Dell Precision™ T5400 Gebruikshandleiding Model DCTA w w w. d e l l . c o m | s u p p o r t . d e l l .
Opmerkingen, kennisgevingen en waarschuwingen OPMERKING: Een OPMERKING duidt belangrijke informatie aan voor een beter gebruik van de computer. KENNISGEVING: Een KENNISGEVING duidt potentiële schade aan hardware of potentieel gegevensverlies aan en vertelt u hoe het probleem kan worden vermeden. WAARSCHUWING: Een WAARSCHUWING duidt het risico van schade aan eigendommen, lichamelijk letsel of overlijden aan.
Inhoud 1 Informatie zoeken . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 2 Over de computer . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19 Vooraanzicht van de computer (towerstand) . . . . . . Achteraanzicht van de computer (towerstand) . . . . . Connectoren op het achterpaneel (towerstand) . Vooraanzicht (desktopstand) 22 . . . . . . . . . . . . . . 24 . . . . . . . . . . . . . 26 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27 Binnenaanzicht – Vaste-schijfcompartiment naar buiten gekanteld . . . . . .
3 Geavanceerde functies . . . . . . . . . . . . . . LegacySelect-technologiebeheer . Beheerbaarheid . . . . . . . . . . . 45 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45 Alert Standard Format . . . . . . . . . . . . . . . Dell OpenManage™ IT Assistant . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47 . . . . . . . . . . 50 RAID-niveau 0 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50 RAID-niveau 1 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51 RAID-niveau 5 . . . . . . . . . . . . .
De computer beveiligen Open-chassisdetectie . . . . . . . . . . . . . 79 . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79 De chassisintrusieschakelaar verwijderen . . . . De chassisintrusieschakelaar terugplaatsen . . . 80 . . 81 . . . . . . . . . . . . . . . . . 81 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82 De chassisintrusieschakelaar opnieuw instellen . Beveiligingskabelslot . Wachtwoorden 79 Informatie over wachtwoorden . . . . . . . . . .
System Setup . Overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 93 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 93 System Setup openen System Setup-opties . . . . . . . . . . . . . . . . . . 93 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94 Boot Menu (opstartmenu) Optie-instellingen . . . . . . . . . . . . . . . . . 103 . . . . . . . . . . . . . . . . . 103 De opstartbron selecteren voor de huidige opstartprocedure . . . . . . . . . . . . . . . . . .
9 Problemen oplossen Problemen oplossen . . . . . . . . . . . . . . . 113 . . . . . . . . . . . . . . . . . . Batterijproblemen 113 . . . . . . . . . . . . . . . . . Problemen met stations 114 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 117 E-mail- en internetproblemen Foutberichten 113 . . . . . . . 118 . . . . . . . . . . . . . . 119 Problemen met IEEE 1394-apparaten Toetsenbordproblemen . . . . . . . . . 119 . . . . . . . . . . . . .
Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) Wanneer u Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) gebruikt . . . . . . . . . . . 147 . . . . . . . . . . . . 147 Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) starten vanaf de vaste schijf . . . . . . . . . . . . Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) starten vanaf de schijf Drivers and Utilities (stuur- en hulpprogramma's) . . . . . . . . . . . . Hoofdmenu Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) 11 Software opnieuw installeren . Stuurprogramma's . . . . . . . . . . . . . . . . .
De computerkap en het frontpaneel verwijderen . . . 165 . . . . . . . . . . . 165 . . . . . . . . . . . . 167 De computerkap verwijderen Het frontpaneel verwijderen De vaste-schijfhouder uit de computer draaien . . . 168 De computerkap en het frontpaneel terugplaatsen . . . . 170 . . . . . . . . . 171 . . . . . . . . . . . 173 De vaste-schijfhouder weer in de computer draaien . . . . . . . . Het frontpaneel terugplaatsen . . . . . . . . . . 173 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Geheugen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Overzicht van volledig gebuffered DIMM-geheugen (FBD) . . . . . . . . . . . . . . Geheugen adresseren bij configuraties met 4 GB of meer (alleen 32-bits besturingssystemen) . 201 Geheugen verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . 202 Geheugen installeren . . . . . . . . . . . . . . . . 203 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 206 . . . . . 206 Een uitbreidingskaart installeren . . . . . . . . . .
Problemen met de bestelling Productinformatie . . . . . . . . . . . . . . 310 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 310 Producten retourneren voor reparatie onder garantie of restitutie . . . . . . . . . . . . Voordat u belt . . . . . . 310 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 311 Contact opnemen met Dell 14 Bijlage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . FCC-kennisgeving (alleen V.S.) FCC klasse B 313 . . . . . . . . . . . . . . . 315 . . . . . . . . . . . . . 315 .
Inhoud
Informatie zoeken OPMERKING: Sommige functies of media kunnen optioneel zijn en niet bij uw computer zijn geleverd. Sommige functies of media zijn in bepaalde landen niet beschikbaar. OPMERKING: Mogelijk is er bij uw computer aanvullende informatie geleverd. Waar bent u naar op zoek? Hier kunt u het vinden • Een diagnostisch programma voor de De schijf Drivers and Utilities computer Documentatie en stuurprogramma's zijn al • Stuurprogramma's voor de computer geïnstalleerd op de computer.
Waar bent u naar op zoek? • De computer instellen Hier kunt u het vinden Naslaggids • De computer onderhouden OPMERKING: Dit document kan optioneel zijn en niet bij uw computer zijn geleverd.
Waar bent u naar op zoek? • Serviceplaatje en code voor expressservice Hier kunt u het vinden Serviceplaatje en Microsoft® Windows®licentie • Microsoft Windows-licentielabel Deze labels bevinden zich op de computer. • Gebruik het serviceplaatje om de computer te identificeren als u gebruikmaakt van support.dell.com of contact opneemt met de technische ondersteuning.
Waar bent u naar op zoek? • Oplossingen — Hints en tips voor probleemoplossing, artikelen van technici, on line cursussen en veelgestelde vragen • Community — On line discussies met andere gebruikers van Dell-producten • Upgrades — Upgrade-informatie over onderdelen als het geheugen, de vaste schijf en het besturingssysteem • Klantenservice — Contactgegevens, de status van reparatieverzoeken en bestellingen, informatie over garantie en reparatie • Service en ondersteuning — De status van reparatieverzoeken,
Waar bent u naar op zoek? • Desktop System Software (DSS) — Als u het besturingsysteem van de computer opnieuw installeert, moet u het DSS-hulpprogramma ook opnieuw installeren. DSS biedt essentiële updates voor uw besturingssysteem en ondersteuning voor processors, optische stations, USB-apparaten en meer. DSS is nodig voor een juiste werking van de Dell-computer. De software spoort automatisch de computer en besturingssysteem op en installeert de juiste updates voor de configuratie.
Waar bent u naar op zoek? Hier kunt u het vinden Het besturingssysteem is al op de computer geïnstalleerd. Wanneer u het besturingssysteem opnieuw wilt installeren, moet u het medium met het besturingssysteem gebruiken (zie "Windows XP of Windows Vista opnieuw installeren" op pagina 160). Nadat u uw besturingssysteem opnieuw hebt geïnstalleerd, gebruikt u de schijf Drivers and Utilities om de stuurprogramma's opnieuw te installeren voor de apparaten die zijn meegeleverd met uw computer.
Over de computer Vooraanzicht van de computer (towerstand) 1 2 12 11 3 4 10 9 8 5 6 7 1 bovenste 5,25-inch stationscompartiment Gebruik dit compartiment voor een optisch station. 2 onderste 5,25-inch stationscompartiment Gebruik dit compartiment voor een optioneel optisch station. 3 FlexBay Gebruik dit compartiment voor een optionele derde vaste schijf (SATA of SAS), een diskettestation of een mediakaartlezer.
4 activiteitenlampje vaste schijf Het lampje van de vaste schijf brandt wanneer de computer gegevens leest van of schrijft naar de vaste schijf. Het lampje brandt soms ook wanneer een apparaat, zoals het cd-station, is ingeschakeld. 5 IEEE 1394-connector (optioneel) Gebruik de optionele IEEE 1394-connector voor apparaten met hoge gegevenssnelheden zoals digitale videocamera's en externe opslagapparaten. 6 USB 2.
Achteraanzicht van de computer (towerstand) 1 2 3 1 voedingsconnector Sluit de stroomkabel aan. 2 kaartsleuven Toegang tot connectoren voor geïnstalleerde PCI- of PCI Express-kaarten. De middelste vier connectorsleuven ondersteunen vollelengte kaarten en de connectorsleuven aan de boven- en onderkant (één x8 PCI Express-sleuf (bedraad als 4) en één PCI-X-kaart) ondersteunen halve-lengte kaarten.
Connectoren op het achterpaneel (towerstand) 1 2 8 22 3 9 4 5 6 7 10 1 parallelle connector Sluit een parallel apparaat, bijvoorbeeld een printer, aan op de parallelle connector. Als u een USB-printer hebt, moet u deze aansluiten op een USB-connector. De geïntegreerde parallelle connector wordt automatisch uitgeschakeld als de computer een geïnstalleerde kaart detecteert met een connector die voor hetzelfde adres is geconfigureerd.
5 verbindingsintegriteitslampje Groen — Er is een goede verbinding tussen een 10-Mbps netwerk en de computer. Oranje — Er is een goede verbinding tussen een 100-Mbps netwerk en de computer. Geel — Er is een goede verbinding tussen een 1000-Mbps (of 1-Gbps) netwerk en de computer. Uit — De computer detecteert geen fysieke verbinding met het netwerk.
Vooraanzicht (desktopstand) 1 2 12 3 11 4 10 5 9 6 7 8 1 bovenste 5,25-inch stationscompartiment Gebruik dit compartiment voor een optisch station. 2 onderste 5,25-inch stationscompartiment Gebruik dit compartiment voor een optionele optisch station of een SATA vaste schijf. 3 FlexBay Gebruik dit compartiment voor een diskettestation of een mediakaartlezer.
5 USB 2.0connectoren (2) Gebruik de voorste USB-connectoren voor apparaten die u af en toe aansluit, zoals sleutels met flashgeheugen of camera's of opstartbare USB-apparaten (zie "System Setup" op pagina 93 voor meer informatie over het opstarten vanaf een USB-apparaat). Het is raadzaam om de USB-connectoren aan de achterzijde te gebruiken voor apparaten die gewoonlijk altijd aangesloten zijn, zoals printers en toetsenborden.
Achteraanzicht (desktopstand) 1 26 2 3 1 connectoren op het achterpaneel Steek seriële, USB- en andere apparaten in de juiste connectoren. 2 kaartsleuven Toegang tot connectoren voor geïnstalleerde PCI- of PCI Express-kaarten. Sleuven 2-4 ondersteunen volle-lengte kaarten: • twee PCI Express x16-sleuven • één PCI-sleuf Sleuven 1, 5 en 6 ondersteunen halve-lengte kaarten: • twee PCI-X-sleuven • één PCI Express x8-sleuf 3 voedingsconnector Sluit de stroomkabel aan.
Binnenaanzicht 1 2 5 4 3 1 voeding 2 kantelbaar vaste-schijfcompartiment 3 FlexBay 4 onderste 5,25-inch stationscompartiment 5 bovenste 5,25-inch stationscompartiment Over de computer 27
Binnenaanzicht – Vaste-schijfcompartiment naar buiten gekanteld 1 2 3 5 4 28 1 voeding 2 systeemkaart 4 voorste ventilator 5 kaartventilator Over de computer 3 geheugenventilator
Systeemkaartcomponenten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 28 15 16 17 27 18 19 26 25 24 23 22 21 Over de computer 20 29
1 connector voor primaire processor (CPU_0) 2 connector voor secundaire processor (CPU_1) 3 connector voorste ventilator (FAN_FRONT) 4 kaartframeventilator (FAN_CCAG) 5 interne-luidsprekerconnector (INT_SPKR) 6 voedingsconnector (POWER2) 7 USB (INT_USB) 8 wachtwoordjumper (PSWD) 9 LED-connector extra vaste schijf (AUX_LED) 10 extra aan/uit-LED (AUX_PWR) 11 RTC resetjumper (RTCRST) 12 batterijhouder (BATTERY) 13 hoofdvoedingsconnector (POWER1) 14 SATA-connectoren (SATA_2, SATA_3 en
Wisselen tussen tower- en desktopstand WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. WAARSCHUWING: U beschermt zich tegen elektrische schokken door de stekker uit het stopcontact te halen voordat u de computerkap opent.
1 Volg de procedures in "Voordat u begint" op pagina 163. 2 Verwijder de computerkap (zie "De computerkap verwijderen" op pagina 165). 3 Als u de configuratie verandert van een towermodus in een desktopmodus, zoekt u de reservekaartvasthouder naast de kaartventilator, trekt u het borglipje uit het omringende metaal omhoog uit het chassis. 1 2 1 reservekaartvasthouder 2 kaartventilator 4 Verwijder het stationspaneel (zie "Het stationspaneel verwijderen" op pagina 249).
6 Als er metalen afschermingen in de computer zitten (zie "Informatie over metalen afschermingen aanwezig bij sommige stationsconfiguraties" op pagina 220), verwijdert u deze door ze uit de optische compartimenten te trekken of uit de FlexBay (alleen in de towermodus).
c Til het metalen inzetstuk uit de computer en maak daarbij de bovenste schroeven en de metalen lipjes los van het omringende metaal. 1 2 1 FlexBay 2 metalen inzetstuk met ventilatieopeningen 8 Verwijder alle stations die in de optische stationscompartimenten zijn geïnstalleerd (zie "Optisch station" op pagina 288). 9 Als er een schijf in de FlexBay is geïnstalleerd, moet u die verwijderen (zie "Kaarten" op pagina 206).
13 Als er een vaste schijf is geïnstalleerd in het 5,25-inch compartiment en u de configuratie verandert van desktop in tower, haalt u de vaste schijf uit de stationshouder en draait u vier schroeven in de voorste vier gaten aan de zijkanten van de vaste schijf. Als er een vaste schijf in de FlexBay was geïnstalleerd en u de configuratie verandert van tower in desktop, verwijdert u de vier schroeven en installeert u de vaste schijf in de schijfhouder (zie "Vaste schijf" op pagina 225).
1 2 1 FlexBay 2 metalen inzetstuk met ventilatieopeningen 16 Installeer het nieuwe stationspaneel (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253). 17 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap verwijderen" op pagina 165). 18 Controleer of de computer goed werkt door "Dell Diagnostics (Delldiagnostiek)" op pagina 147 uit te voeren.
Specificaties OPMERKING: Aanbiedingen verschillen per regio. Klik op Start→ Help en ondersteuning en selecteer de optie om meer informatie weer te geven over de configuratie van uw computer.
Systeeminformatie Systeemchipset Intel 5400 Gegevensbusbreedte 64 bits DRAM-busbreedte Quad-channel volledig gebufferde DIMM Busbreedte processoradres 38 bits Flash-EPROM 8 Mbit Grafische bus twee PCI Express 2.
Uitbreiding connector één connectorgrootte 120 pins gegevensbreedte connector (maximum) 32 bits bussnelheid 133 MB/s PCI-X connectoren twee connectorgrootte 188 pins gegevensbreedte connector (maximum) 64 bits bussnelheid 800 MB/s PCI Express x8 (bedrading als x4) (SLOT1_PCIE) connectoren één x8 (ondersteuning van x8, x4 en x1 modi/kaarten; maximale verbindingsbreedte van x4) connectorgrootte 98 pins gegevensbreedte connector (maximum) 4 PCI Express lanes bussnelheid 2,5 GB/s/lane/ric
Poorten en connectoren (vervolg) Serieel twee 9-pins connectoren; 16550C-compatible Parallel 25-polige connector (bidirectioneel) IEEE 1394 (optioneel) één 6-pins connector op frontpaneel en één 6-pins connector op achterpaneel Netwerkadapter RJ45-connector PS/2 (toetsenbord en muis) twee 6-pins mini-DIN USB twee USB 2.
Toetsencombinaties start de ingesloten System Setup (alleen tijdens het opstarten) of start het menu Opstartbron (alleen tijdens het opstarten) start de partitie met het hulpprogramma (indien geïnstalleerd) tijdens het opstarten voert de ingebouwde diagnostiek uit Schakelaars en lampjes Aan/uit-schakelaar drukknop Aan/uit-lampje Frontpaneel: groen lampje—knipperend groen wanneer het systeem zich in de slaapstand bevindt; permanent groen als het sys
Voeding Gelijkstroom Wattage 875 W Warmteafgifte 1094W of 3732BTU/uur OPMERKING: De warmteafgifte is berekend op basis van het wattage van de voeding.
Omgeving (vervolg) Maximumimpact In bedrijf 40 G +/- 5% met een interval van 2 msec +/- 10% (equivalent aan 20 in/sec [51 cm/sec]) Opslag 105 G +/- 5% met een interval van 2 msec +/- 10% (equivalent aan 50 in/sec [127 cm/sec]) Hoogte (maximum) In bedrijf –15,2 t/m 3048 m Opslag –15,2 t/m 10 668 m Over de computer 43
Over de computer
Geavanceerde functies LegacySelect-technologiebeheer LegacySelect aansturingstechnologie biedt legacy-full, legacy-reduced, of legacy-free oplossingen, gebaseerd op algemene platforms, harddiskarchitectuur en helpdeskprocedures. Het beheer wordt aan de beheerder geboden via System Setup, Dell OpenManage™ IT Assistant of Dell Custom Factory Integration.
