COP 500X LUM NL_COP 500X LUM NL 30/10/14 15.46 Pagina 1 F I A T 5 0 0 X NEDERLANDS De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Fiat Chrysler Automobiles behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk. Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.
COP 500X LUM NL_COP 500X LUM NL 30/10/14 15.46 Pagina 2 WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Dit Instructieboek is bedoeld om de bedrijfsomstandigheden van het voertuig te verduidelijken. Voor de enthousiaste gebruiker die de inzichten, curiositeiten en gedetailleerde informatie over de eigenschappen en functies van het voertuig wil weten, biedt Fiat de gelegenheid om een speciaal gedeelte te raadplegen dat beschikbaar is in elektronisch formaat.
Beste klant, Wij feliciteren u en bedanken u dat u voor een Fiat hebt gekozen. Wij hebben dit boekje opgesteld om u te helpen alle kenmerken van dit voertuig te leren kennen en het op de beste manier te gebruiken. Dit boekje bevat informatie, adviezen en belangrijke waarschuwingen voor een juist gebruik van het voertuig, zodat u het maximum uit de technologische eigenschappen van uw Fiat 500X kunt halen.
AANDACHTIG LEZEN TANKEN Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON die aan de Europese specificatie EN228 voldoet. Gebruik geen benzine die methanol of ethanol E85 bevat. Het gebruik van dergelijke mengsels kan leiden tot problemen met de ontsteking en het rijden, evenals tot beschadiging van fundamentele componenten van het brandstoftoevoersysteem.
SYMBOLEN Sommige onderdelen van het voertuig zijn voorzien van gekleurde plaatjes met daarop symbolen die de voorzorgsmaatregelen aangeven die in acht genomen moeten worden wanneer het betreffende onderdeel wordt gebruikt. Een plaatje waarop deze symbolen zijn samengevat bevindt zich onder de motorkap.
GEBRUIK VAN HET INSTRUCTIEBOEK BEDIENINGSAANWIJZINGEN Elke keer als er aanwijzingen over de richting van het voertuig worden gegeven (links/rechts of vooruit/achteruit), dan moeten deze begrepen worden als gezien door een inzittende op de bestuurdersstoel. Speciale uitzonderingsgevallen op deze regel zullen duidelijk in de tekst zijn aangegeven.
WEGWIJS IN UW AUTO WEGWIJS IN UW AUTO Grondige kennis van uw nieuwe voertuig begint hier. In dit boekje is op eenvoudige en rechtstreekse wijze beschreven hoe uw voertuig gemaakt is en hoe het werkt. Daarom adviseren u het comfortabel zittend in uw voertuig te lezen, dan kunt u met eigen ogen onmiddellijk zien wat hier beschreven is. DASHBOARD ................................. 7 DE SLEUTELS ................................ 8 STARTINRICHTING ......................... 9 FIAT CODE............................
DASHBOARD 12 1 11 F1B0321C 1. Verstelbare luchtroosters aan de zijkant 2. Linker hendel: richtingaanwijzers, grootlicht, grootlichtsignaal, rijbaanwisselfunctie 3. Instrumentenpaneel 4. Bedieningselementen op het stuurwiel: Cruise-Control, Snelheidsbegrenzer 5. Rechter hendel: ruitenwisser/-sproeier, achterruitwisser/-sproeier, instelling gevoeligheid regensensor 6. Display: radio / Uconnect™ 7. Start&Stop, Alarmknipperlichten, leds status passagiersairbag 8. Gekoeld opbergvak boven 9.
WEGWIJS IN UW AUTO DE SLEUTELS SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING 1) 1) Met de metalen baard A fig. 2 kunnen de volgende sloten bediend worden: ❒ het contactslot; ❒ het slot van het bestuurdersportier. 3 F1B0008C Portier en bagageruimte vergrendelen 2 F1B0007C Druk op knop B om de metalen baard in/uit te klappen. 1) ELEKTRONISCHE SLEUTEL (versies met "Keyless Go" systeem) Bij versies uitgerust met "Keyless Go" systeem, heeft het voertuig een elektronische sleutelfig.
STARTINRICHTING BELANGRIJK 1) De elektronische onderdelen in de sleutels kunnen beschadigen als de sleutel aan sterke schokken wordt blootgesteld. Om een correcte werking van de inwendige elektronische componenten te garanderen, mag de sleutel nooit aan direct zonlicht blootgesteld worden. BELANGRIJK 1) Gebruikte batterijen kunnen schadelijk zijn voor het milieu als ze niet op de juiste wijze als afval verwerkt worden. Ze moeten overeenkomstig de wet in speciale bakken gedeponeerd worden.
WEGWIJS IN UW AUTO 10 ❒ MAR: rijstand. Alle elektrische apparaten/systemen kunnen werken. Deze toestand kan verkregen worden door éénmaal op de startknop te drukken, zonder het rempedaal (versies met automatische versnellingsbak) of het koppelingspedaal (versies met handgeschakelde versnellingsbak) in te trappen; ❒ AVV: motor starten. OPMERKING De startinrichting wordt NIET ingeschakeld als de elektronische sleutel zich in de bagageruimte bevindt en de achterklep open staat.
6) Alvorens het voertuig te verlaten ALTIJD de parkeerrem inschakelen, de wielen draaien, de eerste versnelling inschakelen bij een helling omhoog en de achteruitversnelling bij een helling omlaag. Zet de versnellingspook, bij versies met automatische versnellingsbak, in P (Parkeren) en druk op de startinrichting om deze op STOP te zetten. Als het voertuig op een steile helling wordt geparkeerd, blokkeer de wielen dan met of wiggen of stenen.
WEGWIJS IN UW AUTO 12 ALARM Activering van het alarm leidt tot een geluidssignaal en het knipperen van de richtingaanwijzers. Als het alarm in ingeschakeld, gaat lampje A fig. 6 op het instrumentenpaneel knipperen. Om het alarm volledig buiten werking te stellen (bijv. als het voertuig lang niet wordt gebruikt), de portieren afsluiten door de metalen baard van de sleutel met afstandsbediening in het slot om te draaien.
PORTIEREN Handmatige vergrendeling/ ontgrendeling PORTIEREN VERGRENDELEN/ ONTGRENDELEN VAN BINNENUIT De portieren kunnen ook vergrendeld/ ontgrendeld worden door voorziening A fig. 8, ingebouwd in de binnenhandgrepen van de voorportieren, te draaien. Centrale vergrendeling/ ontgrendeling Als alle portieren goed gesloten zijn worden ze automatisch vergrendeld zodra het voertuig de snelheid van 20 km/h overschrijdt (functie "Autoclose").
WEGWIJS IN UW AUTO Als het systeem vaststelt dat de elektronische sleutel buiten het voertuig geldig is, kan de bezitter van de sleutel gewoon een van de handgrepen van de voorportieren vastpakken om het alarm uit te schakelen en het openingsmechanisme van het portier en de achterklep te ontgrendelen.
KINDERSLOT BELANGRIJK 9) 10) Dit systeem zorgt ervoor dat de achterportieren van binnenuit niet geopend kunnen worden. Het fig. 12 systeem kan alleen bij geopende portieren worden ingeschakeld: 11 9) Laat kinderen NOOIT zonder toezicht achter in het voertuig, laat het voertuig evenmin met ontgrendelde portieren op een plaats staan waar kinderen er gemakkelijk toegang toe kunnen krijgen. Kinderen kunnen zich ernstig of zelfs dodelijk verwonden.
WEGWIJS IN UW AUTO 3) De werking van het herkenningssysteem is afhankelijk van verschillende factoren, zoals, bijvoorbeeld, elke interferentie van elektromagnetische golven van externe bronnen (bijv. mobiele telefoons), de laadtoestand van de batterij in de elektronische sleutel en de aanwezigheid van metalen voorwerpen in de buurt van de sleutel of het voertuig.
ELEKTRISCH VERSTELBARE VOORSTOELEN Afstelling in de lengte 5) De knoppen voor elektrische verstelling van de stoel bevinden zich aan de buitenkant van de stoel, vlakbij de vloer. Deze knoppen kunnen gebruikt worden om de stoel in de hoogte, in de lengte ten opzichte van het voertuig en de hoek van de rugleuning te verstellen. Druk schakelaar A naar voren of naar achteren om de stoel in de overeenkomstige richting te verplaatsen.
WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK Om de acculading te behouden, kan deze functie niet ingeschakeld worden als de motor uit staat. ACHTERBANK Gedeeltelijke uitbreiding van de bagageruimte (1/3 of 2/3) 13) 6) ❒ verwijder de hoedenplank zoals hiervoor is beschreven. ❒ zet de hoofdsteunen van de achterbank helemaal naar beneden; ❒ plaats de veiligheidsgordel opzij en controleer of deze volledig uitgetrokken en niet verdraaid is; ❒ bedien ontgrendelingsmechaniek A fig.
❒ druk op beide knoppen A en B fig. 18 aan de zijkanten van de twee steunen, en verwijder de hoofdsteun. HOOFDSTEUNEN VOOR 14) Verstellen Deze kunnen op 4 hoogtestanden worden afgesteld (volledig omhoog / 2 tussenstanden / volledig omlaag). Omhoog verstellen: breng de hoofdsteun omhoog tot deze op zijn plaats vastklikt. BELANGRIJK Zet de hoofdsteunen altijd weer op hun plaats als ze verwijderd zijn alvorens normaal verder te rijden.
WEGWIJS IN UW AUTO STUURWIEL ACHTERUITKIJKSPIEGELS 15) 16) BINNEN INSTELLINGEN Met handmatige verstelling Het stuurwiel kan zowel in hoogte als axiaal versteld worden. 21 F1B0032C Deze spiegel is voorzien van een beveiligingsmechanisme dat ervoor zorgt dat de spiegel losschiet bij een heftige botsing met de passagier. BELANGRIJK Als deze functie wordt ingeschakeld terwijl de motor uitgeschakeld is, kan de accu geleidelijk leeglopen. BELANGRIJK 20 F1B0031C Om te verstellen, hendel A fig.
De elektrisch dimbare spiegel heeft een ON/OFF-toets om de elektrisch dimbare anti-verblindingsfunctie in/uit te schakelen. 24 23 F1B0034C Bij inschakeling van de achteruit, wordt de spiegel automatisch ingesteld op de dagstand. BUITEN Elektrische verstelling De spiegels kunnen alleen worden versteld met de startinrichting in stand MAR. Kies de gewenste spiegel met knop A fig. 24: 17) ❒ stand 1: linker spiegel gekozen; ❒ stand 2: rechter spiegel gekozen.
WEGWIJS IN UW AUTO BUITENVERLICHTING LICHTSCHAKELAAR Met lichtschakelaar A fig. 26, die zich op de linkerzijde van het dashboard bevindt, worden het stadslicht, de dagrijlichten, het dimlicht, de mislampen en de regeling lichtsterkte instrumentenpaneel en de symbolen op de bedieningsknoppen bediend. AUTOMATISCHE FUNCTIE (Schemersensor) (waar aanwezig) Dit is een infrarood-ledsensor die samen met de regensensor werkt en die zich op de voorruit bevindt.
MISTACHTERLICHT Uitschakelen De knop waarmee het in- en uitschakelen van het mistachterlicht wordt bediend, is ingebouwd in de lichtschakelaar. om het Druk op de knop mistachterlicht in te schakelen, als het stadslicht en de mistlampen voor branden. Deze functie wordt uitgeschakeld door het inschakelen van de koplampen, de stadslichten of door de startinrichting op MAR te zetten.
WEGWIJS IN UW AUTO Wanneer de snelheid hoger is dan 40 km/h en de functie actief is, wordt deze, als de hendel weer in de stabiele middelste stand gezet wordt, uitgeschakeld en gaat het grootlicht uit. Als de snelheid lager is dan 15 km/h en de functie ingeschakeld is, schakelt het systeem het grootlicht automatisch uit.
19) De dagverlichting mag het dimlicht niet vervangen tijdens het rijden in het donker en in tunnels. Het gebruik van de dagverlichting wordt geregeld door de wegenverkeerswetgeving van het land waar u rijdt. Houd u aan de wettelijke voorschriften. INTERIEURVERLICHTING Tijdregeling plafondverlichting PLAFONDVERLICHTING VOOR Schakelaar A fig. 29 wordt gebruikt om de plafondverlichting in/uit te schakelen.
WEGWIJS IN UW AUTO RUITENWISSERS/ ACHTERRUITWISSER Deze werken alleen met de startinrichting in de stand MAR. RUITENWISSERS/ -SPROEIERS Werking 7) 8) 20) Draaischakelaar A fig. 30 kan in de volgende standen gezet worden: ruitenwissers uit langzaam wissen met interval snel wissen met interval LAAG langzaam continu wissen HOOG snel continu wissen. Hef de hendel op (onstabiele stand) om de MIST-functie in te schakelen: de werking wordt beperkt tot de tijd dat de hendel in deze stand wordt gehouden.
ACHTERRUITWISSER/ -SPROEIER BELANGRIJK 20) Zet draaischakelaar B fig. 30 van stand om de O naar stand achterruitwisser als volgt in te schakelen: ❒ wissen met interval wanneer de ruitenwissers voor niet werken; ❒ synchroon wissen met de ruitenwissers voor (maar met de halve wisfrequentie); ❒ in continue modus met actieve bediening of ingeschakelde achteruitversnelling. Stand : wissen met interval. : langzaam continu wissen.
