COP 500L UM NL SISTEMA QUADRO 27/02/14 16.59 Pagina 1 F I A T 5 0 0 L NEDERLANDS De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Fiat behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk. Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.
COP 500L UM NL SISTEMA QUADRO 27/02/14 16.59 Pagina 2 WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Wij, die uw auto hebben bedacht, ontworpen en gebouwd, kennen daarvan werkelijk elk detail en onderdeel. In de erkende Fiat Service garages vindt u technici die rechtstreeks door ons zijn opgeleid die kwaliteit en professionaliteit bieden voor alle onderhoudswerkzaamheden.
Beste klant, Wij feliciteren u en bedanken u voor uw keuze voor een Fiat 500L. Wij hebben dit boekje opgesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig te laten waarderen. Wij raden aan het meteen door te lezen voordat u voor de eerste keer gaat rijden. Het bevat belangrijke informatie, tips en aanwijzingen voor het gebruik van het voertuig die u zullen helpen de technische eigenschappen van uw Fiat volledig te benutten.
BELANGRIJKE INFORMATIE! TANKEN Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON die aan de Europese specificatie EN228 voldoet. Het gebruik van benzine die niet voldoet aan bovengenoemde norm veroorzaakt inschakeling van het EOBD-lampje en een onregelmatige motorwerking. Dieselmotoren:Tank uitsluitend diesel voor motorvoertuigen conform de Europese specificatie EN590.
WEGWIJS IN UW AUTO WEGWIJS IN UW AUTO DASHBOARD De aanwezigheid en de plaats van de bedieningselementen, de instrumenten en de lampjes kunnen variëren afhankelijk van de verschillende versies. VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG fig. 1 F0Y0042 1. Verstelbare en richtbare luchtroosters 2. Bedieningsknoppen op het stuurwiel (voor bepaalde versies/markten) 3. Bedieningshendel buitenverlichting 4. Instrumentenpaneel 5.
INSTRUMENTENPANEEL WEGWIJS IN UW AUTO De achtergrondkleur van de instrumenten en het type instrumenten variëren in functie van de versies. en zijn alleen aanwezig bij Dieselversies. Bij dieselversies komt het De waarschuwingslampjes maximum motortoerental (rode bereik op de toerenteller) overeen met 5000 tpm. VEILIGHEID VERSIES MET MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 4 fig. 2 A. Snelheidsmeter B.
VERSIES MET HERCONFIGUREERBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN fig. 3 F0Y1108 NOODGEVALLEN A. Snelheidsmeter B. Herconfigureerbaar multifunctioneel display C. Toerenteller D. Brandstofmeter met reservelampje E.
SNELHEIDSMETER WEGWIJS IN UW AUTO Geeft de snelheid van de auto aan (snelheidsmeter) TOERENTELLER VEILIGHEID Geeft het motortoerental aan. BRANDSTOFMETER STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER Geeft de hoeveelheid brandstof in de tank aan. E - tank leeg F - tank vol Het waarschuwingslampje A fig.
DISPLAY De auto kan uitgerust zijn met een multifunctioneel/ herconfigureerbaar display dat tijdens het rijden nuttige informatie op basis van wat eerder is ingesteld aan de bestuurder toont. Bij verwijderde contactsleutel, wordt het display ingeschakelt en worden gedurende enkele seconden de tijd en de totaalstand van de kilometerteller (in km of mijlen) weergegeven wanneer een voorportier wordt geopend/gesloten.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN "STANDAARD" SCHERM HERCONFIGUREERBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY Versies zonder "Speed Limiter" De volgende informatie verschijnt op het display fig.
GEAR SHIFT INDICATOR BEDIENINGSKNOPPEN De GSI (Gear Shift Indicator) adviseert de bestuurder een andere versnelling in te schakelen via een speciale melding op het instrumentenpaneelfig. 8. Via de GSI wordt de bestuurder gewaarschuwd dat een andere versnelling brandstofbesparing kan opleveren.
SETUP-MENU WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN Het menu bestaat uit een serie opties die gekozen kunnen worden met de knoppen en , waarna verschillende keuze- en instellingsmogelijkheden (Setup) worden geboden. Sommige opties hebben een submenu. Het menu wordt geactiveerd door de knop kort in te drukken.
Een optie in het hoofdmenu zonder een submenu kiezen: ❒ druk kort op de knop om de instelling van het hoofdmenu die gewijzigd moet worden te selecteren; ❒ druk op de knoppen of (deze telkens indrukken) om de nieuwe instelling te selecteren; ❒ druk kort op de knop om de nieuwe instelling op te slaan en terug te gaan naar de eerder geselecteerde optie in het hoofdmenu.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 12 Lichtsterkte (Regeling interieurverlichting) (alleen bij ingeschakeld stadslicht) Deze functie wordt gebruikt om de lichtsterkte van het instrumentenpaneel, de bedieningsknoppen van het uconnect™ systeem (voor bepaalde versies/markten) en de bedieningsknoppen van de automatische klimaatregeling (voor bepaalde versies/markten) (op 8 niveaus) te regelen.
❒ druk kortstondig op de knop om terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Ga als volgt te werk om de instelling te annuleren: ❒ druk kortstondig op de knop : op de display knippert "On"; ❒ druk op de knop : op de display knippert "Off"; ❒ druk kortstondig op de knop om terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 14 Regensensor (Instelling gevoeligheid regensensor) (voor bepaalde versies/markten) Met deze functie kan de gevoeligheid van de regensensor op 4 niveaus worden ingesteld. Ga als volgt te werk om het gewenste gevoeligheidsniveau in te stellen: ❒ druk kort op knop .
BELANGRIJK Elke druk op de knop of verhoogt of verlaagt de waarde 1 eenheid. Houd de knop langdurig ingedrukt om de waarde snel automatisch te verhogen/verlagen. Wanneer de gewenste waarde wordt bereikt, kan men de instelling afronden door opnieuw de knop kortstondig in te drukken. BELANGRIJK Elke druk op de knop of verhoogt of verlaagt de waarde 1 eenheid. Houd de knop langdurig ingedrukt om de waarde snel automatisch te verhogen/verlagen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 16 Meeteenheid (Instelling van de meeteenheid) Met deze functie kunnen de eenheden worden ingesteld via drie submenu’s: “Afstanden”, “Verbruik” en “Temperatuur“. Ga als volgt te werk om de meeteenheid in te stellen: ❒ druk kort op knop .
Taal (Taal instellen) De taal van de berichten die op het display worden weergegeven kan ingesteld worden in: Italian, German, English, Spanish, French, Portuguese, Polish, Dutch, Turkish (de lijst varieert afhankelijk van de markt). Ga als volgt te werk om de gewenste taal in te stellen: ❒ druk kort op knop .
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 18 Ga voor het raadplegen van deze informatie als volgt te werk: ❒ druk kort op de toets : op het display wordt het interval in kilometers of dagen aangegeven (indien aanwezig) of in mijlen of dagen (indien aanwezig), op grond van wat eerder is ingesteld (zie paragraaf "Meeteenheden"); ❒ druk kort op de knop om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop ing
Dagverlichting (D.R.L.) (voor bepaalde versies/markten) Met deze functie kan de dagverlichting worden in-/uitgeschakeld. Ga als volgt te werk om de functie in- en uit te schakelen: ❒ druk kort op knop . Op het display verschijnt een submenu; ❒ druk kort op knop .
TRIP COMPUTER WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 20 ALGEMENE INFORMATIE De Trip computer geeft informatie over de werking van het voertuig weer op het display, wanneer de contactsleutel in stand de MAR staat. Met deze functie kunnen twee afzonderlijke reizen worden aangemaakt, “Trip A” en Trip B” genaamd, waarmee "volledige reizen" van de auto worden bewaakt.
Huidig verbruik Dit geeft het brandstofverbruik weer. Deze waarde wordt continu bijgewerkt. Als de auto stilstaat met draaiende motor verschijnt de melding “- - - -” op de display. Gemiddelde snelheid ❒ B - benaming, waarde een meeteenheid van de gekozen parameter (bv. "Bereik 150 km"); ❒ C - het woord "Trip" ("Trip A" of "Trip B"). Na enkele seconden worden de benaming en waarde van de gekozen parameter vervangen door een pictogram fig. 11.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG De pictogrammen van de diverse parameters zijn: ❒ "Bereik"; "Gemiddeld verbruik A” (als Trip A is ❒ ingeschakeld, of “B” als Trip B is ingeschakeld); ❒ "Afstand” (als Trip A is ingeschakeld, of “B” als Trip B is ingeschakeld); ❒ "Huidig verbruik"; ❒ "Gemiddelde snelheid A” (als Trip A is ingeschakeld, of “B” als Trip B is ingeschakeld); ❒ "Reistijd ” (als Trip A is ingeschakeld, of “B” als Trip B is ingesc
Werkwijze voor aanvang van een nieuwe reis SYMBOLEN Houd de knop TRIP langer dan 2 seconden ingedrukt wanneer de sleutel in de stand MAR staat om te resetten. Sommige onderdelen van uw voertuig zijn voorzien van speciale gekleurde plaatjes. Deze plaatjes zijn voorzien van symbolen die de voorzorgsmaatregelen aangeven die genomen moeten worden wanneer het betreffende onderdeel wordt gebruikt. Onder de motorkap is tevens een plaatje aangebracht, waarop de betekenis van deze symbolen wordt toegelicht.
FIAT CODE SYSTEEM WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 24 Voor een betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering. Deze schakelt automatisch in wanneer de contactsleutel wordt verwijderd.
DE SLEUTELS Druk op de knop B om de metalen baard in/uit te klappen. SLEUTEL ZONDER AFSTANDSBEDIENING De metalen baard A fig. 13 activeert: ❒ het contactslot; ❒ het portierslot. Ga om duplicaatsleutels te vragen naar het Fiat Servicenetwerk en neem een identiteitsbewijs en de eigendomsdocumenten van uw auto mee.
Portieren en achterklep ontgrendelen WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 26 Druk kort op de knop : ontgrendeling van portieren en achterklep, tijdelijke inschakeling van plafondverlichting en twee maal knipperen van richtingaanwijzers (voor bepaalde versies/markten). De portieren worden automatisch ontgrendeld wanneer de afsluiter van de brandstoftoevoer ingrijpt.
EXTRA AFSTANDSBEDIENINGEN AANVRAGEN Het systeem kan maximaal 8 afstandsbedieningen herkennen. Als een nieuwe afstandsbediening nodig is, ga dan naar het Fiat Servicenetwerk en neem een identiteitsbewijs en de eigendomsdocumenten van de auto mee. BATTERIJ VAN DE SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING VERVANGEN Ga als volgt te werk om de batterij te vervangen: ❒ druk op de knop A fig.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Safe lock inschakelen Safe lock uitschakelen De voorziening wordt voor alle portieren geactiveerd door twee maal op de knop op de sleutel te drukken. De richtingsaanwijzers knipperen 3 keer en de led boven de fig. 16 knop knippert om aan te geven dat het systeem geactiveerd is.
CONTACTSLOT BELANGRIJK De sleutel kan naar 3 standen worden gedraaid: fig. 17: ❒ STOP: motor uit, sleutel kan verwijderd worden en stuur geblokkeerd. Sommige elektrische apparaten (bijv. autoradio, elektrische ruitbediening enz.) kunnen blijven werken; ❒ MAR: rijstand. Alle elektrische apparaten/systemen kunnen werken; ❒ AVV: motor starten.
ZITPLAATSEN STUURSLOT WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN Inschakeling: draai de sleutel naar de stand STOP, verwijder de sleutel en verdraai het stuurwiel tot het vergrendelt. Uitschakeling: draai het stuur iets heen en weer terwijl de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid. BELANGRIJK Demontage-/montagewerkzaamheden, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bv.
Rugleuningverstelling BELANGRIJK Controleer na het loslaten van de hendel of de stoel goed geblokkeerd is door hem naar voren en naar achteren te schuiven. Als de stoel niet geblokkeerd is, kan hij plotseling verschuiven met mogelijk controleverlies over de auto tot gevolg. Bedien hendel C fig. 20 om de hoek van de rugleuning af te stellen, help daarbij met de beweging van de romp (bedien de hendel tot de gewenste stand is bereikt, laat hem daarna los).
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID De passagiersstoel zodanig plaatsen dat hij gebruikt kan worden als tafeltje. (voor bepaalde versies/markten) Schuif de stoel volledig naar achteren door hendel A te bedienen (zie "Afstelling in de lengte"), gebruik hendel C, klap de rugleuning naar beneden op de zitting en laat dan hendel C los. Het wordt aanbevolen deze procedure van buitenaf uit te voeren, met de linkerhand.
Opbergvak Armsteun bestuurdersstoel (voor bepaalde versies/markten) Bij sommige versies heeft de bestuurdersstoel een armsteun. De armsteun kan opgetild/naar beneden gezet worden door te werk te gaan in de richting aangegeven door de pijltjes (zie fig. 22). WEGWIJS IN UW AUTO Achter de leuning van de voorstoel zit een opbergvak fig. 23. VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER fig. 22 F0Y0159 fig.
WEGWIJS IN UW AUTO Tafel (voor bepaalde versies/markten) Bij sommige versies is er, achter de leuning van de voorstoel, een opklapbaar oppervlak A fig. 24 voorzien van glas-/blikjehouder. Om het oppervlak in te klappen, punt B indrukken. In de achterkant van de rugleuningen zit ook een opbergnet C. BELANGRIJK Plaats geen voorwerpen zwaarder dan 3 kg op het tafeltje: om veiligheidsredenen komt dit los uit zijn zitting als er zwaardere voorwerpen opgelegd worden.
Om de ruimte tussen de achterbank en de hoedenplank te vergroten, lipje C fig. 27 op de hoedenplank pakken en vastzetten op de magnetische voorziening D, daarna hendel B bedienen om de rugleuning in de gewenste stand te zetten. Armsteun achter (voor bepaalde versies/markten) Om de armsteun te kunnen gebruiken fig. 28, hem naar beneden zetten zoals aangegeven in de afbeelding. WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN fig. 25 F0Y0074 fig.
WEGWIJS IN UW AUTO HOOFDSTEUNEN ACHTER (bij bepaalde markten/versies) VOOR Er zijn twee in hoogte verstelbare hoofdsteunen op de achterbank aanwezig. Bij sommige versies is er ook een hoofdsteun voor de middelste zitplaats. Omhoog verstellen: breng de hoofdsteun omhoog tot deze op zijn plaats vastklikt. Omlaag verstellen: druk op knop A fig. 30 en breng de hoofdsteun omlaag.
STUURWIEL BELANGRIJK Het stuurwiel kan zowel axiaal als verticaal versteld worden. Verstel als volgt: duw de hendel A fig. 31 omlaag in stand 1, verstel het stuurwiel in de gewenste stand en blokkeer het stuurwiel door de hendel A in stand 2 te brengen. BELANGRIJK De verstelling mag alleen bij stilstaande auto en uitgeschakelde motor gebeuren. Demontage-/montagewerkzaamheden, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bv.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ACHTERUITKIJKSPIEGELS ZIJSPIEGELS BINNENSPIEGEL Handmatig verstellen Deze spiegel is voorzien van een beveiligingsmechanisme dat ervoor zorgt dat de spiegel losschiet bij hevige botsing met een inzittende. Gebruik de hendel A fig. 32 om de spiegel in twee standen te zetten: normaal of anti-verblindingsstand. Gebruik de hendel A fig. 34 om de spiegel te verstellen.
Handmatig inklappen Elektrisch verstellen (voor bepaalde versies/markten) De spiegels kunnen alleen worden versteld met de contactsleutel in de stand MAR. Ga als volgt te werk om te verstellen: ❒ gebruik knop A fig. 35 om de gewenste spiegel te selecteren (rechts of links); ❒ zet knop A op stand B en beweeg hem om de linker zijspiegel af te stellen; ❒ zet knop A op stand D en beweeg hem om de rechter zijspiegel af te stellen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN KLIMAATREGELING LUCHTROOSTERS BOVEN LUCHTROOSTERS AAN ZIJKANT A fig. 38 - Verstelbaar luchtrooster boven. Draai aan wieltje B om de luchtstroom te regelen. C - Vast luchtrooster boven. A fig. 37 - Verstelbare en richtbare luchtroosters aan zijkant: ❒ gebruik het schuifje B om het luchtrooster in de gewenste stand te zetten; ❒ draai aan het wieltje C om de luchtopbrengst te regelen. D - Vaste uitstroomopening aan zijkant.
LUCHTROOSTERS IN HET MIDDEN A fig. 39 - Verstelbare en richtbare luchtroosters in het midden: ❒ gebruik het schuifje B om het luchtrooster in de gewenste stand te zetten; ❒ draai aan het wieltje C om de luchtopbrengst te regelen. WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER fig.
KLIMAATCOMFORT WEGWIJS IN UW AUTO UITSTROOMOPENINGEN/ROOSTERS VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 42 fig. 40 F0Y0222 1. Vast luchtrooster boven 2. Verstelbare en richtbare roosters aan zijkant 3. Vaste uitstroomopeningen voor zijruiten 4. Verstelbare luchtroosters in het midden 5.
VERWARMING EN VENTILATIE WEGWIJS IN UW AUTO BEDIENINGSELEMENTEN VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN fig.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 44 A - Draaiknop regeling luchttemperatuur: ❒ blauwe gebied = koude lucht ❒ rode gebied = warme lucht B - aan/uit knop luchtrecirculatie; C - draaiknop inschakeling/regeling ventilator: ❒ 0 = ventilator uitgeschakeld ❒ 1-2-3-4 = ventilatorsnelheid D - aan/uit knop achterruitverwarming; E - draaiknop voor de luchtverdeling: lucht uit luchtroosters in het midden en a
ACHTERRUITVERWARMING/ RUITONTWASEMING Druk op knop D ( ) om de functie in/uit te schakelen. Waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te geven dat de functie ingeschakeld is. De functie wordt na 20 minuten automatisch uitgeschakeld. Voor bepaalde versies/markten, druk op de knop om de ontwaseming/ontdooiing van de buitenspiegels en de verwarming voor de voorruit in te schakelen (voor bepaalde versies/markten).
HANDBEDIENDE KLIMAATREGELING WEGWIJS IN UW AUTO BEDIENINGSELEMENTEN VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 46 fig.
A - Draaiknop regeling luchttemperatuur: ❒ blauwe gebied = koude lucht ❒ rode gebied = warme lucht B - aan/uit knop luchtrecirculatie; C - draaiknop inschakeling/regeling ventilator: ❒ 0 = ventilator uitgeschakeld ❒ 1-2-3-4 = ventilatorsnelheid D - aan/uit knop compressor klimaatregeling; E - aan/uit knop achterruitverwarming; F - knop luchtverdeling: lucht uit luchtroosters in het midden en aan de zijkant lucht uit luchtroosters in het midden, aan de zijkant en naar beenruimtes voor en achter lucht alleen
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 48 Minder verwarming ❒ draai knop A naar links om de temperatuur te verlagen; ❒ druk op knop B om de interne luchtrecirculatie uit te schakelen (led op de knop uit); ❒ draai aan knop C om de ventilatorsnelheid te verlagen. BELANGRIJK Bij koude motor duurt het enkele minuten om een optimale verwarming van het interieur te verkrijgen.
INTERNE LUCHTRECIRCULATIE Druk op knop B ( ) zodat de led op de knop gaat branden. Geadviseerd wordt de interne luchtrecirculatie in te schakelen in de file of in tunnels, om te voorkomen dat vervuilde lucht in het interieur komt. Gebruik de functie niet langdurig, vooral als er meerdere passagiers aan boord zijn, om beslagen ruiten te voorkomen. BELANGRIJK Met de interne luchtrecirculatie kan de gewenste toestand (verwarming of koeling, afhankelijk van de keuze) sneller bereikt worden.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 50 EXTRA VERWARMING (voor bepaalde versies/markten) De extra elektrische verwarming zorgt voor een snellere verwarming van het interieur.
AUTOMATISCHE DUAL-ZONE KLIMAATREGELING WEGWIJS IN UW AUTO (voor bepaalde versies/markten) BEDIENINGSELEMENTEN VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN fig.
A - temperatuurregelknop bestuurderszijde; WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 52 B - knop aan/uit interne luchtrecirculatie; C - knop aan/uit achterruitverwarming en thermisch isolerende voorruit (voor bepaalde versies/markten); D - knop aan/uit compressor klimaatregeling; E - knop aan/uit klimaatregeling; F - instellingsknop ventilatorsnelheid; G - led-meter ventilatorsnelheid; H - keuzeknoppen luc
De hoeveelheid lucht die in het interieur wordt gevoerd houdt geen verband met de snelheid van de auto; deze wordt geregeld door de elektronische geregelde ventilator. De luchttemperatuur in het interieur wordt altijd automatisch geregeld op basis van de ingestelde temperatuur op het display (behalve wanneer het systeem is uitgeschakeld of onder bepaalde omstandigheden waarin de compressor is uitgeschakeld).
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 54 Tijdens volledig automatische werking (AUTO), kan het wijzigen van de luchtstroom en/of luchtverdeling (die niet worden weergegeven) leiden tot het uitgaan van de led van de functie AUTO en gaat het systeem in de HANDMATIGE modus werken (waarbij zowel de gevraagde luchtstroom als -verdeling wordt weergegeven).
