Cop 124 Spider LUM NL.qxp 14/07/16 09:11 Pagina 1 F I A T 1 2 4 S P I D E R NEDERLANDS De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. FCA Italy S.p.A. behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk. Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.
Cop 124 Spider LUM NL.qxp 14/07/16 09:11 Pagina 2 WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Dit Instructieboek is bedoeld om de bedrijfsomstandigheden van het voertuig te verduidelijken. Voor de enthousiaste gebruiker die de inzichten, curiositeiten en gedetailleerde informatie over de eigenschappen en functies van het voertuig wil weten, biedt Fiat de gelegenheid om een speciaal gedeelte te raadplegen dat beschikbaar is in elektronisch formaat.
Beste klant, Wij feliciteren u en bedanken u dat u voor een Fiat 124 Spider hebt gekozen. Wij hebben dit boekje opgesteld om u te helpen alle kenmerken van dit voertuig te leren kennen en het op de beste manier te gebruiken. Dit boekje bevat informatie, adviezen en belangrijke waarschuwingen voor een juist gebruik van het voertuig, zodat u het maximum uit de technologische eigenschappen van uw voertuig kunt halen.
AANDACHTIG LEZEN TANKEN Tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON die aan de Europese specificatie EN228 voldoet. Gebruik geen benzine die methanol of ethanol E85 bevat. Het gebruik van dergelijke mengsels kan leiden tot problemen met de ontsteking en het rijden, evenals tot beschadiging van fundamentele componenten van het brandstoftoevoersysteem.
GEBRUIK VAN DEZE HANDLEIDING BELANGRIJKE INFORMATIE Elke keer dat instructies worden gegeven (links/rechts of vooruit/achteruit), moeten deze worden gezien als aanwijzingen voor de inzittende in de bestuurdersstoel. Speciale uitzonderingsgevallen op deze regel zullen duidelijk in de tekst zijn aangegeven. De afbeeldingen in het Instructieboek zijn alleen bedoeld als voorbeeld: dit betekent dat sommige details van de afbeelding niet overeen kunnen komen met de daadwerkelijke uitrusting van uw voertuig.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL VEILIGHEID STARTEN EN RIJDEN IN GEVAL VAN NOOD ONDERHOUD EN ZORG TECHNISCHE GEGEVENS MULTIMEDIA INDEX
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG Grondige kennis van uw nieuwe voertuig begint hier. In dit boekje is op eenvoudige en rechtstreekse wijze beschreven hoe uw voertuig gemaakt is en hoe het werkt. Daarom adviseren wij u het comfortabel zittend in uw voertuig te lezen, dan kunt u met eigen ogen onmiddellijk zien wat hier beschreven is. DASHBOARD . . . . . . . . . . . . . . . .8 SLEUTELS . . . . . . . . . . . . . . . . . .9 CONTACTSLOT . . . . . . . . . . . . . .11 GEAVANCEERD KEYLESS ENTRY SYSTEEM . . . . . . .
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG DASHBOARD 1 02010200-123-555 1 – Instelbare luchtventilatie zijkant; 2 – Bedieningshendel buitenverlichting; 3 – Instrumentenpaneel; 4 – Ruitenwisserhendel; 5 – Instelbare luchtventilatie midden; 6 – Knop alarmknipperlichten; 7 – Radio 3”/Radio 7”-systeem (indien aanwezig); 8 – Air Bag passagier; 9 – Instelbare luchtventilatie midden (passagierszijde); 10 – Klimaatregeling; 11 – Contactslot; 12 – Airbag bestuurder; 13 – Bedieningsknoppen (TPMS-systeem/DSC-systeem) 8
SLEUTELS BELANGRIJK Zorg voor een reservesleutel voor het geval u uw sleutel verliest. Neem bij een verloren sleutel zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk. SLEUTELS 1) Er staat een codenummer op het plaatje van de sleutelset; maak dit plaatje los en bewaar dit op een veilige plek (niet in het voertuig) voor raadpleging bij het maken van een vervangende sleutel (extra sleutel). Noteer tevens het codenummer en bewaar dit op een afzonderlijke veilige plek, niet in het voertuig.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG knipperen tweemaal. Achterkleptoets: houd de toets ingedrukt totdat de achterklep opengaat. VERTRAAGDE SLEUTELFUNCTIE Als een sleutel in het voertuig wordt achtergelaten, worden de functies van de sleutel in het voertuig tijdelijk onderbroken om diefstal van het voertuig te voorkomen. Druk op de ontgrendeltoets op sleutel met onderbroken functies om de functies te herstellen.
CONTACTSLOT STANDEN STARTKNOP Het systeem werkt alleen als de sleutel zich binnen het werkingsbereik bevindt. Elke keer dat de startknop fig. 3 wordt ingedrukt, schakelt het contact van OFF (UIT), naar ACC en naar ON (AAN). Door nogmaals op de startknop te drukken vanuit ON (AAN), schakelt het contact uit. 3 05010101-L12-001 Opmerking De motor start door de startknop in te drukken terwijl het koppelingspedaal (handmatige versnelling) of het rempedaal (automatische versnelling) wordt ingedrukt.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG instrumentenpaneel als het indicatielampje van de startknop (groen) branden; laat de motor na het starten 10 seconden stationair draaien. 4 05020106-12A-001 Handmatige versnellingsbak: de startmotor werkt niet als het koppelingspedaal niet ver genoeg is ingedrukt. Automatische versnellingsbak: de startmotor werkt niet als de selectiehendel niet in P of N staat en als het rempedaal niet ver genoeg is ingedrukt.
andere voertuigen met een startonderbrekingssysteem raken of in de buurt komen van sleutels/apparatuur voor elektronische aankopen, of het raken van veiligheidspoortjes of in de buurt hiervan komen met de sleutel.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG 14 het contact is UIT. BELANGRIJK Controleer voordat u het voertuig verlaat of de drukknop op UIT staat. Noodstop motor Het aanhouden indrukken van de drukknop Start of het snel meerdere malen indrukken terwijl de motor loopt of er met het voertuig wordt gereden, zorgt ervoor dat de motor onmiddellijk uitslaat. Het contact gaat naar ACC.
keyless entry systeem is uitgeschakeld, kunt u de motor via de volgende procedure starten in het geval de batterij van de sleutel leeg is. BELANGRIJK 6) De werking van het herkenningssysteem is afhankelijk van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld elke interferentie van elektromagnetische golven van externe bronnen (bijv. mobiele telefoons), de laadtoestand van de batterij in de elektronische sleutel en de aanwezigheid van metalen voorwerpen in de buurt van de sleutel of het voertuig.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG blokkeer de inbraaksensor niet door deze te bedekken of door het voorwerpen op te plaatsen; laat de inbraaksensor niet vuil worden of afvegen met een vloeistof; stel de inbraaksensor en de omlijsting ervan niet bloot aan schokken of impact van enige soort; installeer geen stoelen of stoelbekleding die niet afkomstig zijn van FCA; plaats ter voorkoming van obstructie van de inbraaksensor geen voorwerpen of lading die boven de hoofdsteun uitsteekt, in de buurt van de inbraaksens
7 04030107-L21-001 BELANGRIJK De rode indicatie 2 is te zien wanneer de portiervergrendelknop is ontgrendeld. Werking van buitenaf Om het portier aan bestuurderszijde van buitenaf te vergrendelen, drukt u de portiervergrendelknop naar de vergrendelde stand en sluit u het portier (het is niet nodig de handgreep in het portier omhoog te houden). Deze knop bedient de overige portiervergrendelingen niet.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG VERGRENDELEN / ONTGRENDELEN MET VERZOEKSCHAKELAAR (met geavanceerde keyless functie) Beide portieren, de achterklep en de brandstoftankklep kunnen worden vergrendeld/ontgrendeld met de verzoekschakelaar fig. 9 als u de sleutel bij u draagt. 9 04000098-121-555 Vergrendelen Druk op de verzoekschakelaar om de portieren, achterklep en brandstoftankklep te vergrendelen; de waarschuwingslichten knipperen 1 maal.
gewijzigd zodat de portieren, de achterklep en de brandstoftankklep automatisch worden vergrendeld zonder de verzoekschakelaar in te drukken. Automatische vergrendelfunctie Er is een pieptoon te horen wanneer beide portieren gesloten zijn terwijl u de geavanceerde sleutel bij u draagt. Beide portieren, de achterklep en de brandstoftankklep worden na ongeveer drie seconden automatisch vergrendeld als de geavanceerde sleutel zich buiten het werkingsgebied bevindt.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG 12) Bevestig altijd de omstandigheden rond het voertuig alvorens de portieren te openen/sluiten en wees extra voorzichtig bij sterke wind of als u geparkeerd staat op een helling. Het is gevaarlijk als u niet op de hoogte bent van de omstandigheden rond uw voertuig omdat uw vingers tussen het portier kunnen komen of een passerende voetganger geraakt kan worden, hetgeen kan leiden tot een onverwacht ongeluk of letsel.
geregeld via een thermostaat. BELANGRIJK 11 03010203-L12-002 BELANGRIJK Gebruik geen organische oplosmiddelen om de stoel te reinigen. Dit kan het oppervlak van de stoel en de verwarming beschadigen. Opmerking Als het contact wordt uitgeschakeld terwijl de stoelverwarming geactiveerd is (Hoog, Mid of Laag) en vervolgens weer wordt ingeschakeld (AAN), dan werkt de stoelverwarming automatisch tegen de temperatuur die is ingesteld voordat het contact werd uitgeschakeld.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG 22 22) Plaats geen voorwerp, zoals een kussen, tussen uw rug en de rugleuning. Het is gevaarlijk om een voorwerp zoals een kussen tussen uw rug en de rugleuning te plaatsen, omdat u geen veilige rijhouding hebt en de veiligheidsgordel niet optimaal werkt bij een botsing, hetgeen kan resulteren in een ernstig ongeluk, letsel of overlijden. 23) Plaats geen voorwerpen onder de stoel.
HOOFDSTEUNEN STUURWIEL AFSTELLING STUURWIEL 33) Niet-instelbare hoofdsteunen Uw voertuig is uitgerust met niet-instelbare hoofdsteunen in de rugzittingen van de bestuurder en passagiers. De niet-verstelbare hoofdsteunen bevatten een bijgesneden bedekking van schuim op de bovenste structuur van de rugzittingen en zijn bedoeld om u en de passagier te beschermen tegen nekletsel. Zet de rugzittingen rechtop, in de rijpositie, zodat de hoofdsteun zich zo dicht mogelijk bij de achterkant van u hoofd bevindt.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG SPIEGELS DAG/ NACHTBINNENSPIEGEL 39) BUITENSPIEGELS 37) Breedtespiegel aan bestuurderskant De breedtespiegel bevat twee welvingen op het oppervlak die worden gescheiden door een lijn 1 fig. 13 voor binnen- en buitengebieden. Het binnengebied is een standaard bolle spiegel terwijl het buitengebied een breder zicht geeft binnen hetzelfde bereik. Deze combinatie geeft biedt zekerheid bij het wisselen van rijbaan.
Na het verstellen van de spiegel, vergrendelt u de knop door deze naar de middenpositie 0 te draaien om ongewilde beweging te voorkomen. SPIEGELS INKLAPPEN 38) Vouw de buitenspiegel naar achter fig. 17 totdat deze gelijk aan het voertuig is. 17 04060101-12R-001 38) Stel de buitenspiegels altijd af aan uw rijpositie alvorens op weg te gaan: het is gevaarlijk met ingeklapte spiegels te rijden. U zicht achteruit wordt beperkt en u kunt een ongeluk veroorzaken.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG 26 BELANGRIJK Laat de lampen niet aan als de motor uitstaat tenzij dit om veiligheidsredenen nodig is om ontladen van de accu te voorkomen. DAGVERLICHTING (DRL) 40) 41) In bepaalde landen moeten de lampen van de rijdende voertuigen overdag zijn ingeschakeld (dagrijverlichting). De dagrijverlichting wordt automatisch ingeschakeld als het voertuig start met rijden.
COMING-HOME VERLICHTINGSSYSTEEM Het Coming Home-verlichtingssysteem schakelt de koplampen (dimlicht) in als de hendel wordt bediend. Inschakeling van het systeem Als aan de hendel wordt getrokken terwijl het contact op ACC of UIT staat, worden de stadslichten ingeschakeld. De koplampen doven na een bepaalde tijdsperiode nadat de portieren zijn gesloten. De tijd totdat de koplampen uitschakelen nadat alle portieren zijn gesloten, kan worden gewijzigd.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG 28 zet u de mistlichtschakelaar 2 in de stand (de mistlichtschakelaar keert automatisch terug naar de stand ). Het waarschuwingslampje in het instrumentenpaneel brandt als het mistachterlicht is ingeschakeld. Uitschakelen Schakel het mistachterlicht als volgt uit: draai de mistlichtschakelaar 2 weer op (de mistlichtschakelaar keert automatisch terug naar de stand ); draai de mistlichtschakelaar 1 op OFF; zet het contact op een andere stand dan ON (AAN).
Adaptive Front Lighting System (AFS) (indien aanwezig) Als de koplampen zijn ingeschakeld, verstelt het adaptieve bochtenverlichtingssysteem (AFS) automatisch de koplampen naar links of naar rechts naar aanleiding van de richting waarin het stuurwiel gedraaid wordt. Een systeemstoring of werkingsconditie wordt aangegeven met een waarschuwing. Raadpleeg de paragraaf "Waarschuwingslampjes op het instrumentenpaneel" in het hoofdstuk "Kennismaking met het instrumentenpaneel".
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG 30 Selecteer de juiste koplamphoek uit de volgende kaart: Voorstoel Belasting Schakelaarstand — — 0 X X — 1 X X X 2 X — X 3 Bestuurder Passagier X
BELANGRIJK 40) De dagverlichting is een alternatief voor het dimlicht in landen waar het verplicht is overdag met verlichting te rijden, en is tevens toegestaan in landen waar dit niet verplicht is. 41) De dagverlichting mag het dimlicht niet vervangen tijdens het rijden in het donker en in tunnels. Het gebruik van de dagverlichting wordt geregeld door de wegenverkeerswetgeving van het land waar u rijdt. Neem de wettelijke voorschriften in acht.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG 32 Automatische wisserregeling Schakelaarstanden: of MIST: werking door omhoog te draaien; OFF: stop; AUTO: automatische werking; — of LO: lage snelheid; = of HI: hoge snelheid. Automatische ruitenwisserregeling Als de wisserhendel in de stand AUTO staat, detecteert de regensensor de hoeveelheid regenval op de ruit en worden de wissers automatisch in- of uitgeschakeld (uit, interval/lage snelheid/hoge snelheid).
RUITENSPROEIER Trek de hendel naar u toe en houdt deze vast om wasvloeistof te sproeien. Als de wisserhendel in de stand OFF of interval/ AUTO staat, werken de ruitenwissers voortdurend totdat de hendel wordt losgelaten. Als de sproeier niet werkt, controleert u de hoeveelheid vloeistof. Als het niveau normaal is, neemt u contact op met het Fiat Servicenetwerk. De koplampsproeiers fig. 23 werken automatisch elke vijfde maal dat de ruitensproeier wordt geactiveerd.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG 34 KLIMAATREGELING BELANGRIJK 2) Het systeem gebruikt een koelmiddel dat compatibel is met de wetten die van kracht zijn in de landen waar het voertuig wordt verkocht, R134a van R1234yf (aangeduid op een specifiek plaatje in de motorruimte). Het gebruik van andere koelmiddelen heeft invloed op de efficiency en de conditie van het systeem. Ook de compressorkoelmiddelen moeten compatibel zijn met het aangeduide koelmiddel.
HANDBEDIENDE KLIMAATREGELING 24 06010300-122-099 35
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG 36 REGELAARS 1 – Temperatuurregelaar. Draai de regelaar rechtsom voor warm en linksom voor koud. 2 – Ventilatorregelaar. De ventilator beschikt over zeven snelheden. 3 – Modusselector. Draai de modusselector om de gewenste luchtstroommodus te selecteren. De modusselector kan op de tussenliggende standen (●) tussen elke modus worden ingesteld. 4 – Ontwasemschakelaar achterruit. Druk op de schakelaar om ontwaseming van de achterruit in te schakelen.
AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING 25 06010900-122-990 37
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG 38 REGELAARS 1 – Temperatuurregelaar. 2 – Ventilatorregelaar. De ventilator beschikt over zeven snelheden. AUTO-stand: de luchtstroom wordt automatisch geregeld in overeenstemming met de ingestelde temperatuur. Uitgezonderd AUTO-stand: de luchtstroom kan worden ingesteld op het gewenste niveau via de regelaar. 0-stand: om het systeem uit te schakelen, stelt u de regelaar in op 0. 3 – Modusselector. Draai de modusselector om de gewenste luchtstroommodus te selecteren.
27 04070103-L12-001 Elektrische ruiten automatisch openen Om het venster volledig automatisch te openen, duwt u de knop volledig naar beneden. Om de ruit halverwege te stoppen trekt of duwt u de knop in tegenovergestelde richting en laat u deze vervolgens los. De elektrische ruit kan volledig worden gesloten als het portier is geopend.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG 40 passagierszijde uit. Dit lampje kan moeilijk te zien zijn door omgevingslicht. BELANGRIJK 45) Controleer of de ruimte vrij is alvorens een raam te sluiten: het sluiten van een elektrische ruit is gevaarlijk. Handen, hoofd en zelfs de nek kunnen vast komen te zitten tussen de ruit en leiden tot ernstig letsel en zelfs overlijden. Deze waarschuwing geldt met name voor kinderen.
ACHTERKLEP OPENEN 47) 48) BELANGRIJK Alvorens de achterklep te openen, verwijdert u eventuele opgehoopte sneeuw en ijs. De achterklep kan anders sluiten onder het gewicht van sneeuw en ijs en letsel veroorzaken. De externe ontgrendelknop gebruiken (indien aanwezig) Ontgrendel de portieren en de achterklep, druk vervolgens op de elektrische achterklepopener fig. 30 en breng deze omhoog als de vergrendeling wordt vrijgegeven.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG ALS DE ACHTERKLEP NIET KAN WORDEN GEOPEND Als de accu leeg is, kan de bagageruimte niet worden ontgrendeld en geopend. In dit geval kan de bagageruimte worden ontgrendeld door de situatie met de lege accu te verhelpen. Als de bagageruimte niet kan worden ontgrendeld (ook niet als de lege accu is verholpen) kan er een probleem zijn met het elektrische systeem. Ga als volgt te werk: sluit de kap en verwijder het windscherm fig.
Trek de achterklep omhoog om te controleren of deze goed dicht zit. BELANGRIJK 47) Laat nooit iemand meerijden in de bagageruimte: het is gevaarlijk iemand te laten meerijden in de bagageruimte. De persoon in de bagageruimte kan ernstig letsel oplopen of overlijden bij een noodstop of een botsing. 48) Rijd niet met geopende achterklep: uitlaatgas dat in het voertuig komt, is gevaarlijk. Een geopende achterklep zorgt er bij een rijdend voertuig voor dat uitlaatgas in het voertuig terechtkomt.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG BELANGRIJK 37 maak ondersteuningsstaaf 3 fig. 38 los uit de vergrendeling, plaats deze in het gebied met bescherming 4 fig. 39 en plaats de staaf in de opening die wordt aangegeven met de pijl om de motorkap geopend te houden. 38 44 07030201-122-001 39 07030201-123-002 SLUITEN 54) Ga als volgt te werk: controleer of onder de motorkap of alle vuldoppen goed zijn aangebracht en of alle losse items (gereedschap, olieflessen enz.
CABRIOLETKAP (ZACHTE KAP) BELANGRIJK Als de elektrische ruiten niet automatisch omlaag gaan, opent u de ruiten volledig. houd de cabrioletkap, terwijl u zich buiten het voertuig bevindt, vast aan de voorste rand 6 en trek deze naar de achterzijde van het voertuig; DE CABRIOLETKAP OPENEN BELANGRIJK Ga niet op de geopende kap zitten. De cabrioletkap kan dan beschadigen of u kunt vallen en letsel oplopen. Ga als volgt te werk: controleer of de parkeerrem is ingeschakeld.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG Zorg ervoor dat de slotplaat 4 koppelt met het anker 5, beweeg de bovenste grendel langzaam en duw deze vervolgens naar boven totdat u een vergrendelgeluid hoort. 44 04110102-126-001 DE CABRIOLETKAP OPENEN Ga als volgt te werk: controleer of de parkeerrem is ingeschakeld. Als de motor loopt, zet u deze uit; breng ontgrendelhendel 1 omhoog om te ontgrendelen fig.
vergrendelen van de cabrioletkap of de rode indicator 6 niet zichtbaar is (7 = vergrendelde stand / 8 = ontgrendelde stand). 48 04110103-124-001 BELANGRIJK Spuit geen water rechtstreeks op de naad tussen de ruit en de kap als u vuil wegspoelt van de zachte kap. Water kan anders in het voertuig terechtkomen (zie paragraaf "Onderhoud cabrioletkap" in het hoofdstuk "Onderhoud en verzorging"). VOORZORGSMAATREGELEN M.B.T.
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG voertuig terechtkomt als u met geopende kap rijdt. BELANGRIJK 56) Zorg ervoor dat de cabriolettop correct vergrendeld is alvorens het voertuig te starten. 57) Draag in een rijdend voertuig uw veiligheidsgordel goed aangebracht: staan in het voertuig of zitten op de opbergruimte van de cabrioletkap of het midden van het console terwijl het voertuig rijdt is gevaarlijk. Bij een onverwachte manoeuvre of botsing kunt u ernstig letsel oplopen of zelfs overlijden.
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL In dit deel van het instructiehandboek vindt u alle informatie die u nodig hebt om het instrumentenpaneel goed te begrijpen, te interpreteren en te gebruiken. INSTRUMENTENPANEEL. . . . . . . .50 LAMPJES EN BERICHTEN . . . . . . .
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL 50 INSTRUMENTENPANEEL 49 05020100-121-001 1. Kilometerteller/dagteller en knop dagteller/Dashboardverlichting - 2. Toerenteller - 3. Snelheidsmeter - 4. Infodisplay automatische versnellingsbak - 5.
VERSIES MET STUUR RECHTS 50 05020100-667-888 1. Kilometerteller/dagteller en knop dagteller/Dashboardverlichting - 2. Toerenteller - 3. Snelheidsmeter - 4. Infodisplay automatische versnellingsbak - 5.
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL 52 KILOMETERTELLER / DAGTELLER U kunt de weergavemodus wijzigen van kilometerteller in Dagteller A” en in “Dagteller B”,en terug naar kilometerteller door schakelaar 1 fig. 51 in te drukken terwijl een van de modi wordt weergegeven. De gekozen modus wordt weergegeven. 51 05020102-121-001 Als het contact is ingeschakeld op ACC of UIT, kunnen de kilometerteller of tripmeters niet worden weergegeven.
het contact AAN. Als de zichtbaarheid van het instrumentenpaneel wordt verminderd vanwege verblinding door omgevingslicht, annuleert u de verlichtingsdimmer. Als de verlichtingsdimmer is geannuleerd, kan het instrumentenpaneel niet woorden gedimd. Ook niet als de positielichten zijn ingeschakeld. Als de verlichtingsdimmer is geannuleerd, schakelt het scherm op het middelste display naar een constante weergave van het dagscherm.
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL 54 hoorbaar is. Op het display van de voertuigsnelheid knipperen de onderste twee cijfers (tientallen en eentallen) fig. 55; 55 fig. 56 wordt op het instrumentenpaneel weergegeven en er wordt aangegeven welke schakelstand 2 het meest geschikt is volgens de huidige rij-omstandigheden. 05020110-121-003 56 druk op de INFO-schakelaar en stel de twee onderste cijfers (tientallen en eentallen) in op de gewenste voertuigsnelheid.
LAMPJES EN BERICHTEN BELANGRIJK Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden en er verschijnt een speciaal bericht en/of er klinkt een geluidssignaal, wanneer van toepassing. Deze meldingen zijn korte waarschuwingen en mogen vanwege hun beknopte karakter niet worden beschouwd als volledig en/of een alternatief voor de informatie die is opgenomen in het Instructieboek. Het wordt daarom geadviseerd het instructieboek altijd aandachtig te lezen.
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL 56 Waarschuwingslampje laag peil ruitensproeiervloeistof; Waarschuwingslampje Tyre Pressure Monitoring System; SLEUTEL waarschuwingslampje; Led-koplamp SLEUTEL waarschuwingslampje; Moersleutel indicatielampje; Indicatielampje TCS/DSC; Indicatielampje DSC UIT; Veiligheid indicatielampje; Deactivatielampje passagiers-Air Bag (indien aanwezig).
LAMPJES OP INSTRUMENTENPANEEL Rode waarschuwingslampjes Waarschuwingslampje Betekenis WAARSCHUWING PARKEERREM - INSPECTIELAMPJE / WAARSCHUWING LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU Waarschuwing parkeerrem / Inspectielampje Dit lampje gaat branden als de parkeerrem wordt gebruikt terwijl het contact op START of AAN wordt gezet. Het schakelt uit als de parkeerrem volledig wordt losgelaten.
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL 58 Waarschuwingslampje Betekenis STORING DYNAMO Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een dynamostoring of een storing in het laadsysteem. Rijd naar de zijkant van de weg en parkeer naast de weg. Breng het voertuig onmiddellijk tot stilstand op een veilige plek en neem contact op met het Fiat Servicenetwerk.
