Instructieboekje
De online-gebruiksaanwijzing Als u de gebruiksaanwijzing online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie. Deze informatie is gemakkelijk te herkennen aan de paginamarkering die wordt weergegeven met dit pictogram: Uw gebruiksaanwijzing is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek " MyCITROËN". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en kunt u rechtstreeks contact opnemen met het merk.
Wij maken u attent op het volgende: Om optimaal en in alle veiligheid gebruik te kunnen maken van uw auto is het lezen van de hoofdstukken met uitgebreide informatie noodzakelijk. Uw auto is, afhankelijk van het uitrustingsniveau, de uitvoering en de specifieke kenmerken voor het land waarvoor uw auto bestemd is, slechts van een deel van de in dit boekje vermelde uitrustingen voorzien.
Inhoudsopgave Overzicht Eco-rijden . .
Inhoudsopgave Veiligheid Richtingaanwijzers Alarmknipperlichten Claxon Bandenspanningscontrolesysteem Hulpsystemen bij het remmen Stabiliteitscontrolesystemen Veiligheidsgordels Airbags 90 90 90 91 94 95 96 99 Veilig vervoeren van kinderen Kinderzitjes Uitschakelen van de airbag vóór aan passagierszijde ISOFIX-bevestigingen Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen Technische gegevens Praktische informatie Brandstoftank Vulpistoolrestrictie (diesel) Brandstoftank leeg (diesel) Bandenreparatieset Wiel verw
Overzicht Buitenzijde Bandenspanningscontrolesysteem Dit systeem controleert tijdens het rijden automatisch de bandenspanning en waarschuwt u als de spanning van een band te laag is. 91 Bandenreparatieset Parkeerhulp achter Met deze complete set, bestaande uit een compressor en een flacon met afdichtmiddel, kunt u een noodreparatie aan een band uitvoeren. Deze functie waarschuwt u tijdens het achteruitrijden voor obstakels achter de auto.
Overzicht . Interieur Snelheidsbegrenzer / snelheidsregelaar Met deze twee systemen kunt u de snelheid van de auto gemakkelijk begrenzen en regelen. U kunt zelf de gewenste snelheid instellen. 75 / 77 Audio- en communicatiesystemen Deze systemen zijn voorzien van de nieuwste technologie: autoradio met MP3afspeelmogelijkheid, USB-aansluiting, Bluetooth handsfree set, AUX-aansluitingen, ...
Overzicht Cockpit 1. Schakelaars snelheidsregelaar/-begrenzer. 2. Hendel stuurwielverstelling. 3. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 4. Instrumentenpaneel. 5. Airbag bestuurder en claxon. 6. Aansteker / 12V-aansluiting. USB-/Jack-aansluiting. 7. Schakelaar stoelverwarming. 8. Hendel brandstofvulklep Hendel ontgrendeling achterklep*. 9. Hendel motorkapontgrendeling. 10. Zekeringenkast. 11. Koplampverstelling. 12.
Overzicht . Cockpit 1. Stuur- en contactslot. 2. Schakelaar ruitenwissers en ruitensproeiers/boordcomputer. 3. Knop centrale vergrendeling / ontgrendeling. 4. Open opbergvak. of Monochroom display C (Autoradio / Bluetooth). 5. Middelste verstelbare en afsluitbare ventilatieroosters. 6. Voorruitontwaseming. 7. Passagiersairbag. 8. Dashboardkastje Uitschakeling passagiersairbag. 9. Schakelaar alarmknipperlichten. 10. Autoradio. 11. Bediening verwarming / airconditioning. 12. Asbak / bekerhouder. 13.
Eco-rijden Eco-rijden Door in de dagelijkse praktijk een aantal aanwijzingen op te volgen kunt u het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot van uw auto verminderen. Maak optimaal gebruik van de versnellingsbak Gebruik op slimme wijze de elektrische voorzieningen Als uw auto is voorzien van een handgeschakelde versnellingsbak, rijd dan rustig weg, schakel zo snel mogelijk de tweede versnelling in en schakel bij voorkeur relatief snel over naar een hogere versnelling.
Eco-rijden Beperk de oorzaken van een hoger brandstofverbruik Houd u aan de onderhoudsvoorschriften Verdeel het gewicht evenwichtig over de auto: plaats de zwaarste voorwerpen in de bagageruimte, zo dicht mogelijk bij de achterbank. Beperk de belading en de luchtweerstand (dakdragers, imperiaal, fietsendrager, aanhanger, enz.) van uw auto. Gebruik liever een dakkoffer. Verwijder na gebruik de dakdragers en het imperiaal.
Controle tijdens het rijden Instrumentenpaneel benzine - diesel Display Klokken 1. Toerenteller (x 1000 t/min). 2. Display. 3. Snelheidsmeter (km/h). 10 4. Informatie over het onderhoud Nulstelling van de geselecteerde functie (dagteller of onderhoudsindicator) Tijd instellen. A. Informatie elektronisch gestuurde versnellingsbak of automatische transmissie. Schakelindicator. B. Tijd. C. Actieradius (km) of Dagteller. D. Brandstofmeter. E. Onderhoudsindicator (km) vervolgens, kilometerteller.
Controle tijdens het rijden Verklikkerlampjes 1 De verklikkerlampjes geven de bestuurder informatie over de werking van een systeem (ingeschakeld of uitgeschakeld) of waarschuwen de bestuurder in het geval van een storing (waarschuwingslampje). Bij het aanzetten van het contact Bijbehorende waarschuwingen Als het contact wordt aangezet, gaan bepaalde waarschuwingslampjes enkele seconden branden. Zodra de motor wordt gestart, moeten deze lampjes weer uitgaan.
Controle tijdens het rijden Verklikkerlampjes ingeschakelde functies De volgende verklikkerlampjes geven aan dat de desbetreffende functie is ingeschakeld. Controlelampje Status Oorzaak Richtingaanwijzer links knippert, met geluidssignaal. Als u de lichtschakelaar omlaag beweegt. Richtingaanwijzer rechts knippert, met geluidssignaal. Als u de lichtschakelaar omhoog beweegt. Dimlicht permanent. De lichtschakelaar staat in de stand "Dimlicht". Grootlicht permanent.
Controle tijdens het rijden Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen Voorgloeien dieselmotor permanent. De sleutel staat in de tweede stand (contact) van het contactslot. Wacht met starten tot het controlelampje uitgaat. De wachttijd is afhankelijk van de weersomstandigheden (in extreme gevallen 30 seconden). Als de motor niet wil aanslaan, zet dan het contact af. Zet het contact dan weer aan en wacht opnieuw tot het lampje uitgaat voordat u de motor start. Handrem permanent.
Controle tijdens het rijden Verklikkerlampjes uitgeschakelde functies De volgende verklikkerlampjes geven aan dat de desbetreffende functie handmatig is uitgeschakeld. Soms klinkt er ook een geluidssignaal en verschijnt er een bericht op het display. Controlelampje 14 Status Oorzaak Acties / Opmerkingen Passagiersairbag permanent. De schakelaar in het dashboardkastje staat in de stand "OFF". De frontairbag aan passagierszijde is uitgeschakeld.
Controle tijdens het rijden Waarschuwingslampjes Als bij draaiende motor of tijdens het rijden een van de volgende verklikkerlampjes gaat branden, wijst dit op een storing in het desbetreffende systeem en moet de bestuurder actie ondernemen. Lees in het geval van een storing waarbij een waarschuwingslampje gaat branden de aanvullende informatie, die via een melding op het display wordt weergegeven. Raadpleeg indien nodig het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Controle tijdens het rijden Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen permanent. Het remvloeistofniveau is te laag. Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats. Vul het niveau bij met een vloeistof voorzien van een artikelnummer van CITROËN. Als het probleem zich blijft voordoen, laat het systeem dan controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. permanent, in combinatie met het waarschuwingslampje ABS.
Controle tijdens het rijden Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen Antiblokkeersysteem (ABS) permanent. Er is een storing in het antiblokkeersysteem. De normale remwerking blijft behouden. Rijd voorzichtig met lage snelheid en raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Dynamische stabiliteitscontrole (ESP/ASR) knippert. De ESP-/ASR-regeling is actief. Deze functie verbetert de aandrijving en zorgt voor een betere koersstabiliteit. permanent.
Controle tijdens het rijden Controlelampje 18 Status Oorzaak Acties / Opmerkingen Laag brandstofniveau permanent. Als het lampje gaat branden zit er nog ongeveer 5 liter brandstof in de tank. Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen dat u met een lege tank strandt. Dit controlelampje gaat elke keer na het aanzetten van het contact branden zolang er niet voldoende brandstof getankt is. Inhoud brandstoftank: ongeveer 50 liter.
Controle tijdens het rijden Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen Veiligheidsgordel bestuurder niet vastgemaakt of weer losgemaakt / Veiligheidsgordel voorpassagier losgemaakt. permanent of knipperend in combinatie met een in volume toenemend geluidssignaal. De bestuurder heeft zijn veiligheidsgordel niet vastgemaakt of weer losgemaakt. De voorpassagier heeft zijn veiligheidsgordel losgemaakt. Trek aan de gordel en klik de gesp vast in de gesphouder. Airbags tijdelijk.
Controle tijdens het rijden Onderhoudsindicator De onderhoudsindicator geeft aan hoeveel kilometer u nog verwijderd bent van de eerstvolgende onderhoudscontrole volgens het schema van de fabrikant. Deze afstand wordt berekend vanaf de laatste nulstelling van de onderhoudsindicator op basis van twee parameters: het aantal afgelegde kilometers, de verstreken tijd sinds de laatste onderhoudscontrole.
Controle tijdens het rijden De afstand tot de eerstvolgende beurt is overschreden Op 0 zetten van de onderhoudsindicator Als het contact wordt aangezet, gaat gedurende enkele seconden de sleutel knipperen om aan te geven dat de onderhoudswerkzaamheden zo spoedig mogelijk uitgevoerd moeten worden. Voorbeeld: u hebt de afstand tot de eerstvolgende onderhoudsbeurt met 300 km overschreden.
Controle tijdens het rijden Kilometertellers 22 Kilometerteller Dagteller De kilometerteller geeft de totale kilometerstand van de auto aan. De kilometerteller en dagteller worden gedurende 30 seconden weergegeven bij het afzetten van het contact, bij het openen van het bestuurdersportier en bij het vergrendelen en ontgrendelen van de auto. De dagteller geeft het aantal gereden kilometers weer nadat de bestuurder de teller op 0 heeft gezet.
Controle tijdens het rijden Datum en tijd instellen Instrumentenpaneel 1 Autoradio / Bluetooth F selecteer met behulp van de pijlen het menu "Configuratie display" en bevestig, Voer de volgende handelingen met behulp van de knop aan de linkerzijde van het instrumentenpaneel in onderstaande volgorde uit: F houd de knop langer dan twee seconden ingedrukt: de minuten knipperen, F druk op de knop om de minuten te verhogen, F houd de knop langer dan twee seconden ingedrukt: de uren knipperen, F druk op de k
Controle tijdens het rijden Boordcomputer De boordcomputer geeft actuele informatie over het rijden (actieradius, brandstofverbruik...). Display van het instrumentenpaneel Monochroom display C Weergave van de informatie Op nul stellen F Druk herhaaldelijk op de toets op het uiteinde van de ruitenwisserschakelaar om de informatie van de verschillende functies van de boordcomputer weer te geven.
Controle tijdens het rijden 1 Boordcomputer, enkele definities Actieradius Huidig verbruik Afgelegde afstand (km) Aantal kilometers dat nog met de resterende hoeveelheid brandstof kan worden gereden, berekend op basis van het gemiddelde verbruik over de laatste afgelegde kilometers. (l/100 km of km/l) Berekend over de laatst verstreken seconden. (km) Berekend sinds de laatste nulstelling van de trajectgegevens.
Controle tijdens het rijden Monochroom display C (Autoradio / Bluetooth) Weergave op het display Dit display kan de volgende informatie weergeven: de tijd, de datum, de buitentemperatuur (de temperatuur knippert bij kans op gladheid), controle van te openen carrosseriedelen (portieren, achterklep, ...), de parkeerhulp, audiofuncties (radio, CD, USB-/Jackaansluiting, ...), informatie van de boordcomputer (zie het hoofdstuk "Controle tijdens het rijden").
Controle tijdens het rijden Menu "Telefoon" Als uw Autoradio / Bluetooth-systeem is ingeschakeld en dit menu is geselecteerd, kunt u bellen en de verschillende telefoonindexen raadplegen. Raadpleeg voor meer informatie over de telefoon het gedeelte Autoradio / Bluetooth van het hoofdstuk "Audio en telematica".
Controle tijdens het rijden Menu "Bluetooth verbinding" Als uw Autoradio / Bluetooth-systeem is ingeschakeld en dit menu is geselecteerd, kunt u een extern Bluetooth apparaat (telefoon, mediaspeler) verbinden of loskoppen en de wijze van verbinding bepalen (handsfree set, afspelen audiobestanden). Raadpleeg voor meer informatie over de Bluetooth verbinding het gedeelte Autoradio / Bluetooth van het hoofdstuk "Audio en telematica".
Controle tijdens het rijden Taalkeuze Als dit menu is geselecteerd, kan de taal van de weergave van het display, volgens een vastgestelde lijst, worden gewijzigd. 1 In verband met de veiligheid mag de bestuurder de instellingen aan het multifunctionele display alleen bij stilstaande auto verrichten. Configuratie display Als dit menu is geselecteerd, kunnen de volgende parameters worden geselecteerd: "Kiezen van eenheden".
Toegang tot de auto Sleutel met afstandsbediening U kunt om de auto te ontgrendelen of vergrendelen de centrale vergrendeling bedienen met de sleutel in het portierslot of met de afstandsbediening. De sleutel met afstandsbediening dient tevens voor de lokalisering en het starten van de auto en maakt deel uit van de diefstalbeveiliging. Uitklappen / inklappen van de sleutel Openen van de auto Ontgrendelen met de afstandsbediening F Druk op het geopende hangslot om de auto te ontgrendelen.
Toegang tot de auto Sluiten van de auto Vergrendeling met de afstandsbediening F Druk op het gesloten hangslot om de auto te vergrendelen. Het vergrendelen wordt bevestigd door het gedurende ongeveer 2 seconden branden van de richtingaanwijzers. Lokaliseren van de auto Vergrendeling met de sleutel F Draai de sleutel in het slot van het bestuurdersportier naar de achterzijde van de auto om deze te vergrendelen. Controleer of de portieren en de achterklep goed zijn gesloten.
Toegang tot de auto Storing in de afstandsbediening Bij een storing in de afstandsbediening kan de auto niet meer met de afstandsbediening ontgrendeld, vergrendeld en gelokaliseerd worden. F Ontgrendel of vergrendel de auto eerst met de sleutel in het slot. F Synchroniseer vervolgens de afstandsbediening. Synchroniseren F Zet het contact af en neem de sleutel uit het contactslot. F Druk direct daarna gedurende enkele seconden op het vergrendelknopje (gesloten hangslot) van de afstandsbediening.
Toegang tot de auto Sleutels verloren Ga met het kentekenbewijs van de auto, uw legitimatiebewijs en indien mogelijk de sticker met de sleutelcode naar het CITROËN-netwerk. Het CITROËN-netwerk kan de speciale code van de sleutel en de transponder opzoeken en voor nieuwe sleutels zorgen. Gooi de lege batterijen van de afstandsbediening niet weg: ze bevatten metalen die schadelijk zijn voor het milieu. Lever lege batterijen in bij een speciaal verzamelpunt.
Toegang tot de auto Alarm Automatische beveiligingsfunctie Dit systeem treedt in werking als iemand probeert het alarm te saboteren. Het alarm gaat af als iemand probeert de accu, de bedieningseenheid of de kabels van de sirene uit te schakelen of te beschadigen. Dit systeem beveiligt uw auto tegen inbraak en diefstal en bestaat uit een omtrekbeveiliging en een automatische beveiliging. Omtrekbeveiliging Dit systeem houdt de te openen carrosseriedelen van de auto in de gaten.
Toegang tot de auto Afgaan van het alarm Vergrendelen van de auto zonder het alarm in te schakelen Als het alarm afgaat, treedt de sirene in werking en knipperen de richtingaanwijzers gedurende dertig seconden. F Vergrendel de auto met de sleutel. Als het verklikkerlampje snel knippert bij het ontgrendelen van de auto met de afstandsbediening, is het alarm tijdens uw afwezigheid afgegaan. Het lampje stopt met knipperen als het contact wordt aangezet.
Toegang tot de auto Portieren Openen Sluiten Noodbediening Als een portier niet goed is gesloten: Hiermee kunt u de portieren mechanisch vergrendelen en ontgrendelen in het geval van een storing in de centrale vergrendeling of van de accu. - - Van buitenaf F Ontgrendel de auto met de afstandsbediening of de sleutel en trek aan de portiergreep.
Toegang tot de auto Achterklep Openen Ontgrendelen en op een kier zetten van de achterklep met de afstandsbediening Elektrisch bedienbare achterklep geopend F Druk minimaal een seconde op de centrale knop van de afstandsbediening. De achterklep gaat een klein stukje open. Op een kier zetten van de achterklep van binnenuit Als de achterklep niet goed is gesloten: - F Trek de hendel aan de onderzijde van het bestuurdersportier omhoog (mechanische achterklep). De achterklep gaat een klein stukje open.
Toegang tot de auto Vergrendelen / ontgrendelen van binnenuit Noodbediening Hiermee kan bij een lege accu of een eventuele storing in de centrale vergrendeling de achterklep mechanisch ontgrendeld worden. F Druk op de knop. De portieren en de bagageruimte worden verof ontgrendeld. Ontgrendelen F Klap de achterbank naar voren om bij het slot in de bagageruimte te komen. F Steek een kleine schroevendraaier in de opening A van het slot om de achterklep te ontgrendelen.
Toegang tot de auto Ruitbediening Handmatige bediening Draai aan de ruitslinger op het portierpaneel. Blokkering van de ruitbediening achter Elektrisch bedienbaar Druk, voor de veiligheid van uw kinderen, op de schakelaar 5 om de ruitbediening achter, ongeacht de stand van de ruiten, te blokkeren. Als het lampje brandt, is de ruitbediening geblokkeerd. Als het lampje is gedoofd, is de ruitbediening niet geblokkeerd. 1. 2. 3. 4. 5.
Comfort Voorstoelen Voer het verstellen van de bestuurdersstoel uit veiligheidsoverwegingen uitsluitend uit bij stilstaande auto. Verstelling in lengterichting Rugleuningverstelling Hoogteverstelling (uitsluitend bestuurdersstoel) F Til de beugel op en schuif de stoel in de gewenste stand. F Duw de handgreep naar achteren. F Trek de hendel omhoog of duw deze omlaag tot de gewenste stand bereikt is.
Comfort Hoogteverstelling hoofdsteun F Trek de hoofdsteun omhoog om hem hoger te zetten. F Druk op de pal A en trek de hoofdsteun omhoog om hem te verwijderen. F Steek om de hoofdsteun terug te zetten de pennen van de hoofdsteun recht in de openingen van de rugleuning tot de hoofdsteun op zijn plaats blijft. F Druk gelijktijdig op de pal A en op de hoofdsteun om deze lager te zetten.
Comfort Achterbank Afhankelijk van de uitvoering kan uw auto zijn voorzien van een vaste achterbank. Neem contact op met het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats voor meer informatie over het uitnemen en plaatsen van deze bank. U kunt het linkerdeel (2/3) en/of het rechterdeel (1/3) van de rugleuning van de achterbank neerklappen om de bagageruimte te vergroten. De zitting bestaat uit één deel en kan niet opgeklapt worden.
Comfort Spiegels Buitenspiegels De verstelbare buitenspiegels zorgen voor het benodigde zicht naar achteren bij een inhaalmanoeuvre of het parkeren van de auto. De buitenspiegels kunnen ook worden ingeklapt voor het parkeren in een smalle straat. Handmatig verstelbare buitenspiegels Elektrisch verstelbare buitenspiegels 3 Stel om veiligheidsredenen de buitenspiegels goed af om de "dode hoek" zo klein mogelijk te maken.
Comfort Binnenspiegel Handmatig inklappen U kunt de buitenspiegels handmatig inklappen (parkeren, smalle garage, ...). F Kantel de spiegel naar de auto. Verstelbare spiegel voor het zicht recht achter de auto. De binnenspiegel is voorzien van een antiverblindingsstand waardoor de spiegel donkerder wordt en de bestuurder minder hinder ondervindt van bijvoorbeeld de zon en van de koplampen van achteropkomend verkeer.
Comfort Stuurwielverstelling 3 F Zorg dat de auto stilstaat en duw de hendel omlaag om het stuurwiel te ontgrendelen. F Verstel het stuurwiel in hoogte voor een optimale zithouding. F Trek aan de hendel om het stuurwiel te vergrendelen. Voer deze handelingen om veiligheidsredenen uitsluitend uit bij stilstaande auto.
Comfort Ventilatie Luchttoevoer De lucht in het interieur, die overigens wordt gefilterd, wordt van buitenaf toegevoerd via het luchtrooster onder de voorruit, of is lucht die in het interieur wordt gerecirculeerd. Luchtgeleiding De lucht kan afhankelijk van de instellingen van de bestuurder via verschillende circuits worden toegevoerd: rechtstreekse toevoer naar het interieur (toevoer van buitenlucht), toevoer via het verwarmingscircuit, toevoer via het circuit van de airconditioning.
Comfort Gebruiksadviezen voor de verwarming, ventilatie en airconditioning Neem voor een optimale werking van de verwarming, ventilatie en airconditioning de volgende gebruiksadviezen in acht: F Let erop dat voor een gelijkmatige verdeling van de lucht naar het interieur de uitstroomopening onder de voorruit, de verschillende luchtkanalen, ventilatieroosters en overige uitstroomopeningen alsmede de ventilatieopening in de bagageruimte vrij blijven.
Comfort Verwarming / ventilatie Handbediende airconditioning (zonder display) Dit systeem werkt uitsluitend bij draaiende motor. Dit systeem werkt alleen als de motor draait. 1. Temperatuurregeling F Draai de knop van blauw (koel) naar rood (warm) om de temperatuur naar behoefte in te stellen. 48 2. Luchtopbrengstregeling F Draai de knop in één van de vier standen om de gewenste luchtopbrengst te verkrijgen.
Comfort 3. Luchtverdeling Voorruit en zijruiten. Voorruit, zijruiten en beenruimte. Beenruimte. 4. T oevoer van buitenlucht/ luchtrecirculatie De recirculatiestand dient om de luchttoevoer af te sluiten bij stank en stofoverlast. Schakel zo snel mogelijk de toevoer van buitenlucht weer in om te voorkomen dat de luchtkwaliteit in het interieur achteruitgaat en de ruiten beslaan. F Verplaats de knop naar links in de stand "Luchtrecirculatie". 5.
Comfort Elektronische airconditioning (met display) Dit systeem werkt uitsluitend bij draaiende motor. 2. Temperatuurregeling F "6" "5"Druk op de toetsen (rood voor warm) en (blauw voor koud) om de temperatuur naar behoefte in te stellen. Er verschijnen of verdwijnen geleidelijk temperatuurbalkjes op het display van de airconditioning. 3. Ontdooiing - ontwaseming vóór 1. Toevoer van buitenlucht/ luchtrecirculatie De recirculatiestand dient om de luchttoevoer af te sluiten bij stank en stofoverlast.
Comfort 4. Aan / Uit airconditioning 5. Airconditioning: toets A/C MAX Met deze toets wordt de lucht in het interieur snel gekoeld. Inschakelen F Druk op de toets "A/C", het verklikkerlampje op het display van de airconditioning gaat branden. Uitschakelen F Druk opnieuw op de toets "A/C", het verklikkerlampje op het display van de airconditioning gaat uit. Als de airconditioning wordt uitgeschakeld, wordt het thermische comfort niet meer geregeld (vocht, beslagen ruiten).
Comfort 7. Luchtopbrengstregeling F Druk op de toets "Grote propeller" om de luchtopbrengst te verhogen. Er verschijnen geleidelijk balkjes van de luchtopbrengst. F Druk op de toets "Kleine propeller" om de luchtopbrengst te verlagen. De balkjes van de luchtopbrengst verdwijnen geleidelijk. Uitschakelen van het systeem F Druk op de toets "Kleine propeller" van de luchtopbrengstregeling totdat alle balkjes op het display van de airconditioning zijn verdwenen.
Comfort Ontwasemen - Ontdooien voorzijde Deze opdruk op het bedieningspaneel geeft aan in welke stand de knoppen moeten staan om de voorruit en de zijruiten snel te ontwasemen of te ontdooien. Met verwarmings-/ ventilatiesysteem Met handbediende airconditioning (zonder display) F Zet de knoppen van de luchttemperatuur en de aanjagersnelheid in de met de desbetreffende opdruk weergegeven stand. F Zet de knop van de luchttoevoer in de stand "Toevoer van buitenlucht" (knop naar rechts geschoven).
Comfort Achterruitverwarming De achterruitverwarming kan worden ingeschakeld met de toets op het bedieningspaneel van de verwarming/ventilatie of de airconditioning. AAN UIT De achterruitverwarming werkt uitsluitend bij draaiende motor. F Druk op deze toets om de achterruit en de buitenspiegels (afhankelijk van de uitvoering) te ontwasemen. Het controlelampje van de toets gaat branden. De achterruitverwarming wordt automatisch uitgeschakeld om onnodig stroomverbruik te voorkomen.
Voorzieningen Indeling van het interieur 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. Zonneklep Dashboardkastje (zie de volgende bladzijde voor meer informatie) Portiervakken Open opbergvak Asbak / Bekerhouder USB-/Jack-aansluiting Aansteker /12V-aansluiting Zie de volgende bladzijde voor meer informatie.
Voorzieningen 56 Zonneklep Dashboardkastje De zonneklep kan zowel omlaag als naar opzij worden geklapt. De zonneklep aan passagierszijde is voorzien van een afdekbare make-upspiegel en een tickethouder. In het dashboardkastje kunnen een fles mineraalwater, de boorddocumentatie enz. worden opgeborgen. Afhankelijk van de uitvoering, is het dashboardkastje voorzien van een deksel. Indien dit het geval is: F Trek de handgreep omhoog om het dashboardkastje te openen.
Voorzieningen Armsteun vóór USB-/Jack-aansluiting Aansteker / 12V-aansluiting Voor het comfort en als opbergmogelijkheid voor de bestuurder en voorpassagier. Opbergvakken F Toegang tot het afgesloten opbergvak: til de handgreep op om het deksel op te tillen. 4 Deze aansluitmodule "AUX", die bestaat uit een JACK-aansluiting en een USB-poort, bevindt zich op de middenconsole. Hierop kunt u draagbare apparatuur aansluiten, zoals een iPod ® of een USB-stick.
Voorzieningen Voorzieningen bagageruimte 1. 2.
Voorzieningen Opbergbak 4 F Til de vloerbekleding van de bagageruimte op om bij het opbergbak te komen. Hierin vindt u verschillende ruimtes voor het opbergen van een lampenset, een EHBOtrommel, twee gevarendriehoeken enz. Het bevat ook het boordgereedschap, de bandenreparatieset...
Rijden Enkele rijadviezen Houd u altijd aan de verkeersregels en let onder alle omstandigheden goed op. Richt uw aandacht op het verkeer en houd uw handen op het stuurwiel, zodat u snel kunt reageren op onverwachte situaties. Las tijdens een lange rit om de twee uur een pauze in. Rijd bij slecht weer defensief, rem eerder af en houd meer afstand tot uw voorligger.
Rijden Starten - afzetten van de motor Diefstalbeveiliging Contactslot In deze stand werkt de elektrische uitrusting van de auto en kan externe apparatuur worden opgeladen. Als het laadniveau van de accu een bepaalde minimale grenswaarde heeft bereikt, schakelt het systeem over op de eco-mode: de elektrische voeding wordt automatisch uitgeschakeld zodat de accu voldoende opgeladen blijft. Elektronische startblokkering In de sleutel is een chip aangebracht die over een specifieke code beschikt.
Rijden Starten van de motor Handrem aangetrokken, versnellingsbak in de neutraalstand of selectiehendel in de stand N of P: F trap het koppelingspedaal volledig in (handgeschakelde versnellingsbak), of F trap het rempedaal volledig in (elektronisch gestuurde versnellingsbak of automatische transmissie), F steek de sleutel in het contactslot; het systeem herkent de code, F ontgrendel het stuurslot door tegelijkertijd aan het stuurwiel en aan de contactsleutel te draaien.
Rijden Afzetten van de motor F Breng de auto tot stilstand. F Draai, terwijl de motor stationair draait, de sleutel in de stand 1. F Verwijder de sleutel uit het contactslot. F Draai om het stuurslot te vergrendelen aan het stuurwiel tot het blokkeert. Zet de voorwielen in de rechtuitstand alvorens de motor af te zetten.Dit vergemakkelijkt het ontgrendelen van het stuurslot. Zet nooit het contact af voordat de auto volledig tot stilstand is gekomen.
Rijden Parkeerrem Aantrekken Vrijzetten F Trek de hefboom van de parkeerrem aan om uw auto stil te zetten. F Trek de hefboom van de parkeerrem licht omhoog, druk de ontgrendelknop in en duw de hefboom geheel omlaag. Als tijdens het rijden dit verklikkerlampje en het verklikkerlampje STOP branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display, geeft dit aan dat de parkeerrem nog (iets) is aangetrokken.
Rijden Handgeschakelde versnellingsbak Inschakelen van de achteruitversnelling 5 F Trap het koppelingspedaal volledig in. F Verplaats de versnellingshendel helemaal naar rechts en vervolgens naar achteren. Schakel de achteruitversnelling alleen in als de auto stilstaat en de motor stationair draait. Voor uw veiligheid en om het starten van de motor te vergemakkelijken: zet de versnellingshendel altijd in de neutraalstand, trap het koppelingspedaal in.
Rijden Elektronisch gestuurde versnellingsbak Bij de elektronische gestuurde versnellingsbak met vijf versnellingen kunt u kiezen tussen automatische bediening en handmatig schakelen. Deze versnellingsbak heeft twee gebruiksmogelijkheden: een automatische stand om automatisch te schakelen, zonder tussenkomst van de bestuurder, een handmatige stand om zelf sequentieel te schakelen met behulp van de selectiehendel of de flippers aan de stuurkolom, 66 Selectiehendel Weergave op het instrumentenpaneel R.
Rijden Starten van de auto F Selecteer stand N. F Houd het rempedaal volledig ingetrapt. F Start de motor. Houd bij het starten van de motor altijd het rempedaal ingetrapt. F Selecteer de automatische stand (stand A), de handmatige stand (stand M) of de achteruitversnelling (stand R). De aanduidingen AUTO en 1, 1 of R worden weergegeven op het instrumentenpaneel. Werking van de kruipfunctie Door deze functie is de auto wendbaarder bij lage snelheden (inparkeren, files, ...
Rijden Automatische stand Handbediende stand Achteruitversnelling F Selecteer stand A. F Selecteer stand M. U kunt de achteruitversnelling alleen inschakelen als de auto stilstaat en u het rempedaal ingetrapt houdt. F Selecteer stand R. Op het instrumentenpaneel verschijnen de aanduiding AUTO en de ingeschakelde versnelling. De versnellingsbak werkt dan automatisch, zonder dat u zelf hoeft te schakelen.
Rijden Parkeren van de auto Resetten Voordat u de motor afzet, kunt u: stand N selecteren om de versnellingsbak in de neutraalstand te zetten, of de versnellingsbak in de ingeschakelde versnelling laten staan. In dat geval kan de auto niet worden verplaatst. Nadat de accu losgekoppeld is geweest, moet u de versnellingsbak resetten. F Zet het contact aan. U dient bij het parkeren echter altijd de parkeerrem aan te trekken.
Rijden Automatische transmissie Bij de automatische transmissie met vier versnellingen kunt u kiezen uit automatisch schakelen, aangevuld met de programma's Sport en Sneeuw, en handmatig schakelen.
Rijden Automatisch schakelprogramma Wegrijden F Trek de handrem aan. F Selecteer de stand P of N. F Start de motor. Als niet aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, klinkt een geluidssignaal in combinatie met een waarschuwingsmelding. F Trap bij draaiende motor het rempedaal in. F Zet de handrem vrij. F Selecteer de stand R, D of M. F Laat het rempedaal geleidelijk los. De auto begint te rijden.
Rijden Programma's Sport en Sneeuw Deze twee specifieke programma's vullen de automatische werking aan onder bijzondere rijomstandigheden. Programma Sport "S" F Druk op de toets "S" als de motor is gestart. Het schakelprogramma maakt dan automatisch een dynamische rijstijl mogelijk. S Op het instrumentenpaneel verschijnt de aanduiding. Programma Sneeuw "T" F Druk op de toets "T" als de motor is gestart. De transmissie past zich aan voor het rijden op gladde wegen.
Rijden Storing Onjuiste waarde bij handmatige bediening Dit symbool verschijnt als een versnelling niet goed is ingeschakeld (de selectiehendel bevindt zich tussen twee standen in). Parkeren van de auto Voordat u de motor afzet, kunt u de selectiehendel in de stand P of N bewegen om de neutraalstand te selecteren. Trek in beide gevallen de handrem aan om de auto stil te zetten.
Rijden Opschakelindicator Dit systeem adviseert de bestuurder op te schakelen om het brandstofverbruik te verminderen. Bij een elektronisch gestuurde of automatische versnellingsbak is dit systeem uitsluitend actief in de handgeschakelde stand. Voorbeeld: - U rijdt in de derde versnelling. - U trapt het gaspedaal in. Het systeem kan u in dit geval adviseren een hogere versnelling in te schakelen.
Rijden Snelheidsbegrenzer De snelheidsbegrenzer voorkomt dat de auto de door de bestuurder ingestelde maximumsnelheid overschrijdt. Als de ingestelde maximumsnelheid is bereikt, heeft het dieper intrappen van het gaspedaal geen effect. Stuurkolomschakelaars Weergave op het display Het inschakelen van de snelheidsbegrenzer geschiedt handmatig: de ingestelde snelheid dient minimaal 30 km/h te bedragen. 5 Het uitschakelen van de snelheidsbegrenzer geschiedt eveneens handmatig met de hendel.
Rijden Programmeren F Draai de knop 1 in de stand "LIMIT": de snelheidsbegrenzer is geselecteerd, maar nog niet ingeschakeld (PAUSE). Er kan een snelheid worden ingesteld zonder de begrenzer in te schakelen. Uitschakelen van de snelheidsbegrenzer F Draai de knop 1 in de stand "0": de selectie van de snelheidsbegrenzer wordt ongedaan gemaakt. Op het display wordt weer de kilometerteller weergegeven. Storing F Stel de snelheid in door op de toets 2 of 3 te drukken (bijv.: 90 km/h).
Rijden Snelheidsregelaar Met behulp van de snelheidsregelaar kan de bestuurder met een constante ingestelde snelheid rijden zonder gas te hoeven geven.
Rijden Programmeren F Draai de knop 1 in de stand "CRUISE": de snelheidsregelaar is geselecteerd, maar nog niet ingeschakeld (PAUSE). Storing F Stel de snelheid in door de wagensnelheid op het gewenste niveau te brengen en vervolgens op de toets 2 of 3 te drukken (bijv.: 110 km/h). U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met de toetsen 2 en 3: +/- 1 km = kort indrukken, +/- 5 km = lang indrukken, +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.
Rijden Parkeerhulp achter De functie wordt geactiveerd zodra de achteruitversnelling wordt ingeschakeld. Hierbij klinkt een geluidssignaal. Zodra de achteruitversnelling wordt uitgeschakeld, is de functie niet meer actief. 5 Deze functie signaleert met behulp van sensoren in de bumper obstakels in de nabijheid van de auto (personen, auto's, bomen, slagbomen, enz.) die binnen het detectiebereik vallen. Bepaalde obstakels (paaltjes, pionnen, enz.
Rijden Storing Uitschakelen/activeren parkeerhulp achter Als er een storing optreedt, gaat bij het inschakelen van de achteruitversnelling dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel branden en/of wordt er een bericht op het display weergegeven, in combinatie met een geluidssignaal (korte pieptoon). Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. De parkeerhulp kan worden geactiveerd of uitgeschakeld via het configuratiemenu van de auto.
Zicht Lichtschakelaar Met de lichtschakelaar kunt u de verlichting van de auto selecteren en inschakelen. Hoofdverlichting Aanvullende verlichting De lichtschakelaar heeft verschillende standen om de zichtbaarheid van de auto en het zicht van de bestuurder aan te passen aan de omstandigheden: parkeerlicht: om gezien te worden, dimlicht: voor een optimaal zicht zonder medeweggebruikers te verblinden, grootlicht: voor een optimaal zicht op wegen waar het omgevingslicht onvoldoende is.
Zicht Ring voor de selectie van de stand van de hoofdverlichting Draai aan de ring om het symbool van de gewenste stand tegenover het merkteken te zetten. Lichten uit. Alleen parkeerlicht. Dimlicht of grootlicht. Grootlichtschakelaar Trek de hendel naar u toe om over te schakelen van dim- naar grootlicht en terug. Als de verlichting is uitgeschakeld of wanneer alleen de parkeerlichten zijn ingeschakeld, kunt u een lichtsignaal geven door de hendel naar u toe te trekken.
Zicht Ring voor de selectie van de mistverlichting De mistverlichting werkt in combinatie met het dimlicht en het grootlicht. 6 Uitsluitend één mistachterlicht F Draai de ring naar voren om het mistachterlicht in te schakelen. F Draai de ring naar achteren om het mistachterlicht uit te schakelen.
Zicht Bij helder of regenachtig weer, zowel overdag als 's nachts, zijn de mistlampen vóór en het mistachterlicht verblindend voor medeweggebruikers en daarom niet toegestaan. Gebruik de mistlampen vóór en het mistachterlicht uitsluitend bij mist of sneeuwval. Onder deze weersomstandigheden dient u de mistlampen vóór en het dimlicht handmatig in te schakelen, omdat de lichtsensor voldoende licht kan waarnemen. Vergeet niet de mistlampen uit te zetten zodra ze niet meer nodig zijn.
Zicht Dagrijverlichting* Handbediende follow me home-verlichting Als de lichtschakelaar in de stand "0" staat, gaat de dagrijverlichting automatisch branden bij het starten van de auto. Deze functie zorgt ervoor dat na het afzetten van het contact de dimlichten nog even blijven branden om het uitstappen in het donker te vergemakkelijken. De dagrijverlichting gaat uit als het parkeerlicht, dimlicht of grootlicht wordt ingeschakeld. 6 Deze functie kan niet worden uitgeschakeld.
Zicht Koplampen verstellen Verstel de koplampen afhankelijk van de belading van uw auto om verblinding van medeweggebruikers te voorkomen. Het verstellen kan worden uitgevoerd met de bediening: onder de motorkap, linksonder het stuurwiel (volgens uitvoering). - Motorruimte Links van het stuurwiel F Open de motorkap voor toegang tot de bediening (één per lichtunit). F Draai aan de bediening om de hoogte van de koplampen af te stellen. 0 1 1 of 2 personen op de voorstoelen. 5 personen.
Zicht Ruitenwisserschakelaar Handmatige functies De bestuurder schakelt de ruitenwissers handmatig in. Ruitenwissers vóór Ruitensproeiers voor Selectiehendel wissnelheid: zet de hendel in de gewenste stand. Trek de hendel naar u toe: de ruitensproeiers treden in werking en na enige tijd worden ook de ruitenwissers ingeschakeld. Hoge snelheid (hevige neerslag). Normale snelheid (matige regenval). Interval (wissnelheid aangepast aan de wagensnelheid). Uit.
Zicht Speciale stand van de ruitenwissers voor Deze stand maakt het mogelijk de ruitenwissers los te zetten van de voorruit. In deze stand kunnen de ruitenwisserbladen worden gereinigd of de ruitenwissers worden vervangen. In de winter kan deze stand tevens worden gebruikt om de ruitenwissers los te zetten van de voorruit. F Als de ruitenwisserschakelaar binnen een minuut nadat het contact is afgezet wordt bediend, worden de ruitenwissers in de verticale stand gezet.
Zicht Plafonniers Plafonniers voor en achter In deze stand gaat de interieurverlichting geleidelijk branden: als de auto wordt ontgrendeld, als de sleutel uit het contact wordt verwijderd, als een portier wordt geopend, als op de vergrendelingsknop van de afstandsbediening wordt gedrukt om de auto te lokaliseren. De interieurverlichting gaat geleidelijk uit: als de auto wordt vergrendeld, als het contact wordt aangezet, 30 seconden na het sluiten van het laatste portier.
Veiligheid Richtingaanwijzers Gebruik de richtingaanwijzers om een verandering van rijrichting of rijstrook aan te geven. F Links: duw de hendel helemaal omlaag, tot voorbij de weerstand. F Rechts: duw de hendel helemaal omhoog, tot voorbij de weerstand. Drie keer knipperen F Beweeg de schakelaar kort omhoog of omlaag, zonder deze door de weerstand te drukken. De desbetreffende richtingaanwijzers zullen drie keer knipperen.
Veiligheid Bandenspanningscontrolesysteem Dit systeem controleert automatisch de bandenspanning tijdens het rijden. Het systeem bewaakt de spanning van de vier banden zodra de auto begint te rijden. Het systeem vergelijkt de signalen van de snelheidssensoren van de wielen met de referentiewaarden die elke keer nadat de banden op spanning zijn gebracht of na het verwisselen van een wiel moeten worden gereset.
Veiligheid Waarschuwing te lage bandenspanning U krijgt deze waarschuwing als dit lampje blijft branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding. F Verminder onmiddellijk uw snelheid en vermijd plotselinge stuurbewegingen en krachtig remmen. F Stop zodra dit mogelijk is op een veilige plaats. Een te lage bandenspanning is niet altijd aan de band te zien. Een visuele controle is dus niet voldoende.
Veiligheid Storing Het systeem kan bij afgezet contact en stilstaande auto worden gereset met de knop in het dashboardkastje. Het bandenspanningscontrolesysteem werkt alleen betrouwbaar als bij het resetten van het systeem de vier banden de correcte spanning hebben. Sneeuwkettingen Het systeem hoeft niet gereset te worden na het aanbrengen of verwijderen van sneeuwkettingen. F Open het dashboardkastje. F Houd deze knop enige tijd ingedrukt.
Veiligheid Hulpsystemen bij het remmen Uw auto is voorzien van drie systemen die u helpen om de auto in een noodsituatie veilig tot stilstand te brengen: het antiblokkeersysteem (ABS), de elektronische remdrukregelaar (EBD), - Brake Assist System (BAS). Antiblokkeersysteem (ABS) en elektronische remdrukregelaar Deze systemen zorgen tijdens het remmen voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid van uw auto, vooral op een slecht of glad wegdek.
Veiligheid Stabiliteitscontrolesystemen Storing Antislipregeling (ASR) en elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP) De antislipregeling verbetert de tractie van de wielen om doorslippen te voorkomen, door in te grijpen op de remmen van de aangedreven wielen en op het motorkoppel. Het elektronisch stabiliteitsprogramma grijpt in via de remmen van één of meer wielen en via het motorkoppel om de auto (binnen de grenzen van de natuurkundige wetmatigheden) weer in de juiste koers te brengen.
Veiligheid Veiligheidsgordels Veiligheidsgordels vóór Waarschuwingslampje veiligheidsgordel losgemaakt / niet vastgemaakt Als het contact wordt aangezet, gaat dit waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden om aan te geven dat de bestuurder zijn gordel niet heeft vastgemaakt. Omdoen De veiligheidsgordels vóór zijn voorzien van een pyrotechnische gordelspanner en een spankrachtbegrenzer.
Veiligheid Veiligheidsgordels achter Omdoen F Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting. F Controleer of de gordel goed is vastgemaakt door even aan de riem te trekken. Losmaken De zitplaatsen links- en rechtsachter zijn voorzien van een driepuntsveiligheidsgordel met oprolautomaat. Afhankelijk van de uitvoering is de middelste zitplaats voorzien van een twee- of driepuntsveiligheidsgordel met of zonder oprolautomaat. F Druk op de rode knop van de gordelsluiting.
Veiligheid Alvorens te gaan rijden dient de bestuurder te controleren of alle passagiers hun veiligheidsgordel goed hebben omgedaan en vastgemaakt. Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het rijden hun veiligheidsgordel dragen, ook al betreft het een korte rit. Draai de gespen van de veiligheidsgordels niet om; de gordels zijn dan niet voldoende effectief.
Veiligheid Airbags De airbags zijn speciaal ontworpen om de veiligheid van de inzittenden bij ernstige aanrijdingen te verbeteren. Ze vormen een aanvulling op de werking van de veiligheidsgordels met spanbegrenzers. De elektronische schoksensoren registreren de frontale en zijdelingse aanrijdingen waaraan de registratiezones voor een aanrijding worden blootgesteld: bij een ernstige aanrijding gaan de airbags onmiddellijk af en zorgen ervoor dat de inzittenden van de auto beter worden beschermd.
Veiligheid Schakel voor de veiligheid van uw kind de airbag aan passagierszijde altijd uit als u een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel plaatst. Anders kan een kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken.
Veiligheid Zijairbags Storing Als dit waarschuwingslampje gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display, raadpleeg dan het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om het systeem te laten controleren. De kans bestaat dat de airbags bij een ernstige aanrijding niet worden geactiveerd. De zijairbags dragen bij aan de bescherming van de bestuurder en de voorpassagier door de kans op letsel bij een ernstige zijdelingse aanrijding te verkleinen.
Veiligheid Houd u aan de volgende veiligheidsvoorschriften voor een maximale effectiviteit van de airbags: Maak er een gewoonte van om normaal rechtop in de voorstoelen te zitten. Draag altijd een correct afgestelde veiligheidsgordel. Zorg dat er zich niets bevindt tussen de airbag en de inzittenden (kinderen, huisdieren, objecten...). Dit kan de goede werking van de airbag belemmeren en/of de inzittende bij het opblazen van de airbag verwonden.
Veilig vervoeren van kinderen Algemene informatie met betrekking tot kinderzitjes Hoewel CITROËN bij het ontwerp van uw auto veel aandacht heeft besteed aan veiligheidsvoorzieningen voor uw kinderen, is hun veiligheid natuurlijk ook afhankelijk van uzelf.
Veilig vervoeren van kinderen Kinderzitje achterin "Rug in de rijrichting" "Gezicht in de rijrichting" Schuif als u een kinderzitje "met de rug in de rijrichting" achterin plaatst de voorstoel naar voren en zet de rugleuning van de voorstoel rechtop, zodat het kinderzitje de voorstoel niet raakt. Schuif als u een kinderzitje "met het gezicht in de rijrichting" achterin plaatst de voorstoel naar voren en zet de rugleuning van de voorstoel rechtop, zodat de benen van het kind de voorstoel niet raken.
Veilig vervoeren van kinderen Kinderzitje op de passagiersstoel voor* "Met de rug in de rijrichting" "Met het gezicht in de rijrichting" Wanneer een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de passagiersstoel voor wordt geplaatst, moet de stoel in de middelste stand van de verstelling in lengterichting worden geschoven en moet de rugleuning rechtop worden gezet. De airbag vóór aan passagierszijde moet zijn uitgeschakeld.
Veilig vervoeren van kinderen Uitschakelen van de airbag vóór aan passagierszijde Plaats nooit een kind in een kinderzitje "met de rug in de rijrichting" op de voorpassagiersstoel als de airbag vóór aan passagierszijde is ingeschakeld. Het kind kan in dat geval bij een aanrijding ernstig en zelfs dodelijk gewond raken. Dit voorschrift wordt tevens vermeld op de waarschuwingssticker aan beide zijden van de zonneklep aan passagierszijde.
Veilig vervoeren van kinderen AR BG НИКОГА НЕ инсталирайте детско столче на седалка с АКТИВИРАНА предна ВЪЗДУШНА ВЪЗГЛАВНИЦА. Това може да причини СМЪРТ или СЕРИОЗНО НАРАНЯВАНЕ на детето. CS NIKDY neumisťujte dětské zádržné zařízení orientované směrem dozadu na sedadlo chráněné AKTIVOVANÝM čelním AIRBAGEM. Hrozí nebezpečí SMRTI DÍTĚTE nebo VÁŽNÉHO ZRANĚNÍ. DA Brug ALDRIG en bagudvendt barnestol på et sæde, der er beskyttet af en AKTIV AIRBAG. BARNET risikerer at blive ALVORLIGT KVÆSTET eller DRÆBT.
Veilig vervoeren van kinderen MT Qatt m’ghandek thalli tifel/tifla marbut f’siggu dahru lejn l-Airbag attiva, ghaliex tista’ tikkawza korriment serju jew anke mewt lit-tifel/tifla NL Plaats NOOIT een kinderzitje met de rug in de rijrichting op een zitplaats waarvan de AIRBAG is INGESCHAKELD.
Veilig vervoeren van kinderen Door CITROËN aanbevolen kinderzitjes CITROËN levert een reeks kinderzitjes met artikelnummer die met een driepuntsveiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt: Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg L1 "RÖMER Baby-Safe Plus" Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst. Groep 2 en 3: van 15 tot 36 kg L4 "KLIPPAN Optima" Vanaf 22 kg(vanaf ongeveer 6 jaar): gebruik alleen de zitverhoging. 8 L5 "RÖMER KIDFIX" Kan aan de ISOFIX-verankeringen van de auto worden bevestigd.
Veilig vervoeren van kinderen Bevestiging kinderzitjes met veiligheidsgordel Conform de Europese wetgeving geeft dit overzicht de mogelijkheden weer met betrekking tot het bevestigen, met een veiligheidsgordel, van een universeel gehomologeerd kinderzitje (a), gerangschikt naar het gewicht van het kind en de plaats in de auto: Gewicht van het kind / leeftijdsindicatie Minder dan 13 kg (Categorie 0 (b) en 0+) Tot ongeveer 1 jaar Van 9 tot 18 kg (Categorie 1) Van 1 tot ongeveer 3 jaar Van 15 tot 25 kg (Cat
Veilig vervoeren van kinderen Adviezen voor kinderzitjes De onjuiste bevestiging van een kinderzitje brengt de veiligheid van het kind in gevaar bij een aanrijding. Controleer of er geen veiligheidsgordel of gesp van de veiligheidsgordel onder het kinderzitje zit; dat zou de stabiliteit van het zitje in gevaar kunnen brengen.
Veilig vervoeren van kinderen ISOFIX-bevestigingen Kinderzitje vastmaken aan de TOP TETHER: haal de riem van het kinderzitje naar de achterzijde van de rugleuning van de stoel en zorg ervoor dat de riem goed in het midden ligt, open het afdekkapje van de TOP TETHER, maak de haak van de bovenste riem vast aan de ring B, trek de bovenste riem strak. Uw auto voldoet aan de nieuwste ISOFIXnormen.
Veilig vervoeren van kinderen ISOFIX-kinderzitjes aanbevolen door CITROËN en gehomologeerd voor uw auto "RÖMER Baby-Safe Plus" met basis "Baby-Safe Plus ISOFIX" (lengtecategorie: E) Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg Dit zitje dient te worden geplaatst met de rug in de rijrichting met behulp van een ISOFIX-basis, die wordt bevestigd aan de ringen A. De basis is voorzien van een in hoogte verstelbare steun die op de vloer van de auto rust.
Veilig vervoeren van kinderen "RÖMER Duo Plus ISOFIX" (lengtecategorie: B1) Groep 1: van 9 tot 18 kg Dit zitje wordt uitsluitend met het gezicht in de rijrichting geplaatst. Het wordt verankerd aan de ringen A en, met de bovenste riem, aan de ring B, de Top Tether. Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand. Dit kinderzitje kan ook worden gebruikt op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX-bevestigingspunten.
Veilig vervoeren van kinderen "Baby P2C Midi" met ISOFIX-basis (lengtecategorie: D, C, A, B, B1) Groep 1: 9 tot 18 kg Dit zitje dient te worden geplaatst met de rug in de rijrichting met behulp van een ISOFIX-basis, die wordt bevestigd aan de ringen A. De basis is voorzien van een in hoogte verstelbare steun die op de vloer van de auto rust. Dit zitje kan ook met het gezicht in de rijrichting worden geplaatst. Dit zitje kan niet worden bevestigd met een veiligheidsgordel.
Veilig vervoeren van kinderen Overzicht bevestiging ISOFIX-kinderzitjes Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft het overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de auto voorzien van ISOFIX-bevestigingen. Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven met een letter (A t/m G).
Veilig vervoeren van kinderen Mechanisch kinderslot Beide achterportieren zijn voorzien van een kinderslot om het openen van binnenuit te verhinderen. De knop bevindt zich op de zijkant van beide achterportieren. Vergrendelen F Draai de rode knop een kwart omwenteling met de contactsleutel. - naar rechts voor het linker achterportier, - naar links voor het rechter achterportier. 8 Ontgrendelen F Draai de rode knop een kwart omwenteling met de contactsleutel.
Praktische informatie Brandstoftank Inhoud van de brandstoftank: ongeveer 50 liter. Minimumbrandstofniveau Tanken Als het minimumbrandstofniveau is bereikt, gaat dit waarschuwingslampje branden. Als dit lampje gaat branden, zit er nog ongeveer 5 liter brandstof in de tank. Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen dat u zonder brandstof komt te staan. Raadpleeg het hoofdstuk "Controles" indien u strandt met een lege brandstoftank (Diesel). Openen F Trek aan de hendel.
Praktische informatie Vulpistoolrestrictie (diesel)* Dit mechanisme is aangebracht in auto's met een dieselmotor, waardoor het onmogelijk is om benzine te tanken. Hiermee wordt schade aan motoren, ontstaan door het tanken van de verkeerde brandstof, voorkomen. Deze voorziening, die in de tankopening is ingebouwd, is zichtbaar zodra u de brandstoftankdop verwijdert. Indien u per vergissing de verkeerde brandstof voor uw auto tankt, moet de tank beslist worden afgetapt voordat de motor kan worden gestart.
Praktische informatie 120 Brandstof voor benzinemotoren Brandstof voor dieselmotoren Auto's met benzinemotoren kunnen rijden op biobrandstoffen van het type E10 (deze bevatten 10% ethanol) die voldoen aan de Europese richtlijnen EN 228 en EN 15376. Brandstoffen van het type E85 (deze bevatten tot 85% ethanol) zijn uitsluitend geschikt voor auto's die speciaal bestemd zijn voor dit type brandstof (BioFlex-auto's). De kwaliteit van de ethanol moet voldoen aan de Europese richtlijn EN 15293.
Praktische informatie Brandstoftank leeg (diesel) Bij auto's met HDi-motor is het in het geval van een lege brandstoftank noodzakelijk om het brandstofsysteem te ontluchten: raadpleeg de afbeelding van de motorruimte in de rubriek "Dieselmotor". Als de tank van uw auto is voorzien van een tankbeveiliging, raadpleeg dan de desbetreffende rubriek. Als de motor niet direct aanslaat, beëindig dan uw startpoging en herhaal de procedure. HDi 92-motor F Vul de brandstoftank met minimaal 5 liter diesel.
Praktische informatie Bandenreparatieset De volledige set voor de reparatie van een band bestaat uit een compressor en een flacon met afdichtmiddel. Hiermee kunt u de band tijdelijk repareren, zodat u de dichtstbijzijnde garage kunt bereiken. Met deze reparatieset kunnen de meeste lekke banden worden gerepareerd, als het lek zich in het loopvlak of de hiel van de band bevindt. Toegang tot de set Deze set bevindt zich in de opbergbak onder de vloerplaat van de bagageruimte.
Praktische informatie Beschrijving van de set A. Schakelaar stand "Reparatie" of "Op spanning brengen". B. Aan/uit schakelaar "I/O". C. Knop voor leeg laten lopen. D. Manometer (bar en psi). E. Opbergvak met: - kabel + adapter voor 12V-aansluiting, - diverse opblaasnippels voor accessoires als ballonnen, fietsbanden, ... F. Flacon met afdichtmiddel. G. Witte slang met dop voor de reparatie. H. Zwarte slang voor het op spanning brengen. I. Sticker met snelheidslimiet.
Praktische informatie Reparatiemethode 1. Afdichting van het lek F Zet het contact af. F Zet de schakelaar A in de stand "Reparatie". F Controleer of de schakelaar B in de stand "O" staat. Verwijder het voorwerp dat de lekkage heeft veroorzaakt niet uit de band. 124 F Rol de witte slang G volledig uit. F Draai de dop van de witte slang los. F Sluit de witte slang aan op het ventiel van de lekke band. Let op: dit product is schadelijk (ethyleenglycol, colofonium...
Praktische informatie F Activeer de compressor door de schakelaar B in de stand "I" te zetten, tot de bandenspanning 2,0 bar bedraagt. Het afdichtmiddel wordt onder druk in de band gespoten; neem gedurende deze handeling de slang niet los van de aansluiting (kans op spatten). Schakel de compressor niet in voordat de witte slang is aangesloten op het ventiel van de band: het afdichtmiddel wordt anders buiten de band gespoten. F Verwijder de set en draai de dop van de witte slang vast.
Praktische informatie 2. Op spanning brengen F Zet de schakelaar A in de stand "Bandenspanning". F Rol de zwarte slang H volledig uit. F Sluit de zwarte slang aan op het ventiel van de gerepareerde band. F Sluit de stekker van de compressor weer aan op de 12V-aansluiting in de auto. F Start de motor opnieuw en laat de motor draaien. Ga zo snel mogelijk naar een servicepunt van het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Vergeet niet de technicus te vertellen dat u de set hebt gebruikt.
Praktische informatie Uitnemen van de flacon F Berg de zwarte slang op. F Neem het gebogen aansluitstuk van de witte slang los. F Houd de compressor rechtop. F Draai de flacon aan de onderzijde los. Let op dat er geen afdichtmiddel uit de flacon stroomt. De uiterste gebruiksdatum staat op de patroon vermeld. De patroon met afdichtmiddel kan slechts één keer gebruikt worden en moet daarna worden vervangen, ook als hij niet leeg is.
Praktische informatie Wiel verwisselen In het geval van een lekke band kunt u het wiel met het bij de auto geleverde gereedschap verwisselen volgens de onderstaande procedure. Toegang tot het gereedschap Beschikbaar gereedschap Het gereedschap bevindt zich onder de vloer van de bagageruimte: F open de achterklep, F til de vloerplaat op en verwijder deze, F haal de houder met het gereedschap er uit.
Praktische informatie Reservewiel (volgens uitvoering) Wiel met wieldop Monteren: plaats de wieldop, begin bij de ventielopening en druk de wieldop rondom met de hand vast. Het reservewiel bevindt zich onder de vloer van de bagageruimte. F Trek de gereedschapskist los. Verwijderen van het reservewiel F Draai de gele centrale bout los. F Til het reservewiel aan de achterzijde op en trek het naar u toe. F Verwijder het wiel uit de bagageruimte.
Praktische informatie Terugplaatsen van het reservewiel F Leg het reservewiel in de reservewielbak. F Draai de gele centrale bout een aantal omwentelingen los en plaats de bout in het hart van het reservewiel. F Draai de centrale bout vast tot deze klikt en het reservewiel goed vastzit. 130 F Bevestig de gereedschapskist.
Praktische informatie Demonteren van het wiel Stilzetten van de auto Zet de auto op een plaats waar het verkeer niet gehinderd wordt en zorg ervoor dat de auto op een horizontale, stabiele en stroeve ondergrond staat. Trek de handrem aan, zet het contact af en schakel de eerste versnelling* in om de wielen te blokkeren. Controleer of de verklikkerlampjes van de parkeerrem op het instrumentenpaneel branden. Controleer of de inzittenden de auto hebben verlaten en zich op een veilige plaats bevinden.
Praktische informatie F Plaats het voetstuk van de krik 2 op de grond, loodrecht onder één van de twee steunpunten aan de voorzijde A of achterzijde B. Gebruik het steunpunt dat zich het dichtste bij het te verwisselen wiel bevindt. 132 F Draai de krik 2 uit tot de kop van de krik het gebruikte steunpunt A of B raakt; de kop van de krik moet goed in het middelste deel van het steunpunt A of B steken.
Praktische informatie Monteren van het wiel Bevestiging van het reservewiel Indien uw auto is voorzien van lichtmetalen velgen is het normaal dat bij het monteren van het reservewiel de ringen van de bouten de velg niet raken. Als de bouten volledig zijn aangedraaid, zorgt het conische draagvlak van de bouten voor de bevestiging van het reservewiel. F Verwijder de wielbouten en leg ze op een schone plaats weg. F Verwijder het wiel. Zorg ervoor dat de krik stabiel staat.
Praktische informatie Procedure F Plaats het wiel op de naaf. F Draai de wielbouten met de hand vast. F Draai de wielbouten enigszins vast met alleen de wielsleutel 1. 134 F Laat de krik zakken. F Vouw de krik 2 op en verwijder hem. F Draai de wielbouten uitsluitend vast met de wielsleutel 1. F Bevestig de doppen op de overige wielbouten (volgens uitvoering). F Berg het gereedschap op in de houder.
Praktische informatie Sneeuwkettingen Onder winterse omstandigheden verbeteren sneeuwkettingen de tractie en het remgedrag van de auto. Uitsluitend de voorwielen mogen van sneeuwkettingen worden voorzien. Een noodreservewiel mag niet worden voorzien van een sneeuwketting.
