Operating Instructions and Installation Instructions

www.dimplex.de NL-7
Nederlands
7.4
7.3 Aansluiting aan de verwarming
De aansluitingen op de warmtepomp aan verwarmingszijde zijn
voorzien van een 1 1/4" buitendraad. Bij het aansluiten aan de
warmtepomp dienen de overgangen met een sleutel te worden
vastgehouden.
Alternatief kan de verwarmingskant aansluiting ook naar rechts
geschieden. Daarvoor moeten de onderste geveldelen links en
rechts gemonteerd worden. De beide aansluitingsbuizen incl.
pijphouder moet in het apparaat van links naar rechts omgezet
worden. Daarna moeten de geveldelen weer in omgekeerde
volgorde gemonteerd worden
Voor het verwarmingswaterzijdige aansluiten van de
warmtepomp dient de verwarmingsinstallatie doorgespoeld te
worden, om mogelijk vuil, resten van isolatiemateriaal etc. te
verwijderen. Wanneer de condensor door resten en vervuiling
verstopt raakt, kan dit tot uitval van de warmtepomp leiden. Voor
installaties met een afsluitbaar verwarmingswaterdebiet,
afhankelijk van radiator- resp. thermostaatventielen, moet ter
plaatse een overstroomventiel achter de verwarmingspomp in
een verwarmingsbypass worden ingebouwd. Dit waarborgt een
minimale doorstroming van warm water door de warmtepomp en
voorkomt storingen.
Na installatie van de verwarming dient het verwarmingssysteem
te worden gevuld, ontlucht en onder druk te worden gezet.
Bij het vullen van de installatie moet op het volgende worden
gelet:
onbehandeld vul- en suppletiewater moet
drinkwaterkwaliteit hebben
(kleurloos, helder, zonder afzettingen)
het vul- en suppletiewater moet zijn voorgefilterd
(poriënwijdte max. 5µm)
Kalksteenvorming in warmwaterverwarmingsinstallaties kan niet
volledig worden voorkomen, maar is bij installaties met
voorlooptemperaturen onder 60°C verwaarloosbaar gering.
Bij warmtepompen voor gemiddelde en voor hoge temperatuur
kunnen ook temperaturen boven 60°C worden bereikt.
Daarom moeten voor het vul- en suppletiewater volgens VDI
2035 blad 1 de volgende richtcijfers aangehouden worden:
Min. debiet verwarmingswater
Het minimale debiet verwarmingswater van de warmtepomp
dient in elke bedrijfstoestand van de verwarmingsinstallatie
gegarandeerd te zijn. Deze kan b.v. door installatie van een
dubbele differentiedrukloze verdeler of van een
overstroomventiel worden bereikt. De instelling van een
overstroomventiel wordt in het hoofdstuk Inbedrijfstelling
uitgelegd. Een drastische daling onder het minimumdebiet kan
de warmtepomp volledig verwoesten doordat de
plaatwarmtewisselaar in de koelkringloop bevriest.
OPMERKING
Het gebruik van een overloopventiel is alleen bij vloer- of
wandverwarming en een max. debiet verwarmingswater van 1,3 m³/h aan
te bevelen. Bij veronachtzaming kunnen er storingen in de installatie
ontstaan.
Vorstbeveiliging
Warmtepompen die aan vorst blootstaan, dienen met de hand te
worden geleegd (zie afbeelding). Indien de
warmtepompmanager en de verwarmings-circulatiepomp
bedrijfsklaar zijn, werkt de vorstbeveiliging van de
warmtepompmanager. Bij buitenbedrijfstelling van de
warmtepomp of bij stroomuitval moet de installatie worden
geleegd. Bij warmtepompsystemen waarbij stroomuitval niet
herkend kan worden (vakantiehuis), moet de verwarmingskring
met een geschikte vorstbeveiliging worden gebruikt.
7.4 Temperatuurvoeler
Volgende temperatuurvoelers zijn reeds ingebouwd resp.
moeten extra gemonteerd worden:
Buitentemperatuur (R1) bijgevoegd
Retourtemperatuur (R2) ingebouwd
Voorlooptemperatuur (R9) ingebouwd
7.4.1 Voelerkenmerken
De aan de warmtepompmanager aan te sluiten
temperatuurvoeler moeten de in Afb. 7.1 op pag. 7 getoonde
voelerkenmerken overeenkomen. De enige uitzondering geldt
voor de buitentemperatuurvoeler die met de warmtepomp
meegeleverd wordt (zie Afb. 7.2 op pag. 8)
Afb. 7.1:Voelerkenmerken NTC-10
Totaal verwarmings-
vermogen in [kW]
Totaal aardalkaliën
in mol/m³ resp.
mmol/l
Totale
hardheid in °dH
tot 200
2,0 11,2
200 tot 600
1,5 8,4
> 600 < 0,02 < 0,11
Temperatuur in °C
-20 -15 -10 -5 0 5 10
Norm-NTC-2 in k 14,6 11,4 8,9 7,1 5,6 4,5 3,7
NTC-10 in k 67,7 53,4 42,3 33,9 27,3 22,1 18,0
15 20 25 30 35 40 45 50 55 60
2,9 2,4 2,0 1,7 1,4 1,1 1,0 0,8 0,7 0,6
14,9 12,1 10,0 8,4 7,0 5,9 5,0 4,2 3,6 3,1








 
%XLWHQWHPSHUDWXXU>&@
:HHUVWDQGVZDDUGH>N2KP@