Users Guide

124 Problemen oplossen
ALS HET AAN/UIT-LAMPJE IS UITGESCHAKELD De computer is uitgeschakeld of
krijgt geen stroom.
Steek de stroomkabel terug in de stroomkabelconnector aan de achterkant van de
computer en het stopcontact.
Omzeil contactdozen, verlengkabels en andere voedingsbeschermingsapparaten om te
controleren of de computer aangaat.
Zorg dat alle contactdozen die worden gebruikt, in een stopcontact zijn gestoken en
zijn ingeschakeld.
Controleer of het stopcontact goed werkt door deze te testen met een apparaat,
bijvoorbeeld een lamp.
Controleer of de hoofdvoedingskabel en de kabel van het frontpaneel goed op de
systeemkaart zijn aangesloten (zie "Systeemkaartcomponenten" op pagina 29).
ALS HET AAN/UIT-LAMPJE ORANJE KNIPPERT De computer krijgt stroom, maar
er is een probleem met de interne stroom.
Ga na of de stroomselectieschakelaar zo is ingesteld dat deze overeenkomt met de
netstroom op uw locatie (indien toepasbaar).
Ga na of alle componenten en kabels correct zijn geïnstalleerd en aangesloten op de
systeemkaart (zie "Systeemkaartcomponenten" op pagina 29).
ALS HET AAN/UIT-LAMPJE ORANJE BRANDT Mogelijk is er een apparaat dat niet
goed werkt of onjuist is geïnstalleerd.
Controleer of de voedingskabel van de processor goed is aangesloten op de
voedingskabelconnector van de systeemkaart (POWER2) (zie
"Systeemkaartcomponenten" op pagina 29).
Verwijder alle geheugenmodules en installeer ze opnieuw (zie "Geheugen" op
pagina 199).
HEF INTERREFERENTIE OP Enkele mogelijke oorzaken van interferentie zijn:
Stroom-, toetsenbord- en muisverlengkabels
Te veel apparaten aangesloten op dezelfde contactdoos
Meerdere contactdozen aangesloten op hetzelfde stopcontact