Operation Manual
370
60
204
=
=
400
?
?
Ø 15
NEDERLANDS
3
AUTOMATISCH SYSTEEM R180 / R280
Deze instructies gelden voor volgende automatische systemen:
R 180 - R 280
Het automatische systeem FAAC voor het bedienen van rolluiken bestaat
uit een aandrijfkrans, en een centrale behuizing die de motor, de organen
van de reductorgroep en de eindaanslaggroep bevat.
De modellen voorzien van een elektrische rem garanderen dat het
rolluik in de opgerolde positie blijft als de beweging niet helemaal
uitgebalanceerd is.
De automatische systemen R180 en R280 zijn ontworpen voor het
bedienen van rolluiken die binnen de door de fabrikant FAAC verklaarde
technische gegevens vallen. Vermijd ieder ander gebruik.
1 BESCHRIJVING EN TECHNISCHE EIGENSCHAPPEN
Tab. 1 - Technische eigenschappen aandrijving R180 en R280
Model R 180 R 280
Voedingsspanning 230 V~ (+6% -10%) 50 (60) Hz
Opgenomen stroom 2,4 A 4,4 A
Max. Koppel motor 180 Nm 280 Nm
Hefcapaciteit
180 Kg 280 Kg
Wikkelsnelheid 10 toeren/min. 10 toeren/min.
Omgevingstemperatuur
-
40 °C ÷ +55 °C
Diameter as rolluik
60 /48*/42* mm 60 /48*/42* mm
Diameter wikkelflens. 200 / 220** mm 200 / 220** mm
Max. hoogte rolluik 8 m 8 m
Max. breedte rolluik
4,5 m 4,5 m
Gewicht aandrijving 8,7 Kg 12,5 Kg
R.O.T. (25°C) 100 sec 120 sec
1.1 AFMETINGEN
1.2 VOORBEREIDENDE MECHANISCHE ANDELINGEN
Aandrijfkrans
Reductorgroep
Monofase motor
Montage-hulpbeugel (NIET VERWIJDEREN tot de installatie
voltooid is)
Aanloopcondensator
Eindaanslaggroep
Voedingskabel
Waarden in mm
Fig. 1
Fig. 2
* gebruik de speciale reductoren die bij het basispakket zijn
inbegrepen.
** gebruik de speciale adapters.
Fig. 3
Waarden in mm
Rol het rolluik helemaal op en zoek het middelpunt van de wikkelas.
Ga, zoals geïllustreerd in Fig. 3, 400 mm naar rechts ten opzichte van
het middelpunt en boor een gat met een diameter van 15 mm. Dit
gat zal worden gebruikt als doorgang voor de voedingskabel en de
ontgrendelingskabel voor de elektrische rem (optioneel).
Meet de diameter van de poelie en van de wikkelas om te bepalen
welke reductoren voor de bevestigingsflens, of welke opvulstukken voor
de aandrijfkrans moeten worden gebruikt, zoals uitgelegd in hoofdstuk
3.3 “INSTALLATIE VAN DE AANDRIJVING”.