Waarschuwing Omschrijving Chassis: Chassis open – Het computerchassis is geopend of de storing Fysieke "chassis open" is verholpen. beveiligingsfout/Chassis open – Fysieke beveiligingsfout verholpen Boot (opstarten): BIOS-fout BIOS bij het initiëren niet volledig geladen. bij het opstarten Wachtwoord: Ongeldig systeemwachtwoord Het systeemwachtwoord is ongeldig (de waarschuwing verschijnt na drie mislukte pogingen). CPU: CPU DOA waarschuwing/CPU DOA waarschuwing opgeheven De processor werkt niet.
Dell OpenManage™ IT Assistant IT Assistant configureert, beheert en controleert computers en andere apparatuur in een bedrijfsnetwerk. IT Assistant beheert de inventaris, configuraties, events (waarschuwingen) en beveiliging van computers die zijn uitgerust met industry-standard beheersoftware. Het ondersteunt instrumentatie die voldoet aan de SNMP-, DMI- en CIM-normen. Dell OpenManage Client Instrumentation, gebaseerd op DMI en CIM, is beschikbaar voor uw computer.
OPMERKING: De slaapstand en/of stand-bystand moet(en) worden ondersteund door alle in de computer geënstalleerde componenten en ook moeten de juiste stuurprogramma's zijn geïnstalleerd om naar deze energiebesparende modi te kunnen overschakelen. Raadpleeg de documentatie van de fabrikant bij elk onderdeel voor meer informatie. • Standby. In deze slaapstand wordt het stroomverbruik van een aantal componenten gereduceerd of uitgeschakeld. Het systeemgeheugen blijft echter geactiveerd.
Slaapmodus Activeringsmogelijkheden (Windows XP) Slaapstand • Op de aan/uit-knop drukken • Auto Power On (automatisch aan) • Energiebeheergebeurtenis Afsluiten • Op de aan/uit-knop drukken • Auto Power On (automatisch aan) • Energiebeheergebeurtenis OPMERKING: Zie voor meer informatie over energiebeheer de documentatie die bij het besturingssysteem werd geleverd.
Informatie over RAID-configuraties Dit gedeelte geeft een overzicht van de RAID-configuratie die u mogelijk hebt geselecteerd toen u de computer kocht. Hoewel er in de computerindustrie diverse RAID-configuraties beschikbaar zijn voor verschillende doeleinden, ondersteunt de Dell Precision-computer RAID-niveau 0, 1 of 5.
seriële ATA RAID geconfigureerd voor RAID-niveau 0 segment 1 segment 2 segment 3 segment 4 segment 5 segment 6 vaste schijf 1 vaste schijf 2 Een ander voordeel van een RAID-niveau 0 configuratie is dat de volledige opslagcapaciteit van de stations wordt benut. Als u twee 120 GB-stations hebt geïnstalleerd, hebt u 240 GB ruimte voor gegevensopslag.
seriële ATA RAID geconfigureerd voor RAID-niveau 1 segment 1 segment 1 gekopieerd segment 2 segment 2 gekopieerd segment 3 segment 3 gekopieerd segment 4 segment 4 gekopieerd segment 5 segment 5 gekopieerd segment 6 segment 6 gekopieerd vaste schijf 1 vaste schijf 2 Wanneer er een schijfstoring optreedt, worden lees- en schrijfbewerkingen automatisch omgeleid naar het overgebleven station.
Omdat pariteitsgegevens relatief weinig ruimte innemen in vergelijking met de werkelijk opgeslagen gegevens, is één vaste schijf voldoende als pariteitsopslag voor een willekeurig aantal gegevensopslagstations. Niet alle pariteitsgegevens worden echter naar dezelfde schijf geschreven. Bij elk nieuw gegevensblok dat naar de RAID-configuratie wordt geschreven, werken de verschillende stations afwisselend als opslag- of pariteitsschijf.
De computer configureren voor RAID De computer kan op een later tijdstip worden geconfigureerd voor RAID, ook als u tijdens de aanschaf van de computer niet voor een RAID-configuratie hebt gekozen. Wanneer u een RAID-configuratie wilt kunnen maken, moeten er minimaal twee harde schijven in de computer zijn geïnstalleerd. Zie "Kaarten" op pagina 206 voor instructies over het installeren van een vaste schijf.
De computer configureren voor RAID met de Intel Matrix Storage Manager OPMERKING: Deze procedure is alleen mogelijk als u de computer met een RAIDconfiguratie hebt besteld.
4 Klik in het scherm Select Volume Location (schijflocatie selecteren) op de eerste vaste schijf die u wilt opnemen in de RAID niveau 0-schijf en klik op de pijl naar rechts. 5 Klik op een tweede vaste schijf. Wanneer u een derde vaste schijf aan de RAID niveau 0-schijf wilt toevoegen, klikt u op de pijl naar rechts en daarna op de derde vaste schijf totdat er in het venster Selected (geselecteerd) drie schijven worden weergegeven, waarna u ten slotte op Volgende klikt.
7 Klik in het venster Specify Volume Size (schijfgrootte opgeven) op de gewenste optie van Volume Size (schijfgrootte) en daarna op Volgende. 8 Klik op Voltooien om de schijf te maken of klik op Terug om de wijzigingen aan te brengen. 9 Volg de Microsoft Windows-procedures voor het maken van een partitie op de nieuwe RAID-schijf. Een RAID-niveau 5 configuratie maken KENNISGEVING: Wanneer u deze bewerking uitvoert, gaan alle gegevens op de RAID-schijven verloren.
Een RAID-volume verwijderen KENNISGEVING: Met deze procedure wordt niet alleen de RAID niveau 1-schijf verwijdert, maar wordt deze ook in twee niet-RAID-schijven met een partitie opgesplitst, waarbij alle bestaande gegevensbestanden intact blijven. Bij het verwijderen van een RAID niveau 0- of 5-schijf gaan echter alle gegevens op de schijf verloren. 1 Klik op Start en wijs naar Programma's→ Intel(R) Matrix Storage Manager→ Intel Matrix Storage Console om het Intel-opslagprogramma te starten.
Migreren naar een RAID niveau 0-configuratie 1 Stel de computer in op de modus RAID-enabled (zie "De computer instellen op de modus RAID-enabled (RAID ingeschakeld)" op pagina 54). 2 Klik op Start en wijs naar Alle programma's→ Intel(R) Matrix Storage Manager→ Intel Matrix Storage Console om het Intel-opslagprogramma te starten.
Migreren naar een RAID niveau 1-configuratie 1 Stel de computer in op de modus RAID-enabled (zie "De computer instellen op de modus RAID-enabled (RAID ingeschakeld)" op pagina 54). 2 Klik op Start en wijs naar Alle programma's→ Intel(R) Matrix Storage Manager→ Intel Matrix Storage Console om het Intel-opslagprogramma te starten.
Migreren naar een RAID niveau 5-configuratie 1 Stel de computer in op de modus RAID-enabled (zie "De computer instellen op de modus RAID-enabled (RAID ingeschakeld)" op pagina 54). 2 Klik op Start en wijs naar Alle programma's→ Intel(R) Matrix Storage Manager→ Intel Matrix Storage Console om het Intel-opslagprogramma te starten.
Een reserveschijf maken KENNISGEVING: Een reserve vaste schijf moet ten minste net zo groot zijn als de grootste van de twee schijven in de RAID-configuratie die deze ondersteunt. Anders werkt de reserveschijf niet. Het RAID-hulpprogramma zal het niet melden als u een schijf selecteert die niet groot genoeg is. Met een RAID niveau 1-configuratie kunt u een reserveschijf maken.
De computer configureren voor RAID met het Intel®-hulpprogramma RAID Option ROM KENNISGEVING: Wanneer u de volgende procedure gebruikt om een RAIDconfiguratie te maken, raakt u alle gegevens op uw vaste schijven kwijt. Maak daarom voordat u verdergaat een back-up van alle gegevens die u wilt behouden. KENNISGEVING: Gebruik de volgende procedure alleen als u het besturingssysteem opnieuw installeert.
10 Druk op om te bevestigen dat u de RAID-volume wilt maken. 11 Bevestig dat de juiste volumeconfiguratie is weergegeven op het hoofdscherm van het Intel-hulpprogramma RAID Option ROM. 12 Gebruik de pijlen omhoog en omlaag om Exit (afsluiten) te selecteren en druk op . 13 Installeer het besturingssysteem (zie "Windows XP of Windows Vista opnieuw installeren" op pagina 160).
12 Installeer het besturingssysteem (zie "Windows XP of Windows Vista opnieuw installeren" op pagina 160). Een RAID-niveau 5 configuratie maken KENNISGEVING: Wanneer u de volgende procedure gebruikt om een RAIDconfiguratie te maken, raakt u alle gegevens op uw vaste schijven kwijt. Maak daarom voordat u verdergaat een back-up van alle gegevens die u wilt behouden. 1 Stel de computer in op de modus RAID-enabled (zie "De computer instellen op de modus RAID-enabled (RAID ingeschakeld)" op pagina 54).
Een RAID-volume verwijderen KENNISGEVING: Wanneer u deze bewerking uitvoert, gaan alle gegevens op de RAID-schijven verloren. KENNISGEVING: Als de computer momenteel vanaf RAID opstart en u verwijdert de RAID-volume in het Intel-hulpprogramma RAID Option ROM, wordt de computer onopstartbaar. 1 Druk op wanneer u gevraagd wordt om het Intel-hulpprogramma RAID Option ROM te openen. 2 Gebruik de pijlen omhoog en omlaag om Delete RAID Volume (RAIDvolume verwijderen) te markeren en druk op .
De computer installeren De computer in een kast installeren Wanneer u de computer in een kast installeert, kunt u de luchtstroom beperken, waardoor de prestaties van de computer kunnen verslechteren en deze mogelijk oververhit raakt. Volg de richtlijnen hieronder wanneer u de computer in een kast installeert: KENNISGEVING: De bedrijfstemperatuur die in deze handleiding is opgegeven, geeft de maximale bedrijfstemperatuur van de werkruimte weer.
• 68 Als de computer in een hoek wordt geplaatst of onder een bureau, moet u ervoor zorgen dat er minstens 5,1 cm tussen de achterkant van de computer en de muur vrij is om te zorgen dat er genoeg lucht kan worden aangezogen voor ventilatie.
KENNISGEVING: Installeer de computer niet in een kast zonder luchtstroom. Als u de luchtstroom tegenhoudt, verslechtert u de prestaties van de computer, waardoor deze oververhit kan raken. Verbinding maken met internet OPMERKING: Internetaanbieders en hun aanbod verschillen per land. Zie "E-mail- en internetproblemen" op pagina 116 voor meer informatie over het oplossen van problemen met e-mail en internet.
• Inbelverbindingen die internettoegang via een telefoonlijn bieden. Inbelverbindingen zijn aanzienlijk trager dan DSL-, kabelmodem- en satellietmodemverbindingen. • Draadloze LAN-verbindingen die internettoegang via de draadloze Bluetooth®-technologie bieden. Als u een inbelverbinding gebruikt, moet u een telefoonlijn verbinden met de modemconnector op de computer en met de telefoonwandaansluiting voordat u de internetverbinding tot stand brengt.
4 Klik in het volgende venster op de juiste optie: • Als u nog geen internetaanbieder hebt en er één wilt selecteren, klikt u op Ik wil zelf een Internet-provider in een lijst selecteren. • Als u al installatie-informatie van uw internetaanbieder hebt gekregen, maar nog geen installatie-cd, klikt u op Ik wil handmatig een verbinding instellen. • Hebt u wel een cd, dan klikt u op Ik heb een cd-rom met software van een Internet-provider. 5 Klik op Volgende.
OPMERKING: Als u niet weet welk verbindingstype u moet selecteren, klikt u op Help me choose (Help me kiezen) of neemt u contact op met de aanbieder. 5 Volg de instructies op het scherm en gebruik de installatie-informatie van de internetaanbieder om de installatie te voltooien. Informatie naar een nieuwe computer overbrengen Met de wizards van het besturingssysteem kunt u bestanden en andere gegevens van de ene naar de andere computer overbrengen, bijvoorbeeld van een oude naar een nieuwe computer.
Wanneer u informatie naar een nieuwe computer wilt overbrengen, moet u de wizard Bestanden en instellingen overzetten uitvoeren. U kunt voor dit proces de optionele schijf met het besturingssysteem gebruiken of een wizardschijf maken met de wizard Bestanden en instellingen overzetten. De wizard Bestanden en Instellingen overzetten uitvoeren met de cd met het besturingssysteem OPMERKING: Voor deze procedure hebt u de cd met het besturingssysteem nodig.
7 Klik op Voltooien. De gegevens overzetten naar de nieuwe computer: 1 Klik op de nieuwe computer in het scherm Ga nu naar de oude computer op Volgende. 2 Selecteer in het scherm Waar bevinden zich de bestanden en instellingen? de gekozen methode voor het overzetten van de instellingen en bestanden en klik op Volgende. De wizard leest de verzamelde bestanden en instellingen en zet deze over naar de nieuwe computer. Zodra alle instellingen en bestanden zijn overgezet, verschijnt het scherm Voltooid.
De gegevens van de oude computer kopiëren: 1 Plaats de wizardschijf in de oude computer. 2 Klik op Start→ Uitvoeren. 3 Blader in het veld Openen van het venster Uitvoeren naar het bestand fastwiz (op het verwisselbare medium), en klik op OK. 4 Klik in het beginscherm van de wizard Bestanden en instellingen overzetten op Volgende. 5 Klik in het scherm Oude of nieuwe computer? op Oude computer→ Volgende.
Microsoft Windows Vista™ 1 Klik op de knop Start van Windows Vista en klik daarna op Bestanden en instellingen overzetten→ Windows Easy Transfer starten. 2 Klik in het dialoogvenster Gebruikersaccountbeheer op Doorgaan. 3 Klik op Een nieuwe transfer starten of Doorgaan met een reeds gestarte transfer. Volg de instructies van de wizard Windows Easy Transfer op het scherm.
Spanningsstabilisatoren KENNISGEVING: Spanningsstabilisatoren beveiligen niet tegen stroomonderbrekingen. Spanningsstabilisatoren zijn ontworpen om netspanning te behouden met een vrij constant niveau. Continue stroomvoorzieningen KENNISGEVING: Als de stroom uitvalt terwijl de gegevens op de vaste schijf worden opgeslagen, kunnen er gegevens verloren gaan of bestanden beschadigd raken. OPMERKING: Voor een maximale werkingsduur van de batterij moet u alleen de computer op een UPS aansluiten.
De computer installeren
De computer beveiligen Open-chassisdetectie WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. WAARSCHUWING: U beschermt zich tegen elektrische schokken door de stekker uit het stopcontact te halen voordat u de computerkap opent.
De chassisintrusieschakelaar terugplaatsen 1 Schuif de schakelaar voorzichtig in de sleuf en sluit de kabel weer aan op de systeemkaart. 2 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer. 3 Sluit uw computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan.
De chassisintrusieschakelaar opnieuw instellen 1 Zet de computer aan of start deze opnieuw op. 2 Wanneer het blauwe DELL™-logo verschijnt, drukt u direct op . Als u te lang wacht en het logo van het besturingssysteem wordt weergegeven, moet u blijven wachten tot het bureaublad van Microsoft® Windows® wordt weergegeven. Sluit de computer vervolgens af (zie "De computer uitschakelen" op pagina 163) en probeer het opnieuw. 3 Open System Setup (zie "System Setup" op pagina 93).
1 2 1 bevestigingspunt voor beveiligingskabel 2 beugel van hangslot Wachtwoorden Informatie over wachtwoorden OPMERKING: Wachtwoorden zijn bij levering van de computer uitgeschakeld. Een primair wachtwoord (of systeemwachtwoord), een beheerderswachtwoord en een vaste-schijfwachtwoord voorkomen op verschillende manieren onbevoegde toegang tot uw computer. In de volgende tabel staan de typen en functies van de wachtwoorden die op uw computer beschikbaar zijn.
Type wachtwoord Functies Primaire (of systeem) • Beveiligt de computer tegen onbevoegde toegang Beheerderswachtwoord • Geeft systeembeheerders of servicetechnici toegang tot computers voor reparatie of nieuwe configuratie • Hiermee beperkt u de toegang tot System Setup op dezelfde manier als een primair wachtwoord toegang tot de computer beperkt.
Een primair wachtwoord (of systeemwachtwoord) gebruiken KENNISGEVING: Wanneer u de computer zonder toezicht aan laat staan en geen systeemwachtwoord hebt toegekend, of als u de computer niet-afgesloten achterlaat zodat iemand het wachtwoord kan wijzigen door een schakelaar om te zetten, kan iedereen zich toegang verschaffen tot de gegevens die op uw vaste schijf zijn opgeslagen.
4 Typ het nieuwe wachtwoord in het veld Nieuw wachtwoord. U kunt maximaal 15 tekens gebruiken. Wanneer u een teken wilt wissen terwijl u typt, drukt u op of op de pijl naar links. Het wachtwoord is niet hoofdlettergevoelig. Sommige toetsencombinaties zijn niet toegestaan. Wanneer u een van die combinaties invoert, hoort u een pieptoon. Elke keer als u een teken intypt (of op de spatiebalk drukt voor een spatie), verschijnt in het veld een vervangende aanduiding. 5 Druk op .