WEGWIJS IN UW AUTO KLIMAATREGELING 2) HANDBEDIENDE KLIMAATREGELING 32 A - knop voor inschakeling/regeling ventilator: ❒ 0 = ventilator uitgeschakeld ❒ = ventilatorsnelheid (er kunnen 7 verschillende snelheden gekozen worden) B - aan/uitknop luchtrecirculatie; C - knop voor instelling luchttemperatuur en inschakeling MAX A/C-functie: ❒ blauwe gebied = koude lucht ❒ rode gebied = warme lucht 28 F1B0052C
D - knop voor inschakeling/uitschakeling aircocompressor (niet beschikbaar voor uitvoeringen met alleen verwarming); E - draaiknop luchtverdeling: lucht uit luchtuitstroomopeningen midden, zijkant en middelste luchtrooster lucht uit luchtroosters in het midden, aan de zijkant, luchtuitstroomopeningen in het midden en beenruimten voor en achter luchtstroom uit de luchtroosters beenruimten voor en achter en tevens een lichte luchtstroom uit de luchtuitstroomopeningen aan de zijkant op het dashboard luchtstroo
WEGWIJS IN UW AUTO AUTOMATISCHE DUAL-ZONE KLIMAATREGELING 33 A - regelknop temperatuur bestuurderszijde; B - aan/uitknop interne luchtrecirculatie; C - knop voor inschakeling/uitschakeling compressor klimaatregeling; D - Inschakelingsknop MAX-DEF functie (snel ontdooien/ontwasemen van de voorruiten); E - aan/uit knop klimaatregeling; F - knop voor instelling ventilatorsnelheid; G - led ventilatorsnelheid; H - selectieknoppen luchtverdeling; I - Knop voor inschakeling/uitschakeling achterruitverwarming; L
Selectie luchtverdeling Luchtstroom naar de uitstroomopeningen van de voorruit en de voorste zijruiten om deze te ontwasemen of te ontdooien. Luchtstroom naar de luchtroosters in het midden en aan de zijkant van het dashboard om de borst en het gelaat tijdens het warme seizoen te verkoelen. Luchtstroom naar de uitstroomopeningen voor de beenruimten voor en achter. Deze luchtverdeling zorgt voor een snelle verwarming van het interieur, waardoor onmiddellijk een behaaglijk gevoel wordt verkregen.
WEGWIJS IN UW AUTO 32 Start&Stop De automatische dual-zone klimaatregeling regelt het Start&Stopsysteem (motor wordt afgezet wanneer de voertuigsnelheid 0 km/h is) om een passend comfort in het interieur te garanderen. Wanneer het Start&Stopsysteem is ingeschakeld (motor uit en voertuig stilstaand), wordt de automatische recirculatiefunctie met lucht van buitenaf uitgeschakeld om de kans op beslagen ruiten te verminderen (aangezien de compressor is uitgeschakeld).
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING 21) De elektrische ruitbediening werkt met de startinrichting op MAR en gedurende ongeveer 3 minuten nadat de startinrichting op STOP is gezet (of de sleutel verwijderd is). Wanneer een van de voorportieren wordt geopend wordt het systeem buiten werking gesteld. Bedieningselementen bestuurdersportier Alle ruiten kunnen bediend worden vanaf het portierpaneel aan bestuurderszijde fig. 34. ❒ A: linker voorruit openen/sluiten.
WEGWIJS IN UW AUTO Knelbeveiliging ruit voorportier (waar aanwezig) Dit veiligheidssysteem kan de aanwezigheid van een obstakel tijdens het sluiten van de ruit herkennen. Als dat gebeurt, wordt de beweging van de ruit door het systeem gestopt en omgekeerd, afhankelijk van de stand. De ruit zakt vervolgens ongeveer 5 cm ten opzichte van de eerste stopstand. Tijdens de omkering van de beweging kan de ruit op geen enkele manier bediend worden.
Dit type scharnieropening kan geactiveerd worden ongeacht de stand van het schuifdak. Als het dak in gesloten stand staat, wordt het door het indrukken van de knop automatisch geopend in scharnierstand. Als het reeds geopend is, moet de knop ingedrukt gehouden worden tot het dak de scharnierstand bereikt heeft. Als knop C tijdens de automatische beweging van het dak nogmaals wordt ingedrukt, wordt de beweging gestopt.
WEGWIJS IN UW AUTO ❒ druk knop A binnen 5 seconden in: het dak zal een volledige openingsen sluitingscyclus uitvoeren (om aan te geven dat de initialisatieprocedure correct is uitgevoerd). Als dit niet gebeurt, moet de procedure vanaf het begin herhaald worden. ❒ maak de steunstang C fig. 41 los uit klem D, en zet het uiteinde ervan in de zitting E op de motorkap. MOTORKAP OPENEN Ga als volgt te werk: ❒ trek de hendel fig.
❒ laat de motorkap tot op ongeveer 40 cm van de motorruimte zakken en laat hem dan vallen. Controleer of de motorkap volledig gesloten is en niet alleen met de beveiliging is vergrendeld door te proberen hem op te tillen. Als de motorkap niet perfect gesloten is, probeer dan niet erop te drukken maar open hem opnieuw en herhaal de handeling. BELANGRIJK Controleer altijd of de motorkap goed vergrendeld is om te voorkomen dat deze tijdens het rijden open gaat.
WEGWIJS IN UW AUTO De richtingaanwijzers zullen tweemaal knipperen en tegelijkertijd gaat de plafondverlichting branden wanneer de bagageruimte wordt geopend; de plafondverlichting gaat automatisch uit wanneer de achterklep wordt gesloten (zie ook "Interieurverlichting"). Als de achterklep open staat, zal de plafondverlichting automatisch uitgeschakeld worden om de accu niet te laten ontladen.
❒ Drempelniveau (hoog) fig. 47: gecombineerd met het neerklappen van de rugleuning van de achterbank en de rugleuning van de passagiersstoel voor, kunnen lange voorwerpen ingeladen worden. Het vergemakkelijkt bovendien het laden/lossen van voorwerpen in/uit de bagageruimte. Hierbij kan ook de ruimte onder de laadvloer (dubbele bodem) gebruikt worden om voorwerpen op te bergen die breekbaarder of klein zijn.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 40 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL In dit deel van het instructieboek vindt u alle informatie die u nodig hebt om het instrumentenpaneel goed te begrijpen, te interpreteren en te gebruiken. BEDIENINGSPANEEL EN BOORDINSTRUMENTEN................ DISPLAY ......................................... TRIP COMPUTER ........................... LAMPJES EN MELDINGEN.............
BEDIENINGSPANEEL EN BOORDINSTRUMENTEN VERSIES MET ENKELKLEURIG DISPLAY 49 F1B0177C A. Snelheidsmeter – B. Brandstofmeter met reservelampje – C. Display – D. Digitale koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje oververhitting – E. Toerenteller. Waarschuwingslampje alleen aanwezig op dieseluitvoeringen. BELANGRIJK De verlichting van het instrumentenpaneel kan per versie verschillen.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL VERSIES MET KLEURENDISPLAY 50 F1B0178C A. Snelheidsmeter – B. Brandstofmeter met reservelampje – C. Display – D. Digitale koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje oververhitting – E. Toerenteller. Waarschuwingslampje alleen aanwezig op dieseluitvoeringen. BELANGRIJK De verlichting van het instrumentenpaneel kan per versie verschillen.
DISPLAY GEAR SHIFT INDICATOR (waar aanwezig) BESCHRIJVING 08:30 Het voertuig is uitgerust met een display waarop nuttige informatie voor de bestuurder weergegeven kan worden tijdens het rijden. 22°C 04/07/2014 Op het display fig. 51 of fig.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 44 BEDIENINGSKNOPPEN HOOFDMENU "Meeteenheid" Deze bevinden zich aan de linkerkant van het stuurwiel fig. 53. Hiermee kan de bestuurder de opties in het Hoofdmenu van het display selecteren en bedienen (zie paragraaf "Hoofdmenu"). Het menu biedt de volgende functies: ❒ TRIP ❒ MOOD SELECTOR/GSI ❒ VOERTUIGINFO ❒ DRIVER ASSIST ❒ AUDIO ❒ PHONE ❒ NAVIGATIE ❒ WAARSCHUWINGEN ❒ VOERTUIGINST.
"Veiligheid / Hulp" Zie voor mogelijke instellingen de paragraaf Uconnect™ in het betreffende hoofdstuk. "Lichten" Selecteer optie "Lichten" om de volgende instellingen te maken: "Interieurverlichting", "Koplampsensor" ,"Follow me", "Koplampen tijdens opening", "Autom. grootlicht", "Daglichten", "Flanklichten". "Portieren+Vergrend." Selecteer optie "Portieren+Vergrend." om de volgende instellingen te maken: "Autoclose", "Port. open bij uitstapp.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 46 LAMPJES EN MELDINGEN BELANGRIJK Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden en er verschijnt een speciaal bericht en/of er klinkt een geluidssignaal, wanneer van toepassing. Deze meldingen zijn korte waarschuwingen en mogen vanwege hun beknopte karakter niet worden beschouwd als volledig en/of een alternatief voor de informatie die is opgenomen in het Instructieboek. Het wordt daarom geadviseerd het instructieboek altijd aandachtig te lezen.
Controlelampje Wat het betekent STORING EBD Wanneer de lampjes (rood) en (geel) bij draaiende motor tegelijk gaan branden, dan is er een storing in het EBD-systeem of is het systeem niet beschikbaar. In dit geval kunnen de achterwielen bij hard remmen plotseling blokkeren waardoor de auto begint te slippen. Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde dealer van het Fiat Servicenetwerk om het systeem onmiddellijk te laten controleren.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 48 Controlelampje Wat het betekent STORING STUURBEKRACHTIGING Dit waarschuwingslampje (of het symbool op het display) gaat branden wanneer de startinrichting in de stand MAR wordt gezet, maar het moet na enkele seconden doven. Als het lampje blijft branden (of het symbool op het display blijft staan), zou de elektrische stuurbekrachtiging niet meer kunnen werken waardoor aanzienlijk meer inspanning nodig is om het voertuig te besturen.
Controlelampje Wat het betekent TE HOGE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR Het waarschuwingslampje gaat branden (of bij sommige versies verschijnt het pictogram op het display) wanneer de motor oververhit is. Tijdens een normale rit: breng het voertuig tot stilstand, zet de motor af en controleer of het koelvloeistofniveau in het reservoir zich niet onder het MIN-teken bevindt.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 50 Controlelampje Wat het betekent iTPMS Storing iTPMS Het lampje gaat branden wanneer er een storing in het iTPMS wordt gedetecteerd. Als op een of meerdere wielen geen sensoren zijn gemonteerd, verschijnt er een bericht op het display tot de oorspronkelijke condities zijn hersteld. WAARSCHUWING Rijd niet verder met een of meerdere lege banden, dit kan de bestuurbaarheid van de auto in gevaar brengen. Breng het voertuig tot stilstand, voorkom bruusk remmen en sturen.
Controlelampje Wat het betekent ESC-SYSTEEM Inschakeling ESC-systeem Inwerkingtreding van het systeem wordt aangegeven door het knipperen van het waarschuwingslampje: dit geeft aan dat de stabiliteit en de grip van het voertuig in kritieke toestand verkeren. Storing ESC-systeem Als het lampje niet dooft, of blijft branden terwijl de motor loopt, is er een storing in het ESC-systeem aangetroffen. Neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 52 Controlelampje Wat het betekent STORING INSPUIT-/EOBD-SYSTEEM Onder normale omstandigheden, wanneer de startinrichting in MAR wordt gezet, gaat het lampje branden maar dit moet doven zodra de motor is gestart. De verkeerspolitie beschikt over speciale apparatuur waarmee de werking van het lampje kan worden gecontroleerd. Neem in elk geval de wettelijke voorschriften in acht.
BELANGRIJK 13) Als, wanneer de startinrichting naar MAR wordt gedraaid, het lampje niet gaat branden of als het continu gaat branden of knipperen tijdens het rijden (bij sommige versies verschijnt er ook een bericht op het display), zo snel mogelijk contact opnamen met het Fiat Servicenetwerk. 14) Als, wanneer de startinrichting naar MAR wordt gedraaid, het lampje niet gaat branden of continu gaat branden of knipperen tijdens het rijden, zo snel mogelijk contact opnemen met het Fiat Servicenetwerk.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 54 Controlelampje Wat het betekent LANE ASSIST SYSTEEM Het waarschuwingslampje gaat als volgt branden: Waarschuwingslampje brandt continu (wit): het systeem is ingeschakeld, maar de grenslijnen werden niet gedetecteerd (de lijnen zijn grijs). Waarschuwingslampje brandt en knippert (geel): het voertuig heeft de grenslijn genaderd en staat op het punt deze te overschrijden.
Controlelampje Wat het betekent BRANDSTOFRESERVE/BEPERKTE ACTIERADIUS Dit lampje gaat branden (of het pictogram verschijnt op het display) wanneer er nog ongeveer 5 à 7 liter brandstof in de tank is. 15) STADSLICHT EN DIMLICHT Het lampje gaat branden wanneer het stadslicht of het dimlicht worden ingeschakeld. Met deze functie kunnen de koplampen gedurende 30, 60 of 90 seconden blijven branden nadat de startinrichting in de stand STOP werd gezet (functie "Follow me").
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Controlelampje Wat het betekent RECHTER RICHTINGAANWIJZER Het lampje gaat branden wanneer de richtingaanwijzerhendel omhoog wordt verplaatst of, samen met de linker richtingaanwijzer, wanneer de drukknop voor de alarmknipperlichten wordt ingedrukt. INSCHAKELING/UITSCHAKELING START&STOP-SYSTEEM Inschakelen: het symbool gaat branden wanneer het systeem wordt ingeschakeld; in dat geval is de led op de knop uit.
Symbool Wat het betekent STORING AIRBAG Als het symbool permanent blijft branden, dan is er een storing in het airbagsysteem. Neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk. MOTORKAP NIET GOED GESLOTEN Het symbool gaat branden als de motorkap niet goed gesloten is. Sluit de motorkap goed. ACHTERKLEP NIET GOED GESLOTEN Het symbool gaat branden als de achterklep niet goed gesloten is. Sluit de achterklep goed.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Symbool Wat het betekent STORING DYNAMO Het aangaan van het symbool terwijl de motor loopt komt overeen met een storing van de dynamo. Neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk. PORTIEREN NIET GOED GESLOTEN Het symbool gaat branden als een of meer portieren niet volledig gesloten zijn. Bij geopende portieren en rijdend voertuig klinkt er een geluidssignaal. Sluit de portieren goed.
Symbool Wat het betekent STORING FIAT CODE-SYSTEEM / INBRAAKPOGING STORING Fiat CODE-systeem Het symbool gaat branden om een storing van het Fiat CODE-systeem aan te geven. Neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk. Inbraakpoging Het symbool gaat branden wanneer de startinrichting in de stand MAR wordt gezet, om een mogelijke inbraakpoging die gedetecteerd is door het alarmsysteem aan te geven.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Symbool Wat het betekent STORING REGENSENSOR Het symbool gaat branden als er een storing van de regensensor is. Neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk. DEFECT START&STOP SYSTEEM Het symbool gaat branden om een storing van het Start&Stopsysteem aan te geven. Op het display verschijnt een speciaal bericht. Neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk.
Symbool Wat het betekent TIJDELIJKE STORING PARKEERSENSOREN (PARK ASSIST) Het symbool gaat branden als er een tijdelijke storing van de parkeersensoren is. Als het probleem nog aanwezig is na het reinigen van de zone van de parkeersensoren, contact opnemen met het Fiat Servicenetwerk. PERMANENTE STORING PARKEERSENSOREN (PARK ASSIST) Het symbool gaat branden als er een permanente storing van de parkeersensoren is.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Symbool Wat het betekent STORING AUTOMATISCH GROOTLICHT Het symbool gaat branden om een storing van de automatische inschakeling van het grootlicht aan te geven. Neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk. WATER IN DIESELFILTER (dieselversies) Het lampje brandt continu tijdens het rijden (en er verschijnt een bericht op het display) om de aanwezigheid van water in het brandstoffilter aan te geven.
Symbool Wat het betekent STORING BRANDTSOFNIVEAUSENSOR Het symbool gaat branden in geval van een storing van de brandstofpeilsensor. Wendt u zich tot het Fiatservicenetwerk. MOTOROLIE VERSLECHTERD (waar aanwezig) Dieselversies: het symbool gaat branden en wordt gedurende durende cycli van 3 minuten weergegeven en met intervallen van 5 seconden tot de olie ververst is. Het symbool wordt weergegeven tot het probleem is opgelost.
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Symbool Wat het betekent ALGEMENE STORING Het aangaan van het symbool duidt op een storing van de motoroliesensor. Neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk. GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD (SERVICE) Wanneer het onderhoudsinterval bijna is vervallen en de startinrichting op MAR wordt gezet, verschijnt het woord symbool, gevolgd door het aantal resterende kilometers/mijlen of het aantal resterende dagen (indien aanwezig).
VEILIGHEID Dit hoofdstuk is erg belangrijk. Hierin worden de veiligheidssystemen beschreven waarmee het voertuig is uitgerust en aanwijzingen over hoe deze op de juiste wijze gebruikt moeten worden. ACTIEVE VEILIGHEIDSSYSTEMEN . RIJHULPSYSTEMEN ...................... BESCHERMINGSSYSTEMEN INZITTENDEN ................................. VEILIGHEIDSGORDELS .................. S.B.R. SYSTEEM (SEAT BELT REMINDER) .................................... GORDELSPANNERS....................... KINDERZITJES ..............
VEILIGHEID ACTIEVE VEILIGHEIDSSYSTEMEN In het voertuig zijn de volgende actieve veiligheidssystemen aanwezig: ❒ ABS (Anti-lock Braking System); ❒ DTC-systeem (Drag Torque Control) ❒ ESC (Electronic Stability Control) (Elektronische Stabiliteitsregeling); ❒ TC (Traction Control) (Tractieregeling); ❒ PBA (Hydraulic Brake Assist) (Hydraulische remondersteuning); ❒ HHC (Hill Hold Control); ❒ DST (Dynamic Steering Torque); ❒ ERM (Electronic Rollover Mitigation); ❒ TSC (Trailer Sway Control).
Het ESC-systeem maakt gebruikt van de in het voertuig gemonteerde sensoren om het traject te bepalen dat de bestuurder wil volgen en vergelijkt dit met het werkelijke traject van het voertuig. Wanneer het werkelijke traject afwijkt van het gewenste traject, grijpt het ESC-systeem in om het overstuur of onderstuur van het voertuig te corrigeren. ❒ Overstuur: treedt op wanneer het voertuig meer draait dan overeenkomstig de hoek van het stuurwiel zou moeten.
VEILIGHEID 68 Het PBA-systeem wordt uitgeschakeld wanneer het rempedaal wordt losgelaten.
Om het slingereffect van de aanhanger tegen te gaan, kan het systeem het motorvermogen verlagen en ingrijpen op de betrokken wielen. Het TSCsysteem wordt automatisch ingeschakeld wanneer buitensporig slingeren van de aanhanger gedetecteerd wordt.
VEILIGHEID 70 48) Het PBA-systeem kan niet de door het wegdek geboden grip boven de limieten van de natuurkundige wetten laten toenemen. 49) Het PBA-systeem kan geen ongelukken voorkomen, waaronder ongelukken wegens overmatige snelheid in bochten, rijden op wegdek met weinig grip of aquaplaning. 50) De capaciteiten van het PBA-systeem mogen nooit op onverantwoorde en gevaarlijke wijze worden uitgetest, waardoor de persoonlijke veiligheid en die van anderen in gevaar komt.
Wanneer het voertuig gestart wordt gaat het waarschuwingslampje branden om de bestuurder te melden dat het systeem ingeschakeld is. Sensoren 55 56 F1B0093C F1B0094C De sensoren worden ingeschakeld wanneer willekeurig welke versnelling vooruit wordt ingeschakeld bij een snelheid hoger dan ongeveer 10 km/h, of wanneer de achteruitversnelling wordt ingeschakeld.
VEILIGHEID Om het systeem correct te laten werken moet de zone van de achterbumper waar de radarsensoren zich bevinden vrij blijven van sneeuw, ijs en vuil afkomstig van het wegdek. Dek de zone van de achterbumper waar de radarsensoren zich bevinden met geen enkel voorwerp af (bijv. stickers, fietsenrek, enz.).
Wanneer een richtingaanwijzer is ingeschakeld en er wordt tegelijkertijd een voorwerp aan dezelfde kant gedetecteerd, worden zowel de akoestische als de visuele waarschuwingen verzonden. Het volume van het Uconnect™systeem ook verlaagd. Wanneer het systeem in "RCP"-modus werkt, stuurt het visuele en akoestische waarschuwingen wanneer de aanwezigheid van een voorwerp wordt gedetecteerd. Wanneer er een akoestische waarschuwing verzonden wordt, wordt het volume van het Uconnect™ ook systeem verlaagd.
VEILIGHEID 74 In situaties met risico op een botsing, als het systeem geen interventie van de bestuurder detecteert, zorgt het voor automatische remwerking om de auto af te remmen en de gevolgen van een potentieel ongeval af te zwakken. Als gedetecteerd wordt dat de druk die de bestuurder op het gaspedaal uitoefent onvoldoende is, kan het systeem ingrijpen om de reactie van het remsysteem te verbeteren, zodat de snelheid van het voertuig verder wordt verlaagd (extra assistentie tijdens de remfase).
De uitschakelingsstatus van het systeem wordt niet in het geheugen opgeslagen wanneer de motor afgezet wordt: als het systeem wordt uitgeschakeld wanneer de motor afgezet is, zal het bij de volgende start ingeschakeld worden. Deze functie is niet actief bij een snelheid lager dan 7 km/h of hoger dan 200 km/h.
VEILIGHEID In dit geval kan er nog steeds met de auto gereden worden, maar wordt toch geadviseerd zo spoedig mogelijk contact op te nemen met het Fiat Servicenetwerk. Melding radar niet beschikbaar Als de omstandigheden zodanig zijn dat de radar niet correct obstakels kan detecteren, wordt het systeem uitgeschakeld en verschijnt er een speciaal bericht op het display. Dit gebeurt meestal in het geval van slecht zicht, zoals wanneer het sneeuwt of zwaar regent.
Andere voertuigen die van rijstrook veranderen Voertuigen die plotseling van rijstrook veranderen en op de rijstrook van de auto fig. 61 en binnen het werkingsbereik van de sensor komen, kunnen activering van het systeem veroorzaken. 62 61 F1B0099C Voertuigen die in dwarsrichting ten opzichte van het voertuig rijden. Het systeem kan tijdelijk reageren op een voertuig dat op een rechte hoek door het werkingsbereik van de radarsensor rijdt fig. 62.
VEILIGHEID Lage bandenspanning Het systeem waarschuwt de bestuurder als een of meer banden leeg zijn met een waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel en een waarschuwingsbericht op het display, samen met een geluidssignaal. . Als het systeem de spanningswaarde van een of meer banden niet herkent, toont het display streepjes "– –" Deze aanduiding wordt ook weergegeven nadat de motor wordt afgezet en weer gestart wordt, zolang de resetprocedure niet wordt uitgevoerd.
BELANGRIJK 57) Het systeem is een rijhulpsysteem, het waarschuwt de bestuurder NIET bij nadering van voertuigen buiten de detectiezones. De bestuurder moet altijd voldoende aandacht besteden aan het verkeer en wegomstandigheden en de controle over het traject van het voertuig. 58) Het systeem dient als hulp voor de bestuurder, die altijd zijn volle aandacht bij het rijden moet houden.
VEILIGHEID 80 28) Knoei niet met en verricht geen werkzaamheden aan de radarsensor of met/aan de camera op de voorruit. In geval van een storing van de sensor, contact opnemen met het Fiat Servicenetwerk. 29) Bij het trekken van een aanhanger (bij modules die na aanschaf van het voertuig zijn geïnstalleerd), het slepen van het voertuig of tijdens laadwerkzaamheden op opleggers voor autotransport (of in voertuigen voor autotransport), moet het systeem uitgeschakeld worden via het Uconnect™ systeem.
VEILIGHEIDSGORDELS GEBRUIK VAN DE Alle stoelen van het voertuig zijn uitgerust met veiligheidsgordels met drie verankeringspunten en een oprolautomaat. Het mechanisme van de oprolautomaat werkt door vergrendeling van de gordel wanneer er heftig geremd wordt of door een sterke deceleratie wegens een botsing. Zo kan de gordel vrij schuiven en kan hij zich aanpassen aan het lichaam van de inzittende.
VEILIGHEID HOOGTE VAN DE VEILIGHEIDSGORDEL INSTELLEN 70) 71) Er zijn vijf verschillende hoogteverstellingen mogelijk. Om de hoogte aan de bovenkant in te stellen, van boven naar onder, moeten knoppen A fig. 65 (aan beide zijden van handgreep B) tegelijk (naar elkaar) worden ingedrukt, en moet de handgreep naar beneden geschoven worden. Om de hoogte aan de kant van de ruit in te stellen, van boven naar onder, moet handgreep B verschoven worden (zonder iets in te drukken).
Bij stilstaand voertuig, als de veiligheidsgordel aan bestuurders- of passagierszijde (met de inzittende op de stoel) niet is vastgemaakt, blijft het waarschuwingslampje permanent branden. Wanneer de achteruitversnelling, tijdens de cyclus waarschuwingssignalen, wordt ingeschakeld, wordt het geluidssignaal uitgeschakeld en gaat het waarschuwingslampje permanent branden. De cyclus waarschuwingssignalen wordt hervat zodra de snelheid van 8 km/h weer overschreden wordt.
VEILIGHEID 08:30 22°C 04/07/2014 120 BELANGRIJK KM/H 1230km 68 F1B0106C ❒ als de veiligheidsgordel niet is vastgemaakt wordt het bijbehorende pictogram weergegeven op punt C (rood bij het kleurendisplay); Als de veiligheidsgordel achter niet is vastgemaakt, klinkt er een geluidssignaal (3 "piepjes") en gaat het bijbehorende pictogram op het display branden. 84 Bovendien zullen de pictogrammen weer 30 seconden gaan branden, elke keer als een van de portieren wordt gesloten.
Als de gordelspanner door uitzonderlijke natuurlijke gebeurtenissen (bijv. overstromingen, vloedgolven enz.) met water en/of modder in contact is geweest, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk om hem te laten vervangen. BELANGRIJK Voor een maximale bescherming door de gordelspanners moet de veiligheidsgordel zo worden omgelegd dat hij goed op borst en bekken aansluit.
VEILIGHEID Elke gordel kan slechts een enkele persoon beschermen. Vervoer nooit kinderen op de schoot van inzittenden met één veiligheidsgordel voor beiden fig. 71. Steek geen enkel voorwerp tussen de gordel en het lichaam van een inzittende. 71 F1B0109C ❒ vervang de gordels na een ongeval, ook al lijken ze niet beschadigd. Vervang de gordels ook steeds als de gordelspanners werden geactiveerd; ❒ gebruik water en neutrale zeep om de gordels met de hand te wassen.
KINDERZITJES VEILIG KINDEREN VERVOEREN 76) 77) 78) 79) Om een optimale bescherming bij een ongeval te kunnen garanderen, moeten alle inzittenden zitten en gebruik maken van goedgekeurde beveiligingssystemen, ook pasgeborenen en kinderen! Dit is een wettelijke verplichting in alle EU-landen, conform de Europese richtlijn 2003/20/EC. Kinderen met een lengte van minder dan 1,50 meter en tot de leeftijd van 12 jaar moeten beschermd worden door geschikte kinderzitjes en moeten op de achterbank zitten.