Luchtstroomverdeling tussen de uitstroomopeningen voor ontwasemen/ ontdooien voorruit en de luchtroosters in het midden en aan de zijkant van het dashboard. Zo kan de lucht op de voorruit worden gericht bij sterk zonlicht. Luchtstroomverdeling naar alle uitstroomopeningen van de auto. Opmerking Hete lucht stroomt uit de uitstroomopeningen aan de zijkant van het dashboard: het is echter mogelijk de luchtstroom te onderbreken door aan het wieltje te draaien dat naast de uitstroomopeningen zit.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG Als de AUTO-knop wordt ingedrukt terwijl de AUTO-led brandt, schakelt het systeem over op de volledig handmatige modus; de huidige luchtstroom en -verdelingsstatus wordt weergegeven, die niet langer automatisch geregeld zullen worden.
BELANGRIJK Met het inschakelen van het recirculatiesysteem kunnen de gewenste verwarmings-/koelingsomstandigheden sneller worden bereikt. Het wordt echter afgeraden de luchtrecirculatie in te schakelen op regenachtige of koude dagen om beslagen ruiten te voorkomen, vooral als het aircosysteem niet is ingeschakeld. Bij lage buitentemperaturen wordt de recirculatie uitgezet (lucht wordt van buitenaf gevoerd) om beslagen ruiten te voorkomen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 58 SNEL ONTWASEMEN/ONTDOOIEN VAN DE VOORRUIT (MAX-DEF functie) Druk op de knop om het snel ontwasemen/ ontdooien van de voorruit en de voorste zijruiten in te schakelen (led op knop aan).
BELANGRIJK Plak geen stickers op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging te voorkomen hetgeen ertoe kan leiden dat de verwarming niet meer goed werkt. Verwarmde voorruit (voor bepaalde versies/markten) Druk op knop C om deze functie in te schakelen. Als de functie ingeschakeld is, brandt er een controlelampje op het instrumentenpaneel.
START&STOP WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 60 Automatische dual zone klimaatregeling De automatische dual zone klimaatregeling regelt de Start&Stopfunctie (motor afgezet wanneer de voertuigsnelheid nul is) om een passend comfort in het interieur te garanderen.
EXTRA VERWARMING (voor bepaalde uitvoeringen/markten) Hiermee kan het interieur op koude dagen sneller worden verwarmd. De verwarming schakelt automatisch uit wanneer de gewenste comfortsituatie wordt bereikt. De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld afhankelijk van externe weersomstandigheden en met gestarte motor. BELANGRIJK De verwarming werkt alleen bij lage buitentemperatuur en lage motorkoelvloeistoftemperatuur. De extra verwarming wordt niet ingeschakeld als de accuspanning te laag is.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID BELANGRIJK De dagverlichting is een alternatief voor het dimlicht in landen waar dit tijdens het rijden overdag verplicht is, en is tevens toegestaan in landen waar dit niet verplicht is. BELANGRIJK STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 62 De dagverlichting mag het dimlicht niet vervangen tijdens het rijden in het donker en in tunnels.
Bij automatische uitschakeling door de sensor, wordt eerst het dimlicht uitgeschakeld en enkele seconden later het stadslicht. Als de geactiveerde sensor slecht werkt, worden het stadslicht en het dimlicht ongeacht de sterkte van het omgevingslicht ingeschakeld: de storing van de sensor wordt op het display weergegeven. Het is ook mogelijk om de sensor uit te schakelen en deze lichten indien nodig handmatig in te schakelen. BELANGRIJK De sensor kan de aanwezigheid van mist niet detecteren.
“Cornering lights” WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID Als het dimlicht ingeschakeld is en de snelheid lager is dan 40 km/h, als de draaihoek van het stuurwiel groot is of de richtingaanwijzers branden, gaat er een lamp (ingebouwd in de mistlamp) branden aan de betreffende kant om het zicht 's nachts te verbeteren. "FOLLOW ME HOME" SYSTEEM STARTEN EN RIJDEN Met dit systeem kan de ruimte vóór de auto een bepaalde periode worden verlicht.
RUITEN REINIGEN De rechter hendel bedient de ruitenwissers/-sproeier en de achterruitwisser en -sproeier. RUITENWISSERS/-SPROEIER De ruitenwissers kunnen alleen werken met de contactsleutel in de stand MAR. De draaischakelaar A fig. 45 kan in vier verschillende standen worden gezet: ruitenwissers uit. wissen met interval. langzaam continu wissen. snel continu wissen. Hef de hendel op (onstabiele stand) om de tijdelijke snelle wisstand in te schakelen.
Automatische wis-/wasregeling WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER Trek de hendel naar het stuur (onstabiele stand) om de ruitensproeier in te schakelen. Als de hendel langer dan een halve seconde wordt aangetrokken, dan worden in één beweging de ruitenwissers en -sproeiers ingeschakeld.
Uitschakelen Plaats de ring weg uit de stand of draai de contactsleutel in de stand STOP. Wordt de contactsleutel in de stand STOP gedraaid en blijft de ring A in de stand staan, dan wordt er geen wiscyclus uitgevoerd bij de volgende start (contactsleutel in de stand MAR), ook al regent het. Dit voorkomt ongewenste activering van de regensensor wanneer de motor wordt gestart (bijv. terwijl de voorruit met de hand wordt gewassen of als de ruitenwissers met ijs aan de voorruit vastzitten).
WEGWIJS IN UW AUTO ACHTERRUITWISSER/-SPROEIER Uitschakelen De achterruitwisser/-sproeier kan alleen werken met de contactsleutel in de stand MAR. Deze functie wordt uitgeschakeld zodra de hendel wordt losgelaten. Inschakelen VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 68 De achterruitwisser kan in verschillende standen worden gezet door de draaischakelaar B fig.
CRUISE-CONTROL (voor bepaalde versies/markten) Dit is een elektronisch geregeld hulpsysteem waarmee de gewenste rijsnelheid gehandhaafd kan worden, zonder het gaspedaal in te hoeven trappen. Het systeem kan gebruikt worden bij een snelheid van meer dan 30 km/h op lange, droge en rechte wegen met weinig veranderingen in de rijomstandigheden (bijv. snelwegen). Het gebruik van de cruise-control wordt dus niet aanbevolen op buitenwegen met druk verkeer. Gebruik het systeem niet in de stad.
WEGWIJS IN UW AUTO ❒ schakel de versnelling in die ingeschakeld was op het moment dat de snelheid werd opgeslagen; ❒ druk op de CANC RES-knop (B fig. 47).
BELANGRIJK Draai bij een storing of defect van het systeem de draaischakelaar A op O en neem contact op met het Fiat Servicenetwerk. SPEED LIMITER Met dit systeem wordt de snelheid van het voertuig beperkt tot waarden die door de bestuurder ingesteld kunnen worden. De maximumsnelheid kan zowel bij rijdende als bij stilstaande auto worden ingesteld. De minimumsnelheid die ingesteld kan worden is 30 km/h.
Het systeem in-/uitschakelen WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 72 Druk op de CANC RES knop om het systeem in of uit te schakelen. De inschakeling van het systeem wordt aangegeven door het aangaan van het controlelampje op het instrumentenpaneel. De uitschakeling van het systeem wordt daarentegen aangegeven met het symbool op het display.
PLAFONDVERLICHTING PLAFONDVERLICHTING VOOR Met de schakelaar A fig. 48 wordt de plafondverlichting in- en uitgeschakeld. Standen schakelaar A: ❒ middelste stand: de lampjes C en E gaan aan/uit bij het openen/sluiten van de portieren; ❒ links ingedrukt (stand OFF): de lampjes C en E blijven altijd gedoofd; ❒ rechts ingedrukt (stand ): de lampjes C en D blijven altijd ingeschakeld. De verlichting gaat geleidelijk aan/uit. Met schakelaar B wordt lampje C in- of uitgeschakeld.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN De plafondverlichting gaat op de volgende 3 manieren uit: ❒ bij het sluiten van de portieren stopt de tijdregeling van 3 minuten en wordt de tijdregeling van 10 seconden ingeschakeld.
Versies met schuifdak (of met glazen dak) Bij versies met schuifdak (of met glazen dak) zijn er twee plafondlampjes A fig. 50 aan de zijkant (boven de achterportieren). Druk, om de lampjes in of uit te schakelen, op het + teken op het lampenglas van het plafondlampje. De plafondverlichting achter gaat ook aan wanneer ook de plafondverlichting voor wordt ingeschakeld. INSTAPVERLICHTING (voor bepaalde versies/markten) Bij sommige versies is de instapverlichting achter de zonnekleppen gemonteerd.
BEDIENINGSELEMENTEN DASHBOARDKASTVERLICHTING WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID Wanneer het dashboardkastje wordt geopend, gaat de verlichting A fig. 53 automatisch branden. Wanneer het dashboardkastje wordt gesloten, gaat de verlichting uit. De stand van de sleutel in het contactslot beïnvloedt de werking van de de verlichting niet. STARTEN EN RIJDEN ALARMKNIPPERLICHTEN Druk op de knop fig. 54 om de lichten in- en uit te schakelen. Wanneer de alarmknipperlichten werken, knipperen de controlelampjes en .
CENTRALE PORTIERVERGRENDELING MISTLAMPEN VOOR (voor bepaalde versies/markten) Druk op de knop fig. 55 om de lichten in- en uit te schakelen. Bij ingeschakelde mistlampen gaat ook de led boven de knop branden. MISTACHTERLICHT Druk op knop fig. 56 om alle portieren tegelijk te vergrendelen. Als de portieren vergrendeld zijn, gaat de led boven de knop branden. De vergrendeling vindt onafhankelijk van de stand van de contactsleutel plaats. Druk op de knop fig. 55 om de lichten in- of uit te schakelen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING "DUALDRIVE" (voor bepaalde versies/markten) Druk op de knop CITY fig. 57 om de functie in te schakelen. Wanneer deze functie actief is, verschijnt het opschrift CITY op het instrumentenpaneel. Deze functie blijft in het geheugen opgeslagen: wanneer de auto opnieuw wordt gestart, behoudt het systeem de instelling die het vóór het afzetten van de motor had.
AFSLUITER VAN DE BRANDSTOFTOEVOER Deze grijpt bij een botsing in en veroorzaakt het volgende: ❒ onderbreking van de brandstoftoevoer met afzetten van de motor als gevolg ❒ automatische ontgrendeling van de portieren ❒ automatische inschakeling van de interieurverlichting ❒ inschakeling van de alarmknipperlichten. Wanneer het systeem wordt ingeschakeld, verschijnt er bij sommige versies een melding op de display.
INTERIEURUITRUSTING WEGWIJS IN UW AUTO OPBERGVAKKEN BELANGRIJK VEILIGHEID Rijd nooit met open dashboardkastje: bij een ongeval kunnen de inzittenden voorin hierdoor verwond raken. STARTEN EN RIJDEN Bovenste opbergvak LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS Om het opbergvak te openen op knop A fig. 59 drukken, het naar boven duwen en naar beneden houden, draai de klep zoals aangegeven op de afbeelding, tot het de stand "volledig open" bereikt.
Onderste opbergvak STOPCONTACTEN Gebruik voor het openen van het opbergvak hendel A fig. 61. Wanneer het opbergvak geopend wordt, gaat er een lampje branden om het vak te verlichten. Stopcontact passagierscompartiment Opbergvak onder de stoel (voor bepaalde versies/markten) WEGWIJS IN UW AUTO Dit zit op de tunnelconsole fig. 63, naast de hefboom van de handrem. Het werkt alleen met de contactsleutel in de stand MAR. Bij sommige versies is er een opbergvak onder de passagietsstoel fig.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN BELANGRIJK Sluit geen apparaten met een hoger vermogen dan 180 W op het stopcontact aan. Beschadig het stopcontact niet door ongeschikte stekkers te gebruiken. Bij versies met optionele "rokerskit", zit de aansteker op de plaats van het stopcontact (zie paragraaf "Aansteker"). Stopcontact bagageruimte (voor bepaalde versies/markten) Dit zit aan de linkerkant van de bagageruimte fig. 64.
BELANGRIJK De aansteker wordt zeer heet.Wees voorzichtig en zorg dat hij niet wordt gebruikt door kinderen: brandgevaar en/of gevaar voor brandwonden. BRILLENHOUDER (voor bepaalde versies/markten) Deze zit aan de linkerkant van de zonneklep aan bestuurderszijde, boven het portier fig. 67. WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID ZONNEKLEPPEN Deze bevinden zich aan beide kanten van de achteruitkijkspiegel. Ze kunnen naar voren en opzij worden gedraaid.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN BEWAKINGSSPIEGEL ACHTERBANK (voor bepaalde versies/markten) DAK MET VAST RUITPANEEL Deze zit naast de voorste plafondverlichting. Om hem in de gebruiksstand te zetten, in zone A fig. 68te werk gaan en hem omlaag zetten. Dit bestaat uit een groot vast ruitpaneel dat voorzien is van een elektrisch bediend zonnescherm. BRANDBLUSSER (voor bepaalde versies/markten) Het zonnescherm kan alleen bediend worden als de sleutel in de stand MAR staat.
KNELBEVEILIGING Het zonnescherm is voorzien van een "knelbeveiliging" die de aanwezigheid van een obstakel tijdens de sluitbeweging kan detecteren (voorste zone en zone middelste dwarsbalk). Wanneer dit gebeurt wordt de beweging van het zonnescherm onmiddellijk gestopt. NOODBEDIENING Als de bedieningsknoppen niet werken, kan het zonnescherm handmatig bediend worden zoals hieronder is beschreven: ❒ verwijder beschermdop A fig.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ELEKTRISCH SCHUIFDAK SLUITEN (voor bepaalde versies/markten) Het schuifdak bestaat uit twee glazen panelen (het voorste is verstelbaar en het achterste is een vast paneel) het is voorzien van een elektrisch bediend zonnescherm. Druk vanuit de volledig geopende stand op knop A fig. 71: het voorste glazen ruitpaneel wordt in “spoilerstand” gebracht.
VERSTELLING ZONNESCHERM Druk nogmaals op knop B fig. 71: het zonnescherm wordt naar het achterste deel van de auto verplaatst, tot het volledig geopend is. Druk, bij volledig geopend zonnescherm, op knop B: het zonnescherm wordt naar het voorste deel van de auto verplaatst, tot het volledig gesloten is. Druk, tijdens de automatische openings- en sluitingsfases, nogmaals op knop B om de beweging van het zonnescherm te onderbreken.
INITIALISATIEPROCEDURE WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS Bij een storing van de automatische beweging bij het openen/sluiten of een noodsituatie (zie beschrijving in de vorige paragraaf), moet de automatische bediening van het schuifdak opnieuw worden geïnitialiseerd. Ga als volgt te werk: ❒ druk op knop A fig.
De portieren ver-/ontgrendelen van binnenuit KINDERSLOT Druk op de knop . De knop is voorzien van een led-lampje dat aangeeft wanneer de portieren worden ver-/ontgrendeld. Led aan: portieren vergrendeld. Druk nogmaals op de knop om de centrale portiervergrendeling uit te schakelen. De led gaat uit. Led uit: portieren ontgrendeld. Druk nogmaals op de knop om de centrale portiervergrendeling in te schakelen. De centrale portiervergrendeling werkt alleen als alle portieren perfect gesloten zijn.
NOODVERGRENDELING VOORPORTIER PASSAGIERSZIJDE EN ACHTERPORTIEREN WEGWIJS IN UW AUTO Het voorportier aan passagierszijde en de achterportieren zijn voorzien van een vergrendelingssysteem wanneer er geen elektrische stroom aanwezig is. Ga hiervoor als volgt te werk: ❒ draai de metalen baard van de sleutel in de stand Afig. 75 (voorportier aan passagierszijde) of B fig. 74 (achterportieren); ❒ draai de sleutel rechtsom en haal hem uit het slot A of B .
Om de werking van de portiersloten weer te herstellen (alleen als de acculading hersteld is), als volgt te werk gaan: ❒ druk op de knop van de afstandsbediening; of ❒ druk op de knop deurvergrendeling/ontgrendeling op het dashboard; of ❒ steek de metalen baard van de contactsleutel in het slot van het voorportier; of ❒ trek aan de binnenhandgreep van het portier.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN ELEKTRISCHE RUITBEDIENING BEDIENINGSELEMENTEN Deze werkt met de contactsleutel in de stand MAR en gedurende ongeveer drie minuten nadat de contactsleutel naar de stand STOP is gedraaid of verwijderd is tenzij een van de voorportieren geopend is. De bedieningstoetsen zitten op het portierpaneel (voor bepaalde versies/markten). Alle ruiten kunnen bediend worden vanaf het portierpaneel aan bestuurderszijde.
Voorportier bestuurderszijde (versie met 4 elektrisch bediende ruiten) A fig. 77: linker voorruit openen/sluiten. "Continue automatische" werking tijdens openen/sluiten en knelbeveiliging ingeschakeld. B: rechter voorruit openen/sluiten. "Continue automatische" werking tijdens openen/sluiten en knelbeveiliging ingeschakeld. C: inschakeling/uitschakeling bediening achterste zijruiten D: linker achterruit openen/sluiten (voor bepaalde versies/markten).
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 94 Knelbeveiliging (bij bepaalde versies/markten) Het voertuig is uitgerust met een knelbeveiliging die tijdens het sluiten van de zijruiten voor en achter actief is.
HANDMATIGE RUITBEDIENING ACHTER (bij bepaalde versies/markten) Gebruik de betreffende hendel om de ruit te openen en te sluiten fig. 78. BAGAGERUIMTE De ontgrendeling van de bagageruimte gebeurt elektrisch en is uitgeschakeld wanneer de auto rijdt. OPENEN Indien ontgrendeld kan de achterklep van buitenaf geopend worden met de elektrische hendel A fig. 79 onder de rand van de achterklep tot de klik van het ontgrendelen wordt gehoord of met behulp van de knop op de afstandsbediening.
WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK Let op dat er geen voorwerpen op de hoedenplank worden geraakt wanneer de achterklep wordt geopend.
INITIALISATIE BAGAGERUIMTE BAGAGERUIMTE UITBREIDEN BELANGRIJK Als de accu werd losgekoppeld of als een zekering is doorgebrand, dan moet het open- en sluitmechanisme van de bagageruimte opnieuw worden geïnitialiseerd. Ga hiervoor als volgt te werk: ❒ sluit alle portieren en de achterklep; ❒ druk op de knop van de afstandsbediening; ❒ druk op de knop van de afstandsbediening.
WEGWIJS IN UW AUTO ❒ til het achterste deel van de hoedenplank op; ga te werk zoals afgebeeld in fig. 84; ❒ maak de pennen D fig. 85 buiten de hoedenplank vrij en verwijder de hoedenplank B door hem naar boven te trekken; VEILIGHEID ❒ na verwijdering kan de hoedenplank dwars in de bagageruimte of tussen de rugleuningen van de voorstoelen en de omgeklapte zittingen van de achterbank worden geplaatst (bij volledig uitgebreide bagageruimte).
❒ til hendel B fig. 87 op om de rugleuning in te klappen (zie fig. 88). Opmerking Het wordt aanbevolen deze procedure van buitenaf uit te voeren, met de linkerhand. De rugleuning terugzetten Om de rugleuning terug te zetten in de normale gebruiksstand, hendel B fig. 87 optillen en vervolgens de rugleuning omhoog zetten. BELANGRIJK Zorg ervoor dat de rugleuning aan beide zijden goed is vergrendeld om te voorkomen dat deze bij bruusk remmen naar voren kan klappen en zo eventueel de inzittenden kan verwonden.
WEGWIJS IN UW AUTO ❒ til de ontgrendelhendel B fig. 89 op om het linkerof rechterdeel van de rugleuning neer te klappen, de zitting wordt automatisch naar voren geklapt (zie fig. 90). Begeleid, indien nodig, de rugleuning tijdens het eerste deel van het opklappen. VEILIGHEID Opmerking Het wordt aanbevolen deze procedure van buitenaf uit te voeren, met de linkerhand. Voordat de rugleuning volledig wordt opgeklapt, alle voorwerpen die erop liggen verwijderen.
BELANGRIJK Zorg ervoor dat de rugleuning aan beide zijden goed is vergrendeld om te voorkomen dat deze bij bruusk remmen naar voren kan klappen en zo eventueel de inzittenden kan verwonden. De rugleuning terugzetten Om de rugleuning terug te zetten in de normale gebruiksstand, hendel B fig. 87 optillen en vervolgens de rugleuning omhoog zetten tot de verticale stand is bereikt.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID Dankzij de afmetingen van de laadvloer kan een maximale capaciteit van 70 kg (in stand 1) of 40 kg (in stand 2) met gelijkmatige gewichtsverdeling verkregen worden: laad geen zwaardere voorwerpen in de bagageruimte. BELANGRIJK Het verplaatsen van de laadvloer moet gedaan worden op een centrale plaats ten opzichte van de bagageruimte.
Verplaatsing van de laadvloer Om de laadvloer te verplaatsen van de onderste naar de bovenste stand, als volgt te werk gaan: ❒ pak hendel A fig. 93 vast en til laadvloer B op, houd deze met één hand vast; ❒ plaat laadvloer B correct in de zittingen C en D fig. 95 op de zijpanelen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Er zitten twee andere haken op de achterste dwarsbalk. Er zitten ook twee haken op de zijpanelen om ladingen te bevestigen die niet extreem zwaar zijn (bijv. tassen). Om de haken te gebruiken, op knop A fig. 98 drukken. Om de houder te verwijderen, deze naar boven trekken uit de speciale zittingen.
