103.1 CITROËN C1 c1-nl_couv_ed02-2005.
000.1 CITROËN CITROËN prefereert Een samenwerking die staat voor innovatie CITROËN en TOTAL, al 35 jaar partners, ontwikkelen in nauwe samenwerking motorenen smeermiddelen met de meest geavanceerde technieken. Specifieke motorolie De onderzoeksteams van CITROËN en TOTAL werken samen om u de beste technologische combinatie te kunnen bieden op het gebied van motoren en smeermiddelen.
1153.1 De in dit boekje genoemde uitrusting - hetzij standaard hetzij optioneel evenals de technische specificaties, waren juist ten tijd van druk van dit boekje. Het uitrustingsniveau van uw auto hangt af van de uitvoering, de gekozen extra’s en het verkoopland van uw auto. Bepaalde in dit instructieboekje genoemde uitrustingen zijn mogelijk pas in de loop van het jaar beschikbaar. Aansprakelijkheid voor de gegeven beschrijvingen en illustraties wordt niet aanvaard.
BO-NL-1005 Edition 02/2005 c1-nl_couv_ed02-2005.
1 1036.1 Bedankt voor uw keuze en gefeliciteerd. Lees dit boekje goed door voordat u gaat rijden. Het bevat alle informatie over het rijden met deze auto, en over de uitrusting, evenals belangrijke aanbevelingen. Verder vindt u in dit boekje gebruiksvoorzorgen, informatie over het reguliere onderhoud en tips voor het onderhouden van uw auto, teneinde de veiligheid en betrouwbaarheid van uw nieuwe CITROËN te waarborgen.
I N H O U D S O P G AV E c1-nl_sommaire_ed02-2005.indd HOOFDSTUK I ELEMENTAIRE FUNCTIES Bestuurdersplaats ....................................... 6-7 Instrumentenpaneel................................... 8-10 Controlelampjes .......................................11-12 Signalering .............................................. 13-14 Zicht.............................................................. 15 Voorstoelen .................................................. 16 Spiegels............................
I N H O U D S O P G AV E II HOOFDSTUK II 3 RIJDEN II Sleutels - Afstandsbediening ................... 22-23 Stuurslot - Contact - Startmotor .............. 24-25 Starten .......................................................... 26 SensoDrive versnellingsbak .................... 27-28 Handrem - ABS ............................................ 29 III HOOFDSTUK III INTERIEUR Openen en sluiten ................................... 30-31 Ventilatie - Verwarming Airconditioning .............................
I N H O U D S O P G AV E 4 IV HOOFDSTUK IV ONDERHOUD IV Openen van de motorkap............................. 51 Benzinemotor ............................................... 52 Dieselmotor .................................................. 53 Niveaus ........................................................ 54 Inhoud reservoirs.......................................... 55 Accu ............................................................. 56 Zekeringen ..............................................
I N H O U D S O P G AV E VI HOOFDSTUK VI 5 TECHNISCHE GEGEVENS Algemeen ..................................................... 69 Afmetingen .............................................. 70-71 Brandstofverbruikscijfers .............................. 72 Identificatie ................................................... 73 ALFABETISCH TREFWOORDENREGISTER 74-76 VISUEEL TREFWOORDENREGISTER 77-80 GEBRUIKSVOORZORGEN c1-nl_sommaire_ed02-2005.
B E S T U U R D E R S P L A AT S 6 ELEMENTAIRE FUNCTIES I c1-nl_chap-1_ed02-2005.
7 1. Bediening van de buitenspiegel 12. Bediening elektrische ruit aan passagierszijde 24. Uitschakelen passagiersairbag 2. Draaibaar en afsluitbaar zijventilatierooster 13. Bergruimte 25. Bediening elektrische ruit aan bestuurderszijde 3. Toerenteller 14. Autoradio 4. Instrumentenpaneel 15. Bediening van ventilatie, verwarming en airconditioning 5. Zekeringkast in dashboard (achter de behuizing van het instrumentenpaneel, rechts en links) 6. 26. Koplampverstelling 27.
I I N S T R U M E N T E N PA N E E L INSTRUMENTENPANEEL 1048.1 ELEMENTAIRE FUNCTIES 8 1. Knop voor de nulstelling van de dagkilometerteller 2. Weergave controlelampjes 3. Richtingaanwijzers 4. Snelheidsmeter c1-nl_chap-1_ed02-2005.indd 8 5. Brandstofmeter 6. Display: - indicator ingeschakelde versnelling en schakelstand van de schakelhendel van de SensoDrive versnellingsbak, - totaalkilometerteller / dagteller. 7. Controlelampje mistachterlicht 8. Controlelampje grootlicht 9.
Laat de wijzer van de toerenteller nooit in het rode gebied komen, maar schakel tijdig over naar de volgende versnelling. DISPLAY Kilometerteller/dagteller Als het contact wordt aangezet, wordt afhankelijk van de geselecteerde weergave bij het afzetten van de motor, de kilometerteller of dagteller weergegeven. Houd, als de dagteller wordt weergegeven, de knop 1 ingedrukt om de dagteller op 0 te zetten.
