Inhoud Inleiding ......................................... 2 Kort en bondig ............................... 6 Sleutels, portieren en ruiten ......... 20 Stoelen, veiligheidssystemen ...... 32 Opbergen ..................................... 53 Instrumenten en bedieningsorganen ...................... 60 Verlichting .................................... 77 Infotainmentsysteem .................... 82 Klimaatregeling .......................... 123 Rijden en bediening ...................
Inleiding Inleiding
Inleiding Inleiding Uw auto is de intelligente combinatie van vernieuwende techniek, overtui‐ gende veiligheid, milieuvriendelijk‐ heid en zuinigheid. In deze gebruikershandleiding vindt u alle informatie die u nodig hebt om uw auto veilig en efficiënt te kunnen be‐ dienen. Zorg ervoor dat uw passagiers ervan op de hoogte zijn dat onjuist gebruik van de auto een ongeval tot gevolg kan hebben en dat er risico bestaat van persoonlijk letsel.
Inleiding 9 Waarschuwing Teksten met de vermelding 9 Waarschuwing wijzen op een mogelijk gevaar voor ongelukken of verwondingen. Het niet naleven van deze richtlijnen kan tot ver‐ wondingen leiden. Voorzichtig Teksten met de vermelding Voorzichtig wijzen erop dat de auto mogelijk beschadigd kan ra‐ ken. Het niet naleven van deze richtlijnen kan tot beschadiging van de auto leiden.
Inleiding 5
Kort en bondig Kort en bondig Auto ontgrendelen Stoelverstelling Handzender Zitpositie Toets c indrukken. Ontgrendelt alle deuren. De alarm‐ knipperlichten knipperen twee keer. Handzender 3 20, centrale vergren‐ deling 3 22. Aan handgreep trekken, stoel ver‐ schuiven, handgreep loslaten. Stoelpositie 3 33, stoelverstelling 3 34.
Kort en bondig 7 Rugleuning voorstoelen Zithoogte Hoofdsteunverstelling Aan de hendel trekken, de rugleuning instellen en de hendel loslaten. De stoel hoorbaar laten vastklikken. Stoelpositie 3 33, stoelverstelling 3 34. Draai aan het handwiel aan de bui‐ tenkant van het stoelkussen tot het stoelkussen in de gewenste stand is versteld. Stoelpositie 3 33, stoelverstelling 3 34. Hoofdsteun omhoog trekken. Voor lager zetten de pal indrukken en de hoofdsteun omlaagduwen. Hoofdsteunen 3 32.
Kort en bondig Veiligheidsgordel Spiegelverstelling Buitenspiegels Binnenspiegel Gordel uit de oprolautomaat trekken, zonder te verdraaien voor u langs ha‐ len en de gesp in het slot vastklikken. Heupgordel tijdens het rijden van tijd tot tijd strak trekken door aan de schoudergordel te trekken. Stoelpositie 3 33, veiligheidsgor‐ dels 3 35, airbagsysteem 3 39. Om verblinding te verminderen, aan de hendel aan de onderkant van de spiegelbehuizing trekken. Binnenspiegel 3 28.
Kort en bondig Stuurwiel instellen Hendel omlaagbewegen, stuurwiel instellen, hendel omhoogbewegen en vergrendelen. Stuurwiel uitsluitend bij stilstaande auto verstellen. Airbagsysteem 3 39, contactslot‐ standen 3 135.
Kort en bondig Overzicht instrumentenpaneel Type 1
Kort en bondig 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 Elektrische spiegelver‐ stelling ................................... 27 Zijdelingse luchtroosters ..... 131 Rijverlichting .......................... 77 Claxon .................................. 61 Bestuurdersairbag ............... 40 Instrumentengroep ............... 66 Wis- en wasinstallatie .......... 61 Middelste luchtroosters ...... 131 Infotainmentsysteem ............ 82 Controlelampen ..................... 67 Alarmknipperlichten .............
Type 2 Kort en bondig
Kort en bondig 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 Elektrische spiegelver‐ stelling ................................... 27 Zijdelingse luchtroosters ..... 131 Rijverlichting .......................... 77 Claxon .................................. 61 Bestuurdersairbag ............... 40 Instrumentengroep ............... 66 Wis- en wasinstallatie .......... 61 Middelste luchtroosters ...... 131 Infotainmentsysteem ............ 82 Controlelampen ..................... 67 Alarmknipperlichten .............
