Operation Manual

5. Kijk op het bedieningspaneel van de printer welke SSID en welk wachtwoord worden weergegeven.
Selecteer op het netwerkverbindingsscherm van de computer of het Wi-Fi-scherm van het smart device de
SSID die op het bedieningspaneel van de printer wordt weergegeven om verbinding te maken.
6. Voer op de computer of het smart device het wachtwoord in dat wordt weergegeven op het bedieningspaneel
van de printer.
Opmerking:
Als u Wi-Fi Direct inschakelt, blij dit geactiveerd totdat u de standaard netwerkinstellingen herstelt en Wi-Fi Direct
uitschakelt.
7. Nadat de verbinding is gemaakt, tikt u op OK op het bedieningspaneel van de printer.
8. Tik op Sluiten.
Gerelateerde informatie
& De status van de netwerkverbinding controleren” op pagina 47
& “De Wi-Fi Direct (eenvoudig toegangspunt)-instellingen wijzigen” op pagina 57
& Wanneer u de netwerkinstellingen niet kunt congureren” op pagina 230
Geavanceerde netwerkinstellingen maken
U kunt de naam van het netwerkapparaat, TCP/IP-instellingen, de proxyserver enzovoort aanpassen.Controleer de
netwerkomgeving voordat u wijzigingen aanbrengt.
1. Tik op het startscherm op Instel..
2. Tik op Netwerkinstellingen > Geavanceerd.
3. Selecteer het menu-item dat u wilt
congureren
en selecteer vervolgens de waarden of geef deze op.
4. Tik op Start de instelling.
Gerelateerde informatie
& Items voor Geavanceerde netwerkinstellingen congureren” op pagina 46
Items voor Geavanceerde netwerkinstellingen congureren
Selecteer het menu-item dat u wilt congureren en selecteer vervolgens de waarden of geef deze op.
Apparaatnaam
U kunt de volgende tekens gebruiken.
Tekenlimiet: 2 t/m 15 (u moet minstens 2 tekens invoeren)
Toegestane tekens: A t/m Z, a t/m z, 0 t/m 9, -.
Tekens die u niet bovenaan kunt gebruiken: 0 t/m 9, -.
Tekens die u niet onderaan kunt gebruiken: -
Gebruikershandleiding
Netwerkinstellingen
46