I I N S T R U M E N T E N PA N E E L 1267.1 Indicator SensoDrive versnellingsbak Handmatige stand: Ingeschakelde versnelling Schakelhendel in de stand EASY (automatische stand) Brandstofmeter Deze meter geeft de hoeveelheid brandstof aan, die zich in de tank bevindt: - 1/1: de brandstoftank is helemaal vol. - R: de reservebrandstof in de tank is aangesproken. 1346.
WAARSCHUWINGSLAMPJES Raadpleeg een CITROËN erkend bedrijf. STOP-lampje Gaat bij het aanzetten van het contact gedurende enkele seconden knipperen. Gekoppeld aan het verklikkerlampje: - "motoroliedruk" - "koelvloeistoftemperatuur", Stop onmiddellijk als het lampje bij draaiende motor gaat branden. Raadpleeg een CITROËN erkend bedrijf. Waarschuwingslampje motoroliedruk Gaat bij het aanzetten van het contact branden tot de motor wordt gestart.
CONTROLELAMPJES Waarschuwingslampje elektrische stuurbekrachtiging Gaat bij het aanzetten van het contact gedurende enkele seconden branden. Als het lampje tijdens het rijden gaat branden, wijst dit op een storing in de elektrische stuurbekrachtiging. Raadpleeg een CITROËN erkend bedrijf. Laadstroomlampje Gaat bij het aanzetten van het contact gedurende enkele seconden branden. Als dit lampje bij draaiende motor blijft branden, wijst dit op een storing. Raadpleeg een CITROËN erkend bedrijf.
13 Mistachterlicht 1066.1 Draai bij ontstoken dimlichten de ring B van u af om het mistachterlicht aan te zetten, en naar u toe, om het te doven. De staat van deze verlichting wordt getoond op het instrumentenpaneel. BEDIENING VAN DE VERLICHTING Voor- en achterlichten Kies een stand door ring A te verdraaien. 3. c1-nl_chap-1_ed02-2005.indd 1. Lichten gedoofd. 2. Stadslichten. Dimlichten/grootlicht.
I SIGNALERING Afhankelijk van de mate van belading van uw auto, is het raadzaam de reikwijdte van de koplampverlichting af te stellen. 0 - 1 of 2 inzittenden voorin. - - 3 inzittenden. 1 - 4 inzittenden. 2 - 4 inzittenden + maximum toegestane belading. 3 - Bestuurder + maximum toegestane belading. Initialiseren in de stand 0. c1-nl_chap-1_ed02-2005.indd 14 177.2 AFSTELLEN VAN DE KOPLAMPEN 1158.
Ruitenwissers vóór MIST Eén keer wissen. Duw de schakelaar naar boven en laat hem los om de ruitenwisser één keer te laten wissen. OFF Uit. INT Interval. LO Normale snelheid (matige regenval). HI Hoge snelheid (hevige neerslag). Ruitensproeier vóór Trek de ruitenwisserschakelaar naar u toe. c1-nl_chap-1_ed02-2005.indd 15 240.8 RUITENWISSERSCHAKELAAR 15 Ruitenwisser en -sproeier achter Draai de ring A in de stand "ON" voor een constante wissnelheid.
I VOORSTOELEN 2. Toegang tot de achterzitplaatsen (3-deurs) Plaats de gordel tegen de portierstijl. Duw bediening A naar achteren om de rugleuning neer te klappen en schuif de stoel naar voren. Druk de rugleuning terug tot deze blokkeert, om de stoel weer op zijn plaats te zetten. Zet de stoel terug in de juiste stand van de lengterichtingverstelling en de hellingshoek van de rugleuning. 3. Verstellen van de rugleuning Duw de bediening A naar achteren, terwijl u de rugleuning instelt.
Buitenspiegels U kunt de buitenspiegels vanuit het interieur verstellen naar boven, naar beneden, naar links of naar rechts, door de hendel te bewegen. 17 Binnenspiegel De binnenspiegel kent 2 standen: - dagstand (normaal), - nachtstand (antiverblinding). De spiegel kan in de dag- en nachtstand gezet worden met behulp van het hendeltje aan de onderzijde. Inklappen/uitklappen Wanneer de auto stilstaat, kunt u de buitenspiegels handmatig inof uitklappen. c1-nl_chap-1_ed02-2005.
V E R S T E L L E N VA N H E T S T U U R B E D I E N E N VA N D E R U I T E N STUURWIEL IN HOOGTE VERSTELLEN 159.11 ELEMENTAIRE FUNCTIES 18 Druk bij stilstaande auto de hendel naar beneden om het stuurwiel te ontgrendelen. Zet het stuurwiel in de gewenste stand en trek aan de hendel om het stuurwiel te vergrendelen. c1-nl_chap-1_ed02-2005.indd 117.8 I ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN Beide voorportieren zijn voorzien van elektrisch bedienbare ruiten.
