Cop 500 LUM Ridotto NL_500 UM ITA 19/05/15 15:42 Pagina 1 NEDERLANDS De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Fiat Chrysler Automobiles behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk. Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.
Cop 500 LUM Ridotto NL_500 UM ITA 19/05/15 15:42 Pagina 2 WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Dit Instructieboek is bedoeld om de bedrijfsomstandigheden van het voertuig te verduidelijken. Voor de enthousiaste gebruiker die de inzichten, curiositeiten en gedetailleerde informatie over de eigenschappen en functies van het voertuig wil weten, biedt Fiat de gelegenheid om een speciaal gedeelte te raadplegen dat beschikbaar is in elektronisch formaat.
Beste klant, Wij feliciteren u en bedanken u dat u voor een Fiat hebt gekozen. Wij hebben dit boekje opgesteld om u te helpen alle kenmerken van dit voertuig te leren kennen en het op de beste manier te gebruiken. Dit boekje bevat informatie, adviezen en belangrijke waarschuwingen voor een juist gebruik van het voertuig, zodat u het maximum uit de technologische eigenschappen kunt halen.
AANDACHTIG LEZEN TANKEN K Benzinemotoren: Tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON die aan de Europese specificatie EN228 voldoet. Gebruik geen benzine die methanol of ethanol E85 bevat. Het gebruik van dergelijke mengsels kan leiden tot problemen met de ontsteking en het rijden, evenals tot beschadiging van fundamentele componenten van het brandstoftoevoersysteem. Dieselmotoren: tank uitsluitend dieselolie voor motorvoertuigen die aan de Europese norm EN590 voldoet.
GEBRUIK VAN HET INSTRUCTIEBOEK BEDIENINGSAANWIJZINGEN Elke keer als er aanwijzingen over de richting van de auto worden gegeven (links/rechts of vooruit/achteruit), dan moeten deze begrepen worden als gezien door een inzittende op de bestuurdersstoel. Speciale uitzonderingsgevallen op deze regel zullen duidelijk in de tekst zijn aangegeven.
SYMBOLEN Sommige onderdelen van de auto zijn voorzien van gekleurde plaatjes met daarop symbolen die de voorzorgsmaatregelen aangeven die in acht genomen moeten worden wanneer het betreffende onderdeel wordt gebruikt. Een plaatje waarop deze symbolen zijn samengevat bevindt zich onder de motorkap.
KENNISMAKING MET DE AUTO VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN IN EEN NOODGEVAL ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE SPECIFICATIES BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN INHOUD 5
Deze pagina is opzettelijk leeg gelaten
KENNISMAKING MET DE AUTO INSTRUMENTENPANEEL 1a DVDF0S170c A linker hendel: bediening buitenverlichting en richtingaanwijzer – B bediening audio op stuurwiel– C instrumentenpaneel D hoogteregeling koplampen –E bediening audio op stuurwiel – F rechter hendel: bediening ruitenwissers/-sproeiers, achterruitwisser/sproeier – G elektrische dualdrive stuurbekrachtiging (CITY-functie) – H display: audiosysteem/Uconnec™ – I middelste luchtuitstroomopeningen – L mistlampen/mistachterlichten – M passagiersairbag –
KENNISMAKING MET DE AUTO DASHBOARD MET SPORTSTUURWIEL 1b DVDF0S460c A hendel richtingaanwijzer– B bediening audioop stuurwiel– C instrumentenpaneel – D hoogteregeling koplampen –E bediening audio op stuurwiel – F bediening ruitenwissers/-sproeiers, achterruitwisser/-sproeier – G elektrische dualdrive stuurbekrachtiging (CITY-functie) H display: autosysteem/Uconnect™ – I middelste luchtuitstroomopeningen – L mistlampen/mistachterlichten – M passagiersairbag N uitstroomopeningen aan zijkant – O dashboardk
INSTRUMENTENPANEEL VERSIES MET MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY A snelheidsmeter B toerenteller (diesel versies hebben een volledige schaal van 6 RPM X 1000) C display met digitale brandstofmeter en koelvloeistoftemperatuurmeter De lampjes m h c zijn uitsluitend op de dieseluitvoeringen aanwezig. t Waarschuwingslampje alleen aanwezig op dualogic uitvoeringen.
KENNISMAKING MET DE AUTO VERSIES MET KLEURENDISPLAY A B C D E snelheidsmeter Digitale meter “Eco Index” Digitale brandstofmeter Digitale koelvloeistoftemperatuurmeter Toerenteller m t E Waarschuwingslampjes alleen aanwezig op dieselversies. Waarschuwingslampje alleen aanwezig op Dualogic uitvoeringen.
LAMPJES EN MELDINGEN 31) BELANGRIJKE OPMERKINGEN BELANGRIJK Lampjes worden vergezeld van een specifiek bericht en/of een geluidssignaal wanneer van toepassing. Deze meldingen zijn korte waarschuwingen en mogen vanwege hun beknopte karakter niet worden beschouwd als volledig en/of een alternatief voor de informatie die is opgenomen in het Instructieboek. Het wordt daarom geadviseerd het instructieboek altijd aandachtig te lezen.
KENNISMAKING MET DE AUTO AFKOELING HETE MOTOR Het lampje gaat branden wanneer de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, maar het moet even later doven. Het lampje of symbool op het display gaat branden wanneer de motor oververhit is, op sommige versies, samen met een speciale melding op het display. ❒ Tijdens een normale rit breng de auto tot stilstand, zet de motor af en controleer of het koelvloeistofniveau in het u reservoir onder het MIN-teken staat.
w ´ OPLADEN LEGE ACCU Wanneer de contactsleutel in de stand MAR wordt gedraaid, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart (als de motor stationair draait, kan het voorkomen dat het lampje iets later dooft). Als het lampje of het symbool op het display (samen met een speciale melding op het display op sommige versies) aan blijven, neem dan meteen contact op met het Fiat Servicenetwerk.
KENNISMAKING MET DE AUTO R S PORTIEREN/MOTORKAP/BAGAGERUIMTE OPEN (kleurendisplay) De symbolen verschijnen op het display, samen met een speciaal bericht, op sommige versies, wanneer één of meerdere portieren, de achterklep of de motorkap (voor bepaalde versies/markten) niet goed gesloten zijn. Er klinkt ook een geluidssignaal als de portieren geopend zijn en de auto in beweging is.
x > EBD STORING (kleurendisplay) Wanneer de waarschuwingslampjes bij draaiende motor tegelijk gaan branden, dan is er een storing in het EBD-systeem of is het systeem niet beschikbaar. In dit geval kunnen de achterwielen bij hard remmen plotseling blokkeren waardoor de auto begint te slippen. ESC Bij sommige versies verschijnt een speciaal bericht op het display. Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde werkplaats van het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.
KENNISMAKING MET DE AUTO T UITSCHAKELING Start&Stop-SYSTEEM (voor bepaalde versies/markten) De uitschakeling van het Start&Stop-systeem wordt aangeduid door het gaan branden van het lampje of het symbool op het display samen met een speciaal bericht op het dislpay op sommige versies.
DPF REINIGING (OPVANG ROETDEELTJES) BEZIG (diesel versies met DPF) Het lampje gaat branden wanneer de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, maar het moet even later doven.
KENNISMAKING MET DE AUTO c WATER IN DIESELFILTER (Multifunctioneel display) (Diesel versies) Het lampje gaat branden wanneer de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, maar het moet even later doven. Het lampje brandt constant tijdens het rijden om aan te geven dat er water in het dieselfilter is waargenomen. Bij sommige versies gaat, als alternatief ,het lampje è branden en verschijnt er een speciaal bericht op het display.
Storing parkeersensor Het waarschuwingslampje gaat branden en er verschijnt een bericht op het display wanneer er een storing van een parkeersensor gedetecteerd wordt. è Start&Stop-systeemfout (versies met multifunctioneel display) Een storing van het systeem wordt aangegeven door het aangaan van het lampje. Een speciaal bericht verschijnt op het instrumentenpaneel.
KENNISMAKING MET DE AUTO SERVICE (GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD) VEVALLEN Wanneer het onderhoudsinterval bijna is vervallen, verschijnt het symbool op het scherm, gevolgd door het aantal resterende kilometers of mijlen. Dit wordt automatisch weergegeven, met de contactsleutel op MAR, 2000 km (of het equivalent in mijlen) vóór de onderhoudsbeurt of, indien aanwezig, 30 dagen vóór de onderhoudsbeurt.
* STORING HILL HOLDER (kleurendisplay) (voor bepaalde versies/markten) Het symbool wordt weergegeven op het display samen met een speciaal bericht als er een storing is in het Hill Holder systeem. Neem in dit geval zo snel mogelijk contact op met een Fiat Servicenetwerk. STORING PARKEERSENSOR (kleurendisplay – voor bepaalde versies/markten) Het symbool wordt weergegeven op het display samen met een speciaal bericht als er een storing is in de parkeersensoren. Neem contact op met een Fiat Servicenetwerk.
KENNISMAKING MET DE AUTO 5 F LINKER RICHTINGAANWIJZER Het lampje gaat branden wanneer de richtingaanwijzerhendel omlaag wordt verplaatst of, samen met de rechter richtingaanwijzer, wanneer de drukknop voor de alarmknipperlichten wordt ingedrukt. D RECHTER RICHTINGAANWIJZER Het lampje gaat branden wanneer de richtingaanwijzerhendel omhoog wordt verplaatst of, samen met de linker richtingaanwijzer, wanneer de drukknop voor de alarmknipperlichten wordt ingedrukt.
DISPLAY MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY 10 11 12 13 14 Aanduiding auto-onderhoud Digitale koelvloeistoftemperatuurmeter Buitentemperatuurmeter Ijs op de weg Inschakeling Dualdrive elektrische stuurbekrachtiging KLEURENDISPLAY Het standaardscherm fig. 5 toont de volgende informatie: 1 4 DVDF0S084c Het standaardscherm fig.
KENNISMAKING MET DE AUTO 24 U kunt langs de instelmenulijst lopen door een keer te drukken op de + of – knoppen. De bedieningswijzen verschillen afhankelijk van de gekozen optie.
UITSCHAKELING VOORSTE PASSAGIERSAIRBAG EN ZIJAIRBAG (voor bepaalde versies/markten) Met deze functie kan de zijairbag aan passagierszijde in-/uitgeschakeld worden.
KENNISMAKING MET DE AUTO DE SLEUTELS HOOGTEREGELING KOPLAMPEN 1) Druk, met de contactsleutel in de stand MAR en ingeschakeld dimlicht, op de knop + om de koplampen omhoog te verstellen of op de knop – om de koplampen omlaag te verstellen. 1) MECHANISCHE SLEUTEL De metalen baard A-fig. 8 activeert: 1) ❒ de contactschakelaar; CODE-CARD (voor bepaalde versies/markten) Bij de auto worden twee contactsleutels samen met de CODEcard fig.
Door te drukken op knop B gaat de metalen baard open/dicht. Druk kort op knop Ë: ontgrendeling van de portieren en achterklep, tijdgestuurde inschakeling binnenverlichting en dubbel knipperen van de richtingaanwijzers (voor bepaalde versies/markten). Druk kort op knop Á: vergrendeling op afstand van de portieren en achterklep, uitschakeling interne plafondverlichting en eenmaal knipperen van de richtingaanwijzers (voor bepaalde versies/markten).