Waarschuwingslampje Betekenis ACTIEVE MOTORKAP Het lampje gaat branden als het contact wordt ingeschakeld voor een werkingscontrole en schakelt enkele seconden later uit. Onder de volgende omstandigheden kan een probleem in het systeem worden aangegeven: het lampje gaat niet branden als het contact wordt ingeschakeld (AAN); blijft branden/knipperen; Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk.
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL 60 Waarschuwingslampje Betekenis WAARSCHUWINGSLAMPJE SLEUTEL (continu aan) Als er een storing in het keyless invoersysteem optreedt, blijft dit lampje branden. BELANGRIJK Als het waarschuwingslampje voor de sleutel gaat branden of als het indicatielampje van de startknop gaat knipperen (oranje), dan start de motor mogelijk niet. Als de motor niet start, probeer dan te starten via de noodwerking en neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk.
Gele waarschuwingslampjes Waarschuwingslampje Betekenis ABS-WAARSCHUWINGSLAMPJE Als het ABS-waarschuwingslampje blijft branden terwijl u rijdt, dan heeft de ABS-unit een storing gedetecteerd. Als dit optreedt functioneren uw remmen normaal als in een voertuig zonder ABS. Neem in dit geval zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk.
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL 62 Waarschuwingslampje Betekenis WAARSCHUWINGSLAMPJE bandenspanningbewakingssysteem Bij een storing in het bandenspanningsysteem knippert het lampje voor de bandenspanning ongeveer 1 minuut als het contact wordt ingeschakeld (AAN) en ingeschakeld blijft. Neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk. Als het waarschuwingslampje brandt en de pieptoon hoorbaar is (ongeveer 3 seconden), is de bandenspanning te laag in een of meer banden.
Waarschuwingslampje Betekenis INDICATIELAMPJE STUURBEKRACHTIGING Dit lampje gaat branden bij een storing in de elektrische stuurbekrachtiging. Als het lampje gaat branden, brengt u het voertuig op een veilige plek tot stilstand. Het stuurwiel mag niet meer gebruikt worden. Er is geen probleem als het lampje na bepaalde tijd uitschakelt. Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk als het lampje blijft branden.
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL 64 Waarschuwingslampjes Betekenis WAARSCHUWINGSLAMPJE LED KOPLAMP (indien aanwezig) Dit gaat branden bij een storing van de led-koplampen. Neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk. WAARSCHUWINGSLAMPJE LAAG BRANDSTOFNIVEAU Het lampje gaat branden bij een resterende brandstof van ongeveer 9,0 liter.
Waarschuwingslampje Betekenis INDICATIELAMPJE TCS / DSC-SYSTEEM Het lampje gaat branden in het geval de TCS/DSC-systemen in werking treden. Dit betekent dat het voertuig te maken heeft met een kritieke stabiliteit en grip. INDICATIELAMPJE DSC UIT Het lampje gaat branden wanneer het DSC-systeem is gedeactiveerd. INDICATIELAMPJE MISTACHTERLICHT Het lampje gaat branden wanneer het mistachterlicht wordt ingeschakeld.
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL 66 Groene waarschuwingslampjes Waarschuwingslampje Betekenis RICHTINGAANWIJZER LINKS Het lampje gaat branden wanneer de richtingaanwijzerhendel omlaag wordt gezet of, samen met de rechter richtingaanwijzer, wanneer de knop voor de alarmknipperlichten wordt ingedrukt.
Waarschuwingslampje Betekenis SLEUTELLAMPJE Waarschuwingslampje knippert Als de knop wordt ingedrukt van AAN naar ACC of UIT, kan het lampje ongeveer 30 seconden knipperen om aan te geven dat de batterijspanning van de sleutel laag is. Vervang de batterij voordat de sleutel onbruikbaar wordt. Blauw waarschuwingslampje Waarschuwingslampje Betekenis GROOTLICHT Het lampje gaat branden wanneer het grootlicht wordt ingeschakeld.
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL 68 Waarschuwingslampje (roodgekleurd) op dashboardlijst Waarschuwingslampje Betekenis WAARSCHUWINGSLAMPJE VEILIGHEIDSGORDEL Het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gaat branden als de bestuurders- of passagiersstoel bezet is terwijl de veiligheidsgordel niet is bevestigd als het contact wordt ingeschakeld.
BERICHT OP DISPLAY (versies met Radio 7”) Als er een bericht op het middelste display wordt weergegeven, treft u de benodigde maatregelen (op een kalme manier) in overeenstemming met het weergegeven bericht. Als de volgende berichten op het middelste display worden weergegeven, kan er sprake zijn van een storing in een van de systemen van het voertuig: Hoge temperatuur motorkoelvloeistof: wordt weergegeven als de motorkoelvloeistof zeer hoog is geworden.
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL 70 63) Als het TPMS- waarschuwingslampje brandt of knippert of als de pieptoon voor de bandenspanning hoorbaar is, verlaagt u onmiddellijk de snelheid van het voertuig en vermijdt u noodmanoeuvres en noodremmen. Als het waarschuwingslampje brandt of knippert of als de pieptoon voor de bandenspanning hoorbaar is, dan is het gevaarlijk tegen hoge snelheden met voertuig te rijden, of noodmanoeuvres of noodstops uit te voeren.
VEILIGHEID Dit hoofdstuk is bijzonder belangrijk. Hierin worden de veiligheidssystemen beschreven waarmee het voertuig is uitgerust en aanwijzingen over hoe deze op de juiste wijze gebruikt moeten worden. ACTIEVE VEILIGHEIDSSYSTEMEN. .72 AUXILIARY DRIVING SYSTEMS . . . .76 BESCHERMINGSSYSTEMEN INZITTENDEN . . . . . . . . . . . . . . .81 VEILIGHEIDSGORDELS. . . . . . . . .82 SBA-SYSTEEM (Gordelwaarschuwing) . . . . . . . . . .85 GORDELSPANNERS EN KRACHTBEGRENZERS. . . . . . . . .
VEILIGHEID ACTIEVE VEILIGHEIDSSYSTEMEN In het voertuig zijn de volgende actieve veiligheidssystemen aanwezig: ABS (antiblokkeersysteem van de wielen); TCS (tractieregelingssysteem); DSC (dynamische stabiliteitsregeling); Actieve motorkap (actieve voetgangersbescherming). Zie de volgende pagina's voor de beschrijving van de werking van deze systemen. ABS (Anti-lock Braking System) 65) 66) 67) 68) De ABS-regeleenheid bewaakt de snelheid van elk wiel continu.
DSC SYSTEM (Dynamic Stability Control) 72) 73) 74) Omwille van de veiligheid zorgt Dynamic Stability Control (DSC), samen met systemen zoals ABS en TCS, voor de automatische regeling van remwerking en motorkoppel, zodat zijslip zoveel mogelijk beheersbaar blijft op een gladde ondergrond of tijdens plotselinge of uitwijkmanoeuvres. Zie “ABS (Anti-lock Brake System)” en “TCS (Traction Control System)”. DSC-werking is mogelijk bij een snelheid hoger dan 20 km/u.
VEILIGHEID BELANGRIJK Als de schakelaar wordt ingedrukt en 10 seconden of langer wordt vastgehouden, gaat de DSC OFF-storingsdetectiefunctie werken en wordt het DSC-systeem automatisch geactiveerd. Het DSC OFFindicatielampje gaat uit als het DSC-systeem in werking is. BELANGRIJK Raak de actuator 2 fig. 58 niet meteen aan nadat de motorkap omhoog is gekomen. Dit kan brandwonden veroorzaken aangezien de actuator heet is direct na activatie.
Wijzig de ophanging niet. Als de hoogte van het voertuig of de demping van de ophanging wordt gewijzigd, functioneert het systeem mogelijk niet optimaal. Neem voor onderdelen contact op met het Fiat Servicenetwerk. Indien onderdelen incorrect worden geïnstalleerd, activeert de motorkap wellicht niet optimaal omdat een impact niet kan worden gedetecteerd. Neem voor afvoer van het voertuig contact op met het Fiat Servicenetwerk. Als het voertuig niet correct wordt gehanteerd, kan dit leiden tot letsel.
VEILIGHEID 76 69) Vertrouw niet op het Traction Control System (TSC) als vervanging voor een veilige rijstijl. Het Traction Control System (TSC) vormt geen compensatie voor onveilig en roekeloos rijgedrag, te hoge snelheden, bumperkleven (te dicht op een ander voertuig rijden) en aquaplaning (verminderde bandenfrictie en wegcontact door water op de weg). U kunt nog steeds betrokken raken bij een ongeluk. 70) Maak bij ijzel en/of sneeuwval gebruik van winterbanden of sneeuwkettingen en pas uw snelheid aan.
eenmaal per maand worden gecontroleerd bij koud weer en worden opgepompt tot de aanbevolen druk door de fabrikant van het voertuig zoals vermeld op het voertuigplakkaat of het bandendruklabel (als uw voertuig banden heeft met een ander formaat dan wordt aangegeven op het plakkaat of het label, dan moet u de juiste bandendruk voor deze banden achterhalen).
VEILIGHEID bandendruk wordt om de een of andere reden lager, zoals een bij een klapband tijdens het rijden; de snelheid van het voertuig is ongeveer 15 km/u (ook als het voertuig is gestopt) of de rijperiode is korter dan 5 minuten; het voertuig rijdt over een zeer zware weg of een gladde weg met ijsvorming; veel stuurmanoeuvres en snel gas geven/remmen wordt herhaald, zoals bij een agressieve rijstijl op een bochtige weg; de belasting van een voertuig rust op één band, zoals bij zware bagage aan een kant
10 minuten; de ID-signaalcode van de bandendruksensor wordt automatisch geregistreerd. BELANGRIJK Als het voertuig binnen 15 minuten nadat de banden zijn verwisseld, wordt bestuurd, dan knippert het waarschuwingslampje omdat de ID-signaalcode van de sensor nog niet is geregistreerd. Als dit gebeurt, parkeert u het voertuig ongeveer 15 minuten waarna de ID-signaalcode van de sensor wordt geregistreerd als u 10 minuten hebt gereden.
VEILIGHEID BELANGRIJK De systeeminitialisatie wordt niet uitgevoerd als de schakelaar wordt ingedrukt terwijl het voertuig in beweging is. 59 05120101-12A-321 BELANGRIJK Als de systeeminitialisatie wordt uitgevoerd zonder dat de bandendruk wordt aangepast, kan het systeem de normale bandendruk niet detecteren en gaat het TPMSwaarschuwingslampje mogelijk niet branden als de bandendruk laag is, of het lampje gaat branden terwijl de bandendruk goed is.
BELANGRIJK Vertrouw niet volledig op Hill Launch Assist. Hill Launch Assist is een aanvullende functie bij het optrekken op een helling. Het systeem werkt slechts ongeveer twee seconden. Het is dan ook gevaarlijk op het systeem te vertrouwen tijdens het optrekken aangezien het voertuig onverwacht kan bewegen (rollen) waardoor een ongeluk kan worden veroorzaakt. Het voertuig kan gaan rollen naar gelang de belasting van het voertuig of als er iets wordt gesleept.
VEILIGHEID VEILIGHEIDSGORDELS Personen met ernstige medische aandoeningen moeten ook veiligheidsgordels dragen. Raadpleeg uw arts voor speciale instructies betreffende medische aandoeningen. VOORZORGSMAATREGELEN VEILIGHEIDSGORDELS 79) 80) Veiligheidsgordels verminderen de kans op ernstig letsel tengevolge van ongelukken en noodstopmanoeuvres. FCA raadt aan dat de bestuurder en passagiers altijd hun veiligheidsgordels dragen. Alle stoelen beschikken over heup/schoudergordels.
verdraaiingen. Zorg ervoor dat de gordel ongedraaid terugloopt. 1 1 2 62 plaats de heupgordel zo laag mogelijk 1 fig. 63, niet op de maagstreek 2, en pas de schoudergordel 3 vervolgens aan zodat deze stevig tegen uw lichaam aanligt. 3 1 63 1 03020201-121-001 2 03020201-122-002 De veiligheidsgordel losmaken Druk knop 1 fig. 64 in op de sluiting van de veiligheidsgordel.
VEILIGHEID 84 BELANGRIJK 79) Draag altijd uw veiligheidsgordel en zorg ervoor dat alle inzittenden goed vastzitten. Het is zeer gevaarlijk om geen veiligheidsgordel te dragen. Tijdens een botsing kunnen inzittenden die geen veiligheidsgordel dragen iemand of iets raken in het voertuig of zelfs buiten het voertuig terecht komen. Ze kunnen ernstig letsel oplopen of zelfs overlijden. Bij een ongeluk zijn inzittenden die een veiligheidsgordel dragen veel veiliger. 80) Draag geen verdraaide veiligheidsgordels.
