Onderhouds- en gebruiksaanwijzingen NL DUCATI999S 1
Welkom in de club van de Ducati-liefhebbers, u hebt een bijzonder goede keuze gemaakt. Wij denken dat u deze nieuwe Ducati niet alleen als dagelijks vervoersmiddel zal gebruiken maar ook voor lange reizen. Ducati Motor Holding S.p.A. wenst u dan ook veel rijplezier toe. Omdat wij ons constant inspannen voor een steeds betere service, raadt Ducati Motor Holding S.p.A. u aan deze eenvoudige voorschriften zorgvuldig na te leven, met name de voorschriften voor het inrijden van de motorfiets.
INHOUD Gashendel 27 De hendel van de voorrem 28 Het pedaal voor de achterrem 29 Versnellingspedaal 29 De stand van het koppelingspedaal en de achterrem 30 De stand van het versnellingspedaal 31 De stand van het achterrempedaal 32 Aanwijzingen van algemene aard 6 Garantie 6 Symbolen 6 Nuttige informatie voor veilig reizen 7 Rijden met volle bepakking 8 Identificatiegegevens van de motorfiets 9 Belangrijkste elementen en mechanismen Plaats op het voertuig 33 Benzinedop 34 Stand van het zadel - tank 35 Zade
Belangrijkste gebruiks- en onderhoudswerkzaamheden 53 Delen van het frame demonteren 53 Het peil van de koelvloeistof controleren en eventueel bijvullen 56 Het peil van de rem- en de koppelingsvloeistof controleren 58 Controleer de slijtage van de remblokjes 59 De scharnierpunten smeren 60 De gaskabel afstellen 61 De accu opladen 62 De stuurhoek wijzigen 63 De spanning van de ketting controleren 65 De ketting smeren 65 De lampjes van het dimlicht en de grote lichten vangen 66 De lampjes van het standlicht v
AANWIJZINGEN VAN ALGEMENE AARD NL Garantie Voor uw eigen belang en voor de garantie en betrouwbaarheid van dit product, raden wij nadrukkelijk aan een erkende Ducati dealer te raadplegen voor alle handelingen die bijzondere technische deskundigheid vereisen.
Nuttige informatie voor veilig reizen Opgelet Eerst lezen voordat u de motor gebruikt. Vaak zijn ongevallen te wijten aan rijden zonder ervaring. Rijd nooit zonder rijbewijs; om met deze motorfiets te rijden, dient u in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Leen de motor niet uit aan onervaren bestuurders of mensen die geen geldig rijbewijs hebben. De bestuurder en de passagier dienen altijd een valhelm te dragen.
Rijden met volle bepakking NL Dit motorvoertuig is ontworpen voor veilig rijden van lange afstanden met volle bepakking. Het gewicht van de lading goed op het voertuig verdelen is uiterst belangrijk om de veiligheid van de motorfiets te behouden en niet in moeilijkheden te komen bij plotselinge stuurbewegingen of op slechte wegdekken.
Identificatiegegevens van de motorfiets Elke Ducati-motorfiets heeft twee identificatienummers, een voor het frame (afb. 1) en een voor de motor (afb. 2). NL Frame N. Motor N. Opmerkingen Deze nummers duiden op het model en dienen te worden vermeld als men onderdelen bestelt. afb. 1 afb.
BEDIENINGSORGANEN NL 5 1 6 8 4 Opgelet In dit hoofdstuk wordt uitgelegd waar de bedieningsorganen zitten die moeten worden gebruikt om te kunnen rijden met de motorfiets. Lees de beschrijvingen aandachtig voordat u deze bedieningsorganen gebruikt. 3 7 2 9 10 Plaats van de bedieningsorganen op de motorfiets (afb.
Het instrumentenpaneel (afb. 4) 1) LCD, (zie pag. 12) 2) Toerenteller (min-1). Duidt het aantal toeren per minuut van de motor aan. 3) Waarschuwingslampje neutraal N (groen). Gaat branden als de versnelling in zijn vrij staat. 4) Controlelampje brandstofreserve (geel) Gaat branden als men de reserve-inhoud aanspreekt; er blijven nog ong. 3 liter benzine in de tank. 5) Waarschuwingslampje richtingaanwijzers (groen). Gaat branden en knippert zodra een van de richtingaanwijzers wordt gebruikt.
Als er geen fouten worden gemeld, moet het even LCD – Belangrijkste functies NL branden als de startschakelaar op ON wordt gezet, maar moet het enkele seconden later weer uit gaan (meestal 1,8 - 2 sec.).
11) Waarschuwing preventief onderhoud. Als dit lampje gaat branden, betekent dit dat de kilometerstand is bereikt waarna motorfiets een preventieve onderhoudsbeurt nodig heeft. De eerste 50 km nadat dit lampje is beginnen te branden, blijft het knipperen. Daarna zal het permanent branden. De erkende Ducati dealer die voor het onderhoud zorgt, zal het systeem resetten. 12) Controlelampje antidiefstalsysteem.
LCD - Parameters programmeren en weergeven NL Als het voertuig wordt aangezet (sleutel van OFF op ON), worden alle instrumenten gecontroleerd (wijzertjes, display, lampjes) zie (afb. 7) Weergave van de functies op het linker display (A). Als de knop (1) (afb. 6) wordt ingedrukt en de sleutel staat op ON, worden beurtelings de kilometerteller en de dagteller weergegeven. 1 Weergave van de functies op het rechter display (B). Als de knop (2) (afb.
