te beïnvloeden.
LUCHTFILTER/ POLLENFILTER Laat het luchtfilter vervangen door het Fiat servicenetwerk. LUCHTFILTER - STOFFIGE WEGEN (voor bepaalde versies/markten) Wanneer de vooringestelde verstoppingsgraad is bereikt, gaat de indicator B fig. 246 rood branden, ook bij uitgeschakelde motor. Om de indicator te resetten, reinig/vervang het luchtfilter zoals bij normale versies en reset de indicator door op de knop C fig. 246 te drukken. POLLENFILTER Het pollenfilter moet door het Fiat Servicenetwerk vervangen worden.
ONDERHOUD EN ZORG ACCU De auto is voorzien van een onderhoudsarme accu: onder normale gebruiksomstandigheden hoeft er niet bijgevuld te worden met gedestilleerd water. De accu moet echter wel regelmatig door het Fiat Servicenetwerk of door gespecialiseerd personeel gecontroleerd worden. De accu bevindt zich in de passagiersruimte, vóór de pedalen. Verwijder het beschermdeksel voor toegang tot de accu.
Als men na aanschaf van het voertuig accessoires wil monteren die constante elektrische voeding nodig hebben (diefstalalarm, enz.) of veel stroom verbruiken, dient men contact op te nemen met het gespecialiseerde personeel van het Fiat Servicenetwerk. Zij kunnen het totale stroomverbruik beoordelen en controleren of de elektrische installatie hierop berekend is en of het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren. 194) Accuvloeistof is giftig en corrosief.
ONDERHOUD EN ZORG WIELEN EN BANDEN BELANGRIJK 4) Accu’s bevatten stoffen die zeer gevaarlijk zijn voor het milieu. Laat de accu vervangen door een dealer van het Fiat Servicenetwerk, waar deze op milieuvriendelijke wijze en overeenkomstig de wettelijke voorschriften verwerkt wordt. Controleer voor een lange reis en elke twee weken de bandenspanning van de banden en het ruimtebesparend reservewiel. Deze controle moet bij koude banden worden uitgevoerd.
❒ stop onmiddellijk bij een lekke band en verwissel het wiel om beschadiging van de band, de velg, de wielophanging en de stuurinrichting te voorkomen; ❒ banden verouderen, ook als ze weinig gebruikt zijn. Scheurtjes in het loopvlak en op de wangen betekenen dat de band verouderd is. Laat de banden door gespecialiseerd personeel controleren als ze langer dan 6 jaar onder de auto zijn gemonteerd.
ONDERHOUD EN ZORG RUITENWISSER WISSERBLADEN RUITENSPROEIERS Ruitensproeier fig. 249 54) Maak de wisserbladen regelmatig met speciale producten schoon; wij raden TUTELA PROFESSIONAL SC 35 aan. Vervang de wisserbladen wanneer het rubber vervormd of versleten is. Het is in elk geval raadzaam de wisserbladen ongeveer jaarlijks te vervangen.
KOPLAMPSPROEIERS CARROSSERIE Controleer regelmatig de conditie en de aanwezigheid van vuil in de koplampsproeiers. BESCHERMING TEGEN ATMOSFERISCHE INVLOEDEN De koplampsproeiers worden automatisch geactiveerd wanneer, bij ingeschakeld dimlicht, de ruitensproeiers worden bediend.
ONDERHOUD EN ZORG TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE Lakwerk De lak heeft behalve een esthetische functie ook een beschermende functie van het plaatwerk. Werk beschadigingen van de laklaag, zoals krassen en schuurplekken, onmiddellijk bij om roestvorming te voorkomen. Voor het bijwerken mogen uitsluitend originele lakproducten worden gebruikt (zie “Plaatje met informatie over de carrosserielak” in het hoofdstuk “Technische gegevens”).
INTERIEUR Motorruimte Spuit de motorruimte na het winterseizoen zorgvuldig uit: hierbij mag de waterstraal niet rechtstreeks op de elektronische regeleenheden en het kastje met zekeringen en relais aan de linkerzijde van de motorruimte (rijrichting) worden gericht. Laat deze werkzaamheden uitvoeren door een gespecialiseerd bedrijf. BELANGRIJK Voor het uitspuiten van de motorruimte moet de contactsleutel in de stand STOP staan en de motor koud zijn.
ONDERHOUD EN ZORG BELANGRIJK Gebruik nooit alcohol, benzine of afgeleide producten om het glas van het instrumentenpaneel te reinigen. BELANGRIJK LEDEREN STUURWIEL/ POOKKNOP/HANDREM (voor bepaalde versies/markten) Reinig deze interieurdelen uitsluitend met neutrale zeep en water. Gebruik nooit alcohol of producten op basis van alcohol. Controleer alvorens een specifiek product voor interieurreiniging te gebruiken, of het geen alcohol en/of stoffen op basis van alcohol bevat.
TECHNISCHE GEGEVENS Alles dat u nuttig kunt vinden om te begrijpen hoe uw voertuig is gemaakt en hoe het werkt is in dit hoofdstuk vermeld en wordt toegelicht met gegevens, tabellen en grafieken. Voor de liefhebbers en de monteurs, maar ook gewoon voor degenen die elk detail van hun voertuig willen kennen. IDENTIFICATIEGEGEVENS..............268 MOTORCODES CARROSSERIEVERSIES.................270 MOTOR ..........................................272 BRANDSTOFTOEVOER ..................273 TRANSMISSIE ...........
TECHNISCHE GEGEVENS 266 IDENTIFICATIEGEGEVENS TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIEGEGEVENS Neem nota van de identificatiecodes. De identificatiegegevens die op de plaatjes zijn vermeld, met inbegrip van hun plaats, zijn als volgt: N Correcte waarde van de absorptiecoëfficiënt van de rookgassen (voor dieselmotoren) CHASSISNUMMER Deze bevinden zich respectievelijk: één op de binnenzijde van de wielkuip aan passagierszijde, A fig. 251, en de ander op het onderste deel van de voorruit fig. 252.
Dit nummer bevat de volgende gegevens: MOTORCODE De motorcode is op het cilinderblok ingeslagen en vermeldt het model en het chassisnummer. ❒ type auto; ❒ chassisnummer. IDENTIFICATIEPLAATJE CARROSSERIELAK 253 F1A0369 Dit plaatje is aangebracht in de motorruimte, op de voorste traverse fig. 253 en bevat de volgende gegevens: A Verffabrikant B Kleurnaam. C Fiat kleurcode. D Kleurcode voor overspuiten en bijwerken.
TECHNISCHE GEGEVENS MOTORCODES - CARROSSERIEVERSIES . Versie Motorcode 110 MultiJet (*) F1AE3481G 115 MultiJet (*) 250A1000 130 MultiJet F1AE3481D 150 MultiJet F1AE3481E 180 MultiJet Power F1CE3481E 150 Multijet Euro 6 F1AGL411A (*)Versie voor specifieke markten Wij vermelden hier een voorbeeld van een carrosserieversiecode met bijbehorende legenda die voor alle carrosserieversiecodes geldt.
WIELBASIS A Korte wielbasis B Medium wielbasis C Lange wielbasis D Medium-lange wielbasis U Alle wielbasissen (onvolledige voertuigen) CARROSSERIE A Chassis/cabine B Chassis zonder cabine C Platformchassis met cabine D Open laadbak E Schoolbus basisonderwijs F Bestel G Pick-up verlengde cabine H Chassis verlengde cabine M Minibus P Panorama R Combi 6/9 zitplaatsen 269
TECHNISCHE GEGEVENS MOTOR 110 MultiJet (*) 115 MultiJet (*) 130 MultiJet 150 MultiJet 180 MultiJet Power F1AE3481G 250A1000 F1AE3481D F1AE3481E F1CE3481E Cyclus Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn 4 in lijn 4 in lijn 4 in lijn Boring en slag zuigers (mm) 88 x 94 83 x 90,4 88 x 94 88 x 94 95,8 x 104 2287 1956 2287 2287 2999 16,2 : 1 16,5 : 1 16,2 : 1 16,2 : 1 17,5 : 1 Maximum vermogen (EG) (kW) 82,5 84,6 96 109 130
BRANDSTOFTOEVOER Versies Alle Brandstoftoevoer Common Rail directe inspuiting 205) BELANGRIJK 205) Wijzigingen of reparaties aan het brandstoftoevoersysteem die niet correct zijn uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties, kunnen storingen in de werking en zelfs brand tot gevolg hebben.
TECHNISCHE GEGEVENS TRANSMISSIE Versies 115 MultiJet (*) Versnellingsbak Koppeling Aandrijving Zelfinstellend met pedaal zonder vrije slag Voor Vijf gesynchroniseerde versnellingen vooruit en een versnelling achteruit. 110 MultiJet (*) 130 MultiJet 150 MultiJet 180 MultiJet Power Zes gesynchroniseerde versnellingen vooruit en een versnelling achteruit.
REMMEN Voorste bedrijfsremmen Achterste bedrijfsremmen Parkeerrem geventileerde schijfremmen schijfremmen bediend met handremhefboom die op de achterremmen inwerkt BELANGRIJK Water, ijs en strooizout op de wegen kunnen zich afzetten op de remschijven waardoor de gewenste remwerking iets later wordt bereikt.
TECHNISCHE GEGEVENS WIELEN DE BANDENMAAT LEZEN VELGEN EN BANDEN Voorbeeld: 215/70 R 15 109S (zie fig. 254) Geperste stalen of lichtmetalen velgen. Tubeless radiaalbanden. Alle typegoedgekeurde banden zijn op het kentekenbewijs vermeld. BELANGRIJK Als de gegevens in het "Instructieboek" afwijken van die van het "kentekenbewijs", dient men zich altijd aan de gegevens van het kentekenbewijs te houden.
83 487 kg 84 500 kg 85 515 kg 86 530 kg 87 545 kg 88 560 kg 89 580 kg 90 600 kg 91 615 kg 92 630 kg 93 650 kg 94 670 kg 95 690 kg 96 710 kg 97 730 kg 98 750 kg 99 775 kg 100 800 kg 101 825 kg 102 850 kg 103 875 kg 104 900 kg 105 925 kg 106 950 kg 107 975 kg 108 1000 kg 109 1030 kg 110 1060 kg 111 1090 kg 112 113 114 115 116 117 118 119 1120 kg 1150 kg 1180 kg 1215 kg 1250 kg 1285 kg 1320 kg 1360 kg BELANGRIJK 206) Indien op de stalen velgen met integrale wieldeksels (met veerbevestiging) aftersalesbanden
TECHNISCHE GEGEVENS STANDAARD VELGEN EN BANDEN Versies Velgen Standaard banden 215/70 R15C 109/107S 6Jx15'' - H2 225/70 R15C 112/105S Ducato (uitgez. vrijetijds) 215/75 R16C 116/114R (*) 6Jx16'' - H2 225/75 R16C 118/116R (*) 6Jx15'' - H2 215/70 R15CP 109/107Q 6Jx16'' - H2 225/75 R16CP 116/114Q Ducato (vrijetijds) 215/75 R16C 116/114R Ducato Maxi (uitgez.
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) Standaard banden Gebruik Voor Achter 3000 GVW (*) met basisbanden, behalve PANORAMA 4,0 4,0 3300 GVW (*) / 3500 GVW (*) met basisbanden 4,1 4,5 PANORAMA met basisbanden 4,1 4,5 3000 GVW (*) met extra grote banden, behalve PANORAMA 4,0 4,0 3300 GVW (*) / 3500 GVW (*) met extra grote banden 4,1 4,5 Winterbanden M+S klasse C op kampeerauto 4,3 4,75 PANORAMA met extra grote banden 4,1 4,5 Gamma met Camping banden 5,0 5,5 215/75 R16 Voor alle ve
TECHNISCHE GEGEVENS AFMETINGEN PANORAMA / COMBI VERSIE De afmetingen zijn uitgedrukt in mm en hebben betrekking op een voertuig dat is uitgerust met standaard banden. De hoogte is gemeten bij onbeladen voertuig.
COMBI - PANORAMA CH1 MH2 LH2 A 948 948 948 B 3000 3450 4035 C 1015 1015 1015 - 1380 (*) D 4963 5413 5998 - 6363(*) E 2254 2524 2524 F 1810 1810 1810 G 2050 2050 2050 I 1790 1790 1790 (*) MINIBUS versie, 16 + 1 zitplaatsen De afmetingen variëren op basis van de versies binnen de hierboven vermelde limieten.
TECHNISCHE GEGEVENS BESTELVERSIE De afmetingen zijn uitgedrukt in mm en hebben betrekking op een voertuig dat is uitgerust met standaard banden. De hoogte is gemeten bij onbeladen voertuig.
BESTEL CH1 - CH2 MH1 - MH2 LH2 - LH3 XLH2 - XLH3 A 948 948 948 948 B 3000 3450 4035 4035 C 1015 1015 1015 1380 D 4963 5413 5998 6363 E 2254 - 2524 2254 - 2524 (*) 2524 - 2764 (**) 2524 - 2764 F 1810 1810 1810 1810 G 2050 2050 2050 2050 I 1790 1790 1790 1790 (*) MAXI 2269 - 2539 versie (**) MAXI 2539 - 2774 versie De afmetingen variëren op basis van de versies binnen de hierboven vermelde limieten.
TECHNISCHE GEGEVENS PICK-UPVERSIE De afmetingen zijn uitgedrukt in mm en hebben betrekking op een voertuig dat is uitgerust met standaard banden. De hoogte is gemeten bij onbeladen voertuig.
LAADBAK CHASSIS-CABINE CH1 MH1 LH1 XLH1 CH1 MH1MLH1 LH1 XLH1 XXLH1 A 948 948 948 948 948 948 948 948 948 B 3000 3450 4035 4035 3000 3450 3800 4035 4035 4300 C 1345 1345 1345 1710 960 960 960 1325 1590 D 5293 5743 6328 6693 4908 5358 5708 5943 6308 6573 E 2798 3248 3833 4198 - - - - - F 2424 2424 2424 2424 2254 2254 2254 2254 2519 G 1810 1810 1810 1810 1810 1810 1810 1810 1810 H 1790 1790 1790 1790 1790 1980 1790 1980 179
TECHNISCHE GEGEVENS CHASSIS/SCHUTBORD SPECIAL CHASSIS-CABINE CH1 MH1MLH1 LH1 XLH1 XXLH1 CH1 MH1MLH1 LH1 XLH1 XXLH1 A 925 925 925 925 925 948 948 948 948 948 B 3000 3450 3800 4035 4035 4300 3000 3450 3800 4035 4035 4300 C 860 860 860 1225 1490 880 880 880 1245 1510 D 4785 5235 5585 5820 6125 6390 4828 5278 5628 5863 6228 6493 E - - - - - - - - - - F - - - - - 2254 2254 2254 2254 2254 G 1810 1810 1810 1810 1810 1810 1810 18
SPECIAL CHASSIS/SCHUTBORD CH1 MH1 - MH2 LH1 XLH1 XXLH1 A 925 925 925 925 925 B 3000 3450 - 3800 4035 4035 4300 C 880 880 880 1245 1510 D 4805 5255 - 5605 5840 6205 6470 G 1810 1810 1810 1810 1810 H 1790 - 1980 1790 - 1980 1790 - 1980 1790 - 1980 1790 - 1980 L 2050 2050 2050 2050 2050 De afmetingen variëren op basis van de versies binnen de hierboven vermelde limieten.
TECHNISCHE GEGEVENS DUBBELE CABINE VERSIE De afmetingen zijn uitgedrukt in mm en hebben betrekking op een voertuig dat is uitgerust met standaard banden. De hoogte is gemeten bij onbeladen voertuig.
DUBBELE CABINE MH1 LH1 XLH1 A 948 948 948 B 3450 4035 4035 C 1340 1245 1695 D 5798 6228 6678 E 2424 2424 2424 F 1810 1810 1810 G 2100 2100 2100 I 1790 1790 1790 De afmetingen variëren op basis van de versies binnen de hierboven vermelde limieten.
TECHNISCHE GEGEVENS PRESTATIES Toegestane topsnelheden na de eerste gebruiksperiode van het voertuig in km/h.
CHASSISCH1 - MH1 CABINE / MH1-MLH1 CHASSISSCHUTBORD (vrijetijdsversie) LH1 - XLH1 XXLH1 110 MultiJet (#) 115 MultiJet (#) 130 MultiJet 150 MultiJet 180 MultiJet Power 145 148 152 152 152 145 148 152 152 152 CH1 - MH1 BESTEL (vrijetijdsversie) MH2-LH2XLH2 MH3 - LH3 XLH3 (#) Versie voor specifieke markten 289
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN GEWICHTEN BESTEL Versies GVW 2800 kg(*) Versies GVW 3510 kg(*) 110 (**) /130/150 MultiJet 110 (**) /130/150 MultiJet 1845 ÷ 1860 1860 ÷ 2000 – vooras: 1630 1850 – achteras: 1650 2000 – totaal: 2800 3510 – geremde aanhanger: 2000 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 Max.
GEWICHTEN BESTEL Versies GVW 3000 kg(*) Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (**) 110 (**) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1845 ÷ 1910 1860 ÷ 1925 1940 ÷ 2005 – vooras: 1630 1630 1630 – achteras: 1650 1650 1650 3000/2420 ÷ 2460 (**) 3000/2435 ÷ 2475 (**) 3000 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN BESTEL Versies GVW 3300 kg(*) Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (**) 110 (**) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1845 ÷ 1985 1860 ÷ 2000 1940 ÷ 2080 – vooras: 1750 1750 1750 ÷ 1800 – achteras: 1900 1900 1900 – totaal: 3300 3300 3300 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
GEWICHTEN BESTEL Versies GVW 3500 kg(*) Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (**) 110 (**) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1845 ÷ 2035 1860 ÷ 2050 1940 ÷ 2130 – vooras: 1850 1850 1850 – achteras: 2000 2000 ÷ 2500 2000 3490 ÷ 3500 3500 3500 – geremde aanhanger: 2000 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN BESTEL (MAXI versies) Versies GVW 3500 kg(*) 110 (**) /130/ Versies GVW 3995 kg - 4005 kg 4250 kg(*) 180 MultiJet Power 110 (**) /130/ 150 MultiJet 150 MultiJet 180 MultiJet Power 1900 ÷ 2135 1980 ÷ 2215 1945 ÷ 2135 2025 ÷ 2215 2100 2100 2100 2100 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 3500 3500 3995 ÷ 4250 3995 ÷ 4250 – geremde aanhanger: 3000 3000 2000 ÷ 2500 2000 ÷ 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 750 Max.
GEWICHTEN BESTEL (MAXI versies) 110 (**) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1900 ÷ 2090 2020 ÷ 2170 – vooras: 2100 2100 – achteras: 2400 2400 – totaal: 3510 3510 – geremde aanhanger: 3000 3000 – ongeremde aanhanger: 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN PICK-UP Versies GVW 3000 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1795 ÷ 1875 1810 ÷ 1890 1890 ÷ 1935 – vooras: 1630 1630 1630 – achteras: 1650 1650 1650 2935 ÷ 3000 2935 ÷ 3000 3000 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
GEWICHTEN PICK-UP Versies GVW 3300 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1795 ÷ 1895 1810 ÷ 1910 1890 ÷ 1990 – vooras: 1750 1750 1750 – achteras: 1900 1900 1900 3200 ÷ 3300 3200 ÷ 3300 3300 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN PICK-UP Versies GVW 3500 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1795 ÷ 1930 1810 ÷ 1945 1890 ÷ 2025 – vooras: 1850 1850 1850 – achteras: 2000 2000 2000 3300 ÷ 3500 3320 ÷ 3500 3395 ÷ 3500 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
GEWICHTEN PICK-UP (MAXI versies) Versies GVW 3500 kg 110 (*) /130/150 Versies GVW 3995 kg - 4005 kg 4250 kg 180 MultiJet Power 110 (*) /130/150 MultiJet MultiJet 180 MultiJet Power 1895 ÷ 1985 1975 ÷ 2065 1895 ÷ 1985 1975 ÷ 2065 2100 2100 2100 2100 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 3500 3500 3920 ÷ 4005 3970 ÷ 4150 – geremde aanhanger: 3000 3000 2500 2000 ÷ 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN PICK-UP MET LANGE CABINE Versies GVW 3300 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1990 ÷ 2050 2005 ÷ 2065 2085 ÷ 2145 – vooras: 1850 1850 1850 – achteras: 1900 1900 1900 3250 ÷ 3300 3250 ÷ 3300 3300 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
GEWICHTEN PICK-UP MET LANGE CABINE Versies GVW 3500 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1990 ÷ 2050 2005 ÷ 2065 2085 – vooras: 1850 1850 1850 – achteras: 2000 2000 2000 3320 ÷ 3500 3320 ÷ 3500 3430 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN PICK-UP MET LANGE CABINE (MAXI versies) Versies GVW 3500 kg 110 (*) /130/150 Versies GVW 3995 kg - 4005 kg 4250 kg 180 MultiJet Power 110 (*) /130/150 MultiJet MultiJet 180 MultiJet Power 2045 ÷ 2145 2125 ÷ 2225 2045 ÷ 2145 2125 ÷ 2225 2100 2100 2100 2100 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 3500 3500 3760 ÷ 4005 3840 ÷ 4100 – geremde aanhanger: 3000 3000 2500 2000 ÷ 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 750 Max.
GEWICHTEN COMBI 115 Multijet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet Euro 5 / Euro 6+ 180 MultiJet Power 1935 1950 2030 – vooras: 1630 1630 1630 – achteras: 1650 1650 1650 – totaal: 3000 3000 3000 - geremde aanhanger: 2000 2000(*) - 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN COMBI Versies met maximum toelaatbaar totaalgewicht 3300 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 Multijet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet Euro 5 / Euro 6+ 180 MultiJet Power 1935 ÷ 2045 1950 ÷ 2060 2030 ÷ 2140 – vooras: 1750 1750 1750 – achteras: 1900 1900 1900 – totaal: 3300 3300 3300 – geremde aanhanger: 2000 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
GEWICHTEN COMBI Versies met maximum toelaatbaar totaalgewicht 3500 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 110 (*) /130/150 MultiJet Euro 5 / Euro 6+ 180 MultiJet Power 2035 ÷ 2465(**) 2035 ÷ 2465 - vooras: 1850 1850 – achteras: 1900 1900 ÷ 2000 – totaal: 3500 3500 1900(**) - 2000 2000 ÷ 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN COMBI (MAXI versies) Versies met maximum toelaatbaar totaalgewicht 3500 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 110 (*) /130/150 MultiJet Euro 5 / Euro 6+ 180 MultiJet Power 2100 2180 – vooras: 2100 2100 – achteras: 2400 2400 – totaal: 3500 3500 – geremde aanhanger: 3000 3000 – ongeremde aanhanger: 750 750 Max.
GEWICHTEN PANORAMA 115 Multijet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet Euro 5 / Euro 6+ 180 MultiJet Power 2200 2215 2295 – vooras: 1750 1750 1750 – achteras: 1650 1650 1650 – totaal: 3150 3150 3150 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN PANORAMA Versies met maximum toelaatbaar totaalgewicht 3300 kg 115 Multijet (*) Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 110 (*) /130/150 MultiJet 150 Multijet Euro 6 180 MultiJet Power 2200 - 2285 2300 ÷ 2400 2300 - 2375 - 2400 2380 ÷ 2480 1750 ÷ 1850 1750 ÷ 1850 1850 - -1800 1850 1750 ÷ 1850 – achteras: 1900 1900 1900 1900 - totaal: 3300 3300 3300 3300 - geremde aanhanger: 2000 2500 2500 2500 – ongeremde aanh
GEWICHTEN MINIBUS Versies GVW 3995 kg - 4005 kg - 4250 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 110 (*) /130/150 MultiJet 2520 ÷ 2710 Maximum toelaatbare belastingen (***) – vooras: 2100 – achteras: 2400 ÷ 2500 – totaal: 4005 ÷ 4250 (*) Versie voor specifieke markten (***) Belastingen die niet overschreden mogen worden.
TECHNISCHE GEGEVENS 310 GEWICHTEN MINIBUS 4250 - 4300 kg (Max toelaatbaar gewicht) GVW versies Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 150 Multijet Euro 6 2520 ÷ 2710 Maximum toelaatbare belastingen (***) – vooras: 2100 – achteras: 2400 ÷ 2500 - totaal: 4250 ÷ 4300 (***) Belastingen die niet overschreden mogen worden.
GEWICHTEN VAN CHASSIS ZONDER CABINE Versies GVW 3000 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1245 ÷ 1360 1305 ÷ 1375 1385 ÷ 1455 – vooras: 1630 1630 1630 – achteras: 1650 1650 1650 – totaal: 3000 3000 3000 – geremde aanhanger: 2000 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN VAN CHASSIS ZONDER CABINE Versies GVW 3300 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1245 ÷ 1360 1260 ÷ 1375 1340 ÷ 1455 – vooras: 1750 1750 1750 – achteras: 1900 1900 1900 – totaal: 3300 3300 3300 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
GEWICHTEN VAN CHASSIS ZONDER CABINE Versies GVW 3500 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1245 ÷ 1360 1260 ÷ 1375 1340 ÷ 1455 – vooras: 1850 1850 1850 – achteras: 2000 2000 2000 – totaal: 3500 3500 3500 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN VAN CHASSIS ZONDER CABINE Versies GVW 3650 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1245 ÷ 1360 1260 ÷ 1375 1340 ÷ 1455 – vooras: 1850 1850 1850 – achteras: 2000 2000 2000 – totaal: 3650 3650 3650 – geremde aanhanger: 2000 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
GEWICHTEN VAN CHASSIS ZONDER CABINE (MAXI versies) Versies GVW 3500 kg 110 (*) /130/ 150 MultiJet 180 MultiJet Power 1300 ÷ 1415 Versies GVW 4400 kg 150 MultiJet 180 MultiJet Power 180 MultiJet Power 1380 ÷ 1495 1300 ÷ 1415 1380 ÷ 1495 1380 ÷ 1495 2100 2100 2100 2100 2100 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2500 3500 3500 4005 ÷ 4250 4005 ÷ 4250 4400 2500 ÷ 3000 2500 ÷ 3000 2000 ÷ 2500 2000 ÷ 2500 2000 750 750 750 750 750 100 ÷ 120 100 ÷ 120 100 100 100
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN CHASSIS-CABINE Versies GVW 3000 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1545 ÷ 1660 1605 ÷ 1675 1685 ÷ 1755 – vooras: 1630 1630 1630 – achteras: 1650 1650 1650 – totaal: 3000 3000 3000 – geremde aanhanger: 2000 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
GEWICHTEN CHASSIS-CABINE Versies GVW 3300 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1545 ÷ 1660 1605 ÷ 1675 1640 ÷ 1755 – vooras: 1750 1750 1750 – achteras: 1900 1900 1900 – totaal: 3300 3300 3300 – geremde aanhanger: 2000 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN CHASSIS-CABINE Versies GVW 3500 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1545 - 1660 1605 ÷ 1675 1640 ÷ 1675 – vooras: 1850 1850 1850 – achteras: 2000 2000 2000 – totaal: 3500 3500 3500 – geremde aanhanger: 2000 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
GEWICHTEN CHASSIS-CABINE Versies GVW 3510 kg 110 (*) /130/150 MultiJet Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) Versies GVW 3650 kg 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1605 ÷ 1675 1545 ÷ 1660 1560 ÷ 1675 1640 ÷ 1755 – vooras: 1850 1850 1850 1850 – achteras: 2000 2000 2000 2000 – totaal: 3510 3650 3650 3650 – geremde aanhanger: 2500 2000 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN MAXI CHASSIS-CABINE (MAXI versies) Versies GVW 3500 kg 110 (*) /130/ 150 MultiJet 180 MultiJet Power 1600 ÷ 1715 Versies GVW 4400 kg 150 MultiJet 180 MultiJet Power 180 MultiJet Power 1680 ÷ 1795 1600 ÷ 1715 1680 ÷ 1795 1680 ÷ 1795 2100 2100 2100 2100 2100 2400 ÷ 2500 2400 - 2500 2400 - 2500 2400 - 2500 2500 3500 3500 3995 - 4250 3995 - 4250 4400 2500 ÷ 3000 2500 - 3000 2000 - 500 2000 - 2500 2000 750 750 750 750 750 100 ÷ 120 100 - 120
GEWICHTEN CHASSIS-CABINE MET LAADVLOER Versies GVW 3000 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1580 ÷ 1630 1595 ÷ 1645 1675 ÷ 1725 – vooras: 1630 1630 1630 – achteras: 1650 1650 1650 – totaal: 3000 3000 3000 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN CHASSIS-CABINE MET LAADVLOER Versies GVW 3300 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1580 ÷ 1630 1595 ÷ 1645 1675 ÷ 1725 – vooras: 1750 1750 1750 – achteras: 1900 1900 1900 – totaal: 3300 3300 3300 – geremde aanhanger: 2000 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
GEWICHTEN CHASSIS-CABINE MET LAADVLOER Versies GVW 3500 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1580 ÷ 1630 1595 ÷ 1645 1675 ÷ 1725 – vooras: 1850 1850 1850 – achteras: 2000 2000 2000 – totaal: 3500 3500 3500 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN CHASSIS-CABINE MET LAADVLOER (MAXI versies) Versies GVW 3500 kg 110 (*) /130/150 Versies GVW 3995 kg - 4005 kg 4250 kg 180 MultiJet Power 110 (*) /130/150 MultiJet MultiJet 180 MultiJet Power 1635 ÷ 1685 1715 ÷ 1765 1635 ÷ 1685 1715 ÷ 1765 2100 2100 2100 2100 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 3500 3500 4005 ÷ 4250 4005 ÷ 4250 – geremde aanhanger: 3000 3000 2000 ÷ 2500 2000 ÷ 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 750 Max.
GEWICHTEN CHASSIS MET LANGE CABINE Versies GVW 3300 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1835 ÷ 1885 1850 ÷ 1900 1930 ÷ 1980 – vooras: 1750 1750 1750 – achteras: 1900 1900 1900 – totaal: 3300 3300 3300 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN CHASSIS MET LANGE CABINE Versies GVW 3500 kg Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 115 MultiJet (*) 110 (*) /130/150 MultiJet 180 MultiJet Power 1835 ÷ 1885 1850 ÷ 1900 1930 ÷ 1980 – vooras: 1850 1850 1850 – achteras: 2000 2000 2000 – totaal: 3500 3500 3500 – geremde aanhanger: 2000 2000 ÷ 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
GEWICHTEN CHASSIS MET LANGE CABINE (MAXI versies) Versies GVW 3500 kg 110 (*) /130/150 Versies GVW 3995 kg - 4005 kg 4250 kg 180 MultiJet Power 110 (*) /130/150 MultiJet MultiJet 180 MultiJet Power 1890 ÷ 1940 1970 ÷ 2020 1890 ÷ 1940 1970 ÷ 2020 2100 2100 2100 2100 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 2400 ÷ 2500 3500 3500 3995 ÷ 4250 3995 ÷ 4250 – geremde aanhanger: 3000 3000 2000 ÷ 2500 2000 ÷ 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN BESTELWAGEN DUBBELE CABINE Versies met maximum toelaatbaar totaalgewicht 3300 kg 115 MultiJet (*) 130 MultiJet 180 MultiJet Power 2011 ÷ 2076 2026 ÷ 2091 2106 – vooras: 1750 1750 1750 – achteras: 1900 1900 1900 – totaal: 3300 3300 3300 – geremde aanhanger: 2000 2500 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
GEWICHTEN BESTELWAGEN DUBBELE CABINE Versies met maximum toelaatbaar totaalgewicht 3500 kg 115 MultiJet (*) 130 MultiJet 180 MultiJet Power 2011 ÷ 2171 2026 ÷ 2186 2106 ÷ 2171 – vooras: 1850 1850 1850 – achteras: 2000 2000 2000 – totaal: 3500 3500 3500 – geremde aanhanger: 2000 2000 2500 – ongeremde aanhanger: 750 750 750 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN BESTELWAGEN DUBBELE CABINE (MAXI versies) Versies met maximum toelaatbaar totaalgewicht 3500 kg 130 MultiJet 180 MultiJet Power Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 2066 - 2226 2146 - 2306 – vooras: 2100 2100 – achteras: 2400 2400 – totaal: 3500 3500 – geremde aanhanger: 3000 3000 – ongeremde aanhanger: 750 750 Max.
VULINHOUDEN MultiJet 150 MultiJet 180 MultiJet Power 90 (*) 90 (*) 90 (*) 90 (*) 10/12 10/12 10/12 10/12 115 MultiJet (°) 110 (°)/130 Tankinhoud (liter): incl.
TECHNISCHE GEGEVENS 180 MultiJet Power 4.9 5.3 5.3 8 5.7 5.9 5.9 9 2.7 - TUTELA TRANSMISSION EXPERYA 2.9 TUTELA TRANSMISSION GEARTECH 110 (°)/130 Carterpan (liter): Carterpan en filters (liter): Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen SELENIA WR P.E. Versnellingsbak-/ differentieelhuis (liter): - 2,7 (MLGU versnellingsbak) Versnellingsbak-/ differentieelhuis (liter): 2,9 2,9 (M38 versnellingsbak) Hydraulisch remsysteem met ABS (kg): 0.6 0.6 0.6 0.
BELANGRIJK 207) Gebruik alleen AdBlue overeenkomstig DIN 70 070 en ISO 22241-1. Andere vloeistoffen kunnen schade aan het systeem veroorzaken: tevens zou de uitstoot van uitlaatgassen niet meer voldoen aan de wet. 208) De distributiebedrijven zijn verantwoordelijk voor de naleving van hun product. Neem de voorzorgsmaatregelen van opslag en onderhoud in acht, teneinde de oorspronkelijke eigenschappen te behouden.
TECHNISCHE GEGEVENS VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN Het voertuig is voorzien van een motorolie die grondig ontwikkeld en getest is om aan de vereisten van het Geprogrammeerd Onderhoudsschema te kunnen voldoen. Constant gebruik van de voorgeschreven smeermiddelen garandeert de specificaties van brandstofverbruik en emissies. De kwaliteit van het smeermiddel is van essentieel belang voor de werking en de levensduur van de motor.
Gebruik Kenmerken Synthetisch smeermiddel met SAE 75W-80 klasse Synthetisch smeermiddel met SAE 75W-85 klasse. Smeermiddelen en vetten voor krachtoverbrengingen Vet met molybdeendisulfide, voor gebruik op hoge temperaturen. Consistentie NLGI 1-2 Vet met een lage wrijvingscoëfficiënt voor homokinetische koppelingen. Consistentie NLGI 0-1 Smeermiddel voor stuurbekrachtiging. Overtreft de specificaties "ATF DEXRON III" Specificatie Originele vloeistoffen en smeermiddelen Toepassingen 9.
TECHNISCHE GEGEVENS Gebruik Kenmerken Remvloeistof Synthetische vloeistof voor rem- en koppelingssystemen. Overtreft specificaties: FMVSS n° 116 DOT 4, ISO 4925 SAE J1704. Beschermingsmiddel voor radiateurs Roodgekleurd beschermingsmiddel met antivrieswerking, op basis van geïnhibeerd monoethyleenglycol met organische formule. Overtreft CUNA NC 956-16, ASTM D 3306 specificaties. Additief voor dieselolie Additief voor dieselolie met antivries en beschermende werking voor dieselmotoren.
Gebruik ADDITIEF VOOR DIESEL EMISSIES (UREUM) Kenmerken Water-ureumoplossing Mengsel van alcoholen Ruitensproeiervloeistof en oppervlakteactieve stoffen. Overtreft CUNA NC 956-II specificaties. Specificatie DIN 70 070 en ISO 22241-1 9.55522 of MS.90043 Originele vloeistoffen en smeermiddelen AdBlue TUTELA PROFESSIONAL SC 35 Contractual Technical Reference No. F201.
TECHNISCHE GEGEVENS 338 BRANDSTOFVERBRUIK De gegevens over het brandstofverbruik die vermeld zijn in onderstaande tabellen zijn bepaald op basis van de typegoedkeuringstests in overeenstemming met specifieke Europese Richtlijnen. Deze verbruikswaarden hebben betrekking op de basisversies van de voertuigen zonder opties.
Brandstofverbruik volgens de geldende Europese richtlijn (liter/100 km) Verbruik Versies Maximaal toegestaan gewicht (kg) Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd 8,4 6,3 7,1 7,0 5,1 5,8 Bestel - CH1 - CH2 - MH1 - MH2 Combi - MH1 - MH2 8,6 6,5 7,3 Laadbak CH1 - MH1 - MDH1 7,7 5,7 6,4 Panorama - CH1 8,6 6,0 7,0 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 - Laadbak met lange cabine - MH1 - LH1 8,4 6,3 7,1 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 LH1 - MLH1 - XXLH1 7,0 5,1 5,8 8,6 6,5
TECHNISCHE GEGEVENS Verbruik Versies Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 - Chassis-cabine met laadvloer - CH1 - MH1 - LH1 - - Chassis met lange cabine - LH1 - MH1 8,6 6,5 7,3 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 LH1 - MLH1 - XXLH1 7,0 5,1 5,8 7,7 5,7 6,4 Laadbak met lange cabine MH1 - LH1 XLH1 8,4 6,3 7,1 Combi MH1 - MH2 - LH2 8,4 5,8 6,8 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 - Chassis zonder cabine CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 C
Verbruik Maximaal toegestaan gewicht (kg) Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd Bestel - CH1 2800 7,7 5,7 6,4 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 - Chassis zonder cabine CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 3650 8,4 6,3 7,1 8,2 6,3 7,0 7,7 5,7 6,4 8,4 6,3 7,1 Versies 110 (°)/130/ 150 MultiJet Bestel - MH2 - LH2 -XLH2 - XLH3 Bestel CH1 - MH1 - LH3 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 3510 (°)Versie voor specifieke markten 341
TECHNISCHE GEGEVENS 342 Verbruik Maximaal toegestaan gewicht (kg) Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd Combi CH1 3000 - 3150(**) / 3300 6,2 5,4 5,7 Combi - MH1 - MH2 3300 - 3500 6,4 5,4 5,8 Combi - MH2 3500 Toelaatbaar gewicht 6,6 5,4 5,8 Panorama / Combi - CH1 - MH1 - MH2 LH2 3000 - 3150 - 3300 3500 6,7 5,5 5,9 Minibus LH2 - XLH2 4250 - 4300 6,8 5,5 6,0 Versies 150 Multijet Euro 6 (**) Panorama versies
Verbruik Maximaal toegestaan gewicht (kg) Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd 2800 8,5 6,5 7,2 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 8,0 6,1 6,8 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 LH1 - MLH1 - XXLH1 7,4 4,6 5,6 8,2 6,3 7,0 Bestel - CH1 - CH2 - MH1 - MH2 8,5 6,5 7,2 Laadbak - CH1 - MH1 - MDH1 7,6 5,5 6,3 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 8,2 6,3 7,0 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 LH1 - MLH1 - XXLH1 7,6 5,2 6,1 8,5 6,5 7,2 Chassis met lange cabine