Kort en bondig Lichtsignaal, grootlicht en dimlicht Om van dimlicht naar grootlicht om te schakelen, duwt u tegen de hendel. Om het dimlicht in te schakelen, duwt u nogmaals tegen de hendel of u trekt eraan. Grootlicht 3 77, lichtsignaal 3 78. Alarmknipperlichten Richtingaanwijzers Bediening met toets ¨. Alarmknipperlichten 3 79. Hendel omhoog = rechts Hendel omlaag = links Richtingaanwijzers 3 79.
Kort en bondig Claxon Wis-/wasinstallatie Voorruitsproeiers Voorruitwissers j indrukken. OFF = Systeem uit. INT = Intervalstand. LO = Continu wissen met lage snelheid. HI = Continu wissen, hoge snel‐ heid. Voor een enkele wisserslag terwijl de ruitenwissers van de voorruit uitge‐ schakeld zijn, beweegt u de hendel naar de INT-stand en laat u hem daarna los. Voorruitwissers 3 61. Hendel naar u toe trekken. Voorruitsproeiers 3 61, sproeier‐ vloeistof 3 161.
Kort en bondig Klimaatregeling Type 2 Achterruitverwarming, buitenspiegelverwarming Ruiten ontwasemen en ontdooien Type 1 Type 1 Ü-toets indrukken om de verwarming in te schakelen. Spiegelverwarming 3 27, achter‐ ruitverwarming 3 30.
Kort en bondig Type 2 Versnellingsbak 17 Automatische versnellingsbak Handgeschakelde versnellingsbak Draai de knop op V. Voorruit ontdooien 3 123, voorruit ontwasemen 3 127. Achteruit: terwijl de motor stationair draait, trapt u het koppelingspedaal in en schakelt u de versnelling in. Kan de versnelling niet worden inge‐ schakeld, dan koppeling in de neu‐ trale stand laten opkomen, koppeling weer intrappen en nogmaals schake‐ len. Handgeschakelde versnellingsbak 3 141.
Kort en bondig 2: Hiermee kunt u de versnellingsbak van 1ste naar 2de versnelling scha‐ kelen en wordt automatisch schake‐ len naar 3de of 4de versnelling voor‐ komen. 1: Deze stand vergrendelt de versnel‐ lingsbak in eerste versnelling. Automatische versnellingsbak 3 137. Voordat u wegrijdt Motor starten Voor het wegrijden controleren ■ Bandenspanning en -staat. ■ Motoroliepeil en vloeistofniveaus.
Kort en bondig Om de motor opnieuw te starten of deze af te zetten, sleutel in het con‐ tactslot eerst terugdraaien naar stand 0. Parkeren ■ De auto niet op een licht ontvlam‐ bare ondergrond parkeren. De on‐ dergrond kan door de hoge tempe‐ ratuur van het uitlaatgassysteem mogelijk vlam vatten. ■ Handrem altijd zonder indrukken van de ontgrendelingsknop stevig aantrekken. Op aflopende of oplo‐ pende hellingen zo stevig mogelijk. Trap tegelijkertijd de rem in om de bedieningskracht te verminderen.
Sleutels, portieren en ruiten Sleutels, portieren en ruiten Sleutels, sloten ............................ 20 Portieren ...................................... 24 Antidiefstalbeveiliging .................. 25 Buitenspiegels ............................. 26 Binnenspiegel .............................. 28 Ruiten .......................................... 29 Sleutels, sloten Sleutels Reservesleutels Het sleutelnummer staat vermeld op een verwijderbaar label.
Sleutels, portieren en ruiten handzender, waardoor de stroomvoorziening voor korte tijd wordt onderbroken ■ Storing door radiogolven afkomstig van externe zenders met een hoog vermogen 5. Plaats de nieuwe accu. Zorg er‐ voor dat de negatieve kant (-) met de onderkant naar de basis is ge‐ richt. 6. Breng de sticker weer aan en plaats de zendereenheid in de be‐ huizing. 7. Plaats de behuizingshelft van de afstandsbediening terug. 8. Controleer of de afstandsbedie‐ ningbij uw auto werkt.