De klok instellen De toets (1) minstens 2 seconden lang indrukken. AM of PM kiezen met de toets (2). De toets (1) indrukken om uw keuze te bevestigen en het uur te programmeren. Het uur wijzigen met de toets (2). De toets (1) indrukken om uw keuze te bevestigen en de minuten te programmeren. De minuten wijzigen met de toets (2). De toets (1) indrukken om uw keuze te bevestigen en het menu van de klok te verlaten. De dagteller resetten TRIP-weergave op het display (3) kiezen.
Menu voor speciale functies (voertuigmodel en NL maateenheden) De computer bepaalt automatisch de correcte maateenheden die op het display dienen te worden weergegeven; om deze parameters te wijzigen, zet u de sleutel eerst op OFF en dan op ON en drukt u gelijktijdig op de toetsen (1) en (2). Druk op de toets (1) om alle mogelijke maateenheden te overlopen. Om uw keuze te bevestigen, drukt u de toets (2) minstens 5 seconden lang in totdat op het display het woord OFF verschijnt. De sleutel op OFF zetten.
U kunt na afloop tot 19 gechronometreerde tijden weergeven op het LCD. Druk op de knop (1) om alle opeenvolgende metingen weer te geven; op het instrumentenpaneel verschijnen de volgende gegevens: - het nummer van de rit (6) waarnaar de gegevens verwijzen; - het maximale toerental van de motor (7) tijdens de gechronometreerde rit; - gechronometreerde tijd (4); - de maximumsnelheid (8) tijdens het chronometreren.
De watertemperatuur (afb. 12 en 13) NL Als de watertemperatuur onder -40 °C/-40 °F daalt, verschijnen op het display knipperende streepjes en gaat het ambergele waarschuwingslampje EOBD (8, afb. 4) branden. Als het water een temperatuur heeft tussen -39 °C /-38.2 °F en +45 °C/+113 °F en tussen +120 °C/+248 °F en +124 °C/+255.2 °F, zal de watertemperatuur op het display knipperen. Als het water een temperatuur heeft tussen +46 °C/+114.8 °F en +119 °C/+246.2 °F, zal de temperatuurweergave niet knipperen.
Antidiefstalsysteem Voor een betere beveiliging tegen diefstal is het voertuig uitgerust met een elektronisch antidiefstalsysteem dat de motor blokkeert en dat automatisch wordt ingeschakeld telkens als het instrumentenpaneel wordt uitgezet. In elke sleutelhandgreep zit hiervoor een elektronisch mechanisme dat het signaal verwerkt dat wordt uitgezonden telkens als het voertuig wordt aangezet door een speciale antenne in de stuurschakelaar.
Codekaart NL Bij de sleutels hoort ook de CODEKAART (afb. 15) met de volgende gegevens: A) (afb. 16) de elektronische code waarmee men de motor deblokkeert als deze niet start als de sleutel op ON wordt gezet. Opgelet De CODEKAART dient op een veilige plaats te worden bewaard. Wij raden aan altijd de elektronische code die op de CODEKAART staat ter beschikking te hebben voor starten in noodgevallen.
Gashendelprocedure om het antidiefstalsysteem uit te schakelen 1) De sleutel op ON zetten en de starthendel helemaal draaien en in deze stand houden. Het EOBD-waarschuwingslampje gaat na 8 seconden uit. 2) De starthendel loslaten zodra het EOBD- lampje uitgaat. 3) Het EOBD-lampje zal nu opnieuw beginnen branden, maar knippert. Zoveel "knippersignalen" tellen als het eerste cijfer van de elektr. code; de starthendel 2 seconden lang opendraaien en dan loslaten.
Werkingsprincipe NL Telkens als de schakelaarsleutel van ON op OFF wordt gezet, blokkeert het beveiligingsysteem de motor. Als de motor wordt gestart door de sleutel van OFF op ON te zetten: 1) zal het CODE-lampje op het instrumentenbord kort knipperen als de code wordt herkend; het beveiligingsysteem herkent de code in de sleutel en zet de motorblokkering uit. Als men de knop START indrukt, start de motor; 2) als het CODE-lampje blijft branden, heeft de beveiliging de code niet herkend.
Opmerkingen Om de contactsleutel in deze laatste twee standen te zetten, dient men de sleutel in het contact te duwen en er dan aan te draaien. De sleutel kan uit het contact worden getrokken in de standen (B), (C) en (D). Belangrijk Het voertuig is uitgerust met een elektronisch energiebesparend systeem. Om stroomverlies te voorkomen als men de sleutel in de ON-stand vergeet, zal dit systeem 15 seconden nadat de startknop NIET is ingedrukt, de stroomvoeding onderbreken.
De linker stuurschakelaar (afb. 18) NL 1) Lichtschakelaar met twee standen: stand stand 4 = dimlicht aan; = groot licht aan. 2) Schakelaar = richtingaanwijzer met drie standen: midden = uit; stand = linksaf; stand = rechtsaf. Om de richtingaanwijzer uit te schakelen, drukt u de schakelaar in zodra deze weer in het midden staat. 3) Schakelaar = claxon. 4) Schakelaar . = met groot licht signaal geven. 1 2 3 24 afb.