Als u nogmaals een onjuist of onvolledig wachtwoord invoert, verschijnt dezelfde mededeling. Als u een derde keer een onjuist of onvolledig wachtwoord invoert, verschijnt de volgende mededeling: ** Wachtwoord onjuist. ** Aantal onjuiste invoerpogingen: 3 Systeem gestopt! De computer wordt uitgeschakeld. Ook wanneer de computer wordt uitgeschakeld en weer ingeschakeld, verschijnt de hiervoor genoemde mededeling telkens wanneer u een onjuist of onvolledig systeemwachtwoord hebt ingevoerd.
8 Controleer of Not Set (niet ingesteld) wordt weergegeven onder de instelling Systeemwachtwoord. Indien Niet ingesteld wordt weergegeven, is het systeemwachtwoord verwijderd. Wordt Not Set (niet ingesteld) niet weergegeven, dan herhaalt u stap 3 t/m stap 8. 9 Sluit System Setup af.
3 Ga met de pijltjestoetsen naar het veld Beheerderswachtwoord en druk op . 4 Typ het nieuwe wachtwoord in het veld Nieuw wachtwoord. U kunt maximaal 15 tekens gebruiken. Wanneer u een teken wilt wissen terwijl u typt, drukt u op of op de pijl naar links. Het wachtwoord is niet hoofdlettergevoelig. Sommige toetsencombinaties zijn niet toegestaan. Wanneer u een van die combinaties invoert, hoort u een pieptoon.
Een bestaand beheerderswachtwoord verwijderen of wijzigen Wanneer u een beheerderswachtwoord wilt kunnen wijzigen, moet u dit wachtwoord kennen. Wanneer u het veld wilt verlaten zonder er een systeemwachtwoord aan toe te kennen, drukt u op een willekeurig tijdstip op voordat u stap 5 voltooit. 1 Open System Setup (zie "System Setup" op pagina 93). 2 Ga met de pijltjestoetsen naar het veld Beheerderswachtwoord en druk op . 3 Typ het nieuwe wachtwoord in het veld Oud wachtwoord.
Trusted Platform Module (TPM) OPMERKING: De TPM-functie ondersteunt codering alleen als het besturingssyteem TPM ondersteunt. Zie de documentatie bij de TPM-software en de Help-bestanden die bij de software zijn geleverd voor meer informatie. TPM is een op hardware-gebaseerde beveiligingsfunctie die gebruikt kan worden om computergegenereerde coderingssleutels te maken en te beheren.
OPMERKING: U hoeft het programma slechts één keer te activeren. d Als het proces voltooid is, wordt de computer automatisch opnieuw opgestart of wordt u gevraagd deze opnieuw op te starten.
Computeropsporingssoftware Met computeropsporingssoftware kunt u de computer opsporen als deze kwijt of gestolen is. De software is optioneel en kan worden aangeschaft bij de aankoop van een Dell™-computer. U kunt ook contact opnemen met uw Dell-vertegenwoordiger voor informatie over deze beveiligingsfunctie. OPMERKING: Computeropsporingssoftware is mogelijk niet in alle landen verkrijgbaar.
System Setup Overzicht Gebruik System Setup voor de volgende taken: • De systeemconfiguratie wijzigen nadat u hardware hebt toegevoegd, gewijzigd of verwijderd. • Het instellen of wijzigen van een door de gebruiker te selecteren optie, zoals een wachtwoord. • Het lezen van de huidige hoeveelheid geheugen of het instellen van het type vaste schijf dat is geïnstalleerd.
System Setup-opties OPMERKING: Afhankelijk van de computer en de geïnstalleerde apparaten, is het mogelijk dat de items in deze sectie niet worden weergegeven of niet exact zoals in de lijst is aangegeven. Systeem System Info Geeft de computer naam, het BIOS-versie nummer, de BIOS-datum, het serviceplaatje, de code voor express-service en inventaristag weer.
Opstartvolgorde (Diskette drive is standaard) Bepaalt de volgorde waarin het systeem zoekt naar opstartbronnen tijdens het starten van het systeem. OPMERKING: Wanneer u een opstartbron toevoegt en de computer opnieuw opstart, wordt deze optie ook in het System Setup-menu weergegeven. Als u vanaf een USBgeheugenmedium wilt opstarten, selecteert u het USB-medium en verplaatst u het zo dat dit het eerste apparaat in de lijst wordt.
SMART Reporting Geeft op of fouten voor interne stations tijdens het opstarten moeten worden gemeld. (Off is standaard) Ingebouwde apparatuur Ingebouwde netwerkinterface controller (On is standaard) Geïntegreerde audio (On is standaard) USBcontroller (On is standaard) Front USB Ports Schakelt de ingebouwde NIC-controller in of uit. De instellingen zijn On, Off, On w/RPL of On w/ PXE.
Serial Port #1 (Auto is standaard) Serial Port #2 Bepaalt hoe de seriële poort werkt. Off schakelt de poort uit. Auto, de standaardinstelling, configureert een connector automatisch als een bepaalde bestemming (COM1 of COM3). Bepaalt hoe de seriële poort werkt. (Auto is standaard) Off schakelt de poort uit. Auto, de standaardinstelling, configureert een connector automatisch als een bepaalde bestemming (COM2 of COM4).
(Off is standaard) Beperkt de maximale waarde die door de standaard CPUIDfunctie van de processor wordt ondersteund. Sommige besturingssystemen voltooien de installatie niet, wanneer de maximaal ondersteunde CPUID-functie hoger is dan 3. HDD Acoustic Mode Optimaliseert de prestaties en akoestische niveaus van de vaste schijf.
Admin Password (Not Set is standaard) System Password (Not Set is standaard) SATA 0-n Password (Not Set is standaard) Password Changes (Unlocked is standaard) Hiermee geeft u de huidige status van de wachtwoordbeveiliging voor System Setup weer en kunt u een nieuw beheerderswachtwoord verifiëren en toewijzen. Hiermee geeft u de huidige status van de wachtwoordbeveiligingsfunctie voor het systeem weer en kunt u een nieuw systeemwachtwoord toewijzen en verifiëren.
Energiebeheer AC Recovery (Off is standaard) Hiermee bepaalt u hoe het systeem reageert wanneer de wisselstroom wordt hersteld na een stroomonderbreking. Off het systeem blijft uitgeschakeld nadat de stroomvoorziening is hersteld. Druk op de aan/uit-knop aan de voorkant van de computer om de computer in te schakelen. On de computer wordt ingeschakeld zodra de stroomvoorziening is hersteld. Last het systeem keert terug naar de laatste toestand waarin het zich bevond toen het werd uitgezet.
Suspend Mode Hiermee schakelt u de uitstelmodus voor de computer in. De opties zijn S1, een uitstelmodus waarbij de computer geactiveerd blijft in een energiebesparende modus, en S3, een uitstelmodus waarbij de energievoorziening van veel componenten wordt gereduceerd of uitgeschakeld, maar waarbij het systeemgeheugen wel actief blijft. Onderhoud Service Tag Geeft het serviceplaatje voor uw computer weer. ASF Mode Regelt het ASF-beheer. • On - Alle ASF 2.
Numlock Key (On is standaard) OS Install (Off is standaard) Bepaalt de functionaliteit van de numerieke toetsen rechts op het toetsenbord. Off de toetsen van het toetsenblok rechts op het toetsenbord fungeren als pijlen. On de toetsen van het toetsenblok rechts op het toetsenbord fungeren als cijfers. Bepaalt het maximaal voor het besturingssysteem beschikbare geheugen. Indien ingesteld op Off, is het hele systeemgeheugen beschikbaar voor het besturingssysteem.
Boot Menu (opstartmenu) Met deze functie kunt u de opstartvolgorde voor apparaten wijzigen. Optie-instellingen • Ingebouwd of USB-diskettestation — De computer probeert op te starten vanaf het diskettestation. Als de diskette in het station geen opstartdiskette is, het diskettestation geen diskette bevat of uw computer geen diskettestation heeft, verschijnt er een foutmelding.
3 Wanneer in de rechterbovenhoek van het scherm F2 = Setup, F12 = Boot Menu verschijnt, drukt u op . Als u te lang hebt gewacht, en het logo van het besturingssysteem verschijnt, wacht dan tot u het bureaublad van Windows ziet. Sluit de computer vervolgens af en probeer het opnieuw. Er verschijnt nu een menu. 4 Ga met de pijl omhoog of omlaag om naar het opstartbronmenu te bladeren en druk dan op om de optie te selecteren. 5 Het opstartbronmenu verschijnt.
Opstarten vanaf een USB-apparaat OPMERKING: U kunt alleen vanaf een USB-apparaat opstarten als het apparaat opstartbaar is. Om te controleren of een apparaat opstartbaar is, raadpleegt u de bijgeleverde documentatie. Geheugenmedium 1 Steek het geheugenmedium in een USB-poort en start de computer opnieuw op. 2 Wanneer er in de rechterbovenhoek van het scherm F12 = Boot Menu verschijnt, drukt u op . Het BIOS detecteert het apparaat en voegt de USB-optie toe aan het opstartmenu.
System Setup
Vergeten wachtwoorden wissen WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. KENNISGEVING: Dit proces wist zowel het systeem- als het beheerderswachtwoord. 1 Volg de procedures in "Voordat u begint" op pagina 163. Jumper Instelling PSWD Omschrijving Wachtwoordfuncties zijn ingeschakeld (standaardinstellingen). Wachtwoordfuncties zijn uitgeschakeld. RTCRST De tijdklok is niet opnieuw ingesteld (standaardinstelling).
2 Verwijder de computerkap (zie "De computerkap verwijderen" op pagina 165). 3 Zoek de 2-pins wachtwoordjumper (PSWD) op de systeemkaart en verwijder de jumperplug; leg deze opzij. Zie "Systeemkaartcomponenten" op pagina 29 voor hulp bij het zoeken naar de jumper. OPMERKING: De computer wordt geleverd met de jumperplug op de wachtwoordjumper. 4 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). 5 Sluit uw computer en monitor aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan.
CMOS-instellingen wissen WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. 1 Volg de procedures in "Voordat u begint" op pagina 163. 2 Verwijder de computerkap (zie "De computerkap verwijderen" op pagina 165). 3 De huidige CMOS-instellingen resetten: a Zoek de wachtwoord- en CMOS-jumpers (RTCRST) op de systeemkaart (zie "Systeemkaartcomponenten" op pagina 29. b Verwijder de wachtwoordjumperplug van de pinnen.
5 Klik op Dit programma opslaan op schijf en daarna op OK. Het venster Opslaan in verschijnt. 6 Klik op de pijl-omlaag om het menu van Opslaan in weer te geven, selecteer Bureaublad en klik daarna op Opslaan. Het bestand wordt op het bureaublad gedownload. 7 Klik op Sluiten wanneer het venster Het downloaden is voltooid verschijnt. Het bestandspictogram verschijnt op het bureaublad. Dit heeft dezelfde naam als het gedownloade BIOS-updatebestand.
De computer reinigen WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. Computer, toetsenbord en monitor WAARSCHUWING: Haal de stekker uit het stopcontact voordat u de computer schoonmaakt. Maak uw computer schoon met een zachte, met water bevochtigde doek. Gebruik geen vloeibare reinigingsmiddelen of reinigingsmiddelen uit een spuitbus die ontvlambare stoffen kunnen bevatten.
Cd's en dvd's KENNISGEVING: Gebruik altijd druklucht om de lens in het optische station te reinigen en volg de instructies die met het drukluchtproduct worden meegeleverd. Raak de lens in het station nooit aan. Als er problemen optreden bij het afspelen van uw cd's of dvd's, zoals het overslaan van de cd, probeer dan eerst de disk te reinigen. 1 Houd de schijf tussen duim en wijsvinger vast. U kunt de disk ook vasthouden aan de binnenste rand rond het gat.
Problemen oplossen Problemen oplossen Maak gebruik van de volgende tips voor het oplossen van problemen met uw computer: • Als u problemen krijgt na het toevoegen of verwijderen van een onderdeel, gaat u de installatieprocedures na en controleert u of het onderdeel correct is geïnstalleerd. • Als een randapparaat niet werkt, controleert u of het apparaat goed is aangesloten. • Als er een foutmelding op het scherm verschijnt, schrijft u deze exact over.
Problemen met stations WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. ZORG ERVOOR DAT MICROSOFT® WINDOWS® HET STATION HERKENT — Windows XP: • Klik op Start en daarna op Deze computer. Windows Vista™: • Klik op de knop Starten van Windows Vista en klik op Computer. Als het station niet wordt vermeld, moet u een volledige scan uitvoeren met uw antivirussoftware om te controleren op virussen en deze te verwijderen.
STEL DE WINDOWS-VOLUMEREGELING BIJ — • Klik op het luidsprekerpictogram in de rechteronderhoek van het scherm. • Zorg ervoor dat het volume omhoog is bijgesteld door op de schuifbalk te klikken en deze omhoog te slepen. • Ga na of het geluid niet is gedempt door op een of meer ingeschakelde vakjes te klikken. Problemen met schrijven naar een optisch station S L U I T A N D E R E P R O G R A M M A ' S — Het optische station moet tijdens het schrijven een continue stroom gegevens ontvangen.
E-mail- en internetproblemen WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. C ONTROLEER DE BEVEILIGINGSINSTELLINGEN VAN M ICROSOFT O UTLOOK ® E XPRESS — Als u uw emailbijlagen niet kunt openen: 1 Klik in Outlook Express op Extra→ Opties→ Beveiliging. 2 Klik indien nodig op Geen bijlagen toestaan om het vinkje te verwijderen.
2 Klik op de COM-poort voor uw modem→ Eigenschappen→ Diagnostische gegevens→ Instellingen opvragen om te controleren of de modem communiceert met Windows. Als u op alle opdrachten respons krijgt, werkt de modem naar behoren. Windows Vista: 1 Klik op Start → Configuratiescherm→ Hardware en geluiden→ Telefoon- en modemopties→ Modems. 2 Klik op de COM-poort voor uw modem→ Eigenschappen→ Diagnostische gegevens→ Instellingen opvragen om te controleren of de modem communiceert met Windows.
4 Raadpleeg de documentatie bij het programma voor installatie-instructies. drive letter : \ I S N O T A C C E S S I B L E . H E T A P P A R A A T I S N I E T G E R E E D — Het station kan de schijf niet lezen. Plaats een schijf in het station en probeer het opnieuw. I N S E R T B O O T A B L E M E D I A ( P L A A T S E E N O P S T A R T B A A R M E D I U M ) — Plaats een opstartbare diskette, cd of dvd.
ALS ER PROBLEMEN ZIJN MET EEN IEEE 1394-APPARAAT DAT NIET DOOR DELL IS G E L E V E R D — Neem contact op met de fabrikant van het IEEE 1394-apparaat. Toetsenbordproblemen WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. CONTROLEER DE TOETSENBORDKABEL — • Controleer of de toetsenbordkabel stevig is aangesloten op de computer.
programma reageert niet meer BEËINDIG HET PROGRAMMA — 1 Druk tegelijkertijd op en om Taakbeheer te openen. 2 Klik op de tab Toepassingen. 3 Selecteer het programma dat niet meer reageert. 4 Klik op Taak beëindigen. Een programma loopt regelmatig vast OPMERKING: Bij software worden normaliter installatie-instructies geleverd in de vorm van een installatiehandleiding of op een diskette, cd of dvd.
Er verschijnt een blauw scherm S C H A K E L D E C O M P U T E R U I T — Als u geen reactie krijgt door op een toets op het toetsenbord te drukken of de muis te bewegen, moet u de aan/uit-knop minstens 8-10 seconden ingedrukt houden (totdat de computer uitgaat). Start de computer vervolgens opnieuw op.
ALS ER ANDERE PROBLEMEN MET HET GEHEUGEN ZIJN — • Druk de geheugenmodules (zie "Geheugen" op pagina 199) stevig vast om ervoor te zorgen dat de computer ermee kan communiceren. • Zorg ervoor dat u de richtlijnen voor het plaatsen van geheugenmodules volgt (zie "Geheugen installeren" op pagina 203). • Ga na of het geheugen dat u gebruikt door de computer wordt ondersteund. Zie "Geheugen" op pagina 199 voor meer informatie over het geheugen dat door de computer wordt ondersteund.
Windows Vista: 1 Klik op Start → Configuratiescherm→ Hardware en geluiden→ Muis. 2 Wijzig de instellingen, indien nodig. I N S T A L L E E R H E T M U I S S T U U R P R O G R A M M A O P N I E U W — Zie "Stuurprogramma's" op pagina 151. V O E R D E P R O B L E E M O P L O S S E R V O O R H A R D W A R E U I T — Zie "Problemen met software en hardware oplossen in Microsoft® Windows® XP en Microsoft Windows Vista™" op pagina 153.
A L S H E T A A N / U I T - L A M P J E I S U I T G E S C H A K E L D — De computer is uitgeschakeld of krijgt geen stroom. • Steek de stroomkabel terug in de stroomkabelconnector aan de achterkant van de computer en het stopcontact. • Omzeil contactdozen, verlengkabels en andere voedingsbeschermingsapparaten om te controleren of de computer aangaat. • Zorg dat alle contactdozen die worden gebruikt, in een stopcontact zijn gestoken en zijn ingeschakeld.
Printerproblemen WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. OPMERKING: Als u technische ondersteuning voor uw printer nodig hebt, moet u contact opnemen met de printerfabrikant. R A A D P L E E G D E D O C U M E N T A T I E B I J D E P R I N T E R — Raadpleeg de documentatie bij de printer voor meer informatie over de instellingen en het oplossen van problemen.