19 1. Aan-/uitzetten airconditioning 2. Temperatuurinstelling 3. Instelling van de aanjagersnelheid 4. Recirculatie interieurlucht / aanvoer buitenlucht 5. Instelling van de luchtverdeling 6. Ontwasemen van de achterruit 34 c1-nl_chap-1_ed02-2005.indd 19 25/01/2005, 14:25 I ELEMENTAIRE FUNCTIES 1091.
AUTORADIO 20 ELEMENTAIRE FUNCTIES I c1-nl_chap-1_ed02-2005.
Toets 21 Functie A Aan/uit. B 5 C CD/AUX D AM/FM E AST Uitwerpen van een cd. Selecteren van cd-speler, cd-wisselaar of losse apparatuur. Selecteren van de radioweergave en de golfbanden AM / FM (FM1, FM2, FM3). Autostore: automatisch programmeren van zes radiostations op AM en FM3. F TA Aan-/uitzetten van verkeersinformatie (TA). G AF Aan-/uitzetten van de zendervolgfunctie AF (alternatieve frequentie).
II S L E U T E L S - A F S TA N D S B E D I E N I N G De bij de auto geleverde sleutelset of afstandsbediening kan tot een maximum van drie stuks worden uitgebreid. In geval van verlies van uw autosleutels is een kostbare ingreep aan uw auto noodzakelijk. Raadpleeg een CITROËN erkend bedrijf. Sleutels Met de sleutels kunt u de voorportiersloten, het achterklepslot, het slot van de brandstoftankdop en het stuurslot bedienen. Verder kunt u er de passagiersairbag mee uitschakelen en het contact aanzetten.
S L E U T E L S - A F S TA N D S B E D I E N I N G 23 ELEKTRONISCHE STARTBLOKKERING Deze diefstalbeveiliging blokkeert het motormanagementsysteem zodra het contact wordt afgezet en voorkomt zo het starten van de motor bij een inbraak. In de sleutel is een chip aangebracht die over een specifieke code beschikt. Bij het aanzetten van het contact moet de code van de sleutel worden herkend door de startblokkering, waarna de motor gestart kan worden.
S T U U R S L O T - C O N TA C T S TA R T M O T O R 24 2004.1 II S : Stuurslot Om het stuur te ontgrendelen, dient u het stuurwiel iets te bewegen, terwijl u de sleutel zonder forceren in het contactslot draait. A : Accessoires In deze stand kunt u bepaalde elektrische accessoires gebruiken. Het laadstroomlampje brandt. M : Contactstand De lampjes STOP, temperatuur en niveau koelwater, laadstroom, handrem, oliedruk, ABS, bestuurdersgordel, airbag en emissie moeten in deze stand branden.
I S T U U R S L O T - C O N TA C T S TA R T M O T O R II 25 Stuurslot S : Verdraai na het verwijderen van de sleutel uit het contact het stuur iets, tot de stuurinrichting wordt vergrendeld. De sleutel kan alleen verwijderd worden in de stand S. A : De stuurinrichting is ontgrendeld (draai de sleutel in de stand A en beweeg daarbij eventueel het stuurwiel iets). M : Contactstand. D : Startstand. Voor starten en afzetten van de motor, zie "Starten".
II S TA R T E N 2005.1 26 Handgeschakelde versnellingsbak - Controleer of de versnellingspook in de vrijstand staat. - Trap het rempedaal in, maar kom niet aan het gaspedaal. - Uitvoeringen met dieselmotor: draai de sleutel in de contactstand. Wacht, indien het voorgloeilampje brandt, tot dit gedoofd is. - Start de motor door de sleutel verder te draaien, tot de motor aanslaat (niet langer dan tien seconden).
II SENSODRIVE VERSNELLINGSBAK 315.2 I 27 SENSODRIVE VERSNELLINGSBAK Bij de SensoDrive versnellingsbak met vijf versnellingen kunt u kiezen tussen automatische bediening en handmatig schakelen. Selecteren van de stand Beweeg de versnellingshendel in de gewenste stand. Reverse "R": achteruitversnelling. Deze stand kan uitsluitend worden ingeschakeld bij stilstaande auto of bij een snelheid lager dan 6 km/h. Het inschakelen van de achteruitversnelling wordt aangegeven door een geluidssignaal.
II 28 SENSODRIVE VERSNELLINGSBAK Stand EASY (automatische stand) Selecteer de stand E met de versnellingshendel. De ingeschakelde versnelling verschijnt op het display van het instrumentenpaneel. De versnellingsbak kiest voortdurend de meest geschikte versnelling. Als het gaspedaal tot voorbij het zware punt wordt ingetrapt (kickdown), schakelt de SensoDrive versnellingsbak één versnelling terug voor een snellere acceleratie.
HANDREM - ABS 100.10 II 29 HANDREM Aantrekken Trek, als de auto volledig stilstaat, de handrem aan. Loszetten Trek aan de hefboom, druk de knop in en duw de handrem geheel omlaag. Als tijdens het rijden dit lampje brandt, geeft dit aan dat de handrem nog (iets) is aangetrokken. Draai bij het parkeren van de auto op een helling de wielen richting trottoir en trek de handrem aan. De handrem mag niet worden gebruikt om een rijdende auto af te remmen of te laten stoppen. 1001.