MOTORKAP SLUITEN OPENEN Ga als volgt te werk: ❒ trek hendel A fig. 101 in de richting van de pijl; ❒ verplaats hendel B fig. 102, in de richting van de pijl en til de motorkap op. BELANGRIJK Het openen van de motorkap wordt vergemakkelijkt door twee gasveren aan de zijkant. Breng geen wijzigingen aan deze gasveren aan en begeleid de motorkap tijdens het openen. Laat de motorkap tot op ongeveer 20 cm van de motorruimte zakken en laat hem dan vallen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN BELANGRIJK Om veiligheidsredenen moet de motorkap tijdens het rijden altijd goed gesloten zijn. Controleer dus altijd of de motorkap goed gesloten en vergrendeld is. Mocht men tijdens het rijden merken dat de motorkap niet goed vergrendeld is, stop dan onmiddellijk en sluit de motorkap op de correcte manier. IMPERIAAL/SKIDRAGER De aanwezige bevestigingen A fig.
BELANGRIJK Overschrijd nooit het maximum toegestane draagvermogen (zie hoofdstuk "Technische gegevens"). BELANGRIJK Verdeel de lading gelijkmatig en houd bij het rijden rekening met een verhoogde zijwindgevoeligheid. De wettelijke voorschriften betreffende de maximale afmetingen moeten altijd worden gerespecteerd. KOPLAMPEN LICHTBUNDEL AFSTELLEN Een goede afstelling van de koplampen is belangrijk voor het comfort en de veiligheid van de bestuurder en alle overige weggebruikers.
HOOGTEREGELING KOPLAMPEN WEGWIJS IN UW AUTO De hoogteregeling werkt met de contactsleutel in de stand MAR en ingeschakelde dimlichten. MISTLAMPEN AFSTELLEN (voor bepaalde versies/markten) Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk voor controle en eventuele afstelling van de koplampen. Koplampverstelling VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN Druk op de of knop om in te stellen fig. 105. De ingestelde stand wordt op het display weergegeven.
ABS BELANGRIJK Het ABS is geïntegreerd in het remsysteem en voorkomt dat de wielen tijdens het remmen blokkeren, ongeacht de conditie van het wegdek en de druk die op het pedaal wordt uitgeoefend. Het ABS verhindert zo dat één of meerdere wielen doorslippen. Daardoor blijft de auto bestuurbaar, zelfs bij noodstops. Het geheel wordt aangevuld met het EBD-systeem (Electronic Braking Force Distribution) dat zorgt voor de verdeling van de remkracht tussen de vooren de achterwielen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 110 MSR (Motor Schleppmoment Regelung) Dit systeem is een onderdeel van het ABS systeem dat het motorkoppel regelt bij bruusk terugschakelen, om overmatige vertraging van de tractiewielen te voorkomen. Dit is vooral van nut op wegdekken met gebrekkige grip, waardoor de auto niet meer stabiel blijft.
HILL HOLDER Dit systeem is een onderdeel van het ESC systeem en helpt de bestuurder bij het wegrijden op een helling. Het Hill Holder systeem wordt in de volgende gevallen automatisch geactiveerd: ❒ op een helling: als de auto stilstaat op een afdalende weg van meer dan 5% met draaiende motor, ingetrapte rempedaal en de versnellingsbak in de vrijstand of met ingeschakelde versnelling (andere dan achteruit).
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN Inschakeling/uitschakeling van het ASR system Het ASR wordt automatisch ingeschakeld bij het starten van de motor. Tijdens het rijden kan het ASR uitgeschakeld en nadien weer ingeschakeld worden door op de knop ASR OFF te drukkenfig. 108. Wanneer het systeem wordt ingeschakeld, verschijnt er bij sommige versies een bericht op het display.
HBA SYSTEEM (Hydraulic Brake Assist) Het HBA-systeem is ontworpen om het remvermogen van de auto tijdens noodremmen te verbeteren. Het systeem detecteert het noodremmen door de snelheid en de kracht waarmee het rempedaal wordt ingetrapt te controleren, en derhalve de optimale remdruk toe te passen. Dit kan de remweg verkorten en dus vormt het HBA-systeem een aanvulling op het ABS. Er wordt maximale assistentie van het HBA-systeem verkregen als het rempedaal zeer snel wordt ingetrapt.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 114 DST-SYSTEEM (Dynamic Steering Torque of stuurcorrectiesysteem) ERM ELECTRONIC ROLLOVER MITIGATION SYSTEM (Electronic Rollover Mitigation) De DST-functie (stuurcorrectie) gebruikt de integratie van het ESC-systeem in de elektrische stuurbekrachtiging om het veiligheidsniveau van de gehele auto te verhogen.
TRACTION PLUS SYSTEEM Storing Traction Plus systeem (voor bepaalde versies/markten) Als er een storing in het systeem optreedt, gaat het lampje ESC op het instrumentenpaneel continu branden. Traction Plus is een rijhulpmiddel bij het wegrijden en optrekken op wegen met slechte grip (sneeuw, ijs, modder, enz.) dat de aandrijfkracht optimaal over de vooras verdeelt.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS START&STOP SYSTEEM HET SYSTEEM HANDMATIG INSCHAKELEN/UITSCHAKELEN INLEIDING Druk op knop fig. 110 (op het bedieningspaneel op het dashboard) om het systeem handmatig in of uit te schakelen. Het Start&Stop-systeem zet automatisch de motor af wanneer de auto stilstaat en start de motor zodra de bestuurder weer wil gaan rijden.
Versies met herconfigureerbaar multifunctioneel display: het symbool en een speciaal bericht verschijnen op het display wanneer het Start&Stop systeem wordt uitgeschakeld. De led boven de knop brandt wanneer het systeem is uitgeschakeld.
Opmerkingen WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 118 Als de bestuurder het koppelingspedaal niet intrapt, kan de motor, 3 minuten na het afzetten, alleen m.b.v. de contactsleutel worden gestart.
LANGDURIGE STILSTAND VAN DE AUTO Als de auto enige tijd niet gebruikt wordt (of als de accu wordt vervangen), moet speciale aandacht besteed worden aan het loskoppelen van de stroomvoorziening van de accu. Druk op knop A fig. 111 om stekker B los te maken van sensor C, deze sebsor bewaakt de status van de accu e bevindt zich op de minklem van de accu zelf.
CITY BRAKE CONTROL - "Collision Mitigation" SYSTEEM BELANGRIJK WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN (voor bepaalde versies/markten) BELANGRIJK Controleer alvorens de motorkap te openen of de motor is afgezet en of de contactsleutel in de stand STOP staat. Raadpleeg altijd het plaatje fig. 113 aan de binnenkant van de motorkap.Wij adviseren u om de contactsleutel uit het contactslot te halen als er andere mensen in de auto achterblijven.
Wanneer er risico op een botsing is, als de druk op het gaspedaal door de bestuurder onvoldoende is, kan het systeem ingrijpen om de reactie van het remsysteem te verbeteren, door de snelheid van het voertuig verder te verlagen. Bij het heuvel oprijden op een steile helling, kan het systeem ingrijpen, door het remsysteem te activeren.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS RIJDEN ONDER SPECIALE OMSTANDIGHEDEN Onder bepaalde rijomstandigheden, zoals bijvoorbeeld: ❒ rijden in de buurt van een bocht; ❒ voertuigen van kleine afmetingen en/of niet met de rijstrook uitgelijnd; ❒ andere voertuigen die van rijstrook veranderen; kan de activering van het systeem onverwachts of vertraagd zijn.
Andere voertuigen die van rijstrook veranderen BELANGRIJK Voertuigen die plotseling van rijstrook veranderen en op de rijstrook van de auto fig. 117 en binnen het werkingsbereik van de sensor komen, kunnen activering van het systeem veroorzaken. BELANGRIJK Het systeem is een ondersteuning voor de bestuurder die zijn aandacht tijdens het rijden miet mag laten verslappen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 124 De werking van de sensor kan ook in gevaar komen door de aanwezigheid van stof, condens, vuil of ijs op de voorruit, door verkeersomstandigheden (bijv.
Dek het werkingsbereik van de sensor niet af met stickers of andere voorwerpen. Let ook op andere zaken op de motorkap (bijv. een laag sneeuw) en zorg ervoor dat die niet interfereren met het licht dat uitgezonden wordt door de laser. Als er een aanhangwagen getrokken wordt of een auto gesleept, dan moet het systeem via het Setup Menu uitgeschakeld worden (zie paragraaf "Menuopties" in dit hoofdstuk). WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID BELANGRIJK BELANGRIJK De laserstraal is niet zichtbaar met het blote oog.
CAMERA ACHTER (PARKVIEW® WEGWIJS IN UW ACHTERUITRIJCAMERA) AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN (voor bepaalde versies/markten) De camera bevindt zich op de achterklepfig. 118. INSCHAKELING/UITSCHAKELING CAMERA Wanneer de achteruit wordt uitgeschakeld, wordt het beeld nog circa 10 seconden weergegeven, verdwijnt vervolgens en het scherm dat eerder actief was wordt weer getoond. Opmerking Het weergegeven beeld kan er iets vervormd uitzien.
SYMBOLEN EN MELDINGEN OP HET DISPLAY Wanneer weergegeven, toont het statische lijnenrooster de breedte van de auto. Het rooster toont afzonderlijke zones, waardoor de afstand ten opzichte van de achterkant van de auto gedetecteerd kan worden. In de volgende tabel worden de afstanden bij benadering voor elke zone getoond: Zone (referentie fig.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 128 Voor een correcte werking is het van extreem belang dat de camera altijd schoon en vrij van modder, vuil, sneeuw of ijs wordt gehouden. Zorg ervoor dat de camera tijdens het reinigen niet gekrast of beschadigd wordt.Vermijd het gebruik van droge, ruwe of harde doeken. De camera moet met schoon water worden gewassen, waaraan eventueel autoshampoo is toegevoegd.
ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING "DUALDRIVE" Dit systeem werkt alleen als de contactsleutel in de stand MAR staat en bij draaiende motor. Met de stuurbekrachtiging kan de bestuurder de benodigde kracht voor het verdraaien van het stuurwiel regelen in functie van de rijomstandigheden. BELANGRIJK Als de contactsleutel snel wordt gedraaid, is de complete werking van de stuurbekrachtiging reeds na 1-2 seconden beschikbaar.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 130 BELANGRIJK Tijdens parkeermanoeuvres die veel stuurbewegingen vereisen, kan het verdraaien van het stuurwiel zwaarder worden; dit is normaal en te wijten aan een ingreep van het systeem om de motor van de elektrische stuurbekrachtiging te beschermen tegen oververhitting. In dit geval zijn er geen reparatiewerkzaamheden nodig.
INBOUWVOORBEREIDING AUTORADIO (voor bepaalde versies/markten) De auto kan uitgerust zijn met een dubbel opbergvak fig. 121 in het dashboard. De inbouwvoorbereiding voor een autoradio bestaat uit: ❒ voedingskabels autoradio; ❒ 2 tweeters voor 38 mm, op de portierhandgreep; ❒ 2 mid-woofers 165 mm, op het portierpaneel; ❒ 2 full-range luidsprekers 165 mm, op het portierpaneel; ❒ vak voor autoradio; ❒ antenne (op dak). De radio kan gemonteerd worden op de plaats van vak A fig.
INBOUWVOORBEREIDING WEGWIJS IN UW LAVAZZA 500 ESPRESSO AUTO EXPERIENCE BELANGRIJK Gebruik het accessoire bij stilstaand voertuig. (voor bepaalde versies/markten) VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN De inbouwvoorbereiding bevindt zich in het achterste fleshoudervak, op de middelste tunnelfig. 123. Zie voor de werking van het Lavazza accessoire, dat besteld kan worden bij Lineaccessori Fiat, de bij de kit geleverde documenten. Zie voor de werking de bij de kit geleverde gebruikershandleiding.
OPTIONELE ACCESSOIRES Als men na aanschaf van het voertuig accessoires wil monteren die constante elektrische voeding nodig hebben (radio, diefstalalarm, satellietbewaking via GPS enz.) of veel stroom verbruiken, dient men contact op te nemen met het gespecialiseerde personeel van het Fiat Servicenetwerk.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN RADIOZENDAPPARATUUR EN MOBIELE TELEFOONS PARKEERSENSOREN Radiozendapparatuur (autotelefoons, CB-zenders e.d.) mag alleen in de auto worden gebruikt met een aparte antenne die aan de buitenkant is gemonteerd. Deze sensoren bevinden zich in de achterbumper fig. 125 en detecteren de aanwezigheid van obstakels achter het voertuig en waarschuwen de bestuurder met een intermitterend geluidssignaal.
GELUIDSSIGNAAL WERKING MET AANHANGER Wanneer de achteruitversnelling is ingeschakeld en er bevindt zich een obstakel achter de auto, klinkt er een geluidssignaal met een frequentie die varieert op basis van de afstand van het obstakel ten opzichte van de bumper.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 136 De volgende omstandigheden kunnen de werking van de parkeersensoren beïnvloeden: ❒ de aanwezigheid van ijs, sneeuw, modder of dikke verf kunnen leiden tot verminderde gevoeligheid van de sensoren en afname van de prestaties van het systeem. ❒ mechanische interferentie (bijv.
TANKEN Controleer het type brandstof alvorens te tanken. Zet ook de motor af alvorens te tanken. BENZINEMOTOREN Tank alleen loodvrije benzine met een octaangehalte van ten minste 95 RON. BELANGRIJK Een beschadigde katalysator veroorzaakt schadelijke uitlaatgassen, met luchtvervuiling tot gevolg. BELANGRIJK Vul de auto nooit, noch in noodgevallen noch in minimale hoeveelheid, met loodhoudende benzine bij. Zoniet kan de katalysator onherstelbaar beschadigd worden.
TANKCAPACITEIT WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER Om de tank volledig te vullen, kan men twee keer bijvullen nadat het tankpistool is afgeslagen. Meer bijvullen kan storingen in het brandstoftoevoersysteem veroorzaken. De klep A fig. 126 is voorzien van een stofkap C die bij gesloten klep de rand van de vulopening beschermt tegen de afzetting van vuil en stof.
Tanken in een noodgeval WEGWIJS IN UW AUTO Ga voor het tanken als volgt te werk als er geen brandstof in de tank meer is of als het brandstofcircuit volledig leeg is: ❒ open de achterklep en neem de adapter A uit de gereedschapshouder (versies met ruimtebesparend reservewiel - voor bepaalde versies/markten) fig. 127 of uit de Fix&Go Automatic kit (versies met Fix&Go Automatic) fig. 128; ❒ trek aan de tankklep A fig. 126 om hem te openen; ❒ steek de adapter in de vulopening zoals aangegeven in fig.
MILIEUBESCHERMING BELANGRIJK WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID BELANGRIJK Monteer geen voorwerp/dop op de rand van de vulopening die niet geschikt is voor het voertuig. Het gebruik van voorwerpen/ doppen van het verkeerde type kan de druk in de tank doen toenemen, waardoor gevaarlijke situaties kunnen ontstaan.
De regeneratie wordt automatisch geregeld door de elektronische motorregeleenheid naargelang de conditie van het roetfilter en de gebruiksomstandigheden van de auto. Tijdens de regeneratie kan er een beperkte toename van het stationair motortoerental zijn, kan de ventilator geactiveerd worden, kan de rookuitstoot beperkt toenemen en kunnen er hoge temperaturen bij de uitlaat worden waargenomen. Dit is normaal en heeft geen negatieve invloed op de normale rijeigenschappen van het voertuig en op het milieu.
VEILIGHEID WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEIDSGORDELS VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS De veiligheidsgordel moet omgelegd worden terwijl men goed rechtop, met de rug tegen de rugleuning zit. Pak, om de gordel om te leggen, de gesp A fig. 130 en steek deze in de sluiting B, totdat de klik van het vergrendelen wordt gehoord. Als tijdens het uittrekken de gordel blijft blokkeren, laat hem dan een stukje teruglopen en trek hem vervolgens langzaam uit.
De achterbank is voorzien van driepuntsveiligheidsgordels met rolautomaat. Leg de achterste veiligheidsgordels om zoals getoond in fig. 131. BELANGRIJK Onthoud dat passagiers op de achterbank die geen gordel dragen bij een heftige botsing blootgesteld worden aan een groot risico en bovendien een gevaar opleveren voor de inzittenden voorin.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 144 BESTUURDER Als de bestuurder de enige inzittende is en de gordel niet is omgelegd, dan wordt bij het overschrijden van 20 km/u of wanneer langer dan 5 seconden met een snelheid van 10 à 20 km/u wordt gereden een akoestische waarschuwingscyclus (voorstoelen) gestart, met een 6 seconden durend geluidssignaal gevolgd door een extra biepsignaal van 90 seconden.
BELANGRIJK De gordelspanner kan slechts één maal gebruikt worden. Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk om hem te laten vervangen nadat hij in werking is getreden. Werkzaamheden die leiden tot stoten, trillingen of plaatselijke verhitting in de zone rondom de gordelspanners (meer dan 100°C gedurende ten hoogste 6 uur) kunnen de gordelspanners beschadigen of in werking doen treden.Wendt u zich tot het Fiat Servicenetwerk voor eventuele werkzaamheden aan deze componenten.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 146 BELANGRIJK Voor maximale bescherming moet de rugleuning rechtop gezet worden, moet men goed tegen de rugleuning aanzitten en moet de gordel goed aansluiten op de borst en het bekken.
BELANGRIJK Nadat een gordel aan een zware belasting is blootgesteld (bijvoorbeeld bij een ongeval), moet de gordel compleet met de verankeringen, bevestigingsschroeven en de gordelspanner worden vervangen. Ook als er geen zichtbare schade is, kan de gordel toch verzwakt zijn.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 148 KINDEREN VEILIG VERVOEREN Om een optimale bescherming bij een ongeval te kunnen garanderen, moeten alle inzittenden zitten en gebruik maken van goedgekeurde beveiligingssystemen, ook pasgeborenen en kinderen! Dit is een wettelijke verplichting in alle EU-landen, conform de Europese richtlijn 2003/20/EC.
BELANGRIJK ZEER GEVAARLIJK: plaats NOOIT een kinderzitje tegen de rijrichting in op de passagiersstoel van auto's met een actieve passagiersairbag. Bij een ongeval, hoe klein ook, kan de airbag ernstig letsel en zelfs de dood van het kind tot gevolg hebben. Het wordt geadviseerd kinderen altijd in kinderzitjes op de achterbank te vervoeren, bij een ongeval biedt de achterbank de meeste bescherming in geval van een ongeval.
"UNIVERSEEL" KINDERZITJE WEGWIJS IN UW MONTEREN (met de AUTO veiligheidsgordels) GROEP 0 en 0+ VEILIGHEID BELANGRIJK STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER De afbeelding dient slechts ter illustratie van de montage. Monteer het kinderzitje overeenkomstig de aanwijzingen, die de fabrikant verplicht moet bijsluiten voor dit type veiligheidssysteem. GROEP 1 BELANGRIJK De afbeelding dient slechts ter illustratie van de montage.
Kinderen met een gewicht van 9 tot 18 kg mogen in een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje vervoerd worden fig. 137. BELANGRIJK Er zijn kinderzitjes met Isofix bevestigingen beschikbaar, waarmee het zitje veilig aan de stoel verankerd kan worden zonder de veiligheidsgordels van de auto te gebruiken. Zie voor dit type zitjes paragraaf "Inbouwvoorbereiding Isofix kinderzitje" in dit hoofdstuk. GROEP 2 WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK De afbeelding dient slechts ter illustratie van de montage.
GROEP 3 WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN BELANGRIJK De afbeelding dient slechts ter illustratie van de montage. Monteer het kinderzitje overeenkomstig de aanwijzingen, die de fabrikant verplicht moet bijsluiten voor dit type veiligheidssysteem. Voor kinderen met een gewicht tussen 22 en 36 kg bestaan er geschikte beveiligingssystemen om de veiligheidsgordel correct te kunnen omleggen. NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER fig.
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN HET UNIVERSELE KINDERZITJE In overeenstemming met de Europese Richtlijn 2000/3/EG is de geschiktheid van elke passagiersstoel voor de montage van universele kinderzitjes in de volgende tabel weergegeven: versies met 5 zitplaatsen Passagiers achterin aan de zijkanten Gewichtsgroep Voorpassagier Passagier achterin in het midden tot 13 kg U X U Groep 1 9-18 kg U X U Groep 2 15-25 kg U X U Groep 3 22-36 kg U X U Groep Groep 0, 0+ U = G
versies met 7 zitplaatsen (voor bepaalde versies/markten) WEGWIJS IN UW AUTO Groep Groep 0, 0+ VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 154 Gewichtsgroep Voorpassagier 2e rij achter middelste passagier 2e rij achter passagier zijkant 3e rij achter passagiers zijkant (*) tot 13 kg U X U X Groep 1 9-18 kg U X U UF (**) Groep 2 15-25 kg U X U UF (**) Groep 3 22-36 kg U X U UF (**) (*) = Voor bepaal
ISOFIX-KINDERZITJE WEGWIJS IN UW AUTO De auto is uitgerust met ISOFIX verankeringspunten, een nieuwe standaard dat het monteren van een kinderzitje snel, eenvoudig en veilig maakt. Isofix kinderzitjes en Universele kinderzitjes kunnen in dezelfde auto op verschillende stoelen worden gemonteerd. Ter illustratie is een Isofix Universeel-kinderzitje voor gewichtsgroep 1 weergegeven in fig. 134. fig.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN MONTAGE UNIVERSEEL ISOFIX KINDERZITJE Maak het kinderzitje vast aan de twee metalen verankeringspunten A fig. 141 die tussen de rugleuning en de zitting van de achterbank zitten, maak dan de bovenste gordel (geleverd bij het kinderzitje) vast aan het verankeringspunt B fig. 142 die onderaan achter de rugleuning zit. Bij Isofix Universeel-kinderzitjes moeten alle zitjes goedgekeurd zijn volgens de ECE R44-richtlijn (R44/03 of hoger) “Universeel Isofix".