) De gebruiker mag geen wijzigingen of aanpassingen uitvoeren waardoor de afstelmechaniek van de veiligheidsgordel de gordel niet meer kan strak trekken, of waardoor een losse gordel niet kan worden aangepast.
VEILIGHEID Bovendien is het spansysteem voor de passagier, net als de front- en zijairbag, ontworpen om alleen te activeren als de classificatiesensor voor inzittenden een passagier op de passagiersstoel detecteert. Zie voor meer informatie "Classificatiesensor voor inzittenden". BELANGRIJK Het spansysteem werkt mogelijk niet; dit is afhankelijk van het type botsing. Raadpleeg voor meer informatie de paragraaf "Activeringscriteria SRS airbag".
VOORZORGSMAATREGELEN BIJ KINDERZITJES 92) 69) 94) 95) 96) 97) 98) 99) 100) 101) 102) FCA raadt ten zeerste aan de kinderzitjes te gebruiken voor kinderen die hierin passen. FCA beveelt het gebruik aan van een authentiek kinderzitje of een zitje dat in overeenstemming is met de UNECE 44 (*)-voorschriften. Neem contact op met een dealer van het Fiat Servicenetwerk als u een authentiek FCA-kinderzitje wilt aanschaffen.
VEILIGHEID 88 CATEGORIEËN KINDERZITJES OPMERKING Vraag de fabrikant van de kinderzitjes welk systeem geschikt is voor uw kind en auto. Kinderzitjes worden in de volgende 5 groepen geclassificeerd volgens de UNECE 44-voorschriften.
TYPE KINDERZITJES In dit instructiehandboek wordt uitleg gegeven over de installatie met veiligheidsgordels van de volgende drie typen kinderzitjes: babyzitjes, kinderzitjes en stoelverhogers. BELANGRIJK De installatiepositie wordt bepaald door het type kinderzitje. Lees de instructies van de fabrikant en dit instructiehandboek altijd zorgvuldig.
VEILIGHEID 90 kinderzitje voor verschillende stoelstanden" voor de installatiepositie van het kinderzitje. Installatierichting junior kinderzitje Een junior kinderzitje wordt altijd in de rijrichting geplaatst. Raadpleeg de tabel "Geschikt kinderzitje voor verschillende stoelstanden" voor de installatiepositie van het kinderzitje.
KINDERZITJE VOOR VERSCHILLENDE STOELSTANDEN De informatie in de tabel geeft de geschiktheid weer van uw kinderzitje voor verschillende stoelstanden. Raadpleeg voor de installatie van kinderzitjes van andere fabrikanten de instructies van de fabrikant dat bij het betreffende kinderzitje worden geleverd.
VEILIGHEID Stoelstanden Gewichtsgroep Formaatklasse Spanklem ISOFIX-posities in voertuig Passagiersstoel D ISO/R2 X C ISO/R3 X B ISO/F2 IUF B1 ISO/F2X IUF A ISO/F3 X GROEP 1 9 kg – 18 kg (1) IL (2) GROEP 2 15 kg – 25 kg (1) IL (3) GROEP 3 22 kg – 36 kg (1) IL (3) (1) Voor de CRS zonder ISO/XX-formaatklasse-identificatie (A tot G), voor de geldende gewichtsgroep, zal de autofabrikant de specifieke ISOFIX-kinderzitjes aangeven die worden aanbevolen voor elke stand.
i-Size kinderzitjes Een i-Size kinderzitje kan als volgt op de aangegeven stoelen worden geïnstalleerd. Passagiersstoel i-Size kinderzitjes X X = zitpositie niet geschikt voor i-Size “universele” kinderzitjes. BELANGRIJK Een i-Size kinderzitje verwijst naar een kinderzitje met een i-Size certificatie voor de UNECE 129-regelgeving.
VEILIGHEID Kinderzitjes die met de veiligheidsgordel worden bevestigd Passagiersstoel Systeemgroep Leeftijdsgroep Gewichtsgroep Type kinderzitje (Airbag ingeschakeld) (Airbag uitgeschakeld) GROEP 0 Tot ongeveer 9 maanden oud Minder dan 10 kg Babyzitje X U GROEP 0+ Tot ongeveer 2 jaar oud Minder dan 13 kg Babyzitje X U GROEP 1 Van ongeveer 8 maanden tot 4 jaar oud 9 kg - 18 kg Kinderzitje UF U GROEP 2 Van ongeveer 3 tot 7 jaar oud 15 kg - 25 kg Kinderzitje UF U GROEP 3 Van onge
KINDERZITJES INSTALLEREN 107) 108) Verankeringen Het voertuig is voorzien van verankeringen voor het bevestigen van kinderzitjes. Lokaliseer de positie van de verankering. Volg voor het installeren van een kinderzitje altijd de instructiehandleiding bij het kinderzitje. Locatie verankering Gebruik de aangegeven verankeringslocaties fig. 69 bij het installeren van een kinderzitje dat is uitgerust met een hoofdsteunriem. 69 vastgehouden, verplaatst de stoel zich plotseling hetgeen letsel kan veroorzaken.
VEILIGHEID vastgehouden, verplaatst de stoel zich plotseling hetgeen letsel kan veroorzaken. Ga als volgt te werk: open de kap; controleer of het contact is uitgeschakeld; schuif de passagiersstoel zo ver mogelijk naar achter.
93) Volg de instructies van de fabrikant en zorg ervoor dat de riemen in het zitje zijn bevestigd. Het is gevaarlijk als de riemen van het kinderzitje niet zijn bevestigd. Bij een noodstop of een botsing kan het zitje verplaatsen en ernstig letsel of het overlijden van kinderen of andere passagiers veroorzaken. Zorg ervoor dat het kinderzitje correct is bevestigd volgens de instructies van de fabrikant van het kinderzitje.
VEILIGHEID 98 100) Laat een kind niet uit of tegen de zijruit hangen van een voertuig met zijairbags. Het is voor iedereen gevaarlijk uit of tegen een zijruit te hangen. Dit is het gebied van de passagiersstoel van waaruit de zijairbags worden geactiveerd, zelfs als een kinderzitje wordt gebruikt. De impact van een geactiveerde zijairbag kan leiden tot ernstig letsel of overlijden van een kind dat niet in de juiste positie zit.
109) Volg de instructies van de fabrikant voor het gebruik van het kinderzitje. Een kinderzitje dat niet is vastgezet, levert gevaarlijke situaties op. Bij een noodstop of een botsing kan het zitje verplaatsen en ernstig letsel of het overlijden van kinderen of andere passagiers veroorzaken. Zorg ervoor dat het kinderzitje correct is bevestigd volgens de instructies van de fabrikant. 110) Zorg ervoor dat het kinderzitje goed vastzit.
VEILIGHEID ONDERDELEN AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM (SRS) 74 1 Opblaassystemen en airbags voor bestuurders en passagiers 2 Botsingsensoren en diagnostische module (SAS-unit) 3 Gordelspanners 4 Frontairbagsensoren 5 Botsingsensoren zijkant 6 Waarschuwingslampje airbag/gordelspansysteem 7 Opblaassystemen en airbags zijkant 8 Indicatielampje uitschakeling passagiersairbag 9 Passagiersdetectiesensor 10 Passagiersdetectiemodule 100 03040300-121-002
WERKING VAN DE SRS-AIRBAGS 115) 116) 117) 118) 119) 120) 121) 122) 123) 124) 125) 128) 129) 22) Uw voertuig is uitgerust met de volgende typen SRS-airbags. SRS-airbags zijn ontworpen om samen met de veiligheidsgordels letsel tijdens een ongeval te beperken. Ze bieden de inzittenden bescherming in aanvulling op de beveiligende functie van de veiligheidsgordels. Zorg er altijd voor dat u de veiligheidsgordels op de juiste manier draagt.
VEILIGHEID voertuig geraakt is wanneer de botsingsensoren van de airbag een zijbotsing waarnemen met een kracht die groter dan middelmatig is. hoofdstuk voor meer informatie over het opblazen van de airbag. De zijairbag van de passagier is bovendien zo ontworpen dat deze uitsluitend opblaast wanneer het passagiersdetectiesysteem waarneemt dat een passagier op de passagiersstoel zit. Waarschuwingslampje/-pieptoon Een systeemstoring of werkingsconditie wordt aangegeven met een waarschuwing.
ACTIVERINGSCRITERIA SRS AIRBAG Deze tabel geeft de SRS-apparatuur weer die afhankelijk van het type botsing zal worden geactiveerd (de illustraties zijn van de representatieve gevallen van botsingen).
VEILIGHEID 104 X: de SRS-airbag apparatuur is ontworpen om bij een botsing te worden geactiveerd. (*) Bij een zijbotsing worden de gordelspanners en zijairbags geactiveerd (uitsluitend aan de zijde waar de botsing zich heeft voorgedaan). (**) De front- en zijairbags en de gordelspanner van de passagier zijn ontworpen om geactiveerd te worden wanneer de passagiersdetectiesensor waarneemt dat een passagier op de passagiersstoel zit.
BEPERKINGEN VOOR SRS AIRBAG Bij ernstige botsingen zoals wordt beschreven in de paragraaf "Activeringscriteria SRS airbag", zal de van toepassing zijnde SRS-airbag worden opgeblazen. Bij bepaalde ongelukken kan het zijn dat de apparatuur niet wordt opgeblazen. Dit is afhankelijk van en het type en ernst van de botsing.
VEILIGHEID 82 03040600-124-002 PASSAGIERSDETECTIESYSTEEM 128) 129) Lees eerst de "Voorzorgsmaatregelen aanvullend veiligheidssysteem (SRS) Precautions" aandachtig door. 106 Passagiersdetectiesensor Uw voertuig is uitgerust met een passagiersdetectiesensor die onderdeel van het aanvullende veiligheidssysteem uitmaakt. Deze sensor is aangebracht in het kussen van de passagiersstoel. Deze sensor meet de elektrostatische capaciteit van de passagiersstoel.
84 06070400-121-001 22) 23) Opmerking Het systeem heeft ongeveer 10 seconden nodig om de front- en zijairbags van de passagier en het gordelspansysteem in of uit te schakelen. Het indicatielampje uitschakeling passagiersairbag kan herhaaldelijk gaan branden als bagage of andere voorwerpen op de passagiersstoel worden geplaatst of als de temperatuur in het voertuig plotseling wijzigt.
VEILIGHEID Tabel voorwaarde aan/uit indicatielampje uitschakeling passagiersairbag Het indicatielampje gaat branden bij inschakeling van het contact als de passagiersdetectiesensor normaal is. Het lampje gaat na enkele seconden uit.
BELANGRIJK 112) Het dragen van veiligheidsgordels is verplicht in voertuigen die zijn uitgerust met een airbag. Het is gevaarlijk om alleen op de bescherming van airbags te rekenen in het geval van een ongeluk. Op zichzelf staand kunnen airbags ernstig letsel niet voorkomen. Geschikte airbags worden alleen geactiveerd bij een eerste ongeluk, frontaal, bijna frontaal of bij matige botsingen aan de zijkant. Inzittenden moeten te allen tijde veiligheidsgordels dragen.
VEILIGHEID 110 118) Plaats geen voorwerpen op of rond het gebied waar de airbags van de bestuurder en de bijrijder worden opgeblazen. Het is zeer gevaarlijk om een voorwerp aan de airbagmodules van de bestuurder en bijrijder te bevestigen of om er iets voor te plaatsen. Bij een ongeluk kan een voorwerp het opblazen van de airbag verhinderen en de inzittende verwonden. 119) Plaats geen voorwerpen op of rond het gebied waar de zijairbags worden opgeblazen.
124) Voer geen wijzigingen uit aan het aanvullende veiligheidssysteem. Het wijzigen van de onderdelen of de bedrading van het aanvullende veiligheidssysteem is gevaarlijk. U kunt dit onbedoeld activeren of onwerkbaar maken. Voer geen wijzigingen uit aan het aanvullende veiligheidssysteem. Dit omvat het installeren van lijsten, insignes of andere zaken op de airbagmodules. Het omvat tevens het installeren van extra elektrische apparatuur op of bij systeemonderdelen of bedrading.
VEILIGHEID 129) Onder de volgende omstandigheden kan de classificatiesensor voor inzittenden de passagier op de passagiersstoel niet correct detecteren en kan het opblazen/niet-opblazen van de airbags niet worden gecontroleerd zoals wordt aangegeven op het voorwaarde diagram van het deactivatielampje UIT van de airbag van de passagier.
de verbetering van de kwaliteit. FCA zal de verworven gegevens niet aan derden bekend maken of overhandigen, tenzij: goedkeuring van de voertuigeigenaar (of goedkeuring van de voertuigverhuurder en -huurder) is verkregen; hier officieel door de politie of andere rechtshandhavingsinstanties om wordt gevraagd; voor de statistische verwerking door een onderzoeksinstituut na de gegevens zo te hebben verwerkt dat de voertuigeigenaar niet langer geïdentificeerd kan worden.
