Operating Instructions and Installation Instructions
NL-23
Nederlands
Energie-efficiënte werking 7.1
7 Energie-efficiënte werking
Wordt er afhankelijk van de buitentemperatuur verwarmd,
berekent de verwarmingsregelaar uit de ingestelde
verwarmingscurve en de actuele buitentemperatuur een
gewenste teruglooptemperatuur.
De verwarmingscurve moet op de berekende maximale
teruglooptemperatuur van het verwarmsysteem ingesteld
worden. Met de toetsen Warmer (⇑) en Kouder (⇓) kan
klantspecifiek de verwarmingscurve parallel naar boven of
beneden verschoven worden, om de werkelijk gewenste
ruimtetemperaturen te bereiken.
Regeling via de teruglooptemperatuur
De regeling van een warmtepomp-verwarmingssysteem via de
teruglooptemperatuur heeft de volgende voordelen:
1) Lange looptijd van de warmtepomp met verwarming van het
gehele gecirculeerde verwarmingsvolume naargelang
behoefte.
2) Registratie van de stoorwaarden van het
verwarmingssysteem
3) Een verlaging van het temperatuurverschil leidt bij een
constante teruglooptemperatuur tot lagere
vertrektemperaturen en derhalve tot een efficiëntere
werking.
OPMERKING
De verwarmingscurve dient zo hoog nodig en zo laag mogelijk ingesteld
te worden!
7.1 Instellen van een buitentemperatuurgeregelde verwarmingscurve
De verwarmingscurve moet - apart voor 1e en 2de /
3e verwarmingskring - aan de lokale en gebouwomstandigheden
zodanig aangepast worden, dat de gewenste ruimtetemperatuur
ook bij wisselende buitentemperaturen bereikt wordt. Bij een
stijgende buitentemperatuur wordt de gewenste
teruglooptemperatuur verlaagd en zorgt zodanig voor een
energie-efficiënte werking van het verwarmingssysteem.
De keuze wordt gemaakt in het menu
“instellingen – 1ste/2de/3de verwarmingskring – regeling
via – buitentemperatuur”. De gewenste verwarmingscurve kan
onder het volgende menu-item “verwarmingscurve –
eindpunt” ingesteld worden.
1) In het menu “Instellingen – verwarmingscurve eindpunt”
wordt de maximaal noodzakelijke teruglooptemperatuur met
–20 °C buitentemperatuur aangegeven. De bedoeling
hiervan is dat er een gemiddelde, constante
ruimtetemperatuur bereikt wordt, ook als de
buitentemperaturen schommelen.
2) Alle verwarmingskarakteristieken raken elkaar bij een
buitentemperatuur van +20 °C en een teruglooptemperatuur
van +20 °C, d.w.z. dat er hier geen verwarmingsvermogen
meer aangevraagd wordt. Via de balkenindicatie (toetsen
warmer ⇑ en kouder ⇓) kan deze stip tussen 5 °C en 30 °C
langs de schuin getekende as verschoven worden. Hierdoor
wordt de gehele verwarmingscurve met een constant
bedrag van 1K per balkje parallel naar boven of beneden
verschoven. Deze instelling kan de gebruiker naargelang
zijn individuele wensen uitvoeren.
3) Iedere verwarmingscurve is naar boven tot de in
“Instellingen – 1ste/2de/3de verwarmingskring – verwarm.
curve maximum ingestelde waarde” beperkt. Naar beneden
is iedere verwarmingscurve tot de waarde 15 °C (lucht-WP)
resp. 18 °C (grond- of water-WP) beperkt.
Afb. 7.1: Instelmogelijkheden voor de verwarmingscurve
%XLWHQWHPSHUDWXXU>&@
:DUPHU
9HUZDUPLQJVFXUYH
SDUDOOHOYHUVFKRYHQZDUPHUPHW
YHUZDUPLQJVFXUYHPD[LPXP&
9HUZDUPLQJVFXUYH
EYUDGLDWRUHQ
9HUZDUPLQJVFXUYH
EYYORHU
9HUZDUPLQJVFXUYHSDUDOOHO
YHUVFKRYHQNRXGHU
1RUP
WHUXJORRS
WHPSHUDWXXU
LQ&
.RXGHU