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR GEBRUIK VAN HET ISOFIX UNIVERSEEL KINDERZITJE In de onderstaande tabel worden, conform de Europese regelgeving ECE 16, de verschillende mogelijkheden weergegeven van de montage van Universeel Isofix kinderzitjes op de stoelen die zijn uitgerust met Isofix-beugels.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID KINDERZITJES VOOR UW 500L Lineaccessori MOPAR ® omvat een volledige reeks kinderzitjes die door Fiat worden aanbevolen en die in het voertuig bevestigd kunnen met behulp van de driepuntsveiligheidsgordel voor volwassenen of de Isofix verankeringen.
Gewichtsgroep Kinderzitjes Type kinderzitje Fair G0/1S ISOFIX Goedkeuringsnummer: E4 04443718 Fiat bestelcode voor Midden en Zuid-Europa: 71806647 Fiat bestelcode voor Noord-Europa: 71806649 Fiat bestelcode voor Oost-Europa: 71806650 + Dit moet gemonteerd worden tegen de rijrichting in met behulp van het Isofix-platform, type "L", speciaal voor de 500L, de Isofix verankeringen van de auto en de aanbevolen CRS-hoofdsteun, afgebeeld aan de linkerkant.
WEGWIJS IN UW AUTO Gewichtsgroep Kinderzitjes Type kinderzitje Britax Safefix TT Goedkeuringsnummer: E1 04301199 Fiat bestelcode: 71805956 VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Groep 1 – van 9 tot 18 kg LAMPJES EN BERICHTEN Britax Roemer Duo Plus Goedkeuringsnummer: E1 04301133 Fiat bestelcode: 71803161 NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 160 Groep 2 – 3 van 15 kg tot 36 kg Fair Junior Fix Goedkeuringsnummer: E4 04443721 Fiat bestelcode: 71806570 Installatie kinderzit
BELANGRIJK Monteer het kinderzitje overeenkomstig de aanwijzingen, die de fabrikant verplicht moet bijsluiten voor dit type veiligheidssysteem. Belangrijke aanbevelingen voor het veilig vervoeren van kinderen: ❒ Monteer kinderzitjes altijd op de achterbank, omdat die plaats bij een ongeval de meeste bescherming biedt. ❒ Houd kinderen zo lang mogelijk in kinderzitjes tegen de rijrichting in, tot ze 3-4 jaar zijn.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN AIRBAG De auto is uitgerust met frontairbags voor bestuurder en passagier, knieairbag voor de bestuurder (voor bepaalde versies/markten), zijairbags voor bestuurder en passagier voor bescherming van bekken, borst en schouders (voor bepaalde versies/markten) en hoofdairbags voor het beschermen van de hoofden van de inzittenden voor- en achterin.
BELANGRIJK BELANGRIJK Breng geen stickers of andere voorwerpen op het stuurwiel, op het dashboard in de zone van de passagiersairbag, op de zijkant van de dakbekleding en op de stoelen aan. Plaats nooit voorwerpen (bijv. mobiele telefoons) op het dashboard aan passagierszijde, omdat deze het correct openen van de passagiersairbag kunnen hinderen en tevens de inzittenden ernstig kunnen verwonden.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN BELANGRIJK ZEER GEVAARLIJK: Plaats NOOIT een kinderzitje tegen de rijrichting in op de passagiersstoel van auto's met een actieve passagiersairbag. Bij een ongeval, hoe klein ook, kan de airbag ernstig letsel en zelfs de dood van de baby tot gevolg hebben. Daarom moet de passagiersairbag altijd uitgeschakeld worden als een kinderzitje tegen de rijrichting in gemonteerd wordt op de voorste passagiersstoel.
Knieairbag bestuurderszijde (voor bepaalde versies/markten) Deze airbag zit in een speciale ruimte onder het dashboard achter een speciaal deksel fig. 146. Deze biedt extra bescherming in het geval van een frontale botsing.
FRONTAIRBAG PASSAGIER EN KINDERZITJES:WAARSCHUWING WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 166 fig.
ZIJAIRBAGS (Zijairbag (voor bepaalde versies/markten) en hoofdairbag) WEGWIJS IN UW AUTO Om de bescherming van de inzittenden in geval van een flankbotsing te vergroten, is de auto uitgerust met in de stoel gemonteerde zijairbags (voor bepaalde markten/versies) en hoofdairbag. VEILIGHEID Zijairbags (voor bepaalde versies/markten) STARTEN EN RIJDEN Deze bestaan uit twee soorten kussens die zich in de rugleuning van de voorstoelen bevinden fig.
Hoofdairbag WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN Deze bestaat uit een "gordijnairbag" die zich achter de dakbekleding aan de zijkant bevindt en fig. 149 afgedekt is met speciale afwerkingselementen. Dit type airbag is ontworpen om het hoofd van de inzittenden voorin en achterin te beschermen bij flankbotsingen, dankzij het grote oppervlak dat in opgeblazen toestand wordt beslagen. Bij lichte flankbotsingen is het opblazen van de hoofdairbags niet vereist.
Gordelspanners en airbags worden op verschillende manieren geactiveerd, afhankelijk van het type botsing. Als een of meerdere van deze voorzieningen niet in werking treden, dan duidt dat niet op een storing in het systeem. BELANGRIJK Bedek bij voertuigen met zijairbags de rugleuning van de voorstoelen niet met extra hoezen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 170 BELANGRIJK Als de contactsleutel in stand MAR staat of wanneer de motor is uitgezet, kunnen de airbags ook geactiveerd worden als de auto door een andere auto wordt aangereden. Daarom, ook als de auto stilstaat, en de passagiersairbag is ingeschakeld, GEEN tegen de rijrichting in gemonteerd kinderzitje op de voorstoel installeren.
BELANGRIJK De airbag vervangt niet de veiligheidsgordels, maar verhoogt hun doeltreffendheid Omdat de frontairbags niet worden geactiveerd bij frontale botsingen bij lage snelheden, zijdelingse botsingen, botsingen achterop en over de kop slaan, worden in deze gevallen de inzittenden uitsluitend door de zijairbags en de veiligheidsgordels beschermd, die dus altijd gedragen moeten worden.
STARTEN EN RIJDEN WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 172 DE MOTOR STARTEN Starten van de motor bij 0.9 TwinAir 105 pk versies STARTPROCEDURE VOOR BENZINEVERSIES (uitgezonderd 0.
STARTPROCEDURE VOOR DIESELVERSIES Ga als volgt te werk: ❒ trek de handrem aan en zet de versnellingsbak in de vrijstand; ❒ draai de contactsleutel naar MAR-ON: de en op het waarschuwingslampjes instrumentenpaneel gaan branden; ❒ wacht tot de waarschuwingslampjes en doven; ❒ trap het koppelingspedaal volledig in zonder het gaspedaal aan te raken; ❒ draai de contactsleutel naar AVV zodra het waarschuwingslampje dooft. Als te lang wordt gewacht, is het werk van de voorgloeibougies tevergeefs.
WEGWIJS IN UW AUTO Wij adviseren om gedurende de beginperiode niet de maximale prestaties van de auto te eisen (b.v. snel accelereren, lange afstanden op topsnelheid, krachtig remmen etc.). VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN Laat de contactsleutel nooit in de stand MAR-ON staan als de motor is afgezet, zodat de accu niet onnodig wordt ontladen. Probeer de motor nooit te starten door de auto te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden.
PARKEREN HANDREM Ga als volgt te werk: ❒ zet de motor af en trek de handrem aan; ❒ schakel een versnelling in (eerste als opwaarts wordt geparkeerd en achteruit als neerwaarts wordt geparkeerd) en laat de voorwielen iets gedraaid. Als de auto op een steile helling wordt geparkeerd, is het raadzaam om de wielen met wiggen of stenen te blokkeren. Laat de sleutel niet in het contactslot zitten om te voorkomen dat de accu ontlaadt. De handrem bevindt zich tussen de voorstoelen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN Bij aangetrokken handrem en contactsleutel in de stand MAR, gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden. Ga als volgt te werk om de handrem uit te schakelen: ❒ trek de hendel iets omhoog en druk op de ontgrendelknop B; ❒ houd knop B ingedrukt en breng de hefboom naar beneden: het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat uit.
Voor de 1.6 16V MultiJet versie: om de achteruitversnelling in te schakelen vanuit de vrijstand, de ring A fig. 151 onder de knop naar boven trekken en tegelijkertijd de versnellingspook naar links en vervolgens naar voren verplaatsen. Om de 6e versnelling in te schakelen (voor bepaalde versies/markten), de versnellingspook gedecideerd naar rechts zetten om te voorkomen dat de 4e versnelling per ongeluk wordt ingeschakeld. Hetzelfde geldt bij het schakelen van de 6e naar de 5e versnelling.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID BRANDSTOFBESPARING Stroomverbruikers Hier volgen enkele nuttige tips om brandstof te besparen en de uitstoot van schadelijke emissies zoveel mogelijk te beperken. Gebruik alleen elektrische apparatuur voor de noodzakelijke tijdsduur. De achterruitverwarming, de verstralers, de ruitenwissers voor/achter en de aanjager van het ventilatie-/verwarmingssysteem nemen veel stroom op, waardoor het brandstofverbruik toeneemt (tot 25% in stadsverkeer).
Overbodige handelingen Trap het gaspedaal niet in wanneer men voor een stoplicht stil staat of alvorens de motor af te zetten. Deze handeling is bij moderne auto's net als het overschakelen met tussengas nutteloos. Het verhoogt alleen het brandstofverbruik en de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. Keuze van de versnellingen Schakel een hogere versnelling in zodra de verkeersen wegomstandigheden dit toelaten. Snel accelereren met een lage versnelling verhoogt het brandstofverbruik.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 180 AANHANGERS TREKKEN BELANGRIJKE OPMERKINGEN Voor het trekken van aanhangers of caravans moet de auto zijn voorzien van een goedgekeurde trekhaak en een geschikte elektrische installatie. De montage moet door een vakspecialist worden uitgevoerd. Monteer eventuele speciale en/of extra achteruitkijkspiegels conform de wegenverkeerswetgeving.
MONTAGE VAN DE TREKHAAK Installatieschema voor basisversies fig. 152 Laat de trekhaak door gespecialiseerd personeel aan de carrosserie monteren, in overeenstemming met de extra en/of aanvullende aanwijzingen van de fabrikant van de trekhaak. De trekhaak moet voldoen aan de huidige richtlijn 94/20/EC en latere wijzigingen. Voor elke versie moet een trekhaak worden gebruikt die geschikt is voor het maximale trekgewicht van het voertuig waarop de trekhaak wordt gemonteerd.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 182 fig.
Installatieschema voor Trekking-versies fig. 153 De trekhaakstructuur moet bevestigd worden in de punten getoond in de figuur, met een totaal van 8 bevestigingspunten aan de carrosserie. BELANGRIJK Na montage moeten de schroefgaten worden afgedicht om het binnendringen van uitlaatgassen te voorkomen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 184 fig.
WINTERBANDEN De winterbanden moeten dezelfde maat hebben als de standaard geleverde banden. Het Fiat Servicenetwerk kan u raad geven over de meest geschikte band voor elk gebruik. Voor de bandenmaat en de bandenspanning van de winterbanden moet men zich exact houden aan de aanwijzingen die zijn aangegeven in de paragraaf “Wielen” in het hoofdstuk “Technische gegevens”. De specifieke eigenschappen van winterbanden verminderen drastisch wanneer de profieldiepte minder is dan 4 mm.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 186 SNEEUWKETTINGEN Het gebruik van sneeuwkettingen moet aan de plaatselijke voorschriften voldoen. Sneeuwkettingen mogen alleen op de banden van de voorwielen (aandrijfwielen) gemonteerd worden. Controleer de spanning van de sneeuwkettingen na enkele tientallen meters rijden. Op 17"-banden kunnen geen kettingen gemonteerd worden.
DE AUTO LANGDURIG STALLEN Tref de volgende voorzorgsmaatregelen als de auto langer dan een maand niet gebruikt zal worden: ❒ zet de auto in een overdekte, droge en indien mogelijk goed geventileerde ruimte en zet de ruiten iets open; ❒ schakel een versnelling in en controleer of de handrem niet is aangetrokken; ❒ maak de minklem van de accu los (zie voor versies met het Start&Stop systeem de paragraaf "Start&Stop systeem" in het hoofdstuk "Kennismaking met de auto"); als de accu niet van de elektrische inst
WEGWIJS IN UW AUTO LAMPJES EN BERICHTEN LAMPJES EN BERICHTEN VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 188 ALGEMENE WAARSCHUWINGEN De controlelampjes gaan branden en er verschijnt een speciaal bericht en/of er klinkt een geluidssignaal, wanneer van toepassing.
HANDREM INGESCHAKELD Door de contactsleutel in de stand MAR te draaien, gaat het lampje branden. Enkele seconden na het starten van de motor moet dit lampje doven. Het lampje (of symbool op de display) gaat branden wanneer de handrem wordt ingeschakeld. Als de auto in beweging is, wordt ook een geluidssignaal voortgebracht. BELANGRIJK Controleer of de handrem is ingeschakeld als het lampje tijdens het rijden gaat branden.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 190 BELANGRIJK Als het lampje niet gaat branden als de sleutel op de stand MAR wordt gedraaid of als het tijdens het rijden blijft branden, kan er een probleem zijn met het airbagsysteem. In dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in een zeer beperkt aantal gevallen, op verkeerde wijze geactiveerd worden.
VEILIGHEIDSGORDELS NIET OMGELEGD (rood) (voor bepaalde versies/markten) Het lampje gaat continu branden wanneer bij stilstaande auto de veiligheidsgordel aan bestuurdersen passagierszijde (indien een passagier aanwezig is) niet is omgelegd. Wanneer met de auto wordt gereden met niet goed omgelegde veiligheidsgordels, dan gaat het lampje knipperen en klinkt er een geluidssignaal.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 192 2. Motorolie verslechterd (alleen dieselmotoren met DPF) Het lampje knippert en er verschijnt een speciaal bericht op het display (voor bepaalde versies/ markten).
KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR TE HOOG (rood) Door de contactsleutel in de stand MAR-ON te draaien, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Enkele seconden na het starten van de motor moet dit lampje doven. Het lampje gaat branden (bij sommige versies verschijnen er een bericht en een symbool op het display) als de motor oververhit raakt.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 194 BRANDSTOFRESERVE – BEPERKTE ACTIERADIUS (geel) Dit lampje gaat branden wanneer er nog circa 6 tot 8 liter brandstof in de tank is. Wanneer het bereik minder is dan ongeveer 50 km (of het equivalent in mijl) is, verschijnt bij sommige versies een waarschuwingsbericht op het display. BELANGRIJK Het lampje knippert om te wijzen op een storing in het systeem.
STORING ESP-SYSTEEM (geel) STORING FIAT CODE SYSTEEM (geel) (voor bepaalde versies/markten) (voor bepaalde versies/markten) Door de contactsleutel in de stand MAR-ON te draaien, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Enkele seconden na het starten van de motor moet dit lampje doven. Als het lampje continu blijft branden en niet dooft (bij sommige versies verschijnen er een bericht en een symbool op het display), neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 196 STORING VOORGLOEISYSTEEM Tijdens het rijden Het lampje knippert (en bij sommige versies verschijnen er een bericht en een symbool op het display) om een storing in het voorgloeisysteem aan te geven. Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk om de storing zo spoedig mogelijk te verhelpen.
CRUISE CONTROL (groen) (voor bepaalde versies/markten) Wanneer de contactsleutel in de stand MAR wordt gedraaid, gaat dit lampje branden. Het moet doven kort nadat de motor is gestart als de cruise control uitgeschakeld is. Het lampje gaat branden wanneer de draaiknop van de cruise control in de stand wordt gedraaid (zie de paragraaf “Cruise Control” in het hoofdstuk "Kennismaking met de auto"); Bij sommige versies verschijnt er een speciaal bericht op het display.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 198 Het lampje zal niet bij elk DPF-regeneratieproces branden, maar alleen als de rijomstandigheden van die aard zijn dat de bestuurder hiervan op de hoogte zou moeten zijn. Het voertuig moet in beweging blijven tot het regeneratieproces voltooid is, pas dan dooft het lampje. Een regeneratieproces duurt gemiddeld 15 minuten.
❒ stadslicht; ❒ richtingaanwijzers; ❒ mistachterlicht ❒ achteruitrijlichten; ❒ kentekenverlichting; ❒ remlichten (alleen versies met multifunctioneel display). De storing kan de volgende oorzaken hebben: een of meer lampen doorgebrand, de betreffende zekering(en) doorgebrand of elektrische verbinding onderbroken.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN Storing schemersensor (voor bepaalde versies/markten) STADLICHT EN DIMLICHT (groen)/FOLLOW ME HOME (groen) Het lampje gaat branden (en er verschijnt een melding op de display) wanneer een storing in de schemersensor wordt vastgesteld. STADSLICHT EN DIMLICHT Storing oliedruksensor Het lampje gaat branden wanneer het stadslicht/ dimlicht wordt ingeschakeld.
RECHTER RICHTINGAANWIJZER (groen) (knipperend) Het lampje gaat branden wanneer de richtingaanwijzerhendel omhoog wordt verplaatst of, samen met de linker richtingaanwijzer, wanneer de drukknop voor de alarmknipperlichten wordt ingedrukt. ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING “DUALDRIVE” AAN (groen) Het opschrift CITY verschijnt (bij sommige versies verschijnt een pictogram op de display) als de elektrische stuurbekrachtiging “dualdrive” wordt ingeschakeld.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Start&Stop systeem uitschakelen ❒ Versies met herconfigureerbaar multifunctioneel display: wanneer het Start&Stop systeem wordt uitgeschakeld, verschijnt een melding op de display. ❒ Versies met herconfigureerbaar multifunctioneel display: het symbool en een speciaal bericht verschijnen op het display wanneer het Start&Stop systeem wordt uitgeschakeld. De led boven de knop brandt wanneer het systeem is uitgeschakeld.
NOODGEVALLEN Wij adviseren om in een noodsituatie het gratis telefoonnummer te bellen dat in het garantieboekje is vermeld. U kunt zich ook verbinden met de site www.fiat.com om de dichtstbijzijnde dealer van het Fiat Servicenetwerk te zoeken. Ga als volgt te werk om te starten: DE MOTOR STARTEN ❒ verbind de plusklemmen (+ teken bij de klem) van beide accu’s met een startkabel fig.
WEGWIJS IN UW AUTO Gebruik nooit een accusnellader om de motor te starten, aangezien deze de elektronische systemen kan beschadigen, met name de regeleenheden van de ontsteking en de inspuiting. VEILIGHEID BELANGRIJK STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 204 Deze procedure moet door ervaren personeel verricht worden, aangezien verkeerde handeldingen elektrische ontladingen van aanzienlijke kracht kunnen veroorzaken.
BELANGRIJK Het ruimtebesparend reservewiel (voor bepaalde versies/markten) is specifiek voor de auto; monteer het niet op andere auto’s en monteer ook geen reservewielen van andere auto’s. Gebruik het ruimtebesparend reservewiel alleen in noodgevallen. Het ruimtebesparend noodreservewiel mag alleen voor korte afstanden gebruikt worden en mag niet bij hogere snelheden dan 80 km/h worden gebruikt.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 206 BELANGRIJK Gebruik de krik uitsluitend voor het opkrikken van het voertuig waarbij de krik geleverd is. Gebruik de krik niet voor andere doeleinden, zoals het opkrikken van andere voertuigen. Gebruik de krik nooit voor het uitvoeren van reparaties onder het voertuig. Als de krik niet op de juiste wijze geplaatst wordt, kan het voertuig naar beneden vallen.
❒ draai met sleutel A fig. 157 de wielbouten ongeveer één slag los. Bij versies met lichtmetalen velgen, het voertuig schudden om het loskomen van de velg te vergemakkelijken. ❒ neem wig A uit de gereedschapshouder en open deze zoals aangegeven in fig. 158; WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN fig. 155 F0Y0083 fig. 157 F0Y0093 ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER fig. 156 F0Y0096 fig.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN ❒ leg de wig achter het wiel diagonaal tegenover het wiel dat vervangen moet worden (zie fig. 159) om te voorkomen dat het voertuig gaat bewegen als het wordt opgekrikt; ❒ plaats de krik onder de auto, nabij het te verwisselen wiel; ❒ plaats sleutel A fig.