KENNISMAKING MET DE AUTO STUURSLOTVER2) GRENDELING STOELEN Inschakeling: draai de sleutel naar de stand STOP, verwijder de sleutel en verdraai het stuurwiel tot het vergrendelt. VOORSTOELEN Uitschakeling: draai het stuur iets heen en weer terwijl de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid. 3) 4) 2)) Afstelling in de lengte: breng hendel A-fig. 11 omhoog en duw de stoel naar voren en naar acheren om de vereiste stand te bereiken.
Bestuurder- en passagierszijde met standgeheugen: Om de zitting in zijn originele positie terug te zetten, de stoel achteruit schuiven en de rugleuning aanduwen totdat de stoel vergrendelt (beweging 4), hendel D-fig.14 aanpassen (beweging 5) en de rugleuning omhoog brengen (beweging 6) totdat de vergrendelbeweging gehoord kan worden.
KENNISMAKING MET DE AUTO ACHTERUITKIJKSPIEGELS 6) HOOFDSTEUNEN ACHTER (verwijdering) STUURWIEL (voor bepaalde versies/markten) De hendel A-fig. 18 voor verstelling van het stuurwiel bevindt zich op de stuurkolom onder de richtingaanwijzerhendel. Ga als volgt te werk om de hoofdsteunen te verwijderen: ❒ Til hendel A of B fig. 17 op (allebei voor een achterbank), ontgrendel de rugleuning en klap deze naar voren; ❒ trek de hoofdsteunen tot hun maximumhoogte uit; ❒ druk op de knoppen A en B fig.
ELEKTROCHROMATISCH E ACHTERUITKIJK BINNENSPIEGEL (voor bepaalde versies/markten) Sommige versies zijn voorzien van een elektrochromatische spiegel met automatische anti-verblindingsfunctie. Op het onderste deel van de spiegel zit een AAN/UIT knop om de elektrochromatische functie in/uit te schakelen. Wanneer de functie actief is, brandt er een led op de spiegel. Bij inschakeling van de achteruit, wordt de spiegel automatisch ingesteld op de dagstand.
KENNISMAKING MET DE AUTO HANDBEDIENDE KLIMAATREGELING 3) 2) Druk op knop A-fig. 22 om de klimaatregeling in en uit te schakelen. OPMERKING Een optimale koeling/verwarming van het interieur kan mogelijk niet verzekerd zijn bij werking van het Start&Stop-systeem. Om voorrang te geven aan de werking van de klimaatregeling, moet het Start&Stop-systeem uitgeschakeld worden. LUCHTRECIRCULATIE (draaiknop B-fig.
AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING A B C (voor bepaalde versies/markten) 3) 2) AUTOMATISCHE WERKING D I Druk op de knop AUTO I-fig. 23. Kies de gewenste temperatuur door op de knoppen B voor temperatuurregeling te drukken. Het systeem behoudt automatisch de ingestelde temperatuur. OPMERKING De klimaatregeling kan indien nodig de Start&Stop-functie uitschakelen om een voldoende comfortabel klimaat in het interieur te garanderen. LUCHTRECIRCULATIE (drukknop H-fig.
KENNISMAKING MET DE AUTO BUITENVERLICHTING ❒ Als de hendel naar het stuurwiel wordt getrokken gaan ze uit. Grootlichtsignaal 1 ❒ Trek voor het grootlichtsignaal de hendel naar het stuurwiel (instabiele stand). 2 RICHTINGAANWIJZERS Zet de hendel in de (stabiele) stand: 24 DAGVERLICHTING DVDF0S008c 7) ❒ Met de sleutel in MAR en de draaischakelaar in de stand O gedraaid, gaat de dagrijverlichting automatisch aan.
RUITEN REINIGEN RUITENWISSERS VOOR fig. 25 40) 4) De hendel kan in vijf verschillende standen worden gezet (vier snelheidsniveaus ): A – ruitenwissers uitgeschakeld “Intelligente” wasfunctie Trek de hendel naar het stuur (onstabiele stand) om de ruitensproeier in te schakelen. Houd de hendel aangetrokken om met één beweging de ruitenwissers/-sproeiers in te schakelen; de ruitenwissers worden automatisch ingeschakeld als de hendel langer dan een halve seconde naar het stuurwiel wordt getrokken.
KENNISMAKING MET DE AUTO SCHUIFDAK Het schuitdak sluiten Noodbediening (voor bepaalde versies/markten) ❒ Houd de knop B-fig. 27 ingedrukt: het schuifdak beweegt naar de “spoilerstand”. Het schuifdak zal stoppen in de stand die bereikt wordt wanneer de knop wordt losgelaten. Houd de knop B ingedrukt en wacht tot het schuifdak helemaal gesloten is.
VOUWDAK 10), 11) 6) ❒ Het vouwdak word geopend/gesloten met de toetsen A of B - fig. 29 naast het plafondlicht. Het wordt geadviseerd het vouwdak te sluiten terwijl de auto geparkeerd is. Het gesloten dak beschermt de auto effectief tegen regen en diefstal. BELANGRIJK: bij herhaalde bediening binnen korte tijd kan de motor van het vouwdak oververhit raken en het systeem blokkeren door tussenkomst van de thermische beveiliging. Wacht een minuut en probeer opnieuw.
KENNISMAKING MET DE AUTO ❒ Als, voordat de stopstand bereikt wordt, beide knoppen worden ingedrukt, kan het vouwdak stoppen in elke tussenstand van de horizontale openingssectie. 31 DVDF0S175c Sluiten vanuit: volledig geopende vouwdakstand ❒ Druk één maal op de one-touchtoets B-fig. 29 om het vouwdak automatisch tot de spoilerstand te sluiten (verticaal sluiten).
Initialisatieprocedure Als de accu werd losgekoppeld of als de zekering is doorgebrand, moet het vouwdak opnieuw worden geïnitialiseerd. Als de procedure voltooid is, zal het vouwdak automatisch een volledige cyclus openen en sluiten uitvoeren (tot 25 cm voor de volledig gesloten stand) om de bestuurder te laten weten dat de correcte werking hersteld is.
KENNISMAKING MET DE AUTO ❒ Bewaar de softtop niet gedurende lange perioden in opgevouwen toestand: dit kan vouwen en kreuken in de stof veroorzaken. ❒ Voordat u het vouwdak in beweging zet, controleren of er genoeg ruimte is om de handeling te verrichten en of er geen belemmeringen of mensen vlakbij de bewegende delen van het vouwdak zijn. ❒ De koele luchtstroom binnenin de auto kan afnemen als de klimaatregeling is ingeschakeld en het vouwdak niet volledig gesloten is.
Vergrendelen/ontgrendelen van binnenuit Bedien de handgrepen op de portierpanelen fig. 34: – stand 1: portier ontgrendeld. – stand 2: portier ontgrendeld. Als de auto van centrale portiervergrendeling is voorzien, worden bij het bedienen van de handgreep aan passagiers- of bestuurderszijde de sloten van alle portieren ontgrendeld/vergrendeld. Met afstandsbediening Druk op de knop ;: vergrendeling portieren. Druk op de knop :: ontgrendeling portieren.
KENNISMAKING MET DE AUTO Openen achterklep bij volledig geopend vouwdak ❒ Druk één maal op de one-touch toets A-fig. 36 om het vouwdak automatisch tot de spoilerstand te sluiten. Bij het bereiken van de spoilerstand wordt het slot van de achterklep ontgrendeld. IMPERIAAL/SKI DRAGER 14) 7) BEVESTIGINGSPUNTEN De bevestigingspunten bevinden zich in de zones getoond in fig. 38.
MOTORKAP ❒ Breng de veiligheidssteun in zijn behuizing A-fig. 41 integraal naar de motorkap. 16) Om de motorkap te openen: BEDIENINGSELEMENTEN 17) ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING “DUALDRIVE” ❒ Trek de hendel A-fig. 41 in de richting van de pijl. (voor bepaalde versies/markten) 41 40 DVDF0S027c ❒ beweeg de ontgrendelingshendel B in de richting van de pijl en breng de motorkap dan omhoog en plaats de veiligheidssteun.
KENNISMAKING MET DE AUTO ECOFUNCTIE (voor bepaalde versies/markten) ❒ Druk, met de contactsleutel in de stand MAR, op de ECO B-knop – fig.42 om de functie in te schakelen. Het woord ECO verschijnt op het display of er wordt, afhankelijk van de versie, een speciaal scherm weergegeven. ❒ Druk nogmaals op de knop om de functie uit te schakelen.
❒ twee keer indrukken: mistachterlampen aan, lampje 4 verschijnt op instrumentenpaneel; ❒ drie keer indrukken: mistlampen voor/achter uit. MISLAMPEN ACHTER (voor bepaalde versies/markten) Met het dimlicht ingeschakeld, knop B fig. 44 als volgt gebruiken om de mistlampen/mistachterlichten in te schakelen: Het lampje 4 op het instrumentenpaneel gaat branden. Druk nogmaals op de knop om de lichten uit te schakelen.
KENNISMAKING MET DE AUTO De ASR schakelt automatisch in wanneer de motor wordt gestart. Tijdens het rijden kan het ASR-systeem uitgeschakeld en daarna weer ingeschakeld worden door op de knop A fig. 45 te drukken: de inschakeling van het systeem wordt aangegeven door het aangaan van de led op de knop zelf en, bij sommige versies, door het verschijnen van een bericht op het display.
Pomp, voordat de “Reset”-procedure wordt uitgevoerd, de banden tot de juiste bandenspanning op, vermeld in de bandenspanningstabel (zie de paragraaf “Wielen” in het hoofdstuk “Technische gegevens”). Als de resetprocedure niet wordt uitgevoerd in alle bovenstaande gevallen, kan het n waarschuwingslampje verkeerde aanduidingen over een of meer banden geven.
KENNISMAKING MET DE AUTO Volg deze procedure om de werking van de auto te herstellen: ❒ draai de contactsleutel naar MAR; PARKEERSENSOREN 18) 25) (voor bepaalde versies/markten) ❒ schakel de richtingaanwijzer rechts in ❒ schakel de richtingaanwijzer rechts uit ❒ schakel de richtingaanwijzer links in ❒ schakel de richtingaanwijzer links uit ❒ schakel de richtingaanwijzer rechts in ❒ schakel de richtingaanwijzer rechts uit ❒ schakel de richtingaanwijzer links in ❒ schakel de richtingaanwijzer links uit ❒
Het systeem geeft een gedetecteerd obstakel aan met de weergave van een boog in overeenstemming met de afstand tot het obstakel en de plaats hiervan ten opzichte van het voertuig. Als een voorwerp wordt gedetecteerd in de middelste zone achter, toont het display een knipperende boog in de overeenkomende middelste zone achter en klinkt er een geluid.
KENNISMAKING MET DE AUTO BEDIENINGSWIJZE Afzetten van de motor ❒ Met handgeschakelde versnellingsbak: bij stationair draaiende motor, wordt de motor afgezet als de versnellingspook in de vrijstand staat en het koppelingspedaal niet is ingetrapt. ❒ Met Dualogic versnellingsbak: de motor wordt afgezet als hij stil staat en het rempedaal is ingetrapt. Deze toestand kan gehandhaafd worden zelfs als het rempedaal niet wordt ingetrapt, maar als de versnellingspook in de stand N staat.