Praktische informatie Een lamp vervangen De koplampunits zijn voorzien van glas van polycarbonaat met een speciale vernislaag: F reinig de koplampen nooit met een droge of schurende doek en gebruik geen oplosmiddelen, F gebruik een spons met zeepwater of een pH-neutraal product, F wanneer u met een hogedrukreiniger hardnekkig vuil probeert te verwijderen, houd de straal dan nooit langdurig op de koplampen, de achterlichten en de randen ervan gericht, om beschadiging van de vernislaag en de afdichtrubbers t
Praktische informatie Lamp van richtingaanwijzer vervangen Wanneer het controlelampje van de richtingaanwijzer (rechts of links) met een hogere frequentie dan normaal knippert, duidt dit op een defecte lamp aan de desbetreffende zijde. F Draai de lamphouder een achtste omwenteling linksom en verwijder hem. F Verwijder de lamp en vervang hem. Verricht voor het monteren van de lamp deze handelingen in de omgekeerde volgorde.
Praktische informatie Lampen dimlicht vervangen F Trek aan de borglip om de beschermkap te verwijderen. F Til de stekker van de lamp op en neem deze los . F Trek de lamp uit de lamphouder en vervang de lamp. Voer het monteren uit in de omgekeerde volgorde. 138 Lampen dagrijverlichting / parkeerlicht of parkeerlicht vervangen F Trek aan de lamphouder terwijl u aan beide kanten op de beide borglippen drukt. F Verwijder de lamp en vervang deze. Voer het monteren uit in de omgekeerde volgorde.
Praktische informatie Mistlampen vóór vervangen F Via de opening onder de voorbumper kunt u de mistlampen vóór bereiken. Draai, indien nodig, de afdekkap helemaal los en verwijder deze vervolgens. F Draai de lamphouder een kwartslag linksom en verwijder deze. F Neem de stekker van de lamp los. F Verwijder de lamp en vervang deze. Voer het monteren uit in de omgekeerde volgorde.
Praktische informatie Achterlichten 1. 2. 3. 4. 5. 140 Richtingaanwijzers (PY21W amberkleurig). Achteruitrijlicht (R10W). Mistachterlicht (P21W). Parkeerlicht (P21/5W). Remlicht / parkeerlicht (P21/5W).
Praktische informatie Lamp derde remlicht vervangen (5 lampen W5W) Om deze lampen te vervangen is het noodzakelijk het deksel op de hoedenplank te verwijderen vanaf de achterbank van de auto: F trek het deksel naar u toe en vervolgens omhoog om het te verwijderen, Vervangen van de kentekenplaatverlichting (W5W) F neem de stekker van de lichtunit los, F maak de lamphouder los door de twee nokken op te tillen en verwijder de lamphouder, F vervang de defecte lamp.
Praktische informatie Zekering vervangen Toegang tot het gereedschap De tang voor het verwijderen van zekeringen is bevestigd aan de binnenzijde van het deksel van de zekeringkast in het dashboard. F trek het deksel eerst rechtsboven en dan linksboven los, F verwijder het deksel en keer het om, 142 F neem de tang eruit.
Praktische informatie Vervangen van een zekering Voordat u een zekering vervangt, dient u: F de oorzaak van de storing te achterhalen om deze te verhelpen, F alle stroomverbruikers uit te schakelen, F de auto stil te zetten met het contact uit, F de defecte zekering te achterhalen met behulp van de zekeringtabel en de schema's op de volgende bladzijden.
Praktische informatie Zekeringen dashboard 144 Overzicht zekeringen Zekeringnummer Stroomsterkte Functies F02 5A Hoogteverstelling koplampen, diagnoseaansluiting, bedieningspaneel airconditioning. F09 5A Alarm, alarm (montage achteraf). F11 5A Extra verwarming. F13 5A Parkeerhulp, parkeerhulp (montage achteraf). F14 10 A Bedieningspaneel airconditioning. De zekeringkast bevindt zich aan de onderzijde van het dashboard (linkerzijde). F16 15 A Aansteker, 12V-aansluiting.
Praktische informatie Zekeringnummer Stroomsterkte Functies F29 - F30 10 A Verwarming buitenspiegels. F31 25 A Achterruitverwarming. F32 - F33 30 A Elektrische ruitbediening vóór. F34 30 A Elektrische ruitbediening achter. F35 30 A Stoelverwarming vóór. F36 - F37 20 A Niet gebruikt. Niet gebruikt. Niet gebruikt. Servicecentrale trekhaakaansluiting.
Praktische informatie Zekeringkast in de motorruimte De zekeringkast bevindt zich onder de motorkap, naast de accu (links). Toegang tot de zekeringen F Maak het deksel los. F Vervang de zekering (zie de desbetreffende paragraaf). F Sluit na het vervangen van de zekering zorgvuldig het deksel voor een goede afdichting van de zekeringkast. 146 Overzicht zekeringen Zekering Stroomsterkte Functies F14 15 A Verwarming onderzijde voorruit. F15 5A Aircocompressor. F16 15 A Mistlampen vóór.
Praktische informatie 12V-accu Procedure voor het opladen van de accu en het gebruik van een hulpaccu voor het starten van de motor met behulp van startkabels. Toegang tot de accu De accu bevindt zich in de motorruimte. Toegang tot de accu: F open de motorkap via hendel in het interieur en bedien gebruik vervolgens de veiligheidshaak aan de buitenzijde, F bevestig de motorkapsteun, F verwijder de kunststof afdekkap voor toegang tot de pluspool.
Praktische informatie Starten van de motor met een hulpaccu en startkabels Als de accu van uw auto ontladen is, kan de motor worden gestart met een hulpaccu (externe accu of een accu van een andere auto) en startkabels. 148 Controleer eerst of de nominale spanning van de hulpaccu 12 V bedraagt en of de capaciteit van de hulpaccu minimaal gelijk is aan die van de ontladen accu. Start de motor niet door een acculader aan te sluiten. Koppel de pluspool (+) van de accu niet los terwijl de motor draait.
Praktische informatie Spaarfase Laden met behulp van een acculader F Maak de accupoolklemmen los. F Volg de aanwijzingen van de fabrikant van de acculader. F Sluit de accukabels weer aan, te beginnen met de (-) kabel. F Controleer of de accupolen en de klemmen schoon zijn. Indien ze bedekt zijn met een (witte of groene) oxidatielaag, neem dan de accukabels los en reinig de polen en klemmen. Een aantal functies is niet beschikbaar als de laadtoestand van de accu onvoldoende is.
Praktische informatie Eco-mode De eco-mode bepaalt de maximale gebruiksduur van een aantal functies om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. Nadat de motor is afgezet, kunt u een aantal elektrische functies zoals het audioen telematicasysteem, de ruitenwissers, dimlichten, plafonniers, ... nog in totaal maximaal 30 minuten gebruiken.
Praktische informatie Wisserbladen vervangen Voordat u een wisserblad demonteert F Bedien de ruitenwisserschakelaar binnen één minuut na het afzetten van het contact om de ruitenwissers naar het midden van de voorruit te verplaatsen. Demonteren F Til de desbetreffende ruitenwisserarm op. F Maak het wisserblad los en verwijder het. Monteren F Breng het nieuwe wisserblad aan en klik het vast. F Zet de ruitenwisserarm voorzichtig terug. Na het monteren van een wisserblad vóór F Zet het contact aan.
Praktische informatie Slepen van de auto U kunt de auto laten slepen door een andere auto. Toegang tot het gereedschap Algemene aanwijzingen Volg de huidige wetgeving in uw land op. Controleer of het gewicht van de trekkende auto hoger is dan van de auto die wordt gesleept. Er moet iemand achter het stuur van de gesleepte auto blijven zitten. Deze persoon moet beschikken over een geldig rijbewijs.
Praktische informatie Slepen van uw auto Slepen van een andere auto Zet de versnellingsbak in de neutraalstand (stand N bij auto's met een elektronisch gestuurde versnellingsbak of een automatische transmissie). Als dit voorschrift niet wordt opgevolgd, kunnen bepaalde onderdelen (remsysteem, aandrijving, ...) beschadigd raken en werkt de rembekrachtiger na het starten van de motor mogelijk niet meer. F Maak het klepje in de voorbumper los door op het linker gedeelte van het klepje te drukken.
Praktische informatie Trekken van een aanhanger Uw auto is hoofdzakelijk bedoeld voor het vervoer van personen en bagage, maar is tevens geschikt voor het trekken van een aanhanger. 154 Wij raden u aan gebruik te maken van een speciaal door CITROËN geteste en goedgekeurde trekhaak inclusief bedrading en deze door het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats te laten monteren.
Praktische informatie Adviezen Gewichtsverdeling Koeling Remmen F Verdeel het gewicht in de caravan/ aanhanger gelijkmatig, plaats zware voorwerpen zo dicht mogelijk bij de as en houd u aan de toegestane kogeldruk. Door een geringere luchtdichtheid nemen de prestaties van de motor af als men op grotere hoogte boven de zeespiegel komt. Trek boven de 1000 m 10% van het maximale aanhangergewicht af en herhaal dit voor elke volgende 1000 m.
Praktische informatie Sneeuwscherm(en)* Afneembaar scherm dat op het onderste gedeelte van de voorbumper wordt geplaatst om een opeenhoping van sneeuw bij de koelventilator van de radiateur te voorkomen. Afhankelijk van de uitvoering is uw auto voorzien van één of twee schermen. * Volgens land van bestemming. 156 Plaatsen Verwijderen F Breng het desbetreffende scherm aan op het onderste gedeelte of op het gedeelte linksboven van de voorbumper.
Praktische informatie Onderhoudstips Accessoires In het garantie- en onderhoudsboekje van uw auto vindt u de algemene adviezen met betrekking tot het onderhouden van uw auto. Een ruime keuze aan accessoires en originele onderdelen wordt u aangeboden door het CITROËN-netwerk. Deze accessoires en onderdelen zijn volledig aangepast aan uw auto, zijn voorzien van een artikelnummer en beschikken over de garantie van CITROËN.
Praktische informatie "Bescherming": matten*, stoelhoezen, alarmsysteem, spatlappen voor en achter, bak in de bagageruimte, mat voor de bagageruimte, zijstootlijsten, stootlijsten voor de bumpers, transparante dorpelbescherming voor de bagageruimte, beschermplaat onder de motor, ...
Praktische informatie Matten De matten zijn uitneembaar en beschermen de vloerbedekking van de auto. Bevestigen Gebruik, wanneer u een nieuwe mat bevestigt aan bestuurderszijde, uitsluitend de bevestigingen uit het bijgeleverde zakje. De overige matten worden gewoon op de vloerbedekking gelegd. Verwijderen Terugplaatsen Verwijderen van de mat aan de bestuurderszijde: F zet de stoel in de achterste stand, F maak de bevestigingen los, F verwijder vervolgens de mat.
Praktische informatie Allesdragers Uit veiligheidsoverwegingen en om te voorkomen dat het dak beschadigd raakt, moet u voor uw auto geschikte allesdragers met een onderdeelnummer van het merk gebruiken. 160 Bevestig de allesdragers uitsluitend op de vier verankeringspunten op het dakframe. Deze punten zijn niet zichtbaar als de portieren zijn gesloten. De bevestigingen van de allesdragers zijn voorzien van een tapeind dat in de opening van het verankeringspunt moet worden gestoken.
Onderhoud TOTAL & CITROËN Partners in prestaties en respect voor het milieu Innovatie voor nog betere prestaties Sinds meer dan 40 jaar ontwikkelen de Research & Development-teams van TOTAL voor CITROËN smeermiddelen die geschikt zijn voor de nieuwste technologieën die in auto’s van het merk CITROËN worden toegepast, zowel voor wedstrijddoeleinden als gebruik in het dagelijkse leven. Zo kunt u rekenen op de beste prestaties van de motor.
Onderhoud Motorkap De motorkap biedt toegang tot de motorruimte, zodat u de verschillende niveaus kunt controleren. Openen F Duw de veiligheidshaak naar links en til de motorkap op. F Neem de motorkapsteun uit de houder. F Bevestig de motorkapsteun in de uitsparing om de motorkap geopend te houden. F Trek de hendel aan de onderzijde van het dashboard naar u toe. Open de motorkap niet als het stormt.
Onderhoud Benzinemotoren 1. Reservoir ruitensproeiervloeistof. 2. Reservoir koelvloeistof. 3. Luchtfilter. 4. Reservoir remvloeistof. 5. Accu 6. Zekeringkast. 7. Oliepeilstok. 8. Motorolie (bij)vullen. 10 Gebruik nooit een hogedrukreiniger voor het reinigen van de motorruimte in verband met de kans op beschadiging van het elektrisch systeem.
Onderhoud Dieselmotor 1. Reservoir ruitensproeiervloeistof. 2. Reservoir koelvloeistof. 3. Luchtfilter. 4. Reservoir remvloeistof. 5. Accu 6. Zekeringkast. 7. Oliepeilstok. 8. Motorolie (bij)vullen. 9. Handopvoerpomp. Gebruik nooit een hogedrukreiniger voor het reinigen van de motorruimte in verband met de kans op beschadiging van het elektrisch systeem.
Onderhoud Niveaus controleren Controleer deze niveaus regelmatig en respecteer de voorwaarden zoals vermeld in het onderhoudsschema van de fabrikant. Vul indien nodig bij, tenzij anders aangegeven. Laat in het geval van een sterk gedaald niveau het desbetreffende circuit controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Onderhoud 166 Motorolie bijvullen Olie verversen Eigenschappen van de olie Gebruik de door de fabrikant aanbevolen motorolie voor uw auto en motoruitvoering. Raadpleeg de rubriek Onder de motorkap om te zien waar de olievuldop zich bevindt in de motorruimte van uw auto. F Draai de dop van de vulopening. F Giet de olie voorzichtig in de opening om morsen op motoronderdelen te voorkomen (dit kan brand veroorzaken). F Wacht enkele minuten en controleer vervolgens nogmaals het oliepeil met de peilstok.
Onderhoud Remvloeistofniveau Het remvloeistofniveau dient zich zo dicht mogelijk bij het merkteken "MAXI" te bevinden. Controleer indien dit niet het geval is of de remblokken van uw auto zijn versleten. Remvloeistof verversen Koelvloeistofniveau Het koelvloeistofniveau dient zich zo dicht mogelijk bij het merkteken "MAXI" te bevinden, maar mag beslist niet hoger zijn. Deze koelvloeistof hoeft niet ververst te worden.
Onderhoud Niveau ruitensproeiervloeistof Vul het reservoir bij wanneer dit nodig is. 168 Niveau brandstofadditief (diesel met roetfilter) Een te laag additiefniveau wordt aangegeven door het verklikkerlampje Service in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display (volgens uitvoering). Type vloeistof Bijvullen Voor een optimale reiniging en om het bevriezen van de sproeiers te voorkomen, wordt het (bij)vullen van het reservoir met water afgeraden.
Onderhoud Controles Raadpleeg, tenzij anders aangegeven, het onderhoudsschema van de fabrikant dat betrekking heeft op de motoruitvoering van uw auto voor het controleren van bepaalde onderdelen. Laat de controles eventueel uitvoeren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. 12V-accu De accu is onderhoudsvrij. Niettemin is het raadzaam om regelmatig te controleren of de accupolen en -klemmen schoon zijn, vooral bij warm weer en in de winter.
Onderhoud Handgeschakelde versnellingsbak De versnellingsbak is onderhoudsvrij (olie verversen niet noodzakelijk). Raadpleeg het onderhoudsschema van de fabrikant voor de periodieke onderhoudscontrole. Elektronisch gestuurde versnellingsbak De versnellingsbak is onderhoudsvrij (olie verversen niet noodzakelijk). Raadpleeg het onderhoudsschema van de fabrikant voor het interval van de niveaucontrole. Automatische transmissie De automatische transmissie is onderhoudsvrij (olie verversen niet noodzakelijk).
Technische gegevens Benzinemotoren Motoren Versnellingsbak Type Variant Uitvoering: DD... Cilinderinhoud (cm3) Boring x slag (mm) Max.vermogen: ECE-norm (kW)* Toerental bij max.vermogen (t/min) Max.koppel: ECE-norm (Nm) Toerental bij max.
Technische gegevens Gewichten (benzine) (kg) Motoren Versnellingsbak Type Variant Uitvoering: DD... VTi 72 VTi 115 Handgeschakeld (5 versnellingen) Elektronisch gestuurd (5 versnellingen) Handgeschakeld (5 versnellingen) Automaat (4 versnellingen) HMY0 HMY0/P NFP0 NFP9 - Ledig gewicht 980 1090 - Gewicht rijklaar* 1055 1165 - Maximum technisch toegestane massa totaal 1459 1467 1524 1559 - Maximum toegestaan treingewicht helling max.
Technische gegevens Dieselmotor Motor HDi 92 Handgeschakeld (5 versnellingen) Versnellingsbak Type Variant Uitvoering: DD... 9HJC Cilinderinhoud (cm3) 9HP0 1560 Boring x slag (mm) 75 x 88 Max.vermogen: ECE-norm (kW)* 68 Toerental bij max.vermogen (t/min) 4000 Max.koppel: ECE-norm (Nm) 230 Toerental bij max.
Technische gegevens Gewichten (diesel) (kg) Motor HDi 92 Handgeschakeld (5 versnellingen) Versnellingsbak Type Variant Uitvoering : DD... 9HJC 9HP0 - Ledig gewicht 1 090 - Gewicht rijklaar* 1 165 - Maximaal technisch toegestane massa totaal 1 549 1 548 - Maximaal toegestaan treingewicht helling max. 12% 2 299 2 298 - Aanhanger geremd (binnen max. toegestaan treingewicht) helling max. 10% of 12% 750 - Aanhanger geremd** (met verminderde belading auto, binnen max.
Technische gegevens Afmetingen (in mm) 11 175
Technische gegevens Identificatie De auto is voorzien van verschillende zichtbare merktekens voor de identificatie en registratie van de auto. Het bevat de volgende informatie: bandenspanning, auto onbeladen en beladen, bandenmaat, bandenspanning van het reservewiel, kleurcode van de lak. 176 A. Serienummer onder de motorkap. Dit nummer is ingeslagen in de carrosserie, bij het interieurfilter. C. Constructeursplaatje. Het nummer staat op een eenmalige sticker op de onderzijde van de rechter middenstijl.
Autoradio / Bluetooth® INHOUD Uw autoradio is zodanig gecodeerd dat deze alleen in uw auto werkt. Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto. Enkele minuten na het afzetten van de motor kan de autoradio zichzelf uitschakelen om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. 01 Basisfuncties blz. 178 02 Bediening op het stuurwiel blz. 179 03 Hoofdmenu blz. 180 04 Audio blz. 181 05 Telefoon blz.
01 Basisfuncties Volumeregeling. Aan/uit. Functie TA (verkeersinformatie) aan/uit. Lang indrukken: toegang tot de soort informatie. Selecteren van de geluidsbron: Radio, CD, AUX, USB, Streaming. Aannemen van een inkomende oproep. Stapsgewijs zoeken naar een radiozender met een lagere/hogere frequentie. Selecteren van de vorige/volgende MP3afspeellijst. Selecteren van de vorige/volgende map/ muziekstijl/artiest/playlist van het USB-apparaat. Navigeren in een lijst. Toegang tot het hoofdmenu.
02 Stuurkolomschakelaars Radio: automatisch zoeken naar zenders in oplopende volgorde. CD/MP3/USB: selecteren van het volgende nummer. CD/USB: continu indrukken: versneld vooruitspoelen. Naar een ander item van de lijst. Wijzigen van de geluidsbron. Bevestigen van een selectie. Telefoon opnemen/ophangen. Langer dan 2 seconden indrukken: toegang tot het telefoonmenu. Radio: selecteren van de vorige/ volgende voorkeuzezender. USB : selecteren van het genre / artiest / index van de lijst.
03 Algemeen menu " Multimedia ": Parameters media, Radio-instellingen. " Bluetooth-verbinding ": Verbindingen beheren, Extern apparaat zoeken. " Persoonlijke instellingen Configuratie ": Parameters van auto definiëren, Taalkeuze, Configuratie display, Keuze van eenheden, Datum en tijd instellen Display C " Telefoon ": Bellen, Beheer adresboek, Beheer telefoon, Ophangen " Boordcomputer ": Logboek waarschuwIngsmeldingen.
04 Audio Radio Selecteren van een zender De omgeving waarin u rijdt (bergen, hoge gebouwen, bruggen, tunnels enz.) kan leiden tot een slechte ontvangst, ook als de RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de radio. Druk een paar keer achter elkaar op SRC /TEL om de radiofunctie te selecteren. Druk op BAND om het golfbereik te selecteren. Druk op LIST voor een overzicht van de opgeslagen zenders in alfabetische volgorde.
04 Audio RDS Verkeersinformatie TA beluisteren Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar de sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven luisteren. Sommige RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen, omdat de frequenties van de zender niet het hele land dekken. Dit verklaart dat de zender tijdens het rijden kan wegvallen. De functie TA (Traffic Announcement) geeft voorrang aan het luisteren naar verkeersberichten.
04 Audio Tekstberichten weergeven Tekstberichten worden door een radiozender tijdens het luisteren naar de muziek meegestuurd. Display C Druk als de radiogegevens op het scherm worden weergegeven op de draaiknop om naar het contextmenu te gaan. Draai aan de knop om "RADIO TEXT" te selecteren en bevestig uw keuze door op de knop te drukken.
04 Audio Audio-CD Een CD afspelen Gebruik alleen ronde CD's met een diameter van 12 cm. Bepaalde beveiligingssystemen op de originele CD of zelfgebrande CD's kunnen storingen veroorzaken, ongeacht de kwaliteit van de CD-speler. Plaats zonder op de toets EJECT te drukken een CD in de CD-speler; deze zal de CD automatisch afspelen. Druk op de toets LIST om de lijst met nummers van de CD weer te geven. Houd een van de toetsen ingedrukt om versneld vooruit of terug te spoelen.
04 Audio CD, USB Informatie en tips De autoradio speelt uitsluitend bestanden met de extensie ".mp3" of "wma" met een vaste of variabele compressie van 32 Kbps tot 320 Kbps. Gebruik voor bestandsnamen maximaal 20 karakters en gebruik geen speciale tekens (bijv.: " ", ?, ù) om problemen met het afspelen of de weergave te voorkomen. Playlists moeten van het type .m3u of .pls zijn. Het maximum aantal bestanden bedraagt 5.000 verdeeld over 500 afspeellijsten op maximaal 8 verschillende niveaus.
04 Audio CD, USB Een playlist afspelen Druk op een van de toetsen om het vorige of volgende nummer te selecteren. Plaats een MP3-CD in de speler of sluit een USB-apparaat rechtstreeks of met een kabeltje aan op de USB-aansluiting. Het systeem leest alle afspeellijsten en slaat ze op in het tijdelijke geheugen; dit kan enkele seconden tot enkele minuten duren. Elke keer als het contact wordt aangezet en als er een nieuwe verbinding via de USB-stick wordt gemaakt, worden de afspeellijsten bijgewerkt.
04 Audio USB-stick - Afspeellijsten indelen Selecteer een regel uit de lijst. Druk even op LIST of op MENU, selecteer " Multimedia ", dan " Parameters media " en ten slotte " Indeling afspeellijst kiezen " om de indelingen weer te geven. Selecteer een nummer of een bestand. BACK Omhoog in de menustructuur. Een pagina overslaan. Druk na het kiezen van de indeling (" Per map "/ " Per artiest "/" Per genre "/" Per playlist " op de draaiknop.
04 Audio APPLE®-Spelers of Mass Storage Device U kunt audio-bestanden op een Mass Storage Device* via de luidsprekers van de audio-installatie in de auto beluisteren door het apparaat met een geschikte kabel (niet meegeleverd) op de USB-poort aan te sluiten. Het bedienen van de randapparatuur gebeurt via de audio-installatie in de auto. De afspeellijsten zijn dezelfde als die op de Apple®-speler.
04 Audio Aux-ingang (AUX) JACK-aansluiting De Jack AUX-aansluiting is bedoeld om een extern (Non Mass Storage) apparaat of een Apple®-speler aan te sluiten als die niet via de USB-poort herkend wordt. Sluit eenzelfde extern apparaat niet tegelijkertijd aan via de USBaansluiting en de Jack-aansluiting. Sluit het externe apparaat met behulp van een adapterkabel (niet meegeleverd) op de Jack-aansluiting aan. Druk een paar keer op SRC/TEL en selecteer "AUX".
04 Audio Streaming - Audio via Bluetooth Afhankelijk van de technische specificaties van de telefoon Met streaming-audio kunt u muziekbestanden op uw telefoon via de luidsprekers van de audio-installatie in de auto beluisteren. De telefoon moet de desbetreffende Bluetooth-profielen (A2DP/AVRCP) ondersteunen. De telefoon koppelen: zie het hoofdstuk TELEFOON. Afspeelmethode Er zijn verschillende afspeelmethodes: - Normaal: de tracks worden in de normale volgorde volgens de afspeellijst afgespeeld.
05 Telefoneren Een telefoon koppelen Eerste koppeling De beschikbare functies zijn afhankelijk van het netwerk, de SIM-kaart en de compatibiliteit van de gebruikte Blutooth apparaten. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw telefoon of neem contact op met uw provider voor meer informatie over de beschikbare functies.
05 Telefoneren Soms verschijnt de referentie van de telefoon of het Bluetooth-adres in plaats van de naam van de telefoon. Accepteer de koppeling op de telefoon. Op het scherm verschijnt een bericht ter bevestiging van de koppeling. Op het scherm wordt een toetsenbord weergegeven: voer een code van minimaal 4 cijfers in en bevestig uw invoer door op de knop te drukken. Op het scherm van de telefoon wordt een bericht weergegeven: voer dezelfde code in en bevestig uw invoer.
05 Telefoneren Status van de telefoon Druk voor het opvragen van de status van de telefoon op MENU. Selecteer " Telefoonstatus " en bevestig uw keuze. Selecteer " Telefoon " en bevestig uw keuze. Selecteer " Beheer telefoon " en bevestig uw keuze. Op het scherm verschijnt: de naam van de telefoon, de naam van het netwerk, de ontvangstkwaliteit en een bevestiging van de Bluetoothc.q. Streaming audio-verbinding.
05 Telefoneren Verbindingen beheren De verbinding met de telefoon is automatisch ook geschikt voor Bleutooth en Streaming audio. De mogelijkheid van het systeem om één profiel te koppelen hangt af van de telefoon. Het is mogelijk dat standaard beide profielen worden gekoppeld. Geeft aan dat een apparaat is verbonden. Geeft aan dat er een geschikte verbinding voor Streaming audio is. Geeft aan dat er een geschikte verbinding voor een handsfree telefoon is. Druk op MENU.
05 Telefoneren Bellen - nummer kiezen Naar het menu "TELEFOON": Houd SRC /TEL even ingedrukt. - Of druk op de draaiknop om naar het contextmenu te gaan. Selecteer " Bellen " en bevestig uw keuze. - Of druk op MENU, selecteer en bevestig " Telefoon ", selecteer dan " Bellen " en bevestig uw keuze. Selecteer " Nummer kiezen " en bevestig uw keuze om een nummer op te kunnen geven. Selecteer de cijfers één voor één met behulp van de toetsen 7 en 8 en bevestig uw invoer.
05 Telefoneren Bellen - Vanuit het adresboek Om het menu "TELEFOON" weer te geven: Houd SRC/TEL lang ingedrukt. - Of druk op de rolknop om het snelmenu weer te geven. Selecteer " Bellen " en bevestig uw keuze. - Of druk op MENU, selecteer " Telefoon " en bevestig uw keuze. Selecteer " Bellen " en bevestig uw keuze. Een gesprek aannemen Als u gebeld wordt, klinkt een beltoon en verschijnt een pop-upvenster op het display van het instrumentenpaneel.
05 Telefoneren Gesprekken beheren Privé-gesprek (de gesprekspartner kan niet meeluisteren) Druk tijdens het gesprek op de draaiknop om naar het contextmenu te gaan. Ophangen In het contextmenu: vink " Micro OFF " aan om de microfoon uit te schakelen. vink " Micro OFF " uit om de microfoon weer in te schakelen. Selecteer in het contextmenu " Gespr. beëindigen " om het gesprek te beëindigen. U kunt ook een van deze toetsen even ingedrukt houden om het gesprek te beëindigen.
05 Telefoneren Doorschakelfunctie (om de auto te kunnen verlaten zonder het gesprek te onderbreken) In het contextmenu: vink " Doorschakelfunctie " aan om het gesprek via de telefoon voort te zetten. vink " Doorschakelfunctie " uit om het gesprek via de auto voort te zetten. Spraakserver Selecteer in het contextmenu " DTMFtonen " en bevestig uw keuze om het digitale toetsenbord te kunnen gebruiken om door het menu van de interactieve spraakserver te surfen.
05 Telefoneren Contactenlijst De contactenlijst van de telefoon wordt, als de telefoon compatibel is, naar de audio-installatie in de auto gestuurd. De contactenlijst is tijdelijk en de kwaliteit is afhankelijk van de Bleutooth-verbinding. Alle contacten die van de telefoon zijn geïmporteerd, worden in een permanent, vrij toegankelijk geheugen opgeslagen, ongeacht welke telefoon er is aangesloten.
06 Audio-instellingen Display C De verdeling (of de ruimtelijke verdeling dankzij het Arkamys©-systeem) van het geluid is een audio-instelling die zorgt voor een optimale geluidsweergave afgestemd op het aantal inzittenden in de auto. De audio-instellingen Klankkleur, Hoge tonen en Bass zijn andere instellingen, die u voor elke geluidsbron apart kunt verrichten. Druk op ¯ om het menu met de audio-instellingen op te vragen.
07 Menustructuur/menustructuren display(s) Display C BASISFUNCTIE Keuze A 1 2 3 1 3 Keuze A1 3 Keuze A11 3 Keuze B...
07 Menustructuur/menustructuren display(s) PERSOONLIJKE INSTELLING CONFIGURATIE 1 Parameters van auto definiëren 2 3 2 3 2 3 Hulp bij het rijden Parkeerhulp Verlichting Dagrijverlichting Comfortverlichting Follow me home-verlichting 1 Taalkeuze 1 Configuratie display 2 2 2 2 202 Keuze van eenheden Datum en tijd instellen Instellingen display Lichtsterkte
Veelgestelde vragen In de volgende tabellen vindt u een antwoord op veelgestelde vragen. VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de verschillende geluidsbronnen (radio, CD...). Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, klankkleur, loudness) voor elke geluidsbron afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere geluidsbron (radio, CD...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn.
Veelgestelde vragen VRAAG Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. ANTWOORD OPLOSSING De ontvangstkwaliteit van de beluisterde radiozender neemt geleidelijk af of de voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt.
Veelgestelde vragen VRAAG ANTWOORD OPLOSSING De CD wordt steeds uitgeworpen of kan niet worden afgespeeld door de CD-speler. De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen, bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de autoradio gelezen kunnen worden. De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de autoradio wordt herkend. - Controleer of de CD met de juiste zijde boven in de speler is geplaatst.
Veelgestelde vragen VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Op het display wordt de melding "Storing USB-randapparatuur" of "Randapparatuur niet herkend" weergegeven. De USB-stick wordt niet herkend. De stick is misschien defect. Formateer de stick opnieuw (FAT 32). Een telefoon wordt automatisch aangesloten als een verbinding met een andere telefoon wordt verbroken. Automatisch verbinding maken heeft voorrang op handmatig verbinding maken.