De koppelingshendel De koppelingshendel (1) is uitgerust met een knop(2) waarmee men de afstand tussen de hendel zelf en de knop op het stuur kan afstellen. Deze afstand is afgesteld op 10 klikken van de knop (2). Door de knop naar rechts te draaien, verwijdert u deze van de gashendel. Andersom, naar links, zet u hem dichterbij. Als de koppelingshendel wordt ingetrokken (1) wordt de transmissie van de motor naar de koppeling en dus naar het aandrijfwiel, onderbroken.
Chokehendel (afb. 20) NL De chokehendel dient om te starten met een koude motor en meer benzine toe te voeren voor een groter stationair toerental. Standen van de chokehendel: A) = niet ingeschakeld; B) = helemaal ingeschakeld. De hendel kan op tussenstanden worden gezet om de motor geleidelijk aan warm te laten lopen (zie pag. 47) A B 1 Belangrijk Gebruik de chokehendel niet als de motor warm is. Niet rijden met ingeschakelde choke. afb.
De rechter stuurschakelaar (afb. 21) 1) Lichtschakelaar met drie standen: rechts = lichten uit. in het midden = voorste en achterste standlichten, nummerplaatverlichting en instrumentenpaneelverlichting aan; naar links = koplamp, standlichten voor en achter, nummerplaatverlichting en instrumentenpaneelverlichting aan. Gashendel (afb. 21) Met de gashendel (4) op de rechterkant van het stuur opent men de gaskleppen.
De hendel van de voorrem (afb. 22) NL Als men de hendel (1) in de richting van de gashendel trekt, remt men met de voorrem. Lichtjes trekken is voldoende omdat dit mechanisme hydraulisch werkt. De hendel is uitgerust met een knop (2) waarmee men de afstand tussen de hendel zelf en de knop op het stuur kan afstellen. Deze afstand is afgesteld op 10 klikken van de knop (2). Door deze naar rechts te draaien, zet u de hendel verder van de gashendel af. Andersom, naar links, zet u hem dichterbij.
Het pedaal voor de achterrem (afb. 23) Om met de achterrem te remmen, drukt men het pedaal (1) met de voet in. Dit remsysteem is hydraulisch. NL 1 Versnellingspedaal (afb. 24) De ruststand van het versnellingspedaal is in het midden (N). Hij keert automatisch terug; de neutrale stand wordt gesignaleerd door het waarschuwingslampje neutraal N (3, afb. 4) dat gaat branden. Het pedaal kan worden verzet: naar onder = de pedaal indrukken voor de 1e versnelling en om terug te schakelen.
De stand van het koppelingspedaal en het NL achterrempedaal A B Opmerkingen U kunt de stand van de pedalen van koppeling en achterrem wijzigen door de bevestigingsgaten bovenaan (A en B) te combineren met de gaten onderaan (C, D, E, F en G) op de voetsteunbeugels. De afbeelding illustreert alleen hoe men de stand van de koppelingspedaal wijzigt. De stand van het achterrempedaal wordt op analoge wijze aangepast.
De stand van het versnellingspedaal (afb. 26) De stand van de versnellingshendel kan aan de behoeften van elke bestuurder worden aangepast. Er zijn drie mogelijkheden: De stand van het pedaal bij benadering aanpassen De bewegende terugkeerstang blokkeren met een sleutel in de hiervoor bestemde opening (1) en de contramoer (3) losdraaien. De schroef (2) losdraaien en verwijderen en de stang verzetten totdat het pedaal in de gewenste stand staat. De stang kan vier standen innemen t.o.v.
De stand van het achterrempedaal (afb. 27) 6 NL De stand van de achterremhendel op de volgende manier wijzigen: De contramoer (1) losdraaien. Aan de regelschroef (2) van het pedaal draaien totdat deze in de gewenste stand staat. De contramoer (1) vastdraaien. Met de hand controleren of er een speling van ong. 1,5÷2 mm op zit voordat u er mee remt. Als de speling niet correct is, past u de lengte van het pompstangetje op de volgende manier aan: De contramoer (3) op het pompstangetje losdraaien.
BELANGRIJKSTE ELEMENTEN EN MECHANISMEN Plaats op het voertuig (afb. 28) 1) De benzinedop 2) Zadelslot (dubbel zadel). 3) Zijstandaard 4) Haak voor de helmhouder (dubbelzit). 5) De stuurschokdemper 6) Achteruitkijkspiegeltjes 7) Regelknoppen voor de voorvork. 8) Regelknoppen voor achterste schokdemper. 9) Trekstang. 10) Uitlaatdemper (zie opmerking op pag. 50) 11) Katalysator. NL 10 7 9 6 6 3 8 2 7 5 11 1 4 afb.
Benzinedop (afb. 29) NL Openen Het dekseltje (1) openmaken en de sleutel in het slot steken. De sleutel 1/4 slag naar rechts draaien om het slot te openen. De dop optillen. 1 Sluiten De dop sluiten met de sleutel en deze er goed induwen. De sleutel naar links draaien totdat het slot weer in zijn oorspronkelijke stand staat en de sleutel eruit halen. Het dekseltje (1) op het slot sluiten. Opmerkingen De dop kan alleen worden gesloten als de sleutel in het slot steekt.