OPENEN EN SLUITEN 30 1145.1 III PORTIEREN Vergrendelen/ontgrendelen van een portier van binnenuit Druk de knop A in voor het vergrendelen van het portier. Trek knop A omhoog om het portier te ontgrendelen. Opmerkingen: het is mogelijk de portieren van binnenuit te vergrendelen. De portieren kunnen dan wel van binnenuit, maar niet van buitenaf worden geopend. Verlaat nooit uw auto zonder uw autosleutel of afstandsbediening.
DE KOFFER Vergrendelen/ontgrendelen met de sleutel Openen: bedien het slot B met de sleutel en licht de achterklep op. c1-nl_chap-3_ed02-2005.indd 31 Vergrendelen/ontgrendelen met de afstandsbediening Het vergrendelen/ontgrendelen van de koffer gebeurt met de afstandsbediening. Open de achterklep door op de knop C te drukken en licht de achterklep op. Opmerking: het is mogelijk de koffer te ver- of ontgrendelen door het knopje A op het bestuurdersportier te bedienen. 149.
III 32 c1-nl_chap-3_ed02-2005.
V E N T I L AT I E - V E R WA R M I N G AIRCONDITIONING III 1196.1 II 33 VENTILATIE 1. Ventilatieopeningen voor het ontwasemen en ontdooien van de voorruit. 2. Ventilatieopeningen voor het ontwasemen en ontdooien van de portierruiten. 3. Zijventilatieroosters. 4. Middelste ventilatierooster. 5. Ventilatieroosters bij de voeten van de inzittenden. Gebruikstips - Zet de knop voor de luchttoevoer in een stand die hoog genoeg is om de lucht in het interieur voldoende te verversen.
III 34 V E N T I L AT I E - V E R WA R M I N G AIRCONDITIONING 1107.1 Om lekkages van de aircocompressor te voorkomen, adviseren wij om minstens één keer per maand de airconditioning aan te zetten. Het gebruik van de airconditioning is het hele jaar door nuttig omdat het de luchtvochtigheid terugdringt en voorkomt dat de ruiten beslaan. Voor een doeltreffende werking van de airconditioning dient deze uitsluitend gebruikt te worden met gesloten ramen.
II V E N T I L AT I E - V E R WA R M I N G AIRCONDITIONING III D. Recirculatie van de interieurlucht / aanvoer buitenlucht In deze stand is het interieur afgesloten van van buiten afkomstige onaangename geuren of rook. Wanneer u tijdens het gebruik van deze stand kortstondig de airconditioning aanzet, leidt dat tot een optimale klimaatbeheersing in uw auto. Wanneer u de stand voor de recirculatie van de interieurlucht bij vochtig weer gebruikt, loopt u kans dat de ruiten beslaan.
A C H T E R Z I T P L A AT S E N 1051.1 36 3-deurs 5-deurs AUTOGORDELS ACHTER Berg de gespen van de gordels op door ze in de opening A te steken. c1-nl_chap-3_ed02-2005.indd 36 1247.1 III ACHTERZITPLAATSEN Neerklappen van de rugleuning in delen of als een geheel: Verricht deze handelingen met geopende achterklep, terwijl u achter de auto staat.
A C H T E R Z I T P L A AT S E N III 249.3 II HOOFDSTEUNEN ACHTER De hoofdsteunen achter zijn verwijderbaar en kunnen in twee standen worden gezet: - omhoog, om ze te gebruiken. - omlaag, als ze niet worden gebruikt. Trek aan de hoofdsteun om hem omhoog te zetten. Druk op de blokkeerpal A en duw de hoofdsteun vervolgens omlaag om hem omlaag te zetten.
A C H T E R Z I T P L A AT S E N 200.4 38 ZIJRUITEN ACHTER (5-deurs) Trek aan de hendel en duw hem naar voren om de ruit open te zetten. Trek de hendel naar achteren en duw hem vast om de ruit te sluiten. 176.7 III KINDERSLOT Beide achterportieren zijn voorzien van een kinderslot om het openen van binnenuit te verhinderen. Duw de knop 1 naar de buitenzijde van de auto. Controleer na het aanzetten van het contact altijd de stand van het kinderslot. c1-nl_chap-3_ed02-2005.
AIRBAGS III 1133.1 II 39 Airbag aan passagierszijde uitschakelen In het belang van de veiligheid van het kind moet u te allen tijde de airbag van de passagiersstoel voorin uitschakelen, wanneer u op deze zitplaats een kinderzitje met de rug in de rijrichting plaatst. Doet u dit niet, dan loopt het kind het risico ernstig of dodelijk gewond te raken, wanneer de airbag afgaat. F Steek bij afgezet contact de contactsleutel in de sleutelschakelaar 1 voor het uitschakelen van de passagiersairbag.