Benzinemotoren Gebruik alleen loodvrije benzine met een octaangehalte niet lager dan 95 R.O.N. (EN228 specificatie). Dieselmotoren Open, om de vulopening te bereiken, de toegangsklep A-fig. 50 en draai de dop B los. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht tijdens het tanken: Gebruik uitsluitend diesel voor motorvoertuigen (EN590-specificatie).
KENNISMAKING MET DE AUTO VERSIE MET LPG-SYSTEEM 44) 29) INLEIDING De LPG-uitvoering heeft twee brandstoftoevoersystemen: een voor benzine en een voor LPG. Het LPG-systeem is, net als dat voor benzine, een multipoint sequentieel gefaseerd systeem met speciale elektrische injectoren. Actieve veiligheid De auto heeft dezelfde actieve veiligheidskenmerken als de andere versies.
LPG-TANK De auto heeft een tank (onder druk) A-fig 54 voor de opslag van LPG in vloeibare staat. Deze heeft de vorm van een ring en zit in de ruimte voor het reservewiel en heeft geschikte bescherming. Ga in ieder geval, als de tijdslimiet in uw land verstreken is, naar een Fiat dealer om de tank te laten vervangen.
KENNISMAKING MET DE AUTO ❒ schakelaar A naar rechts ingerukt (herkenbaar door symbool K duidt op werking op benzine met gaan branden van de respectievelijke gele LED C; ❒ de schakelaar A naar links ingedrukt (aangegeven met het symbool G) geeft werking op LPG aan, samen met de inschakeling van de bijbehorende groene LED D. Als u uitdrukkelijk op benzine wilt rijden, drukt u op de rechterkant van de schakelaar A.
Zorg en onderhoud Diefstalbeveiliging De geheime code ingeven. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht zodat het systeem optimaal blijft werken: Het systeem is uitgerust met een diefstalbeveiliging die gebaseerd is op informatie-uitwisseling met de elektronische regeleenheid (Body Computer) in het voertuig.
KENNISMAKING MET DE AUTO Radio paspoort Dit document is het eigendomsbewijs van het systeem. In het paspoort van de autoradio staan het model, het serienummer en de geheime code aangegeven. WAARSCHUWING Bewaar dit autoradiopaspoort op een veilige plek, zodat bij diefstal van het systeem de betreffende informatie aan de bevoegde instanties gegeven kan worden.
UCONNECT™ RADIO SNELGIDS Bedieningselementen op het frontpaneel 57 DVDF0S0183c 57
KENNISMAKING MET DE AUTO Overzichtstabel bedieningselementen frontpaneel Knop g Bedieningswijze On Kort indrukken Off Kort indrukken Volume Draai knop rechtsom/linksom z II Volume on/off (Mute/Pauze) Kort indrukken Selectie afsluiten/naar vorige scherm terugkeren Kort indrukken BROWSE ENTER Doorloop list of stem af op een radiostation of selecteer volgende/vorige nummers Draai knop rechtsom/linksom Bevestig optie getoond op display kort indrukken INFO Kies weergavemodus (Radio, Media Pl
Bedieningselementen op het stuurwiel (voor bepaalde versies/markten) BESCHRIJVING De bedieningselementen voor de belangrijkste functies van het systeem bevinden zich op het stuurwiel, om het systeem gemakkelijker te kunnen bedienen. De inschakeling van de gekozen functie is in sommige gevallen afhankelijk van hoelang de knop wordt ingedrukt (kort indrukken of ingedrukt houden) zoals in onderstaande tabel is aangegeven.
KENNISMAKING MET DE AUTO 60 Overzicht bedieningstoetsen op stuurwiel Knop Interactie (drukken) ❒ microfoon aan/uitzetten tijdens telefoonoproep z +/– ❒ inschakelen/uitschakelen USB/iPod bron Pauzefuncti ❒ inschakelen/uitschakelen radio Mute functie Kort indrukken: zet volume hoog/laag in afzonderlijke stappen Lang indrukken:zet volume hoog/laag ononderbroken totdat de knop wordt losgelaten ❒ Kort indrukken: (Radiomodus): selectie van volgende/vorige radiostation ”» ❒ Lang indrukken (Radiomodus): scan
Het systeem in-/uitschakelen Het systeem wordt in-/uitgeschakeld door het indrukken van de g toets/knop. Draai de toets/knop respectievelijk rechtsom/linksom om het radiovolume te verhogen/verlagen. Radio (tuner) modus Het systeem is voorzien van de volgende tuners: AM, FM. Selectie radio-modus Druk op de RADIO-knop op het voorpaneel om de radio in te schakelen. Keuze golfband De verschillende tunerfuncties kunnen gekozen worden door de RADIO-toets op het voorpaneel in te drukken.
KENNISMAKING MET DE AUTO Media-modus Nummer kiezen (Browse) In dit hoofdstuk worden de manieren van interactie beschreven voor de werking met AUX en USB/iPod. Gebruik deze functie om door de nummers op het actieve apparaat te bladeren en een nummer te selecteren.
Instellingen Audio modus Druk op toets MENU op het frontpaneel voor de weergave van het menu “Instellingen”. Druk kort op de toets AUDIO op het frontpaneel om het menu instellingen “Audio” te openen. OPMERKING De weergegeven menuitems hangen van de versie af. Het menu omvat de volgende opties: Het menu omvat de volgende opties: ❒ MID: regeling middelhoge tonen; ❒ Systeeminstellingen: Taal, Terug naar standaardwaarde, Systeem uitschakelen, Volumelimiet bij starten, Radio Automatisch Aan.
KENNISMAKING MET DE AUTO UCONNECT™ 5” RADIO LIVE / RADIO NAV LIVE SNELGIDS Bedieningselementen op het frontpaneel TRIP 59a 64 DVDF0S0184c
Overzichtstabel bedieningselementen frontpaneel Knop g z N Modus Functies On Off Kort indrukke Kort indrukken Volume aanpassen Knop rechtsom/linksom draaien Volume on/off (Mute/Pauze) Kort indrukken Display on/off Kort indrukken Selectie afsluiten/naar vorige scherm terugkeren Kort indrukken Instellingen Kort indrukken Loop door lijst of stem af op radiostation draai knop rechtsom/linksom Bevestig optie getoond op display kort indrukken APPS Toegang tot extra functies (bijv.
KENNISMAKING MET DE AUTO Radiobedieningstoetsen op het stuurwiel (voor bepaalde versies/markten) BESCHRIJVING De bedieningselementen voor de belangrijkste functies van het systeem bevinden zich op het stuurwiel, om het systeem gemakkelijker te kunnen bedienen. De inschakeling van de gekozen functie is in sommige gevallen afhankelijk van hoelang de knop wordt ingedrukt (kort indrukken of ingedrukt houden) zoals in onderstaande tabel is aangegeven.
Overzichtstabel bedieningselementen frontpaneel Knop Bediening (drukken/draaien) £ ❒ Inkomend gesprek beantwoorde ❒ Antwoord tweede inkomend gesprek en zet het in gang zijnde gesprek in de wacht ❒ Weergave van de 10 laatste oproepen op het instrumentenpaneel ❒ Inkomend gesprek weigeren £ ❒ In gang zijnd gesprek afbreken ❒ Laatste oproepdisplay op instrumentenpaneel verlaten (alleen met bladeren door oproepen actief) ❒ Microfoon tijdens een telefoongesprek uitschakelen/inschakelen z ❒ Inschakelen/uits
KENNISMAKING MET DE AUTO 68 Het systeem in-/uitschakelen gelang de geselecteerde golfband: AM, FM of DAB); Het systeem wordt in-/uitgeschakeld door het indrukken van de g toets/knop (ON/OFF). ❒ “Afstem.”: handmatige afstemming op het radiostation (niet beschikbaar voor DAB-radio’s); Draai de toets/knop respectievelijk rechtsom/linksom om het radiovolume te verhogen/verlagen.
Bluetooth® bron Een Bluetooth® Audioapparaat koppelen Ga als volgt te werk om een Bluetooth® audioapparaat te koppelen: ❒ activeer de Bluetooth® functie op het apparaat; ❒ druk op de toets MEDIA op het voorpaneel; ❒ als de “Media”-bron actief is, druk dan op de knop “Bron”; ❒ selecteer de Bluetooth® Mediabron; ❒ druk op de knop “Toestel toev.
KENNISMAKING MET DE AUTO Het geluid van de mobiele telefoon wordt over het audiosysteem van de auto uitgezonden: het systeem schakelt automatisch het geluid van de autoradio uit wanneer de Telefoonfunctie wordt gebruikt. OPMERKING Ga, om de lijst met mobiele telefoons en ondersteunde functies te raadplegen, naar de website www.driveuconnect.
Berichtenlezer APPS-modus Het systeem kan de SMS-berichten die de mobiele telefoon ontvangt voorlezen. Inleiding Om deze functie te gebruiken, moet de mobiele telefoon de uitwisseling van SMS via Bluetooth® ondersteunen. Als deze functie niet door de telefoon wordt ondersteund, wordt de grafische knop uitgeschakeld (grijs gemaakt).
KENNISMAKING MET DE AUTO De lijst van ondersteunde mobiele telefoons is beschikbaar op www.driveuconnect.eu. Instelling van Uconnect™ services die kan worden beheerd via de radio Wanneer het registreren is voltooid, zijn de aangesloten services beschikbaar door te drukken op het pictogram Uconnect™ op de radio. Het gedeelte “Instellingen” kan worden geraadpleegd via het pictogram in het radiomenu bestemd voor de Uconnect™ LIVE services.
klant te verbeteren en daarom zijn ze verkrijgbaar op alle markten waar toegang tot de Uconnect™ LIVE services mogelijk is. ❒ Acceleratie Ga voor meer informatie naar de website www.DriveUconnect.eu. ❒ Snelheid Als het navigatiesysteem in de autoradio wordt geïnstalleerd, dan wordt bij toegang tot de Uconnect™ LIVE services het gebruik van de TomTom LIVE services geactiveerd. Raadpleeg voor meer informatie over de LIVE-functies het betreffende hoofdstuk.
KENNISMAKING MET DE AUTO BELANGRIJK Verwijder de USBgeheugenstick of verbreek de verbinding van de smartphone met de Uconnect™ LIVE-app niet voordat het systeem de gegevens heeft gedownload, want anders kunnen deze verloren gaan. Tijdens de gegevensoverdracht naar de apparaten kunnen er berichten op het display van de autoradio verschijnen om de gebruiker op de juiste wijze door deze handeling te leiden; volg deze aanwijzingen op.
Navigatie (alleen Uconnect™ 5” HD Nav LIVE) Een route plannen WAARSCHUWING In het belang van de veiligheid en om afleiding tijdens het rijden te beperken, kunt u het beste altijd uw route plannen voordat u op weg gaat. Ga als volgt te werk om een route te plannen: ❒ tik op het scherm om het Hoofdmenu te openen; ❒ Tik op “Navigeren naar”. ❒ Tik op “Adres”. U kunt de land- of provincie-instelling wijzigen door de vlag aan te raken voordat u een stad selecteert. ❒ Voer de naam of de postcode van de plaats in.