STARTEN EN RIJDEN 114 STARTEN EN RIJDEN Laten we eens kijken naar het "hart" van het voertuig: dan kunt u zien hoe u het potentieel ervan optimaal kunt benutten. We zullen u laten zien hoe u het voertuig in elke situatie veilig kunt besturen, zodat het een echt "maatje" voor u kan zijn, waarbij het comfort en de portefeuille niet vergeten worden. DE MOTOR STARTEN . . . . . . PARKEERREM. . . . . . . . . . . HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK . . . . . . . AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK . . . . . . .
DE MOTOR STARTEN PARKEERREM BELANGRIJK 130) 131) 132) 24) Alvorens de motor te starten, de stoel, achteruitkijkspiegels, buitenspiegels instellen en de veiligheidsriem correct vastmaken. Trap nooit het gaspedaal in om de motor te starten. Zie voor de startprocedure “De motor starten” in het hoofdstuk “Uw voertuig leren kennen”.
STARTEN EN RIJDEN 116 werking van de Brake Assist en duidt niet op een storing. OPMERKING Het remhulpsysteem kan de werking van het hoofdremsysteem van het voertuig niet vervangen. BELANGRIJK 85 05050102-12A-001 Brake Assist Het Brake Assist-systeem voorziet in ondersteuning van de remwerking in noodsituaties wanneer het rempedaal krachtiger moet worden ingetrapt, zodat betere remprestaties worden verkregen.
licht beet te pakken zonder dat u met uw elleboog op de centrale console steunt. Als het schakelen naar R moeilijk verloopt, schakel dan naar de vrijstand, laat het koppelingspedaal los en probeer het opnieuw. Met parkeersensorsysteem Het parkeersensorsysteem wordt geactiveerd en u hoort een pieptoon als de versnellingspook naar R wordt verplaatst terwijl het contact is ingeschakeld. BELANGRIJK Houd uw voet nooit op het koppelingspedaal, tenzij tijdens het schakelen.
STARTEN EN RIJDEN AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK schakelen kan schade aan uw versnellingsbak worden veroorzaakt. (indien aanwezig) BELANGRIJK Door naar een versnelling voor- of achteruit te schakelen terwijl de motor een toerental maakt dat hoger dan stationair is, kan schade aan de versnellingsbak worden veroorzaakt. DIVERSE LOCK-OUTS Druk het rempedaal in en houd de ontgrendelknop ingedrukt om van P naar R te kunnen schakelen (het contact moet zijn ingeschakeld).
selectiehendel vanuit N verplaatst, om te voorkomen dat het voertuig onverwachts kan gaan rollen. D (Rijden) D is de normale rijstand. De versnellingsbak zal vanuit stilstand automatisch langs 6 versnellingen schakelen. M (Handgeschakeld) M is de stand voor de handgeschakelde versnelling. Met de selectiehendel kan worden door- of teruggeschakeld. Raadpleeg “Handgeschakelde stand”.
STARTEN EN RIJDEN voertuig naar de handgeschakelde stand overschakelt. BELANGRIJK De versnelling kan naar M4/M5 schakelen als u in D vanuit de 5e en 6e versnelling naar de handgeschakelde stand overschakelt zonder dat u het gaspedaal indrukt. Handmatig door-/terugschakelen Druk de hendel een keer naar achteren + om door te schakelen. Druk de hendel een keer naar voren – om terug te schakelen.
140) Schakel niet vanuit N of P naar een versnelling als de motor een toerental maakt dat hoger dan stationair is. Het is gevaarlijk om vanuit N of P naar een versnelling te schakelen als de motor een hoger toerental dan stationair maakt. Gebeurt dit wel, dan kan het voertuig plotseling gaan rollen en een ongeval of ernstig letsel veroorzaken. 141) Schakel niet over naar N terwijl het voertuig rijdt. Overschakelen naar N terwijl het voertuig rijdt is gevaarlijk.
STARTEN EN RIJDEN de ON-schakelaar. Het (gele) waarschuwingslampje gaat branden. Het systeem uitschakelen Met snelheidsbegrenzer: druk op de OFF/CANCEL-schakelaar. Het (gele) waarschuwingslampje gaat uit. BELANGRIJK Het systeem schakelt over naar de instelbare snelheidsbegrenzer als tijdens de werking van het cruise-control-systeem op de MODE-schakelaar wordt gedrukt. Zonder snelheidsbegrenzer: druk op de OFF/CANCEL-schakelaar. Het (gele) waarschuwingslampje gaat uit.
Met het gaspedaal: druk het gaspedaal in om tot de gewenste snelheid te versnellen. Druk de "SET/-"-schakelaar in en laat hem onmiddellijk los. BELANGRIJK Geef gas als u bij ingeschakelde cruise-control tijdelijk wilt versnellen. Een hogere snelheid zal de ingestelde snelheid niet hinderen of wijzigen. Haal uw voet van het gaspedaal om naar de ingestelde snelheid terug te keren.
STARTEN EN RIJDEN 147) De cruise-control kan gevaarlijk zijn als het systeem geen constante snelheid kan handhaven. In bepaalde omstandigheden kan de snelheid overmatig zijn, hetgeen kan leiden tot verlies van controle over het voertuig en ongevallen. Gebruik het systeem niet in druk verkeer of op bochtig, met ijzel of sneeuw bedekt of glad wegdek. SNELHEIDSBEGRENZER (indien aanwezig) 148) 149) De snelheidsbegrenzer kan ingesteld worden op een snelheid tussen 30 km/h en 200 km/h.
(gele) indicatielampje instelbare snelheidsbegrenzer ingesteld gaat uit. Het systeem schakelt over naar de cruise-control als tijdens de werking van de instelbare snelheidsbegrenzer op de ON-schakelaar wordt gedrukt. EEN GEWENSTE SNELHEID INSTELLEN Ga als volgt te werk: druk op de ON-schakelaar om het systeem in te schakelen; druk op SET/- om de snelheid in te stellen. De snelheid wordt op de actuele voertuigsnelheid ingesteld als de actuele voertuigsnelheid 30 km/h of hoger is.
STARTEN EN RIJDEN PARKEERSENSORSYSTEEM (indien aanwezig) WERKING VAN HET SYSTEEM 150) 151) 26) 27) 28) Het parkeersensorsysteem maakt gebruik van 4 ultrasoonsensoren (2 sensoren achter en 2 hoeksensoren achter) fig. 92 die tijdens het parkeren van het voertuig in een garage of inparkeren met de versnellingspook (handgeschakelde versnellingsbak)/ selectiehendel (automatische versnellingsbak) in achteruit (R) obstakels rondom het voertuig waarnemen.
28) Voor een correcte werking van het systeem mogen de sensoren nooit bevuild zijn met modder, vuil, sneeuw of ijs. Zorg ervoor dat ze tijdens het reinigen niet gekrast of beschadigd worden. Vermijd het gebruik van droge, ruwe of harde doeken. De sensoren moeten met schoon water worden gewassen, waaraan eventueel autoshampoo is toegevoegd.
STARTEN EN RIJDEN TANKEN 152) 153) 154) 155) 156) 157) Zet altijd de motor af alvorens te tanken. BRANDSTOFVEREISTEN Gebruik uitsluitend eersteklas loodvrije benzine (overeenkomstig EN 228 met specificatie binnen E10) met een octaangetal van minstens 95. BELANGRIJK GEBRUIK UITSLUITEND LOODVRIJE BENZINE. Gelode benzine is schadelijk voor de katalysator en de zuurstofsensoren en kan de werking van het uitlaatgascontrolesysteem aantasten en/of storingen veroorzaken.
de noodhendel 3 fig. 96. BELANGRIJK 95 08100100-121-002 96 08100100-122-001 152) Draai voor de verwijdering de brandstofvuldop een beetje los en wacht tot het sissende geluid ophoudt. Verwijder vervolgens de brandstofvuldop: brandstofnevel is gevaarlijk. Brandstof kan de huid en de ogen verbranden en bij inslikken ziekte veroorzaken. Brandstofnevel komt vrij wanneer de brandstofvuldop te snel wordt verwijderd als de brandstoftank onder druk staat. 153) Leg de motor stil voor het tanken.
STARTEN EN RIJDEN CAMERA ACHTER (PARKVIEW ACHTERUITRIJCAMERA) (uitsluitend versies met het Radio 7”-systeem) WERKING 158) 29) De camera bevindt zich op de achterklep fig. 97. 97 07040110-124-008 Overschakeling naar weergave achteruitkijkmonitor Plaats de selectiehendel of de versnellingspook naar achteruit (R) met het contact op ON om naar de weergave van de achteruitkijkmonitor over te schakelen.
BELANGRIJK Neem voor het vervangen van de banden contact op met het Fiat Servicenetwerk. Door de vervanging van de banden kunnen de lijnen die op het display worden weergegeven afwijken. BELANGRIJK Na een frontale botsing, zijbotsing of botsing achterop kan de uitlijning (de locatie of de installatiehoek) van de parkeercamera achter zijn gewijzigd. Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk.
STARTEN EN RIJDEN langzaam achteruit de parkeerplaats op B fig. 100. Blijf de omgeving van het voertuig controleren en stop het voertuig in de beste positie (controleer of de voertuigbreedtelijnen parallel aan de scheidingslijnen van de parkeerplek zijn als de parkeerplek van dergelijke lijnen is voorzien); het scherm keert naar de vorige weergave terug als de selectiehendel of de versnellingspook vanuit achteruit (R) in een andere stand wordt geplaatst.
goed op de omgeving van het voertuig wanneer u de beeldkwaliteit aanpast: selecteer het pictogram fig. 101 op het scherm om de tabs weer te geven; selecteer de gewenste tab; stel de helderheid, het contrast, de tint en de kleur af met behulp van de schuifknop. Druk op de resetknop wanneer een reset nodig is; selecteer het pictogram op het scherm om de tab af te sluiten. 101 07080914-111-111 BELANGRIJK Pas de beeldkwaliteit van de achteruitkijkmonitor altijd bij stilstaand voertuig aan.
STARTEN EN RIJDEN 134 EEN AANHANGER TREKKEN Uw auto is niet ontworpen voor trekken.
IN GEVAL VAN NOOD Een lekke band of een doorgebrand lampje? Soms kan een probleem uw reis in gevaar brengen. De pagina's over noodsituaties kunnen u helpen om op zelfstandige en kalme wijze kritieke situaties op te lossen. ALARMKNIPPERLICHTEN . . . EEN LAMP VERVANGEN . . . . ZEKERINGEN VERVANGEN . . BANDENREPARATIEKIT. . . . . STARTEN MET HULPACCU . . SLEPEN VAN HET VOERTUIG . SLEPEN BIJ PECH . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .136 .136 .146 .153 .159 .161 .
IN GEVAL VAN NOOD ALARMKNIPPERLICHTEN dergelijke situatie zich voordoet, zullen CONTROLE Druk op de knop fig. 102 om het licht in/uit te schakelen. 102 05031100-L12A Druk de knop van de alarmknipperlichten in en alle richtingaanwijzers zullen gaan knipperen. Het alarmknipperlichten indicatielampje en zullen tegelijkertijd op het instrumentencluster gaan knipperen.
BELANGRIJK Verzeker u ervan dat de platte schroevendraaier de inwendige aansluitklem niet raakt wanneer u de lens of lamp met een platte schroevendraaier verwijdert. Er kan kortsluiting ontstaan als de platte schroevendraaier de aansluitklem raakt. BELANGRIJK Bij koude of vochtige weersomstandigheden of na hevige regen of een wasbeurt, kan de binnenzijde van de koplampen of achterlichten enigszins beslagen zijn en/of kunnen er condensdruppels aanwezig zijn.
IN GEVAL VAN NOOD Buitenverlichting Lampen Type Vermogen (versies met volledige led-koplampen) Led (*) — (versies met halogeenlamp koplampen) W5W 5W (versies met volledige led-koplampen) Led (*) — (versies met halogeenlamp koplampen) H15 55/15 W (versies met volledige led-koplampen) Led (*) — (versies met volledige led-koplampen) Led (*) — (versies met halogeenlamp koplampen) H11 55 W WY21W 21 W WY5W(**) 5W H11 55 W Positielichten achter Led (*) — Remlichten Led (*) — Le
Lampen Kentekenverlichting Type Vermogen W5W 5W 139
IN GEVAL VAN NOOD 140 Interieurverlichting Categorie Lamp Wattage UNECE (*) Interieurverlichting 10 — Achterkleplicht 5 — (*) UNECE staat voor Europese economische commissie van de Verenigde Naties.