Veelgestelde vragen VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Na het afzetten van de motor wordt de radio na enkele minuten automatisch uitgeschakeld. Als de motor is afgezet, blijft de radio nog werken zolang de laadtoestand van de accu dat toestaat. Het automatisch uitschakelen duidt erop dat de eco-modus van de autoradio is geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto ontladen raakt. Start de motor om de accu op te laden. De melding "het audiosysteem is oververhit" verschijnt op het display.
208
Autoradio INHOUDSOPGAVE Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto. Als de motor is afgezet schakelt het systeem zichzelf, na het inschakelen van de eco-mode, uit om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. 01 Basisfuncties blz. 210 02 Audio blz. 211 03 Audio-instellingen blz. 219 04 Menustructuur display(s) blz. 220 Veelgestelde vragen blz.
01 Basisfuncties Selecteren van de geluidsbron: FM1, FM2, AM, CD, AUX. Aan/uit en volumeregeling. 210 Instellen van de geluidsweergave: klankkleur, hoge tonen, bassen, loudness, geluidsverdeling links/rechts, voor/achter, automatische volumeregeling. Weergave van de lijst met radiozenders, de nummers van de CD of de MP3-afspeellijsten. Lang indrukken : updaten van de lijst met radiozenders. Annuleren van de bewerking. Terugkeren naar het vorige item (menu of afspeellijst).
02 Audio Radio Selecteren van een zender Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. Druk herhaalde malen op SRC/BAND en selecteer het golfbereik FM1, FM2 of AM. Druk op LIST om de lijst met opgeslagen zenders in alfabetische volgorde weer te geven.
02 Audio 212 RDS Verkeersinformatie beluisteren Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar de sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven luisteren. Sommige RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen omdat de frequenties van de zender niet het hele land dekken. Dit verklaart dat de zender tijdens het rijden kan wegvallen. De functie TA (Traffic Announcement) geeft voorrang aan het luisteren naar verkeersberichten TA.
02 Audio Tekstberichten weergeven Audio CD Een CD beluisteren Tekstberichten worden door een radiozender meegestuurd en hebben betrekking op het radiostation of de muziek waar naar geluisterd wordt. Gebruik alleen CD's met een ronde vorm en een diameter van 12 cm. Bepaalde beveiligingssystemen op de originele CD of zelfgebrande CD's kunnen storingen veroorzaken, ongeacht de kwaliteit van de CD-speler. Plaats zonder op de toets EJECT te drukken, een CD in de CDspeler, deze zal de CD automatisch afspelen.
02 Audio CD Informatie en tips De autoradio speelt uitsluitend bestanden met de extensie ".mp3", ".wma", ".wav". Als de bestanden sterk zijn gecomprimeerd, kan dat een nadelige invloed hebben op de geluidskwaliteit. Geadviseerd wordt om voor bestandsnamen maximaal 20 karakters te gebruiken en verwijder speciale tekens (bijv. : " ? ; ù) om problemen met het afspelen of de weergave te voorkomen. De geaccepteerde afspeellijsten moeten van het type .m3u en .pls zijn.
02 Audio CD Een MP3-CD afspelen Plaats een MP3-CD in de speler. Het systeem leest alle afspeellijsten en slaat ze op in het tijdelijke geheugen; dit kan enkele seconden tot enkele minuten duren. Als er al een CD in het apparaat zit die u wilt beluisteren, druk dan een paar keer op SRC/BAND totdat "CD" wordt weergegeven. Druk op een van de toetsen om het vorige of volgende nummer te selecteren. Druk op een van de toetsen om de vorige of volgende afspeellijst te selecteren.
02 Audio Druk op LIST om de menustructuur van de mappen weer te geven. Selecteer een map /Playlist. Start het afspelen van het gekozen nummer. Selecteer een regel uit de lijst. Omhoog in de menustructuur. Een pagina overslaan. 216 Ga terug naar de eerste map om de indeling te kiezen: - Op Mappen : alle mappen met audio-bestanden worden in een algemeen overzicht en alfabetisch geordend weergegeven, zonder dat daarbij rekening is gehouden met de mappenstructuur.
02 Audio AUX-ingang (AUX) JACK-aansluiting De Jack AUX-aansluiting is bedoeld om een extern apparaat aan te sluiten. Sluit het externe apparaat met behulp van een adapterkabel (niet meegeleverd) op de Jack-aansluiting aan. Druk herhaalde malen op SRC/BAND totdat "AUX" wordt weergegeven. Stel eerst het geluidsvolume op het externe apparaat in. Stel dan het geluidsvolume van de autoradio van de auto in. De weergave van de informatie en de bediening gebeurt via het externe apparaat.
02 Audio Afspeelmethode Er zijn verschillende afspeelmethodes: - Normaal: de tracks worden in de normale volgorde volgens de afspeellijst afgespeeld. - Random: de tracks van een album of een map worden in een willekeurige volgorde afgespeeld. Alle random: alle tracks van alle mediaspelers worden in een willekeurige volgorde afgespeeld. Herhaling: alleen de tracks van dit album of deze map worden afgespeeld. Druk op MENU. Selecteer "Media" en bevestig door op OK te drukken.
03 Audio-instellingen Druk op ¯ om het menu met de audioinstellingen op te vragen. De volgende instellingen zijn mogelijk: AMBIANCE, - BASS, - TREBLE, LOUDNESS, - BALANCE, AUTOMATISCHE VOLUMEREGELING. Wijzig de instelling en bevestig door op OK te drukken. De audio-instellingen BASS, TREBLE en AMBIANCE kunt u voor elke geluidsbron apart instellen. Kies de te wijzigen instelling.
04 Menustructuur/menustructuren display(s) BASISFUNCTIE Keuze A 1 Radio 1 Keuze A1 2 2 3 1 MENU Keuze A11 2 Keuze B...
Veelgestelde vragen In de volgende tabellen vindt u een antwoord op veelgestelde vragen. VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de verschillende geluidsbronnen (radio, CD...). Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, klankkleur, loudness) voor elke geluidsbron afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere geluidsbron (radio, CD...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn.
Veelgestelde vragen VRAAG ANTWOORD OPLOSSING De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt. Activeer de functie RDS om het systeem te laten controleren of er een sterkere zender in het gebied aanwezig is. De omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.) veroorzaakt storingen in de ontvangst, ook als de RDS-functie is ingeschakeld.
Veelgestelde vragen VRAAG ANTWOORD OPLOSSING De CD wordt steeds uitgeworpen of kan niet worden afgespeeld door de CD-speler. De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen, bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de autoradio gelezen kunnen worden. De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de autoradio wordt herkend. - Controleer of de CD met de juiste zijde boven in de speler is geplaatst.
Zoeken op afbeelding Exterieur Sleutel met afstandsbediening - openen/sluiten - diefstalbeveiliging - starten - batterij 30-33 Ruitenwissers Ruitenwisserbladen vervangen Lichtschakelaar Dagrijverlichting Koplampverstelling Lampen vervangen - koplampen - mistlampen vóór - zijknipperlichten Slepen Sneeuwscherm(en) 87-88 151 81-85 85 86 136-139 Accessoires Bagageruimte - openen/sluiten - noodbediening Bandenreparatieset Portieren - openen/sluiten - centrale vergrendeling - noodbediening Alarmsysteem Ru
Zoeken op afbeelding Interieur Voorstoelen Indeling bagageruimte - verlichting - opbergbak 40-41 58-59 Airbags Achterzitplaatsen Kinderzitjes ISOFIX-kinderzitjes Mechanisch kinderslot 99-102 42 55-57 Indeling interieur - zonneklep - dashboardkastje - armsteun vóór - USB-aansluiting / Jack-aansluiting - 12V-accessoireaansluiting / aansteker Uitschakeling passagiersairbag 100 103-111 112-116 117 Veiligheidsgordels 96-98 .
Zoeken op afbeelding Cockpit Plafonniers Binnenspiegel Monochroom display C (Autoradio / Bluetooth) Zekeringen dashboard 89 44 Alarmknipperlichten Vergrendelen/ontgrendelen vanuit het interieur 142-145 162 Autoradio / Bluetooth 177-208 Autoradio 209-224 Ruitbediening, blokkering 39 Parkeerrem 64 23 Verwarming, ventilatie 46-48 Handbediende airconditioning (zonder display) 48-49 Elektronische airconditioning (met display) 50-52 Ontwasemen / ontdooien vóór 53 Ontwasemen / ontdooien achterruit
Zoeken op afbeelding Cockpit (vervolg) Lichtschakelaar Richtingaanwijzers 81-85 90 Instrumentenpaneel Verklikkerlampjes Onderhoudsindicator Schakelindicator Kilometerteller en dagtellers 10 11-19 20-21 74 22 Ruitenwisserschakelaar Boordcomputer 87-88 24-25 ESP-/ASR-systeem, uitschakelen 95 Kofferdeksel openen (volgens 37 uitvoering) Alarmsysteem, verklikkerlampje 34-35 Claxon Koplampen in hoogte verstellen 86 Snelheidsbegrenzer Snelheidsregelaar Buitenspiegels verstellen 90 75-76 77-78 43-44 St
Zoeken op afbeelding Onderhoud - Gegevens Brandstoftank leeg (diesel) 121 Niveaus controleren 165-168 - olie - remvloeistof - koelvloeistof - ruitensproeiervloeistof - brandstofadditief (diesel met roetfilter) Controle van onderdelen 169-170 - accu - luchtfilter / interieurfilter - oliefilter - roetfilter (diesel) - remblokken / remschijven Lampen vervangen - voor - achter Zekeringen motorruimte 147-149 149, 150 142-143, 146 Gewichten (benzine) Gewichten (diesel) 172 174 Identificatie Afmetingen
Trefwoordenregister A Aanhanger.....................................................154 Aanhangergewichten............................. 172, 174 Aansluiting 12V................................................57 Aansteker.........................................................57 ABS met elektronische remdrukregelaar........94 Accessoires...................................................157 Accu................................................ 147-149, 169 Accu laden.........................................
Trefwoordenregister E Eco-modus.....................................................150 Eco-rijden (adviezen).........................................8 Electronic Brake Force Distribution (EBD).........94 Elektronisch gestuurde versnellingsbak..............................66, 149, 170 ESP/ASR..........................................................95 ESP: Elektronisch stabiliteitsprogramma........95 F Follow-me-home-verlichting............................85 Functie snelweg (richtingaanwijzers)...........
Trefwoordenregister M Make-upspiegel...............................................56 Matten............................................................159 Mat verwijderen.............................................159 Menustructuren display.................201, 202, 220 Milieu............................................................8, 33 Milieubewust rijden............................................8 Mistachterlicht..........................................83, 140 Mistlampen vóór.....................
Trefwoordenregister U Sneeuwscherm..............................................156 Sneeuwschermen..........................................156 Snelheidsbegrenzer.........................................75 Snelheidsregelaar............................................77 Spaarfase.......................................................149 Startblokkering, elektronische...................33, 61 Starten...........................................................148 Starten van de auto............................
. 233
Dit boekje behandelt alle beschikbare uitrustingen van dit model. Uw auto is, afhankelijk van het uitrustingsniveau, de uitvoering en de specifieke kenmerken voor het land waarvoor de auto bestemd is, slechts van een deel van de in dit boekje vermelde uitrustingen voorzien. Aansprakelijkheid voor de gegeven beschrijvingen en illustraties wordt niet aanvaard.
14ELY.
Technische gegevens Benzinemotoren Motoren Versnellingsbak Type Variant Uitvoering: DD... Cilinderinhoud (cm3) Boring x slag (mm) Max.vermogen: ECE-norm (kW)* Toerental bij max.vermogen (t/min) Max.koppel: ECE-norm (Nm) Toerental bij max.
Technische gegevens Dieselmotoren Motor Versnellingsbak Type Variant Uitvoering: DD... HDi 92 BlueHDi 100 Handgeschakeld (5 versnellingen) Handgeschakeld (5 versnellingen) 9HJC Cilinderinhoud (cm3) Boring x slag (mm) Max.vermogen: ECE-norm (kW)* Toerental bij max.vermogen (t/min) 9HP0 BHY6 1560 1560 75 x 88 75 x 88,3 68 73 4000 3750 Max.koppel: ECE-norm (Nm) 230 254 Toerental bij max.
Technische gegevens Gewichten (diesel) (kg) Motor Versnellingsbak Type Variant Uitvoering : DD... HDi 92 BlueHDi 100 Handgeschakeld (5 versnellingen) Handgeschakeld (5 versnellingen) 9HJC 9HP0 BHY6 - Ledig gewicht 1 090 1090 - Gewicht rijklaar* 1 165 1165 - Maximaal technisch toegestane massa totaal 1 549 1 548 1585 - Maximaal toegestaan treingewicht helling max. 12% 2 299 2 298 2335 - Aanhanger geremd (binnen max. toegestaan treingewicht) helling max.
Controle tijdens het rijden 1 Instrumentenpaneel benzine - diesel Klokken 1. 2. 3. Toerenteller (x 1000 t/min). Display. Snelheidsmeter (km/h). Display 4. Informatie over het onderhoud Nulstelling van de geselecteerde functie (dagteller of onderhoudsindicator) Tijd instellen. A. Informatie elektronisch gestuurde versnellingsbak of automatische transmissie. Schakelindicator. B. Tijd. C. Actieradius in combinatie met de brandstof of het additief AdBlue en het SCR-systeem (km) of Dagteller. D.
Controle tijdens het rijden Controlelampje Additief AdBlue ® (BlueHDidieselmotor) + 2 Status Oorzaak Acties / Opmerkingen permanent zodra het contact is aangezet, in combinatie met een geluidssignaal en een melding van het aantal kilometers dat u nog kunt rijden. De actieradius ligt tussen de 600 en 2400 km. Laat het AdBlue ® -reservoir snel bijvullen: neem contact op met het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats of vul zelf het reservoir bij.
Controle tijdens het rijden Controlelampje + + SCRemissieregelsysteem (BlueHDidieselmotor) Status Oorzaak Acties / Opmerkingen permanent zodra het contact is aangezet, in combinatie met het branden van het verklikkerlampje SERVICE en het verklikkerlampje zelfdiagnose motor, een geluidssignaal en een melding. Er is een storing in het SCRemissieregelsysteem. Deze waarschuwing verdwijnt zodra de uitstoot van uitlaatgassen weer aan de normen voldoet.
Controle tijdens het rijden Controlelampje Stop & Start Voet op het koppelingspedaal 4 Status Oorzaak Acties / Opmerkingen permanent. Het Stop & Start-systeem heeft de motor in de STOP-stand gezet (verkeerslicht, stopbord, opstopping, enz.). Het lampje gaat uit en de motor wordt automatisch gestart als u wilt wegrijden. knippert enkele seconden en gaat dan uit. De STOP-stand is nu niet beschikbaar. of De motor wordt automatisch in de START-stand gezet.
Controle tijdens het rijden Onderhoudsindicator De afstand tot de eerstvolgende beurt is meer dan 3000 km De afstand tot de eerstvolgende beurt is minder dan 1000 km Als het contact wordt aangezet, verschijnt er geen onderhoudsinformatie op het display. Voorbeeld: de afstand tot de eerstvolgende onderhoudsbeurt bedraagt 900 km.
Controle tijdens het rijden De afstand tot de eerstvolgende beurt is overschreden Als het contact wordt aangezet, gaat gedurende 5 seconden de sleutel knipperen om aan te geven dat de onderhoudswerkzaamheden zo spoedig mogelijk uitgevoerd moeten worden. Voorbeeld: u hebt de afstand tot de eerstvolgende onderhoudsbeurt met 300 km overschreden.
Rijden Stop & Start-systeem Het Stop & Start-systeem zet de motor tijdelijk af (STOP-stand) als u stopt (bij rood licht, opstoppingen enz.). De motor wordt automatisch gestart (START-stand) als u weer weg wilt rijden. Het starten gebeurt direct, snel en stil. Het Stop&Start-systeem is perfect afgestemd op stadsgebruik en zorgt voor een lager brandstofverbruik, minder uitstoot van schadelijke stoffen en een aangename rust in het interieur tijdens het wachten.
Rijden Uitschakelen Overgang naar de START-stand Het controlelampje "ECO" gaat uit en de motor wordt automatisch gestart bij een elektronisch gestuurde versnellingsbak: - - met de selectiehendel in de stand A of M, wanneer u het rempedaal loslaat, met de selectiehendel in de stand N en het rempedaal niet ingetrapt, wanneer u de selectiehendel in de stand A of M zet, of wanneer u de achteruitversnelling inschakelt.
Rijden Inschakelen Storingen Druk nogmaals op de schakelaar "ECO OFF". Het systeem is dan weer ingeschakeld; het controlelampje in de schakelaar gaat uit en er wordt een melding op het display weergegeven. Onderhoud Schakel omwille van de veiligheid het Stop & Start-systeem altijd uit als u handelingen onder de motorkap wilt uitvoeren. Het systeem wordt automatisch ingeschakeld zodra u het contact opnieuw aanzet.
Veiligheid Bandenspanningscontrolesysteem Dit systeem controleert automatisch de bandenspanning tijdens het rijden. Het systeem bewaakt de spanning van de vier banden zodra de auto begint te rijden. Het systeem vergelijkt de signalen van de snelheidssensoren van de wielen met de referentiewaarden die elke keer nadat de banden op spanning zijn gebracht of na het verwisselen van een wiel moeten worden gereset.
Veiligheid Waarschuwing te lage bandenspanning U krijgt deze waarschuwing als dit lampje blijft branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding. ) Verminder onmiddellijk uw snelheid en vermijd plotselinge stuurbewegingen en krachtig remmen. ) Stop zodra dit mogelijk is op een veilige plaats. Een te lage bandenspanning is niet altijd aan de band te zien. Een visuele controle is dus niet voldoende.
Veiligheid Het resetten van het systeem moet gebeuren bij afgezet contact en stilstaande auto: via het configuratiemenu van de auto bij auto's met display, met de knop in het dashboardkastje bij auto's zonder display. Monochroom display C ) Druk op de toets MENU om het algemene menu te openen. ) Druk op de toets " " of " " om het menu " Persoonlijke instellingen configuratie", te selecteren en bevestig uw keuze door op de middelste toets te drukken.
Veiligheid Storing Het bandenspanningscontrolesysteem werkt alleen betrouwbaar als bij het resetten van het systeem de vier banden de correcte spanning hebben. Sneeuwkettingen Het systeem hoeft niet gereset te worden na het aanbrengen of verwijderen van sneeuwkettingen. Als het waarschuwingslampje te lage bandenspanning gaat knipperen en vervolgens blijft branden in combinatie met het lampje Service, wijst dit op een storing in het systeem.
Praktische informatie Brandstoftank leeg (diesel) Bij auto's met HDi-motor is het in het geval van een lege brandstoftank noodzakelijk om het brandstofsysteem te ontluchten: raadpleeg de afbeelding van de motorruimte in de rubriek "Dieselmotor". Als de tank van uw auto is voorzien van een tankbeveiliging, raadpleeg dan de desbetreffende rubriek. Als de motor niet direct aanslaat, beëindig dan uw startpoging en herhaal de procedure.
Onderhoud Additief AdBlue® en SCR-systeem voor BlueHDi-dieselmotoren Om het milieu zo min mogelijk te belasten en om aan de nieuwe Euro 6-norm te voldoen, heeft CITROËN ervoor gekozen zijn auto's met dieselmotor te voorzien van een systeem waarbij het roetfilter (FAP) wordt gecombineerd met een SCR-systeem (Selective Catalytic Reduction) voor de behandeling van de uitlaatgassen zonder dat de prestaties veranderen of het brandstofverbruik toeneemt.
Onderhoud Actieradiusindicatoren Zodra de reservevoorraad van het AdBlue ® reservoir is aangesproken of een storing in het SCR-systeem is gesignaleerd, verschijnt bij het aanzetten van het contact een indicator die aangeeft hoeveel kilometer u nog ongeveer kunt rijden voordat het opnieuw starten van de motor automatisch wordt geblokkeerd. Als gelijktijdig een storing wordt gesignaleerd en het AdBlue ® -niveau laag is, wordt de laagste actieradius weergegeven.
Onderhoud Actieradius tussen 0 en 600 km Zodra het contact wordt aangezet, gaat het verklikkerlampje SERVICE branden en knippert het verklikkerlampje UREA in combinatie met een geluidssignaal en de tijdelijk op het instrumentenpaneel weergegeven melding "NO START IN" en een afstand die aangeeft hoeveel kilometer of mijl u nog kunt rijden met de resterende hoeveelheid additief voordat het starten van de motor wordt geblokkeerd - (bijv.
Onderhoud Als een storing in het SCR-systeem wordt gedetecteerd Er wordt automatisch een startblokkeringssysteem geactiveerd als meer dan 1100 km is gereden nadat een storing in het SCR-systeem is bevestigd. Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Onderhoud Bijvullen van het additief AdBlue® Het AdBlue ® -reservoir moet bij elke periodieke onderhoudscontrole worden gevuld door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Vanwege de inhoud van het reservoir kan het echter noodzakelijk zijn om het reservoir tussentijds bij te vullen, zeker als u hier door een waarschuwing (verklikkerlampjes en melding) op wordt geattendeerd. Dit kunt u laten uitvoeren door het CITROËNnetwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Onderhoud Voorschriften voor opslag Procedure voor bijvullen AdBlue ® bevriest bij temperaturen lager dan ongeveer -11°C en verliest zijn kwaliteit bij temperaturen vanaf 25°C. Het is raadzaam de flacons koel en buiten direct zonlicht te bewaren. Onder deze omstandigheden is het additief ten minste één jaar houdbaar. Additief dat bevroren is geweest, kan weer worden gebruikt nadat het bij kamertemperatuur volledig is ontdooid.
Onderhoud ) Veeg nadat u de flacon leeg hebt gegoten met behulp van een vochtige doek eventuele vloeistofsporen van de rand van de vulopening van het reservoir. ) Pak een flacon AdBlue ®. Controleer de houdbaarheidsdatum en lees vervolgens aandachtig de gebruiksaanwijzing op het etiket voordat u de inhoud van de flacon in het AdBlue ® -reservoir van uw auto giet.
Technische gegevens Gewichten (benzine) (kg) Motoren Versnellingsbak Type Variant Uitvoering: DD...
Audio en telematica Autoradio / Bluetooth® met geïntegreerd display Inhoudsopgave Basisfuncties 5 Stuurkolomschakelaars 6 Radio 7 Media 9 Telefoon 13 Audio-instellingen 16 Configuratie 17 Menustructuur/menustructuren display(s) 18 Veelgestelde vragen 19 Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto.
Audio en telematica Basisfuncties Aan/uit, volumeregeling. Selecteren van de geluidsbron: - Lang indrukken: -toegang tot het logboek gesprekken van de gekoppelde telefoon. -of beëindigen van het telefoongesprek. Radio: FM1, FM2, AM, CD, USB, AUX, Streaming. Telefoon: een binnenkomend gesprek aannemen. Telefoon, ingedrukt houden: beëindigen van het telefoongesprek, toegang tot het gesprekkenlogboek van de gekoppelde telefoon.
Audio en telematica Stuurkolomschakelaars Radio: selecteren van de vorige/ volgende voorkeuzezender. CD/USB : selecteren van het genre/ de artiest/de index/de map in het overzicht van de mappenstructuur. Selecteren van het vorige/volgende onderdeel van een menu. Radio: automatisch zoeken naar zenders in aflopende volgorde. CD/MP3/USB: selecteren van het vorige nummer. CD/USB: ingedrukt houden: versneld terugspoelen. Radio: automatisch zoeken naar zenders in oplopende volgorde.
Audio en telematica Radio Opslaan van een radiozender LIST-functie Druk een paar keer achter elkaar op SRC/TEL om het golfbereik FM1, FM2 of AM te selecteren. Druk op LIST voor een overzicht van de opgeslagen zenders in alfabetische volgorde. Houd de gewenste toets ingedrukt om de zender waarnaar u luistert onder deze toets op te slaan. De naam van de zender wordt weergegeven en er klinkt een geluidssignaal om te bevestigen dat de zender is opgeslagen.
Audio en telematica RDS Verkeersinformatie beluisteren Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar de sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven luisteren. Sommige RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen, omdat de frequenties van de zender niet het hele land dekken. Dit verklaart dat de zender tijdens het rijden kan wegvallen. Druk op MENU als de geluidsbron FM1 of FM2 is geselecteerd.
Audio en telematica Media USB-speler Druk op LIST om de menustructuur van de bestanden weer te geven. Deze module bestaat uit een USB- en een Jack-aansluiting (volgens uitvoering). Selecteer een regel uit de lijst. Bevestig met "OK ". Het systeem stelt afspeellijsten samen (tijdelijk geheugen), wat bij de eerste aansluiting enkele seconden tot enkele minuten kan duren.
Audio en telematica AUX-aansluiting CD-speler Plaats een CD in de speler; deze zal de CD automatisch afspelen. Plaats een CD met een MP3-afspeellijst in de CD-speler. Het kan maximaal enkele tientallen seconden duren tot de autoradio alle nummers van de afspeellijst heeft gevonden en begint met afspelen. Sluit het externe apparaat (MP3-speler, enz.) met een audiokabel (niet bijgeleverd) aan op de Jack-aansluiting. Druk een paar keer op SRC/TEL om "AUX " te selecteren.
Audio en telematica Informatie en tips De autoradio speelt via een CD uitsluitend bestanden met de extensie ".mp3", ".wma", ".wav" af en via een USB-stick bestanden met de extensie".ogg". Het is raadzaam de bestandsnamen niet langer te maken dan 20 karakters en geen speciale karakters te gebruiken (bijv.: ", ?, ù) om problemen bij het afspelen of weergeven te voorkomen. Selecteer voor het branden van een CD-R of CD-RW de standaard ISO 9660 niveau 1, 2 of bij voorkeur Joliet om deze te kunnen afspelen.
Audio en telematica Bluetooth® streaming audio Met streaming audio kunt u muziekbestanden op uw telefoon via de luidsprekers van de audio-installatie in de auto beluisteren. Maak een verbinding met de telefoon: zie de rubriek " Telefoon". Selecteer de telefoon die u wilt gebruiken in het menu " Bluetooth : Audio". Het audiosysteem wordt automatisch verbonden met de zojuist gekoppelde telefoon. Aansluiten van Apple®-spelers Kies Streaming-audio als geluidsbron door op de toets SRC/TEL te drukken*.
Audio en telematica Telefoon Een Bluetooth® -telefoon koppelen Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan het Bluetooth-systeem van uw autoradio mag om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze handeling volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto en met aangezet contact. Ga naar de site van het merk voor meer informatie (compatibiliteit, extra hulp…). Activeer de Bluetooth-functie van uw telefoon.
Audio en telematica Verbindingen beheren Druk op de toets MENU. Bellen Selecteer of deselecteer: "Tel.": Bluetooth-verbinding. "Audio": afspelen audiobestanden. Vanuit het adresboek Druk op de toets MENU. Selecteer "Bluetooth". Selecteer "Verbindingen beheren" en bevestig uw keuze. Er verschijnt nu een lijst van de gekoppelde telefoons. Geeft aan dat er een geschikte verbinding voor Streaming-audio is. Geeft aan dat er een geschikte verbinding voor een handsfree telefoon is.
Audio en telematica Bellen Een gesprek aannemen Laatst gekozen nummers* Houd de toets SRC/TEL ingedrukt tot de lijst met gesprekken verschijnt. Druk op een van deze toetsen om de vorige of volgende pagina van de lijst weer te geven. Als u gebeld wordt, klinkt een beltoon en verschijnt een pop-upvenster op het display. Druk op SRC/TEL . U kunt ook op MENU drukken, vervolgens "Telefoon" selecteren, dan "Bellen" en ten slotte "Oproep info" voor een overzicht van de gesprekken.
Audio en telematica Audio-instellingen Gesprekken beheren Ophangen Selecteer in het contextmenu " Ophangen " om het gesprek te beëindigen. U kunt ook de toets SRC/TEL even ingedrukt houden om het gesprek te beëindigen. Privégesprek Doorschakelfunctie (om de auto te kunnen verlaten zonder het gesprek te onderbreken) In het contextmenu: Selecteer " Doorschakelfunctie " om het gesprek via de telefoon voort te zetten. Selecteer " Doorschakelfunctie " nogmaals om het gesprek via de auto voort te zetten.
Audio en telematica Configuratie Weergave en taal instellen Druk op de toets MENU. Selecteer "Instelling". Selecteer "Weergave" om het scrollen door de tekst in- of uit te schakelen. Selecteer "Taal" om de taal te wijzigen. Selecteer "Versie" om informatie over de software op te vragen. Selecteer "Systeem" om het systeem te updaten. Raadpleeg het netwerk van het merk voor meer informatie. Selecteer "Eenheid" om de temperatuureenheid te wijzigen (Celcius, Fahrenheit). .
Audio en telematica Menustructuur/menustructuren display(s) MENU Telefoon Radio 1 1 2 2 2 2 TA 2 RDS Bellen Directory 3 TXT Oproep info 3 Invoer freq.
Audio en telematica Veelgestelde vragen In de volgende tabellen vindt u een antwoord op veelgestelde vragen. VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de verschillende geluidsbronnen (radio, CD...). Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, klankkleur, loudness) voor elke geluidsbron afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere geluidsbron (radio, CD...
Audio en telematica VRAAG OPLOSSING De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt. Activeer de functie RDS om het systeem te laten controleren of er een sterkere zender in het gebied aanwezig is. De omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.) veroorzaakt storingen in de ontvangst, ook als de RDS-functie is ingeschakeld.
Audio en telematica VRAAG De CD wordt steeds uitgeworpen of kan niet worden afgespeeld door de CD-speler. ANTWOORD De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen, bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de autoradio gelezen kunnen worden. De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de autoradio wordt herkend. OPLOSSING - De CD-speler levert een slechte geluidskwaliteit.
Audio en telematica VRAAG 22 ANTWOORD OPLOSSING De iPod wordt bij het aansluiten op de USBaansluiting niet herkend. De iPod is niet compatibel met de USB-aansluiting. De harde schijf of andere randapparatuur wordt bij het aansluiten op de USBaansluiting niet herkend. Sommige schijven en randapparatuur hebben meer stroom nodig dan de voeding die de radio levert. Sluit de randapparatuur op het 230 Vstopcontact, de 12 V-aansluiting of een externe voedingsbron aan.
Rijden Parkeerhulp achter Onderstaande informatie heeft betrekking op de aanwezigheid van de autoradio / Bluetooth ® met geïntegreerd scherm in de auto. Storing Deze functie signaleert met behulp van sensoren in de bumper obstakels in de nabijheid van de auto (personen, auto's, bomen, slagbomen, enz.) die binnen het detectiebereik vallen. Bepaalde obstakels (paaltjes, pionnen, enz.