Users Guide

306 Onderdelen toevoegen en vervangen
De systeemkaart vervangen
1
Onderdelen van de oude op de nieuwe systeemkaart overzetten:
a
Verwijder de geheugenmodules en installeer ze op de systeemkaart
(zie "Geheugen" op pagina 199 voor meer informatie).
WAARSCHUWING: De processor en de koelplaat kunnen heet worden. Laat de
processor en de koelplaat lang genoeg afkoelen voordat u ze aanraakt om te
voorkomen dat u brandwonden oploopt.
b
Verwijder de processor van de huidige systeemkaart en zet de
processor over op de vervangende systeemkaart. Zie "Processor" op
pagina 191 voor meer informatie.
2
Stel de jumpers op de vervangende systeemkaart hetzelfde in als die op de
oude systeemkaart (zie "Systeemkaartcomponenten" op pagina 29).
OPMERKING: Sommige componenten en connectoren op de systeemkaart
kunnen zich op een andere plaats bevinden dan de overeenkomende connectoren
op de oude systeemkaart.
3
Richt de vervangende systeemkaart uit door de schroefgaten in de
onderkant van de systeemkaart op één lijn te brengen met de
overeenkomende gaten in het chassis van de computer.
4
Plaats de 9 schroeven om de systeemkaart te bevestigen en schroef ze vast.
5
Plaats de koelplaat terug en draai de vier kopschroeven vast om de
koelplaat aan de systeemkaart te bevestigen.
6
Breng alle componenten en kabels die u van de systeemkaart hebt
verwijderd/losgemaakt weer aan op hun plaats.
7
Sluit alle kabels aan op de bijbehorende aansluitingen aan de achterkant
van de computer.
8
Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op
pagina 173).
KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst
in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer.
9
Sluit uw computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan.