Operation Manual

146 Rijden en bediening
Alarm en detectieafstand Alarmge‐
luid
1e alarm
ongeveer 0,8~1,5 m
vanaf de achterbumper
--piep,
piep-
2e alarm
ongeveer binnen 80 cm
vanaf de achterbumper
--piep
piep piep
piep
3e alarm
ongeveer 20~40 cm vanaf
de achterbumper
Alarm
blijft aan
Voorzichtig
Het parkeerhulpsysteem mag al‐
leen als een aanvullende functie
worden gezien. De bestuurder
moet achteruit kijken.
Het hoorbare waarschuwingssig‐
naal kan verschillen afhankelijk
van de voorwerpen.
Het hoorbare waarschuwingssig‐
naal wordt niet geactiveerd wan‐
neer de sensor bevroren of ver‐
vuild is met vuil of modder.
Duw niet tegen de buitenkant van
de sensor en bekras deze niet.
Hierdoor wordt waarschijnlijk de
afdekking beschadigd.
Het is mogelijk dat het parkeer‐
hulpsysteem gestoord wordt wan‐
neer op oneffen ondergrond wor‐
den gereden, zoals in bossen, op
gravelwegen, slecht wegdekken
of hellingen.
Het parkeerhulpsysteem herkent
mogelijk geen scherpe objecten,
dikke winterkleding of andere
dikke en zachte materialen die de
frequentie kunnen absorberen.
Voorzichtig
Wanneer andere ultrasone gelui‐
den worden ontvangen (metaal‐
geluiden of luchtremgeluiden van
zware bedrijfsvoertuigen) kan het
parkeerhulpsysteem niet correct
functioneren.
Reinig vervuilde sensoren met
een zachte spons en schoon wa‐
ter.
Dergelijke objecten worden niet
waargenomen door het systeem
op zeer korte afstand (circa 25 cm)
en afstanden binnen circa 1 m.
U moet gebruik blijven maken van
de spiegels of om blijven kijken.
De normale voorzorgsmaatrege‐
len bij het achteruit rijden moeten
ook worden aangehouden. De
sensoren niet indrukken of stoten
door erop te slaan of deze tijdens
het wassen af te spuiten met een
hogedrukspuit, omdat ze hierdoor
beschadigd raken.
Voorzichtig
Het bovenste deel van de auto kan
geraakt worden voordat de sensor
in werking treedt. Gebruik dus al‐
tijd de achteruitkijkspiegel of kijk
achterom tijdens het parkeren.
Het parkeerhulpsysteem zal cor‐
rect functioneren op verticale,
vlakke ondergronden.