Scannerproblemen WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. OPMERKING: Als u technische ondersteuning voor uw scanner nodig hebt, moet u contact opnemen met de scannerfabrikant. R A A D P L E E G D E D O C U M E N T A T I E B I J D E S C A N N E R — Raadpleeg de documentatie bij de scanner voor installatie- en probleemoplossingsinformatie.
Geluidsproblemen WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. S T E L D E W I N D O W S - V O L U M E R E G E L I N G B I J — Klik of dubbelklik op het luidsprekerpictogram in de rechterbenedenhoek van het scherm. Controleer of het volume is ingeschakeld en het geluid niet wordt gedempt. TE S T H E T S T O P C O N T A C T — Controleer of het stopcontact goed werkt door deze te testen met een apparaat, bijvoorbeeld een lamp.
Problemen oplossen
Hulpprogramma's voor probleemoplossing Diagnostische lampjes WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. Om u te helpen bij het oplossen van een probleem beschikt uw computer over vier lampjes op het frontpaneel genummerd "1," "2," "3," en "4". De lampjes kunnen "uit" of groen zijn. Wanneer de computer normaal opstart, knipperen de lampjes.
Diagnosecodes vóór POST Diagnostische lampjes Aan/uitlampje Omschrijving probleem Mogelijke oplossing uit De computer is in een normale uit-stand of in de Windowsslaapstand. Druk op de aan-/uit-knop om de computer in te schakelen. Controleer, als de computer niet inschakelt, of het aan/uitlampje op het frontpaneel brandt. Controleer, als het lampje niet brandt, of de computer is aangesloten op een werkend stopcontact en of u de aan/uit-knop hebt ingedrukt.
Diagnostische lampjes Aan/uitlampje Omschrijving probleem Mogelijke oplossing groen Geen. De systeemhardware werkt normaal. Eventuele problemen kunnen betrekking hebben op het besturingssysteem of de software. oranje Het BIOS is niet actief. Controleer of de processor correct is geplaatst en start de computer opnieuw op (zie "Processor" op pagina 191).
Diagnostische lampjes Aan/uitlampje Omschrijving probleem oranje Er is mogelijk een fout Neem contact op met Dell in de systeemkaart voor technische opgetreden. ondersteuning (zie "Contact opnemen met Dell" op pagina 313). oranje Er is mogelijk een fout Neem contact op met Dell in de systeemkaart voor technische opgetreden. ondersteuning (zie "Contact opnemen met Dell" op pagina 313). oranje Er is mogelijk een fout Neem contact op met Dell in de systeemkaart voor technische opgetreden.
Lichtpatroon Omschrijving probleem Er is mogelijk een fout in de uitbreidingskaart opgetreden. Mogelijke oplossing 1 Ga na of er een conflict bestaat door een kaart te verwijderen (geen grafische kaart) en de computer opnieuw op te starten (zie "Kaarten" op pagina 206). 2 Als het probleem aanhoudt, plaatst u de verwijderde kaart terug, verwijdert u een andere kaart en start u de computer opnieuw op. 3 Herhaal dit proces bij elke kaart.
Lichtpatroon Omschrijving probleem Er is mogelijk een probleem met de grafische kaart. Mogelijke oplossing 1 Als de computer een grafische kaart heeft, verwijdert u deze kaart, installeert u deze opnieuw en start u de computer opnieuw op (zie "Kaarten" op pagina 206). 2 Als het probleem hiermee nog niet is opgelost, installeert u een grafische kaart en start u de computer opnieuw op.
Lichtpatroon Omschrijving probleem Er zijn geen geheugenmodules gevonden. Mogelijke oplossing 1 Druk de geheugenmodules stevig vast om ervoor te zorgen dat de computer ermee kan communiceren (zie "Geheugen" op pagina 199). 2 Start de computer opnieuw op. 3 Als het probleem hiermee nog niet is opgelost, verwijdert u alle geheugenmodules en installeert u één geheugenmodule in de geheugenmoduleconnect or DIMM_1. 4 Start de computer opnieuw op. Er verschijnt een bericht dat het geheugen niet is gepaard.
Lichtpatroon Omschrijving probleem Mogelijke oplossing 7 Als de geheugenmodule binnenkomt, schakelt u de computer uit (zie "De computer uitschakelen" op pagina 163), verwijdert u de geheugenmodule en herhaalt u het proces met de resterende geheugenmodules, totdat er een geheugenfout optreedt tijdens het opstarten of de diagnostische test. Als de eerste geteste geheugenmodule defect blijkt, moet u de procedure wel herhalen met de overige modules, om te controleren of die wel in orde zijn.
Lichtpatroon Omschrijving probleem Mogelijke oplossing Er zijn geheugenmodules • Controleer of er geen gevonden, maar er is sprake van een speciale eisen zijn voor configuratie- of compatibiliteitsfout het plaatsen van in het geheugen. geheugenmodules/connec toren (zie "Geheugen" op pagina 199). • Controleer of de geheugenmodules die u installeert, compatibel zijn met de computer (zie "Geheugen" op pagina 199). • Installeer de geheugenmodules opnieuw en start de computer opnieuw op.
Lichtpatroon Omschrijving probleem Er is mogelijk een fout in de uitbreidingskaart opgetreden. Mogelijke oplossing 1 Ga na of er een conflict bestaat door een kaart te verwijderen (geen grafische kaart) en de computer opnieuw op te starten (zie "Kaarten" op pagina 206). 2 Als het probleem aanhoudt, plaatst u de verwijderde kaart terug, verwijdert u een andere kaart en start u de computer opnieuw op. 3 Herhaal dit proces bij elke kaart.
Pieptooncodes Tijdens het opstarten kan de computer diverse pieptonen laten horen als de monitor fouten of problemen niet kan weergeven. Deze pieptonen, geluidscodes genoemd, duiden op een probleem. Eén van die geluidscodes (code 1-3-1) bestaat bijvoorbeeld uit één pieptoon, drie snelle pieptonen en dan weer één pieptoon. Deze geluidscode geeft aan dat de computer een geheugenprobleem heeft.
Code Oorzaak 3-3-2 Ongeldige NVRAM-configuratie 3-3-4 Testfout videogeheugen 3-4-1 Initialisatiefout beeldscherm 3-4-2 Screen retrace failure 3-4-3 Zoeken naar video-ROM mislukt 4-2-1 Geen timer tick 4-2-2 Fout bij afsluiten 4-2-3 Gate A20-fout 4-2-4 Onverwachte interrupt in protected-mode 4-3-1 Geheugenfout boven adres 0FFFFh 4-3-3 Fout van de counter 2 timerchip 4-3-4 Fout in de real-time klok 4-4-1 Testfout van seriële of parallelle poort 4-4-2 Fout bij het decomprimeren van
A REQUIRED .DLL FILE WAS NOT FOUND (EEN VEREIST .DLL-BESTAND IS NIET GEVONDEN) — Het programma dat u wilt openen, mist een essentieel bestand. Het programma verwijderen en opnieuw installeren: 1 Klik op de knop Start, vervolgens op Configuratiescherm en daarna op Software. 2 Selecteer het programma dat u wilt verwijderen. 3 Klik op het pictogram Programma's wijzigen of verwijderen. 4 Raadpleeg de documentatie bij het programma voor installatie-instructies.
ALERT! UNABLE TO INITIALIZE ALL INSTALLED MEMORY (WAARSCHUWING! KAN NIET AL HET GEÏNSTALLEERDE GEHEUGEN INITIALISEREN) — ALERT! UNCORRECTABLE MEMORY ERROR PREVIOUSLY DETECTED IN DIMM_X/Y (WAARSCHUWING! EERDER EEN ONHERSTELBARE GEHEUGENFOUT GEDETECTEERD IN DIMM_X/Y) — Zie "Problemen met geheugen" op pagina 121. ATTACHMENT FAILED TO RESPOND (GEEN BEVESTIGINGSREACTIE) — Zie "Problemen met stations" op pagina 114.
DISKETTE WRITE PROTECTED (DISKETTE MET SCHRIJFBEVEILIGING) — Schuif de schrijfbeschermingspal naar de open positie. DRIVE NOT READY (STATION NIET GEREED) — Plaats een diskette in het station. GATE A20 FAILURE (FOUT IN GATE A20) — Zie "Vastlopen en softwareproblemen" op pagina 119.
MEMORY DATA LINE FAILURE AT address, READ value EXPECTING value (GEGEVENSLIJNFOUT GEHEUGEN IN ADRES, GELEZEN WAARDE VERWACHT WAARDE) — MEMORY DOUBLE WORD LOGIC FAILURE AT address, READ value EXPECTING value (DUBBELWOORDLOGICAFOUT GEHEUGEN IN ADRES, GELEZEN WAARDE VERWACHT WAARDE) — MEMORY ODD/EVEN LOGIC FAILURE AT address, READ value EXPECTING value (EVEN/ONEVENLOGICAFOUT GEHEUGEN IN ADRES, GELEZEN WAARDE VERWACHT WAARDE) — MEMORY WRITE/READ FAILURE AT address, READ value EXPECTING value (LEES/SCHRIJFFOUT —
NOT A BOOT DISKETTE (GEEN OPSTARTDISKETTE) — Plaats de opstartdiskette en herstart de computer. NOT ENOUGH MEMORY OR RESOURCES. CLOSE SOME PROGRAMS AND TRY AGAIN (ONVOLDOENDE GEHEUGEN OF BRONNEN; SLUIT EEN AANTAL PROGRAMMA'S AF EN PROBEER HET OPNIEUW) — Sluit alle vensters en open het programma dat u wilt gebruiken. In bepaalde gevallen moet u de computer mogelijk opnieuw opstarten om de computerbronnen te herstellen. In dat geval voert u eerst het programma uit dat u wilt gebruiken.
SECTOR NOT FOUND (SECTOR NIET GEVONDEN) — • Voer het Windows-hulpprogramma voor foutcontrole uit om de bestandsstructuur op de diskette of vaste schijf te controleren. Raadpleeg Windows Help voor aanwijzingen. • Als een groot aantal sectoren defect zijn, maakt u (indien mogelijk) een back-up van de gegevens en formatteert u de diskette of vaste schijf opnieuw. SEEK ERROR (ZOEKFOUT) — Zie "Problemen met stations" op pagina 114. SHUTDOWN FAILURE (AFSLUITFOUT) — Voer Dell-diagnostics (Dell-diagnostiek) uit.
WRITE FAULT (SCHRIJFFOUT) — SCHRIJFFOUT OP DE GESELECTEERDE SCHIJF — Zie "Problemen met stations" op pagina 114. :\ IS NOT ACCESSIBLE. HET APPARAAT IS NIET GEREED (STATIONSLETTER:\ IS NIET — Het station kan de diskette niet lezen. Plaats een diskette in het station en probeer het nogmaals. TOEGANKELIJK.
OPMERKING: Als een bericht wordt weergegeven dat er geen partitie met een diagnostisch hulpprogramma is gevonden, voert u Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) uit vanaf de Drivers and Utilities media. Zie "Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) starten vanaf de schijf Drivers and Utilities (stuur- en hulpprogramma's)" op pagina 148. Als u te lang wacht en het logo van het besturingssysteem wordt weergegeven, moet u blijven wachten tot het bureaublad van Microsoft® Windows® wordt weergegeven.
7 Als het hoofdmenu van Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) verschijnt, selecteert u de test die u wilt uitvoeren. Hoofdmenu Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) 1 Klik, zodra het Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) is geladen en het scherm met het hoofdmenu wordt weergegeven, op de gewenste optie. Optie Functie Snelle test Hiermee wordt een snelle test uitgevoerd van apparaten. Deze test neemt doorgaans 10 tot 20 minuten in beslag. Er is geen interactie vereist.
Tabblad Functie Results Hier worden de resultaten van de test weergegeven, samen met eventuele foutcondities die zijn aangetroffen. Errors Hier worden aangetroffen foutcondities, foutcodes en probleembeschrijvingen weergegeven. Help Hier wordt de test beschreven en worden eventuele vereisten voor het uitvoeren van de test vermeld. Configuration Hier wordt de hardwareconfiguratie beschreven voor het geselecteerde apparaat.
Software opnieuw installeren Stuurprogramma's Wat is een stuurprogramma? Een stuurprogramma is een programma waarmee een apparaat, zoals een printer, muis of toetsenbord, wordt bestuurd. Voor alle apparaten is een stuurprogramma nodig. Een stuurprogramma fungeert als een vertaler voor het apparaat en de andere programma's die gebruikmaken van het apparaat. Elk apparaat beschikt over een eigen reeks speciale opdrachten die alleen door het bijbehorende stuurprogramma worden herkend.
Microsoft® Windows® XP 1 Klik op Start→ Configuratiescherm. 2 Klik onder Kies een categorie op Prestaties en onderhoud en klik op Systeem. 3 Klik in het venster Systeemeigenschappen op het tabblad Hardware en daarna op Apparaatbeheer. Microsoft Windows Vista™ 1 Klik op de knop Starten van Windows Vista rechtermuisknop op Computer. en klik daarna met de 2 Klik op Eigenschappen→ Apparaatbeheer. OPMERKING: Het venster Gebruikersaccountbeheer kan verschijnen.
3 Klik op het tabblad Stuurprogramma's→ Vorig stuurprogramma. Windows Vista: 1 Klik op de knop Starten van Windows Vista rechtermuisknop op Computer. en klik daarna met de 2 Klik op Eigenschappen→ Apparaatbeheer. OPMERKING: Het venster Gebruikersaccountbeheer kan verschijnen. Als u een beheerder op de computer bent, klikt u op Doorgaan; anders neemt u contact op met de beheerder om Apparaatbeheer te openen.
Windows Vista: 1 Klik op de knop Starten van Windows Vista ondersteuning. en klik op Help en 2 Typ probleemoplosser voor hardware in het zoekveld en druk op om de zoekactie te starten. 3 Selecteer in de zoekresultaten de optie die het probleem het beste omschrijft en volg de overige stappen voor probleemoplossing.
KENNISGEVING: Maak regelmatig een reservekopie van uw gegevensbestanden. Systeemherstel kan uw gegevensbestanden niet controleren of herstellen. OPMERKING: De procedures in dit document zijn geschreven voor de standaardweergave van Windows, dus mogelijk zijn ze niet van toepassing als u de klassieke weergave van Windows op uw Dell™-computer hebt ingesteld.
De laatste herstelbewerking ongedaan maken KENNISGEVING: Bewaar en sluit alvorens het laatste systeemherstel ongedaan te maken alle geopende bestanden, en sluit alle actieve programma's af. Het is pas mogelijk om bestanden of programma's te bewerken, te openen of te verwijderen nadat de herstelbewerking is voltooid. Windows XP: 1 Klik op Start→ Alle programma's→ Bureau-accessoires→ Systeemwerkset→ Systeemherstel. 2 Klik op Laatste herstelbewerking ongedaan maken en vervolgens op Volgende.
OPMERKING: Dell PC Restore van Symantec en Dell Factory Image Restore zijn mogelijk in bepaalde landen of op bepaalde computers niet beschikbaar. Gebruik Dell PC Restore (Windows XP) of Dell Factory Image Restore (Windows Vista) alleen als laatste methode om uw besturingssysteem te herstellen. Met deze opties wordt uw vaste schijf teruggezet naar de toestand waarin deze verkeerde toen u de computer kocht.
6 Klik op Volgende. Het scherm Systeemherstel verschijnt en de computer start opnieuw op. 7 Klik op OK nadat de computer opnieuw is opgestart. U verwijdert PC Restore als volgt: KENNISGEVING: Als u Dell PC Restore van de vaste schijf verwijderd, wordt dit hulpprogramma permanent van de vaste schijf verwijderd. Nadat u Dell PC Restore hebt verwijderd, kunt u het niet meer gebruiken om het besturingssysteem van uw computer te herstellen.
Windows Vista: Dell Factory Image Restore 1 Schakel de computer in. Druk enkele malen op wanneer het Delllogo verschijnt om toegang te krijgen tot het venster Vista Advanced Boot Options (geavanceerde opstartopties Vista). 2 Selecteer Repair Your Computer (uw computer repareren). Het venster System Recovery Options (opties voor systeemherstel) verschijnt. 3 Selecteer een toetsenbordindeling en klik op Volgende. 4 Om toegang te krijgen tot de herstelopties moet u zich als lokale gebruiker aanmelden.
De schijf met het besturingssysteem gebruiken Voordat u begint Als u van plan bent om het Windows-besturingssysteem opnieuw te installeren om een probleem met een pas geïnstalleerd stuurprogramma te verhelpen, moet u eerst Windows Vorig stuurprogramma gebruiken. Zie "Windows Vorig stuurprogramma gebruiken" op pagina 152.
2 Plaats de schijf met het besturingssysteem. 3 Klik op Afsluiten als het bericht Windows installeren verschijnt. 4 Start de computer opnieuw op. Wanneer het DELL-logo verschijnt, drukt u direct op . OPMERKING: Als u te lang wacht en het logo van het besturingssysteem wordt weergegeven, moet u blijven wachten tot het bureaublad van Microsoft® Windows® wordt weergegeven. Daarna sluit u de computer af en probeert u het opnieuw.
Software opnieuw installeren
Onderdelen toevoegen en vervangen Voordat u begint Dit hoofdstuk bevat procedures voor het verwijderen en installeren van de componenten in uw computer. Tenzij anders vermeld, wordt voor elke procedure uitgegaan van de volgende condities: • U hebt de stappen van "De computer uitschakelen" op pagina 163 en "Voordat u aan de computer gaat werken" op pagina 164 uitgevoerd. • U hebt de veiligheidsinformatie in de Dell™ Productinformatiegids gelezen.