TECHNISCHE GEGEVENS Verbruik Versies Panorama - Combi - CH1 Maximaal toegestaan gewicht (kg) Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd 3000 -3150(**) / 3300 8,0 5,4 6,4 8,5 6,5 7,2 7,6 5,2 6,1 8,5 6,5 7,2 8,5 6,5 7,2 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 LH1 - MLH1 - XXLH1 115 Multijet 3500 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 MH1 - LH1 - Bestel - CH1 - CH2 - MH1 MH2 - Chassis met lange cabine - LH1 MH1 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1
Verbruik Versies Maximaal toegestaan gewicht (kg) Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd 11 7,1 8,5 9,1 6,1 7,2 Laadbak - CH1 MH1 - Bestel - CH1 CH2 - MH1 - MH2 9,7 6,5 7,7 Panorama CH1 10,7 6,4 8,0 Combi CH1 9,5 5,5 7,0 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 - Chassis-cabine met laadvloer - CH1 - MH1 - LH1 - Bestel CH1 - CH2 - MH1 - MH2 180 Multijet Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 LH1 - MLH1 - XXLH1 3000 - 3150(**) (**) Panorama versies 345
TECHNISCHE GEGEVENS 346 Verbruik Versies 180 MultiJet Maximaal toegestaan gewicht (kg) Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 11 7,1 8,5 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 LH1 - MLH1 - XXLH1 9,1 6,1 7,2 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 MH1 - LH1 11 7,1 8,5 11 7,1 8,5 Chassis met lange cabine - LH1 - MH1 11 7,1 8,5 Laadbak - CH1 MH1 - Bestel - CH1 CH2 - MH1 - MH2 9,7 6,5 7,7 Laadbak met lange cabine MH1 - LH1 10,1 6,7 8,0 Panoram
Verbruik Versies 180 MultiJet Maximaal toegestaan gewicht (kg) Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 11 7,1 8,5 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 LH1 - MLH1 - XXLH1 9,1 6,1 7,2 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 MH1 - LH1 11 7,1 8,5 11,6 7,4 8,9 Chassis met lange cabine - LH1 - MH1 11 7,1 8,5 Laadbak - CH1 - MH1 - Bestel - CH1 CH2 - MH1 - MH2 9,7 6,5 7,7 Laadbak met lange cabine MH1 - LH1 10,1 6,7 8,0 Combi CH1 10,3 6,0 7,6 B
TECHNISCHE GEGEVENS Verbruik Versies 180 MultiJet Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 11,6 7,4 8,9 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 LH1 - MLH1 - XXLH1 10,5 7,0 8,3 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 MH1 - LH1 11,6 7,4 8,9 11,6 7,4 8,9 Chassis met lange cabine - LH1 - MH1 11,6 7,4 8,9 Laadbak - CH1 MH1 - Bestel - CH1 CH2 - MH1 - MH2 9,7 6,5 7,7 Laadbak met lange cabine MH1 - LH1 11 7,1 8,5 Combi CH1 10,3 6,0 7,6 11 7,2 8,
Verbruik Versies Maximaal toegestaan gewicht (kg) Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd 11 7,2 8,6 Laadbak - CH1 MH1 10,5 7,0 8,3 Bestel CH1 - CH2 - MH1 - MH2 11 7,2 8,6 Laadbak met lange cabine MH1 - LH1 11,6 7,4 8,9 Minibus 11,6 7,4 8,9 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 MLH1 - XXLH1 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 LH1 - MLH1 - XXLH1 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 MH1 - LH1 Bestel - CH1 - CH2 - MH1 - MH2 - LH2 LH3 - XLH2 - XLH3 3995 - 4005 - 4250 (Heavy) Chassis met lange cab
TECHNISCHE GEGEVENS CO2-EMISSIE De CO2-emissieniveaus in de volgende tabel hebben betrekking op het gecombineerde verbruik. Deze emissiewaarden hebben betrekking op de basisversies van de voertuigen zonder opties. CO2-emissie volgens huidige Europese richtlijn (l/100 km).
Versies 110 (°)/130/ 150 MultiJet Maximaal toegestaan gewicht (kg) CO2-emissie Gecombineerd Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 Laadbak met lange cabine - MH1 - LH1 186 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 XXLH1 153 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 - MH1 - LH1 - Chassis met lange cabine - LH1 - MH1 - Panorama MH1 - MH2 3300 192 Laadbak CH1 - MH1 - MDH1 - LH1 - Bestel - CH1 CH2 - MH1 - MH2 - LH2 - LH3 170 Combi CH1 - MH1 - MH2 170 (°) Versie voor specifieke markten 351
TECHNISCHE GEGEVENS Versies Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 - MH1 - LH1 - Chassis met lange cabine - LH1 - MH1 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 XXLH1 CO2-emissie Gecombineerd 192 153 3500 Laadbak CH1 - MH1 - MDH1 - LH1 - XLH1 - Bestel CH1 - CH2 - MH1 - MH2 - LH2 - LH3 - XLH2 - XLH3 170 Laadbak met lange cabine MH1 - LH1 - XLH1 186 Combi MH1 - MH2 - LH2 177 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 Chassis zonder cabine - CH1 -
110 (°)/130/ 150 MultiJet CO2-emissie Maximaal toegestaan gewicht (kg) Gecombineerd Bestel - CH1 2800 170 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 XXLH1 3650 186 Versies Bestel - MH2 - LH2 -XLH2 - XLH3 Bestel CH1 - MH1 - LH3 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 183 3510 170 186 (°) Versie voor specifieke markten 353
TECHNISCHE GEGEVENS 354 150 Multijet Euro 6 (**) Panorama versies CO2-emissie Maximaal toegestaan gewicht (kg) Gecombineerd Combi CH1 3000 - 3300 150 Combi - MH1 - MH2 3300 - 3500 152 Combi - MH2 3500 Toelaatbaar gewicht 153 Panorama / Combi - CH1 - MH1 - MH2 - LH2 3000 - 3150(**) - 3300 3500 157 Minibus LH2 - XLH2 4250 - 4300 158 Versies
Versies Bestel - CH1 Gecombineerd 2800 190 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 179 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 XXLH1 148 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 - MH1 - LH1 115 MultiJet CO2-emissie Maximaal toegestaan gewicht (kg) 3000 185 Bestel - CH1 - CH2 - MH1 - MH2 190 Laadbak - CH1 - MH1 - MDH1 165 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 185 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 XXLH1 160 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 - MH1 - LH1 Be
TECHNISCHE GEGEVENS Versies Panorama - Combi - CH1 115 Multijet 3000 - 3150(**) / 3300 166 190 160 3500 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 - MH1 - LH1 Bestel - CH1 - CH2 - MH1 - MH2 - Chassis met lange cabine - LH1 - MH1 190 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 XXLH1 (**) Panorama versies 356 Gecombineerd Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 XXLH1 CO2-emissie Maximaal toegestaan g