Stand van het zadel - tank (zonder passagierszadel) Op de uitvoering voor 1 berijder kan men de hele groep “zadel-tank-zadelachterkant” verplaatsen t.o.v. het achterste kleine framegedeelte (1). Het zadel (2) kan 20 mm worden verplaatst om aan de behoeften van elke berijder te voldoen. Ga als volgt te werk om deze stand te wijzigen: de schroeven (3) aan de zijkant losdraaien en verwijderen en de zijhandvaten (4) eraf halen.
Zadelslot en helmhouder (dubbelzit) NL 0 2 Openen (afb. 31.1 en 31.2) De sleutel in het slot (4) steken en naar rechts draaien tot u het zadelslot hoort klikken. De achterkant van het zadel (2) lichtjes naar boven trekken en optillen. Achteraan in de ruimte onder het zadel zit de helmhouder. De helmhouderkabel (A) in de helm en het uiteinde van de kabel in de haak steken. De helm laten hangen (afb. 31) en het zadel weer monteren om de helm vast te maken.
Sluiten (afb. 32) De voorste sluithaken op de onderkant van het zadel onder de dwarse buis van het geraamte steken. Op het passagierzadel drukken tot u het slot hoort klikken. het passagierzadel een beetje naar boven trekken om te controleren of het slot goed gesloten is. . NL afb.
Zijstandaard (afb. 33) NL Belangrijk Voordat u de zijstandaard gebruikt, controleert u of het oppervlak waarop u hem wenst te zetten stevig en vlak genoeg is. Op zachte grond, kiezelsteen, door de zon verhit asfalt enz. kan de geparkeerde motor omvallen. Als u op een helling parkeert, zet u het achterwiel altijd in de dalende richting van de helling.
De stuurschokdemper (afb. 34) Deze zit voor de brandstoftank en is bevestigd aan het frame en aan de stuurkop. De stuurschokdemper maakt het stuur stabieler en preciezer en verbetert de handelbaarheid van de motorfiets in elke rijsituatie. Als u de knop (1) naar rechts draait, worden schokken minder opgevangen, naar links meer. In elke afstelstand hoort u een "klik". NL Opgelet Draai nooit aan de knop (1) terwijl u rijdt omdat u anders de controle over het stuur kunt verliezen.
Regelknoppen op de voorvork NL Zowel de in- als de uitbeweging van de veerpoten van de 1 voorvork op de kunnen worden afgesteld. Dit doet u met de regelschroeven op de buitenkant: 1) (afb. 35) om de hydraulische schokdemping in de indrukbeweging extensie of uit-beweging: 2) (afb. 35) om de voorspanning van de veren in de vork af te stellen; 3) (afb. 36) om de hydraulische schokdemping in de indrukbeweging af te stellen. Zet de motorfiets recht en vast.
De STANDAARD standen zijn de volgende: compressie of in-beweging 10 klikken; extensie of uit-beweging: 12 klikken; NL Er zijn maximum 24 standen (uit of maximum schokdemping) en 28 standen (in of minimum schokdemping). Om de veervoorspanning in elke veerpoot te wijzigen, draait u aan de zeshoekschroef (2) met een zeshoeksleutel van 22 mm. De voorspanning is standaard ingesteld op 10 mm. Belangrijk Zet de stelschroeven op beide veerpoten op dezelfde stand.
De achterste schokdemper afstellen (afb. 37) NL Er zitten regelknoppen aan de buitenkant van de achterste schokdemper waarmee de schokdempers kunnen worden aangepast aan de lading van de motorfiets. De regelknop (1) die op de rechterkant zit, daar waar de schokdemper aan de onderkant van de achtervork is vastgemaakt, regelt de hydraulische schokdemping tijdens de uit-beweging. De regelknop (2) op het expansievat van de schokdemper, regelt de indrukfase van de hydraulische schokdemping.
De stuurhoek van de motorfiets wijzigen (afb. 38) De stand van de stuurhoek is het resultaat van testen die onze technici in verschillende rijcondities hebben uitgevoerd. De stand van de stuurhoek wijzigen is een delicate handeling die gevaarlijk kan zijn als deze met onvoldoende ervaring wordt uitgevoerd. Voordat men de standaardstand wijzigt, dient men het referentiepunt (H, afb. 38) te meten.
GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN NL Voorzorgen tijdens de inrijperiode Maximale snelheid (afb. 40) Snelheid tijdens het inrijden en het normale rijden: 1) Tot 1000 km; 2) Van 1000 tot 2500 km; 3) Na 2500 km. Tot 1000 Km Tijdens de eerste 1000 km dient men de kilometerteller in het oog te houden: dit zijn de snelheden die absoluut niet mogen worden overschreden : 5.500÷6000 min-1.
Na 2500 Km Na het inrijden is het aangeraden nooit sneller te rijden dan: 10.000 min-1. De motor gaat langer mee als u dit voorschrift naleeft en de noodzaak tot reviseren en afstellen vermindert. NL 2.500÷+Km 1.000÷2.500 Km 0÷1.000 Km afb.
Controleren voor het starten NL Opgelet Als u de motor niet inspecteert voordat u vertrekt, kunt u deze ernstige schade berokkenen en loopt u het risico zowel de bestuurder als de passagier ernstig te verwonden. Voordat u begint te rijden, dient u de volgende punten te controleren: Brandstof in de tank Controleren hoeveel brandstof er in de tank zit. Eventueel bijtanken (pag. 51) Controleren hoeveel olie er in de motor zit Kijk in het olievenstertje om de olie te controleren. Eventueel bijvullen (pag.