Klik in het besturingssysteem Microsoft Windows Vista™ op de knop Start van Windows Vista en vervolgens op de pijl rechtsonder van het menu Start, zoals hieronder wordt weergegeven, en klik ten slotte op Afsluiten. De computer schakelt uit zodra het afsluitproces van het besturingssysteem is voltooid. 2 Zorg ervoor dat de computer en alle aangesloten apparaten zijn uitgeschakeld.
1 Zorg ervoor dat het werkoppervlak vlak is en schoon om te voorkomen dat er krassen ontstaan op de computerkap. 2 Schakel de computer uit (zie "De computer uitschakelen" op pagina 163). KENNISGEVING: Wanneer u een netwerkkabel wilt ontkoppelen, moet u deze eerst van de computer loskoppelen en daarna pas van het netwerkapparaat. 3 Koppel alle telefoon- of netwerkkabels los van de computer.
4 Trek de vergrendeling naar achteren. OPMERKING: De computer in de volgende afbeelding is geconfigureerd als een towercomputer. Zie "Wisselen tussen tower- en desktopstand" op pagina 31 voor informatie over computerstanden. 1 2 3 1 kapvergrendeling 2 computerkap 3 scharnieren van de kap 5 Kijk waar de drie scharnierlipjes aan de rand van de computer zich bevinden. 6 Pak beide zijden van de kap van de computer beet en draai deze aan de scharnieren omhoog.
Het frontpaneel verwijderen WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. WAARSCHUWING: Om u te beschermen tegen elektrische schokken, dient u voordat u de computerkap verwijdert altijd eerst de stekker uit het stopcontact te halen.
3 Haal de ontgrendelingshendel van het frontpaneel omhoog. 4 Schuif het frontpaneel naar de bovenkant van de computer en til het van de computer af. De vaste-schijfhouder uit de computer draaien 1 Maak de voedingskabelbundel P3 die is verbonden met het kaartvasthoudmechanisme aan één kant los: druk op de vergrendeling op de connectoren van de voedingskabelbundel P3 naast de voeding en trek de twee connectoren uit elkaar.
2 Druk op het ontgrendellipje van het kaartvasthoudmechanisme en draai het mechanisme totdat dit tegen de draaibare vaste-schijfhouder aan zit.
3 Druk het kaartvasthoudmechanisme omlaag totdat dit op zijn plaats klikt, vergrendeld tegen de vaste-schijfhouder. 4 Pak de handgreep op de vaste-schijfhouder beet en draai de houder uit het chassis onder een hoek van minder dan 180 graden ten opzichte van de oorspronkelijke stand. De computerkap en het frontpaneel terugplaatsen WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte.
De vaste-schijfhouder weer in de computer draaien 1 Pak de handgreep op de vaste-schijfhouder beet en draai de houder terug in het chassis totdat de metalen lipjes aan beide kanten van de houder vastklikken, zodat de houder vastzit.
2 Trek het kaartvasthoudmechanisme omhoog om het los te maken van de vaste-schijfhouder. 1 2 3 1 lipje kaartvasthoudmechanisme 2 3 draaibare vaste-schijfhouder kaartvasthoudmechanisme 3 Draai het kaartvasthoudmechanisme terug naar zijn oorspronkelijke positie en druk het uiteinde in totdat het lipje op zijn plaats klikt. 4 Sluit de voedingskabelbundel P3 die is verbonden met het kaartvasthoudmechanisme aan beide kanten opnieuw aan.
Het frontpaneel terugplaatsen 1 Breng de haken in het frontpaneel op één lijn met de overeenkomende gaten aan de voorkant van de computer. 1 2 1 ontgrendelingshendel frontpaneel 2 frontpaneel 2 Trek aan de ontgrendelingshendel van het frontpaneel en schuif het paneel naar rechts om dit vast te zetten. De computerkap terugplaatsen KENNISGEVING: De koeling van de computer kan niet correct werken als de kap is verwijderd. Probeer niet de computer te starten voordat de kap is geplaatst.
2 Controleer of er geen gereedschap of extra onderdelen in de computer achterblijven. 3 Plaats de kap terug: a Breng de computerkap op één lijn met de lipjes aan de onderkant van de computer. b Draai de kap omlaag en druk er zachtjes op totdat deze op zijn plaats klikt. c Controleer of de kap is vergrendeld. Als dit niet het geval is, herhaalt u alles van stap 3.
6 Stel de chassisintrusiedetector opnieuw in door Intrusion Alert (waarschuwing chassis geopend) in te stellen op Enabled of EnabledSilent. Zie "De chassisintrusieschakelaar opnieuw instellen" op pagina 81. 7 Als door iemand anders een setup-wachtwoord is ingesteld, neemt u contact op met de netwerkbeheerder voor instructies voor het opnieuw instellen van de chassisintrusiedetector.
Componenten I/O-paneel 5 1 2 3 4 1 USB-poorten 2 diagnose-, vaste-schijftoegangs- en netwerkintegriteitlampjes 3 hoofdtelefoonconnector 4 microfoonaansluiting 5 connector thermische diode in frontpaneel OPMERKING: De kabel van de thermische diode in het frontpaneel moet altijd op deze connector aangesloten zijn terwijl de computer werkt om oververhitting te voorkomen.
Het I/O-paneel verwijderen 1 Volg de procedures in "Voordat u begint" op pagina 163. 2 Verwijder de computerkap (zie "De computerkap verwijderen" op pagina 165). 3 Draai de vaste-schijfhouder uit de computer (zie "De vaste-schijfhouder uit de computer draaien" op pagina 168). 4 Maak de connector van de kaartventilator los van de systeemkaart.
6 Druk het lipje tussen de kaartventilator en de voorste ventilator naar de kaartventilator terwijl u de kaartventilator omhoog uit de computer tilt. KENNISGEVING: Noteer zorgvuldig waar elke kabel loopt voordat u deze loskoppelt, zodat u deze weer correct kunt aanbrengen. Een kabel die niet correct loopt of afgekoppeld is, kan problemen met de computer veroorzaken. 7 Noteer waar elke kabel loopt wanneer u alle kabels van het I/O-paneel losmaakt.
Het I/O-paneel terugplaatsen KENNISGEVING: Zorg ervoor dat u alle kabels weer aansluit die oorspronkelijk aan het I/O-paneel waren bevestigd, anders kan uw computer problemen veroorzaken. 1 Volg de stappen van "Het I/O-paneel verwijderen" op pagina 177 in omgekeerde volgorde.
1 1 bevestigingsschroeven van de voeding (4) Gelijkstroomconnectoren P1 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 1 180 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 Onderdelen toevoegen en vervangen
Pinnummer Signaalnaam 18-AWG-draad 1 3,3 V Oranje 2 3,3 V Oranje 3 3,3 V Oranje 4 COM Zwart 5 POK Grijs 6 5VSB Paars 7 COM Zwart 8 M12 Blauw 9 12 VD Geel/wit 10 5V Rood 11 5V Rood 12 COM Zwart 13 OPEN 14 3,3 VSE Oranje 15 3,3 V Oranje 16 12 VD Geel/wit 17 PSON Groen 18 12 VD Geel/wit 19 COM Zwart 20 COM Zwart 21 FAN FAULT Bruin 22 5V Rood 23 5V Rood 24 COM Zwart Onderdelen toevoegen en vervangen 181
Gelijkstroomconnectoren P2 11 12 13 14 15 66 67 68 69 20 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Pinnummer Signaalnaam 18-AWG-draad 1 12 VC Blauw/wit 2 12 VC Blauw/wit 3 COM Zwart 4 COM Zwart 5 12 VA Geel 6 12 VA Geel 7 COM Zwart 8 COM Zwart 9 12 VB Wit 10 12 VB Wit 11 12 VC Blauw/wit 12 COM Zwart 13 COM Zwart 14 COM Zwart 15 12 VA Geel 16 COM Zwart 17 COM Zwart 18 COM Zwart 19 12 VB Wit 20 OPEN 182 Onderdelen toevoegen en vervangen
Gelijkstroomconnector P3 7 8 9 10 11 12 1 2 3 4 5 6 Pinnummer Signaalnaam 18-AWG-draad 1 COM Zwart 2 12 VC Blauw/wit 3 12 VC Blauw/wit 4 COM Zwart 5 COM Zwart 6 5V Rood 7 5V Rood 8 3,3 V Oranje 9 12 VC Blauw/wit 10 COM Zwart 11 COM Zwart 12 5V Rood Gelijkstroomconnector P5 4 5 6 1 2 3 Onderdelen toevoegen en vervangen 183
Pinnummer Signaalnaam 18-AWG-draad 1 12 VD Geel/wit 2 12 VD Geel/wit 3 12 VD Geel/wit 4 COM Zwart 5 COM Zwart 6 COM Zwart Gelijkstroomconnector P6 4 5 6 1 2 3 Pinnummer Signaalnaam 18-AWG-draad 1 12 VE Blauw/geel 2 12 VE Blauw/geel 3 12 VE Blauw/geel 4 COM Zwart 5 COM Zwart 6 COM Zwart Gelijkstroomconnector FD5 184 Onderdelen toevoegen en vervangen
Pinnummer Signaalnaam 18-AWG-draad 1 5V Rood 2 COM Zwart 3 COM Zwart 4 12 VC Blauw/wit Gelijkstroomconnector compartiment 1 (PATA) Pinnummer Signaalnaam 18-AWG-draad 1 12 VC Blauw/wit 2 COM Zwart 3 COM Zwart 4 5V Rood Gelijkstroomconnectoren compartimenten 1, 2 en 3 (SATA) 5 4 3 2 1 Pinnummer Signaalnaam 18-AWG-draad 1 3,3 V Oranje 2 COM Zwart 3 5V Rood 4 COM Zwart 5 12 VC Blauw/wit Onderdelen toevoegen en vervangen 185
De voeding verwijderen WAARSCHUWING: Voordat u aan een van de procedures in deze sectie begint, dient u de veiligheidsinstructies te volgen die u vindt in de Productinformatiegids. WAARSCHUWING: U beschermt zich tegen elektrische schokken door de stekker uit het stopcontact te halen voordat u de computerkap opent.
4 Verwijder de vier schroeven waarmee de voeding tegen de achterkant van het chassis is bevestigd. 1 2 1 bevestigingsschroeven van de voeding (4) 2 connector voedingskabelbundel 5 Schuif de voeding ongeveer 2,5 cm naar de voorkant van de computer. 6 Til de voeding uit de computer.
De voeding terugplaatsen 1 Schuif de voeding op zijn plaats. 2 Maak de vier schroeven weer vast waarmee de voeding tegen de achterkant van het chassis is bevestigd. 3 Sluit de gelijkstroomkabels weer aan. 4 Sluit op de desktopcomputer de voedingskabels weer aan op de zijkant van de vaste schijf. 5 Geleid de kabels onder de lipjes door en druk op de lipjes om ze boven de kabels te sluiten. 6 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173).
Informatie over de batterij Een knoopcelbatterij handhaaft informatie over computerconfiguratie, datum en tijd. De batterij gaat enkele jaren mee.
4 Zoek de batterijsocket (zie "Systeemkaartcomponenten" op pagina 29). 5 Koppel indien nodig alle kabels los die de toegang tot de batterijsocket blokkeren. KENNISGEVING: Als u de batterij met een stomp voorwerp het zijn socket wrikt, moet u voorkomen dat u de systeemkaart daarmee raakt. Zorg ervoor dat het voorwerp tussen de batterij en de houder is geplaatst voordat u probeert de batterij los te wrikken.
10 Druk de batterij recht omlaag in de connector, tot deze op zijn plaats klikt. 11 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in het netwerkapparaat en daarna in de computer. 12 Sluit uw computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan. 13 Open het System Setup-programma (zie "System Setup" op pagina 93) en herstel die instellingen die u hebt opgeschreven in stap 1.
4 Draai het toegangsklepje tot de processor open. OPMERKING: Voor het losdraaien van de vier kopschroeven aan de zijden van de koelplaat hebt u een lange Phillips-schroevendraaier nodig. 5 Draai de vier kopschroeven aan de zijden van de koelplaat los. WAARSCHUWING: De koelplaat kan erg heet worden tijdens normaal gebruik. Laat de koelplaat voldoende lang afkoelen voordat u deze aanraakt.
6 Til de koelplaat uit de computer. 1 2 1 koelplaat 2 kopschroefbehuizing (4) KENNISGEVING: Als u een processor-upgradekit van Dell installeert, kunt u de oorspronkelijke koelplaat en processor aan Dell retourzenden, in dezelfde verpakking waarin u uw upgradekit hebt ontvangen. Als u geen processorupgradekit van Dell installeert, moet u de oorspronkelijke koelplaat weer gebruiken als u de nieuwe processor installeert.
7 Open de processorbehuizing door de hendel vanonder de middelste vergrendeling op de socket weg te schuiven. Trek de hendel dan naar achteren om de proceessor vrij te maken. 1 2 3 4 1 behuizing van de processor 2 processor 3 socket 4 ontgrendelingshendel KENNISGEVING: Raak bij het vervangen van de processor de pinnen in de socket niet aan en voorkom dat er iets op de pinnen in de socket valt. 8 Verwijder voorzichtig de processor van de socket.
12 Draai de vaste-schijfhouder terug naar zijn plaats (zie "De vaste-schijfhouder weer in de computer draaien" op pagina 171). 13 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). De processor installeren KENNISGEVING: Aard uzelf door een ongeverfd metalen oppervlak aan de achterkant van de computer aan te raken. KENNISGEVING: Raak bij het vervangen van de processor de pinnen in de socket niet aan en voorkom dat er iets op de pinnen in de socket valt.
7 Open de processorbehuizing door de hendel vanonder de middelste vergrendeling op de socket weg te schuiven. Controleer of de vergrendelingshendel helemaal uitgetrokken is. 1 2 3 4 1 behuizing van de processor 2 processor 3 socket 4 ontgrendelingshendel 8 Lijn de inkepingen aan de voor- en achterkant van de processor uit met de inkepungen voor en achter op de socket.
9 Lijn de pin-1-hoeken van de processor en de socket uit. 1 2 7 3 4 5 6 1 tab 2 processorsocket 3 middelste vergrendeling behuizing 4 ontgrendelingshendel socket 5 voorste inkeping socket en processorpin-1-indicator 7 achterste inkeping 6 KENNISGEVING: U voorkomt schade door de processor goed op één lijn te brengen met de socket en niet te veel kracht te gebruiken wanneer u de processor installeert. 10 Plaats de processor lichtjes in de socket en controleer of deze in de goede positie staat.
KENNISGEVING: Als u geen processorupgradekit van Dell installeert, moet u de oorspronkelijk koelplaat opnieuw gebruiken wanneer u de processor vervangt. Als u een processor-upgradekit van Dell hebt geïnstalleert, kunt u de oorspronkelijke koelplaat en processor naar Dell retourzenden, in dezelfde verpakking waarin u uw upgradekit hebt ontvangen. 13 Installeer de koelplaat: a Plaats de koelplaat terug op de koelplaatbeugel.
15 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten. 16 Draai de vaste-schijfhouder terug naar zijn plaats (zie "De vaste-schijfhouder weer in de computer draaien" op pagina 171). 17 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer.
KENNISGEVING: Voor 667 MHz DIMM's zijn volle-lengte warmtespreiders (FLHS) vereist. 1 2 1 volledig gebufferde DIMM 2 informatielabel Geheugen installeren Volledig gebufferde DDR2-geheugenmodules kinnen ook in paren van twee worden geïnstalleerd, de computer werkt dan ook, maar levert iets lagere prestaties. De paren moeten overeenstemmen in grootte, rank en organisatie.
Geheugen adresseren bij configuraties met 4 GB of meer (alleen 32-bits besturingssystemen) Deze computer ondersteunt maximaal 32 GB geheugen wanneer er acht 4-GB DIMM's zijn geïnstalleerd. Huidige 32-bits besturingssystemen, zoals Microsoft® Windows® XP en Windows™ Vista kunnen maximaal 4 GB adresruimte gebruiken; de hoeveelheid geheugen die beschikbaar is voor het besturingssysteem is echter geringer dan wat is geïnstalleerd.
Geheugen verwijderen WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. KENNISGEVING: Als u de oorspronkelijke geheugenmodules uit de computer verwijdert terwijl het geheugen wordt bijgewerkt, houdt u deze apart van eventuele nieuwe modules die u hebt, zelfs als u deze bij Dell hebt gekocht. Koppel een oorspronkelijke geheugenmodule indien mogelijk niet aan een nieuwe geheugenmodule.
5 Pak de module beet en trek deze omhoog om de geheugenmodule van de opstaande geheugenkaart af te tillen. Indien de module moeilijk te verwijderen is, beweegt u deze voorzichtig heen en weer om de module van de aansluiting te verwijderen. 6 Draai de vaste-schijfhouder terug naar zijn plaats (zie "De vaste-schijfhouder weer in de computer draaien" op pagina 171). 7 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173).
5 Druk de borgklemmen aan de uiteinden van de geheugenmoduleconnector naar buiten. 1 2 1 borgklemmen (2) 2 geheugenconnector KENNISGEVING: Voor 667 MHz DIMM's zijn volle-lengte warmtespreiders (FLHS) vereist. 6 Breng de inkeping aan de onderkant van de module op één lijn met de horizontale streep in de connector.
7 Druk de module in de connector totdat deze op zijn plaats klikt. Wanneer u de module juist plaatst, klikken de borgklemmen in de uitsparingen aan de uiteinden van de module. 8 Draai de vaste-schijfhouder terug naar zijn plaats (zie "De vaste-schijfhouder weer in de computer draaien" op pagina 171). 9 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). 10 Sluit uw computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan.