Versies Maximaal toegestaan gewicht (kg) Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 - MH1 - LH1 Bestel - CH1 - CH2 - MH1 - MH2 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 XXLH1 180 Multijet CO2-emissie Gecombineerd 224 189 3000 - 3150(**) Laadbak - CH1 MH1 - Bestel - CH1 - CH2 - MH1 MH2 203 Panorama CH1 210 Combi CH1 184 Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 224 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 XXLH1 189 Chassis-cabine met la
TECHNISCHE GEGEVENS 358 Versies 180 MultiJet Maximaal toegestaan gewicht (kg) CO2-emissie Gecombineerd Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 224 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 XXLH1 189 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 - MH1 - LH1 224 Bestel - CH1 - CH2 - MH1 - MH2 - LH2 - LH3 - XLH2 - XLH3 236 3500 Chassis met lange cabine - LH1 - MH1 224 Laadbak - CH1 - MH1 - Bestel - CH1 - CH2 - MH1 MH2 203 Laadbak met lange cabine MH1 - LH1 209 Combi CH1 200
Versies CO2-emissie Gecombineerd Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 236 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 XXLH1 219 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 - MH1 - LH1 236 Bestel - CH1 - CH2 - MH1 - MH2 - LH2 - LH3 - XLH2 - XLH3 180 MultiJet Maximaal toegestaan gewicht (kg) 236 3500 (Heavy) Chassis met lange cabine - LH1 - MH1 236 Laadbak - CH1 MH1 - Bestel - CH1 - CH2 - MH1 MH2 203 Laadbak met lange cabine MH1 - LH1 224 Combi CH1 200 Bestel LH2 - LH3 - MH1 - MH2 - XL
TECHNISCHE GEGEVENS 360 Versies Maximaal toegestaan gewicht (kg) CO2-emissie Gecombineerd Chassis-cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 - XXLH1 Chassis zonder cabine - CH1 - MH1 - LH1 - MLH1 XXLH1 226 Chassis-cabine met laadvloer - CH1 - MH1 - LH1 Bestel - CH1 - CH2 - MH1 - MH2 - LH2 - LH3 - XLH2 - XLH3 3995 - 4005 - 4250 (Heavy) Chassis met lange cabine - LH1 - MH1 180 MultiJet Laadbak - CH1 MH1 219 Bestel CH1 - CH2 - MH1 - MH2 226 Laadbak met lange cabine MH1 - LH1 236 Minibus 236 Chassis-cabine
OFFICIAL TYPE APPROVALS 361
362 TECHNISCHE GEGEVENS
363
364 TECHNISCHE GEGEVENS
RICHTLIJNEN VOOR DE BEHANDELING VAN HET VOERTUIG AAN HET EINDE VAN DE LEVENSDUUR Al jaren zet FCA zich volledig in voor de bescherming van het milieu via de continue verbetering van de productieprocessen en de realisatie van producten die steeds "eco-compatibeler" zijn.
WAT TE DOEN ALS Storing Mogelijke oplossing Gebruik de Fix&Go bandenreparatiekit. Zie pag. 213. Vervang de band. Zie pag. 207 ... EEN BAND LEEG IS. Herstel de bandenspanning. Zie pag. 277. ... DE PLAFONDVERLICHTING NIET INSCHAKELT. Vervang het lampje. Zie pag. 227 of neem contact op met het Fiat servicenetwerk. ... EEN EXTERNE LAMP (grootlicht, dimlicht...) NIET INSCHAKELT. Vervang het lampje. Zie pag. 221 of neem contact op met het Fiat servicenetwerk. ... DE AFSTANDSBEDIENING NIET WERKT.
Storing Mogelijke oplossing ...VERKEERDE MONTAGE VAN DE AFTERMARKET SYSTEMEN. Volg zorgvuldig de aanwijzingen in het Instructieboek om de correcte werking van het voertuig niet in gevaar te brengen. Zie pag. 108 of neem contact op met het Fiat servicenetwerk. ...STUURINRICHTING GEBLOKKEERD BIJ STILSTAAND VOERTUIG EN INGESCHAKELD STUURSLOT.
ALFABETISCH REGISTER Aanhangers trekken...................... 195 Aansteker....................................... 66 ABS ............................................... 81 Accu – Vervangen ................................. 256 Accu (opladen) ............................... 237 Accu (schakelaar)........................... 61 Accuschakelaar.............................. 61 Achterruitverwarming ..................... 61 Achterste opstaptrede.................... 76 Achteruitkijkspiegels.......................
ALFABETISCH REGISTER Gear Shift Indicator ....................... 122 Gebruikscondities .......................... 194 Geveerde stoel............................... 16 Gewichten...................................... 290 Gordelspanners ............................. 166 Grootlicht ................................. 49-222 Grootlichtsignaal ............................ 49 Handbediende klimaatregeling ...... 32 HBA (Hydraulic Brake Assist) systeem ....................................... 84 HBA (systeem) ...
Onderhoud en zorg Geprogrammeerd Onderhoudsschema .................... 243 Onderhoud en zorg - periodieke controles...................................... 246 Opbergvak boven de cabine .......... 68 Opbergvak boven zonnekleppen.... 68 Opbergvak onder de stoel.............. 18 Opbergvak onder voorste passagiersstoel ............................ 65 Oppompen .................................... 214 Opstaptrede................................... 74 Parkeerlichten ...........................
ALFABETISCH REGISTER Vloeistoffen en smeermiddelen....... 334 Vloeistof voor ruitensproeiers/achterruitsproeier . 252 Vulinhouden ................................... 331 Werkblad/lessenaar...................... 67 Wielen en banden .......................... 258 Wielen............................................ 274 Wielophanging ............................... 272 Wieluitlijning ................................... 274 Winterbanden ................................ 202 Wisserbladen voorruit vervangen....
COP DUCATO LUM NL_DUCATO UM ITA 20/03/14 08:48 Pagina 1 F I A T D U C A T O NEDERLANDS De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Fiat behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk. Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.