❒ haal de bout enkele slagen aan en doe hetzelfde bij de andere bouten; ❒ neem sleutel A fig. 157 en draai de wielbouten volledig vast; ❒ draai aan de slinger van de krik D om de auto omlaag te brengen. Verwijder de krik; ❒ gebruik sleutel A om de wielbouten kruiselings vast te draaien, in de volgorde die is aangegeven in fig. 161; ❒ het is raadzaam om bij vervanging van een wiel met lichtmetalen velg het wiel met het versierde gedeelte naar boven gericht te plaatsen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ❒ draai de 5 wielbouten helemaal vast met de bijgeleverde sleutel in de aangegeven volgorde; ❒ monteer het wieldeksel weer, vergeet niet de 3 kunststof pennen in de daarvoor bedoelde zittingen op het wiel te plaatsen. Oefen een licht druk uit op het deksel om te voorkomen dat de kunststof pennen beschadigd raken. BELANGRIJK Indien verkeerd gemonteerd, kan het wieldeksel loskomen tijdens het rijden.
❒ informatiefolder (zie fig. 165), voor een correct gebruik van de snelle bandenreparatiekit, die vervolgens overhandigd moet worden aan het personeel dat de band behandeld met FIX&GO moet repareren; ❒ een paar beschermende handschoenen in het zijvak van de compressor; ❒ adapters voor het oppompen van verschillende elementen. WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK Het afdichtmiddel werkt bij buitentemperaturen tussen –20 °C en +50 °C. Het afdichtmiddel heeft een houdbaarheidsdatum.
WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK Overhandig de informatiefolder aan het personeel dat de band zal repareren die behandeld is met de bandenreparatiekit. VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 212 Als de band door vreemde voorwerpen lek is gelaakt, kan de kit gebruikt worden voor beschadigingen in het loopvlak of de schouder met een diameter van maximaal 4 mm.
BELANGRIJK Het busje bevat ethyleenglycol. Bevat latex: kan een allergische reactie veroorzaken. Schadelijk bij inslikken. Irriterend voor de ogen. Kan irritatie veroorzaken bij inademing of contact.Vermijd contact met huid, ogen en kleding. Spoel bij contact onmiddellijk uit met rijkelijk water.Vermijd braken bij inslikken. Spoel de mond uit, drink veel water en raadpleeg onmiddellijk een arts. Houd buiten het bereik van kinderen. Het product mag niet gebruikt worden door astmapatiënten.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN ❒ controleer of de schakelaar A fig. 167 van de compressor in stand 0 (uit) staat, start de motor, steek de stekker in het stopcontact op de tunnelconsole of in de bagageruimte (voor bepaalde versies/markten) fig. 168 en schakel de compressor in, door de schakelaar A in stand I (aan) te zetten. Pomp de band op tot de juiste bandenspanning, vermeld in de paragraaf "Bandenspanning" in het hoofdstuk "Technische gegevens", is bereikt.
BELANGRIJK Breng de sticker op een voor de bestuurder goed zichtbare plaats aan, om eraan te herinneren dat de band behandeld is met de snelle bandenreparatiekit. Rijd voorzichtig, met name in bochten. Rijd niet harder dan 80 km/h.Vermijd bruusk accelereren en remmen. ❒ stop na ongeveer 10 minuten en controleer opnieuw de bandenspanning; trek de handrem aan; Volg voor de veiligheid van de geparkeerde auto de aanwijzingen in de paragraaf "Parkeren" in het hoofdstuk "Starten en rijden".
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID BANDENSPANNING CONTROLEREN EN HERSTELLEN De compressor kan ook gebruikt worden voor het controleren en eventueel herstellen van de bandenspanning. Maak de snelkoppeling A fig. 169 los en verbind deze rechtstreeks met de ventieldop van de op te pompen band. BUSJE MET AFDICHTMIDDEL VERVANGEN Ga als volgt te werk: ❒ maak de snelkoppeling A fig.
EEN LAMP VERVANGEN ALGEMENE INSTRUCTIES ❒ Controleer alvorens een lamp te vervangen of de contacten zijn geoxideerd; ❒ vervang defecte lampen door exemplaren van hetzelfde type en vermogen; ❒ controleer na vervanging van een lamp in de koplamp altijd of de koplamp goed is afgesteld; ❒ als een lamp niet werkt, controleer dan of de betreffende zekering is doorgebrand alvorens de lamp te vervangen.
TYPEN LAMPEN WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN De auto is uitgerust met verschillende typen gloeilampen: Volglas lampen: (type A) klemmontage. Trek om te verwijderen. Lamp met bajonet-sluiting: (type B) druk de lamp ietwat in en draai linksom om hem uit de houder te verwijderen. LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG Buislampen: (type C) trek de lamp uit de veercontacten om hem te verwijderen.
Lampen Gebruik Type Vermogen Ref.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN BUITENLAMPEN VERVANGEN RICHTINGAANWIJZERS Voor het type lamp en het vermogen, zie paragraaf “Een lamp vervangen". Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ verwijder het deksel A fig. 171; ❒ draai de lamphouder B fig.
DIMLICHT ONDERSTE KOPLAMPUNITS Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ verwijder het deksel B fig. 171; ❒ maak het samenstel stekker + lamphouder C fig. 173 los, door deze naar buiten te trekken; ❒ verwijder lamp D uit stekker E en vervang hem; ❒ monteer de nieuwe lamp in de stekker, controleer of hij goed vast zit; ❒ monteer het samenstel stekker + lamphouder C weer in zijn zitting; ❒ monteer het deksel B fig. 171.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN GROOTLICHT STADSLICHT/DAGVERLICHTING (DRL) Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ draai het wiel helemaal naar binnen; ❒ draai de schroeven A fig. 175 los en verwijder de klep B; ❒ verwijder het deksel C fig. 174; ❒ maak het samenstel stekker + lamphouder D fig.
FLANKRICHTINGAANWIJZERS Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ druk op het lampenglas A fig. 178 om de inwendige borgveer B fig. 179 in te drukken en trek de lichtunit naar buiten; ❒ draai de lamphouder C linksom, verwijder de lamp D en vervang hem; ❒ monteer de lamphouder C in het lampenglas A en draai hem rechtsom; ❒ monteer de lichtunit zodat de inwendige borgveer B goed vastzit. WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN fig.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN MISTLAMPEN (voor bepaalde versies/markten) ACHTERLICHTUNITS Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ draai het wiel helemaal naar binnen; ❒ draai de schroeven A fig. 180 los en verwijder de klep B; ❒ druk op de veer C fig.
❒ maak de elektrische stekker los, draai de bevestigingsschroeven E fig. 186 los en verwijder het lamphoudersamenstel; ❒ vervang de betreffende lamp: F = richtingaanwijzers, G = stadslicht/remlichten fig. 187. WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN fig. 182 F0Y0149 fig. 184 F0Y0258 ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER fig. 183 F0Y0150 fig.
VASTE ACHTERLICHTUNITS WEGWIJS IN UW AUTO Hierin zitten de lampen voor de mistachterlichten (linkerkant) en de lampen voor de achteruitlichten (rechterkant). VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ open de bagageruimte, verwijder de sierlijst, draai de vier bevestigingsbouten A fig. 188 los en verwijder lichtunit B; ❒ maak de elektrische stekker los en draai de lamphouder C linksom fig.
DERDE REMLICHT WEGWIJS IN UW AUTO Het derde remlicht zit in de achterklep verwerkt en bestaat uit led lampjes. Neem voor het vervangen contact op met het Fiat Servicenetwerk. KENTEKENVERLICHTING VEILIGHEID Ga als volgt te werk om een lamp te vervangen: ❒ verwijder lampenglas A fig. 190; ❒ verwijder de lamp B fig. 191 uit de contacten aan de zijkant en vervang hem; ❒ Monteer de nieuwe lamp B en zorg voor een optimale vergrendeling tussen de veercontacten; ❒ zet tenslotte lampenglas A fig.
LAMPEN INTERIEURVERLICHTING WEGWIJS IN UW VERVANGEN AUTO PLAFONDVERLICHTING VOOR VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Versies zonder bewakingsspiegel achterbank Ga als volgt te werk om deze lampen te vervangen: ❒ verwijder het plafondlampje A fig. 192 door het op de pijl aangegeven punten los te trekken; ❒ maak de lamphouders B fig. 193 los en verwijder ze door ze naar buiten te trekken, vervang vervolgens de lampen C; ❒ monteer de nieuwe lampen in de betreffende zittingen B; ❒ monteer plafondlampje A fig.
Versies met bewakingsspiegel achterbank (voor bepaalde versies/markten) Versies met vast glazen dak of elektrisch schuifdak Ga als volgt te werk om de lampen te vervangen: ❒ ga te werk in zone A en zet spiegel B in werkstand; ❒ draai de schroef los en verwijder afdekdop C van de bevestiging fig. 194; ❒ ga te werk vanaf de achterkant en trek het plafondlampje naar beneden en maak het los Verricht de bovenstaande handeling voor het inbouwen in omgekeerde volgorde uit.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ❒ open de klep C fig. 196, verwijder de lamp B uit de zijdelingse veercontacten en vervang de lamp; ❒ Monteer de nieuwe lamp en zorg voor een optimale vergrendeling tussen de veercontacten. ❒ monteer het plafondlampje A fig. 195 door eerst het lampje aan een zijde correct te monteren en vervolgens de andere zijde ervan aan te drukken, zodat het hoorbaar vastklikt.
BAGAGERUIMTEVERLICHTING DASHBOARDKASTVERLICHTING Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ open de achterklep en verwijder het lampje A fig. 199 vanaf het punt dat met de pijl is aangegeven; ❒ open het deksel B en vervang de lamp; ❒ dek het lampenglas af met de beschermkap B; ❒ monteer het plafondlampje A door eerst het lampje aan een zijde correct te monteren en vervolgens de andere zijde ervan aan te drukken, zodat het hoorbaar vastklikt.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN ZEKERINGEN VERVANGEN ALGEMENE INFORMATIE Het elektrische systeem wordt beveiligd door zekeringen: bij een storing of bij oneigenlijk gebruik van het systeem brandt de zekering door. Controleer eerst of de zekering is doorgebrand wanneer een elektrisch onderdeel niet meer werkt: het geleidende element A fig. 201 mag niet onderbroken zijn.
BELANGRIJK Als een hoofdzekering (MEGA-FUSE, MIDIFUSE, MAXI-FUSE) doorbrandt, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk. BELANGRIJK Alvorens een zekering te vervangen, moet men controleren of de contactsleutel uit het slot is genomen en of alle stroomverbruikers uit staan en/of zijn uitgeschakeld. TOEGANG TOT DE ZEKERINGEN Zekeringenkast in de motorruimte WEGWIJS IN UW AUTO Deze zit aan de kant van de accu fig. 203.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Op het deksel zijn de identificatienummers van de elektrische onderdelen die met de zekeringen overeenkomen aangegeven. Monteer, na het vervangen van de zekering, het deksel B weer op de zekeringenkast. Als de motorruimte moet worden gewassen, zorg er dan voor dat de waterstraal niet rechtstreeks op de zekeringenkast en de motortjes van de ruitenwissers terechtkomt.
Zekeringenkast in het dashboard De zekeringen bevinden zich in de zekeringenkast die is afgebeeld in fig. 204. Om bij de zekeringen te kunnen komen, klepje A verwijderen. WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN fig.
Zekeringenkast in de bagageruimte WEGWIJS IN UW AUTO De zekeringen zitten in de zekeringenkast die is afgebeeld in fig. 205, deze bevindt zich aan de linkerkant van de bagageruimte. Om bij de zekeringen te kunnen komen, te werk gaan op het punt dat aangegeven is met het pijltje en klepje A verwijderen. VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 236 fig.
ZEKERINGENKAST IN MOTORRUIMTE fig.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 238 ZEKERINGENKAST IN HET DASHBOARD fig.
ZEKERINGENKAST IN BAGAGERUIMTE fig.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER ACCU OPLADEN BELANGRIJK De procedure voor het opladen van de accu is uitsluitend bedoeld ter informatie. Geadviseerd wordt contact op te nemen met het Fiat Servicenetwerk om deze werkzaamheden te laten uitvoeren.
BELANGRIJK Accuvloeistof is giftig en corrosief: vermijd contact met huid en ogen. Het opladen van de accu moet worden uitgevoerd in een goed verluchte ruimte, ver van open vuur en vonken: brand- en ontploffingsgevaar. BELANGRIJK Probeer geen bevroren accu op te laden; laat de accu eerst ontdooien om het risico van een ontploffing te vermijden.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN SLEPEN VAN DE AUTO Het sleepoog dat bij de auto wordt geleverd bevindt zich in de gereedschapshouder, onder de mat in de bagageruimte. MONTAGE VAN DE TREKHAAK Verwijder de dop A fig. 209, fig. 210 (Trekking versies) (voorbumper) of A fig. 211, fig. 212(Trekking versies) (achterbumper) door met de hand op het onderste gedeelte te drukken. Neem het sleepoog B fig. 209 (voorbumper) of B fig.
BELANGRIJK Alvorens te slepen, moet de contactsleutel op MAR en vervolgens op STOP worden gezet, zonder de sleutel uit het contactslot te nemen. Als de sleutel uit het contactslot wordt genomen, wordt automatisch het stuurslot ingeschakeld waardoor de auto niet kan worden bestuurd. WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN BELANGRIJK Maak voor de montage van de trekhaak de schroefdraad zorgvuldig schoon. Controleer of de trekhaak volledig op de schroefdraadpen is gedraaid alvorens de auto te slepen.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 244 BELANGRIJK Houd er rekening mee dat tijdens het slepen de rembekrachtiging en de elektrische stuurbekrachtiging niet beschikbaar zijn, waardoor voor het bedienen van het rempedaal en het sturen meer kracht is vereist. Gebruik voor het slepen geen flexibele kabels en vermijd bruuske bewegingen.
ONDERHOUD EN ZORG GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD Juist onderhoud is uiterst belangrijk voor een lange levensduur van de auto onder optimale omstandigheden. Daarom heeft Fiat een reeks controles en onderhoudsbeurten opgesteld die op vaste afstandsintervallen uitgevoerd moeten worden en, voor bepaalde versies/markten, op vaste tijdsintervallen, zoals beschreven in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA BENZINE-UITVOERINGEN De controles vermeld in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema moeten, na het bereiken van 120.000 km/8 jaar, cyclisch herhaald worden te beginnen vanaf het eerste interval, daarna dezelfde intervallen aanhouden als daarvoor.
105 120 135 150 km x 1000 15 30 45 60 75 90 Jaren 1 2 3 4 5 6 Stand en conditie van wisrubbers van ruitenwissers voor/achter controleren ● ● ● ● ● Werking van ruitenwissers/-sproeiers controleren en, zo nodig, de sproeiers afstellen ● ● ● ● ● 7 8 9 10 WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID Slot van motorkap en achterklep op aanwezigheid van vuil controleren, schoonmaken en mechanismen smeren ● ● ● ● ● Slag van handrem controleren en zo nodig afstellen ● ● ● ● ● STARTEN EN
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 248 km x 1000 15 30 45 60 75 90 Jaren 1 2 3 4 5 6 Visueel de conditie controleren van de getande distributieriem (behalve 0.
km x 1000 15 30 45 60 75 90 Jaren 1 2 3 4 5 6 105 120 135 150 7 8 De aandrijfriem(en) van hulporganen vervangen (3) ● Getande distributieriem vervangen (behalve 0.9 TwinAir versies) (3) ● 9 10 VEILIGHEID Luchtfilterelement vervangen (4) ● ● ● ● ● Remvloeistof vervangen ● ● ● ● ● Interieurfilter vervangen (4) O ● O ● O ● O ● WEGWIJS IN UW AUTO O STARTEN EN RIJDEN ● (3) Voor gebieden waar weinig stof is wordt een maximale kilometerstand van 120.
DIESELUITVOERINGEN WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 250 De controles vermeld in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema moeten, na het bereiken van 120.000 km/6 jaar, cyclisch herhaald worden te beginnen vanaf het eerste interval, daarna dezelfde intervallen aanhouden als daarvoor.
100 120 140 160 180 200 km x 1000 20 40 60 80 Jaren 1 2 3 4 Stand en conditie van wisrubbers van ruitenwissers voor/achter controleren ● ● ● ● ● Werking van ruitenwissers/-sproeiers controleren en, zo nodig, de sproeiers afstellen ● ● ● ● ● 5 6 7 8 9 10 WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID Slot van motorkap en achterklep op aanwezigheid van vuil controleren, schoonmaken en mechanismen smeren ● ● ● ● ● Slag van handrem controleren en zo nodig afstellen ● ● ● ● ● STARTEN EN
WEGWIJS IN UW AUTO km x 1000 20 40 60 80 Jaren 1 2 3 4 100 120 140 160 180 200 5 6 7 8 9 10 Motorolie en oliefilter vervangen (1) (2) VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 252 De aandrijfriem(en) van hulporganen vervangen (3) ● Getande distributieriem vervangen (behalve 1.
km x 1000 20 40 60 80 Jaren 1 2 3 4 100 120 140 160 180 200 5 6 7 8 9 10 Luchtfilterelement vervangen (5) ● ● ● ● ● Remvloeistof vervangen ● ● ● ● ● Interieurfilter vervangen (5) O ● O ● O ● O (5) As het voertuig gebruikt wordt in stoffige omgevingen, moet dit filter om de 20.000 km vervangen worden.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 254 PERIODIEKE CONTROLES INTENSIEF GEBRUIK VAN DE AUTO Elke 1.000 km of vóór een lange reis controleren en eventueel bijvullen: ❒ niveau motorkoelvloeistof, remvloeistof en ruitensproeiervloeistof; ❒ conditie en spanning banden; ❒ werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, alarmknipperlichten, etc.
❒ motorolie en oliefilter controleren en zo nodig vervangen; ❒ pollenfilter controleren en zo nodig vervangen; ❒ luchtfilter controleren en zo nodig vervangen. NIVEAUS CONTROLEREN BELANGRIJK Rook nooit tijdens het uitvoeren van werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen ontvlambare gassen en dampen vrijkomen die brand kunnen veroorzaken. BELANGRIJK Wees erg voorzichtig bij het uitvoeren van werkzaamheden in de motorruimte wanneer de motor nog warm is: gevaar voor brandwonden.
0.9 TwinAir Turbo 105 pk versies WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 256 fig. 213 A. Motorolie peilstok B. Motorolie dop/vulopening C. Motorkoelvloeistof D. Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier E. Remvloeistof F.
1.4 16V 95 pk versies WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN fig. 214 A. Motorolie peilstok B. Motorolie dop/vulopening C. Motorkoelvloeistof D. Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier E. Remvloeistof F.
1.4 16V 120 pk versies WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN fig. 215 ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 258 A. Motorolie peilstok B. Motorolie dop/vulopening C. Motorkoelvloeistof D. Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier E. Remvloeistof F.
1.3 16v MultiJet versies WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN fig. 216 A. Motorolie peilstok B. Motorolie dop/vulopening C. Motorkoelvloeistof D. Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier E. Remvloeistof F.
1.6 16V 105 pk MultiJet versies WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN fig. 217 ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 260 A. Motorolie peilstok B. Motorolie dop/vulopening C. Motorkoelvloeistof D. Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier E. Remvloeistof F.
1.6 16V 120 pk MultiJet versies WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN fig. 218 A. Motorolie peilstok B. Motorolie dop/vulopening C. Motorkoelvloeistof D. Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier E. Remvloeistof F.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 262 MOTOROLIE Motorolieverbruik Controleer ongeveer 5 minuten na het uitzetten van de motor het oliepeil met het voertuig op een horizontale ondergrond. Gewoonlijk ligt het maximaal motorolieverbruik op ongeveer 400 gram per 1000 km. Tijdens de beginperiode van de auto wordt de motor ingereden. Daarom is het motorolieverbruik pas stabiel na de eerste 5.000 ÷ 6.
Het motorkoelsysteem moet worden gevuld met PARAFLUUP antivries. Vul koelvloeistof bij met dezelfde kenmerken als de koelvloeistof waarmee het koelsysteem reeds is gevuld. PARAFLUUP mag niet met andere typen vloeistoffen worden gemengd. Mocht dit toch gebeuren, start de motor dan in geen geval en neem contact op met het Fiat Servicenetwerk. BELANGRIJK Rijd nooit met een leeg ruitensproeierreservoir: ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een goed zicht.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 264 BELANGRIJK Remvloeistof is hygroscopisch (d.w.z. trekt water aan). Daarom moet, als de auto voornamelijk gebruikt wordt in gebieden met hoge luchtvochtigheid, de vloeistof vaker worden vervangen dan is aangegeven in het “Geprogrammeerd onderhoudsschema”. Vermijd elk contact tussen de uiterst corrosieve remvloeistof en de gelakte delen.
ACCU Het elektrolyt van de accu hoeft niet te worden bijgevuld met gedestilleerd water. Een periodieke controle bij het Fiat Servicenetwerk is echter noodzakelijk om de efficiëntie te verifiëren. ACCU VERVANGEN Vervang de accu, indien nodig, door een ander exemplaar van dezelfde kwaliteit en met dezelfde specificaties al de oorspronkelijke. Volg de aanwijzingen van de fabrikant van de accu voor het onderhoud.
WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK Als de accu met onvoldoende vloeistof werkt, kan dit de accu onherstelbaar beschadigen en een explosie veroorzaken. VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN Verkeerde installatie van elektrische en elektronische apparatuur kan ernstige schade aan de auto toebrengen. Als men na aanschaf van het voertuig accessoires wil monteren (diefstalbeveiliging, mobiele telefoon enz.
REMMEN WIELEN EN BANDEN Het voertuig is uitgerust met 4 mechanische slijtagedetectiesystemen voor remblokken: een voor elk wielsamenstel. Wanneer de remvoeringen versleten raken, is bij het intrappen van het rempedaal een zacht gesis hoorbaar: dit blijft zo gedurende ongeveer 100 km (afhankelijk van de rijstijl en het soort route). In deze omstandigheden kan, voorzichtig, verder gereden worden.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 268 Banden moeten worden vervangen wanneer de profieldiepte van het loopvlak minder dan 1,6 mm bedraagt. Respecteer in elk geval de wettelijke voorschriften van het land waarin wordt gereden.
RUITENWISSERS/ ACHTERRUITWISSER WISSERBLADEN Vervang de wisserbladen wanneer het rubber vervormd of versleten is. Het is in elk geval raadzaam de wisserbladen ongeveer jaarlijks te vervangen. Met enkele eenvoudige voorzorgsmaatregelen kan de beschadiging van het wisserblad worden gereduceerd: ❒ bij temperaturen onder het vriespunt moet men controleren of er ijs tussen het wisserblad en de ruit is.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN BELANGRIJK Zet de bladen terug tegen de voorruit voordat de ruitenwisser weer wordt ingeschakeld en/of voordat de contactsleutel op MAR gedraaid wordt. Wisserbladen voorruit vervangen Ga als volgt te werk: ❒ hef de wisserarm op, druk op het klepje A fig. 221 van de springveer en schuif het wisserblad van de arm los; ❒ monteer het nieuwe wisserblad door het klepje in de speciale zitting op de wisserarm te blokkeren.
RUITENSPROEIERS Achterruitsproeier Ruitensproeier De sproeiers A van de voorruit fig. 223 zijn niet verstelbaar. Als de ruitensproeiers niet werken, controleer dan eerst of er ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit (zie paragraaf “Controle van vloeistofniveaus” in dit hoofdstuk). Controleer vervolgens of de sproeikoppen niet verstopt zijn. Gebruik zo nodig een speld om ze vrij te maken. De sproeiers van de achterruit zijn niet verstelbaar. De sproeier bevindt zich boven op de achterruit fig. 224.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 272 CARROSSERIE BESCHERMING TEGEN ATMOSFERISCHE INVLOEDEN Op de auto zijn de beste technologische oplossingen toegepast om de carrosserie tegen roest te beschermen.
❒ maak de carrosserie eerst nat met een waterstraal onder lage druk; ❒ was de carrosserie met een zachte spons met een lichte zeepoplossing en spoel de spons regelmatig uit; ❒ spoel goed af met schoon water en droog met een luchtstraal of een zeemleren lap. Droog de minder zichtbare delen (bijv. randen van portieren, motorkap, koplampranden) zorgvuldig, aangezien in deze zones water makkelijker kan stagneren.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN Ruiten Motorruimte Gebruik specifieke schoonmaakmiddelen en schone, zachte doeken om krassen en beschadigingen te voorkomen. Spuit de motorruimte na het winterseizoen zorgvuldig uit: hierbij mag de waterstraal niet rechtstreeks op de elektronische regeleenheden of op de motoren van de ruitenwissers worden gericht. Laat deze werkzaamheden uitvoeren door een gespecialiseerd bedrijf.
INTERIEUR Controleer af en toe of er geen water onder de matten is blijven staan, waardoor het plaatwerk kan gaan roesten. BELANGRIJK Gebruik nooit ontvlambare producten zoals petroleum of wasbenzine voor het reinigen van het interieur van de auto. De elektrostatische lading die door het wrijven tijdens het reinigen ontstaat, kan brand veroorzaken. BELANGRIJK Bewaar geen spuitbussen in de auto: ontploffingsgevaar. Spuitbussen mogen niet blootgesteld worden aan temperaturen boven 50°C.
TECHNISCHE GEGEVENS WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN IDENTIFICATIEGEGEVENS TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIEGEGEVENS Wij adviseren om nota te nemen van de identificatiecodes. De volgende identificatiecodes zijn op de plaatjes ingeslagen en vermeld: ❒ Typeplaatje met identificatiegegevens. ❒ Chassisnummer. ❒ Identificatieplaatje carrosserielak. ❒ Motorcode. Het typeplaatje is aangebracht aan de linkerkant van de bagageruimte fig.
IDENTIFICATIEPLAATJE CARROSSERIELAK CHASSISNUMMER Deze is aan de binnenkant van de achterklep gemonteerd en bevat de volgende gegevens fig. 226: A Lakfabrikant. B Kleurnaam. C Fiat kleurcode. D Kleurcode voor overspuiten en bijwerken. Dit is gestanst op de dwarsbalk onder de stoel aan passagierszijde en bevat de volgende gegevens: ❒ type auto ❒ chassisnummer. WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID MOTORCODE Deze is op het cilinderblok ingeslagen en vermeldt het model en het chassisnummer.
WEGWIJS IN UW AUTO MOTORCODES - CARROSSERIEVERSIES BENZINE-UITVOERINGEN Versies Motorcodes Carrosserieversies 199LYC1B L2B VEILIGHEID 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 199B6000 199LYC1B L2E (*) 199LYC1B L2G (**) STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 278 0.9 TwinAir Turbo 105 pk (*) 199B6000 1.4 16V 95 pk 843A1000 1.
DIESELUITVOERINGEN Versies 1.3 16V MultiJet 1.6 16V 105 pk MultiJet Motorcodes 199B4000 199B5000 Carrosserieversies 199LXY1A L0H 199LXY1A L0D (*) 199LYD1B L4B 199B5000 199LYD1B L4Q (***) 199LYE1B L6 955A3000 955A3000 (*) Trekking versies (**) Voor bepaalde versies/markten (***) Versie niet geschikt voor het trekken van aanhangwagens (****) Versies waarop slechts een bandentype (205/55 R16 91H) gemonteerd kan worden LAMPJES EN BERICHTEN 199LYE1B L6B (****) 199LYE1B L6C (*) 1.
WEGWIJS IN UW AUTO MOTOR Versies 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 1.4 16V 95 pk 199B6000 843A1000 Otto Otto 2 in lijn 4 in lijn 80,5 x 86,0 72,0 x 84,0 875 1368 Compressieverhouding 10 ± 0.2 11 ± 0.2 Maximum vermogen (EG) (kW) 77/72 (*) 70 Maximum vermogen (EG) (pk) 105/98 (*) 95 5500/5750 (*) 6000 Maximumkoppel (EG) (Nm) 145/120 (*) 127 Maximumkoppel (EG) (kgm) 14.8/12.2 (*) 12.
Versies 1.4 16V 120 pk 1.3 16V MultiJet 940B7000 199B4000 Otto Diesel Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn Boring en slag zuigers (mm) 72,0 x 84,0 69,6 x 82,0 1368 1248 9.8 ± 0.2 16.8 ± 0.4 Maximum vermogen (EG) (kW) 88 62 Maximum vermogen (EG) (pk) 120 85 overeenkomstig motortoerental (tpm) 5000 3500 Maximum koppel (EG) (Nm) 215 200 Maximum koppel (EG) (kgm) 22 20.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID Versies 1.6 16V 105 pk MultiJet 1.6 16V 120 pk MultiJet 199B5000 955A3000 Cyclus Diesel Diesel Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn Boring en slag zuigers (mm) 79,5 x 80,5 79,5 x 80,5 1598 1598 16.5 ± 0.4 16.5 ± 0.4 Maximum vermogen (EG) (kW) 77 88 Maximum vermogen (EG) (pk) 105 120 overeenkomstig motortoerental (tpm) 3750 3750 Maximum koppel (EG) (Nm) 320 320 Maximum koppel (EG) (kgm) 32.6 32.
BRANDSTOFTOEVOER Versies 0.9 TwinAir Turbo 105 pk Brandstoftoevoer Gefaseerde sequentiële elektronische Multipoint inspuiting, met pingelcontrole en variabele bediening van de inlaatkleppen 1.4 16V Gefaseerde sequentiële elektronische Multipoint inspuiting, returnless-systeem 1.3 16V MultiJet - 1.
WEGWIJS IN UW AUTO REMMEN Versies Voorste bedrijfsremmen Achterste bedrijfsremmen Parkeerrem Geventileerde schijfremmen Type schijf of trommel, afhankelijk van de versie Bediend met handremhefboom die op de achterremmen inwerkt 0.9 TwinAir Turbo 105 pk VEILIGHEID 1.4 16V 1.3 16V MultiJet 1.6 16V MultiJet STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN BELANGRIJK Water, ijs en strooizout op de wegen kunnen zich afzetten op de remschijven waardoor de gewenste remwerking iets later wordt bereikt.
STUURINRICHTING Versies Draaicirkel (m) 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 10,7 1.4 16V 10,7 1.3 16V MultiJet 10,7 1.6 16V MultiJet 10.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN WIELEN VELGEN EN BANDEN Geperste stalen of lichtmetalen velgen. Tubeless radiaalbanden. Alle typegoedgekeurde banden zijn op het kentekenbewijs vermeld. BELANGRIJK Als de gegevens in het instructieboek afwijken van die van het kentekenbewijs, dient men zich altijd aan de gegevens van het kentekenbewijs te houden. Voor de rijveiligheid moeten alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde merk en type.
Snelheidscategorie Q max. 160 km/h R max. 170 km/h S max. 180 km/h T max. 190 km/h U max. 200 km/h H max. 210 km/h V max. 240 km/h VERKLARING VAN DE VELGCODES Snelheidscategorie voor winterbanden QM + S max. 160 km/h TM + S max. 190 km/h HM + S max. 210 km/h Voorbeeld fig. 227: 6 J x 15 H2 6 velgdoorsnee in inches (1). J velgschouder (deel aan de zijkanten waarop de bandhiel rust) (2). 15 nominale velgdiameter in inch (komt overeen met de diameter van de te monteren band) (3 = Ø).
WEGWIJS IN UW AUTO STANDAARD WIELEN EN BANDEN Versies Wielen Banden Winterbanden Ruimtebesparend reservewiel (*) Velg Band VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN 0.
Versies Wielen Banden Winterbanden Ruimtebesparend reservewiel (*) Velg WEGWIJS IN UW AUTO Band 195/65 R15 91H 195/65 R15 91Q (M+S) 205/55 R16 91H (*) 205/55 R16 91Q (M+S) 7Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91H (*) 225/45 R17 91Q (M+S) 6Jx15 H2 ET 39 195/65 R15 91H 195/65 R15 91Q (M+S) 205/55 R16 91H (*) 205/55 R16 91Q (M+S) 225/45 R17 91H (*) 225/45 R17 91Q (M+S) 6Jx15 H2 ET 39 1.3 16V Multijet 1.6 16V Multijet 6Jx16 H2 ET 36.5 6½Jx16 H2 ET 39 (*) 6Jx16 H2 ET 36.
WEGWIJS IN UW AUTO Trekking versies Versies Banden Wielen Winterbanden Ruimtebesparend reservewiel (*) Velg Band VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN 0.9 TwinAir Turbo 105pk – 1.4 16V – 1.3 16V Multijet – 1.6 16V Multijet 6Jx16 H2 ET 36.
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) Bij warme banden moet de bandenspanning +0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Bij winterbanden moet de aanbevolen bandenspanning voor standaardbanden met +0,2 bar worden verhoogd. Controleer de bandenspanning nogmaals wanneer de banden koud zijn.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN BANDEN MET VELGBESCHERMING BELANGRIJK Indien op de stalen velgen met integrale wieldeksels (met veerbevestiging) aftersales-banden met velgbescherming (fig. 228) worden gemonteerd, dan mogen de wieldeksels NIET worden gemonteerd. Het gebruik van ongeschikte banden en wieldeksels kan leiden tot een plotseling verlies van de bandenspanning. LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER fig.
AFMETINGEN De afmetingen zijn uitgedrukt in mm fig. 229 en hebben betrekking op een auto die met originele banden is uitgerust. De hoogte heeft betrekking op een onbeladen auto. VOLUME BAGAGERUIMTE Inhoud (V.D.A.-norm) = 400 liter (1310 liter met volledig neergeklapte achterbank). WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG fig.
TREKKING VERSIES WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID De afmetingen zijn uitgedrukt in mm fig. 230 en hebben betrekking op een auto die met originele banden is uitgerust. De hoogte heeft betrekking op een onbeladen auto. VOLUME BAGAGERUIMTE Inhoud (V.D.A.-norm) = 400 liter (1310 liter met volledig neergeklapte achterbank). STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 294 fig.
PRESTATIES Maximumsnelheid na de inrijperiode van het voertuig. Versies km/h 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 180 1.4 16V 95 pk 170 1.4 16V 120 pk 189 1.3 16V MultiJet 165 1.6 16V 105 pk MultiJet 181 1.6 16V 120 pk MultiJet 189 VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN Trekking versies Versies WEGWIJS IN UW AUTO km/h 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 173 1.4 16V 95 pk 165 1.4 16V 120 pk 183 1.3 16V MultiJet 160 1.6 16V 105 pk MultiJet 175 1.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN GEWICHTEN EN BELASTINGEN Versies 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 1.4 16V 95 pk 1260 / 1270 (***) 1245 / 1255 (***) 560 / 545 (***) 560 / 545 (***) – vooras: 1050 1050 – achteras: 1000 1000 1820 / 1815 (***) 1805 / 1800 (***) 1000 1000 – ongeremde aanhanger: 400 400 Max. dakbelasting: 60 60 Max.
Versies Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) (kg): 1.4 16V 120 pk 1.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID Versies 1.6 16V 105 pk MultiJet 1.6 16V 120 pk MultiJet 1365 / 1375 (***) 1370 / 1380 (***) 560 / 550 (***) 550 – vooras: 1050 1050 – achteras: 1000 1000 – totaal: 1925 1920 / 1930 (***) 1100 1100 – ongeremde aanhanger: 400 400 Max. dakbelasting: 60 60 Max.
VULINHOUDEN Benzine-uitvoeringen 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 1.4 16V 95 pk 50 50 6÷8 6÷8 Koelsysteem (liter): 5,3 4,5 Carterpan (liter): 2.8 2.8 Tankinhoud (liter): incl. een reserve van (liter): Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen Loodvrije benzine met octaangetal van ten minste 95 RON (specificatie EN228) STARTEN EN RIJDEN SELENIA DIGITEK P.E. (0.9 TwinAir Turbo 105 pk versie) SELENIA K P.E. (1.
WEGWIJS IN UW AUTO Benzine-uitvoeringen Tankinhoud (liter): incl. een reserve van (liter): VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 300 1.4 16V 120 pk 50 6÷8 Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen Loodvrije benzine met octaangetal van ten minste 95 RON (specificatie EN228) Mengsel van gedestilleerd water en 50% PARAFLUUP (*) Koelsysteem (liter): 5.2 Carterpan (liter): 2.
Dieseluitvoeringen Tankinhoud (liter): incl. een reserve van (liter): Koelsysteem (liter): Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen WEGWIJS IN UW AUTO 6÷8 Diesel voor motorvoertuigen (EN 590-specificatie) VEILIGHEID 6,35 Mengsel van gedestilleerd water en 50% PARAFLUUP 1.3 16V MultiJet 1.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN Het voertuig is voorzien van een motorolie die grondig ontwikkeld en getest is om aan de vereisten van het Geprogrammeerd Onderhoudsschema te kunnen voldoen. Constant gebruik van de voorgeschreven smeermiddelen garandeert de specificaties van brandstofverbruik en emissies. De kwaliteit van het smeermiddel is cruciaal voor de werking en de levensduur van de motor.
Gebruik Smeermiddelen en vetten voor krachtoverbrengingen Remvloeistof Eigenschappen van vloeistoffen en smeermiddelen voor een correcte werking van de auto Originele vloeistoffen en smeermiddelen Toepassingen SAE 75W API GL4 synthetisch smeermiddel. FIAT 9.55550-MZ6 kwalificatie TUTELA TRANSMISSION GEARFORCE Contractual Technical Reference No. F002.F10 Handgeschakelde versnellingsbak en differentieel (1.4 16V 120 pk / 1.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 304 Gebruik Eigenschappen van vloeistoffen en smeermiddelen voor een correcte werking van de auto Roodgekleurd beschermingsmiddel met antivrieswerking, op basis van geïnhibeerd Beschermingsmiddel monoethyleenglycol met organische formule. voor radiateurs Overtreft CUNA NC 956-16, ASTM D 3306 specificaties. FIAT-kwalificatie 9.
BRANDSTOFVERBRUIK De gegevens over het brandstofverbruik die vermeld zijn in onderstaande tabel zijn bepaald op basis van de typegoedkeuringstests in overeenstemming met specifieke Europese Richtlijnen.
Dieselversies WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID Versies Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd 1.3 16V MultiJet 5.0 3.7 4.2 1.6 16V 105 pk MultiJet 5.4 3.9 4.5 1.6 16V 105 pk MultiJet (**) 5.3 3.8 4.4 5.5 / 5.4 (***) 4.0 / 3.9 (***) 4.6 / 4.5 (***) 5.4 3.9 4.5 1.6 16V 120 pk MultiJet 1.
Trekking versies Versies Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd 0.9 TwinAir Turbo 105 pk (*) 6.0 4.6 5.1 0.9 TwinAir Turbo 105 pk (*) (**) 5.8 4.5 5.0 1.4 16V 95 pk 8.4 5.3 6.4 1.4 16V 120 pk 9.3 5.7 7.0 1.3 16V MultiJet 5,2 3,8 4,3 1.6 16V MultiJet 105 pk 5.6 4.1 4.7 1.6 16V MultiJet 105 pk (**) 5.5 4.0 4.6 1.6 16V 120 pk MultiJet 5.8 4.2 4.
WEGWIJS IN UW AUTO CO2-EMISSIE De CO2 emissieniveaus in de volgende tabellen hebben betrekking op het gecombineerde verbruik. Versies VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 112 0.9 TwinAir Turbo 105 pk (*) 109 1.4 16V 95 pk 145 1.4 16V 120 pk 159 1.3 16V MultiJet 110 1.6 16V MultiJet 105 pk 117 1.6 16V MultiJet 105 pk (*) 114 1.
Trekking versies Versies CO2-EMISSIE VOLGENS HUIDIGE EUROPESE RICHTLIJN (g/km) 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 119 0.9 TwinAir Turbo 105 pk (*) 116 1.4 16V 95 pk 149 1.4 16V 120 pk 163 1.3 16V MultiJet 114 1.6 16V MultiJet 105 pk 122 1.6 16V MultiJet 105 pk (*) 119 1.
BEPALINGEN VOOR HET VERWERKEN VAN DE AUTO AAN HET EINDE VAN WEGWIJS IN UW ZIJN LEVENSDUUR AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 310 Reeds jarenlang heeft Fiat de algemene verplichting op zich genomen het milieu te beschermen en te respecteren door de productieprocessen en de realisering van de producten steeds "milieuvriendelijker" te maken.
RADIOFREQUENTIE AFSTANDSBEDIENING: MINISTERIËLE GOEDKEURINGEN WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS fig.
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS fig.
OFFICIËLE TYPEGOEDKEURINGEN VOOR SPECIFIEKE MARKTEN Land Initialen typegoedkeuring radiofrequentie-afstandsbediening (TRF198) Initialen typegoedkeuring Body Computer (BCML7) Jordanië TRC/LPD/2011/102 TRC/LPD/2012/75 Libanon 2111/O&M/2014 2110/O&M/2014 Marokko Numéro d'agrément : MR 6345 ANRT 2011 Date d'agrément : 13 JUIN 2011 Numéro d'agrément : MR 6968 ANRT 2012 Date d'agrément : 22 FEV 2012 Mexico RLVMABC11-0959 RLVMABC12-0020 AGREE PAR L'ANRT MAROC WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID AGREE PA
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS F0Y0441 ALFABETISCH REGISTER 314
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS F0Y0442 ALFABETISCH REGISTER 315
5 0 0 L L I V I N G
In dit deel is de 500 LIVING in de versies van 5 en 7 zitplaatsen beschreven. Zie voor alles dat niet behandeld wordt, het Instructieboek met betrekking tot de versie 500L..
REGISTER ZITPLAATSEN............................................................................................................................................................ 321 BAGAGERUIMTE ...................................................................................................................................................... 326 VEILIGHEIDSGORDELS ..........................................................................................................................................
ZITPLAATSEN BELANGRIJK De derde rij stoelen wordt alleen aanbevolen voor mensen die niet groter zijn dan 1.64m. ACHTERSTOELEN DERDE RIJ (voor bepaalde versies/markten) Toegang tot de derde rij achterstoelen Voor bepaalde versies zijn er twee extra "inklapbare" stoelen achter de achterstoelen (zie fig. 1). De stoelen kunnen worden ingeklapt, om een grotere inhoud van de laadruimte te verkrijgen: zie voor meer informatie paragraaf "Bagageruimte").
BELANGRIJK Ga, tijdens het terugzetten van de tweede rij achterstoelen, goed op de achterstoelen van de derde rij zitten, controleer of uw voeten niet uitsteken buiten de rode strip op de vloer (zie fig. 5). 322 fig. 3 F0Y0073 fig. 4 F0Y0076 fig.
Terugplaatsen van de achterstoelen van de tweede rij Om de achterbank weer terug te zetten, de rugleuning naar achteren duwen, zoals afgebeeld in fig. 6 en vastzetten (wanneer de leuning op zijn plaats vastklikt, betekent dit dat hij correct geplaatst is). BELANGRIJK Als er passagiers op de achterstoelen op de derde rij zitten, moet de stoel op de tweede rij correct aan de vloer verankerd zijn en de rugleuning moet in verticale stand staan.
OPKLAPPEN RUGLEUNING STOEL DERDE RIJ Ga als volgt te werk: ❒ zet de hoofdsteunen van de achterstoelen van de derde rij helemaal naar beneden; ❒ plaats de veiligheidsgordels opzij en controleer of ze goed uitgetrokken en niet verdraaid zijn; ❒ trek borgpin A fig. 8 naar boven om de linker of rechter rugleuning in te klappen. De rugleuning wordt automatisch naar voren geklapt. Begeleid, indien nodig, de rugleuning tijdens het eerste deel van het opklappen.
TERUGZETTEN RUGLEUNING STOEL DERDE RIJ Trek mechaniek A fig. 9 dat achter de rugleuning van de achterstoel zit, naar u toe om de rugleuningen weer op hun plaats te zetten. BELANGRIJK Verzeker u ervan, voordat u de rugleuningen verplaatst, dat afdekkingen B volledig zijn ingeklapt op het achterste deel van de rugleuning. BELANGRIJK Verplaats de stoelen van de derde rij niet voordat u het kleed (zie "Kleed verwijderen" in paragraaf "Bagageruimte") verwijdert. fig.
BAGAGERUIMTE BAGAGE-AFDEKKLEED Bagage-afdekkleed A fig. 12 kan opgerold en verwijderd worden. BELANGRIJK In het geval van een ongeval of bruusk remmen kan elk voorwerp dat op het kleed gelegd is in het interieur geslingerd worden, met gevaar van letsel van de inzittenden. Leg geen zware voorwerpen op het kleed om te voorkomen dat het beschadigd raakt. fig.
Kleed oprollen Kleed verwijderen Om het kleed op te rollen, handgreep C fig. 12 vastpakken en de pennen B fig. 13 (een aan elke kant) losmaken uit hun zittingen. Schuif het kleed vervolgens naar het voorstel deel van de bagageruimte. Om het kleed te verwijderen, eerst oprollen, vervolgens de twee haken A fig. 14 (een voor elke kant) naar de binnenkant van de bagageruimte trekken (zoals aangegeven door de pijl). Til het kleed vervolgens op en verwijder het. fig. 13 F0Y0373 fig.
Voorwerpen-afdekkleden Plaatsing kleed versies met 7 zitplaatsen Het kleed kan alleen verwijderd worden als de derde rij stoelen is ingeklapt. Leg het kleed, nadat het is verwijderd, achter de rugleuning van de derde rij stoelen, leg het op zijn plaats in stoelen B fig. 15. Er zijn twee voorwerpen-afdekkende kleden aanwezig op het voorste deel van het bagage-afdekkleed. Om de kleden te gebruiken de borglippen A fig.
VEILIGHEIDSGORDELS BELANGRIJK GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS VOOR DE ACHTERSTOELEN VAN DE DERDE RIJ De achterstoelen van de derde rij (voor bepaalde versies/markten) zijn tevens voorzien van driepuntsveiligheidsgordels en een oprolautomaat. Leg de achterste veiligheidsgordels om zoals getoond in fig. 17. fig. 17 Onthoud dat passagiers op de achterbank die geen gordel dragen bij een heftige botsing blootgesteld worden aan een groot risico en bovendien een gevaar opleveren voor de inzittenden voorin.
"UNIVERSEEL" KINDERZITJES MONTEREN (met veiligheidsgordels) Kinderen met een gewicht tussen 15 en 25 kg mogen rechtstreeks de veiligheidsgordels van de auto gebruiken fig. 19. Alleen in de rijrichting gemonteerde kinderzitjes voor Groep 1, 2, 3 kunnen op de achterstoelen van de derde rij gemonteerd worden. GROEP 1 BELANGRIJK De afbeelding dient slechts ter illustratie van de montage.
Het kinderzitje is in dit geval nodig om het kind correct ten opzichte van de gordels te plaatsen, zodat het diagonale gordelgedeelte schuin over de borst en nooit langs de nek ligt; het onderste gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik liggen. GROEP 3 Voor kinderen met een gewicht van 22 kg tot maximaal 36 kg vereenvoudigen kinderzitjes de bevestiging van de veiligheidsgordel. In de fig. 20 afbeelding is de juiste plaatsing van het kinderzitje op de achterstoel weergegeven.
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR GEBRUIK VAN HET ISOFIX UNIVERSEEL KINDERZITJE De auto voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EG-richtlijn inzake de montage van kinderzitjes op de verschillende plaatsen in de auto overeenkomstig de volgende tabel: versies met 7 zitplaatsen (voor bepaalde versies/markten) Voorpassagier 2e rij achter middelste passagier 2e rij achter passagier zijkant tot 13 kg U X U X Groep 1 9-18 kg U X U UF (**) Groep 2 15-25 kg U X U UF (**) Groep 3 22-36 kg U X
"Fix&Go Automatic" KIT Deze zit in de bagageruimte in een speciale tas fig. 21 (versies met 5 zitplaatsen) of fig. 22 (versies met 7 zitplaatsen). fig. 21 F0Y0353 fig. 22 F0Y0354 De kit bevat: ❒ een cilinder A fig. 23 met afdichtmiddel en voorzien van: ❒ vulleiding B; ❒ sticker C met het opschrift "max.
GEBRUIK VAN DE "Fix&Go Automatic" KIT EEN WIEL VERVANGEN Zie voor het gebruik van de kit paragraaf "Fix&Go Automatic kit" in het Instructieboek in het deel met . betrekking tot versie ALGEMENE INSTRUCTIES Het voertuig is uitgerust met de kit "Fix&Go Automatic Kit": zie de paragraaf “Fix&Go Automatic Kit” voor de beschrijving van de werking van de kit.
BELANGRIJK Waarschuw de andere weggebruikers voor de stilstaande auto conform de plaatselijke wettelijke voorschriften: alarmknipperlichten, gevarendriehoek enz. Alle inzittenden moeten de auto verlaten, vooral als de auto zwaar beladen is. Passagiers moeten op een veilige afstand van het verkeer wachten wanneer het wiel wordt verwisseld. Als het voertuig op een helling of een ongelijkmatige ondergrond staat, blokkeer de wielen dan met de bijgeleverde wig (zie de aanwijzingen op de volgende pagina's).
KRIK Ter informatie herinnert men eraan dat: ❒ de krik weegt 1,76 kg; ❒ de krik behoeft geen afstelling; ❒ de krik niet kan worden gerepareerd: in geval van defect moet de krik door een origineel exemplaar worden vervangen; ❒ afgezien van de slinger mag geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd worden.
❒ til klepje A fig. 28 op de mat van de bagageruimte op, neem sleutel B fig. 29 uit de gereedschapstas en monteer deze op voorziening C; ❒ draai sleutel B fig. 29 linksom om de vergrendelingsbout van de steun van het noodreservewiel los te draaien, zodat dit omlaag gebracht kan worden; ❒ gebruik de sleutel om het wiel uit het voertuig te halen fig. 30; C fig. 27 F0Y0352 fig. 29 F0Y0355 fig. 28 F0Y0383 fig.
❒ draai voorziening D fig. 31 om het noodreservewiel los te maken van steunbeugel E; ❒ pak vervolgens het noodreservewiel fig. 32; 338 fig. 31 F0Y0357 fig. 32 F0Y0358 ❒ neem sleutel A fig. 33 en draai de wielbevestigingsbouten ongeveer een slag los. Bij versies met lichtmetalen velgen, het voertuig schudden om het loskomen van de velg te vergemakkelijken. ❒ neem wig A uit de gereedschapshouder en open deze zoals aangegeven in fig.
❒ waarschuw de passagiers/omstanders dat de auto wordt opgekrikt; zorg dat niemand in de nabijheid van de auto komt tot de auto weer helemaal op de grond staat; ❒ plaats de slinger D fig. 36 in de zitting in voorziening A en krik de auto op tot het wiel enkele centimeters van de grond is; fig. 34 F0Y0211 fig.
❒ gebruik sleutel A om de wielbouten kruiselings vast te draaien, in de volgorde die is aangegeven in fig. 37; ❒ het wordt aanbevolen om bij vervanging van een wiel met lichtmetalen velg het wiel met het versierde gedeelte naar boven gericht te plaatsen. Monteer zo snel mogelijk een standaard band, want een normaal wiel is breder dan het noodreservewiel waardoor de laadvloer van de bagageruimte oneffen is. Ga, na voltooiing van de werkzaamheden, als volgt te werk: ❒ zet voorziening A fig.
Plaats lekke band BELANGRIJK Na het verwisselde wiel te hebben opgetild/geblokkeerd, moet de sleutel worden verwijderd. Draai hem NIET linksom om hem zo gemakkelijker te kunnen verwijderen en om te voorkomen dat de bevestiging loskomt en het wiel niet veilig is vastgezet . fig. 40 F0Y0367 versies met 5 zitplaatsen Leg de lekke band in de bagageruimte. versies met 7 zitplaatsen ❒ Met stoelen van de derde rij ingeklapt: leg de lekke band in de bagageruimte, boven op de rugleuningen.
EEN NORMAAL WIEL MONTEREN Versies met lichtmetalen velgen Volg de eerder beschreven procedure, krik de auto op en verwijder het noodreservewiel.
BINNENLAMPEN VERVANGEN PLAFONDVERLICHTING ACHTERSTOEL DERDE RIJ (voor bepaalde versies/markten) ❒ Monteer de nieuwe lamp en zorg voor een optimale vergrendeling tussen de contacten. ❒ monteer het plafondlampje A fig. 42 door eerst het lampje aan een zijde correct te monteren en vervolgens de andere zijde ervan aan te drukken, zodat het hoorbaar vastklikt. Type gloeilamp: C5W Vermogen: 5 W Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ verwijder het plafondlampje A fig.
BAGAGERUIMTEVERLICHTING Type gloeilamp: W5W Vermogen: 5 W Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ open de achterklep en verwijder het lampje A fig. 44 vanaf het punt dat met de pijl is aangegeven; ❒ open het deksel B en vervang de lamp; ❒ monteer de nieuwe lamp, sluit het deksel B weer over het lampenglas; ❒ monteer het plafondlampje A door eerst het lampje aan een zijde correct te monteren en vervolgens de andere zijde ervan aan te drukken, zodat het hoorbaar vastklikt. fig.
MOTORCODES - CARROSSERIEVERSIES Versies Motorcodes 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 199B6000 1.4 16V 120 pk 940B7000 1.3 16V MultiJet 199B4000 1.6 16V 105 pk MultiJet 199B5000 1.
WIELEN DE BANDENMAAT LEZEN VELGEN EN BANDEN Voorbeeld fig. 45: 195/65 R 15 91H 195 Nominale bandbreedte (S, afstand in mm tussen de flanken) 65 Verhouding van de bandhoogte/bandbreedte (H/S) in % R Radiaalband 15 Doorsnee van de velg in inches (Ø) 91 Belastingsindex (laadvermogen) H Snelheidscategorie Geperst stalen of lichtmetalen velgen. Tubeless radiaalbanden. Alle typegoedgekeurde banden zijn op het kentekenbewijs vermeld.
Snelheidscategorie Q max. 160 km/h R max. 170 km/h S max. 180 km/h T max. 190 km/h U max. 200 km/h H max. 210 km/h V max. 240 km/h VERKLARING VAN DE VELGCODES Snelheidscategorie voor winterbanden QM + S max. 160 km/h TM + S max. 190 km/h HM + S max. 210 km/h Voorbeeld fig. 45: 6 J x 15 H2 6 velgdoorsnee in inches (1). J profiel van de flens (zijaanzicht waarop de bandhiel rust) (2). 15 nominale velgdiameter in inch (komt overeen met de diameter van de te monteren band) (3 = Ø).
STANDAARD VELGEN EN BANDEN versies met 5 zitplaatsen Versies 0.9 TwinAir Turbo 105 pk Velgen Banden Winterbanden 6Jx15 H2 ET 39 195/65 R15 91H 195/65 R15 91Q (M+S) 205/55 R16 91H (*) 205/55 R16 91Q (M+S) 225/45 R17 91H(*) 225/45 R17 91Q (M+S) 205/55 R16 91V 205/55 R16 91Q (M+S) 7Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S) 6Jx15 H2 ET 39 195/65 R15 91H 195/65 R15 91Q (M+S) 205/55 R16 91H (*) 205/55 R16 91Q (M+S) 225/45 R17 91H(*) 225/45 R17 91Q (M+S) 6Jx16 H2 ET 36.
Versies 1.6 16V MultiJet Velgen Banden Winterbanden 6Jx15 H2 ET 39 195/65 R15 91H 195/65 R15 91Q (M+S) 205/55 R16 91H (*) 205/55 R16 91Q (M+S) 225/45 R17 91H(*) 225/45 R17 91Q (M+S) 6Jx16 H2 ET 36.
versies met 7 zitplaatsen Versies Velgen 6Jx16 H2 ET 36.5 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 6½Jx16 H2 ET 39 (*) 7Jx17 H2 ET 41 (*) 6Jx16 H2 ET 36.5 1.
Versies Velgen 6Jx16 H2 ET 36.5 1.3 16V MultiJet 6½Jx16 H2 ET 39 (*) 7Jx17 H2 ET 41 (*) 6Jx16 H2 ET 36.5 1.
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) Bij warme banden moet de bandenspanning +0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Bij winterbanden moet de bandenspanning +0,2 bar worden verhoogd t.o.v. de voorgeschreven spanningswaarde voor standaardbanden. Controleer de bandenspanning nogmaals als de banden koud zijn. versies met 5 zitplaatsen Banden Onbelast/bij gemiddelde belasting Volle belasting Voor Achter Voor Achter 195/65 R15 91H 2,4 2,4 2,8 2,7 / 2,9 (**) 205/55 R16 91V 2.4 2.2 2.
BAND MET VELGBESCHERMING BELANGRIJK Indien op de stalen velgen met integrale wieldeksels (met veerbevestiging) van de standaard afwijkende banden een velgbescherming wordt gemonteerd, dan mogen de wieldeksels NIET worden gemonteerd (fig. 46). Het gebruik van ongeschikte banden en wieldeksels kan leiden tot een plots verlies van de bandenspanning. fig.
AFMETINGEN De afmetingen zijn uitgedrukt in mm en hebben betrekking op een auto met standaard bijgeleverde banden. De hoogte heeft betrekking op een onbeladen auto. fig. 47 F0Y0335 A B C D E F (*) G H (*) I 4352 829 2612 911 1667 1513/1522 2018 1511/1519 1784 (*) Afhankelijk van de velgmaat kunnen er kleine variaties in de afmetingen voorkomen.
INHOUD BAGAGERUIMTE Inhoud (V.D.A.-norm) versies met 5 zitplaatsen Met tweede rij stoelen in normale bedrijfsomstandigheden: 599 liter. Met tweede rij stoelen volledig ingeklapt: 1192 liter. versies met 7 zitplaatsen Met derde rij stoelen in normale bedrijfsomstandigheden: 168 liter. Met derde rij stoelen volledig ingeklapt: 440 liter. Met tweede en derde rij stoelen volledig ingeklapt: 1078 liter.
PRESTATIES Maximumsnelheid na de inrijperiode van het voertuig. Versies 356 km/h 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 180 1.4 16V 120 pk 189 1.3 16V MultiJet 165 1.6 16V 105 pk MultiJet 181 1.
GEWICHTEN EN BELASTINGEN Versies 0.9 TwinAir Turbo 105 pk versies met 5 zitplaatsen versies met 7 zitplaatsen Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 1290 1320 Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (kg): (*) 515 645 – vooras: 1050 1050 – achteras: 1000 1080 – totaal: 1805 1965 - geremde aanhanger: 1000 1000 - ongeremde aanhanger: 400 400 Max. dakbelasting: 60 60 Max.
Versies 1.
1.3 16V MultiJet Versies 1.
Versies 1.6 16V 120 pk MultiJet versies met 5 zitplaatsen versies met 7 zitplaatsen Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 1400 1430 Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (kg): (*) 540 645 – vooras: 1050 1050 – achteras: 1000 1080 – totaal: 1940 2075 - geremde aanhanger: 1100 1100 - ongeremde aanhanger: 400 400 Max. dakbelasting: 60 60 Max.
BRANDSTOFVERBRUIK De gegevens over het brandstofverbruik die vermeld zijn in onderstaande tabel zijn bepaald op basis van de typegoedkeuringstests in overeenstemming met specifieke Europese Richtlijnen.
BRANDSTOFVERBRUIK VOLGENS GELDENDE EUROPESE RICHTLIJNEN (liter/100 km) Versies Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd 0.9 TwinAir Turbo 105 pk (*) 5,7 4,3 4,8 0.9 TwinAir Turbo 105 pk (*) (**) 5,6 4,2 4,7 1.4 16V 120 pk (***) 9,1 5,6 6,9 1.4 16V 120 pk (****) 9,3 5,7 7,0 1.3 16V MultiJet 5,0 3,7 4,2 1.6 16V 105 pk MultiJet 5,4 3,9 4,5 1.
CO2-EMISSIE De CO2-emissieniveaus in de volgende tabel hebben betrekking op het gecombineerde verbruik. Versies CO2-EMISSIE VOLGENS HUIDIGE EUROPESE RICHTLIJN (g/km) 0.9 TwinAir Turbo 105 pk 112 0.9 TwinAir Turbo 105 pk (*) 109 1.4 16V 120 pk 159 (**) / 163 (***) 1.3 16V MultiJet 110 1.6 16V MultiJet 105 pk 117 1.
5” Radio
REGISTER INLEIDING ................................................................................369 TIPS, BEDIENING EN ALGEMENE INFORMATIE..........370 TIPS ...........................................................................................370 MULTIMEDIA-APPARATEN: ONDERSTEUNDE AUDIOBESTANDEN EN FORMATEN............................372 OPMERKINGEN OVER HANDELSMERKEN................373 EXTERNE AUDIOBRONNEN ..........................................373 DIEFSTALBEVEILIGING............................
EEN MOBIELE TELEFOON OF EEN Bluetooth® AUDIOAPPARAAT VERWIJDEREN .................................395 EEN MOBIELE TELEFOON OF EEN Bluetooth® AUDIOAPPARAAT ALS FAVORIET INSTELLEN ..........396 TELEFOONGEGEVENS WISSEN (TELEFOONBOEK EN RECENTE GESPREKKEN) .....396 EEN NUMMER BELLEN ......................................................396 EEN INKOMEND GESPREK BEHEREN..........................397 EEN TWEEDE NUMMER BELLEN...................................398 TWEE GESPREKKEN BEHEREN .............................
INLEIDING De auto is uitgerust met een infotelematicasysteem dat ontworpen is voor de specifieke kenmerken van het interieur, met een aangepast design dat aansluit op de vormgeving van het dashboard. Het systeem is op een voor de bestuurder en passagiers ergonomische plaats geïnstalleerd, en de toetsen kunnen snel gevonden worden op het grafische display op het frontpaneel, zodat het apparaat makkelijk te gebruiken is.
TIPS, BEDIENING EN ALGEMENE INFORMATIE TIPS Verkeersveiligheid Zorg ervoor dat u weet hoe de verschillende systemen gebruikt moeten worden voordat u gaat rijden. Lees de gebruiksaanwijzingen van het systeem zorgvuldig door voordat u gaat rijden. BELANGRIJK Als het volume te hoog staat, kan dat gevaarlijk zijn. Stel het volume zo af dat omgevingsgeluiden (bijv. claxons, ambulances, politievoertuigen enz.) nog hoorbaar zijn.
Belangrijk In geval van een storing, mag het systeem alleen gecontroleerd en gerepareerd worden door het Fiat Servicenetwerk. Als de temperatuur erg laag is, kan het even duren voordat het display de optimale lichtsterkte heeft bereikt. Als de auto enige tijd bij een hoge buitentemperatuur wordt geparkeerd, kan de “thermische beveiligingsfunctie”van het systeem in werking treden tot de temperatuur in het interieur naar een acceptabel niveau is teruggekeerd.
BELANGRIJK Als een tegen kopiëren beveiligde CD wordt gebruikt, kan het enkele seconden duren voordat het systeem met de weergave begint. Er kan niet gegarandeerd worden dat de CD-speler alle beveiligde CD's weergeeft.
OPMERKINGEN OVER HANDELSMERKEN EXTERNE AUDIOBRONNEN iPod, iTunes en iPhone zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc. Alle andere handelsmerken zijn het eigendom van de betreffende eigenaars. Er kunnen ook andere elektronische apparaten (bijv. iPod, PDA, etc...) in de auto gebruikt worden. Enkele van deze apparaten kunnen echter elektromagnetische storingen veroorzaken. Koppel deze apparaten af als de werking van het systeem verslechtert.
