Operation Manual

1 Modus
Standby
Automatische stand
Zomerstand
Schoorsteenveegstand
2 Moduskeuzeschakelaar
3 Storingsindicatie
4 Voorlooptemperatuur
5 Storingscode (knipperend)
6 Verwarmingscirculatiestand
Nachtstand
Dagstand
(knipperend) Brander aan
7 Servicestand
Servicestand min. brandervermogen
Servicestand max. brandervermogen
5 6 7 4 3 2
1
Storingen
• Neem bij storingen contact op met
de klantenservice.
Toestel werkt niet
• Controleer alle punten uit de
paragraaf "Voordat u de installatie
inschakelt".
Heeft u de oorzaak niet gevonden, neem
dan contact op met de klantendienst.
Onregelmatigheden
• Als de installatie gebreken vertoont, dan
mag deze niet gebruikt worden.
De installatie moet regelmatig door
een erkende verwarmingsmonteur
gecontroleerd worden.
Reparaties
• Reparaties aan het toestel of de
afzonderlijke modules mogen uitsluitend
door de betreffend fabrikant worden
uitgevoerd.
• Als er reparaties door anderen uitgevoerd
worden, vervalt de garantie. Wij kunnen
niet aansprakelijk gesteld worden voor
de gevolgen hiervan.
Installatie buiten bedrijf stellen
1. Schakel de noodschakelaar uit.
2. Draai de gasafsluitkraan dicht.
3. Reinig de ketel.
4. Tap de installatie n i e t af.
5. Tap de installatie alleen af als er
gevaar voor bevriezing bestaat.
Onderhoud
• Laat de installatie periodiek en naargelang
de verontreinigingsgraad minstens een
keer per jaar door de klantenservice
controleren.
Reiniging
• Reiniging van de installatie wordt altijd
uitgevoerd door de klantenservice.
Als de schoorsteen wordt geveegd
• Schakel het toestel uit.
Algemene informatie
• De toestellen zijn gekenmerkt met
de relevante geldende
CE-nummers en voldoen zodoende
aan de geldige normen en richtlijnen.
• Volg bij de aansluiting van het
gas-toestel de bouwvoorschriften
op: TRGI, TRF, richtlijnen van het
gasbedrijf. (voor Oostenrijk: ÖVGW
TR Gas, ÖVGW TR Flüssiggas
voor Zwitserland: SVGW)
Gebruik van de installatie
• Volg voor de bediening van de
verwarmingsinstallatie de handleiding.
Soorten gas
• Aardgas H, LL en vloeibaar gas
(propaan)
Voordat u de installatie inschakelt
• Controleer of het verwarmings-
systeem voldoende water bevat.
• Controleer of de afsluitkranen van
de verwarming openstaan.
• De wijzer van de drukregelaar mag
niet in het rode gedeelte staan
(gesloten systemen volgens DIN
4751, deel 2).
• Draai de gasafsluitkraan open.
Voordat u de installatie in bedrijf stelt en
voor het begin van iedere
verwarmingsperiode
• Laat de verwarmingsinstallatie altijd
eerst controleren door een
installatiebedrijf.
• Neem bij storingen contact op met
de klantenservice van de leverancier.
Inbedrijfstelling
• Schakel de installatie in met de
noodschakelaar.
• De installatie is klaar voor gebruik.
• Controleer of de verwarmings-
circu-latiepomp resp. boilerlaad-
pomp draait.
Vorstgevaar
• Draai de radiatoren in vertrekken die u niet
gebruikt nooit helemaal dicht.
• Als het bedrijf van de installatie wordt
onderbroken, dienen vanwege vorstgevaar
alle radiatorkranen opengedraaid en
het water uit de installatie afgetapt
te worden.
• Zet alle ventilatie- en ontluchtings-
elementen (indien aanwezig) aan
de radiatoren open.
• Geef duidelijk zichtbaar aan dat de
installatie is afgetapt en dat deze
niet gestookt mag worden. Laat de
aftapkranen openstaan zolang de
installatie buiten bedrijf blijft.
Functie schoorsteenveger
Met de functie schoorsteenveger
kunnen er waarden aan de ketel
gemeten worden. Hierbij wordt het
max. verwarmingsvermogen tot de
ingreep door de temperatuurbeveiliging
ingesteld.
Functie schoorsteenveger inschakelen
• Kies met behulp van de
bedrijfskeuzeschakelaar
Functie
• Genereren van een gedwongen
signaal voor de warmteafvoer.
• Uitschakelen van de PID- en
tweepuntsregelaar.
• Uitvoer van het max. verwarmings-
vermogen.
• Als de schoorsteenveger-functie is
ingeschakeld, wordt er een
meldingscode uitgevoerd.
Functie schoorsteenveger uitschakelen
• Kies met behulp van de
bedrijfskeuzeschakelaar
Gebruiksaanwijzing
RENDAMAX 30
01/2007 Art.Nr. 12 076 369