VEILIGHEID KINDERZITJE MONTEREN MET DE VEILIGHEIDSGORDELS De Universele kinderzitjes die gemonteerd worden met de veiligheidsgordels zijn alleen goedgekeurd op basis van de ECE R44 norm en zijn ingedeeld in verschillende gewichtsgroepen. BELANGRIJK De afbeeldingen zijn indicatief en dienen slechts ter illustratie van de montage. Monteer het kinderzitje overeenkomstig de aanwijzingen, die bijgesloten moeten zijn.
GESCHIKTHEID VAN DE PASSAGIERSSTOELEN VOOR HET GEBRUIK VAN UNIVERSELE KINDERZITJES In overeenstemming met de Europese Richtlijn 2000/3/EG is de geschiktheid van elke passagiersstoel voor de montage van universele kinderzitjes in de volgende tabel weergegeven: Groep Gewichtsgroep “Universeel” kinderzitje monteren Passagier achterin in het Voorpassagier midden Passagiers achterin aan de zijkanten Groep 0, 0+ tot 13 kg U X U Groep 1 9-18 kg U X U Groep 2 15-25 kg U X U Groep 3 22-36 kg U
VEILIGHEID 90 ISOFIX-KINDERZITJE MONTEREN 84) 85) 86) De buitenste achterstoelen van het voertuig zijn uitgerust met ISOFIXbevestigingen, voor het snel, eenvoudig en veilig bevestigen van kinderzitjes. Met het ISOFIX-systeem kunnen ISOFIX-kinderzitjes gemonteerd worden, zonder het gebruik van de veiligheidsgordels van het voertuig, maar door het kinderzitje rechtstreeks vast te maken aan de drie op het voertuig aanwezige bevestigingspunten.
GESCHIKTHEID VAN PASSAGIERSSTOELEN VOOR GEBRUIK VAN ISOFIX KINDERZITJE ISOFIX PLAATSEN IN HET VOERTUIG Gewichtscategorieën Groep 0 tot 10 kg Maatcategorie Kinderzitje Voorpassagier Passagiers achterin aan de zijkanten Passagier achterin in het midden E ISO/R1 X IL X X ISOFIX-plaats niet geschikt voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of maatcategorie.
VEILIGHEID ISOFIX PLAATSEN IN HET VOERTUIG Gewichtscategorieën Groep 0+ tot 13 kg Groep 1 (van 9 tot 18 kg) Maatcategorie Kinderzitje Voorpassagier Passagiers achterin aan de zijkanten Passagier achterin in het midden E ISO/R1 X IL X D ISO/R2 X IL X C ISO/R3 X IL (*) X D ISO/R2 X IL X C ISO/R3 X IL (*) X B ISO/F2 X IUF - IL X B1 ISO/F2X X IUF - IL X A ISO/F3 X IUF - IL X X ISOFIX-plaats niet geschikt voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of maatcatego
GESCHIKTHEID VAN PASSAGIERSSTOELEN VOOR GEBRUIK VAN i-Size KINDERZITJE De buitenste achterstoelen van het voertuig zijn typegoedgekeurd voor de geavanceerde i-Size kinderzitjes.
VEILIGHEID In de volgende tabel is, in overeenstemming met de Europese regelgeving ECE 129, de mogelijkheid voor montage van i-Size-kinderzitjes aangegeven. Kinderzitje i-Size PLAATSEN IN HET VOERTUIG Passagiers achterin Voorpassagier aan de zijkanten Passagier achterin in het midden ISO/R2 X i-U X ISO/F2 X i-U X i-Size kinderzitjes i-U: geschikt voor Universele i-Size-kinderzitjes, zowel gemonteerd tegen de rijrichting in als in de rijrichting.
KINDERZITJES AANBEVOLEN DOOR Fiat VOOR UW 500X Lineaccessori Fiat omvat een volledige reeks kinderzitjes die bevestigd moeten worden met de driepuntsveiligheidsgordel of de ISOFIX-beugels. BELANGRIJK Fiat adviseert het kinderzitje te monteren volgens de aanwijzingen, die bijgesloten moeten zijn. Gewichtsgroep Kinderzitjes Type kinderzitje Peg Perego Primo Viaggio SL Nummer typegoedkeuring: E24 040089 Groep 0+:van pasgeboren tot 13 kg + + Installatie kinderzitjes Universeel ISOFIX kinderzitje.
VEILIGHEID Gewichtsgroep Kinderzitjes Type kinderzitje Fair G0/1S Nummer typegoedkeuring: E4 04443718 + + A: Fair ISOFIX RWF platform, Fiat 500X type specifiek voor G0/1S of B: Fair ISOFIX FWF platform, Fiat 500X type specifiek voor G0/1S Groep 1: van 9 tot 18 kg + + FAIR hoofdsteun 96 Installatie kinderzitjes Universeel ISOFIX kinderzitje.
Gewichtsgroep Groep 2: van 15 kg tot 36 kg Kinderzitjes Type kinderzitje Fair Junior Fix Nummer typegoedkeuring: E4 04443721 Installatie kinderzitjes Het kan alleen in de rijrichting gemonteerd worden, met behulp van de driepuntsveiligheidsgordel en de ISOFIX-bevestigingen, indien aanwezig.
VEILIGHEID 98 Belangrijke aanbevelingen voor het veilig vervoeren van kinderen ❒ Monteer de kinderzitjes op de achterbank, omdat die plaats bij een ongeval de meeste bescherming biedt. ❒ Houd kinderen zo lang mogelijk in kinderzitjes die tegen de rijrichting in gemonteerd zijn, tot ze 3-4 jaar zijn. ❒ Als de passagiersairbag buiten werking is gesteld, controleer dan of het speciale lampje op het paneel op het dashboard brandt om er zeker van te zijn dat deze airbag daadwerkelijk is uitgeschakeld.
82) Verplaats, na de montage van een kinderzitje, de stoel niet: verwijder het kinderzitje altijd alvorens enige afstelling uit te voeren. 83) Zorg er altijd voor dat het diagonale gedeelte van de veiligheidsgordel niet onder de armen of achter de rug van het kind loopt. Bij een ongeval zal de veiligheidsgordel het kind niet vast kunnen houden, met het risico van zelfs dodelijk letsel. Daarom moet het kind de veiligheidsgordel altijd correct omleggen.
VEILIGHEID Als de airbags onder de hierboven beschreven omstandigheden niet opgeblazen worden, dan bieden ze geen aanvullende bescherming ten opzichte van de veiligheidsgordels, zodat hun activering geen zin heeft. In deze gevallen wijst de uitgebleven activering dus niet op een storing van het systeem. Knieairbag bestuurderszijde (waar aanwezig) Deze airbag zit in een speciale ruimte onder het dashboard achter een speciaal deksel fig. 84.
ON bevinden De leds OFF en zich in het midden van het instrumentenpaneelfig. 85. Als de startinrichting op MAR wordt gezet, gaan de twee leds gedurende ongeveer 8 seconden branden. Als dit niet het geval is, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk. Tijdens de eerste seconden geeft het branden van de led niet de werkelijke toestand van de passagiersbescherming aan, maar heeft alleen tot doel om de correcte werking ervan te controleren.
VEILIGHEID Frontairbag passagier en kinderzitje: WAARSCHUWING 86 102 F1B0129C
ZIJAIRBAGS Hoofdairbag Belangrijk Om de bescherming van de inzittenden in geval van een flankbotsing te vergroten, is de auto uitgerust met zijairbags voorin en hoofdairbags. Deze bestaat uit twee “omlaag vallende” kussens, die zich achter de bekleding aan de zijkant van het dak bevinden en die afgedekt zijn met afwerkingselementen fig. 88.
VEILIGHEID BELANGRIJK 87) Breng geen stickers of andere voorwerpen op het stuurwiel, op het dashboard in de zone van de passagiersairbag, op de zijkant van de dakbekleding en op de stoelen aan. Plaats nooit voorwerpen (bijv. mobiele telefoons) op het dashboard aan passagierszijde, omdat deze het correct openen van de airbag kunnen hinderen en tevens de inzittenden ernstig kunnen verwonden. 88) Rijd altijd met de handen op de stuurwielrand zodat de airbag indien nodig ongehinderd opgeblazen kan worden.
100) Een storing van het lampje wordt aangegeven door het aangaan van het symbool "storing airbag" en een speciaal bericht op het display van het instrumentenpaneel. De pyrotechnische ladingen zijn niet uitgeschakeld. Neem, voordat er verder wordt gereden, onmiddellijk contact op met het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten controleren. 101) De activeringsdrempel van de airbag is hoger dan die van de gordelspanners.
STARTEN EN RIJDEN 106 STARTEN EN RIJDEN Laten we eens kijken naar het "hart" van het voertuig: dan kunt u zien hoe u het potentieel ervan optimaal kunt benutten. We zullen u laten zien hoe u het voertuig in elke situatie veilig kunt besturen, zodat het een echt "maatje" voor u kan zijn, waarbij het comfort en de portefeuille niet vergeten worden. MOTOR STARTEN ..........................107 ELEKTRISCHE PARKEERREM (EPB)...............................................108 HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK ......
MOTOR STARTEN Alvorens de motor te starten, de stoel, achteruitkijkspiegels, buitenspiegels instellen en de veiligheidsgordel correct vastmaken. Trap nooit het gaspedaal in om de motor te starten. Indien nodig, kunnen berichten met aanwijzingen voor de startprocedure weergegeven worden op het display.
STARTEN EN RIJDEN 37) Als het lampje na het starten of na langdurig "aanzwengelen" gaat knipperen, duidt dit op een defect van het voorgloeisysteem. Als de motor start, kan het voertuig normaal gebruikt worden, maar moet er zo snel mogelijk contact opgenomen worden met het Fiat Servicenetwerk. ELEKTRISCHE PARKEERREM (EPB) Het voertuig is uitgerust met een elektrische parkeerrem (EPB) die een beter gebruik en optimale prestaties garandeert in vergelijking met een handbediende parkeerrem.
Er kan een geluid hoorbaar zijn vanaf de achterkant van het voertuig wanneer de elektrische parkeerrem wordt ingeschakeld. Er kan een lichte beweging van het rempedaal gevoeld worden wanneer de elektrische parkeerrem wordt ingeschakeld terwijl het rempedaal is ingetrapt. Als de elektrische parkeerrem ingeschakeld is, gaan het lampje op het instrumentenpaneel en de led op de schakelaar fig. 89 branden.
STARTEN EN RIJDEN 110 ❒ "Statische werkwijze in- en uitschakeling": bij stilstaand voertuig kan de elektrische parkeerrem worden ingeschakeld door de schakelaar éénmaal te bedienen.
BELANGRIJK HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK 110) 107) In het geval van parkeermanoeuvres op wegen met een helling, de wielen draaien, de parkeerrem inschakelen, de eerste versnelling bij een helling-omhoog en de achteruitversnelling bij een helling-omlaag (zet bij een automatische versnellingsbak de pook in stand "P"). Als het voertuig op een steile helling wordt geparkeerd, moeten de wielen tevens met wiggen of stenen geblokkeerd worden.
STARTEN EN RIJDEN BELANGRIJK 38) Rijd niet met de hand op de pookknop doordat de uitgeoefende druk, hoe licht ook, na verloop van tijd slijtage aan de interne onderdelen van de versnellingsbak kan veroorzaken. AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK VERSNELLINGSPOOK De fig.
AUTOSTICK Sequentiële modus In het geval van veelvuldig schakelen (bijv. wanneer het voertuig gebruikt wordt met een zware lading, op hellingen, sterke tegenwind of bij het trekken van zware aanhangwagens), wordt geadviseerd de modus AutoStick (sequentieel schakelen) te gebruiken om een lagere vaste overbrengingsverhouding te selecteren en behouden.
STARTEN EN RIJDEN Versies uitgerust met sleutel met afstandsbediening: voor deze functie moet de versnellingspook in stand P (Parkeren) gezet worden voordat de sleutel uit de startinrichting wordt genomen. Als de accu van het voertuig leeg is en de contactsleutel is ingeschakeld, is de sleutel in het contactslot geblokkeerd. Zie, om de sleutel handmatig te verwijderen, paragraaf "Ontgrendeling pook automatische versnellingsbak" in hoofdstuk "Noodgevallen".
START&STOP SYSTEEM Het Start&Stop-systeem zet automatisch de motor af wanneer het voertuig stilstaat en start de motor zodra de bestuurder weer wil gaan rijden. Dit verhoogt de efficiency van het voertuig dankzij een beperking van het brandstofverbruik, de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen en de geluidsoverlast.
STARTEN EN RIJDEN De bestuurder wordt hiervan op de hoogte gebracht door een geluidssignaal en een bericht op het display. BELANGRIJK 93 F1B0138C Inschakeling van het systeem Inschakeling van het systeem wordt aangeduid door een brandend en, bij sommige controlelampje versies, door een bericht op het display. In deze toestand is de led op de knop fig. 93 gedoofd. Uitschakeling van het systeem Er verschijnt een bericht op het display wanneer het systeem wordt uitgeschakeld.
AUTOMATISCHE UITSCHAKELING VAN HET SYSTEEM Het systeem schakelt automatisch uit in geval van een systeemstoring. Neem in dat geval contact op met het Fiat Servicenetwerk. ELEKTRONISCHE CRUISE-CONTROL Dit is een elektronisch geregeld hulpsysteem waarmee de gewenste rijsnelheid gehandhaafd kan worden, zonder het gaspedaal in te hoeven trappen. Het systeem kan gebruikt worden bij een snelheid van meer dan 30 km/h op lange, droge en rechte wegen met weinig veranderingen in de rijomstandigheden (bijv.
STARTEN EN RIJDEN ❒ druk, wanneer het voertuig de gewenste snelheid heeft bereikt, op knop SET + (of SET –) en laat de knop los om het systeem in te schakelen. Wanneer het gaspedaal wordt losgelaten, zal het voertuig automatisch op de geselecteerde snelheid verder rijden. Indien nodig (bijvoorbeeld bij inhalen) kan de snelheid gewoon verhoogd worden door het gaspedaal in te trappen; als het gaspedaal vervolgens wordt losgelaten, keert het voertuig terug naar de eerder opgeslagen snelheid.