BUITENLAMPEN VERVANGEN Koplampen (dimlicht) (versies met halogeenlamp) Ga als volgt te werk: start de motor, draai het stuurwiel helemaal naar rechts en zet de motor weer uit om de lamp rechts te vervangen. Draai het stuurwiel helemaal naar links om de lamp links te vervangen; controleer of de lichtschakelaar is uitgeschakeld; verwijder de bevestigingspunten 1 fig. 103 in de zeven locaties en trek het spatbord 2 gedeeltelijk weg; Draai de afdekking linksom en verwijder deze (Europees grootlicht) (fig.
IN GEVAL VAN NOOD spatbord weg; 106 installeer de nieuwe lamp door de beschreven procedure in omgekeerde volgorde uit te voeren. 07031501-206-002 haal de connector van de unit los door de tab op de connectorfig. 107 met uw vinger in te drukken en aan de connector te trekken; 105 08020499-000-010 Richtingaanwijzers voor Ga als volgt te werk: start de motor, draai het stuurwiel helemaal naar rechts en zet de motor weer uit om de lamp rechts te vervangen.
verwijder unit 2 fig. 110 door met uw vinger op de tab op de unit te drukken en door de unit naar voren te trekken om deze in de interne pal 3 te drukken fig. 111, trek dan de unit naar buiten; til de inrichting 4 op en verwijder de lichtunit; installeer de nieuwe lichtunit van de richtingaanwijzer aan de zijkant door de beschreven procedure in omgekeerde volgorde uit te voeren. 108 07031501-208-002 Remlichten / Achterlichten Ga naar een Fiat Servicenetwerk als de lamp moet worden vervangen.
IN GEVAL VAN NOOD verwijder de twee moeren 5 fig. 116 en een schroef 4; verwijder de unit achteruit fig. 117 6 door hem naar achteren te trekken; draai de fitting en de lamp samen 7 fig. 118 linksom en verwijder ze. 112 08070604-123-100 113 115 07031501-213-002 116 07031501-215-001 07031501-212-002 Richtingaanwijzers achter Ga als volgt te werk: verwijder de houders 1 fig. 113 en het eindafwerkingselement van de achterklep; verwijder de houders 2 fig.
linksom en verwijder ze: 1 fig. 119 = achteruitrijlicht / 2 = mistachterlicht; haal de lamp uit de fitting; installeer de nieuwe lamp door de beschreven procedure in omgekeerde volgorde uit te voeren.
IN GEVAL VAN NOOD 162) In halogeenlampen bevindt zich gas onder druk. Als ze breken, kunnen er glassplinters wegschieten. 163) Vervang lampen alleen wanneer de motor uit is. Controleer ook of de motor koud is, om het risico op brandwonden te voorkomen. ZEKERINGEN VERVANGEN ALGEMENE INFORMATIE 164) 165) 166) 167) 168) 32) 33) BELANGRIJK 30) Laat de lampen bij voorkeur vervangen door het Fiat Servicenetwerk.
controleer of de zekering goed is vastgezet. Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk als de zekering niet goed past. Als u geen reservezekeringen ter beschikking heeft, kunt u een zekering met dezelfde stroomsterkte gebruiken van een circuit dat niet voor de werking van het voertuig noodzakelijk is, zoals het AUDIO- of het STOPCONTACT-circuit; breng het deksel weer aan en verzeker u ervan dat het goed is vastgezet.
IN GEVAL VAN NOOD ZEKERINGENBLOK (MOTORRUIMTE) 124 148 07031602-121-001
BESCHRIJVING F03 HORN2 STROOMSTERKTE ZEKERING BESCHERMD COMPONENT 7,5 A Claxon F06 — — — F07 INTERIEUR 15 A Interieurverlichting F09 AUDIO2 15 A Audiosysteem F10 METER1 10 A Instrumentencluster F11 SRS1 7,5 A Air bag F12 — — — F13 RADIO 7,5 A Audiosysteem F17 AUDIO1 25 A Audiosysteem F18 A/C MAG 7,5 A Klimaatregeling F20 AT 15 A Versnellingsbakcontrolesysteem (indien aanwezig) F21 D SLOT 25 A Voeding portiersloten F22 H/L R 20 A Koplamp (R) F24 ACHTER
IN GEVAL VAN NOOD 150 BESCHRIJVING STROOMSTERKTE ZEKERING BESCHERMD COMPONENT F36 RUITENWISSER 20 A Ruitenwissers F37 CABINE + B 50 A Ter bescherming van diverse circuits F38 — — — F39 — — — F42 EVPS 30 A — F43 FAN1 30 A Koelventilator F44 FAN2 40 A Koelventilator F47 VERW 30 A Achterruitverwarming F48 IG2 30 A Ter bescherming van diverse circuits F50 VERWARMING 40 A Klimaatregeling F51 — — — F52 — — —
ZEKERINGEN AAN DE LINKERZIJDE VAN HET VOERTUIG 125 07031602-03F-002 151
IN GEVAL VAN NOOD 152 BESCHRIJVING STROOMSTERKTE ZEKERING BESCHERMD COMPONENT F01 RHT R 30 A — F02 RHT L 30 A — F03 — — — F04 — — — F05 Z.STOPCONTACT 15 A Aanvullende stopcontacten F06 — — — F07 AT IND 7,5 A AV-versnellingsindicator (indien aanwezig) F08 SPIEGEL 7,5 A Vermogen spiegelbediening F09 R_DECK R 30 A — F10 R_DECK L 30 A — F11 F.SPROEI 15 A Ruitensproeier F12 P.
BELANGRIJK 164) Als de zekering opnieuw doorbrandt, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk. 165) Vervang een zekering nooit door een exemplaar met een grotere stroomsterkte (ampère); BRANDGEVAAR. 166) Als een hoofdzekering voor veiligheidsinrichtingen (airbagsysteem, remsysteem), motorsystemen (motor, versnellingsbak) of stuurinrichting doorbrandt, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk. 167) Probeer de hoofdzekering en de trage multiplex-zekering niet zelf te vervangen.
IN GEVAL VAN NOOD BANDENREPARATIEKIT OPBERGRUIMTE De bandenreparatiekit bevindt in de achterbak fig. 127. 127 08020202-121-003 BELANGRIJK Uw voertuig heeft geen reserveband. Repareer de band tijdelijk met de bandenreparatiekit in het geval van een lekke band. Raadpleeg tijdens de reparatie de aanwijzingen van de bandenreparatiekit. Neem contact met het Fiat Servicenetwerk en repareer of vervang de band zo snel mogelijk als een lekke band in geval van nood met een bandenreparatiekit is gerepareerd.
BELANGRIJK Berg het bandventiel op een plaats op waar het niet bevuild kan raken. breng de opblaasslang fig. 131 aan op het ventiel; houd het busje met de bodem naar boven gekeerd vast fig. 132, knijp met beide handen in het flesje en spuit de volledige hoeveelheid afdichtmiddel in de band; haal de opblaasslang uit het ventiel fig. 133; breng het bandventiel weer op het ventiel aan en zet het vast door het rechtsom te draaien; BELANGRIJK Het afdichtmiddel hardt snel uit.
IN GEVAL VAN NOOD 156 130 08020202-03A-005 haal de slang en de dop van de luchtcompressor uit de luchtcompressor fig. 135; installeer de slang van de luchtcompressor op het ventiel van de band fig. 136; steek de stekker van de luchtcompressor fig.
135 08020202-36A-004 OPMERKING De band kan niet gerepareerd worden als de bandenspanning niet stijgt. De band kan te veel beschadigd zijn als de gespecificeerde bandenspanning niet binnen 10 minuten wordt bereikt. In dit geval heeft het gebruik van de bandenreparatiekit niet het gewenste resultaat behaald. Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk.
IN GEVAL VAN NOOD 158 OPMERKING FCA raadt aan om de band zo spoedig mogelijk door een nieuwe band te laten vervangen als een band in geval van nood met de bandenreparatiekit is gerepareerd. Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk als de band gerepareerd of opnieuw gebruikt moet worden. Het wiel kan weer gebruikt worden als het aanhechtende afdichtmiddel is verwijderd. Vervang het ventiel echter door een nieuw exemplaar.
STARTEN MET HULPACCU BELANGRIJK Probeer niet te starten met hulpaccu als de accu nat is. De accu kan kapot gaan en ontploffen! VOORBEREIDINGEN VOOR STARTEN MET HULPACCU PROCEDURE STARTEN MET EEN HULPACCU 176) 177) 178) 179) 180) 181) 182) 183) 184) 185) 34) Starten met een hulpaccu is gevaarlijk als dit niet correct wordt verricht. Volg daarom zorgvuldig de procedure fig. 138.
IN GEVAL VAN NOOD 160 installeer het accudeksel als het verwijderd is door de demontageprocedure in omgekeerde volgorde uit te voeren. BELANGRIJK Verifieer of de deksels stevig zijn vastgezet.
184) Start een voertuig nooit door het te slepen. Een voertuig slepen om het te starten is gevaarlijk. Het gesleepte voertuig kan naar voren springen wanneer de motor start, waardoor de twee voertuigen tegen elkaar botsen. De inzittenden kunnen gewond raken. 185) Sluit de minkabel aan op een goed massapunt (zie de afbeelding) op afstand van de accu. Het uiteinde van de tweede accukabel op de negatieve (–) pool van de ontladen accu aansluiten is gevaarlijk.
IN GEVAL VAN NOOD en de trekhaak of sleepkabel aan een zware schok worden blootgesteld; bevestig de sleepkabel uitsluitend aan het sleepoog en de trekhaak. BELANGRIJK Gebruik het sleepoog in geval van nood (bijvoorbeeld om het voertuig uit een geul of een hoop sneeuw te verwijderen). 142 08060201-121-001 BELANGRIJK Houd de kabel of ketting altijd in een rechte lijn ten opzichte van het sleepoog wanneer u de sleepogen gebruikt. Pas geen zijwaartse kracht toe.
SLEPEN BIJ PECH BESCHRIJVING VAN HET SLEPEN Om schade aan het voertuig te voorkomen is correct ophijsen en slepen vereist. Houd u aan de nationale en plaatselijke wetten. De aandrijfwielen (achterwielen) van een gesleept voertuig moeten doorgaans van de grond zijn verheven. Gebruik wieldolly's als overmatige schade of andere omstandigheden dit niet mogelijk maken. Ontgrendel de parkeerrem wanneer u het voertuig met de achterwielen op de grond sleept. slechts een korte afstand over verharde wegen.
ONDERHOUD EN ZORG 164 ONDERHOUD EN ZORG Dankzij correct onderhoud kunnen de prestaties van het voertuig, evenals beperkte bedrijfskosten en het behoud van de efficiëntie van de veiligheidssystemen gedurende langere tijd gegarandeerd worden. INLEIDING . . . . . . . MOTORRUIMTE . . . . ACCU OPLADEN . . . WIELEN EN BANDEN CARROSSERIE . . . . INTERIEUR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .165 .171 .176 .177 .179 .
INLEIDING Deze handleiding bevat aanwijzingen voor inspectie en onderhoud die strikt moeten worden gevolgd om letsel van uzelf en anderen of schade aan uw voertuig te voorkomen. We raden u ten zeerste aan om bij twijfel over een te volgen procedure het werk te laten uitvoeren door een betrouwbare, gekwalificeerde garage, bijvoorkeur het Fiat Servicenetwerk. Uw voertuig is het beste gediend met door de fabriek opgeleide FCA-monteurs en originele FCA-onderdelen.
ONDERHOUD EN ZORG Zorg daarom voor een correcte verwijdering van uw afval, met inachtneming van het milieu. We bevelen u aan het verversen van oliën en vloeistoffen voor uw voertuig te laten uitvoeren door het Fiat Servicenetwerk. PERIODIEKE CONTROLES Elke 1.000 km of vóór een lange reis controleren en eventueel bijvullen: niveau motorkoelvloeistof; remvloeistofpeil; ruitensproeiervloeistofpeil; conditie en spanning banden; werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, alarmknipperlichten, etc.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA De controles vermeld in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema moeten, na het bereiken van 120.000 km/8 jaar, cyclisch herhaald worden te beginnen vanaf het eerste interval, daarna dezelfde intervallen aanhouden als daarvoor. km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Banden op conditie/slijtage controleren en eventueel op spanning brengen.