VEILIG VERVOEREN VA N K I N D E R E N 1264.1 40 Kinderstoelen die bevestigd worden met de autogordel De volgende tabel, die conform de Europese wetgeving is opgesteld (Richtlijn 2000/3), toont per zitplaats van de auto op welke manier er een kinderzitje kan worden geplaatst dat vastgezet kan worden met de autogordel en dat universeel gehomologeerd is voor een bepaalde gewichtsklasse.
VEILIG VERVOEREN VA N K I N D E R E N III 1316.1 II 41 ISOFIX bevestigingspunten en ISOFIX bevestigingssystemen De achterstoelen (1) in uw auto zijn ieder afzonderlijk voorzien van reglementaire ISOFIX verankeringen. Deze plaatsen zijn goedgekeurd volgens de meest recente regelgeving inzake ISOFIX. Het gaat om drie ogen op elke zitplaats: - twee onderste ogen a en b, die zich tussen de rugleuning en het zitgedeelte bevinden. Zij bevinden zich op ongeveer 28 cm van elkaar.
III VEILIG VERVOEREN VA N K I N D E R E N 42 III T1316.1 OVERZICHTSTABEL VOOR HET PLAATSEN VAN ISOFIX-KINDERZITJES. Deze tabel, die conform de Europese wetgeving is opgesteld (ECE 16), toont per zitplaats voorzien van ISOFIX bevestigingen, op welke manier er een kinderzitje kan worden bevestigd. Bij de universele en semi-universele ISOFIX kinderzitjes staat de ISOFIX lengtecategorie, aangeduid met de letter A of G, op het kinderzitje rechts van het ISOFIX logo.
VEILIG VERVOEREN VA N K I N D E R E N III 1113.1 II 43 Wanneer een kinderzitje niet op de juiste wijze in de auto is gemonteerd, loopt het kind gevaar in geval van een aanrijding. ISOFIX bevestigingssystemen beperken het risico van een verkeerde montage. ISOFIX bevestigingssystemen staan garant voor een betrouwbare, stevige en snelle montage van een kinderzitje in uw auto. Houd u in alle gevallen stipt aan de montagevoorschriften van de fabrikant van het kinderzitje. c1-nl_chap-3_ed02-2005.
COMFORT 44 III 1242.1 III VOORZIENINGEN VOORIN 1. Zonneklep Beide zonnekleppen zijn voorzien van een afdekbaar make-upspiegeltje en een (parkeer)kaarthouder. 2. Bergruimte 3. Open handschoenenkastje 4. Opbergvakken in de portieren Let er bij het openen van een portier op dat er geen voorwerpen uit de vakken steken. 5. Bekerhouder 6. 12-volts stopcontact voor accessoires Het stopcontact wordt gevoed vanaf de accessoirestand van de contactsleutel (1e stand). c1-nl_chap-3_ed02-2005.
COMFORT III 1243.1 II 45 VOORZIENINGEN IN HET ACHTERCOMPARTIMENT Hoedenplank Verwijderen: - maak de hoedenplank bij A los, - druk de hoedenplank vanaf de onderkant uit de bevestigingen, - licht de hoedenplank iets op en houd hem een beetje schuin om hem te verwijderen. c1-nl_chap-3_ed02-2005.indd 45 U kunt de hoedenplank op de volgende manieren opbergen: - achter de achterzitplaatsen, - plat in de koffer.
III AUTORADIO 1231.2 46 ALGEMENE FUNCTIES III AUDIO-INSTELLINGEN Aan/uit Druk, wanneer de contactsleutel in de stand voor accessoires staat of bij aangezet contact, op de toets A om de autoradio aan of uit te zetten. Wanneer de motor is afgezet, schakelt de radio automatisch binnen circa 30 minuten uit.
II AUTORADIO III Stereo-ontvangst Wanneer de autoradio een zender ontvangt die in stereo uitzendt, dan wordt het geluid automatisch in stereo weergegeven en verschijnt "ST" op het display. Mocht de ontvangst slechter worden, dan schakelt de radio automatisch over op mono-weergave. Radioweergave vervangen Druk op de toets D. Een frequentieband kiezen Door achtereenvolgens op de toets D te drukken, kunt u kiezen uit de frequentiebanden FM1, FM2, FM3 en AM.
III AUTORADIO 48 RDS-SYSTEEM Gebruik van de zendervolgfunctie AF (alternatieve frequentie) op FM Dankzij het RDS-systeem (Radio Data System) kunt u hetzelfde radiostation blijven beluisteren, wat de frequentie ook maar is, waar u zich ook maar bevindt. De autoradio zoekt namelijk permanent naar de frequentie die de beste ontvangst biedt voor het door u beluisterde radiostation. Indien u verscheidene malen achtereen op de toet G drukt, zet u deze functie aan of uit.
II AUTORADIO III 49 CD-SPELER Shuffle (RAND) Cd-speler kiezen Druk, na het kiezen van de cd-weergave, op de toets L. De tracks van de cd worden vervolgens in een willekeurige volgorde weergegeven. Bij nogmaals drukken op L worden de tracks weer weergegeven in de normale volgorde. De shuffle-functie wordt elke keer dat u het apparaat uitschakelt opgeheven. Zodra u een cd met het label naar boven in het apparaat steekt, schakelt het apparaat automatisch over op cd-weergave.