KENNISMAKING MET DE AUTO OPMERKING Het is raadzaam een memory stick te gebruiken, met het gebruik van apparaten voor massaopslag, zoals mobiele telefoons of multimedia players, wordt niet aanbevolen. Ga als volgt te werk om een USBapparaat voor te bereiden: ❒ selecteer “Navigatie-updates” in het menu “Instellingen”. Gevraagd wordt of u een USBapparaat wilt voorbereiden voor het downloaden van updates. ❒ Selecteer Ja. ❒ Sluit het USB-apparaat aan.
Een kaart downloaden De kaart installeren Als er een update voor een kaart voor het systeem beschikbaar is, dan is deze opgenomen in de lijst van beschikbare updates. Na het downloaden van een kaart op uw USB-apparaat, kan deze geïnstalleerd worden op uw systeem. OPMERKING Als de meest recente kaart al op het systeem is geïnstalleerd, wordt de update niet voorgesteld. Selecteer de kaart die u wilt downloaden, selecteer vervolgens “Update en installeer”.
KENNISMAKING MET DE AUTO Spraakopdrachten ❒ Gemiste oproepen Opmerking Voor talen die niet door het systeem worden ondersteund, zijn geen spraakopdrachten beschikbaar. Om gebruik te maken van spraakopdrachten, op de toets op het stuurwiel drukken } (”Spraak” knop) en de spraakopdracht die u wilt activeren uitspreken.
UCONNECT™ 7” HD LIVE - UCONNECT™ 7” HD NAV LIVE BEDIENINGSELEMENTEN FRONTPANEEL 59c DVDF0S0500c 79
KENNISMAKING MET DE AUTO 80 OVERZICHT FRONTPANEEL Knop g z N BROWSE ENTER Functies Modus On Kort indrukken Off Kort indrukken Volume aanpassen Knop rechtsom/linksom draaien Volume on/off (Mute/Pauze) Kort indrukken Display on/off Kort indrukken Selectie afsluiten/naar vorige scherm terugkeren Kort indrukken Loop door lijst of stem af op radiostation ander nummer kiezen binnen mediabron draai knop rechtsom/linksom Bevestig optie getoond op display in Radiomodus, toont stationlijst; in Me
OVERZICHTSTABEL DISPLAY-KNOPPEN Knop Functies Modus Radio Toegang tot Radiomodus Kort indrukken Media Selecteer bron: USB/iPod, AUX, Bluetooth® Druk op grafische knop Telefoon Toon Telefoongegevens Druk op grafische knop Uconnect™ Toegang tot extra functies (bijv.
De bedieningselementen voor de belangrijkste functies van het systeem bevinden zich op het stuurwiel, om het systeem gemakkelijker te kunnen bedienen. De inschakeling van de gekozen functie is in sommige gevallen afhankelijk van hoelang de knop wordt ingedrukt (kort indrukken of ingedrukt houden) zoals in onderstaande tabel is aangegeven.
BEDIENINGSELEMENTEN ACHTER HET STUURWIEL Toetsen Interactie Knop 1 (stuurwiel, links) Bovenste knop ❒ Kort indrukken: zoek naar volgend radiostation of selecteer volgende USB/iPod nummer. ❒ Lang indrukken van toets: scannen van hogere frequenties tot de toets wordt losgelaten/snel vooruitspoelen USB/iPod nummer. Middelste knop Bij elke keer indrukken worden de bronnen AM, FM, USB/iPod, AUX doorlopen. Alleen de beschikbare bronnen worden geselecteerd.
KENNISMAKING MET DE AUTO Het systeem in-/uitschakelen Het systeem wordt in-/uitgeschakeld door het indrukken van de g toets/knop. Draai de toets/knop respectievelijk rechtsom/linksom om het radiovolume te verhogen/verlagen. De elektronische volumeregeling kan continu (360°) in beide richtingen, zonder stopposities, worden gedraaid.
In bovenste deel: informatie over het nummer dat wordt afgespeeld en de volgende grafische knoppen: Onderaan: informatie over het nummer dat wordt afgespeeld en de volgende grafische knoppen: OPMERKING Deze knop kan ❒ “Herhalen”: het huidige nummer opnieuw afspelen; Actief apparaat of audiobron; OPMERKING De toets BROWSE ENTER staat geen enkele handeling op een AUX apparaat toe. ❒ “Shuffle”: de nummers in willekeurige volgorde afspelen. In het midden: informatie over het nummer dat wordt afgespeeld.
KENNISMAKING MET DE AUTO ❒ zoek naarUconnect™ op het Bluetooth® audio-apparaat (tijdens de koppelingsfase verschijnt op het scherm de voortgang van het proces); ❒ voer, als het audioapparaat hierom vraagt, de PIN-code in die wordt getoond op het display van het systeem of bevestig de op het apparaat getoonde PIN; ❒ als de koppelingsprocedure met succes is afgesloten, wordt een scherm getoond.
❒ het telefoonnummer kiezen (met behulp van het grafische toetsenbord op het display); ❒ de contacten in het telefoonboek weergeven en bellen; ❒ de contacten uit de registers van recente gesprekken weergeven en bellen; ❒ een maximum van 10 telefoons/audioapparaten koppelen om de toegang en de verbinding eenvoudiger en sneller te maken; ❒ gesprekken van het systeem naar de mobiele telefoon en andersom overzetten en het geluid van de microfoon uitschakelen bij privégesprekken.
KENNISMAKING MET DE AUTO BELLEN BERICHTENLEZER De hieronder beschreven procedures zijn alleen toegankelijk indien ze door de gebruikte mobiele telefoon worden ondersteund. Raadpleeg de handleiding van de mobiele telefoon om alle beschikbare functies te kennen. Het systeem kan de SMS-berichten die de mobiele telefoon ontvangt voorlezen. Een nummer kan op de volgende manieren gebeld worden: ❒ selecteer “Telefoonboek”; ❒ selecteer “Recent”; ❒ selecteer “Kies”; ❒ selecteer “Opnieuw bellen”.
Eerste toegang tot het voertuig Zodra u de Uconnect™ LIVE App hebt gelanceerd en uw gegevens hebt ingevoerd, moet u de Bluetooth® koppeling tussen uw smartphone en de autoradio uitvoeren, zoals beschreven in het hoofdstuk “Mobiele telefoon koppelen” om toegang te krijgen tot de Uconnect™ LIVE services in uw voertuig. Wanneer het registreren is voltooid, zijn de aangesloten services beschikbaar door te drukken op het pictogram Uconnect™ LIVE op de radio.
KENNISMAKING MET DE AUTO Zodra voldoende gegevens beschikbaar zijn, nemen de indexen op basis van de beoordeling 5 kleuren aan: donkergroen (zeer goed), lichtgroen, geel, oranje en rood (zeer slecht). Na langdurige stilstand toont het display de gemiddelde van de indexen tot dat moment (de “Gemiddelde index”), waarna de indexen in realtime opnieuw kleuren zodra het voertuig opnieuw gestart wordt.
NAVIGATIE (alleen Uconnect 7” HD Nav LIVE) Druk op de knop “Nav” om de kaart voor navigatie weer te geven op het display. OPMERKING: Het volume van het navigatiesysteem kan alleen worden aangepast tijdens de navigatie als er gesproken aanwijzingen zijn ingeschakeld. Hoofdnavigatiemenu Tik in de navigatieweergave op de hoofdmenuknop om het menu te openen. ❒ “Zoek”: selecteer deze knop om te zoeken naar een adres, een plaats of een POI (Point Of Interest), en plan vervolgens een route naar de locatie.
KENNISMAKING MET DE AUTO Selecteer deze knop om de spraakopdrachten te activeren. Selecteer Uit om geen spraakopdrachten meer te horen. U ontvangt nog wel informatie zoals verkeersinformatie en waarschuwingsgeluiden. Tip: u kunt de waarschuwingsgeluiden deactiveren door het selecteren van “Instellingen”, dan “Geluiden en waarschuwingen”. Selecteer deze knpo om de schermhelderheid te verhogen en de kaart in helderdere kleuren weer te geven.
❒ Uitgaande oproepen ❒ Speel podcast... ❒ Gemiste oproepen ❒ Speel luisterboek... ❒ Inkomende oproepen ❒ Selecteer bronnen: ❒ Telefoonboek ❒ Bekijken...
Deze pagina is opzettelijk leeg gelaten
VEILIGHEID BESCHERMINGSSYSTEMEN INZITTENDEN Tot de belangrijkste veiligheidsvoorzieningen van de auto behoren de volgende beschermingssystemen: GORDELS EN GORDELSPANNERS 22) 12) VEILIGHEIDSGORDELS De chauffeur is verantwoordelijk voor het in acht nemen van de plaatselijke wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van veiligheidsgordels en dien er ook voor te zorgen dat de overige inzittenden dit doen.
VEILIGHEID Druk op knop C fig. 60a om de riem los te laten. OPMERKING Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk om dit geluidssignaal permanent te laten uitschakelen. Het geluidssignaal kan te allen tijde via het display van het Setup-menu weer ingeschakeld worden. Begeleid de gordel tijdens het teruglopen, zodat hij niet draait. Werking controlelampje veiligheidsgordels 60b 60a DVDF0S041c De oprolautomaat kan blokkeren als het voertuig op een steile helling staat: dit is normaal.
Deze auto is ook uitgerust met een tweede gordelspanner (gemonteerd bij de dorpellijst). De activering hiervan kan herkend worden aan de verkorting van de metalen kabel. Tijdens de werking van de gordelspanner kan er wat rook ontsnappen. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brandgevaar. De gordelspanner behoeft geen onderhoud of smering: elke verandering van de oorspronkelijke conditie zal de werking ervan benadelen. Als de gordelspanner door extreme natuurlijke gebeurtenissen (bijv.
VEILIGHEID 62 DVDF0S043c Elke gordel mag slechts door één iemand gebruikt worden. Vervoer nooit kinderen op de schoot van inzittenden met één veiligheidsgordel voor beiden . Plaats in het algemeen geen enkel voorwerp tussen de gordel en het lichaam van een inzittende fig. 63.
Daarom zijn correcte beveiligingssystemen, naast veiligheidsgordels voor volwassenen, noodzakelijk om het gevaar van letsel in geval van een aanrijding, remmen of plotselinge manoeuvres, zo veel mogelijk te beperken. Kinderen moeten veilig en comfortabel zitten.
VEILIGHEID Het kinderzitje moet worden vastgezet met de veiligheidsgordels van de auto en de baby wordt beschermd met de veiligheidsgordels van het kinderzitje. 64 Groep 2 Groep 3 Kinderen met een gewicht tussen 15 en 25 kg mogen rechtstreeks de veiligheidsgordels van het voertuig gebruiken. Voor kinderen met een gewicht tussen 22 en 36 kg bestaan er geschikte verhogingen om de veiligheidsgordel correct te kunnen omleggen.
GESCHIKTHEID VAN DE PASSAGIERSSTOELEN VOOR HET GEBRUIK VAN UNIVERSELE KINDERZITJES De Fiat 500 voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EG-richtlijn inzake de montage van kinderzitjes op de verschillende zitplaatsen in de auto overeenkomstig de volgende tabel: Groep Gewichts groep Voor passagier (.
VEILIGHEID Om een ISOFIX kinderzitje te installeren, moet deze worden bevestigd aan de twee metalen verankeringspunten A fig. 68 waar de kussens van de achterbank de rugleuning raken, verwijder dan de hoedenplank en bevestig de bovenste riem (samen met het kinderzitje beschikbaar) aan het verankeringspunt B fig. 69 onderaan achter de rugleuning. Ter illustratie is een Isofix Universeelkinderzitje voor gewichtsgroep 1 weergegeven in fig. 70.