MOOD SELECTOR (keuzeschakelaar rijmodus) De Mood Selector is een voorziening die het de bestuurder mogelijk maakt een keuze te maken tussen drie verschillende rijmodi (voertuigrespons) op basis van zijn behoefte en de wegen verkeersomstandigheden, door de draaischakelaar A fig. 96 op de tunnelconsole handmatig te bedienen.
STARTEN EN RIJDEN Als de modus "Sport" is ingeschakeld, de draaischakelaar rechtsom draaien, hem gedurende minstens een halve seconde in deze stand houden, en in ieder geval tot de betreffende led gaat branden, en de geselecteerde modus op het display wordt weergegeven. Tegelijkertijd gaat de led voor de eerder ingestelde modus uit. Na het loslaten keert de schakelaar terug naar de middelste stand.
PARK ASSIST SYSTEEM Inschakelen SENSOREN 118) 42) 43) De parkeersensoren, die zich in de achterbumper fig. 97 bevinden, detecteren de aanwezigheid van obstakels achter het voertuig. De sensoren waarschuwen de bestuurder over aanwezigheid van obstakels met een intermitterend geluidssignaal en, afhankelijk van de versie, ook met visuele aanwijzingen op het display van het instrumentenpaneel. 97 F1B0142C De sensoren worden automatisch ingeschakeld zodra de achteruitversnelling wordt geselecteerd.
STARTEN EN RIJDEN Het systeem geeft de aanwezigheid van een obstakel aan met de weergave van een enkele boog in een van de mogelijke zones, in overeenstemming met de afstand van het voorwerp en de plaats ten opzichte van het voertuig. Als het voorwerp gedetecteerd wordt in de zone middenachter, dan wordt er een enkele boog weergegeven wanneer het voorwerp genaderd wordt, eerst permanent, vervolgens knipperend, in aanvulling op een geluidssignaal.
❒ de aanwezigheid van een trekhaak zonder aanhanger, die kan interfereren met de juiste werking van de parkeersensoren. Als een vaste trekhaak is gemonteerd, kunnen de parkeersensoren niet goed werken. In het geval van voertuigen voorzien van verwijderbare trekhaak, ofwel als standaard of geïnstalleerd nadat het voertuig werd aangeschaft, wordt het geadviseerd deze te verwijderen wanneer hij niet gebruikt wordt om onjuiste werking van de sensoren te voorkomen; ❒ de aanwezigheid van stickers op de sensoren.
STARTEN EN RIJDEN BELANGRIJK De kracht die door het systeem wordt uitgeoefend op het stuurwiel is voldoende voor de bestuurder om op te merken maar is altijd beperkt, zodat deze gemakkelijk overwonnen kan worden en de bestuurder altijd controle over het voertuig kan houden. De bestuurder kan het stuurwiel te allen tijde zoals nodig draaien.
BELANGRIJK 44) Uitstekende ladingen op het dak van het voertuig kunnen interfereren met de goede werking van de camera. Controleer, voor het wegrijden, of de lading goed geplaatst is en of het blikveld van de camera niet afgedekt wordt. 45) Als de voorruit vervangen moet worden vanwege krassen, steenslag of breuk, neem dan uitsluitend contact op met het Fiat Servicenetwerk.
STARTEN EN RIJDEN BELANGRIJK Let tijdens parkeermanoeuvres in bijzondere mate op obstakels die zich boven of onder het bereik van de camera kunnen bevinden. BELANGRIJK 100 F1B0167C SYMBOLEN EN BERICHTEN OP HET DISPLAY Een er overheen geplaatste onderbroken middenlijn geeft het midden van het voertuig aan om parkeermanoeuvres of het uitlijnen van een sleepoog te vergemakkelijken. De verschillende gekleurde zones geven de afstand aan vanaf de achterkant van het voertuig.
AANHANGERS TREKKEN BELANGRIJK 120) 121) Voor het trekken van caravans of aanhangers moet het voertuig voorzien zijn van een goedgekeurde trekhaak en een geschikte elektrische installatie. Indien er aftermarket-installatie gewenst wordt, dan moet zit uitgevoerd worden door specialisten. Monteer eventuele speciale en/of extra buitenspiegels conform de wegenverkeerswetgeving. Vergeet niet dat het klimvermogen van de auto door het gewicht van een aanhanger of caravan wordt gereduceerd.
STARTEN EN RIJDEN 128 MONTAGE VAN DE TREKHAAK Laat de trekhaak door gespecialiseerd personeel aan de carrosserie monteren, in overeenstemming met de extra en/of aanvullende aanwijzingen van de fabrikant van de trekhaak. Deze moet tevens voldoen aan de huidige voorschriften met betrekking tot Richtlijn 94/20/EG en latere wijzigingen. Voor iedere versie moet een trekhaak worden gebruikt die geschikt is voor het maximale trekgewicht van het voertuig waarop de trekhaak wordt gemonteerd.
Assemblageschema Het trekhaaksamenstel moet vastgezet worden aan de carrosserie op de punten die aangegeven zijn in de afbeelding fig. 101. 101 F1B0168C . BELANGRIJK Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk voor de montage van de trekhaak. BELANGRIJK 120) Het ABS waarmee het voertuig is uitgerust heeft geen controle over het remsysteem van de aanhanger. Wees bijzonder voorzichtig op gladde wegen.
STARTEN EN RIJDEN TANKEN 122) 123) 124) BENZINEMOTOREN Tank alleen loodvrije benzine met een octaangehalte (R.O.N.) van ten minste 95 (EN 228-specificatie). Tanken in een noodgeval Ga als volgt te werk om te tanken: ❒ ontgrendel klepje A fig. 102 door op het aangegeven punt te drukken en open het; ❒ steek het vulpistool in de vulopening en tank; Ga als volgt te werk: ❒ open de bagageruimte en neem adapter C fig.
BELANGRIJK BELANGRIJK 122) Monteer geen voorwerp/dop op de rand van de vulopening die niet geleverd is voor het voertuig. Het gebruik van niet-goedgekeurde voorwerpen/doppen toename van de druk in de tank kan veroorzaken, hetgeen kan leiden tot gevaarlijke situaties. 123) Kom niet in de buurt van de vulopening van de tank met open vuur of brandende sigaretten: brandgevaar. Kom niet te dicht met uw gezicht bij de vulopening, om geen schadelijke dampen in te ademen.
NOODGEVALLEN 132 NOODGEVALLEN Een lekke band of een doorgebrand lampje? Soms kan een probleem uw reis in gevaar brengen. De pagina's over noodsituaties kunnen u helpen om op zelfstandige en kalme wijze kritieke situaties op te lossen. Wij adviseren u om in een noodsituatie het gratis telefoonnummer te bellen dat in het garantieboekje is vermeld. U kunt ook het gratis landelijke of internationale universele telefoonnummer bellen om het dichtstbijzijnde Fiat Servicepunt te vinden. ALARMKNIPPERLICHTEN ......
ALARMKNIPPERLICHTEN LAMP VERVANGEN BEDIENING 125) 126) 127) Druk op de knop fig. 104 om de lichten in of uit te schakelen. Wanneer de alarmknipperlichten werken, knipperen de controlelampjes en . 104 F1B0185C BELANGRIJK Het gebruik van de alarmknipperlichten wordt geregeld door de wegenverkeerswetgeving van het land waar u rijdt: neem de wettelijke voorschriften in acht.
NOODGEVALLEN TYPEN LAMPEN Het voertuig is voorzien van de volgende lampen: Volglas lampen (type A): klemmontage. Trek om te verwijderen. Lamp met bajonet-sluiting (type B): druk de lamp ietwat in en draai linksom om hem uit de houder te verwijderen. Buislampen (type C): trek de lamp uit de veercontacten om hem te verwijderen. Halogeenlampen (type D): maak de lamp vrij en trek hem uit zijn zitting door de stekker opzij te draaien.
Lampen Type Vermogen Referentieafbeelding Voorste stadslichten/Dagrijlichten (DRL) P21W 21 W B Stadslicht achter / remlichten P21W 21 W B H4 60/55 W D D5S 25 W F Koplampen grootlicht/dimlicht (halogeen) Koplampen grootlicht/dimlicht (Xenon gasontladingslampen) Richtingaanwijzers voor PY21W 21 W B Richtingaanwijzers achter P21W 21 W B Richtaanwijzers zijkant (op buitenspiegel) WY5W 5W A Derde remlicht LED – – Kenteken W5W 5W A H8 35 W E Mistachterlicht P21W 21 W B
NOODGEVALLEN LAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN Dimlicht/grootlicht Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ ga te werk vanuit de motorruimte, verwijder rubber dop A fig. 105, met behulp van het speciale lipje; BELANGRIJK Vervang de lamp alleen wanneer de motor uit is. Controleer ook of de motor koud is, om het risico op brandwonden te voorkomen. Koplampen grootlicht/dimlicht met Xenon gasontladingslampen Neem voor het vervangen van deze lampen contact op met het Fiat Servicenetwerk.
❒ vervang de lamp met de "bajonetsluiting") A fig. 107; ❒ zet tenslotte inspectieklepje B fig. 106 terug, door de bevestigingsschroeven A volledig vast te draaien. Mistlampen Ga als volgt te werk om de lampen te vervangen: ❒ draai de wielen van het voertuig helemaal naar binnen; ❒ draai, met behulp van de schroevendraaier, schroeven A fig.
NOODGEVALLEN ❒ maak de middelste stekker B los, draai vervolgens de twee schroeven C los; ❒ maak de met de pijl aangegeven lipjes los en trek lamphouder D fig.
BELANGRIJK 52) Raak alleen het metalen gedeelte van halogeenlampen aan. Het aanraken van het lampglas met de vingers kan de lichtopbrengst en de levensduur van de lamp reduceren. Als de bol per ongeluk toch wordt aangeraakt, schoonwrijven met een doekje met alcohol en vervolgens laten drogen. ZEKERINGEN VERVANGEN INLEIDING 128) 129) 130) 131) 53) 54) De elektrische installatie wordt beveiligd door zekeringen: bij een storing of bij oneigenlijk gebruik van de installatie brandt de zekering door.
NOODGEVALLEN ZEKERINGENKAST IN DASHBOARD 115 114 F1B0191C ❒ het openen wordt aangegeven als de kop van de schroef volledig uit zijn zitting is gekomen; ❒ verwijder deksel B , door het op de zijgeleiders naar boven te schuiven, zoals aangegeven in de afbeelding. Op het deksel zijn de identificatienummers van de elektrische onderdelen die met de zekeringen overeenkomen aangegeven. 140 F1B0190C De zekeringenkast fig.
ZEKERINGENKAST IN DE BAGAGERUIMTE Open inspectiedekseltje A fig. 117 en verschaf uzelf toegang tot de zekeringen in zekeringenkast B fig. 118.
NOODGEVALLEN 142 ZEKERINGENKAST IN MOTORRUIMTE GEBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE Claxon F10 10 Stroomvoorziening voor aansteker/stopcontact F84 20 .
ZEKERINGENKAST IN DE BAGAGERUIMTE OPMERKING De configuratie van de bagageruimte verschilt afhankelijk van de uitrusting op het voertuig. Zekeringenkast B GEBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE HI-FI-systeem F2 20 Schuifdak F3 20 Elektrische verstelling lendensteun voorstoel (bestuurderszijde) F4 7.5 Elektrische verstelling voorstoel (bestuurderszijde) F5 30 Elektrische verstelling voorstoel (bestuurders- en passagierszijde) F6 7.
NOODGEVALLEN EEN WIEL VERVANGEN KRIK Het is nuttig om het volgende te weten: ❒ de krik weegt 2,8 kg; ❒ de krik behoeft geen afstelling; ❒ de krik niet kan worden gerepareerd: in geval van defect moet de krik door een origineel exemplaar worden vervangen; ❒ Afgezien van de slinger mag geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd worden.
❒ leg de wig A achter het wiel diagonaal tegenover het wiel dat vervangen moet worden (zie fig. 122) om te voorkomen dat het voertuig onbedoeld gaat bewegen als het wordt opgekrikt; ❒ gebruik sleutel A fig. 123 om de wielbevestigingsbouten ongeveer een slag los te draaien.
NOODGEVALLEN ❒ draai alle wielbouten vast met sleutel A; ❒ gebruik sleutel A (linksom) op het hexagonale gedeelte van de krik, om het voertuig te laten zakken, verwijder daarna de sleutel; ❒ gebruik sleutel A om de wielbouten kruiselings vast te draaien, in de volgorde die is aangegeven in fig.
137) De krik is een gereedschap dat ontwikkeld en ontworpen is voor het vervangen van een wiel, als een band lek of beschadigd raakt, op het voertuig waarbij de krik is geleverd of bij voertuigen van hetzelfde model. Hij mag, bijvoorbeeld, niet gebruikt worden om andere voertuigen of voorwerpen op te krikken. Gebruik de krik nooit om onderhoud of reparatiewerkzaamheden onder het voertuig te verrichten. Ga nooit onder een opgekrikt voertuig liggen.
NOODGEVALLEN OPPOMPEN Ga als volgt te werk: ❒ schakel de elektrische parkeerrem in, draai de ventieldop los, neem de vulleiding A fig.
146) Bedien de compressor niet langer dan 20 minuten achter elkaar. Gevaar voor oververhitting. De Fix&Go automatic kit is niet geschikt voor definitieve reparatie, dus de gerepareerde banden mogen slechts tijdelijk gebruikt worden. 147) De spuitbus bevat ethyleenglycol en latex: dit kan een allergische reactie veroorzaken. Schadelijk bij inslikken. Irriterend voor de ogen. Kan irritatie veroorzaken bij inademing of contact. Vermijd contact met huid, ogen en kleding.