ONDERHOUD EN ZORG km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Visueel de toestand controleren van: buitenzijde van carrosserie, bodemplaatbescherming, slangen en leidingen (uitlaat, brandstof- en remsysteem), rubber elementen (hoezen, slangen, bussen enz.
km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Inspecteer visueel de conditie van het systeem voor regeling van de brandstofverdamping ● ● Controleer visueel de conditie en spanning van de extra aandrijfriem(en) ● Conditie getande distributieriem visueel controleren ● Olie versnellingsbak verversen Motorolie verversen en oliefilter vervangen Bougies vervangen (2) ● ● ● ● ● ● ● ● ● Aandrijfriem(en) hulporganen vervangen (3) Getande distributieriem
ONDERHOUD EN ZORG km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 (5) Remvloeistof verversen Cabineluchtfilter vervangen (4) (o) (●) ● ● ● ● ● (5) De remvloeistof moet iedere twee jaar worden vervangen, ongeacht de kilometerstand. (4) Als het voertuig gebruikt wordt in stoffige omgevingen, moet dit filter om de 15,000 km vervangen worden.
MOTORRUIMTE NIVEAUS CONTROLEREN 189) 190) 39) 144 07030300-121-003-high.jpg 1. Koplamp- en ruitensproeiervloeistof 2. Motoroliepeilstok 3. Motoroliedop 4. Motorkoelvloeistof 5. Rem-/ koppelingvloeistof 6.
ONDERHOUD EN ZORG 172 MOTOROLIE belasting van de motor. Onder extreme rijomstandigheden kan het olieverbruik hoger zijn. 191) 40) Motorolie verversen OPMERKING Laat de motorolie door het Fiat Servicenetwerk verversen.
Draai de dop van het koelvloeistofreservoir stevig vast nadat de koelvloeistof te hebben bijgevuld. Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk als het koelmiddelreservoir leeg is of regelmatig koelvloeistof moet worden bijgevuld. REGELEENHEID AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK REM- / KOPPELINGVLOEISTOF ACCU-ONDERHOUD 197) 5) Het oliepeil van de versnellingsbak mag uitsluitend gecontroleerd worden bij een werkplaats van het Fiat Servicenetwerk.
ONDERHOUD EN ZORG een keer per week. Als het peil laag is, draai de doppen los en laat het peil tot tussen het bovenste en onderste peilfig. 149 stijgen (1 = bovenste peil / 2 = onderste peil) door voldoende gedestilleerd water toe te voegen. Vul de accu niet te veel. 149 07031202-ALL-001 Beoordeel het soortgelijke gewicht van de elektrolyt met een hydrometer. Doe dit met name bij koud weer. Laad de accu op als het soortgelijke gewicht laag is.
201) Bij werkzaamheden aan de accu of in de buurt van de accu, moeten de ogen altijd met een speciale bril beschermd worden. 202) Laat de remmen inspecteren als het koppeling-/remvloeistofpeil laag is. Een laag koppeling-/remvloeistofpeil is gevaarlijk. Een laag koppeling-/ remvloeistofpeil kan duiden op slijtage van de remvoering of een lek in het remsysteem waardoor de remmen kunnen haperen en een ongeval kan worden veroorzaakt. 203) Vul het reservoir uitsluitend met ruitensproeiervloeistof of kraanwater.
ONDERHOUD EN ZORG ACCU OPLADEN 204) 205) PROCEDURE VOOR HET OPLADEN VAN DE ACCU Ga als volgt te werk om de accu op te laden: verwijder de doppen voordat u de accu oplaadt; sluit de kabels van de acculader aan op de accupolen; let daarbij op de polariteit; schakel de acculader in; schakel na het opladen eerst de acculader uit alvorens de accu los te koppelen; sluit de minklem weer aan op de accu. BELANGRIJK Schakel alle accessoires uit en stop de motor, alvorens de accu op te laden.
WIELEN EN BANDEN niet-originele afmetingen kan het voertuig beschadigen. BELANGRIJK Het gebruik van verschillende banden maten of -typen (M+S, winter, enz.) op de voor- en achterassen kan de bestuurbaarheid van de auto benadelen, met het risico van controleverlies over het voertuig en bijgevolg ongevallen. VEILIGHEIDSINFORMATIE 206) 207) 208) 49) 50) Controleer voor een lange reis en ongeveer elke twee weken de spanning van de banden en van het reservewiel, indien aanwezig.
ONDERHOUD EN ZORG BELANGRIJK Aangezien uw voertuig geen reservewiel heeft, kunt u de wielen niet veilig verwisselen met de krik die samen met uw voertuig geleverd wordt. Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk voor de verwisseling van de banden. Nadat de banden op spanning zijn gebracht, moet het bandenspanningbewakingssysteem geïnitialiseerd worden, zodat het normaal kan werken. Raadpleeg de paragraaf "Initialisatie bandenspanningbewakingssysteem" in het hoofdstuk "Veiligheid".
CARROSSERIE DE LAK BESCHERMEN 52) 53) 7) Werk beschadigingen van de laklaag, zoals krassen en schuurplekken, onmiddellijk bij om roestvorming te voorkomen. Volg onderstaande aanwijzingen om het voertuig correct te wassen: verwijder de antenne wanneer het voertuig gewassen wordt; als voor het wassen van het voertuig hogedrukreinigers worden gebruikt, houd dan een afstand van minimaal 40 cm t.o.v. de carrosserie aan om beschadiging of aantasting te voorkomen.
ONDERHOUD EN ZORG gedraaid, aangezien de vingers beklemd kunnen raken of de ruitenwissers en wisserbladen beschadigd kunnen raken als de ruitenwissers automatisch geactiveerd worden. Verzeker u ervan dat de ruitenwissers volledig zijn uitgeschakeld (als de motor zal blijven lopen) wanneer u de voorruit gaat wassen. Dit is met name belangrijk wanneer ijs en sneeuw moeten worden verwijderd. BELANGRIJK Sproei geen water in de motorruimte.
INTERIEUR ONDERHOUD PLASTIC ONDERDELEN 54) STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING Onderhoud van de veiligheidsgordel 213) 214) Maak de bevuilde stof schoon door het af te deppen met een zachte doek bevochtigd met een oplossing van water en een neutraal reinigingsmiddel (ongeveer 5%). Verwijder het reinigingsmiddel met een goed uitgewrongen doek bevochtigd met schoon water.
TECHNISCHE GEGEVENS 182 TECHNISCHE GEGEVENS Alles dat u nuttig kunt vinden om te begrijpen hoe uw voertuig is gemaakt en hoe het werkt is in dit hoofdstuk vermeld en wordt toegelicht met gegevens, tabellen en grafieken. Voor de liefhebbers en de monteurs, maar ook gewoon voor degenen die elk detail van hun voertuig willen kennen. IDENTIFICATIEGEGEVENS . . . . . .183 MOTOR . . . . . . . . . . . . . . . . . .184 BAND- EN WIELSPECIFICATIES . .185 GEWICHTEN . . . . . . . . . . . . . . .187 AFMETINGEN . . . .
IDENTIFICATIEGEGEVENS TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIEGEGEVENS Het typeplaatje met identificatiegegevens is aan de linkerzijde van de portierstijl aangebracht fig. 151. 152 10010109-333-333 Voertuigidentificatienummer fig. 153. 151 154 10010109-321-321 MOTORNUMMER Het motornummerlabel is op de motor aangebracht. 10010103-121-001 CHASSISNUMMER / VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER (Ierland / U.K.) Chassisnummer: open het deksel getoond op fig. 152 om het chassisnummer te controleren.
TECHNISCHE GEGEVENS MOTOR 218) Versie 1.4 Turbo Multi Air 140HP Cyclus Otto Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn Boring en slag zuigers (mm) 72,0 x 84,0 Cilinderinhoud (cm³) 1368 Compressieverhouding 9,8:1 Maximum vermogen (EEG) (kW) 103 Maximum vermogen (EEG) (pk) 140 overeenkomstig motortoerental (tpm) 5000 Maximumkoppel (EEG) (Nm) 240 Maximum koppel (EEG) (kgm) 24,5 overeenkomstig motortoerental (tpm) 2250 Bougies Brandstof NGK SIKR9A7 Loodvrije benzine 95 R.O.N.
BAND- EN WIELSPECIFICATIES VELGEN EN BANDEN 219) 55) OPMERKING De banden passen uitstekend bij het chassis van uw voertuig. FCA beveelt u aan om de banden te vervangen door banden van het originele type dat op uw voertuig gemonteerd was wanneer u de banden vervangt. Neem voor meer informatie contact op met het Fiat Servicenetwerk. Controleer de bandenmaat en de bandenspanning op het bandenspanninglabel (zie de paragraaf "Bandenspanning" in het hoofdstuk "Onderhoud en zorg").
TECHNISCHE GEGEVENS 186 BELANGRIJK 219) Als winterbanden met een lagere snelheidscategorie dan die op het kentekenbewijs is aangegeven worden gebruikt, overschrijd dan niet de maximumsnelheid die overeenkomt met de snelheidscategorie van de gebruikte banden. BELANGRIJK 55) Beperk uw snelheid wanneer er sneeuwkettingen gemonteerd zijn; overschrijd de 50 km/u niet. Vermijd kuilen, trottoirbanden en stoepen en rijd geen lange stukken op sneeuwvrije wegen om het voertuig en het wegdek niet te beschadigen.
GEWICHTEN Leeggewicht: 1050 kg 187
TECHNISCHE GEGEVENS AFMETINGEN De afmetingen zijn uitgedrukt in mm en hebben betrekking op een voertuig met standaard bijgeleverde banden. De hoogte heeft betrekking op een onbeladen auto. INHOUD BAGAGERUIMTE: 140 liter 155 10000555-122-333 A B C D E F 4.055 (*) / 4.075 (**) 2.310 1.230 1.495 1.740 1.505 (*) Zonder kentekenplaathouder. (**) Met kentekenplaathouder.
VLOEISTOFINHOUD Item Vulinhouden Tankinhoud (liter) 45 Motorolie (zonder vervanging van het oliefilter) (liter) 3,2 Motorolie (met vervanging van het oliefilter) (liter) 3,8 Koelvloeistof (versie met handgeschakelde versnellingsbak) (liter) 7,2 (*) / 6,7 (**) Koelvloeistof (versie met automatische versnellingsbak) (liter) 7,1 (*) / 6,5 (**) Olie voor handgeschakelde versnellingsbak (liter) 2,1 Vloeistof voor automatische versnellingsbak (liter) 7,5 Olie voor achterdifferentieel (liter) 0,6
TECHNISCHE GEGEVENS VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN 56) Het voertuig is voorzien van een motorolie die grondig ontwikkeld en getest is om aan de vereisten van het Geprogrammeerd Onderhoudsschema te kunnen voldoen. Constant gebruik van de voorgeschreven smeermiddelen garandeert de specificaties van brandstofverbruik en emissies. De kwaliteit van het smeermiddel is cruciaal voor de werking en de levensduur van de motor.
Smeermiddel Smeermiddelen en vetten voor krachtoverbrengingen Remvloeistof en koppelingvloeistof Vloeistof voor ruitensproeiers Specificatie Originele vloeistoffen en smeermiddelen Verversingsinterval SAE 75W-90 grade. API GL4-specificatie 9.55550-MZ11 TUTELA TRANSMISSION GEAR SYNTH LL Contractual Technical Reference N° F004.C16 Olie voor handgeschakelde versnellingsbak JWS 3309, type T-IV. 9.55550-AV1 TUTELA TRANSMISSION GI/V Contractual Technical Reference N° F333.
TECHNISCHE GEGEVENS 192 BELANGRIJK 56) Het gebruik van producten met andere dan de hierboven aangegeven specificaties kan leiden tot beschadigingen aan de motor die niet door de garantie worden gedekt.
PRESTATIES Maximumsnelheid na de inrijperiode van het voertuig. Versie 1.
TECHNISCHE GEGEVENS 194 BRANDSTOFVERBRUIK Het brandstofverbruik dat in onderstaande tabel vermeld is, is bepaald op basis van de typegoedkeuringstests in overeenstemming met specifieke Europese Richtlijnen.
CO 2-EMISSIE De CO 2-emissieniveaus in de volgende tabel hebben betrekking op het gecombineerde verbruik. Versie 1.
TECHNISCHE GEGEVENS 196 RICHTLIJNEN VOOR DE BEHANDELING VAN HET VOERTUIG AAN HET EINDE VAN DE LEVENSDUUR (indien aanwezig) Al jaren zet FCA zich volledig in voor de bescherming van het milieu via de continue verbetering van de productieprocessen en de realisatie van producten die steeds "eco-compatibeler" zijn.
MULTIMEDIA In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste functies beschreven van de Radio 3”and Radio 7”-systemen die op het voertuig gemonteerd kunnen zijn. TIPS, BEDIENING EN ALGEMENE INFORMATIE . . . . . . . . . . . . . . .198 RADIO 3” . . . . . . . . . . . . . . . . .199 RADIO 7” . . . . . . . . . . . . . . . . .