Kaarten WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. WAARSCHUWING: U beschermt zich tegen elektrische schokken door de stekker uit het stopcontact te halen voordat u de computerkap opent. KENNISGEVING: U voorkomt schade door statische elektriciteit aan de onderdelen in de computer, door uw lichaam van statische elektriciteit te ontdoen voordat u een van de elektronische onderdelen van de computer aanraakt.
Als u een PCI-, PCI Express- of PCI-X-kaart wilt installeren of vervangen, raadpleegt u "Een uitbreidingskaart installeren" op pagina 207. Als u een PCI-, PCI Express- of PCI-X-kaart wilt verwijderen zonder deze te vervangen, raadpleegt u "Een uitbreidingskaart verwijderen" op pagina 214. Lees voordat u een kaart installeert de documentatie die met de kaart is meegeleverd, voor informatie over het configureren van de kaart, interne aansluitingen maken, of anderszijds aanpassen voor uw computer.
4 Druk de ontgrendellipjes op het kaartvasthoudklepje naar elkaar toe en draai het klepje open. Het klepje blijft vanzelf in de geopende stand staan.
5 Als u een nieuwe kaart installeert, verwijdert u eerst de vulbeugel om een kaartsleuf te openen. Ga vervolgens verder met stap 7. 1 2 3 4 5 1 ontgrendellipje 2 kaartvasthoudklepje 3 uitlijningsstreep 4 uitlijningsgeleider OPMERKING: Voor extra veiligheid kunt u de uitlijningsgeleider verwijderen (een schroef ondersteboven) en deze met de rechterkant omhoog vastschroeven om de kaart vast te zetten.
KENNISGEVING: Vergeet niet het vergrendelingslipje te ontgrendelen om de kaart los te maken. Als de kaart niet op de juiste wijze wordt verwijderd, kan de systeemkaart worden beschadigd. 6 Wanneer u een geïnstalleerde kaart wilt vervangen, moet u deze eerst verwijderen: a Koppel indien nodig alle op de kaart aangesloten kabels los. b Als de kaart een volle-lengte kaart is, drukt u het ontgrendellipje aan het uiteinde van de uitleidingsgeleiders op de ventilatorbehuizing.
10 Plaats de kaart in de connector en druk deze stevig aan. Controleer of de kaart volledig in de sleuf vastzit. Als er de kaartsleuf een vergrendelingslipje heeft, trekt u daaraan. 2 1 3 4 1 kaart correct geplaatst 2 kaart niet volledig geplaatst 3 beugel binnen de sleuf 4 beugel buiten de sleuf 11 Voordat u het kaartvasthoudklepje sluit, moet u controleren of: • De bovenkant van alle kaarten en vulbeugels zich op één lijn bevindt met de uitlijningsstreep.
1 2 1 kaartvasthoudklepje 2 ontgrendellipje 12 Draai het kaartvasthoudklepje totdat dit op zijn plaats klikt. KENNISGEVING: Geleid geen kabels van kaarten over of achter de kaarten. Kabels die over de kaarten zijn geleid kunnen er voor zorgen dat de computerbehuizing niet goed sluit of dat er schade aan de apparatuur ontstaat. 13 Sluit kabels aan die verbonden moeten zijn met de kaart. Raadpleeg de documentatie die bij de kaart werd geleverd voor informatie over de kabelaansluitingen van de kaart.
14 Als u de kaart hebt geïnstalleerd in een sleuf dicht bij de vasteschijfhouder, moet u controleren of er kabels of andere uitstekende delen zijn waardoor het kaartvasthoudmechanisme mogelijk niet volledig omlaag kan worden gedrukt. Als dat het geval is: a Trek het kaartvasthoudmechanisme omhoog om het los te maken van de vaste-schijfhouder. b Zoek de verwijderbare kaartvasthouder (indien geïnstalleerd) aan de onderkant van het kaartvasthoudmechanisme.
17 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173) en steek de stekkers van de computer en de apparaten in het stopcontact en zet ze aan. 18 Als u een geluidskaart hebt geïnstalleerd: a Open het System Setup-programma (zie "System Setup" op pagina 93), selecteer Integrated Audio (geïntegreerde audio) en wijzig de instelling in Off (uit). b Sluit externe audioapparaten aan op de connectoren van de geluidskaart.
4 Druk de ontgrendellipjes op het kaartvasthoudklepje naar elkaar toe en draai het klepje open. Het klepje blijft vanzelf in de geopende stand staan. 1 2 3 4 5 1 ontgrendellipje 2 kaartvasthoudklepje 3 uitlijningsstreep 4 uitlijningsgeleider OPMERKING: Voor extra veiligheid kunt u de uitlijningsgeleider verwijderen (een schroef ondersteboven) en deze met de rechterkant omhoog vastschroeven om de kaart vast te zetten.
5 De kaart verwijderen: a Koppel indien nodig alle op de kaart aangesloten kabels los. b Als de kaart een volle-lengte kaart is, drukt u het ontgrendellipje aan het uiteinde van de uitleidingsgeleiders op de ventilatorbehuizing. c Als de connector is voorzien van een ontgrendellipje, houdt u dit lipje ingedrukt waarna u de kaart aan de bovenste hoeken beetpakt en deze voorzichtig uit de connector trekt. 6 Plaats een beugel in de lege kaartsleufopening als u de kaart permanent verwijdert.
1 2 1 kaartvasthoudklepje 2 ontgrendellipje 8 Draai het kaartvasthoudklepje totdat dit op zijn plaats klikt. KENNISGEVING: Geleid geen kabels van kaarten over of achter de kaarten. Kabels die over de kaarten zijn geleid kunnen er voor zorgen dat de computerbehuizing niet goed sluit of dat er schade aan de apparatuur ontstaat. 9 Sluit kabels aan die verbonden moeten zijn met de kaart. Raadpleeg de documentatie die bij de kaart werd geleverd voor informatie over de kabelaansluitingen van de kaart.
11 Draai de vaste-schijfhouder terug naar zijn plaats (zie "De vaste-schijfhouder uit de computer draaien" op pagina 168). KENNISGEVING: Als u een netwerkkabel wilt aansluiten, sluit u de kabel eerst aan op het netwerkapparaat en vervolgens op de computer. 12 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173) en steek de stekkers van de computer en de apparaten in het stopcontact en zet ze aan. 13 Deïnstalleer het stuurprogramma van de verwijderde kaart.
3 2 1 4 1 bovenste 5,25-inch stationscompartiment (biedt ruimte voor een optisch station) 2 onderste 5,25-inch stationscompartiment (biedt ruimte voor een optisch station) 3 FlexBay (biedt ruimte voor een optionele derde vaste schijf, een diskettestation of een mediakaartlezer) 4 draaibare vaste-schijfhouder (biedt ruimte voor twee SAS- of SATAstations) desktopcomputerstations Mogelijke volledig bezette computerconfiguraties: • Maximaal drie SATA vaste schijven of twee (interne) SAS en één SATA vas
2 1 4 3 1 bovenste 5,25-inch stationscompartiment (biedt ruimte voor een optisch station) 2 onderste 5,25-inch stationscompartiment (biedt ruimte voor een SATA vaste schijf) 3 draaibare vaste-schijfhouder (biedt ruimte voor twee SAS- of SATA-stations) 4 FlexBay (biedt ruimte voor een optioneel diskettestation of optionele mediakaartlezer) Informatie over metalen afschermingen aanwezig bij sommige stationsconfiguraties Bij sommige computerconfiguraties zitten er metalen afschermingen in de stations
Desktopstand 1 2 Towerstand 1 5,25-inch metalen afscherming 2 metalen inzetstuk met ventilatieopeningen Er zijn drie scenario's waarbij een metalen afscherming verwijderd kan worden zonder deze direct terug te plaatsen: • Als er in de FlexBay een derde vaste schijf zat (alleen in de towerconfiguratie) of als deze leeg was (in beide configuraties) en een metalen afscherming met ventilatieopeningen ervoor zat, en u in dat compartiment een diskettestation of mediakaartlezer installeert, is daarin geen afs
In alle bovenstaande gevallen moet u de metalen afscherming bewaren voor als u die later nodig hebt. Als u een diskettestation, een mediakaartlezer of een optisch station uit de computer verwijdert, moet u in plaats daarvan een metalen afscherming installeren. Als er in deze gevallen geen metalen afscherming wordt geïnstalleerd, werkt de computer mogelijk niet goed. Neem contact op met Dell als u een extra afscherming nodig hebt (zie "Contact opnemen met Dell" op pagina 313).
Pak voor het aansluiten van een gegevenskabel de kabel aan de connectoren aan de uiteinden vast en duw deze met kracht in de connector. Wanneer u een gegevenskabel losmaakt, houd u de kabel vast aan de aansluitingen aan elk uiteinde en trekt u tot de kabel loskomt.
SAS-gegevenskabelaansluitingen 1 4 224 2 1 SAS-gegevenskabel 2 voedingskabel 3 SAS-connector 4 SAS-station Onderdelen toevoegen en vervangen 3
Gegevenskabelconnectoren op controllerkaart 2 5 1 3 6 4 1 voedingsconnector 2 SAS-gegevenskabelconnector 3 interposer 4 SAS-station 5 SAS-connector 6 optionele PCI Express SAS-controllerkaart Vaste schijf KENNISGEVING: U wordt aangeraden alleen SAS-kabels te gebruiken die zijn geleverd door Dell. Voor elders aangeschafte kabels kan niet worden gegarandeerd, dat deze met Dell-computers werken.
2 Volg de procedures in "Voordat u begint" op pagina 163. 3 Verwijder de computerkap (zie "De computerkap verwijderen" op pagina 165). KENNISGEVING: Als u maar één vaste schijf hoeft te installeren, moet u die aansluiten op de SATA0-connector op de systeemkaart. 4 Koppel de voedingskabel los van de vaste schijf die u gaat verwijderen. 1 2 3 1 gegevensconnector 3 vaste schijf 2 voedingsconnector 5 Koppel de gegevenskabel los van de vaste schijf die u gaat verwijderen.
7 Druk de blauwe lipjes aan beide zijden van de vaste-schijfbeugel naar elkaar toe en schuif de schijf omhoog uit het vaste-schijfcompartiment. Als u een vervangende schijf gaat installeren, raadpleegt u "Een vaste schijf in de draaibare houder installeren (tower- of desktopcomputer)" op pagina 228.
KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer. 11 Sluit de computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan. Een vaste schijf in de draaibare houder installeren (tower- of desktopcomputer) WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte.
8 Als aan de vervangende vaste schijf geen vaste-schijfbeugel is bevestigd, moet u de beugel van de oude schijf verwijderen. Buig de vaste-schijfbeugel open en breng de gaten in de zijkant van de nieuwe vaste schijf op één lijn met de plastic pinnen op de beugel; verminder daarna de kracht op de beugel totdat de vaste schijf stevig vastzit. 1 2 1 station 2 vaste-schijfbeugel KENNISGEVING: SAS- en SATA-schijven kunnen niet samen in de draaibare vaste-schijfhouder worden geplaatst.
1 2 3 4 1 Voedingsconnector P3 2 SATA-gegevenskabel 3 voedingskabel vaste schijf 4 vaste schijf KENNISGEVING: Als u maar één vaste schijf hoeft te installeren, moet u die aansluiten op de SATA0-connector op de systeemkaart. 12 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten. 13 Draai de vaste-schijfhouder terug naar zijn plaats (zie "De vaste-schijfhouder weer in de computer draaien" op pagina 171).
15 Sluit de computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan. Raadpleeg de documentatie die bij de schijf wordt geleverd voor instructies voor het installeren van eventuele software die noodzakelijk is voor het functioneren van de vaste schijf. KENNISGEVING: In een gemengde configurtie van twee SAS-schijven en één SATA-schijf moet de SATA-schijf de opstartschijf (primaire schijf) zijn en in de FlexBay zitten.
2 Volg de procedures in "Voordat u begint" op pagina 163. 3 Verwijder de computerkap (zie "De computerkap verwijderen" op pagina 165). 4 Verwijder het stationspaneel (zie "Het stationspaneel verwijderen" op pagina 249). KENNISGEVING: Als er bij uw computerconfiguratie metalen afschermingen aanwezig zijn, moeten deze altijd geïnstalleerd zijn terwijl de computer in gebruik is, anders werkt de computer mogelijk niet goed.
2 3 4 1 5 6 1 hendel schuifplaat 2 SATA-gegevenskabel 3 voedingskabel 4 voeding 5 SATA-connector op systeemkaart 6 optionele SATA vaste schijf in FlexBay 7 Koppel de gegevenskabel los van de achterkant van de vaste schijf en van de connector op de systeemkaart. Als de gegevenskabel is aangesloten op een kaart en u de schijf niet opnieuw gaat installeren, geleid u de gegevenskabel naar de zijkant.
1 2 1 hendel schuifplaat 2 optionele derde vaste schijf in FlexBay 9 Leg de schijf op een veilige plaats terzijde. KENNISGEVING: Als er bij uw computerconfiguratie metalen afschermingen aanwezig zijn, moeten deze altijd geïnstalleerd zijn terwijl de computer in gebruik is, anders werkt de computer mogelijk niet goed. 10 Als u geen ander station in het stationscompartiment plaatst en.
b Duw tegen het metalen inzetstuk met ventilatieopeningen totdat dit op zijn plaats klikt en de metalen lipjes op één lijn liggen tegen het chassisoppervlak. Breng een stationspaneelinzetstuk aan (zie "Inzetstuk stationpaneel vervangen" op pagina 253). 11 Plaats het stationspaneel terug (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253). 12 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten.
2 Breng 4 schroeven aan in de voorste vier gaten in de zijkant van de schijf als deze niet al zijn aangebracht. Controleer anders of de schroeven al zijn aangebracht in de 4 voorste gaten. 3 Volg de procedures in "Voordat u begint" op pagina 163. 4 Verwijder de computerkap (zie "De computerkap verwijderen" op pagina 165). 5 Verwijder het stationspaneel (zie "Het stationspaneel verwijderen" op pagina 249).
1 2 1 hendel schuifplaat 2 optionele derde vaste schijf in FlexBay 10 Sluit de voedingskabel aan op de achterkant van de vaste schijf. 11 Sluit een uiteinde van de gegevenskabel aan op de achterkant van de vaste schijf en, als het een SATA-schijf is, sluit het andere uiteinde aan aan op de SATA_2-connector op de systeemkaart.
2 3 4 1 5 6 1 hendel schuifplaat 2 SATA-gegevenskabel 3 voedingskabel 4 voeding 5 SATA-connector op systeemkaart 6 optionele SATA vaste schijf in FlexBay KENNISGEVING: Als er bij uw computerconfiguratie metalen afschermingen aanwezig zijn, moeten deze altijd geïnstalleerd zijn terwijl de computer in gebruik is, anders werkt de computer mogelijk niet goed.
12 Als er metalen afschermingen in de computer zitten, plaatst u het metalen inzetstuk met ventilatieopeningen op de FlexBay en de lege ruimte eronder (zie "Informatie over metalen afschermingen aanwezig bij sommige stationsconfiguraties" op pagina 220 voor meer informatie): a Steek de twee bovenste en de twee onderste schroeven van het metalen inzetstuk in de bijbehorende sleuven in de FlexBay.
23 Als de door u zojuist geïnstalleerde schijf de primaire schijf is, moet u het besturingssysteem op de vaste schijf installeren. Een optionele derde SATA vaste schijf verwijderen (alleen desktopcomputer) WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. WAARSCHUWING: Om u te beschermen tegen elektrische schokken, dient u voordat u de computerkap verwijdert altijd eerst de stekker uit het stopcontact te halen.
2 3 1 4 5 1 vasthoudinzetstuk desktopstation 2 voedingskabel 3 SATA-gegevenskabel 4 SATA-connector op systeemkaart 5 optionele derde SATA vaste schijf in vaste-schijfhouder 5 Koppel de voedingskabel aan de achterkant van de vaste schijf los. 6 Koppel de gegevenskabel los van de achterkant van de vaste schijf en van de connector op de systeemkaart. 7 Schuif de vaste-schijfhouder uit het 5,25-inch stationscompartiment.
1 2 1 vasthoudinzetstuk desktopstation 2 optionele derde SATA vaste schijf in vaste-schijfhouder 8 Druk de blauwe lipjes aan beide zijden van de vaste-schijfbeugel naar elkaar toe en schuif de schijf uit de vaste-schijfhouder. 9 Leg de schijf en behuizing weg op een veilige plaats. 10 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten.
11 Als u geen ander station in het stationscompartiment gaat installeren, moet u een stationspaneelinzetstuk gebruiken (zie "Inzetstuk stationpaneel vervangen" op pagina 253). Daarna, als er metalen afschermingen in de computer zitten (zie "Informatie over metalen afschermingen aanwezig bij sommige stationsconfiguraties" op pagina 220), brengt u de 5,25-inch metalen afscherming op zijn plaats aan: breng de schroeven op één lijn met de metalen rails en duw de afschermingen totdat deze op zijn plaats klikt.
3 Verwijder de computerkap (zie "De computerkap verwijderen" op pagina 165). 4 Verwijder het stationspaneel (zie "Het stationspaneel verwijderen" op pagina 249). 5 Trek het vasthoudinzetstuk van het desktopstation aan de handgreep eruit en leg dit op een veilige plaats terzijde.