NOODGEVALLEN Ga als volgt te werk: ❒ schakel de parkeerrem in, zet de versnellingspook in stand P (Parkeren), voor versies met automatische versnellingsbak, of in de vrijstand, voor versies met handgeschakelde versnellingsbak, en zet de startinrichting in STOP; ❒ schakel alle andere elektrische apparaten in het voertuig uit; ❒ bij gebruik van de accu van een ander voertuig, het voertuig parkeren binnen het bereik van de kabels die gebruikt worden voor de verbinding, de parkeerrem inschakelen en controleren
149) Kom niet te dicht bij de koelventilator van de radiateur: de elektrische ventilator kan in werking treden; gevaar van letsel. Sjaals,stropdassen en andere losse kleding kunnen door bewegende delen worden vastgegrepen. 150) Verwijder alle metalen voorwerpen (bijvoorbeeld ringen, horloges, armbanden) die ernstig letsel door onbedoeld elektrisch contact kunnen veroorzaken. 151) Accu's bevatten zuren die de huid en ogen kunnen aantasten. Accu's produceren waterstof, dat uiterst brandbaar en explosief is.
NOODGEVALLEN BELANGRIJK 152) Als na een botsing een brandstoflucht wordt geroken of brandstoflekkage wordt geconstateerd, dan mag het systeem niet opnieuw ingeschakeld worden om brand te voorkomen.
CONTACTSLEUTEL VERWIJDEREN IN EEN NOODGEVAL 58) De contactsleutel (voor versies met sleutel zonder afstandsbediening) kan alleen verwijderd worden als de pook in stand P (parkeren) staat. Als de accu van het voertuig leeg is en de contactsleutel is ingeschakeld, is de sleutel in het contactslot geblokkeerd.
NOODGEVALLEN SLEPEN VAN HET VOERTUIG BEVESTIGING VAN HET SLEEPOOG 153) 154) 155) Het bijgeleverde sleepoog bevindt zich in de gereedschapstas in de bagageruimte. Voor Ga als volgt te werk: ❒ draai dop A fig. 135 los, ga te werk op het met de pijl aangegeven punt; ❒ neem sleepoog B en draai het helemaal vast op de voorste pen met schroefdraad . 135 F1B0196C Achter Ga als volgt te werk: ❒ draai dop A fig.
ONDERHOUD EN ZORG Dankzij correct onderhoud kunnen de prestaties van het voertuig, evenals beperkte bedrijfskosten en het behoud van de efficiëntie van de veiligheidssystemen gedurende langere tijd gegarandeerd worden. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe. GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD.................................156 MOTORRUIMTE..............................164 ACCU OPLADEN ............................170 ONDERHOUDSPROCEDURES.......171 HET VOERTUIG OPKRIKKEN .........174 WIELEN EN BANDEN ...................
ONDERHOUD EN ZORG 156 GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD Juist onderhoud is essentieel voor een lange levensduur van het voertuig onder optimale omstandigheden. Daarom heeft Fiat een reeks controles en onderhoudsbeurten opgesteld die op vaste afstandsintervallen uitgevoerd moeten worden en, voor bepaalde versies/markten, op vaste tijdsintervallen, zoals beschreven in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA (benzineversies) De controles vermeld in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema moeten, na het bereiken van 120.000 km/8 jaar, cyclisch herhaald worden te beginnen vanaf het eerste interval, daarna dezelfde intervallen aanhouden als daarvoor. km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Banden op conditie/slijtage controleren en eventueel op spanning brengen.
ONDERHOUD EN ZORG km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Werking van het ruitenwisser/-sproeiersysteem controleren en zo nodig de sproeiers afstellen ● Slot van motorkap en achterklep op aanwezigheid van vuil controleren, schoonmaken en mechanismen smeren ● ● ● ● ● ● ● ● Conditie en slijtage remblokken van schijfremmen voor visueel controleren en de werking van remblokslijtagesensor controleren ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Conditie en slijtage
km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ● ● ● ● ● Het luchtfilterelement vervangen (4) ● ● ● ● ● Remvloeistof verversen ● ● ● ● ● Bougies vervangen (2) Aandrijfriem(en) hulporganen vervangen (3) De getande distributieriem vervangen (3) Interieurfilter vervangen (4) (O) (●) O ● O ● O ● O ● O ● (2) Voor 1.
ONDERHOUD EN ZORG 160 GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA (Dieselversies) De controles vermeld in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema moeten, na het bereiken van 120.000 km/6 jaar, cyclisch herhaald worden te beginnen vanaf het eerste interval, daarna dezelfde intervallen aanhouden als daarvoor. km x 1000 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Banden op conditie/slijtage controleren en eventueel op spanning brengen.
km x 1000 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Werking van het ruitenwisser/-sproeiersysteem controleren en zo nodig de sproeiers afstellen ● Slot van motorkap en achterklep op aanwezigheid van vuil controleren, schoonmaken en mechanismen smeren ● ● ● ● ● ● ● ● ● Conditie en slijtage remblokken van schijfremmen voor visueel controleren en de werking van remblokslijtagesensor controleren ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Conditie en slijtage remblokken van
ONDERHOUD EN ZORG km x 1000 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Motorolie verversen en oliefilter vervangen (versies zonder DPF) (2) Aandrijfriem(en) hulporganen vervangen (3) De getande distributieriem vervangen (3) ● Brandstoffilterelement vervangen (4) ● ● Het luchtfilterelement vervangen (5) ● ● ● ● Remvloeistof vervangen (of elke 2 jaar) ● ● ● ● Interieurfilter (5) vervangen (O) (●) O ● O ● O ● O ● ● O ● (2) Het werkelijke inter
PERIODIEKE CONTROLES Elke 1000 km of vóór een lange reis controleren en eventueel bijvullen: ❒ niveau motorkoelvloeistof; ❒ remvloeistofniveau; ❒ vloeistofniveau ruitensproeier; ❒ conditie en spanning banden; ❒ werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, alarmknipperlichten, enz..); ❒ werking ruitenwissers/-sproeiers en stand/slijtage wisserbladen voor/achter. Elke 3.000 km controleren en eventueel bijvullen: motorolieniveau.
ONDERHOUD EN ZORG MOTORRUIMTE . NIVEAUS CONTROLEREN 156) 157) 59) . 1.4 Turbo MultiAir-versies 137 F1B0171C A. Motoroliepeilstok – B. Motorolie dop/vulopening – C. Motorkoelvloeistof – D. Vloeistof voor ruitensproeiers/achterruitsproeier – E. Remvloeistof – F.
1.6 16V MultiJet versies 138 F1B0172C A. Motoroliepeilstok – B. Motorolie dop/vulopening – C. Motorkoelvloeistof – D. Vloeistof voor ruitensproeiers/achterruitsproeier – E. Remvloeistof – F.
ONDERHOUD EN ZORG 2.0 16V MultiJet versies 139 F1B0173C A. Motoroliepeilstok – B. Motorolie dop/vulopening – C. Motorkoelvloeistof – D. Vloeistof voor ruitensproeiers/achterruitsproeier – E. Remvloeistof – F.
MOTOROLIE 158) 60) Controleer ongeveer 5 minuten na het uitzetten van de motor het oliepeil met het voertuig op een horizontale ondergrond. Controleer of het oliepeil tussen de referentietekens MIN en MAX op de peilstok A staat . Wanneer het olieniveau dichtbij of onder het MIN-teken komt, moet olie worden bijgevuld via de vulopening B tot aan het MAX-teken. Trek de oliepeilstok A naar buiten, maak hem schoon met een niet-pluizende doek en zet hem terug.
ONDERHOUD EN ZORG OLIE VOOR INSCHAKELING AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK 5) Het olieniveau van de versnellingsbak mag uitsluitend gecontroleerd worden bij een werkplaats van het Fiat Servicenetwerk. ACCU 164) 165) 166) 64) 6) Het elektrolyt van de accu hoeft niet te worden bijgevuld met gedestilleerd water. Een periodieke controle bij het Fiat Servicenetwerk is echter noodzakelijk om de efficiëntie te verifiëren.
BELANGRIJK Als het ladingsniveau gedurende langere tijd onder 50% blijft, raakt de accu door sulfatering beschadigd. Hierdoor verminderen de capaciteit en het startvermogen. De accu is ook gevoeliger voor bevriezing (dit kan reeds bij temperaturen van -10°C gebeuren). Als het voertuig langere tijd niet gebruikt wordt, zie dan "Langdurige stilstand van het voertuig” in het hoofdstuk "Starten en rijden". BELANGRIJK 156) Rook nooit als u werkzaamheden in de motorruimte verricht.
ONDERHOUD EN ZORG 65) Onjuiste installatie van elektrische en elektronische accessoires kan ernstige schade aan het voertuig toebrengen. Als na aanschaf van de auto accessoires (bijv. alarmsysteem, mobiele telefoon enz.) gemonteerd moeten worden, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk, dat de meest geschikte apparaten weet aan te raden en vooral kan beoordelen of een accu met een grotere capaciteit nodig is.
VERSIES MET START&STOPSYSTEEM Ga als volgt te werk om de accu op te laden: ❒ sluit de pluskabel (+) van de acculader aan op de plusklem E van de accu en de minkabel (–) op de klem van de sensor D zoals aangegeven in de figuur; ❒ schakel de acculader in. Schakel na het opladen de acculader uit; ❒ sluit na de acculader te hebben afgekoppeld de stekker A terug op de sensor C aan zoals aangegeven in de figuur.
ONDERHOUD EN ZORG LUCHTFILTER 167) Luchtfilter vervangen Zie het "Geprogrammeerd onderhoudsschema" voor de juiste onderhoudsintervallen. Het is raadzaam om het te vervangen door een origineel onderdeel, speciaal ontworpen voor dit voertuig. ONDERHOUD AIRCONDITIONING 70) 71) Om de beste prestaties te garanderen, moet de airconditioning gecontroleerd en onderhouden worden bij een werkplaats van het Fiat Servicenetwerk, bij het begin van de zomer.
Ruitensproeier De ruitensproeiers zijn niet verstelbaar . Als de ruitensproeiers niet werken, controleer dan eerst of er ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit (zie paragraaf “Motorruimte” in dit hoofdstuk). Gebruik alleen de voorgeschreven vloeistof, gebruik niet alleen water. Controleer vervolgens of de sproeigaatjes niet verstopt zijn. Gebruik zo nodig een naald om ze te ontstoppen.
ONDERHOUD EN ZORG 68) Het voertuig is uitgerust met vloeistoffen die zijn geoptimaliseerd voor behoud van prestaties en maximalisering van de levensduur van het voertuig, alsook voor langere onderhoudsintervallen. Gebruik geen chemische middelen voor het wassen van deze componenten omdat deze de motor, de versnellingsbak of de klimaatregeling kunnen beschadigen. Deze schade wordt niet gedekt door de garantie van het voertuig.
WIELEN EN BANDEN Controleer de spanning van de sneeuwkettingen na enkele tientallen meters rijden. 170) 171) 172) 173) VELGEN EN BANDEN Zie voor het type wielvelgen die op het voertuig gemonteerd zijn de paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk "Technische gegevens". SNEEUWKETTINGEN 74) Versies met Voorwielaandrijving en Vierwielaandrijving 7-mm (0,27 inch) sneeuwkettingen kunnen gebruikt worden op 215/60 R16 95H banden.
ONDERHOUD EN ZORG 176 174) De methoden om wielen te verwisselen die in de tekst zijn aangegeven mogen NIET gebruikt worden voor banden met éénrichtingsloopvlak! Dit type banden kan alleen aan dezelfde zijde van het voertuig, d.w.z. van de vooras naar de achteras en andersom, worden verwisseld. CARROSSERIE TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE Lakwerk 75) BELANGRIJK 74) Beperk de snelheid als sneeuwkettingen gemonteerd zijn; rijd niet harder dan 50 km/h.
BELANGRIJK Parkeer de auto zo min mogelijk onder bomen; de hars die uit de bomen druppelt, maakt de lak mat en vergroot de kans op roestvorming. Vogelpoep moet zo snel en zo goed mogelijk verwijderd worden, omdat hierin bijzonder agressieve zuren aanwezig zijn. Ruiten Gebruik specifieke schoonmaakmiddelen en schone, zachte doeken om krassen en beschadigingen te voorkomen.
ONDERHOUD EN ZORG INTERIEUR BELANGRIJK 7) Schoonmaakmiddelen veroorzaken waterverontreiniging. Om die reden mag het voertuig alleen gewassen worden op plaatsen waar het afvalwater opgevangen en gezuiverd wordt. 175) 176) 177) Controleer regelmatig of het interieur schoon is, ook onder de matten, om roesten van het plaatwerk te voorkomen. STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING Verwijder stof met een zachte borstel of een stofzuiger. Gebruik een vochtige borstel voor velours bekleding.
Controleer alvorens een specifiek product voor interieurreiniging te gebruiken, of het geen alcohol en/of stoffen op basis van alcohol bevat. BELANGRIJK 175) Gebruik nooit ontvlambare producten zoals petroleum of wasbenzine voor het reinigen van het interieur van het voertuig. De elektrostatische lading die door het wrijven tijdens het reinigen ontstaat, kan brand veroorzaken. 176) Bewaar geen spuitbussen in de auto: ontploffingsgevaar.
TECHNISCHE GEGEVENS 180 TECHNISCHE GEGEVENS Alles dat u nuttig kunt vinden om te begrijpen hoe uw voertuig is gemaakt en hoe het werkt is in dit hoofdstuk vermeld en wordt toegelicht met gegevens, tabellen en grafieken. Voor de liefhebbers en de monteurs, maar ook gewoon voor degenen die elk detail van hun voertuig willen kennen. IDENTIFICATIEGEGEVENS..............181 MOTOR ..........................................182 WIELEN ..........................................183 AFMETINGEN .......................
IDENTIFICATIEGEGEVENS VIN-PLAATJE Dit bevindt zich op de stijl van het bestuurdersportier. Het kan gelezen worden als het portier open staat en hierop zijn de volgende gegevens vermeld fig. 144: L Kleurcode lakwerk M Absorptiecoëfficiënt rook (dieselversies) N Nadere instructies. CHASSISNUMMER Het Voertuigidentificatienummer (VIN) is gestanst op een plaatje afgebeeld in fig.
TECHNISCHE GEGEVENS MOTOR 178) Versies 1.4 Turbo MultiAir 1.6 MultiJet 2.0 MultiJet 55263624 55260384 55263088 Otto Diesel Diesel Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn 4 in lijn Boring en slag zuigers (mm) 72 x 84 79,5 x 80,5 83 x 90,4 Typecode Cyclus Cilinderinhoud (cm³) 1368 1598 1956 10.0 ± 0.2 16.5 ± 0.4 16.5 ± 0.4 Maximum vermogen (EEG) (kW) 103 / 100 (*) 88 / 84.
WIELEN STANDAARD VELGEN EN BANDEN 179) 180) Velgen Standaard banden Winterbanden 6.5J x 16 - 40 215 / 60 R16 95H 215 / 60 R16 95Q (M+S) 7J x 17 - 40 215 / 55 R17 94V 215 / 55 R17 94Q (M+S) 225 / 45 R18 91V 7J x 18 - 40 225 / 45 R18 91Q (M+S) 225 / 45 R18 91Y Noodreservewiel (indien aanwezig) Velg: 16 x 4.
TECHNISCHE GEGEVENS BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) Bij warme banden moet de bandenspanning +0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de bandenspanning nogmaals als de banden koud zijn. Bij winterbanden moet de bandenspanning +0,2 bar worden verhoogd t.o.v. de voorgeschreven spanningswaarde voor standaardbanden. Als het voertuig opgekrikt moet worden, raadpleeg dan de paragraaf "Opkrikken van het voertuig" in het hoofdstuk "Noodgevallen".
AFMETINGEN De afmetingen zijn uitgedrukt in mm en hebben betrekking op een voertuig met standaard bijgeleverde banden. De hoogte heeft betrekking op een onbeladen auto. Kleine variaties met betrekking tot de weergegeven waarden zijn mogelijk afhankelijk van de afmetingen van de velgen.
TECHNISCHE GEGEVENS De afmetingen zijn uitgedrukt in mm en hebben betrekking op een voertuig met standaard bijgeleverde banden. De hoogte heeft betrekking op een onbeladen auto. Kleine variaties met betrekking tot de weergegeven waarden zijn mogelijk afhankelijk van de afmetingen van de velgen. 148 F1B0170C A B C D E F G H I 902 2570 801 4273 1608 / 1620 (*) 1545 1545 2025 1796 (*) 4x4 types Inhoud bagageruimte: 350 liter. Met neergeklapte achterbank: 1000 liter.
GEWICHTEN Gewichten (kg) 1.4 Turbo MultiAir 1.6 MultiJet 2.0 MultiJet Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 1320 1320 1495 Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (*) 555 / 540 (**) 555 605 1050 1050 1150 Maximum toelaatbare belastingen (***) – vooras – achteras 900 900 1000 – totaal: 1875 1875 2100 1200 1200 1200 Max. toelaatbare kogeldruk(geremde aanhanger): 60 60 60 Max.
TECHNISCHE GEGEVENS VULINHOUDEN Tankinhoud (liter): 1.4 Turbo MultiAir 1.6 MultiJet 2.0 MultiJet Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen 48 - - 5-7 - - Tankinhoud (liter): - 48 48 incl. een reserve van (liter): - 5-7 5-7 Koelsysteem (liter): 5.2 6.1 6.5 Carterpan (liter): 4.1 - - Carterpan en filter (liter): 4.5 - - Carterpan (liter): - 4.4 3.9 Carterpan en filter (liter): - 4.8 4.3 Versnellingsbak-/differentieelhuis (liter): 1.8 1.
VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN Het voertuig is voorzien van een motorolie die grondig ontwikkeld en getest is om aan de vereisten van het Geprogrammeerd Onderhoudsschema te kunnen voldoen. Constant gebruik van de voorgeschreven smeermiddelen garandeert de specificaties van brandstofverbruik en emissies. De kwaliteit van het smeermiddel is van essentieel belang voor de werking en de levensduur van de motor.
TECHNISCHE GEGEVENS Gebruik Eigenschappen van vloeistoffen en smeermiddelen voor een correcte werking van het voertuig Vet met een lage wrijvingscoëfficiënt voor homokinetische koppelingen NL.G.I. 0-1 consistentie FIAT 9.55580-kwalificatie Originele vloeistoffen en smeermiddelen Toepassingen TUTELA STAR 700 Contractuele Technische Referentie Nr. F701.C07 Homokinetische koppelingen aan differentieelzijde Smeermiddelen en SAE 75W-90 API GL5 synthetisch smeermiddel.
BELANGRIJK 78) Het gebruik van producten met andere dan de hierboven aangegeven specificaties kan leiden tot beschadigingen aan de motor die niet door de garantie worden gedekt.
TECHNISCHE GEGEVENS PRESTATIES Maximale snelheid die bereikt kan worden na de inrijperiode van het voertuig. Versies km/h 1.4 Turbo MultiAir 140 pk (handgeschakelde versnellingsbak 4x2) 190 1.4 Turbo MultiAir 136 pk (handgeschakelde versnellingsbak 4x2) (*) 187 1.6 MultiJet 120 pk (handgeschakelde versnellingsbak - 4x2) 186 1.6 MultiJet 115 pk (handgeschakelde versnellingsbak - 4x2) (*) 183 2.0 MultiJet 140 pk (AT9 automatische versnellingsbak - 4x4) 190 2.
BRANDSTOFVERBRUIK VOLGENS GELDENDE EUROPESE RICHTLIJNEN (liter/100 km) Versies Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd 1.4 Turbo MultiAir 140 pk (handgeschakelde versnellingsbak - 4x2) 7.8 5.0 6.0 1.4 Turbo MultiAir 136 pk (handgeschakelde versnellingsbak - 4x2) (*) 7.8 5.0 6.0 1.6 MultiJet 120 pk (handgeschakelde versnellingsbak - 4x2) 4.7 3.8 4.1 1.6 MultiJet 115 pk (handgeschakelde versnellingsbak - 4x2) (*) 4.7 3.8 4.1 2.0 MultiJet 140 pk (AT9 automatische versnellingsbak - 4x4) 6.
TECHNISCHE GEGEVENS 194 RICHTLIJNEN VOOR DE BEHANDELING VAN HET VOERTUIG AAN HET EINDE VAN DE LEVENSDUUR Al jaren zet FCA zich volledig in voor de bescherming van het milieu via de continue verbetering van de productieprocessen en de realisatie van producten die steeds "eco-compatibeler" zijn.
MULTIMEDIA In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste functies beschreven van de infotainmentsystemen voor de Uconnect™ 3" Radio, Uconnect™ 5" Radio, Uconnect™ 5" Radio Nav en Uconnect™ 6.5" Radio Nav die op het voertuig kunnen worden geïnstalleerd. TIPS, BEDIENING EN ALGEMENE INFORMATIE ...................................196 UCONNECT 3" RADIO....................198 UCONNECT 5" RADIO UCONNECT 5" RADIO NAV ............205 UCONNECT 6.5" RADIO NAV .........
MULTIMEDIA TIPS, BEDIENING EN ALGEMENE INFORMATIE VERKEERSVEILIGHEID Zorg ervoor dat u weet hoe de verschillende systeemfuncties gebruikt moeten worden voordat u gaat rijden. Lees de gebruiksaanwijzingen van het systeem zorgvuldig door voordat u gaat rijden. 181) 182) ONTVANGSTOMSTANDIGHEDEN Tijdens het rijden veranderen de ontvangstomstandigheden voortdurend. De ontvangst kan gestoord worden door de aanwezigheid van bergen, gebouwen of bruggen, vooral wanneer u ver verwijderd bent van de zender.
Als er een verkeerde code is ingevoerd, geeft het systeem "Code verkeerd" weer om de gebruiker te laten weten dat de juiste code ingevoerd moet worden. Na 3 mislukte invoerpogingen, verschijnt op het display "Code verkeerd. Radio gedeactiveerd. 30 minuten wachten a.u.b.". Als dit opschrift is verdwenen, kan de code opnieuw worden ingevoerd. Paspoort autoradio (Uconnect™ uitgezonderd 6.5" Radio Nav) Dit document is het eigendomsbewijs van het systeem.
MULTIMEDIA Uconnect 3" Radio .
Toets Functies Inschakeling/uitschakeling Volumeregeling Modus Toets kort indrukken Knop rechtsom/linksom draaien Volume in-/uitschakelen (Mute/Pauze) Toets kort indrukken Selectie afsluiten/naar vorige scherm terugkeren Toets kort indrukken Lijst doorbladeren of op een radiostation afstemmen of vorig/volgend nummer selecteren Knop rechtsom/linksom draaien Op display weergegeven optie bevestigen Toets kort indrukken INFO Keuze weergavemodus (Radio, Media Player) Toets kort indrukken AUDIO Toe
MULTIMEDIA Toets Functies Modus Willekeurige volgorde van USB/iPod nummers Toets kort indrukken USB/iPod nummer herhalen Toets kort indrukken . Bedieningstoetsen op stuurwiel De bedieningstoetsen voor de belangrijkste functies van het systeem bevinden zich op het stuurwiel, om het systeem makkelijker te kunnen bedienen.
Toetsen Interactie Toets A (linkerzijde, achter het stuurwiel) Bovenste toets ❒ Toets kort indrukken: zoeken naar volgend radiostation of selectie van volgend nummer USB/iPod. ❒ Toets langer indrukken: scannen van hogere frequenties tot de toets wordt losgelaten/snel vooruitspoelen nummer van USB/iPod. Middelste toets Bij elke keer indrukken kunnen de bronnen AM, FM, USB/iPod, AUX doorlopen worden. Alleen de beschikbare bronnen worden geselecteerd.
MULTIMEDIA SYSTEEM IN-/ UITSCHAKELEN Het systeem wordt in-/uitgeschakeld door het indrukken van de toets/ knop. Draai de toets/knop respectievelijk rechtsom/linksom om het radiovolume te verhogen/verlagen. Lijst FM-stations RADIO (TUNER) MODUS Druk op de toets/knop BROWSE ENTER om de volledige lijst van de FM-stations die ontvangen kunnen worden weer te geven. Het systeem heeft de volgende tuners: AM, FM.
Snel vooruit-/ terugspoelen door nummers Houd de toets ingedrukt om het gekozen nummer snel vooruit te spoelen. Houd de toets ingedrukt om het gekozen nummer snel achteruit te spoelen. Nummer kiezen (browse) Gebruik deze functie om door de nummers op het actieve apparaat te bladeren en een nummer te selecteren. De beschikbare keuzes hangen af van het apparaat dat aangesloten is.
MULTIMEDIA USB/iPod BRON Om de USB/iPod modus te activeren moet het betreffende apparaat (USB of iPod) in de USB-poort in het voertuig worden gestoken. AUDIO MODUS 151 F1B0006C INSTELLINGEN Druk op toets MENU op het frontpaneel voor de weergave van het menu "Instellingen". OPMERKING De weergegeven menu-items hangen van de versie af. Het menu biedt de volgende functies: ❒ Systeeminstellingen: Taal, Standaardwaarde resetten, Inschakelingsduur, Volumelimiet, Audio-On Radio.
Uconnect 5" Radio - Uconnect 5" Radio Nav .
MULTIMEDIA Toets Functies Modus Toets kort indrukken Inschakeling/uitschakeling Knop naar links/rechts draaien Volumeregeling Volume in-/uitschakelen (Mute/Pauze) Toets kort indrukken Display aan/uit Toets kort indrukken Selectie afsluiten/naar vorige scherm terugkeren Toets kort indrukken Instellingen Toets kort indrukken Lijst doorbladeren of op een radiostation afstemmen Knop naar links/rechts draaien Op display weergegeven optie bevestigen Toets kort indrukken APPS Toegang tot de aanv
Bedieningstoetsen op stuurwiel De bedieningstoetsen voor de belangrijkste functies van het systeem bevinden zich op het stuurwiel, om het systeem makkelijker te kunnen bedienen. De inschakeling van de gekozen functie is in sommige gevallen afhankelijk van hoelang de knop wordt ingedrukt (kort indrukken of ingedrukt houden) zoals in onderstaande tabel is aangegeven. 153 F1B0213C .
MULTIMEDIA Toetsen Interactie Toets A (linkerzijde, achter het stuurwiel) Bovenste toets Middelste toets Onderste toets ❒ Toets kort indrukken: zoeken naar volgende radiostation of selectie van volgend nummer USB/iPod en SD-kaart (waar aanwezig). ❒ Toets langer indrukken: scannen van hogere frequenties tot de toets wordt losgelaten/snel vooruitspoelen nummer van USB/iPod en SD-kaart (waar aanwezig).
SYSTEEM IN-/ UITSCHAKELEN Het systeem wordt in-/uitgeschakeld door het indrukken van de (ON/OFF) toets/knop. Draai de toets/knop respectievelijk rechtsom/linksom om het radiovolume te verhogen/verlagen. USB/IPOD BRON Het voertuig is uitgerust met USBaansluiting en AUX-stopcontact Sommige versies zijn uitgerust met een SD-SDHC-kaartlezer waarmee kaarten met SPI-technologie gelezen/beheerd kunnen worden. Bij sommige versies is ook een tweede USB-poort aanwezig in het opbergvak van de voorste armsteun.
MULTIMEDIA ❒ voer, als het audioapparaat hierom vraagt, de PIN-code in die wordt getoond op het display van het systeem of bevestig de op het apparaat getoonde PIN; ❒ als de koppelingsprocedure met succes is afgesloten, wordt een scherm getoond. Als "Ja" op de vraag wordt geselecteerd, wordt het Bluetooth® audioapparaat als favoriet gekoppeld (het apparaat heeft voorrang op alle andere apparaten die later worden gekoppeld).