De motorfiets aanzetten ON CK Opgelet Zorg ervoor dat u de bedieningsorganen kent die u nodig hebt tijdens het rijden (pag. 10). Normale omgevingstemperatuur (tussen 10 °C/50 °F en 35 °C/95 °F): 1) De startschakelaar op ON zetten (afb. 41). Controleren of het groene lampje neutraal N en het rode lampje op het instrumentenpaneel branden. FF ON PUS H O NL LO Opmerkingen Om een al warme motor aan te zetten, volgt u de procedure voor “Hoge omgevingstemperatuur”. P N IO NIT IG afb.
2) De chokehendel (1) in stand B zetten (afb. 42) (RUN) staat; de startknop indrukken (3). Het voertuig moet spontaan starten, zonder gas te geven. NL 3) Controleren of de startknop (2, afb. 43 ) op Belangrijk Niet langer dan 5 seconden elektrisch starten. Indien nodig 10 seconden wachten voordat u de motor weer probeert te starten. A B 1 4) De chokehendel (1) geleidelijk aan recht zetten (A) (afb. 42). afb. 42 Belangrijk De motor niet op een hoog toerental brengen als deze koud is.
De motorfiets starten en ermee rijden 1) De koppelingshendel intrekken. 2) Met de punt van uw voet en een besliste beweging de versnellingshendel induwen om deze in eerste versnelling te zetten. 3) Gas geven met de gashendel, tegelijkertijd langzaam de koppelingshendel loslaten; de motorfiets begint te rijden. 4) De koppelingshendel helemaal loslaten en gas geven.
De motorfiets stilzetten NL Vertragen, terugschakelen en de gashendel loslaten. Naar de eerste versnelling terugschakelen en dan de versnelling in de neutrale stand zetten. Remmen en stoppen. De motor uitzetten door de sleutel op OFF te zetten (pag. 23). Belangrijk Het voertuig is uitgerust met een elektronisch energiebesparend systeem. Om stroomverlies te voorkomen als men de sleutel in de ON-stand vergeet, zal dit systeem 15 seconden nadat de startknop NIET is ingedrukt, de stroomvoeding onderbreken.
Brandstof tanken (afb. 44) Niet te veel brandstof in de tank doen. De brandstof moet onder de vulpijp blijven. Max level NL Opgelet Gebruik loodvrije brandstof met een octaangetal van 95 (zie pag. 80). Er mag geen benzine in de vulpijp onder de dop blijven zitten. afb.
Standaard accessoires (afb. 45 en 46) NL In de rechter kuiphelft is een opbergruimte met: de gebruiks- en onderhoudsaanwijzingen; een helmhouder; gereedschapset met: - een bougiesleutel; aan de andere kant: een sleutel met twee diameters (inwendig Ø 10 + uitwendig Ø 14); - een pen voor de bougiesleutel; - een dubbele schroevendraaier; - een inbussleutel voor de kuip (een zit); - een schroevendaaier om de achterste schokdemper af te stellen.
BELANGRIJKSTE GEBRUIKS- EN ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN Delen van het frame demonteren Voor bepaalde onderhoudsverrichtingen en reparaties dient men sommige delen van het frame te demonteren. Opgelet Als u gedemonteerde delen niet of niet goed opnieuw monteert, kunnen deze losraken tijdens het rijden waardoor u de controle over de motorfiets kunt verliezen.
NL Opmerkingen Bij het opnieuw monteren van de kuiphelften dient u de voorste pen (5) op de juiste plaats te steken, ter hoogte van het kuipje. Opmerkingen Om de linker kuiphelft te monteren, dient u de zijstandaard uit te klappen en deze door de opening in de kuiphelft te steken. 5 Achteruitkijkspiegeltjes De schroef (6) losdraaien waarmee de achteruitkijkspiegel is vastgemaakt. De borgpennen (7) uit de sluitveertjes halen die op de kuipjeshouder zitten (8).
Het kuipje Opmerkingen Om het kuipje te demonteren, dienen eerst de achteruitkijkspiegeltjes en de zijkuipen te worden gedemonteerd zoals hierboven is beschreven. Demonteer het instrumentenpaneel (1) en haal het uit de sluitrubbertjes (2). Maak de kabels van het lampje van het standlicht los. Draai de twee schroeven (3) los waarmee het kuipje aan de zijkant aan de koplamp is vastgemaakt. Opmerkingen De achteruitkijkspiegeltjes en de twee zijkuipen monteert u nadat u het kuipje weer hebt gemonteerd.
Het peil van de koelvloeistof controleren en NL eventueel bijvullen (afb. 52) Controleer hoeveel koelvloeistof er in het expansievat zit op de rechterkant van de motorfiets; het peil moet tussen de MAX- en MIN-streepjes (1 en 2) het langste streepje (2) is het maximumpeil; het kortste streepje (1) is het minimumpeil. Als er te weinig vloeistof in zit, dient u deze bij te vullen.
De rechter kuiphelft eraf halen (pag. 53). Draai de vuldop los (3, afb. 53) en giet er een mengsel van water en antivriesmiddel SHELL Advance Coolant of Glycoshell (35÷40% van het volume) in, tot aan het MAX-streepje. NL 3 Schroef de dop (3) er weer op en monteer de gedemonteerde delen. Dit mengsel is het beste voor optimale motorprestaties (de vloeistof heeft een vriespunt van -20 °C/-4 °F). Inhoud van het vloeistofcircuit: 2,8 dm3 (liter).
Het peil van de rem- en koppelingsvloeistof NL controleren De vloeistof of olie mag niet onder de MIN-streepjes op beide reservoirs komen (afb. 54) (op de afbeelding ziet men zowel het voorste als het achterste remvloeistofreservoir). Als er te weinig vloeistof in zit, kan er lucht in de leidingen komen en werkt het systeem op de duur niet meer. Laat de vloeistof of olie bijvullen of vervangen op de in de onderhoudstabel in het garantieboekje voorgeschreven tijdstippen door een erkende Ducati dealer.
Controleer de slijtage van de remblokjes (afb. 55) Om de remblokjes te kunnen controleren zonder de klauw te demonteren, zitten op alle blokjes slijtagegroeven. Op een goed blokje moeten de groeven goed zichtbaar zijn. NL MIN Belangrijk Om de remblokjes te laten vervangen, contacteert u een erkende Ducati dealer. afb.
De scharnierpunten smeren NL Regelmatig de buitenkabels rond de start- en de chokekabels controleren. Ze mogen nergens platgedrukt zijn en er mogen geen scheurtjes in de plastic buitenkant zitten. Controleer met de starter of de kabels vlot bewegen in de buitenkabel: als ze haperen of stroef bewegen, dienen ze te worden vervangen door een erkende Ducati dealer. Voor de gaskabel raden wij aan deze te openen door de twee borgschroeven los te draaien (1, afb.
1,5÷2 mm ➤ ➤ De gaskabel afstellen In elke stuurstand moet de starthendel een vrije slag hebben, gemeten op de omtrek van de rand van de hendel, van 1,5÷ 2,0mm. Stel dit eventueel af met de speciale regelaars (1 en 2, afb. 58) ter hoogte van de stuurkop op de linkerkant van het voertuig. De regelknop (1) draait de gashendel open; de regelknop (2) sluit deze. De beschermkapjes van de regelknoppen halen en de contramoeren losdraaien.
De accu opladen (afb. 59) NL Het is raadzaam de accu te demonteren om deze op te laden. De linker kuiphelft eraf halen (pag. 53), de schroef (1) losdraaien en de bovenste bevestigingsbeugel eraf halen. Maak eerst de negatieve zwarte pool (–) los, en dan de positieve rode (+) pool. Opgelet Houd de accu ver uit het bereik van kinderen. Laat de accu op 0,9 A ong. 5÷10 uren opladen. Opgelet De accu produceert explosieve gassen: houd ze ver uit de buurt van warmtebronnen.
De stuurhoek wijzigen Voordat u de stuurhoek wijzigt, dient u de stuurschokdemper te demonteren, waarvoor u de bevestigingsschroeven (1 en 2) losdraait. Met de schroef (2) is ook de stuurvergrendeling (3) vastgemaakt die iets meer naar achter zal moeten worden gemonteerd als u de stuurhoek wijzigt. Draai de bevestigingschroeven (4) van de stuurkop los.
Als u de stuurhoek op 23° 30' wenst te zetten, dient u de NL voorste opening van de stuurvergrendeling (3) voor de opening in de stuurkop te zetten. Smeer wat borgvloeistof op de schroef (2) en zet hiermee de stuurschokdemper vast. Vergeet de stuurvergrendeling niet (3). Draai het gewricht (A) van de schokdemperstang 180°. Maak het gewricht vast met de schroef (1) die u tevoren hebt verwijderd en smeer er wat borgvloestof op. Smeer vet op de schroef (4) die u hebt losgedraaid en draai deze weer vast.
De spanning van de ketting controleren (afb. 63) Belangrijk Om de ketting te laten spannen, contacteert u een erkende Ducati dealer. De motorfiets op de zijstandaard zetten en het onderste gedeelte van de ketting induwen met een vinger, loslaten en de afstand meten tussen het uitsteeksel (A) en het midden van de pin eronder. De waarde die u meet dient tussen 30 ÷ 35 mm te liggen.
De lampjes van het dimlicht en de grote lichten NL vangen Voordat u een lampje dat stuk is vervangt, dient u te controleren of de spanning en het vermogen van het nieuwe lampje voldoen aan de voorschriften die zijn opgesomd onder het punt "Elektrische uitrustingen" op pag. 86. Controleer altijd eerst of het nieuwe lampje brandt voordat u de gedemonteerde delen weer monteert. Op de afbeelding 64 ziet u de plaats van de lampjes van het dimlicht (LO), het grote licht (HI) en het standlicht (1).
Opmerkingen Om de lampjes uit de koplamp te halen hoeft u het zwarte massaklemmetje niet van de behuizing te halen. NL Opmerkingen Raak het glas van de nieuwe lamp niet aan: het kan zwart worden waardoor de lichtsterkte vermindert. Opnieuw monteren Als u het nieuwe lampje hebt gemonteerd, sluit u de bedrading van het instrumentenpaneel weer aan en steekt u dit precies in de sluitrubbers.