7 Als het compartiment voor het optische station leeg is en er metalen afschermingen in de computer zitten (zie "Informatie over metalen afschermingen aanwezig bij sommige stationsconfiguraties" op pagina 220) trekt u aan de 5,25-inch metalen afscherming om deze te verwijderen. Verwijder vervolgens het stationspaneelinzetstuk uit een 5,25-inch stationscompartiment (zie "Een stationspaneelinzetstuk verwijderen" op pagina 251).
1 2 1 vaste-schijfhouder 2 SATA vaste schijf in vaste-schijfbeugel 10 Schuif de vaste-schijfhouder in het 5,25-inch compartiment tot deze stevig vastzit.
1 2 1 vasthoudinzetstuk desktopstation 2 optionele derde SATA vaste schijf in vaste-schijfhouder 11 Plaats het vasthoudinzetstuk van het desktopstation terug en vouw de handgreep omlaag. 12 Sluit de voedingskabel aan op de vaste schijf.
1 2 3 4 1 voedingskabel 2 SATA-gegevenskabel 3 SATA-connector op systeemkaart 4 optionele derde SATA vaste schijf in vasteschijfhouder 13 Sluit de gegevenskabel aan op de achterkant van het station en op de connector op de systeemkaart. 14 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten. 15 Plaats het stationspaneel terug (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253). 16 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173).
KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer. 17 Sluit de computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan. Raadpleeg de documentatie die bij de schijf wordt geleverd voor instructies voor het installeren van eventuele software die noodzakelijk is voor het functioneren van de vaste schijf. 18 Als u zojuist de primaire schijf hebt geïnstalleerd, plaatst u een opstartbaar medium in station A.
Towerstand 3 2 1 250 1 stationpaneel 3 schuifplaathendel 2 Onderdelen toevoegen en vervangen schuifplaat
Desktopstand 2 1 3 1 schuifplaat 3 stationpaneel 2 schuifplaathendel 4 Draai het stationpaneel naar buiten en til het uit de scharnieren. 5 Leg het stationspaneel ergens op een veilige plaats. Een stationspaneelinzetstuk verwijderen KENNISGEVING: Stationspaneelinzetstukken kunnen schroeven aan de binnenkant hebben. U kunt met deze schroeven nieuwe schijven aanbrengen die geen schroeven hebben. 1 Volg de procedures in "Voordat u begint" op pagina 163.
3 Verwijder het stationspaneel (zie "Het stationspaneel verwijderen" op pagina 249). KENNISGEVING: U voorkomt dat het lipje van het stationspaneelinzetstuk afbreekt door het inzetstuk niet verder dan ongeveer 1 cm van het stationspaneel vandaan te trekken voordat u het lipje uit de sleuf schuift. 4 Knijp de lipjes van het inzetstuk samen en draai het inzetstuk net genoeg op de ontgrendelingslipjes vrij te maken.
Inzetstuk stationpaneel vervangen 1 Schuif het lipje van het inzetstuk in de sleuf. 1 2 4 3 1 stationpaneel 2 inzetstuk stationpaneel 3 ontgrendelingslipjes inzetstuk stationpaneel (2) 4 lipje stationpaneel in sleuf 2 Knijp de lipjes van het inzetstuk samen en draai het inzetstuk van het stationpaneel op zijn plaats. 3 Zorg ervoor dat het inzetstuk van het stationspaneel goed op zijn plaats zit. Het stationspaneel vervangen 1 Volg de procedures in "Voordat u begint" op pagina 163.
Towerstand 1 2 1 254 lipjes stationpaneel 2 Onderdelen toevoegen en vervangen stationpaneel
Desktopstand 2 1 1 stationpaneel 2 lipjes stationpaneel 2 Lijn de tabs van het stationspaneel uit met de scharnieren van de zijdeur. 3 Ruotare il pannello dell'unità verso il computer fino a quando scatta in posizione. 4 Plaats het frontpaneel terug (zie "Het frontpaneel terugplaatsen" op pagina 173). 5 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173).
Diskettestation WAARSCHUWING: Raadpleeg de veiligheidsinstructies in de Productinformatiegids voordat u begint met de procedures in dit gedeelte. WAARSCHUWING: U beschermt zich tegen elektrische schokken door de stekker uit het stopcontact te halen voordat u de computerkap opent. KENNISGEVING: U voorkomt schade door statische elektriciteit aan de onderdelen in de computer, door uw lichaam van statische elektriciteit te ontdoen voordat u een van de elektronische onderdelen van de computer aanraakt.
2 3 1 4 1 hendel schuifplaat 2 gegevenskabel 3 voedingskabel 4 diskettestationconnector (DSKT op systeemkaart) 6 Schuif de schuifplaathendel naar rechts om de borstschroef vrij te maken en schuif de schijf uit de FlexBay.
1 2 1 hendel schuifplaat 2 diskettestation KENNISGEVING: Als er bij uw computerconfiguratie metalen afschermingen aanwezig zijn, moeten deze altijd geïnstalleerd zijn terwijl de computer in gebruik is, anders werkt de computer mogelijk niet goed.
8 Zie de juiste installatieprocedure in dit hoofdstuk als u een ander station in de FlexBay installeert. 9 Plaats het stationspaneel terug (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253). 10 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten. 11 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer.
7 Als er geen schroeven aan het station zijn bevestigd, verwijdert u de borstschroeven vanaf de binnenkant van het stationspaneel en bevestigt u de schroeven aan het nieuwe station. 1 2 1 diskettestation 2 schroeven (4) 8 Schuif het station voorzichtig in de FlexBay totdat u een klik hoort of voelt dat het station stevig vastzit.
1 2 1 hendel schuifplaat 2 diskettestation 9 Sluit de stroom- en gegevenskabels aan op het diskettestation. 10 Sluit het andere uiteinde van de gegevenskabel aan op de connector van de systeemkaart genaamd "DKST". Raadpleeg "Systeemkaartcomponenten" op pagina 29 voor de locatie van de connector op de systeemkaart.
1 2 3 1 gegevenskabel 3 diskettestationconnector op systeemkaart (DSKT op systeemkaart) 2 voedingskabel 11 Controleer alle kabelaansluitingen en leg de kabels uit de weg om een luchtstroom tussen de de ventilator en de koelventilatieopeningen mogelijk te maken. 12 Plaats het stationspaneel terug (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253). 13 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten.
14 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer. 15 Sluit uw computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan. Raadpleeg de documentatie die bij de schijf wordt geleverd voor instructies voor het installeren van eventuele software die noodzakelijk is voor het functioneren van de vaste schijf.
1 2 3 1 voedingskabel 3 diskettestationconnector (DSKT op systeemkaart) 2 gegevenskabel 6 Trek het vasthoudinzetstuk van het desktopstation aan de handgreep eruit en leg dit op een veilige plaats terzijde.
1 2 1 stationsvasthoudinzetstuk 2 diskettestation 7 Verwijder het diskettestation uit de FlexBay.
Duw tegen het metalen inzetstuk met ventilatieopeningen totdat dit op zijn plaats klikt en de metalen lipjes op één lijn liggen tegen het chassisoppervlak. c Installeer daarna een stationspaneelinzetstuk (zie "Inzetstuk stationpaneel vervangen" op pagina 253). 1 2 1 FlexBay 2 metalen inzetstuk met ventilatieopeningen 9 Zie de juiste installatie-instructies in dit hoofdstuk als u een ander station in de FlexBay installeert.
12 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten. 13 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer. 14 Sluit de computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan. Een diskettestation installeren (desktopcomputer) 1 Volg de procedures in "Voordat u begint" op pagina 163.
5 Als er een ander apparaat in de FlexBay is geïnstalleerd, moet u dat apparaat verwijderen (zie de juiste verwijderingsinstructies in dit hoofdstuk). KENNISGEVING: Als er bij uw computerconfiguratie metalen afschermingen aanwezig zijn, moeten deze altijd geïnstalleerd zijn terwijl de computer in gebruik is, anders werkt de computer mogelijk niet goed.
1 2 1 FlexBay 2 metalen inzetstuk met ventilatieopeningen 7 Verwijder het stationspaneelinzetstuk uit de FlexBay (zie "Een stationspaneelinzetstuk verwijderen" op pagina 251). 8 Als er geen schroeven aan het station zijn bevestigd, verwijdert u de borstschroeven vanaf de binnenkant van het stationspaneel en bevestigt u de schroeven aan het nieuwe station.
1 2 1 station 2 schroeven 9 Schuif het station voorzichtig in de FlexBay totdat u een klik hoort of voelt dat het station stevig vastzit. 10 Sluit de stroom- en gegevenskabels aan op het diskettestation. 11 Sluit het andere uiteinde van de gegevenskabel aan op de connector van de systeemkaart genaamd "DKST". Raadpleeg "Systeemkaartcomponenten" op pagina 29 voor de locatie van de connector op de systeemkaart.
1 2 3 1 voedingskabel 3 diskettestationconnector (DSKT op systeemkaart) 2 gegevenskabel 12 Plaats het vasthoudinzetstuk van het desktopstation terug en vouw de handgreep omlaag. 13 Controleer alle kabelaansluitingen en leg de kabels uit de weg om een luchtstroom tussen de de ventilator en de koelventilatieopeningen mogelijk te maken. 14 Plaats het stationspaneel terug (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253).
16 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer. 17 Sluit uw computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan. Raadpleeg de documentatie die bij de schijf wordt geleverd voor instructies voor het installeren van eventuele software die noodzakelijk is voor het functioneren van de vaste schijf.
4 Koppel de interfacekabel aan de achterkant van de geheugenkaartlezer los. 5 Koppel het andere uiteinde van de interfacekabel los van de connector van de systeemkaart genaamd "USB". Raadpleeg "Systeemkaartcomponenten" op pagina 29 voor de locatie van de connector op de systeemkaart.
1 2 1 hendel schuifplaat 2 geheugenkaartlezer KENNISGEVING: Als er bij uw computerconfiguratie metalen afschermingen aanwezig zijn, moeten deze altijd geïnstalleerd zijn terwijl de computer in gebruik is, anders werkt de computer mogelijk niet goed.
8 Zie de juiste installatie-instructies in dit hoofdstuk als u een ander station in de FlexBay installeert. 9 Plaats het stationspaneel terug (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253). 10 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten. 11 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer.
7 Als er geen schroeven aan de mediakaartlezer zijn bevestigd, controleert u of er schroeven aan de binnenkant van het stationspaneelinzetstuk zitten en als dat het geval is, bevestigt u die aan de nieuwe mediakaartlezer. 1 2 1 geheugenkaartlezer 2 schroeven 8 Schuif de lezer voorzichtig in de FlexBay totdat u een klik hoort of voelt dat de lezer stevig vastzit.
1 2 1 hendel schuifplaat 2 geheugenkaartlezer 9 Koppel de interfacekabel aan de achterkant van de geheugenkaartlezer. 10 Sluit het andere uiteinde van de interfacekabel aan op de connector van de systeemkaart genaamd "USB". Raadpleeg "Systeemkaartcomponenten" op pagina 29 voor de locaties van de connectoren op de systeemkaart.
1 2 3 1 interfacekabel 3 geheugenkaartlezer 2 Connector mediakaartlezer (USB op systeemkaart) 11 Controleer alle kabelaansluitingen en leg de kabels uit de weg om een luchtstroom tussen de de ventilator en de koelventilatieopeningen mogelijk te maken. 12 Plaats het stationspaneel terug (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253). 13 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten.
15 Sluit uw computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan. Raadpleeg de documentatie die bij de schijf wordt geleverd voor instructies voor het installeren van eventuele software die noodzakelijk is voor het functioneren van de vaste schijf. 16 Open System Setup (zie "System Setup" op pagina 93) en werk de juiste optie voor USB for Flexbay (USB voor Flexbay) bij. 17 Controleer of de computer naar behoren werkt het Delldiagnoseprogramma uit te voeren.
1 2 3 1 interfacekabel 3 geheugenkaartlezer 2 Connector mediakaartlezer (USB op systeemkaart) 6 Trek het vasthoudinzetstuk van het desktopstation aan de handgreep eruit en leg dit op een veilige plaats terzijde.
1 2 1 stationsvasthoudinzetstuk 2 geheugenkaartlezer 7 Verwijder de mediakaartlezer.
Duw tegen het metalen inzetstuk met ventilatieopeningen totdat dit op zijn plaats klikt en de metalen lipjes op één lijn liggen tegen het chassisoppervlak. c Installeer daarna een stationspaneelinzetstuk (zie "Inzetstuk stationpaneel vervangen" op pagina 253). 1 2 1 FlexBay 2 metalen inzetstuk met ventilatieopeningen 9 Zie de juiste installatie-instructies in dit hoofdstuk als u een ander station in de FlexBay installeert.
12 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten. 13 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer. 14 Sluit de computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan. Een mediakaartlezer installeren (desktopcomputer) 1 Volg de procedures in "Voordat u begint" op pagina 163.
5 Als er een ander apparaat in de FlexBay is geïnstalleerd, moet u dat apparaat verwijderen (zie de juiste verwijderingsinstructies in dit hoofdstuk). KENNISGEVING: Als er bij uw computerconfiguratie metalen afschermingen aanwezig zijn, moeten deze altijd geïnstalleerd zijn terwijl de computer in gebruik is, anders werkt de computer mogelijk niet goed.
1 2 1 FlexBay 2 metalen inzetstuk met ventilatieopeningen 7 Verwijder het stationspaneelinzetstuk uit de FlexBay (zie "Een stationspaneelinzetstuk verwijderen" op pagina 251). 8 Als er geen schroeven aan de lezer zijn bevestigd, verwijdert u de borstschroeven vanaf de binnenkant van het stationspaneel en bevestigt u de schroeven aan de nieuwe mediaklaartlezer.
1 2 1 station 2 schroeven 9 Schuif de lezer voorzichtig op zijn plaats totdat u een klik hoort of voelt dat de lezer stevig vastzit. 10 Koppel de interfacekabel aan de achterkant van de geheugenkaartlezer. 11 Sluit het andere uiteinde van de interfacekabel aan op de connector van de systeemkaart genaamd "USB". Raadpleeg "Systeemkaartcomponenten" op pagina 29 voor de locatie van de connector op de systeemkaart.
1 2 3 1 interfacekabel 3 geheugenkaartlezer 2 Connector mediakaartlezer (USB op systeemkaart) 12 Plaats het vasthoutinzetstuk van het desktopstation terug en vouw de handgreep omlaag. 13 Controleer alle kabelaansluitingen en leg de kabels uit de weg om een luchtstroom tussen de de ventilator en de koelventilatieopeningen mogelijk te maken. 14 Plaats het stationspaneel terug (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253).
16 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer. 17 Sluit uw computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan. Raadpleeg de documentatie die bij de schijf wordt geleverd voor instructies voor het installeren van eventuele software die noodzakelijk is voor het functioneren van de vaste schijf.
2 1 3 43 5 1 optisch station 2 SATA-gegevenskabel 3 voedingskabel 4 SATA-gegevenskabel 5 SATA-connector op systeemkaart 6 Schuif de schuifplaathendel naar rechts om de borstschroef vrij te maken en schuif dan het station uit het compartiment.
1 2 1 hendel schuifplaat 2 optisch station KENNISGEVING: Als er bij uw computerconfiguratie metalen afschermingen aanwezig zijn, moeten deze altijd geïnstalleerd zijn terwijl de computer in gebruik is, anders werkt de computer mogelijk niet goed.
8 Als u geen ander station in het compartiment voor het optische station plaatst, raadpleegt u "Een optisch station installeren (towercomputer)" op pagina 291. 9 Plaats het stationspaneel terug (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253). 10 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten. 11 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173).
7 Verwijder het stationspaneelinzetstuk (zie "Een stationspaneelinzetstuk verwijderen" op pagina 251). 8 Als het station geen schroeven bevat, controleert u of er borstschroeven aan de binnenkant van het stationspaneel zitten en als dat het geval is, bevestigt u die aan het nieuwe station. 1 2 1 optisch station 2 schroeven 9 Schuif het station voorzichtig op zijn plaats totdat u een klik hoort of voelt dat het station stevig vastzit.
1 2 1 stationsvasthoudinzetstuk 2 optisch station 10 Sluit de voedings- en de gegevenskabel aan op het diskettestation. Als u een SATA-station installeert, sluit dan het andere uiteinde van de gegevenskabel aan op een SATA-aansluiting op de systeemkaart.
2 1 3 4 5 1 optisch station 2 SATA-gegevenskabel 3 voedingskabel 4 SATA-gegevenskabel 5 SATA-connector op systeemkaart 11 Controleer alle kabelaansluitingen en leg de kabels uit de weg om een luchtstroom tussen de de ventilator en de koelventilatieopeningen mogelijk te maken. 12 Plaats het stationspaneel terug (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253).
13 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten. 14 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer. 15 Sluit uw computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan.
1 2 3 4 5 1 optisch station 2 voedingskabel 3 SATA-gegevenskabel 4 SATA-gegevenskabel 5 SATA-connector op systeemkaart 6 Trek het vasthoudinzetstuk van het desktopstation aan de handgreep eruit en leg dit op een veilige plaats terzijde.
1 2 1 stationsvasthoudinzetstuk 2 optisch station 7 Verwijder het optische station uit het stationscompartiment. KENNISGEVING: Als er bij uw computerconfiguratie metalen afschermingen aanwezig zijn, moeten deze altijd geïnstalleerd zijn terwijl de computer in gebruik is, anders werkt de computer mogelijk niet goed.