III AUTORADIO 50 1233.1 CD-WISSELAAR Versneld beluisteren CD-WISSELAAR (beschikbaar als accessoire) Deze bevindt zich onder de stoel van de voorpassagier en biedt plaats voor zes cd’s. Verwijder het magazijn van de cd-wisselaar vanaf de achterkant van de stoel om er cd’s in te plaatsen. Zorg ervoor dat het cd-label naar boven is gericht. Cd-wisselaar kiezen Druk op de toets C. Een CD kiezen Druk op de toets P of Q van de autoradio om de vorige c.q. volgende cd te kiezen.
O P E N E N VA N D E M O T O R K A P 1140.1 IV 51 OPENEN VAN DE MOTORKAP Van binnenuit: trek, bij openstaand linker voorportier, hendel A onder het dashboard naar u toe. Van buitenaf: druk tegen de pal B en licht de motorkap op. 2012.1 Motorkapsteun Plaats de motorkapsteun om de motorkap open te houden. c1-nl_chap-4_ed02-2005.indd 51 Sluiten Plaats, alvorens u de motorkap sluit, de motorkapsteun terug in de houder. Laat de motorkap zakken en laat hem op het laatst los zodat hij in het slot valt.
IV BENZINEMOTOR 125.5 52 1 LITER BENZINEMOTOR 1. Reservoir koelvloeistof 5. Accu 2. Reservoir ruitensproeiers 6. Luchtfilter 3. Remvloeistofreservoir 7. Motoroliepeilstok 4. Zekeringkast 8. Motorolie (bij)vullen c1-nl_chap-4_ed02-2005.
DIESELMOTOR IV 131.17 V 1,4 LITER HDI TURBODIESELMOTOR 1. Reservoir koelvloeistof 5. Reservoir remvloeistof 2. Reservoir ruitensproeiers 6. Zekeringkast 3. Handopvoerpomp 7. Accu 8. Motoroliepeilstok 4. Luchtfilter 9. Motorolie (bij)vullen c1-nl_chap-4_ed02-2005.
NIVEAUS 1197.1 54 Raadpleeg het hoofdstuk "Voorzorgsmaatregelen" CONTROLE VAN DE NIVEAUS Olieniveau Controleer regelmatig het oliepeil en vul de olie, indien nodig, tussen twee olieverversingsbeurten bij. Controleer de olie met de oliepeilstok, terwijl de auto horizontaal staat en de motor koud is. Oliepeilstok De oliepeilstok bevat twee niveaustreepjes: A = maximum B = minimum Komt de olie voorbij het streepje A, raadpleeg dan een CITROËN erkend bedrijf. Het olieniveau dient tussen A en B te liggen.
INHOUD RESERVOIRS T2006.1 Ruitensproeiervloeistof 2,5 liter T2006.1 IV 2006.1 V Type motor Hoeveelheid motorolie (in liters) (1) Motor 1i 3,2 Motor HDI 3,8 (1) Aftappen met vervangen oliefilter. c1-nl_chap-4_ed02-2005.
IV ACCU 1156.1 56 IV ACCU De accu opladen met een acculader: - neem de accupolen los, - houd u aan de instructies van de fabrikant van de acculader, - sluit de accu weer aan, te beginnen bij de (-)pool, - controleer of de polen en klemmen schoon zijn. Als ze gecorrodeerd zijn, dient u ze los te nemen en schoon te maken (witte of groene aanslag).
ZEKERINGEN IV 055.22 V ZEKERINGEN VERVANGEN De zekeringkasten bevinden zich in het dashboard en onder de motorkap naast de accu. Vervangen van een zekering Voordat u een zekering vervangt, dient u eerst de oorzaak van de storing op te sporen en te (laten) verhelpen. F Gebruik de speciale tang A die zich in de zekeringkast onder de motorkap bevindt. Vervang een defecte zekering altijd door een zekering met dezelfde stroomsterkte (dezelfde kleur).
2007 IV Z E K E R I N G TA B E L 58 Zekeringen in het dashboard Zekering Ampère Functies 1 10 A Remlichten 2 25 A Centrale vergrendeling 3 20 A Achterruit- en buitenspiegelverwarming 4 7,5 A Achterlichten 5 7,5 A Diagnoseaansluiting 6 7,5 A Mistachterlicht - Instrumentenpaneel 7 7,5 A Achterruit- en buitenspiegelverwarming 8 7,5 A Motormanagementcomputer 9 10 A Voeding tankvlotterelement 10 20 A Ruitenwissers 11 15 A Accessoires - 12V-aansluiting 12 7,5 A Achterrui
V ZEKERINGEN IV 59 Zekeringkast motorruimte F Maak het deksel los door rechts op de nok E te drukken om bij de zekeringen te komen. De tang A en de reservezekeringen B zijn aan de voorzijde van de zekeringkast bevestigd. Sluit na de werkzaamheden het deksel zorgvuldig. c1-nl_chap-4_ed02-2005.
2008 T055.22 IV Z E K E R I N G TA B E L 60 Zekeringen onder de motorkap Zekering Ampère 1 50 A SensoDrive transmissie - Koelventilatorunit (diesel) 10 A Koplampen 30 A Koplampen met appèllichten 3 25 A ABS-computer 4 30 A Voeding contactslot 5 10 A Alarmknipperlichten 6 10 A Koplampen 7 15 A Plafondlamp 2 8 Functies 15 A / 25A Motormanagementcomputer benzine/diesel 9 10 A Claxon 10 30 A Koelventilatorunit (benzine) 11 40 A ABS c1-nl_chap-4_ed02-2005.
B R A N D S T O F TA N K E N V 61 1163.1 Wanneer bij het tanken de brandstoftank vol raakt, slaat het tankpistool automatisch af. Nadat het tankpistool drie keer achter elkaar is afgeslagen, moet u beslist niet doorgaan met tanken, aangezien anders storingen kunnen ontstaan. F Schroef na het tanken de dop goed op de tank, helemaal naar rechts, tot hij vastklikt. Sluit vervolgens de brandstoftankklep. BRANDSTOF TANKEN Zorg dat de auto stilstaat en de motor is afgezet F Open de brandstoftankklep.
V 056.13 62 V E R VA N G E N VA N D E L A M P E N LAMPEN VERVANGEN Koplampen 1. Parkeerlicht 2. Richtingaanwijzers 3. Dimlicht/grootlicht Opmerking: Bij bepaalde weersomstandigheden (lage temperatuur, vochtig weer), kan aan de binnenzijde van de lamp enige condensvorming optreden. Deze verdwijnt zodra de lampen enige tijd branden. c1-nl_chap-5_ed02-2005.indd 62 1. Parkeerlicht (W5 W) F Draai de lamphouder A een kwartslag en verwijder deze. F Vervang de lamp. 2.
V E R VA N G E N VA N D E L A M P E N V 057.24 V Achterlichten 1. Remlichten/achterlichten (P 21/5 W) 2. Richtingaanwijzers (P 21 W) 3. Achteruitrijlicht (P 21 W), rechts Mistachterlicht (P 21 W), links c1-nl_chap-5_ed02-2005.
V E R VA N G E N VA N D E L A M P E N Kentekenplaatverlichting (W 5 W) F Steek uw hand onder de bumper. F Draai de lamphouder een kwartslag en verwijder deze. F Vervang de defecte lamp. c1-nl_chap-5_ed02-2005.indd 64 Derde remlicht (4 lampen W 5 W) F Draai de 2 schroeven A los. F Verwijder de lichtunit door de twee lippen B naar binnen te drukken. F Neem de stekker en de slang van de ruitensproeier achter los. F Verwijder de lamphouder. F Verwijder en vervang de defecte lamp.
V E R W I S S E L E N VA N E E N W I E L V 058.22 V WIEL VERWISSELEN Parkeren van de auto F Zet de auto, voor zover mogelijk, op een horizontale, stabiele en stroeve ondergrond. F Trek de handrem aan, zet het contact af en schakel de eerste versnelling of de achteruit in (stand N bij de SensoDrive versnellingsbak). c1-nl_chap-5_ed02-2005.indd 65 Toegang tot het reservewiel en de krik in de bagageruimte F Verwijder de mat en de kunststof afdekplaat.
V 66 V E R W I S S E L E N VA N E E N W I E L Wiel monteren F Breng het wiel aan. F Draai de wielbouten handvast. F Draai de wielbouten met de sleutel 1 enigszins vast. F Laat de krik zakken en verwijder deze vervolgens. F Draai de wielbouten vast met de sleutel 1. F Breng de wieldop aan. F Berg het gereedschap en het wiel op in de bagageruimte. Wiel demonteren F Verwijder de wieldop. F Draai de wielbouten iets los met de wielsleutel 1.
B A N D E N R E PA R AT I E S P U I T B U S V 1075.1 V Wanneer uw auto niet voorzien is van een reservewiel, bevindt zich een bandenreparatiespuitbus - voor provisorisch repareren - in de koffer. Gebruik van de bandenreparatiespuitbus Zie ook de gebruiksinstructies op de spuitbus. - Verwijder, indien mogelijk, het voorwerp dat het gat heeft veroorzaakt. - Zorg ervoor dat het wiel zo geplaatst is dat het ventiel zich op de plaats van het cijfer 2 of 10 van een klok bevindt.
V S L E P E N , TA K E L E N 68 Met oplichten (twee wielen op de grond) Het is raadzaam de auto met een takelgereedschap via de wielen op te lichten. 1162.1 Sleep de auto nooit aan de radiateurtraverse. SLEPEN VAN DE AUTO Het slepen van de auto met vier wielen op de grond en de versnellingshendel in de stand N (SensoDrive) is slechts mogelijk voor korte duur en over een korte afstand (afhankelijk van de ter plaatse geldende wettelijke bepaling).
ALGEMEEN T1110.