GESCHIKTHEID VAN DE PASSAGIERSSTOELEN VOOR HET GEBRUIK VAN ISOFIX KINDERZITJES (FIAT 500) In de onderstaande tabel worden, in overeenstemming met de Europese norm ECE 16, de verschillende montagemogelijkheden getoond voor Isofix-kinderzitjes op stoelen die zijn uitgerust met Isofix-bevestigingen.
VEILIGHEID Belangrijke aanbevelingen voor het veilig vervoeren van kinderen ❒ Elk tegenhoudsysteem is bedoeld voor slechts één kind. ❒ Monteer kinderzitjes altijd op de achterbank, omdat die plaats bij een ongeval de meeste bescherming biedt. ❒ Controleer altijd of de gordel niet langs de nek van het kind loopt. ❒ Houd kinderen zo lang mogelijk in kinderzitjes die tegen de rijrichting in gemonteerd zijn, tot ze 3-4 jaar zijn.
AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTE EM (SRS) AIRBAGS 25) Het voertuig kan uitgerust zijn met: ❒ frontairbag bestuurderszijde; ❒ frontairbag passagierszijde; ❒ Knieairbag bestuurderszijde; ❒ airbags aan passagiers- en bestuurderszijde ter bescherming van bekken, borst en schouders (zijairbags); ❒ zijairbags ter bescherming van het hoofd van passagiers op de voorstoel (gordijnairbag).
VEILIGHEID Frontairbag aan bestuurderszijde (A-fig. 71) Frontairbag aan passagierszijde (B-fig. 72) Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar kussen dat in een speciale ruimte in het midden van het stuurwiel is geplaatst. Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar kussen dat in een speciale ruimte in het dashboard is opgeborgen: deze airbag heeft een groter volume dan de bestuurdersairbag.
Frontairbag passagierszijde en kinderzitjes: BELANGRIJK 107
VEILIGHEID Knieairbag oor bestuurder (voor bepaalde versies/markten) (C-fig. 73) Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar kussen dat in een speciale ruimte onder de onderste afschermkap van de stuurkolom is geplaatst, op kniehoogte: deze airbag biedt extra bescherming bij een frontale botsing.
ZIJ-AIRBAGS (Zijairbags - Hoofdairbags) 25) Om de bescherming van de inzittenden in geval van een flankbotsing te vergroten, is de auto uitgerust met in de stoel gemonteerde zijairbags (voor bepaalde versies/markten) en hoofdairbag (voor bepaalde versies/markten). Zijairbag (voor bepaalde versies/markten) Hoofdairbag (voor bepaalde versies/markten) Deze bestaan uit twee onmiddellijk opblaasbare kussens die zich in de rugleuning van de voorstoelen bevinden, fig.
VEILIGHEID Belangrijke opmerkingen Het systeem biedt de beste bescherming bij een zijdelingse botsing als de passagier correct op zijn stoel zit, zodat de hoofdairbag zo goed mogelijk opgeblazen kan worden. De frontairbags en/of zijairbags kunnen geactiveerd worden bij krachtige stoten aan de onderzijde van de carrosserie (bijv. heftige botsing tegen drempels of stoepranden, grote gaten of verzakkingen in het wegdek etc.). Als de airbag geactiveerd wordt, ontsnapt een kleine hoeveelheid poeder.
STARTEN EN RIJDEN MOTOR STARTEN Dieselversies Afb. 76 ❒ trek de handrem aan; 26) 13) ❒ kies de vrijstand; Benzineversies (behalve 0.
STARTEN EN RIJDEN HANDREM GEBRUIK VAN DE HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK 27) De handrem bevindt zich tussen de voorstoelen (afbeelding 77). Om de handrem in te schakelen de hefboom omhoog trekken tot de auto niet meer kan bewegen. Om de auto van de handrem te halen de hefboom iets omhoog trekken, de ontgrendelingsknop A (afb. 77) indrukken en ingedrukt houden terwijl u de hefboom laat zakken.
DUALOGIC VERSNELLINGSBAK 14) GEBRUIKEN (voor bepaalde versies/markten) ❒ Duw tijdens het rijden de versnellingspook A naar (+) om op te schakelen of naar (–) om terug te schakelen. De versnellingsbak/transmissie kan op twee manieren worden bediend: ❒ HANDMATIG de bestuurder bepaalt wanneer er wordt geschakeld; HANDMATIGE BEDIENING ❒ Trap het rempedaal in en start de motor. ❒ Duw de versnellingspook A (afb.
STARTEN EN RIJDEN SPORT-stand (1.4 16V-versies – voor bepaalde versies/markten) SCHAKELPEDDELS (voor bepaalde versies/markten) afb. 82 Bij deze versies kan de bestuurder ook de SPORT-stand kiezen. Er wordt dan een sportieve rijstijl mogelijk door een andere afstelling van de versnellingsbak, de regeleenheid van de motor en de stuurinrichting. Deze stand kan worden geactiveerd door het indrukken van de knop SPORT (afb. 81) op het dashboard.
NOODGEVALLEN Wij adviseren om in een noodsituatie het gratis telefoonnummer te bellen dat in het garantieboekje is vermeld. U kunt zich ook verbinden met de site www.fiat500.com om de dichtstbijzijnde dealer van het Fiat Servicenetwerk te zoeken. STARTEN MET HULPACCU 26) 13) Als de accu leeg is, kan de motor gestart worden met een hulpaccu met dezelfde of een iets hogere capaciteit dan de lege accu.
NOODGEVALLEN ROLLEND STARTEN 13) Probeer de motor nooit te starten door het voertuig te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Hierdoor kan brandstof in de katalysator terechtkomen die hierdoor onherstelbaar beschadigd wordt. BELANGRIJK Onthoud dat de rembekrachtiging en de elektrische stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is gestart; daarom is meer kracht nodig voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
❒ Til de bekleding van de vloer van de bagageruimte op en draai de blokkeerschroef A - fig. 84 los. ❒ Plaats de krik dicht bij het te verwisselen wiel, bij het teken fig. 85-86 op de carrosserie. ❒ Neem de gereedschapskist B uit en plaats deze dicht bij het te verwisselen wiel. ❒ Als de auto uitgerust is met zijskirts, moet de krik gekanteld worden om onder de auto gevoerd te worden (zoals getoond in 87) ❒ Neem het noodreservewiel C uit.
NOODGEVALLEN ❒ Monteer de slinger om de krik te bedienen en hef de auto op totdat het wiel enkele centimeters van de grond is. Zorg voor voldoende werkruimte bij het opkrikken om schaafwonden aan uw hand door contact met de grond te voorkomen. Ook de bewegende onderdelen van de krik (bouten en scharnieren) kunnen verwondingen veroorzaken: raak deze onderdelen niet aan. In geval van accidenteel contact met smeervet, het betreffende deel zorgvuldig schoonmaken.
“Fix&go”-KIT De kit bevindt zich in de bagageruimte onder de afdekking van het laadplatform. Er zijn een of twee van de volgende kits, afhankelijk van de versie van het voertuig: ❒ “Fix&Go Airflat” kit ❒ sticker C, op cilinder 1, met het opschrift “max.
NOODGEVALLEN ❒ Zorg ervoor dat de aan-uitknop A 1 fig. 92 in the off 0 positie is. Breng de elektrische connector in het 12V contact van de auto. 120 91 DVDF0S0501c 92 DVDF0S0502c ❒ Beweeg de aan-uitknop 1 fig. 92 naar de op I stand naar schakelaar op de compressor. Als de drukmeter de vereiste druk weergeeft dient u de compressor uit te schakelen door de aan-uitknop 1 in de stand 0 te zetten. Als 5 minuten na het starten van de compressor, de drukmeter 6 fig.
Controleer de bandenspanning weergegeven op de drukmeter 6; ❒ Als de druk lager is dan 1,8 bar / 26 psi, IS DE BAND TE ZWAAR BESCHADIGD EN KAN NIET GEREPAREERD WORDEN. Sluit af, plaats de kit terug in zijn compartiment en bel de wegassistentie. ❒ Als de druk gelijk of hoger is dan 1,8 bar / 26 psi, schakel dan de compressor in en bereik de vereiste druk. Koppel de kit los en zet hem terug in de speciale tas.
NOODGEVALLEN ❒ een paar handschoenen in het zijcompartiment van de compressor; ❒ enkele adapters voor het oppompen van verschillende elementen. REPARATIE VAN BANDEN EN DRUK HERSTEL PROCEDURE 33) 31) 95 DVDF0S0505c Ga als volgt te werk: ❒ plaats het voertuig in een veilige en geschikte zone en trek aan de handrem. Neem de kit uit de speciale tas. Verwijder de snelheidssticker 3 fig. 94 en plak deze op een zichtbare plaats. Draag de geleverde beschermende handschoenen.
❒ als de vereiste druk is bereikt, opnieuw beginnen met rijden. Overschrijd de snelheid van 80 km/h niet. Vermijd abrupt accelereren of remmen. Na ongeveer 8 km gereden te hebben, het voertuig op een veilige en geschikte plaats zetten, met de handrem aangetrokken. Neem de kit, zorg dat de on-off knop 1 in de 0 positie is en steek de elektrische connector in het 12V contact van de auto. Verwijder de dop van het ventiel van de gerepareerde band, sluit het zwarte bandenspanningsbuisje 1 fig.
NOODGEVALLEN EEN LAMP VERVANGEN 34) 19) ALGEMENE INSTRUCTIES ❒ Controleer alvorens een lamp te vervangen of de contacten zijn geoxideerd; ❒ Vervang defecte lampen door exemplaren van hetzelfde type en vermogen; ❒ controleer na vervanging van een lamp altijd de richting van de lichtbundel van de koplampen; ❒ telkens als een lamp niet werkt, moet u controleren of de betreffende zekering nog in orde is voordat u de zekering vervangt: zie de paragraaf “Zekeringen vervangen” in dit hoofdstuk voor de locatie v
TYPEN LAMPEN Type Vermogen Grootlicht H7 55W Dimtlicht H7 55W D1S 35W W21W / LL 5W / 21W PY24W / WY21W 21W PY24W 24W Richtingaanwijzers zijkant W5W 5W Richtingaanwijzers achter PY21W 21W Achterlichten/remlichten P21 / 5W 10W W16W 21W Plafondverlichting C5W 5W Bagageruimte plafondverlichting W5W 5W Kentekenverlichting C5W 5W H3 55W W5W 5W Lampen Dimlicht met Xenon gasontladingslampen Stadslichten / dagrijverlichting Richtingaanwijzers voor Richtingaanwijzers voor (met
NOODGEVALLEN KOPLAMPUNITS De koplampunits bevatten de gloeilampen van stadslicht, dimlicht, grootlicht en richtingaanwijzers. Toegang tot de lampen van de richtingaanwijzers (POP versies) Ga te werk vanuit de motorruimte, verwijder de rubberen dop A fig. 98. Toegang tot de lampen van de richtingaanwijzers (behalve POP versies) Toegang tot de lampen van de dagverlichting (DRL) en het grootlicht Ga te werk vanuit de motorruimte, verwijder de rubberen dop A fig. 99.