MULTIMEDIA TIPS, BEDIENING EN ALGEMENE INFORMATIE VERKEERSVEILIGHEID 220) 221) Zorg ervoor dat u weet hoe de verschillende systeemfuncties gebruikt moeten worden voordat u gaat rijden. Lees de gebruiksaanwijzingen van het systeem zorgvuldig door voordat u gaat rijden. ONTVANGSTOMSTANDIGHEDEN Tijdens het rijden veranderen de ontvangstomstandigheden voortdurend. De ontvangst kan gestoord worden door de aanwezigheid van bergen, gebouwen of bruggen, vooral wanneer u ver verwijderd bent van de zender.
RADIO 3” VOORPANEEL 156 06020300-121-001 199
MULTIMEDIA BEDIENINGSTOETSEN OP STUURWIEL De bedieningen van het belangrijkste systeemfuncties zijn op het stuurwiel aangebracht fig. 157 (versies zonder Bluetooth®-handsfree) en fig. 158 (versies met Bluetooth®handsfree) om de bediening te vereenvoudigen. 157 158 200 0620500-122-001 0620500-121-001 VOLUMEKNOPPEN Druk de volumeknop + omhoog om het volume te verhogen. Druk de volumeknop – omlaag om het volume te verlagen. ZOEKEN-KNOP MW/LW/FM-radio / .
Volumeregeling Draai aan de aan-uit/volumeknop. Verhoog het volume door de aan-uit/volumeknop rechtsom te draaien; verlaag het volume door de knop linksom te draaien. Audio afstellen Selecteer de functie door op de MENU-knop te drukken. De geselecteerde functie wordt weergegeven.
MULTIMEDIA verkrijgbare stereo minikabel zonder impedantie (3,5 Ø) nodig. Bovendien kan het audiosysteem van het voertuig audio weergeven door een USB-apparaat of een iPod op de USB-poort aan te sluiten. De AUX-modus gebruiken Schakel het contact op ACC of ON, schakel het audiosysteem in door op de aan-uit/volumeknop te drukken. Schakel over naar de AUX-modus door op de MEDIA-knop van het audiosysteem te drukken. De USB-modus gebruiken Dit systeem ondersteunt geen USB 3.0-apparaat.
1 of 2 minuten verstreken zijn, verzeker u ervan dat de Bluetooth®-instelling op het apparaat in orde is en probeer het Bluetooth®-apparaat weer vanaf het voertuig aan te sluiten. Koppelcode instellen De 4-cijferige koppelcode voor de registratie van uw mobiele telefoon (koppelen) kan vooraf worden ingesteld. De originele instelling is "0000".
MULTIMEDIA 204 Prompt: "Please say the name of the device after the beep [zeg a.u.b. de naam van het apparaat na de pieptoon]." Zeg: [Pieptoon] "XXXX - - -” (zeg een "apparaatnaam", d.w.z. een arbitraire naam van het apparaat). Bijvoorbeeld: "Apparaat van Stan." Prompt: "XXXXXX - - - (Bijv. "Stan's device [apparaat van Stan]") (apparaatnaam).
RADIO 7” BEDIENINGSTOETSEN OP STUURWIEL De bedieningstoetsen voor de belangrijkste functies van het systeem bevinden zich op het stuurwiel fig. 159 om het systeem gemakkelijker te kunnen bedienen. 159 0620500-121-001 VOLUMEKNOPPEN Druk de volumeknop + omhoog om het volume te verhogen. Druk de volumeknop – omlaag om het volume te verlagen. ZOEKEN-KNOP AM/FM-radio Druk op de zoeken-knop / . De radio schakelt over naar de volgende/vorige opgeslagen zender in de volgorde waarin de zenders zijn opgeslagen.
MULTIMEDIA 160 06020400-122-002 De volgende handelingen zijn mogelijk door op de schakelaars rondom de bedieningsknop te drukken fig. 160: geeft het startscherm weer. geeft het scherm "Entertainment" weer. NAV geeft het scherm "Navigatie" weer (uitsluitend op voertuigen uitgerust met een navigatiesysteem). Als de SD-kaart van het navigatiesysteem niet is ingevoerd, zal het kompas dat de richting waarin het voertuig rijdt aanduidt worden weergegeven. geeft het scherm "Favorieten" weer.
luidspreker voor)/Achter (verbetering volumebalans luidspreker achter); Balans (Volumebalans links/rechts): Links (verbetering volumebalans luidspreker links)/Achter (verbetering volumebalans luidspreker rechts); ALC (Automatische volumeregeling) (standaardaudio): Uit-Regeling op zeven niveaus; Bose® AudioPilot (Automatische volumeregeling) (Bose®geluidssignaal, indien aanwezig): Aan/Uit; Pieptoon (Geluid werking audio): Aan/Uit.
MULTIMEDIA 208 u kunt de radiofrequentie met de hand wijzigen. Draai aan de bedieningsknop, schuif over het scherm of raak de radiofrequentie aan. Wijzig de radiofrequentie stap voor stap door op of te drukken. De radiofrequentie wijzigt continu als lang op of gedrukt wordt. De radiofrequentie wijzigt niet langer als u uw hand van de icoon of de bedieningsknop haalt. schakelt de TA-modus in en uit. / Automatische keuze radiozender. De radiofrequentie wijzigt continu als er lang op gedrukt wordt.
"Instellingen" weer te geven. Druk op de tab en selecteer het item dat u wilt wijzigen. U kunt de instellingen in het configuratiescherm als volgt aanpassen: "Display": raadpleeg de paragraaf "Volume/Display/Geluidsknoppen" in de bijlage FIAT Connect 7.0; "Geluid": raadpleeg de paragraaf "Volume/Display/Geluidsknoppen" in de bijlage FIAT Connect 7.
MULTIMEDIA Bluetooth® HANDSFREE Koppelen van het apparaat Om Bluetooth®-audio en de handsfree te kunnen gebruiken moet de Bluetooth®-apparatuur aan de hand van de volgende procedure met het systeem gekoppeld worden. In totaal kunnen zeven apparaten, inclusief Bluetooth®-audio-apparaten en handsfree mobiele telefoons worden gekoppeld. OPMERKING Het is mogelijk dat het Bluetooth®-systeem 1 of 2 minuten lang niet werkt nadat het contact naar ACC of ON is gedraaid. Dit duidt echter niet op een probleem.
gebeld. Druk op de spreekknop en wacht tot u de pieptoon hoort. Zeg vervolgens: "Bel XXXXX... (bijv. "Jan") mobiel" en volg de spraakbegeleiding om een nummer te bellen. Een contact importeren (gedownload telefoonboek) De gegevens van het telefoonboek van uw apparaat (mobiele telefoon) kan via Bluetooth®naar uw Bluetooth®handsfree telefoonboek worden gezonden en erin worden opgeslagen. Automatisch downloaden: de instelling "Autom. download contactpersonen" moet zijn aangezet.
MULTIMEDIA 162 11000001-121-112 / Open / sluiten. Opent en sluit de UMP (menubalk). De UMP (menubalk) wordt onderaan op het scherm weergegeven. Voegt een bestemming toe. Selecteer uw bestemming door een adres of een POI (plaats van interesse), een plaats op de kaart of een van uw favoriete bestemmingen in te voeren. U kunt ook uw recente bestemmingen in de smart-geschiedenis bekijken door de coördinaten in te voeren.
het scherm informatie over de volgende manoeuvre, straat of plaats worden weergegeven. In een deel links bovenaan op het scherm wordt de volgende handeling weergegeven. Geeft het type evenement (zoals afslaan, omrijden, een snelweg verlaten) en de afstand vanaf de actuele positie weer. Rijstrookinformatie en Wegwijzers: tijdens het navigeren over wegen met meerdere rijstroken is het belangrijk dat de juiste rijstrook gekozen wordt om de aanbevolen route te volgen.
MULTIMEDIA 214 lang geen handeling wordt verricht. U kunt de route verifiëren door op de locatie op het scherm te drukken. De route kan ook gewijzigd worden door andere opties te selecteren. De bestemming van de POI selecteren (Plaats van interesse) Als de naam van een POI (plaats van interesse) ingevoerd wordt, zal een zoeklijst worden weergegeven. Ga als volgt te werk: Selecteer op het KAART-scherm en selecteer . Selecteer Find Places [plaatsen vinden]. Selecteer Filter by Name [op naam filteren].
uw behoeften aan, toon of verberg 3D-gebouwen en beheer de weergave-instellingen van de POI's (plaatsen van interesse) (welke POI's op de kaart moeten worden weergegeven). Guidance Settings [instellingen begeleiding]: tijdens het afleggen van een route is de aanverwante instelling beschikbaar. Warning Settings [waarschuwingsinstellingen]: een instelling verbonden aan de waarschuwingen is beschikbaar. Route Settings [route-instellingen]: raadpleeg "Wegtypen gebruikt tijdens de routeplanning wijzigen".
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN BELANGRIJK REMSYSTEEM Laat het voertuig niet uitrijden met afgeslagen of uitgezette motor maar zet het veilig langs de kant. Uitrijden met afgeslagen of uitgezette motor is gevaarlijk. Het remmen kost meer moeite en het risico bestaat dat het remhulpsysteem leegloopt als u de rem snel achtereen intrapt. Daardoor is de remweg langer en kan er zelfs een ongeluk ontstaan. Schakel bij sterke afdalingen terug naar een lagere versnelling.
Daardoor raakt u de controle over het stuur en het remvermogen kwijt en kan de aandrijving beschadigd raken. Door het verlies van de controle over het stuur of het remmen kan een ongeval worden veroorzaakt. Wees bijzonder voorzichtig bij het terugschakelen op een gladde ondergrond: terugschakelen tijdens het rijden op een gladde ondergrond is gevaarlijk. Door de plotselinge verandering in de snelheid van de banden kunnen de banden gaan slippen.
HOUD UW VOERTUIG IN TOPCONDITIE MET Mopar® Vehicle Protection biedt een reeks serviceproducten die speciaal zijn ontworpen om al onze klanten te kunnen laten genieten van een probleemloze en zorgenvrije rijervaring met hun auto. Onze productportefeuille bestaat uit Extra Garantie, Easy Care Onderhoudsprogramma’s en de ServicePlus Pas, met een ruime keuze voor de klant om looptijd en kilometer limiet naar behoefte te kiezen.
ALFABETISCH REGISTER Aandachtig lezen . . . . . . . . . . . . . .2 Aanvullend veiligheidssysteem (SRS) - Airbag. . . . . . . . . . . . . .99 ABS. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .72 Accu (onderhoud) . . . . . . . . . . . .173 Accu opladen . . . . . . . . . . . . . . .176 Achterklep. . . . . . . . . . . . . . . . . .41 Achterklep (openen). . . . . . . . . . . .41 Actieve veiligheidssystemen. . . . . . .72 Adaptive Front Lighting System (AFS) . . . . . . . . . . . . . . . . . . .29 Afmetingen . . . .
ALFABETISCH REGISTER Kinderzitje voor verschillende stoelstanden. . . . . . . . . . . . . . .91 Kinderzitjes installeren . . . . . . . . . .95 Klimaatregeling. . . . . . . . . . . . . . .34 Koplamp- en ruitensproeiervloeistof (peil controleren) . . . . . . . . . . . . . .173 Koplampen . . . . . . . . . . . . . . . . .25 Koplampsproeiers . . . . . . . . . . . . .33 Krachtbegrenzer (spansysteem) . . . .86 Lak (beschermen) . . . . . . . . . . . .179 Lampjes en berichten. . . . . . . . . . .
Verwarmde stoelen . . . . . . . . . . . .20 Verwisseling van banden (aanbevelingen) . . . . . . . . . . . .177 Vloeistoffen en smeermiddelen . . . .190 Vloeistofinhoud . . . . . . . . . . . . . .189 Voorzorgsmaatregelen actieve motorkap. . . . . . . . . . . . . . . . .74 Voorzorgsmaatregelen bij kinderzitjes. . . . . . . . . . . . . . . .87 Voorzorgsmaatregelen bij onderhoud door eigenaar. . . . . .165 Voorzorgsmaatregelen veiligheidsgordels . . . . . . . . . . .82 Werking van de SRS-airbags . . . .
FCA Italy S.p.A. - MOPAR - Technical Services - Service Engineering Largo Senatore G. Agnelli, 3 - 10040 Volvera - Torino (Italia) Druknummer 603.99.
Cop 124 Spider LUM NL.qxp 14/07/16 09:11 Pagina 2 WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Dit Instructieboek is bedoeld om de bedrijfsomstandigheden van het voertuig te verduidelijken. Voor de enthousiaste gebruiker die de inzichten, curiositeiten en gedetailleerde informatie over de eigenschappen en functies van het voertuig wil weten, biedt Fiat de gelegenheid om een speciaal gedeelte te raadplegen dat beschikbaar is in elektronisch formaat.
Cop 124 Spider LUM NL.qxp 14/07/16 09:11 Pagina 1 F I A T 1 2 4 S P I D E R NEDERLANDS De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. FCA Italy S.p.A. behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk. Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.