9 Als u geen ander station in het compartiment voor het optische station plaatst, raadpleegt u "Een optisch station installeren (desktop)" op pagina 298. 10 Plaats het vasthoudinzetstuk van het desktopstation terug en vouw de handgreep omlaag. 11 Plaats het stationspaneel terug (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253). 12 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten. 13 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173).
1 2 1 stationsvasthoudinzetstuk 2 optisch station 6 Als er een ander apparaat is geïnstalleerd in het compartiment voor het optische station, verwijdert u dat apparaat (zie "Een optisch station verwijderen (desktopcomputer)" op pagina 295). KENNISGEVING: Als er bij uw computerconfiguratie metalen afschermingen aanwezig zijn, moeten deze altijd geïnstalleerd zijn terwijl de computer in gebruik is, anders werkt de computer mogelijk niet goed.
1 2 1 optisch station 2 schroeven 10 Schuif het station voorzichtig op zijn plaats totdat u een klik hoort of voelt dat het station stevig vastzit. KENNISGEVING: Sluit geen optische SATA-schijf aan op een HDD-connector op de systeemkaart; anders functioneert dit niet. Sluit SATA-optische schijven aan op de aansluitingen met het label "SATA" op de systeemkaart. 11 Sluit de voedings- en de gegevenskabel aan op het diskettestation.
1 2 3 1 voedingskabel 3 SATA-gegevensconnector op systeemkaart 2 SATA-gegevenskabel 12 Plaats het vasthoudinzetstuk van het desktopstation terug en vouw de handgreep omlaag. 13 Controleer alle kabelaansluitingen en leg de kabels uit de weg om een luchtstroom tussen de de ventilator en de koelventilatieopeningen mogelijk te maken.
14 Plaats het stationspaneel terug (zie "Het stationspaneel vervangen" op pagina 253). 15 Controleer alle aansluitingen om er zeker van te zijn dat de kabels stevig vastzitten. 16 Plaats de computerkap terug (zie "De computerkap terugplaatsen" op pagina 173). KENNISGEVING: Steek voor het aansluiten van een netwerkkabel de kabel eerst in de netwerkpoort of het netwerkapparaat en daarna in de computer. 17 Sluit uw computer en apparaten aan op het lichtnet en zet ze vervolgens aan.
4 Verwijder het toegangsklepje naar de processor. a Verwijder de groene schroef waarmee het toegangsklepje naar de processor is bevestigd aan de systeemkaart en het chassis van de computer. b Til het toegangsklepje naar de processor uit de computer. 5 Gebruik een lange Phillips-schroevendraaier om de vier kopschroeven aan de zijden van de koelplaat los te draaien. WAARSCHUWING: De koelplaat kan erg heet worden tijdens normaal gebruik. Laat de koelplaat voldoende lang afkoelen voordat u deze aanraakt.
1 2 3 4 5 1 kaartventilator 2 kabel kaartventilator 3 connector kaartventilator op systeemkaart (FAN_CCAG) 4 voorste ventilator 5 vasthoudstuk volle-lengte kaart 9 Maak de kaartventilator los van de connector genaamd FAN_FRONT op de systeemkaart (zie "Systeemkaartcomponenten" op pagina 29). 10 Als de computer in de towerstand staat, trekt u aan het vasthoudstuk van de volle-lengte kaart naast de kaartventilator om dit te verwijderen.
15 Verwijder alle componenten die de toegang tot de systeemkaart belemmeren. 16 Koppel alle kabels los van de systeemkaart. 17 Voordat u de huidige systeemkaart vervangt, moet u de vervangende kaart op zicht met de huidige systeemkaart vergelijken om te controleren of u dit het juiste onderdeel is. 18 Verwijder de negen systeemkaartschroeven. 1 1 2 schroeven (9) 2 systeemkaart 19 Til de systeemkaart uit de computer. 20 Leg de zojuist verwijderde systeemkaart naast de vervangende systeemkaart.
De systeemkaart vervangen 1 Onderdelen van de oude op de nieuwe systeemkaart overzetten: a Verwijder de geheugenmodules en installeer ze op de systeemkaart (zie "Geheugen" op pagina 199 voor meer informatie). WAARSCHUWING: De processor en de koelplaat kunnen heet worden. Laat de processor en de koelplaat lang genoeg afkoelen voordat u ze aanraakt om te voorkomen dat u brandwonden oploopt. b Verwijder de processor van de huidige systeemkaart en zet de processor over op de vervangende systeemkaart.
Hulp krijgen Hulp krijgen WAARSCHUWING: Als u de computerkap moet verwijderen, moet u eerst de stroom naar de computer onderbreken en de modemkabels uit de stopcontacten halen. Als er zich een probleem voordoet met uw computer, kunt u de onderstaande stappen volgen om het probleem te achterhalen en op te lossen: 1 Zie "Problemen oplossen" op pagina 113 voor informatie en procedures voor het probleem dat uw computer ondervindt.
Voer, zodra het automatische telefoonsysteem van Dell erom vraagt, uw code voor express-service in; u wordt dan rechtstreeks naar de juiste persoon doorverbonden. Als u niet over een code voor express-service beschikt, opent u de map Dell-accessoires, dubbelklikt u op het pictogram voor code voor express-service en volgt u de aanwijzingen op. Zie "Technische ondersteuning en klantenservice" op pagina 308 voor instructies over het gebruik van Dell Support.
Dell Support is bereikbaar via de onderstaande websites en e-mailadressen: • Dell Support-websites support.dell.com support.jp.dell.com (alleen voor Japan) support.euro.dell.com (alleen voor Europa) • E-mailadressen van Dell Support mobile_support@us.dell.com support@us.dell.com la-techsupport@dell.com (Latijns-Amerikaanse landen en landen in het Caribisch zeegebied) apsupport@dell.com (alleen voor Azië en landen rond de Stille Oceaan) • E-mailadressen Dell-marketing en verkoop apmarketing@dell.
Automatische orderstatusservice Wanneer u de status wilt nagaan van de Dell-producten die u hebt besteld, gaat u naar support.dell.com, of belt u de geautomatiseerde bestelservice. Via een bandopname wordt u gevraagd naar de informatie die nodig is om uw order te vinden en u erover in te lichten. Zie "Contact opnemen met Dell" op pagina 313 voor het telefoonnummer dat u moet bellen in uw regio.
3 Voeg er ook een kopie bij van de diagnostische checklist (zie "Diagnostische checklist" op pagina 312) waarin de testen staan die u hebt uitgevoerd en de foutmeldingen die door Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) zijn weergegeven (zie "Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek)" op pagina 147). 4 Voeg alle onderdelen bij van de items die u wilt retourzenden (voedingskabels, softwarediskettes, handleidingen, etc.) als de retourzending moet worden gerestitueerd.
Diagnostische checklist Naam: Datum: Adres: Telefoonnummer: Serviceplaatje (streepjescode op de achter- of onderkant van de computer): Code voor express-service: Retourzendings-autorisatienummer (indien verstrekt door een Dell-technicus): Besturingssysteem en versie: Apparaten: Uitbreidingskaarten: Bent u met een netwerk verbonden? Ja Nee Netwerk, versie en netwerkadapter: Programma's en versies: Zie de documentatie van het besturingssysteem om achter de inhoud van de opstartbestanden van het systeem te kom
Contact opnemen met Dell Klanten in de Verenigde Staten kunnen 800.WWW.DELL (800.999.3355) bellen. OPMERKING: Als u geen actieve internetverbinding hebt, kunt u contactgegevens ook vinden op uw factuur, pakbon, rekening of productcatalogus van Dell. Dell biedt diverse on line telefonische ondersteunings- en servicemogelijkheden. De beschikbaarheid hiervan verschilt echter per land en product, en sommige zijn mogelijk niet in uw regio beschikbaar.
Hulp krijgen
Bijlage FCC-kennisgeving (alleen V.S.) FCC klasse B Deze apparatuur kan radiofrequentie-energie genereren, gebruiken en uitstralen en kan, indien niet geïnstalleerd en gebruikt in overeenstemming met de instructiehandleiding van de fabrikant, radio- en televisie-ontvangst verstoren. Deze apparatuur is getest en geschikt bevonden binnen de grenzen van Klasse B digitale apparatuur, in overeenstemming met Deel 15 van de FCC-richtlijnen. Dit apparaat voldoet aan de FCC-richtlijnen, deel 15.
Indien nodig kunt u voor advies contact opnemen met een medewerker van Dell of een ervaren radio-/televisie-installateur. Overeenkomstig de FCC-richtlijnen wordt de volgende informatie verstrekt voor het apparaat of de apparaten waarop dit document van toepassing is: • Productnaam: Dell™ Precision™ T5400 • Modelnummer: DCTA • Bedrijfsnaam: Dell Inc.
Woordenlijst Begrippen in deze woordenlijst zijn alleen voor informatieve doeleinden. De beschreven begrippen hebben al dan niet betrekking op uw specifieke computer. A AC — Alternating Current (wisselstroom) — Het soort elektriciteit dat uw computer van stroom voorziet wanneer u de netadapter aansluit op het elektriciteitsnet. Achtergrond — Het patroon of de afbeelding op de achtergrond van het bureaublad van Windows. Verander uw achtergrond via het Configuratiescherm in Windows.
Apparaat — Hardware, zoals een diskettestation, een printer of een toetsenbord, die is geïnstalleerd in of aangesloten op uw computer. Apparaat, stuurprogramma — Zie Apparaat. ASF — Alert Standards Format — Een norm om een mechanisme voor het overbrengen van hardware- en softwaremeldingen naar een beheerconsole te definiëren. ASF is platform- en besturingssysteemonafhankelijk.
C C — Celsius — Een temperatuurschaal met 0º als vriespunt en 100º als kookpunt van water. Cache — Een speciaal mechanisme voor hogesnelheidsopslag. Dit kan een gereserveerd deel van het hoofdgeheugen of een onafhankelijk apparaat voor hogesnelheidsopslag zijn. Het cachegeheugen vergroot de efficiëntie van processorbewerkingen. L1 cache — Primair cachegeheugen in de processor zelf.
CRIMM — Continuity Rambus In-line Memory Module — Een speciale module zonder geheugenchips, die gebruikt wordt voor het vullen van ongebruikte RIMM-sleuven. Cursor — De markering op een scherm die aangeeft waar de volgende actie met het toetsenbord, de touch-pad, of de muis gaat plaatsvinden. Vaak is dit een knipperende rechte lijn, een liggend streepje of een kleine pijl. D DDR SDRAM — Double-Data-Rate SDRAM — Een soort SDRAM die de databurstcyclus verdubbelt, waardoor het systeem beter presteert.
dual-core — Een technologie waarin twee fysieke rekeneenheden bestaan in een enkel processorpakket, waardoor de rekenefficiëntie en het vermogen tot multitasking wordt vergroot. Dual-displaymodus — In deze schermmodus kunt u een tweede monitor gebruiken als uitbreiding op uw beeldscherm. Dit wordt ook wel dubbele schermmodus genoemd. Dubbele schermmodus — In deze schermmodus kunt u een tweede monitor gebruiken als uitbreiding op uw beeldscherm. Dit wordt ook wel Dual Display-modus genoemd.
Expresskaart — Een verwijderbare I/O-kaart die voldoet aan de PCMCIA-norm. Modems en netwerkadapters zijn gangbare types expresskaart. Expresskaarten ondersteunen zowel de PCI Express als de USB 2.0 standaard. F Fahrenheit — Een temperatuurschaal met 32º als vriespunt en 212º als kookpunt van water. FBD — Fully Buffered DIMM — Een DIMM met DDR2 DRAM-chips en een Advanced Memory Buffer (AMB, geavanceerde geheugenbuffer) die de communicatie tussen de DDR2 SDRAM-chips en het systeem versnelt.
Geheugentoewijzing — Het proces waarin de computer bij het opstarten geheugenadressen toekent aan fysieke locaties. Apparaten en software kunnen vervolgens informatie identificeren die voor de processor toegankelijk is. geïntegreerd — Duidt doorgaans op onderdelen die zich fysiek op de systeemkaart van de computer bevinden. Dit wordt ook wel ingebouwd genoemd. GHz — Gigahertz — Een eenheid van frequentie die gelijk is aan duizend miljoen Hz, ofwel duizend MHz. De snelheid voor computerprocessoren.
installatieprogramma — Een programma dat wordt gebruikt voor de installatie en configuratie van hardware en software. Het programma setup.exe of install.exe wordt bij de meeste softwarepakketten van Windows geleverd. Installatieprogramma is iets anders dan systeeminstellingen. I/O — Input/Output — Een bewerking of apparaat die gegevens in uw computer invoert en van uw computer afhaalt. Toetsenborden en printers zijn I/O-apparaten.
L LAN — Local Area Network — Een computernetwerk dat een klein gebied bestrijkt. Een LAN is meestal beperkt tot een gebouw of een aantal nabijgelegen gebouwen. Een LAN kan over elke afstand worden verbonden met een andere LAN via telefoonlijnen en radiogolven en zo een WAN (Wide Area Network) vormen. LCD — Liquid Crystal Display — De technologie die wordt gebruikt bij draagbare computers en platte beeldschermen.
Minikaart — Een kleine kaart ontworpen voor ingebouwde randapparatuur, zoals communicatie-NIC's. Een Mini-Card is qua functionaliteit vergelijkbaar is met een standaard PCI-uitbreidingskaart. Modem — Een apparaat waarmee uw computer kan communiceren met andere computers via analoge telefoonlijnen. Er zijn drie types modem: extern, pc-kaart en intern. Modems worden doorgaans gebruikt voor verbinding met internet en het verzenden en ontvangen van e-mail. modulehouder — Zie mediahouder.
P Parallelle connector — Een I/O-poort die vaak wordt gebruikt voor de aansluiting van een parallelle printer op uw computer. Ook bekend als LPT-poort. partitie — Een fysieke opslagruimte op een harde schijf die is toegewezen aan één of meer logische opslagruimtes, ook wel logische stations genoemd. Elke partitie kan meerdere logische stations bevatten.
Processor — Een computerchip die programma-instructies interpreteert en uitvoert. Soms wordt de term CPU (Central Processing Unit) voor processor gebruikt. PS/2 — Personal System/2 — Een type connector voor de aansluiting van een toetsenbord, een muis of een toetsenblok die PS/2-compatibel is. PXE — Pre-boot eXecution Environment — Een WfM (Wired for Management)norm, waarmee computers zonder besturingssysteem op een netwerk op afstand kunnen worden geconfigureerd en opgestart.
S SAS — serial attached SCSI (serieel aangesloten SCSI) — Een snellere, seriële versie van de SCSI-interface (in tegenstelling tot de oorspronkelijke parallelle SCSIarchitectuur). SATA — Serial ATA — Een snellere, seriële versie van de ATA (IDE)-interface. ScanDisk — Een programma van Microsoft dat bestanden, mappen en de vaste schijf op fouten controleert. ScanDisk wordt vaak uitgevoerd wanneer u de computer opnieuw opstart als deze niet meer reageert.
Snelkoppeling — Een pictogram die snelle toegang tot vaak gebruikte programma's, bestanden, mappen en stations mogelijk maakt. Wanneer u een snelkoppeling op het bureaublad van Windows maakt en op het pictogram dubbelklikt, opent u het corresponderende item zonder het eerst te hoeven zoeken. Pictogrammen voor snelkoppelingen veranderen de locatie van bestanden niet. Wanneer u een snelkoppeling verwijdert, heeft dit geen invloed op het oorspronkelijke bestand.
Systeemvak — Het gedeelte van de Windows taakbalk met pictogrammen voor snelle toegang tot programma’s en functies, zoals de klok, het volumebeheer en de afdrukstatus. Dit wordt ook de systeemlade genoemd. T TAPI — Telephony Application Programming Interface — Deze interface stelt Windows programma’s in staat te werken met een grote diversiteit aan telefonieapparaten, waaronder spraak, gegevens, fax en video. Teksteditor — Een programma voor het maken en bewerken van bestanden met alleen tekst.
USB — Universal Serial Bus — Een hardware-interface voor apparaten met een lage snelheid, zoals een USB-compatibel toetsenbord, muis, joystick, scanner, speakerset, printer, breedbandapparaten (DSL- en kabelmodems), beeldapparaten of opslagapparaten. Apparaten worden rechtstreeks op een 4 pins socket op uw computer aangesloten, of op een hub met meerdere poorten die op uw computer is aangesloten. USB-apparaten kunnen worden aangesloten en ontkoppeld terwijl de computer aanstaat.
Videoresolutie — Zie resolutie. vingerafdruklezer — Een stripsensor die uw unieke vingerafdruk gebruikt om uw gebruikersidentiteit te verifiëren, met als doel de computer te helpen beveiligen. Virus — Een programma dat voor ongemak en irritatie zorgt of gegevens vernietigt die op uw computer zijn opgeslagen. Een virusprogramma kan van de ene computer op een andere overgaan via een geïnfecteerde diskette, van internet gedownloade software, of e-mailbijlagen.
Z ZIF — Zero Insertion Force — Een type socket of connector die een soepele, probleemloze plaatsing of verwijdering van een computerchip mogelijk maakt. Zip — Een populaire indeling voor gegevenscompressie. Bestanden die zijn gecomprimeerd met de zip-indeling worden zip-bestanden genoemd en hebben normaliter de extensie .zip. Een speciaal soort zip-bestand is een zelfuitpakkkend bestand, dat de extensie .exe heeft. U kunt een zelfuitpakkend bestand uitpakken door erop te dubbelklikken.