GROOTLICHT (POP versies) GROOTLICHT (behalve POP versies) Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ verwijder de rubber beschermdop zoals hierboven beschreven; ❒ druk op de klemvoorziening A fig. 101 en verwijder de lamphouder; ❒ verwijder de rubber beschermdop zoals hierboven beschreven; ❒ De centrale elektrische connector A fig.
NOODGEVALLEN STADSLICHT / DAGVERLICHTING Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ verwijder de rubber beschermdop zoals hierboven beschreven; RICHTINGAANWIJZERS Voor (behalve POP versies) Voor (POP versies) Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ verwijder de rubber beschermdop zoals hierboven beschreven; ❒ draai de lamphouder B fig. 93 linksom en verwijder hem; ❒ draai de lamphouder A fig.
Zijkant BELANGRIJK Deze ingreep moet verricht worden door alle voorzorgen te treffen om beschadiging van de carrosserie te voorkomen (gebruik een voldoende dik en stevig plastic kaartje). Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ verwijder het lampenglas door eerst kracht uit te oefenen van de voorkant naar de achterkant (1-fig. 106); ❒ verwijder nu in de tegenovergestelde richting, door kracht uit te oefenen vanaf de achterkant (2-fig.
NOODGEVALLEN ACHTERUITRIJLICHT/MI STACHTER LICHT ❒ plaats de stekker A weer terug; ❒ verwijder de vastgeklemde lamp en vervang hem; Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ Werk van binnenin de bumper op de tabs A fig. 109 en verwijder de vastgeklemde toegangsklep; 110 DVDF0S0208c ❒ monteer weer het klepje en controleer of het goed vastzit. 111 DVDF0S0124c 112 DVDF0S0125c DERDE REMLICHT 109 DVDF0S0207c ❒ maak de stekker A-fig. 110 los; ❒ draai de lamphouder B fig.
KENTEKENVERLICHTING Ga als volgt te werk om de lampen te vervangen: ❒ oefen druk uit in het door de pijl aangegeven punt fig. 113 en verwijder het lampenglas; ❒ maak de lamp los uit de contacten aan de zijkant en vervang hem; ❒ monteer de nieuwe lamp en controleer of hij correct tussen de contacten zit vastgeklemd; ZEKERINGEN VERVANGEN 35) 19) De zekeringenkast fig. 115 bevindt zich in het onderste gedeelte naast de pedalengroep.
NOODGEVALLEN Beschrijving MOTORRUIMTE ZEKERINGENKAST Zekering Ampèrage F13 5• Voeding linker dimlicht en regeleenheid hoogteregeling koplampen F36 15 Diagnosestekker, autoradio, klimaatregeling, EOBD F37 5 Remlichtschakelaar, knooppunt instrumentenpaneel F38 15 Centrale portiervergrendeling De zekeringenkast bevindt zich aan de rechterkant van de motorruimte. Ga als volgt te werk om een zekering te vervangen: F43 15 Pomp ruitensproeiers/achterruitsproeier ❒ Druk schroef A fig.
LPG-versies De onderdelen van het LPG-systeem worden beschermd door speciale zekeringen. Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk om ze te laten vervangen. Op het deksel zijn de identificatienummers van de elektrische onderdelen die met de zekeringen overeenkomen aangegeven fig. 118. DVDF0S0202c 118 Zekering Ampère Beschrijving F02 20 Hi-Fi F08 30 Ventilator klimaatregelsysteem F09 30 koplampsproeiers F10 10 Claxons F14 15 Grootlicht F15 20 Motor elektrisch schuifdak F16 7.
NOODGEVALLEN ALS DE ACCU LEEG IS 36) ❒ sluit de kabels van de lader aan op de klemmen van de accu, met inachtneming van de juiste polariteit; BELANGRIJK De beschrijving voor het opladen van de accu geldt slechts ter informatie. Geadviseerd wordt contact op te nemen met het Fiat Servicenetwerk om deze werkzaamheden te laten uitvoeren.
SLEPEN VAN DE AUTO 37) MONTAGE VAN HET SLEEPOOG Versie met Dualogic versnellingsbak Het bij de auto geleverde sleepoog bevindt zich in de gereedschapshouder onder de bekleding van de bagageruimte. Verzeker u ervan dat de versnellingsbak in de vrijstand staat (N) (door te controleren of het voertuig door te duwen verplaatst kan worden) en ga vervolgens te werk zoals bij een voertuig met handgeschakelde versnellingsbak.
%F[F QBHJOB JT PQ[FUUFMJKL MFFH HFMBUFO
ONDERHOUD EN ZORG GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD Juist onderhoud is essentieel voor een lange levensduur van het voertuig onder optimale omstandigheden. Daarom heeft Fiat een reeks controles en onderhoudsbeurten opgesteld die op vaste afstandsintervallen uitgevoerd moeten worden en, voor bepaalde versies/markten, op vaste tijdsintervallen, zoals beschreven in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema.
ONDERHOUD EN ZORG GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA 21) BENZINE-/LPG-VERSIES De controles vermeld in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema moeten, na het bereiken van 120.000 km/8 jaar, cyclisch herhaald worden te beginnen vanaf het eerste interval, daarna dezelfde intervallen aanhouden als daarvoor.
Duizenden kilometers 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Werking cabriodak tijdens sluiten en openen controleren; afdichtingen en smering van geleiders canvasdoek controleren (alleen versies met cabriodak) Slag van handrem controleren en zo nodig afstellen Aangrijpingspunt koppelingspedaal controleren en afstellen (0.
ONDERHOUD EN ZORG Duizenden kilometers 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 ❍ ❍ ❍ ❍ ❍ Motorolie en oliefilter vervangen (3) Bougies vervangen (0.9 TwinAir 65 pk motoren) (4) Bougies vervangen (0.9 TwinAir 85 pk - 1.2 8V - 1.4 16V) (4) Aandrijfriem(en) hulporganen vervangen (5) Getande distributieriem vervangen (1.2 8V en 1.
DIESEL VERSIES De controles vermeld in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema moeten, na het bereiken van 120.000 km/6 jaar, cyclisch herhaald worden te beginnen vanaf het eerste interval, daarna dezelfde intervallen aanhouden als daarvoor.
ONDERHOUD EN ZORG Duizenden kilometers 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Werking cabriodak tijdens sluiten en openen controleren; afdichtingen en smering van geleiders canvasdoek controleren (alleen versies met cabriodak) Slag van handrem controleren en zo nodig afstellen Conditie en slijtage remblokken van schijfremblokken voor/achter controleren (voor bepaalde versies/markten)en de werking van remblokslijtag
Duizenden kilometers 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Brandstoffilter vervangen (4) Luchtfilterelement vervangen (5) Remvloeistof verversen Interieurfilter vervangen (5) (6) ❍ ❍ ❍ ❍ ❍ (4) Als het voertuig op brandstof rijdt van een kwaliteit die niet voldoet aan de betreffende Europese specificatie, moet dit filter om de 20.000 km vervangen worden.
ONDERHOUD EN ZORG PERIODIEKE CONTROLES 38) 22) 4) Elke 1.
MOTORRUIMTE 38) 22) 4) 0.9 TWINAIR 60 HP*, 65 HP A. Motorkoelvloeistof B. Motorolie dop/vulopening C. Remvloeistof D. Accu E. Motoroliepeilstok F. Ruitensproeiervloeistof * Voor bepaalde versies/markten. 123 DVDF0S074c 124 DVDF0S075c 0.9 TWINAIR 80 HP*, 85 HP - 105 HP A. Motorkoelvloeistof B. Motorolie dop/vulopening C. Remvloeistof D. Accu E. Motoroliepeilstok F. Ruitensproeiervloeistof * Voor bepaalde versies/markten.
ONDERHOUD EN ZORG 1.2 8V 69 PK A. Motorkoelvloeistof B. Motorolie dop/vulopening C. Remvloeistof D. Accu E. Motoroliepeilstok F. Ruitensproeiervloeistof 125 DVDF0S076c 126 DVDF0S077c 1.4 16V 100 HP* A. Motorkoelvloeistof B. Motorolie dop/vulopening C. Remvloeistof D. Accu E. Motoroliepeilstok F. Ruitensproeiervloeistof * Voor bepaalde versies/markten.
1.3 MULTIJET 95 HP EURO 5 A. Motorkoelvloeistof B. Motorolie dop/vulopening C. Remvloeistof D. Accu E. Motoroliepeilstok F. Ruitensproeiervloeistof 128 DVDF0S079c 129 DVDF0S462c 1.3 MULTIJET 78/95 HP EURO 6 A. Motorkoelvloeistof B. Motorolie dop/vulopening C. Remvloeistof D. Accu E. Motoroliepeilstok F.
ONDERHOUD EN ZORG NIVEAUS CONTROLEREN MOTOROLIE 38) 22) 26) 4) Controleer enkele minuten (ongeveer vijf) na het uitzetten van de motor het motoroliepeil met de auto op een horizontale ondergrond. Het oliepeil moet tussen het MIN- en het MAX-merkteken op de oliepeilstok staan. OPMERKING De oliepeilstok zit ingebouwd in de motoroliedop voor 0.9 TwinAir 60 HP*, 65 HP, 80 HP*, 85 HP en 105 HP versies. 148 ❒ Het bereik tussen de MIN en MAX tekens komt overeen met ongeveer 1 liter olie.
RUITENSPROEIERVLOEI STOF 38) 22) Gebruik een mengsel van water en TUTELA PROFESSIONAL SC35, in de volgende mengverhouding: ❒ 30% TUTELA PROFESSIONAL SC 35 en 70% water in de zomer. ❒ 50% TUTELA PROFESSIONAL SC35 en 50% water in de winter. REMVLOEISTOF 38) 22) The fluid level in the reservoir must not exceed the MAX mark. IMPORTANT Remvloeistof is hygroscopisch (d.w.z. trekt vocht aan).
ONDERHOUD EN ZORG Ga hiervoor als volgt te werk: maak de stekker A fig.130 (door het indrukken van knop B) van de sensor C voor bewaking van de accustatus op de minklem D van de accu los. Deze sensor mag nooit van de accu losgemaakt worden, behalve als de accu wordt vervangen. WIELEN EN 39) BANDEN BELANGRIJK Wacht, nadat de contactsleutel naar STOP is gedraaid en het bestuurdersportier is gesloten, minstens een minuut voordat u de elektrische voeding van de accu loskoppelt en vervolgens weer aansluit.
❒ Monteer in geval van vervanging altijd nieuwe banden en vermijd banden waarvan de herkomst dubieus is; ❒ Bij de vervanging van een band moet ook een nieuw ventiel worden voorzien; ❒ Om een gelijkmatige slijtage van voor- en achterbanden te garanderen, wordt geadviseerd de banden elke 10-15 duizend kilometer van as te verwisselen; houd de banden aan dezelfde zijde van het voertuig gemonteerd om te voorkomen dat de draairichting wordt omgekeerd.
ONDERHOUD EN ZORG RUITENSPROEIERS VOORRUIT ACHTERRUITSPROEIER Als de ruitensproeiers niet goed werken, controleer dan eerst of er ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit (zie “Niveaus controleren” in dit hoofdstuk). De sproeiers van de achterruit zijn niet verstelbaar. De sproeier bevindt zich boven de achterruit fig. 135. De stralen van de ruitensproeiers kunnen gericht worden door de hoek af te stellen.