De lampjes van het standlicht vervangen NL Om deze lampjes te vervangen (1), dient u eerst het instrumentenpaneel uit de sluitrubbers te halen (zie pag. 55) en dan uw hand in de lampenhouder te steken. De lampenhouder eruit halen en de lamp vervangen. Als u het nieuwe lampje hebt gemonteerd, sluit u de bedrading van het instrumentenpaneel weer aan en steekt u dit precies in de sluitrubbers. 1 afb.
Richtingaanwijzers (afb. 68) NL Opmerkingen Op de afbeelding is de achteruitkijkspiegel waarop de richtingaanwijzer zit, gedemonteerd. 2 De schroef (1) losdraaien en het gekleurde glas (2) van de houder halen. Dit lampje heeft een bajonetsluiting, dus moet u het eerst even indrukken en dan naar links eruit draaien. Om het nieuwe lampje erin te steken, drukt u erop en draait u het naar rechts tot u het hoort klikken.
Remlicht (afb. 70) NL Om de lampjes van de rem- en standlichten te vervangen, draait u eerst de twee schroeven (1) los waarmee het glas (2) is vastgemaakt. In het deksel (2) zitten twee pennen waarmee het glas (3) van het achterste remlicht vastzit. Schuif het deksel (2) eruit en demonteer het glas (3) van het remlicht. Dit lampje heeft een bajonetsluiting, dus moet u het eerst even indrukken en dan naar links eruit draaien.
De hoogte van de koplamp afstellen (afb. 72) Controleer de lichtbundel van de koplamp door de motor met op druk gebrachte banden en een bestuurder op het zadel, perfect loodrecht op de lengteas op een afstand van 10 meter voor een muur of een scherm te zetten. Teken een horizontale lijn op de hoogte van het midden van de koplamp en een verticale lijn op de lengtelijn van het voertuig op de muur. Controleer dit zo mogelijk met schemerlicht.
De verticale richting van de koplamp past u aan met de NL regelknop (1, afb. 73), links van de koplamp. Als u de knoppen naar rechts draait, verzet u de lichtbundel naar onder; naar links verzet u deze naar boven. 1 Opmerkingen Om bij de onderste knop te kunnen, dient u het koepeltje te demonteren zoals beschreven op pag. 55. LAAG HOOG afb. 73 De stand van de achteruitkijkspiegeltjes (afb. 74) Het spiegeltje met de hand verzetten door te drukken op punt (A). A afb.
Tubeless banden Spanning voorband: 2,1 bar - 2,3 Kg/cm2 Spanning achterband: 2,2 bar - 2,4 Kg/cm2 De bandenspanning wijzigt naar gelang van de buitentemperatuur en de hoogte; meet de spanning en pas deze aan telkens als u in gebieden rijdt met grote temperatuur- en hoogteverschillen. Belangrijk De bandenspanning moet met “koude banden” worden gemeten. Om de velg van het voorwiel te beschermen op erg oneffen wegdekken, verhoogt u de bandenspanning met 0,2÷0,3 bar.
Minimumdiepte van het loopvlak NL De minimumdiepte (S, afb. 75) van de groeven in het loopvlak dient op het punt met de grootste slijtage te worden gemeten: de diepte mag niet minder dan 2 mm bedragen en in elk geval niet minder dan de wettelijk voorgeschreven diepte in het land waarin de motor wordt gebruikt.
De olie van de motor controleren (afb. 76) In het olievenstertje (1) op het koppelingsdeksel kunt u zien hoeveel olie er in de motor zit Controleer de olie als het voertuig perfect recht staat en de motor koud is. Het peil moet tussen de streepjes op het venstertje staan. Als het wat te laag is, vult u motorolie bij van het type SHELL Advance Ultra 4. Haal de vuldop (2) eraf en vul olie bij totdat het peil juist is. Steek de dop er weer op.
De bougies reinigen en vervangen (afb. 77) NL De bougies vormen een belangrijk element van het voertuig en dienen regelmatig te worden gecontroleerd. Dit is een vrij eenvoudige handeling waarmee ook wordt gecontroleerd of de motor goed functioneert. Om een bougie te controleren en eventueel te laten vervangen, contacteer u een erkende Ducati dealer die de kleur van de elektrode in het midden zal controleren: als de kleur overal even lichtbruin is, betekent dit dat de motor goed werkt.
De motorfiets reinigen Om de metalen en gelakte delen mooi glanzend te houden, moet de motorfiets regelmatig gewassen en gereinigd worden. Hoe vaak hangt af van de manier waarop u ermee rijdt, en op welke wegen de motor rijdt. Gebruik er speciale, als het kan biologisch afbreekbare, producten voor en vermijd bijtende of schurende wasmiddelen of oplosmiddelen. Opgelet Na het wassen kunnen de remmen soms minder goed werken. Smeer geen vet of olie op de remschijven waardoor het remvermogen afneemt.
Winterstalling NL Als de motorfiets een lange tijd niet wordt gebruikt, raden wij aan het volgende te doen: de motorfiets helemaal reinigen de brandstof uit de tank aftappen; via de bougiegaten een beetje motorolie in de cilinders gieten en de motor met de hand enkele keren laten draaien zodat de binnenkanten met een dun laagje olie worden bedekt; de motorfiets op de hoofdstandaard zetten; de accu losmaken en eruit halen.
TECHNISCHE KENMERKEN Gewichten Drooggewicht: 199 Kg. Gewicht met volle lading: 375 Kg. NL Opgelet Als u de motorfiets zwaarder laadt dan de voorgeschreven limieten, rendeert hij minder, en wordt hij minder handelbaar zodat u er de controle over kunt verliezen. Afmetingen (mm) (afb. 78) 780 1090 730 125 1420 2095 afb.