VI AFMETINGEN T1110.1 70 A 2,340 B 3,435 C 0,650 D 0,445 E 1,405 F 1,415 G 1,630 H 1,470 I 1,855 c1-nl_chap-6_ed02-2005.
AFMETINGEN VI 71 (in meters) T1110.1 VI A 0,969/1,025 B 0,430 C 0,477 D 1,100 E 0,826 F 1,098 G 0,480 c1-nl_chap-6_ed02-2005.
VI T1110 72 BRANDSTOFVERBRUIKSCIJFERS* VI 1i BVM 1i BVMP 1,4 BVM Stadstraject (l/100 km) 5,5 5,5 - CO2 -uitstoot (g/km) 129 129 - 90 km/uur (l/100 km) 4,1 4,1 - CO2 -uitstoot (g/km) 97 97 - Gemiddeld (l/100 km) 4,6 4,6 - CO2 -uitstoot (g/km) 109 109 - Type motor BVM: Handgeschakelde versnellingsbak BVMP: SensoDrive versnellingsbak De gegeven brandstofverbruikcijfers waren juist ten tijde van druk van dit boekje. * Volgens EU-richtlijn 1999/100. c1-nl_chap-6_ed02-2005.
I D E N T I F I C AT I E VI 73 1202.1 VI IDENTIFICATIE VAN UW AUTO A. Typeplaatje. B. VIN-nummer. Dit nummer is gegraveerd op de traverse, onder de rechter voerstoel. C. Banden. De sticker C op de stijl van het linker voorportier, bij het slot, bevat de volgende informatie: - de bandenmaat, - de bandenspanning (controleer deze spanning minstens één keer per maand, terwijl de banden koud zijn). 3-deurs c1-nl_chap-6_ed02-2005.
A L FA B E T I S C H TREFWOORDENREGISTER 1104.1 74 A Aanhanger ..................68, XVI Aanhangergewicht............XVI ABS. ..................... 11, 29, XIII Accu .....................12, 56, XIV Achterportierruiten (5-deurs) ...........................38 Achterruit (ontdooien).........35 Achterruitverwarming..........35 Achteruitrijlichten ................63 Achterzitplaatsen (toegang) (3-deurs) ...........................16 Afmetingen ..................
A L FA B E T I S C H TREFWOORDENREGISTER K L Kinderbevestigingsmiddelen .............. 40, VIII-IX Kinderen . 38, 39, 4-42, VIII-IX Kinderstoelen ........ 40, VIII-IX Knipperlichten.....................13 Koelvloeistofniveau ......11, 54 Koelvloeistofniveaulampje ...............................11 Koelwatertemperatuurlampje ...............................11 Koffer ..................................31 Koplampen .................. 13, 14 Krik .....................................65 Laadstroomlampje .........
A L FA B E T I S C H TREFWOORDENREGISTER 76 T Tellers ...................................9 Temperatuur instellen .........34 Tijd instellen........................46 Toerenteller...........................9 Turbocompressor ...............26 U Uitlaatgassen...................XVII V Veiligheidsadviezen .......XI-XII Ventilatie ................. 19, 32-34 Ventilatieroosters ................33 Vergrendelen/ontgrendelen portier van binnenuit.........29 Verlichting ...................... 13, X Verversen ...
1342.1 VISUEEL TREFWOORDENREGISTER 77 CARROSSERIE Sleutel, afstandsbediening, centraal vergrendelen/ontgrendelen ............ 22 Buitenspiegel .................................... 17 Starten ......................................... 24-25 Batterij .............................................. 23 Achterlichten, knipperlichten, 3eremlicht.................................. 63, 64 Koplampen/achterlichten/mistlichten/ knipperlichten ........................... 62, 64 Koplampverstelling ..................
78 VISUEEL TREFWOORDENREGISTER BESTUURDERSPLAATS Instrumentenpaneel, toerenteller..... 8-9 Zekeringen interieur .................... 57-58 Brandstofmeter ................................. 10 Waarschuwinglampjes, controlelampjes ......................... 11-12 Binnenspiegel ................................... 17 Zonneklep......................................... 44 Plafondlamp, binnenverlichting ........ 31 Ruitenwisser, ruitensproeier ............. 15 Nulstelling dagkilometerteller .............
VISUEEL TREFWOORDENREGISTER 79 INTERIEUR Autogordels .............................36, III-IV Koffer ................................................ 31 Airbags ....................................12, V-VII Bergruimte achterin .......................... 45 Isofix bevestigingen..................... 41-43 Plafondlamp, interieurverlichting ...... 31 Kindersloten ..................................... 38 Achterportierruiten (5-deurs) ............ 38 Hoofdsteun achterin .........................
80 VISUEEL TREFWOORDENREGISTER GEGEVENS - ONDERHOUD Motorgegevens................................. 69 Verbruikcijfers ................................... 72 Gewichten, belading......................... 69 Afmetingen .................................. 70-71 Brandstofpech dieselmotor............... 54 Identificatiegegevens........................ 73 Zekeringen motorruimte .............. 59-60 Inhoud motorolie............................... 55 Accu .................................................