Hier volgen de instructies voor een goede zorg: ❒ vermijd het wassen met rollen en/of borstels in autowasstraten. Gebruik voor het wassen van het voertuig, uitsluitend met de hand, pH-neutrale reinigingsmiddelen; afdrogen met een vochtige zeem. Schuur- en/of polijstmiddelen mogen niet gebruikt worden om het voertuig schoon te maken. ❒ Vogelpoep moet zo snel en zo goed mogelijk verwijderd worden, omdat hierin bijzonder agressieve zuren aanwezig zijn.
ONDERHOUD EN ZORG IMPORTANT Alle vlekken (veroorzaakt door water) op de stickers of wrapping kan worden verwijderd door de zone opnieuw te dempen en af te drogen met een zachte en niet schurende doek. 41) Controleer af en toe of er geen water onder de matten is blijven staan (wegens water dat van schoenen, paraplu’s, enz. druppelt), waardoor het plaatwerk kan gaan roesten.
TECHNISCHE GEGEVENS IDENTIFICATIEGEGEVENS F Maximaal toelaatbaar gewicht van de auto bij volle belading plus aanhanger. VIN-PLAATJE G Maximaal toelaatbaar gewicht op de eerste as (voor). Dit plaatje bevindt zich op de stijl van het achterportier (linkerkant) en het bevat de volgende informatie (afb. 137): Het plaatje vindt u aan de linkerkant van de bodem van de bagageruimte en het bevat de volgende identificatiegegevens (afb. 124): H Maximaal toelaatbaar gewicht op de tweede as (achter).
TECHNISCHE GEGEVENS CHASSISNUMMER MOTORCODE Het plaatje vindt u aan de rechterkant van de bodem van de bagageruimte en het bevat de volgende identificatiegegevens (afb. 138): Deze is op het cilinderblok ingeslagen en vermeldt het type en het motorserienummer. ❒ model auto; ❒ chassisnummer.
MOTOR 0.9TwinAir 65 pk 0.9TwinAir 85 pk 0.9TwinAir 105 pk 312A4000 312A2000 199B600 Otto Otto Otto 2 in lijn 2 in lijn 2 in lijn 83,5 x 88 80,5 x 86,0 80,5 x 86,0 964 875 875 11,1 : 1 10 ± 02 : 1 10 ± 02 : 1 Maximum vermogen (EEC) (kW) 48 62.
TECHNISCHE GEGEVENS 0.9TwinAir 60 pk (*) 0.
1.2 8V 69 pk LPG 1.2 8V 69 pk 1.2 8V 69 pk EVO2 S&S 169A4000 169A4000 169A400 169A3000 Otto Otto Otto Otto 4 in lijn 4 in lijn 4 in lijn 4 in lijn 70,8 x 78,86 70,8 x 78,86 70,8 x 78,86 72 x 84 1242 1242 1242 1368 11,1 : 1 11,1 : 1 11,1 : 1 10,8 : 1 Maximum vermogen (EEC) (kW) 51 51 51 73,5 Maximum vermogen (EEC) (pk) 69 69 69 100 Overeenkomstig motortoerental (tpm) 5500 5500 5500 6000 Maximum koppel (EEC) (Nm) 102 102 102 131 Maximum koppel (EEC) (kgm) 10.
TECHNISCHE GEGEVENS 1.3 16V Multijet 95 pk EURO 5 1.3 16V Multijet 95 pk EURO 6 1.3 16V Multijet 78 pk EURO 6 199B1000 312B1000 312B5000 Type Diesel Diesel Diesel Aantal cilinders en positie 4 in lijn 4 in lijn 4 in lijn 69,6 x 82 69,6 x 82 69,6 x 82 1248 1248 1248 16.
AFMETINGEN De afmetingen in afb. 139 zijn uitgedrukt in mm en hebben betrekking op een auto die met originele banden is uitgerust. De hoogte geldt voor een onbeladen auto. DVDF0S0205c 139 Versies A B C D E F G I 0.9 TwinAir 60 pk* - 65 pk 3571 720 2300 551 1488 1413 1414 1627 1407 1048 0.9 TwinAir 80 pk* - 85 pk - 105 pk 3571 720 2300 551 1488 1413 1414 1627 1407 1048 1.
TECHNISCHE GEGEVENS WIELEN 15) VELGEN EN BANDEN BELANGRIJK Bij verschillen tussen de informatie in dit instructieboek en het logboek is het logboek bepalend. Voor de rijveiligheid moeten alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde merk en type. BELANGRIJK Monteer geen binnenbanden in tubeless banden. WIELUITLIJNING Totale toespoor voor Versies 0.9 TwinAir 60 pk 0,5 ± 1 mm Velgen De waarden gelden voor een rijdende auto.
Versies 1.2 8V 69 pk 1.4 16V 100 pk 1.3 16V Multijet Velgen Gemonteerde banden Reservewiel Winterbanden Velg Band 4.00Bx14 ET43 135x80 R14 84P 5½Jx14H2-ET35 175/65 R14 82T 175/65 R14 82Q (M+S) 5½Jx14H2-ET35 175/65 R14 86T 175/65 R14 82Q (M+S 6½Jx15H2-ET35 185/55 R15 82H 185/55 R15 82Q (M+S) 4.00Bx14 ET43 135x80 R14 84M 6½Jx16H2-ET35 195/45 R16 84H 195/45 R16 84Q (M+S) 4.00Bx14 ET43 135x80 B14 84M 6Jx15H2-ET35 185/55 R15 82H 185/55 R15 82Q (M+S) 4.
TECHNISCHE GEGEVENS BANDENSPANNING 33) 39) Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de aanbevolen waarde. Controleer de bandenspanning ook bij koude banden. Normaal beladen (bar) Volledig beladen (bar) Banden voor achter voor achter 2,4 (*) 2,2 (*) 2,4 (*) 2,2 (*) 2,2 (**) 2,0 (**) 2,3 (**) 2,2 (**) 175/65 R14 82T 2,2 2,0 2,3 2,2 175/65 R14 86T 2,2 2,0 2,3 2,2 185/55 R15 82H 2,2 2,1 2,3 2,3 195/45 R16 84H 2,2 2,1 2,4 2,3 175/65 R14 82T/86T (1.
WINTERBANDEN 30) De winterbanden moeten dezelfde maat hebben als de standaard geleverde banden. Monteer op de vier wielen dezelfde banden (zelfde merk en profieldiepte) voor meer veiligheid tijdens het rijden en het remmen en voor een betere bestuurbaarheid. Denk eraan dat de draairichting van de banden niet omgedraaid mag worden. De specifieke eigenschappen van winterbanden verminderen drastisch wanneer de profieldiepte minder is dan 4 mm. Vervang ze in dat geval.
TECHNISCHE GEGEVENS PRESTATIES Max. snelheid in km/h na de eerste gebruiksperiode van de auto. Versies 0.9 TwinAir 60 pk* 157 (in 4th gear) 0.9 TwinAir 65 pk 159 (in 4th gear) 0.9 TwinAir 80 pk* 171 0.9 TwinAir 85 pk 173 0.9 TwinAir 105 pk 188 1.2 8V 69 pk 160 1.2 8V 69 pk LPG 160 1.4 16V 100 pk* 182 1.3 16V 78 pk Euro 6 169 1.
GEWICHTEN Gewichten (kg) 0.9 TwinAir 60 pk* - 65 pk 0.9 TwinAir 80 pk* - 85 pk 0.
TECHNISCHE GEGEVENS 1.2 8V 69 pk 1.2 8V 69 pk EVO2 S&S 1.
1.2 8V 69 pk LPG 1.
TECHNISCHE GEGEVENS INHOUDEN 21) 38) 11) 22) 3) 0.9 TwinAir 60 pk* 65 pk 0.9 TwinAir 80 pk* 85 pk 105 pk 1.2 8V 69 pk 1.4 16V 100 pk* Brandstoftank (liter): 35 35 35 35 Inclusief een reserve van (liter): 5 5 5 5.2 5.3 4.85/ 5.2 4.4 Carterpan (liter): 2.8 2.8 2.5 2.75 Carterpan en filter (liter): 3.2 3.2 2.8 2.90 Versnellingsbak-/differentieelhuis (liter): 1,65 1,65 1,65 1,65 – 0.7/0.59 0.7/0.59 0.7/0.
LPG versies Maximale vulcapaciteit (inclusief reserve): 30.5 liter LPG Er is bij de waarde reeds rekening gehouden met de 80% vullimiet van de tank en de resthoeveelheid die nodig is voor de opvoering; deze waarde vertegenwoordigt de maximum toelaatbare vulinhoud. Er kunnen wat kleine variaties op deze waarde zijn, door: verschillen tussen de leveringsdrukken van de netwerkpomp, pompen met verschillende leverings/sluitingskenmerken, tank niet volledig leeg. 1.3 16V Multijet 95 pk EURO 5 1.
TECHNISCHE GEGEVENS VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN 22) 3) Het voertuig is voorzien van een motorolie die grondig ontwikkeld en getest is om aan de vereisten van het Geprogrammeerd Onderhoudsschema te kunnen voldoen. Constant gebruik van de voorgeschreven smeermiddelen garandeert de specificatie van brandstofverbruik en emissies. De kwaliteit van het smeermiddel is cruciaal voor de werking en de levensduur van de motor.
Gebruik Kenmerken Specificaties Originele vloeistoffen en smeermiddelen Toepassingen SAE 75W API GL4 synthetisch smeermiddel. 9.55550-MZ6 of MS. 90030-M1 TUTELA TRANSMISSION GEARFORCE Contractual Technical Reference Nr. F002.F10 Mechanische versnellingsbak en differentiële “ATF DEXRON III” type olie 9.55550-SA1 of MS.90030-H1 TUTELA CS SPEED Contractual Technical Reference Nr. F005.
TECHNISCHE GEGEVENS BRANDSTOFVERBRUIK - CO2 EMISSIES De gegevens over het brandstofverbruik die vermeld zijn in de tabel zijn bepaald op basis van de typegoedkeuringstests in overeenstemming met specifieke Europese Richtlijnen. CO2 S-EMISSIE EN VERBRUIK VOLGENS DE HUIDIGE EUROPESE RICHTLIJN Versies Buitenwegen liter/100 km Gecombineerd liter/100 km CO2 -emissies g/km 0.9 TwinAir 60 HP Start&Stop* 4.6 3.4 3.8 88 0.9 TwinAir 65 HP Start&Stop 5.2 3.5 4.1 96 0.9 TwinAir 80 HP Start&Stop* 4.5 3.
RICHTLIJNEN VOOR DE BEHANDELING VAN HET VOERTUIG AAN HET EINDE VAN DE LEVENSDUUR Al jaren zet FCA zich volledig in voor de bescherming van het milieu via de continue verbetering van de productieprocessen en de realisatie van producten die steeds “eco-compatibeler” zijn.
Deze pagina is opzettelijk leeg gelaten
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN U wordt verzocht de volgende waarschuwingen aandachtig door te lezen. Wij adviseren om in een noodsituatie het gratis telefoonnummer te bellen dat in het garantieboekje is vermeld. Ga naar de website www.fiat500.com om het dichtstbijzijnde Fiat Servicenetwerk te vinden. PERSOONLIJKE VEILIGHEID 1) DE SLEUTELS Druk knop B fig.