374 De geheime code invoeren Paspoort autoradio Wanneer het systeem wordt ingeschakeld, toont de display, als de code wordt gevraagd, het opschrift "Diefstalbeveiligingscode invoeren a.u.b.", gevolgd door een pagina met een toetsenbord waarmee de geheime code kan worden ingevoerd. De geheime code bestaat uit vier cijfers van 1 t/m 9: druk voor het invoeren van het eerste cijfer van de geheime code op de betreffende toets op de display. Voer de overige cijfers van de code op dezelfde manier in.
TECHNISCHE GEGEVENS Luidsprekers voor Hi-Fi uitrustingsniveau (voor bepaalde versies/markten) Luidsprekers voor basisuitrustingsniveau Voorste luidsprekers ❒ 2 38 mm tweeters op de portierhandgreep; ❒ 2 165 mm mid-woofer luidsprekers in het portierpaneel. Achterste luidsprekers ❒ 2 165 mm full-range luidsprekers in het portierpaneel. Voorste luidsprekers ❒ 2 38 mm tweeters op de portierhandgreep; ❒ 2 165 mm mid-woofer luidsprekers in het portierpaneel.
SNELGIDS BEDIENINGSELEMENTEN OP HET FRONTPANEEL fig.
OVERZICHTSTABEL BEDIENINGSELEMENTEN FRONTPANEEL Toets Functies Modus Inschakeling Toets kort indrukken Uitschakeling Toets kort indrukken Volumeregeling Knop naar links/rechts draaien 2- Volume in-/uitschakelen (Mute/Pauze) Toets kort indrukken 3- CD uitwerpen Toets kort indrukken 4 CD-sleuf – 5- Display aan/uit Toets kort indrukken 6- Selectie afsluiten/naar vorige scherm terugkeren Toets kort indrukken Lijst doorbladeren of op een radiostation afstemmen Knop naar links/rechts draa
BEDIENINGSTOETSEN OP STUURWIEL (voor bepaalde versies/markten) BESCHRIJVING De bedieningstoetsen voor de belangrijkste functies van het systeem bevinden zich op het stuurwiel, om het systeem makkelijker te kunnen bedienen. De inschakeling van de gekozen functie is in sommige gevallen afhankelijk van hoelang de knop wordt ingedrukt (kort of lang indrukken) zoals in onderstaande tabel is aangegeven. fig.
OVERZICHTSTABEL BEDIENINGSTOETSEN OP STUURWIEL Toets Bediening (drukken/draaien) - Inkomend gesprek aannemen - Een tweede inkomend gesprek aannemen en het lopende gesprek in de wacht zetten - Spraakherkenning inschakelen voor de Telefoonfunctie - Spraakbericht onderbreken om nieuwe spraakopdracht te kunnen geven - Spraakherkenning onderbreken - Inkomend gesprek weigeren - Lopend telefoongesprek beëindigen In het midden van het linker wieltje drukken: - uitschakelen/opnieuw inschakelen van de microfoon tijd
SYSTEEM IN-/UITSCHAKELEN RADIO (TUNER) MODUS Het systeem wordt in-/uitgeschakeld als er kort op de toets/knop (ON/OFF) wordt gedrukt (1-fig. 1). De bediening van de elektronische volumeregeling draait voortdurend (360°) in beide richtingen zonder stopposities. Draai de toets/knop respectievelijk rechtsom/linksom om het radiovolume te verhogen/verlagen. Het systeem heeft de volgende tuners: AM, FM en DAB (voor bepaalde versies/markten). SELECTIE RADIO-MODUS Druk op de RADIO-toets (12-fig.
KEUZE GOLFBAND Druk kort op de "AM/FM"-toets om over te schakelen van AM naar FM en andersom. Als de DAB-tuner beschikbaar is, druk dan kort op de "AM/FM", "AM/DAB", "FM/DAB" toetsen om de gewenste golfband te kiezen. DISPLAY-INFORMATIE Nadat het gewenste radiostation op het display is gekozen (zie fig. 4), wordt de volgende informatie getoond: Bovenaan: de lijst van opgeslagen (preset) radiostations wordt weergegeven; het station dat momenteel beluisterd wordt, is gemarkeerd.
SNEL VORIGE/VOLGENDE RADIOSTATION ZOEKEN of op het display ingedrukt Houd de toetsen om het snel zoeken te starten: wanneer de toets wordt losgelaten, wordt het eerste radiostation waarop afgestemd kan worden weergegeven. AFSTEMMING OP AM/FM RADIOSTATION Met de toets "Afstem." kan rechtstreeks een radiostation geselecteerd worden. Druk op de toets "Afstem." op het display en selecteer vervolgens het eerste nummer van het gewenste radiostation (zie fig. 5).
DAB-RADIO (voor bepaalde versies/markten) Zodra de DAB-radiomodus op het display wordt geselecteerd, wordt de informatie over het beluisterde station getoond (zie fig. 6) en zijn de volgende functies beschikbaar: Selectie van het volgende/vorige radiostation door: ❒ draaien van de toets/knop BROWSE ENTER (7-fig. 1); ❒ kort drukken op de toetsen of op het display; of op het ❒ drukken op de bedieningstoetsen stuurwiel. of ingedrukt om snel door Houd de toetsen de lijst van stations te lopen. fig.
AUDIO Druk op de toets SETTINGS (10-fig. 1) op het frontpaneel om het menu "Audio" te openen, loop door het menu en selecteer en druk vervolgens op de optie "Audio" op het display.
Balance/Fade Druk op de toets "Balance/Fade" om de balans tussen de voorste en achterste luidsprekers te regelen. Druk op de toetsen of om de balans tussen de voorste en achterste luidsprekers te regelen (zie fig. 8). Druk op de toetsen of om de balans tussen de luidsprekers aan linker- en rechterkant te regelen. Deze regeling kan ook gebeuren door het symbool aan de rechterkant van het display naar beneden/boven/links/rechts te verplaatsen. Druk op de middelste toets "C" om de regelingen te balanceren.
Loudness (voor bepaalde versies/markten Zorgt voor in-/uitschakeling van de functie "Loudness", waarmee de geluidskwaliteit bij lage volumes wordt verbeterd. Auto-On Radio Selecteert het radiogedrag wanneer de contactsleutel naar MAR (aan) wordt gedraaid. De opties zijn radio aan, radio uit of herstel van de toestand die actief was toen de contactsleutel de laatste keer naar STOP was gedraaid. 386 Vertrag. uitsch.
MEDIA-MODUS In dit deel worden de bedieningswijzes beschreven met betrekking tot de werking van CD, Bluetooth ® AUX, USB/iPod fig. 10. BELANGRIJK Toepassingen die gebruikt worden op draagbare apparaten kunnen mogelijk niet compatibel zijn met het Uconnect™ systeem. Druk op de toets "Bron" om de gewenste audiobron onder de beschikbare bronnen te selecteren: CD, AUX, USB/iPod of Bluetooth®. Als geen bron wordt gekozen, verdwijnt het scherm na enkele seconden en toont het display opnieuw het hoofdscherm.
Gebruik de toets "ABC" binnen elke lijst om naar de gewenste letter in de lijst te springen. 388 OPMERKING Voor talen met speciale tekens (bijv. Grieks) die niet door het systeem worden ondersteund, is het toetsenbord niet beschikbaar. In deze gevallen is bovenstaande functie beperkt. OPMERKING Deze toets kan voor bepaalde Apple® apparaten uitgeschakeld zijn. OPMERKING De toets "Browse" staat geen enkele handeling op een AUX apparaat toe.
CD-SPELER INBRENGEN/UITWERPEN VAN DE CD Om de CD-functie in te schakelen, een audio-CD of een MP3 in de speciale sleuf steken 4 (fig. 1) of op de MEDIA-knop (11 - fig. 1) op het voorpaneel drukken. Als er een CD in de speler zit, op de grafische toets "Bron" drukken en vervolgens "CD" kiezen. Als de geladen CD niet kan worden gelezen (bijv. als een CD-ROM is ingebracht of een CD andersom is ingebracht, of als er een leesfout is), verschijnt er een foutmelding op het display.
❒ als de koppelingsprocedure met succes is afgesloten, wordt een scherm getoond. Als "Ja" op Deze functie wordt geactiveerd door een Bluetooth® de vraag wordt geselecteerd, wordt het apparaat met muziekstukken aan het systeem te Bluetooth® audioapparaat als favoriet gekoppeld koppelen. (het apparaat heeft voorrang op alle andere apparaten die later worden gekoppeld). Als "Nee" EEN Bluetooth® AUDIOAPPARAAT wordt geselecteerd, wordt de prioriteit op basis KOPPELEN van de volgorde van verbinding bepaald.
USB/iPod HOUDER AUX-ONDERSTEUNING Om de USB/iPod modus te activeren, moet het betreffende apparaat (USB of iPod) in de USB-poort fig. 11 in de auto worden ingebracht. Als een USB/iPod apparaat bij ingeschakeld systeem wordt ingebracht, zal dit de nummers op het apparaat beginnen af te spelen. Om de AUX-functie in te schakelen een geschikt apparaat aansluiten op de AUX-aansluiting in het voertuig.
TELEFOONMODUS ACTIVERING TELEFOONMODUS Druk op de TELEFOON-toets (9-fig. 1) op het frontpaneel om de telefoonmodus in te schakelen. Het volgende scherm verschijnt op het display (zie fig. 12). BELANGRIJKSTE FUNCTIES Met de toetsen op het display kan men: ❒ het telefoonnummer kiezen (met behulp van het grafische toetsenbord op het display); ❒ de contacten in het telefoonboek van de mobiele telefoon tonen en bellen; ❒ de contacten uit de registers van vorige gesprekken tonen en bellen; fig.
MOBIELE TELEFOON KOPPELEN BELANGRIJK Voer deze handeling uit bij stilstaande auto en onder veilige omstandigheden; deze functie is uitgeschakeld wanneer de auto rijdt. Hieronder wordt de koppelingsprocedure van de mobiele telefoon beschreven: raadpleeg in elk geval ook de handleiding van de mobiele telefoon. Ga als volgt te werk voor het koppelen van de mobiele telefoon: ❒ activeer de functie Bluetooth ® op de mobiele telefoon; ❒ druk op de PHONE-toets (9-fig.
NAMEN/NUMMERS IN HET TELEFOONBOEK VAN DE MOBIELE TELEFOON OPSLAAN Voordat u de mobiele telefoon koppelt, dient u te controleren of de namen van de contactpersonen in het telefoonboek van de mobiele telefoon zijn opgeslagen, zodat ze via het handsfreesysteem in de auto gebeld kunnen worden. Als het telefoonboek geen enkele naam bevat, voer dan nieuwe namen in voor de nummers die het vaakst worden gebruikt. Zie voor meer informatie de handleiding van de mobiele telefoon.
EEN MOBIELE TELEFOON OF EEN Bluetooth® AUDIOAPPARAAT AANSLUITEN OF LOSKOPPELEN Aansluiting Het systeem verbindt zich automatisch met de gekoppelde mobiele telefoon met de hoogste prioriteit. Ga als volgt te werk om een specifieke mobiele telefoon of Bluetooth® audioapparaat te kiezen: ❒ druk op de toets SETTINGS (10-fig. 1) op het frontpaneel; ❒ selecteer de optie "Telefoon / Bluetooth" op het display; ❒ selecteer de lijst "Gekopp. telefoons" of "Gekopp. audio-toest.
❒ selecteer het apparaat (mobiele telefoon of Bluetooth® apparaat); ❒ druk op de toets "Toestel verwijderen"; ❒ er verschijnt een bevestigingsscherm op het display: druk op "JA" om het apparaat te verwijderen of op "Nee" om de bewerking te annuleren.
Het telefoonnummer kiezen met het pictogram "toetsenbord" op het display Voer het telefoonnummer in op het toetsenbord getoond op het display. Ga als volgt te werk: ❒ druk op de PHONE-toets (9-fig. 1) op het frontpaneel; ❒ druk op de toets op het display en gebruik de nummertoetsen om het nummer in te voeren; ❒ druk op de toets "Bellen" om het nummer te bellen.
Een oproep beantwoorden EEN TWEEDE NUMMER BELLEN Wanneer een oproep op de mobiele telefoon ontvangen wordt, schakelt het systeem het audiosysteem (indien actief) uit en toont een scherm op het display. Druk op de toets "Antwoord" of op de toets op het stuurwiel om te antwoorden.
EEN GESPREK BEËINDIGEN DE MICROFOON IN-/UITSCHAKELEN Druk op de toets "Einde" of op de toets op het stuurwiel om het lopende gesprek te beëindigen. Alleen het actieve gesprek wordt beëindigd en een eventueel gesprek in de wacht wordt het nieuwe actieve gesprek. Afhankelijk van het type mobiele telefoon: als het lopende gesprek door degene die u heeft gebeld wordt beëindigd, kan het gebeuren dat het gesprek in de wacht niet automatisch geactiveerd wordt.
Bij ontvangst van een tekstbericht, toont het display een scherm waarop de opties "Luisteren", "Bellen" of "Negeer" gekozen kunnen worden. Druk op de toets voor toegang tot de lijst van SMS-berichten die door de mobiele telefoon zijn ontvangen (de lijst toont een maximum van 60 ontvangen berichten).
Beide functies kunnen gereset worden (reset - begin van een nieuwe rit): houd hiervoor een van beide toetsen, "Trip A" of "Trip B" ingedrukt. KLOK Druk op de toets "Klok" (zie fig. 13) om de klok weer te geven. eco:Drive Dankzij de toepassing eco:Drive (fig. 14) kan de bestuurder zijn rijstijl bewaken om efficiënter te rijden in termen van brandstofbesparing en lagere (CO2) emissie.
Een "eco:Drive" is een "vloeiender" manier van rijden, zelfs als verkeersomstandigheden dit vaak verhinderen. Een meer "aggressieve" manier van rijden brengt, daarentegen, frequente acceleratie/deceleratie met zich mee met als gevolg hoger brandstofverbruik en meer schadelijke emissies. Inschakeling Druk op de toets "eco:Drive" (zie fig. 13) om van deze functie gebruik te maken. Druk op de toets "eco: Drive ON" om de functie te activeren. Er wordt een scherm weergegeven (zie fig.
Gegevensoverdracht INSTELLINGEN De tripgegevens worden opgeslagen in het systeemgeheugen. Door een USB-stick correct te configureren en naar de website eco:Drive te gaan, kan de historie van trips gearchiveerd worden in een persoonlijk profiel en kunnen de algemene analyse van de tripgegevens en de rijstijl geraadpleegd worden. Verwijder de USB-stick niet voordat het systeem de gegevens heeft gedownload, want anders kunnen de gegevens geheel of gedeeltelijk verloren raken.
Weergave Het menu "Weergave" bevat de volgende opties: ❒ "Helderheid" (deze regeling is niet beschikbaar wanneer de displaymodus op "Automatisch" is ingesteld: selecteer "Helderheid" en druk op de toetsen "+" of "–" om de helderheid van het display te regelen bij in- of uitgeschakelde koplampen (de instelling die niet overeenkomt met de actieve toestand van de koplampen is grijs gekleurd).
Klok & Datum Datum instellen Gebruik deze functie om de klok in te stellen. Ga voor het instellen van de datum te werk zoals voor het instellen van de tijd: selecteer "Datum instellen" om dag, maand en jaar in te stellen. Tijd instellen Druk op de toets SETTINGS (10-fig. 1) op het frontpaneel en selecteer "Klok & Datum" (zie fig. 17). Selecteer "Tijd instellen" en druk op de toetsen of (zie fig. 18) om de uren en minuten in te stellen. Druk op de toetsen "12h" of "24h" om het tijdformaat in te stellen.
Portieren + Vergrend. Gebruik deze functie om de automatische portiervergrendeling bij rijdende auto in of uit te schakelen (functie "Autoclose"). Audio Zie de paragraaf "Audio" in het hoofdstuk "Systeem in-/uitschakelen". Telefoon / Bluetooth Zie de beschrijving in de paragraaf "Een mobiele telefoon of een audioapparaat Bluetooth ® aansluiten/loskoppelen" in het hoofdstuk "Telefoonmodus".
SPRAAKOPDRACHTEN OPMERKING Voor talen die niet door het systeem worden ondersteund, zijn geen spraakopdrachten beschikbaar. BELANGRIJK Het volume van de spraakopdrachten kan alleen geregeld worden terwijl de spraakopdrachten worden weergegeven door de toets/knop (ON/OFF) te bedienen.
GEBRUIK VAN DE TOETSEN OP HET STUURWIEL OM DE SPRAAKOPDRACHTEN TE ACTIVEREN Toets "Telefoon" De knop op het stuurwiel activeert het "Telefoon" spraakherkenningssysteem om te bellen, recente/ontvangen/verzonden oproepen te tonen, het telefoonboek weer te geven, etc. Elke keer dat op de toets wordt gedrukt, wordt een "biep" (geluidssignaal) afgegeven dat de gebruiker uitnodigt om een opdracht uit te spreken.
STATUS VAN DE SPRAAKSESSIE MULTIPLE CHOICE Het systeem geeft op het display de status van de spraaksessie met speciale pictogrammen aan: ❒ (groen pictogram): wordt getoond wanneer het systeem luistert. In dit geval kan een spraakopdracht gegeven worden; ❒ (groen pictogram): wordt getoond wanneer het systeem de uitgesproken spraakopdracht heeft geïnterpreteerd en de betreffende functie wordt uitgevoerd.
ALGEMENE SPRAAKOPDRACHTEN OPMERKING Voor talen die niet door het systeem worden ondersteund, zijn geen spraakopdrachten beschikbaar. fig.
SPRAAKOPDRACHTEN TELEFOON fig.
fig.
fig.
fig.
fig.
fig. 26 A0J1574 OPMERKING Als de velden en niet door het systeem ondersteunde speciale tekens of talen bevatten (bijv. Grieks), dan zullen geen spraakopdrachten beschikbaar zijn.
SPRAAKOPDRACHTEN RADIO AM/FM/DAB fig.
fig.
SPRAAKOPDRACHTEN MEDIA fig.
fig.
fig. 31 A0J1569 OPMERKING Als de velden aangegeven in punt 11 niet door het systeem ondersteunde speciale tekens of talen bevatten (bijv. Grieks), dan zullen geen spraakopdrachten beschikbaar zijn.
OVERZICHT NUMMERS KLANTENSERVICE In de volgende tabel zijn de specifieke nummers van de Klantenservice voor elk land vermeld. Land Universeel gratis telefoonnummer Oostenrijk 00800.3428.0000 België 00800.3428.0000 (*) 0800.55111 +39.02.444.12.041 Denemarken 00800.3428.0000 (*) 80.60.88.00 +39.02.444.12.041 Frankrijk 00800.3428.0000 0800.3428.00 +39.02.444.12.041 Duitsland 00800.3428.0000 0800.3428.000 +39.02.444.12.041 800.11500.
ALFABETISCH REGISTER 3e remlicht (lamp vervangen)................................. Aanhangers trekken ................. Aansteker ..................................... ABS................................................ ABS (systeem) ............................ Accu.............................................. – advies voor verlengen levensduur.............................. – vervangen ............................... Accu (opladen) ........................... Achterlichtunits..........................
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 426 DST (stuurcorrectie) Geprogrammeerd (systeem) ................................... 114 onderhoudsschema ................. DST-systeem Gewichten en belastingen........ (stuurcorrectiesysteem)......... 114 Gordelspanners.......................... Een wiel vervangen................... 204 Grootlicht Elektrische ruitbediening .......... 92 – bediening ...............
– lampen (vervangen).............. 217 Luchtroosters boven.................. vervangen)................................. 227 – typen lampen......................... 218 Luchtroosters in het midden ... Kinderen veilig vervoeren ........ 148 Lampjes en berichten................ 188 Kinderzitjes (geschiktheid Menuopties ................................. voor gebruik) ............................ 153 Lamp vervangen Milieubescherming..................... Klimaatcomfort ...........................
WEGWIJS IN UW AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN LAMPJES EN BERICHTEN NOODGEVALLEN ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS ALFABETISCH REGISTER 428 Opbergvakken ............................. 80 Radiofrequentie Opheffen van het voertuig ...... 241 afstandsbediening: ministeriële goedkeuringen ... 311 Optionele accessoires .............. 133 Regensensor................................. 66 Reiniging en onderhoud Parkeersensoren ....................... 134 – auto-interieur........................ 275 Parkeren..
Stuurinrichting ............................ 285 Stuurslot ....................................... 30 Stuurwiel....................................... 37 Tafel .............................................. 34 Tanken.................................. 137-138 Technische gegevens ................. 276 Toerenteller ................................. 6 Traction Plus systeem............... 115 Transmissie.................................. 283 Trip Computer – Trip Computer.......................
Fiat Chrysler Automobiles N.V. - MOPAR - Technical Services - Service Engineering Largo Senatore G. Agnelli, 3 - 10040 Volvera - Torino (Italia) Druknummer 603.99.
COP 500L UM NL SISTEMA QUADRO 27/02/14 16.59 Pagina 2 WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Wij, die uw auto hebben bedacht, ontworpen en gebouwd, kennen daarvan werkelijk elk detail en onderdeel. In de erkende Fiat Service garages vindt u technici die rechtstreeks door ons zijn opgeleid die kwaliteit en professionaliteit bieden voor alle onderhoudswerkzaamheden.
COP 500L UM NL SISTEMA QUADRO 27/02/14 16.59 Pagina 1 F I A T 5 0 0 L NEDERLANDS De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Fiat behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk. Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.