NL Brandstof Type dm3 (liter) Brandstoftank, met reserve van 3 dm3 (liter) Loodvrije benzine met een oorspronkelijk minimum octaannummer van 95 15,5 Smeercircuit SHELL - Advance Ultra 4 3,7 Remcircuit voor/achter en koppeling Speciale vloeistof voor hydr.systemen SHELL - Advance Brake DOT 4 — Beschermmiddel voor elektrische contacten Spray voor de behandeling van elektr. circuits SHELL - Advance Contact Cleaner — Voorvork SHELL - Advance Fork 7.
Motor Viertakt met twee in 90° in de lengte liggende "L" cilinders. Boring mm: 100 Slag mm: 63,5 Totale cilinderinhoud, cm3: 998 Compressieverhouding: 1:11,4±0,5. Max. koppel op de as (95/1/EG) kW/CV: 100/136 bij 9.750 min–1 Max. koppel op de as (95/1/CE): 106 Nm bij 8.000 min–1 Maximumtoerental, min–1: 11.500 Schema van de desmodromische distributie (afb.
Prestaties NL U haalt de maximale snelheid bij elke versnelling als u de voorschriften voor het inrijden stipt naleeft en regelmatig het voorgeschreven onderhoud uitvoert. Max. snelheid (alleen met de bestuurder): 270 Km/h. Bougies Merk: CHAMPION Type: RG 4 HC Remmen Vooraan Met twee semi-zwevende geperforeerde schijven. Materiaal: staal. Schijfdiameter: 320 mm. Hydraulisch bedieningsorgaan: hendel op rechterkant van stuur. Remoppervlak: 79 cm2. Merk van de remklauwen: BREMBO 82 Type: 34-4 zuigertjes.
Overbrenging Droge koppeling met hendel op linkerkant van het stuur. Overbrenging tussen motor en versnellingsas: tandwielen met kroontanden. Verhouding motortandwiel/koppelingstandwiel: 32/59 Constante aangrijping, 6 versnellingen met pedaal op linkerkant.
Frame NL Raamwerkconstructie: bovenste kooi in hardstalen buizen. Stuurhoek (op elke kant): 28° 30' Voor optimaal rijden op de piste kan de stuurhoek worden gewijzigd (zie pag. 62) De standaard stuurhoek voor normaal weggebruik is : Wielhoek: 24° 30' Naloop: 97 mm. Wielen Velgen in lichtmetaal met vijf spaken. Vooraan Afmetingen: 3,50x17" . Achteraan Afmetingen: 5,50x17" . Beide wielen hebben een demontabele steekas.
Ophangingen Vooraan Hydraulische vork met omgekeerde telescoop, uitwendige afstelling voor de in- en uitbeweging van de hydraulische schokdemping en de voorspanning van de veren in de veerpoten. Diameter dragende buizen: 43 mm. Vrije slag: 127 mm. Uitlaat Gekatalyseerd volgens de milieuvoorschriften. NL Beschikbare kleuren Verkrijgbaar in de kleuren: rood Ducati anniversary cod. 473.101 (PPG); geel Ducati cod. 473.201 (PPG); metallic frame en velgen.
Elektrische uitrustingen NL De volgende belangrijkste componenten: koplamp met twee op elkaar geplaatste halogeenlampen: dimlicht HB3 12V-60W; groot licht HB3 12V-60W; standlichtlampen van 12V-5W. Elektrische bedieningen op het stuur: Richtingaanwijzers, lampen 12V-10W. Claxon. Schakelaars voor remlichten. Hermetisch afgedichte accu, 12V-10 Ah. Wisselstroomdynamo 12V-480W. Elektronische regelaar, beveiligd met een zekering van 40 A naast de accu. Startmotor Denso, 12V-0,7 kW.
NL 1 A B C 4 D GOED afb. 80 4 SLECHT afb. 82 E 2 F 3 afb.
Bedradingschema stroom/ontsteking NL 01 Stuurschakelaar links 02 Sleutelcontact 03 Linker koelventilator. 04 Rechter koelventilator. 05 Startmotor 06 Startrelais 07 Accu 08 Zekering van de spanningsregelaar 09 Spanningsregelaar 10 Wisselstroomdynamo.
Kabelkleuren B Paars Bk Zwart Y Geel R Rood Lb Lichtblauw Gr Grijs G Groen Bn Bruin O Oranje P Roze Zekeringenhouder (afb. 80 e 81) NL nr. Beschrijving Waarde 1A Dimlicht en groot licht 15 A 1B Rem - claxon - knipperfunctie 20 A 1C Key on 7,5 A 1D Voeding instrumentenpaneel 3A 2E Computer 3A 2F Injectierelais 20 A Opmerkingen Het bedradingschema zit achteraan in dit boekje.
GEHEUGENSTEUNTJE VOOR ONDERHOUD NL km 1000 10000 20000 30000 40000 50000 90 Naam Ducati Service Kilometerstand Datum
DUCATIMOTOR HOLDING S.p.A. Via Cavalieri Ducati, 3 40132 Bologna, Italy Tel 39.051.6413111 Fax 39.051.406580 www.ducati.com 90 913.7.080.