❒ als de koppelingsprocedure met succes is voltooid, wordt een scherm getoond: als "Ja" op de vraag wordt geselecteerd, wordt de mobiele telefoon als favoriet gekoppeld (de mobiele telefoon heeft voorrang op alle andere mobiele telefoons die later worden gekoppeld). Als geen andere apparaten worden gekoppeld, zal het systeem het eerst gekoppelde apparaat als favoriet beschouwen.
MULTIMEDIA Wanneer de activering is afgerond, wordt gebruiker hiervan op de hoogte gebracht met een bericht. Als een persoonlijk profiel nodig is voor de services, kunnen uw accounts worden aangesloten via de App Uconnect™, of in uw persoonlijke zone op www.driveUconnect.eu. BELANGRIJK De my:Car toepassing heeft niet als doel de informatie in het Instructieboek van de auto te vervangen.
De nieuwe eco:Drive™ en my:Car toepassingen zijn ontwikkeld om de rijervaring van de klant te verbeteren, daarom zijn ze verkrijgbaar in alle markten waar toegang tot de Uconnect™ services mogelijk is. Voor meer informatie, ga naar www.DriveUconnect.eu. Als het navigatiesysteem wordt geïnstalleerd op de radio, dan worden bij toegang tot de Uconnect™ services de TomTom "Live" services benut. Raadpleeg voor meer informatie over de "Live" functies het betreffende hoofdstuk.
MULTIMEDIA 214 BELANGRIJK Verwijder de USB-stick niet of koppel de smartphone en de App Uconnect™ niet los voordat het systeem de gegevens heeft gedownload, aangezien deze verloren kunnen gaan. Tijdens de gegevensoverdracht naar de apparaten kunnen er berichten op het display van de autoradio verschijnen om de gebruiker op de juiste wijze door deze handeling te leiden; volg deze aanwijzingen op.
- "Richtlijnen actief" (waar aanwezig): hiermee kunnen de dynamische roosters die het traject van het voertuig op het display aangeven ingeschakeld worden. - "Vertr. cam achter" (waar aanwezig): hiermee kan de verdwijning van beelden van de camera vertraagd worden als de achteruitversnelling wordt ingeschakeld. ❒ "Let op: front. botsing" (waar aanwezig): hiermee kunt u de interventiewijze van het Full Brake Control-systeem kiezen.
MULTIMEDIA - "Remservice" (waar aanwezig): hiermee kunt u de procedure inschakelen om het onderhoud van het remsysteem uit te voeren; - "Autom. Parkeerrem" (waar aanwezig): hiermee kunt u de automatische inschakeling van de parkeerrem in- of uitschakelen. NAVIGATIE (alleen Uconnect 5" Radio Nav versies) Een route programmeren BELANGRIJK In het belang van de veiligheid en om afleiding tijdens het rijden te beperken, kunt u het beste altijd uw route plannen voordat u op weg gaat.
Ga als volgt te werk om een USBapparaat voor te bereiden: ❒ Selecteer Navigatie updates in het menu Instellingen. U wordt gevraagd of u een USBapparaat wilt voorbereiden voor het downloaden van updates. ❒ Kies Ja. ❒ Sluit het USB-apparaat aan. Opmerking: als het systeem u blijft vragen het USB-apparaat aan te sluiten, controleren of het apparaat aan de eerder aangegeven vereisten voldoet, daarna opnieuw proberen. Het systeem begint het USB-apparaat voor te bereiden.
MULTIMEDIA 218 Opmerking: koppel het USB-apparaat niet los van de computer tijdens het downloaden en kopiëren van de kaart. De kaart kan nu geïnstalleerd worden op het systeem. Een kaart installeren De kaartupdate MOET worden uitgevoerd met draaiende motor en kan langer dan 30 minuten duren. Verwijder het USB-apparaat niet tijdens de installatie van de kaart, zoniet wordt de installatie onderbroken. Na het downloaden van een kaart op uw USB-apparaat, kan deze geïnstalleerd worden op uw systeem.
Telefoon De volgende spaakopdrachten kunnen worden gegeven na het indrukken op het stuurwiel: van de toets ❒ Bel ❒ Kies ❒ Opnieuw kiezen ❒ Bel terug ❒ Laatste oproepen ❒ Uitgaande oproepen ❒ Gemiste oproepen ❒ Inkomende oproepen ❒ Telefoonboek ❒ Zoek ❒ SMS tonen Autoradio De volgende spaakopdrachten kunnen worden gegeven na het indrukken van de toets op het stuurwiel: ❒ Afstemmen op XXX-FM ❒ Afstemmen op XXX AM ❒ Afstemmen op Radio XXX ❒ Afstemmen op DAB-kanaal ❒ Speel artiest... ❒ Speel genre...
MULTIMEDIA Uconnect 6.5" Radio Nav .
Toets Functies Modus Inschakelen Toets kort indrukken Uitschakeling Toets kort indrukken Volumeregeling Knop naar links/rechts draaien Volume in-/uitschakelen (Mute/Pauze) Toets kort indrukken Display aan/uit Toets kort indrukken Instellingen Toets kort indrukken Selectie afsluiten/naar vorige scherm terugkeren Toets kort indrukken Lijst doorbladeren of op een radiostation afstemmen Knop naar links/rechts draaien Op display weergegeven optie bevestigen Toets kort indrukken 7 - APPS Toe
MULTIMEDIA Bedieningselementen op het stuurwiel(waar aanwezig) De bedieningstoetsen voor de belangrijkste functies van het systeem bevinden zich op het stuurwiel, om het systeem makkelijker te kunnen bedienen. De inschakeling van de gekozen functie is in sommige gevallen afhankelijk van hoelang de knop wordt ingedrukt (kort indrukken of ingedrukt houden) zoals in onderstaande tabel is aangegeven. 155 F1B0213C .
Toetsen Interactie Toets A (linkerzijde, achter het stuurwiel) Bovenste toets ❒ Toets kort indrukken: zoeken naar volgend radiostation of selectie van volgend nummer USB/iPod. ❒ Toets langer indrukken: scannen van hogere frequenties tot de toets wordt losgelaten/snel vooruitspoelen nummer van USB/iPod. Middelste toets Bij elke keer indrukken kunnen de bronnen AM, FM, USB/iPod, AUX en SD doorlopen worden (waar aanwezig). Alleen de beschikbare bronnen worden geselecteerd.
MULTIMEDIA SYSTEEM IN-/ UITSCHAKELEN Aanwijzingen op de display Vorige/volgende radiostation selecteren Het systeem wordt in-/uitgeschakeld door het indrukken van de (ON/OFF) toets/knop. Draai de toets/knop respectievelijk rechtsom/linksom om het radiovolume te verhogen/verlagen. Nadat het gewenste radiostation is gekozen, wordt de volgende informatie op het display getoond: Bovenaan: weergave van opgeslagen (preset) radiostations.
DAB-radio (waar aanwezig) Zodra de DAB-radiomodus is geselecteerd, wordt op het display informatie over het beluisterde station getoond. De toets "Bladeren" wordt gebruikt om het volgende te tonen: ❒ de lijst van alle DAB-stations; ❒ de lijst van alle favorieten; ❒ de lijst van de stations gefilterd op "Ensembles" (broadcastgroep). Gebruik de toets "ABC" binnen elke lijst om naar de gewenste letter in de lijst te springen.
MULTIMEDIA 226 Nummer kiezen (browse) Weergave nummerinformatie Gebruik deze functie om door de nummers op het actieve apparaat te bladeren en een nummer te selecteren. Gebruik de toets "ABC" binnen elke lijst om naar de gewenste letter in de lijst te springen. Druk op de toets "Browse" om deze functie te activeren voor de bron die afgespeeld wordt. Draai aan de toets/knop BROWSE ENTER om de gewenste optie te kiezen en druk vervolgens op deze toets/knop om de keuze te bevestigen.
SD-kaarthouder (waar aanwezig) USB/iPod BRON USB/iPod modus Om de USB/iPod modus te activeren moet het betreffende apparaat (USB of iPod) in de USB-poort worden gestoken, die zich op de tunnelconsole bevindt (fig. 156). Om de SD-modus in te schakelen, een geschikte SD-kaart in de speciale aansluiting in de auto plaatsen (zie fig. 157).
MULTIMEDIA ❒ gesprekken van het systeem naar de mobiele telefoon en andersom overzetten en het geluid van de microfoon uitschakelen bij privégesprekken. Het geluid van de mobiele telefoon wordt over het audiosysteem van het voertuig uitgezonden: het systeem schakelt automatisch het geluid van de autoradio uit wanneer de Telefoonfunctie wordt gebruikt.
Media/Radio-modus Trip Door op de toets aan de linkerkant van het display te drukken kan informatie over de "Media- en Radiomodus" bekeken worden. Druk op de toets "Trip" voor toegang tot de schermpagina's met informatie van de Trip computer die door het instrumentenpaneel is uitgewerkt. Klok INSTELLINGEN Door op de tijd middenboven op het display te drukken kan de tijd worden ingesteld. Druk op toets op het frontpaneel voor de weergave van het menu "Instellingen".
MULTIMEDIA 230 - "Alarm+ remmen actief": het systeem grijpt in door de bestuurder een signaal ter waarschuwing te geven en de automatische remwerking te activeren. ❒ "Gevoel. front. botsing" (waar aanwezig): hiermee kunt u de reactiesnelheid van het systeem op basis van de afstand tot het obstakel selecteren. De beschikbare opties zijn "Nabij", "Med", "Ver". ❒ "Park Assist" (waar aanwezig): hiermee kunt u het type waarschuwing dat door het Park Assist-systeem wordt gegeven selecteren.
Lichten (waar aanwezig) Met deze functie zijn de volgende afstellingen mogelijk: ❒ "Interieurverlichting" (waar aanwezig): hiermee kan de lichtsterkte van de interieurverlichting geselecteerd worden; ❒ "Sensor koplampen" (waar aanwezig): regeling van de gevoeligheid voor inschakeling van de koplampen; ❒ "Follow me" (waar aanwezig): hiermee kan de vertraging bij uitschakeling van de koplampen na het afzetten van de motor worden ingesteld; ❒ "Instapverlichting": inschakeling/ uitschakeling van de instapverlic
MULTIMEDIA NOODREMMEN Druk de toets "Noodgeval" in het Hoofdmenu Navigatiesysteem in om een van de volgende opties te selecteren om te zoeken en te navigeren naar een bestemming: ❒ "Ziekenhuis": druk op deze toets om een rit in te stellen naar een ziekenhuis vlakbij de bestemming; ❒ "Politie": druk op deze toets om een rit in te stellen naar een politiebureau vlakbij de bestemming.
WAARSCHUWINGEN EN AANBEVELINGEN BELANGRIJK INTERIEURUITRUSTING ❒ Rijd nooit met open dashboardkastje: bij een ongeval kunnen de inzittenden voorin hierdoor verwond raken. ❒ De aansteker wordt zeer heet. Wees voorzichtig en zorg dat hij niet wordt gebruikt door kinderen: brandgevaar en/of gevaar voor brandwonden. ❒ Gebruik de asbak niet als prullenbak: de inhoud kan door sigarettenpeuken in brand raken.
BELANGRIJK IMPERIAAL/SKIDRAGER ❒ Het gebruik van dwarsstangen bovenop de stangen in de lengte verhindert het gebruik van het schuifdak, omdat dit, tijdens het openen, interfereert met de stangen. Bedien het schuifdak dus niet als er dwarsstangen gemonteerd zijn. ❒ De wettelijke voorschriften betreffende de maximale afmetingen moeten altijd worden gerespecteerd.
NOTITIES
ALFABETISCH REGISTER Aanhangers trekken...................... 127 ABS (systeem) ............................... 66 Accu .............................................. 168 – advies voor verlengen levensduur ................................ 168 – vervangen ................................. 168 Accu opladen................................. 170 Achterbank .................................... 18 Achterruitsproeier – niveau vloeistof voor ruitensproeiers/achterruitsproeier .......................................
ALFABETISCH REGISTER Grootlicht ....................................... Grootlicht – Automatische inschakeling grootlicht ................................... GSI (Gear Shift Indicator)................ 23 23 43 Handbediende klimaatregeling ...... 28 Handgeschakelde versnellingsbak ............................ 111 Herconfigureerbare laadvloer.......... 38 Het voertuig opkrikken ................... 174 HHC (systeem)............................... 68 Hoofdairbag ...................................
– "Intelligente" wis-/wasfunctie ..... 26 SBR (Seat Belt Reminder) ............. 82 SBR-systeem (Seat Belt Reminder) .................................... Slepen van het voertuig.................. Sleutels – elektronische sleutel .................. – sleutel met afstandsbediening ... Sneeuwkettingen ........................... Snelheidsbegrenzer........................ SRS (aanvullend veiligheidssysteem) ...................... Stadslicht achter (lamp vervangen) ...................................
Fiat Chrysler Automobiles N.V. - MOPAR - Technical Services - Service Engineering Largo Senatore G. Agnelli, 3 - 10040 Volvera - Torino (Italia) Druknummer 603.99.
COP 500X LUM NL_COP 500X LUM NL 30/10/14 15.46 Pagina 2 WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Dit Instructieboek is bedoeld om de bedrijfsomstandigheden van het voertuig te verduidelijken. Voor de enthousiaste gebruiker die de inzichten, curiositeiten en gedetailleerde informatie over de eigenschappen en functies van het voertuig wil weten, biedt Fiat de gelegenheid om een speciaal gedeelte te raadplegen dat beschikbaar is in elektronisch formaat.
COP 500X LUM NL_COP 500X LUM NL 30/10/14 15.46 Pagina 1 F I A T 5 0 0 X NEDERLANDS De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Fiat Chrysler Automobiles behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk. Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.