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) 7) DAGRIJLICHTEN (DRL) • De dagrijlichten zijn een alternatief voor het dimlicht in landen waar dit tijdens het rijden overdag verplicht is, en is tevens toegestaan in landen waar dit niet verplicht is. • De dagverlichting mag het dimlicht niet vervangen tijdens het rijden in het donker en in tunnels. • Het gebruik van de dagrijlichten wordt geregeld door de wegenverkeerswetgeving van het land waar u rijdt.
PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) • Let op bij het openen van de achterklep als er een imperiaal gemonteerd is. • Zorg ervoor dat de rugleuningen aan beide zijden goed zijn vergrendeld om te voorkomen dat deze bij bruusk remmen naar voren kunnen klappen en zo eventueel de passagiers kunnen verwonden. 14) IMPERIAAL/SKIDRAGER • De wettelijke voorschriften betreffende de maximale afmetingen moeten altijd in acht worden genomen.
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN 180 PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) • Het HH-systeem is geen parkeerrem; verlaat daarom nooit het voertuig zonder eerst de handrem te hebben aangetrokken, de motor te hebben afgezet en de eerste versnelling te hebben ingeschakeld, met het voertuig in veilige omstandigheden geparkeerd.
PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) De parkeersensoren dienen als hulp voor de bestuurder, die echter nooit zijn aandacht mag laten verslappen tijdens potentieel gevaarlijke manoeuvres, ook al worden ze met lage snelheden verricht. 19) START&STOP SYSTEEM • Raadpleeg steeds het Fiat Servicenetwerk alvorens de accu te vervangen. Vervang de accu door een exemplaar van hetzelfde type (HEAVY DUTY) en met dezelfde specificaties.
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) • Voor optimale veiligheid moet de rugleuning rechtop gezet worden, moet men goed tegen de rugleuning aanzitten en moet de gordel goed aansluiten op de borst en het bekken. Draag altijd veiligheidsgordels, zowel voor- als achterin! • Travelling without wearing seat belts will increase the risk of serious injury and even death in the event of an accident.
PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) • Mocht het nodig zijn een kind achterstevoren in een kinderzitje op de passagiersstoel te vervoeren, moeten de front- en zijairbags aan de passagierszijde worden uitgeschakeld via het hoofdmenu op het display. Uitschakeling moet worden gecontroleerd via het waarschuwingslampje dat op het “ centrale deel van het dashboard is gaan branden.
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN 184 PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) • Dek de rugleuning van de voorstoelen niet af met extra kleden als deze uitgerust zijn met zijairbags. • Reis niet met voorwerpen op schoot of voor de borst en houd niets in de mond (pijp, pen, enz.): dit kan ernstig letsel veroorzaken als de airbag in werking treedt. Onthoud tevens dat als de sleutel in de stand STOP staat, bij een ongeval geen enkel veiligheidssysteem (airbags of gordelspanners) geactiveerd wordt.
PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) • Het “ lampje van de airbag geeft de status aan van de passagiersbescherming. Als het lampje uit is, is de zijairbag van de passagier actief: gebruik het Setup Menu om deze zijairbag uit te schakelen (in dat geval gaat de led branden). Wanneer de motor wordt gestart (sleutel in stand MAR), brandt het waarschuwingslampje gedurende ongeveer 8 seconden, als ten minste 5 seconden na de vorige uitschakeling zijn verstreken.
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN 186 PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) 29) AANHANGERS TREKKEN • De ABS waarmee de auto is uitgerust heeft geen controle over het remsysteem van de aanhanger. Wees dus bijzonder voorzichtig op gladde wegen. • Breng, onder geen enkele voorwaarde, wijzigingen aan het remsysteem van het voertuig aan om het remsysteem van de aanhanger te regelen. Het remsysteem van de aanhanger moet volledig onafhankelijk zijn van het hydraulisch systeem van de auto.
PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) Als het lampje c of het symbool E gaat branden (bij bepaalde versies verschijnt ook een bericht op het display), neem dan zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk om de condens te laten aftappen. Als het lampje onmiddellijk na het tanken gaat branden, kan het zijn dat er tijdens het tanken water in de tank terecht is gekomen: zet de motor onmiddellijk uit en neem contact op met het Fiat Servicenetwerk.
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN 188 PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) Smeer de schroefdraad van de wielbouten niet met vet voordat ze gemonteerd worden: ze kunnen hierdoor losraken. • Er kunnen geen sneeuwkettingen op het noodreservewiel worden gemonteerd. Dus in geval van een lekke voorband (aandrijfwiel) en als er sneeuwkettingen gebruikt moeten worden, moet een achterwiel aan de voorkant worden gemonteerd en moet het noodreservewiel aan de achterkant worden gemonteerd.
PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) • Vervang een zekering nooit door een exemplaar met een grotere stroomsterkte (ampère); BRANDGEVAAR. • Als een hoofdzekering (MEGA-FUSE, MIDIFUSE, MAXI-FUSE) doorbrandt, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk. • Controleer voordat een zekering wordt vervangen, of de contactsleutel verwijderd is en of alle stroomverbruikers uitstaan en/of zijn ontkoppeld.
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) • Het koelsysteem staat onder druk. Vervang, indien nodig, de dop alleen door een origineel exemplaar om de werking van het systeem niet negatief te beïnvloeden. Draai bij warme motor de dop van het reservoir niet los: gevaar voor brandwonden. • Rijd nooit met een leeg ruitensproeiervloeistofreservoir: ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een goed zicht.
PERSOONLIJKE VEILIGHEID (DOORGEGAAN) 44) LPG • Let wel dat in sommige landen (inclusief Italië) wettelijke beperkingen gelden voor het parkeren/stallen van auto’s die rijden op gas dat dichter is dan zuurstof; LPG valt onder deze categorie. • Schakel niet om tussen de twee werkingsmethodes (benzine/LPG) tijdens het starten van de motor.
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN 192 VEILIGHEID VAN HET VOERTUIG 1) SLEUTELS EN CODE CARD • De elektronische onderdelen in de sleutel kunnen beschadigen als de sleutel aan sterke schokken wordt blootgesteld. Om een correcte werking van de inwendige elektronische componenten te garanderen, mag de sleutel nooit aan direct zonlicht blootgesteld worden. • Bij verkoop van de auto, moeten alle sleutels en de CODE-card aan de nieuwe eigenaar overhandigd worden.
VEILIGHEID VAN HET VOERTUIG (DOORGEGAAN) • Onmiddellijk afspoelen en deze handeling zo nodig herhalen. Als u het vouwdak weer waterdicht wilt maken, de instructies op de verpakking van het door u gekozen waterdichtmakende product strikt opvolgen om optimale resultaten te behalen. • De rubberen pakkingen van het vouwdak mogen uitsluitend met water gereinigd worden.
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN 194 VEILIGHEID VAN HET VOERTUIG (DOORGEGAAN) Als de motor start kan de auto normaal gebruikt worden, maar moet men zo snel mogelijk naar een Fiat Servicepunt gaan. • Probeer de motor nooit te starten door de auto te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Hierdoor kan brandstof in de katalysator terechtkomen die hierdoor onherstelbaar beschadigd wordt.
VEILIGHEID VAN HET VOERTUIG (DOORGEGAAN) Als het lampje onmiddellijk na het tanken gaat branden, kan het zijn dat er tijdens het tanken water in de tank terecht is gekomen: zet de motor onmiddellijk uit en neem contact op met het Fiat Servicenetwerk. 19) LAMPEN EN ZEKERINGEN • Raak alleen het metalen gedeelte van halogeenlampen aan. Het aanraken van de bol met de vingers kan de lichtopbrengst van de lamp beperken en zelfs de levensduur van de lamp in gevaar brengen.
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN VEILIGHEID VAN HET VOERTUIG (DOORGEGAAN) 25) PARKEERSENSOREN • De sensor moet vrij zijn van modder, vuil, sneeuw of ijs om het systeem te laten werken. Zorg ervoor dat ze tijdens het reinigen niet gekrast of beschadigd worden. Vermijd het gebruik van droge, ruwe of harde doeken. De sensoren moeten met schoon water worden gewassen, waaraan eventueel autoshampoo is toegevoegd.
VEILIGHEID VAN HET VOERTUIG (DOORGEGAAN) • Alhoewel het LPG-systeem talrijke veiligheidsvoorzieningen heeft, wordt geadviseerd als volgt te werk te gaan als het voertuig lange tijd niet gebruikt wordt of als het voertuig verplaatst wordt in een noodgeval na pech of een ongeval: Schroef de bevestigingsapparatuur los, verwijder dan afdekking B. Sluit de LPG-klep door de ringmoer C rechtsom te draaien, plaats de afdekking terug en span de bevestigingsapparatuur aan.
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN 198 MILIEUBESCHERMING 1) SLEUTELS- AFSTANDSBEDIENING Lege batterijen moeten overeenkomstig de wet in speciale bakken gedeponeerd worden. Ze kunnen ook ingeleverd worden bij het Fiat Servicenetwerk dat voor hun verwerking zal zorgen. 2) KLIMAATREGELING Het systeem gebruikt het koelmiddel R134a dat het milieu niet verontreinigt als het per ongeluk weglekt. Gebruik nooit het koelmiddel R12, aangezien dit niet compatibel is met de systeemcomponenten.
HOUD UW VOERTUIG IN TOPCONDITIE MET Mopar® Vehicle Protection biedt een reeks serviceproducten die speciaal zijn ontworpen om al onze klanten te kunnen laten genieten van een probleemloze en zorgenvrije rijervaring met hun auto. Onze productportefeuille bestaat uit Extra Garantie, Easy Care Onderhoudsprogramma’s en de ServicePlus Pas, met een ruime keuze voor de klant om looptijd en kilometer limiet naar behoefte te kiezen.
OPMERKINGEN ............................................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................................ ..........................................................................................
INHOUD KENNISMAKING MET DE AUTO – Voorstoelen ................................................................28 Dashboard ......................................................................7 – Hoofdsteunen .............................................................29 Instrumentenpaneel .........................................................9 Stuurwiel .......................................................................30 – Versies met multifunctioneel display ...............................
INHOUD Vouwdak.........................................................................37 – LPG-tank .....................................................................53 Portieren ........................................................................40 – Keuze van brandstoftoevoer/ benzine of LPG ...............53 Elektrische ruitbediening .................................................41 Multimedia .................................................................... 54 Bagageruimte ..........
Aanvullend veiligheidssysteem (SRS) - Airbag ................105 – Grootlicht ..................................................................127 – Frontairbags ..............................................................105 – Stadslichten/remlichten...............................................128 – Deactivering passagiersairbag.....................................108 – Richtingaanwijzers ......................................................128 – Zijairbags .....................................
INHOUD – De batterij vervangen .................................................149 Motor............................................................................157 – Stilstand ....................................................................149 Afmetingen ...................................................................161 Wielen en banden ........................................................150 Wielen ..........................................................................
Cop 500 LUM Ridotto NL_500 UM ITA 19/05/15 15:42 Pagina 2 WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Dit Instructieboek is bedoeld om de bedrijfsomstandigheden van het voertuig te verduidelijken. Voor de enthousiaste gebruiker die de inzichten, curiositeiten en gedetailleerde informatie over de eigenschappen en functies van het voertuig wil weten, biedt Fiat de gelegenheid om een speciaal gedeelte te raadplegen dat beschikbaar is in elektronisch formaat.
Cop 500 LUM Ridotto NL_500 UM ITA 19/05/15 15:42 Pagina 1 NEDERLANDS De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Fiat Chrysler Automobiles behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk. Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.