Sleutels, portieren en ruiten Let op Volg onderstaande aanwijzingen op om de afstandsbediening in opti‐ male conditie te houden: Laat de afstandsbediening niet val‐ len. Plaats geen zware voorwerpen op de afstandsbediening. Houd de afstandsbediening uit de buurt van water en direct zonlicht. Als de afstandsbediening nat wordt, veeg deze dan met een zachte doek droog. Ontgrendelen Vergrendelen Handzender Handzender Toets c indrukken. Ontgrendelt alle deuren.
Sleutels, portieren en ruiten Storing in afstandsbediening Ontgrendelen Ontgrendel het bestuurdersportier handmatig door de sleutel in het slot te verdraaien. Vergrendelen Sluit het bestuurdersportier en ver‐ grendel dit van buiten met de sleutel. Storing in centrale vergrendeling 23 Kindersloten Ontgrendelen Ontgrendel het bestuurdersportier handmatig door de sleutel in het slot te verdraaien. U kunt de andere por‐ tieren openen door aan de binnenste portiergreep te trekken.
Sleutels, portieren en ruiten Om het kinderslot in te schakelen, zet u de hendel in de vergrendelings‐ stand. Een portier waarvan het kinderslot is ingeschakeld, kan alleen van buitenaf worden geopend. Om het kinderslot uit te schakelen, schuift u de hendel in de ontgrendel‐ stand. Portieren Bagageruimte Achterklep, openen Type 1 den vergrendeld of ontgrendeld. Wanneer de achterklep ontgrendeld is, moet u aan de lange hendel trek‐ ken om deze te openen.
Sleutels, portieren en ruiten Let op Afhankelijk van het gewicht van eventueel gemonteerde accessoi‐ res blijft de achterklep mogelijk niet in geopende stand staan. Achterklep, sluiten Type 1 De achterklep wordt gesloten door hem aan te drukken zodat deze goed in het slot zit. En steek de sleutel in het slot en draai deze naar rechts. Type 2 De achterklep wordt gesloten door hem aan te drukken zodat deze goed in het slot zit. Bij het vergrendelen van alle portieren vergrendelt deze auto‐ matisch.
Sleutels, portieren en ruiten Automatische portiervergrendeling Wanneer het portier niet wordt ge‐ opend of de stand van de contact‐ sleutel zich niet binnen 30 seconden na het ontgrendelen met de handzender in ACC of ON bevindt, worden alle portieren automatisch ge‐ sloten. Startonderbreker De startbeveiliging voorziet in een bij‐ komende antidiefstalbeveiliging van de auto waarin deze is geïnstalleerd en voorkomt dat de auto wordt gestart door personen die hiertoe niet be‐ voegd zijn.
Sleutels, portieren en ruiten Beweeg het hendeltje gewoon in de gewenste richting om de spiegelstand aan te passen. Inklappen Elektrische verstelling pen en andere auto's om u heen te kunnen zien. Rijd niet als een van de buitenspiegels is ingeklapt. Verwarmd Type 1 Selecteer de gewenste buitenspiegel door de knop naar links (L) of rechts (R) te draaien. Beweeg daarna de knop om de spiegel te verstellen.
Sleutels, portieren en ruiten Type 2 Binnenspiegel Handmatige dimfunctie Om in te schakelen toets Ü indruk‐ ken. De verwarming werkt bij een draai‐ ende motor en wordt na enkele minu‐ ten automatisch uitgeschakeld of door opnieuw op de knop te drukken. Om verblinding te verminderen, de hendel aan de onderkant van de spie‐ gelbehuizing gebruiken. 9 Waarschuwing De binnenspiegel biedt in de nachtstand een wat minder helder zicht. Wees extra alert als de spiegel in de anti-verblindingsstand staat.
Sleutels, portieren en ruiten Ruiten Handbediende ruiten Als er achterin kinderen zitten, moet u de kinderbeveiliging van de elektrische ruitbediening in‐ schakelen. Ruiten tijdens het sluiten goed in de gaten houden. Ervoor zorgen dat niets of niemand bekneld raakt. 29 Bediening U kunt de elektrisch bediende ruiten bedienen met de schakelaars op de portieren als het contact in stand ON staat. Trek de schakelaar naar boven om de ruit omhoog te bewegen.
Sleutels, portieren en ruiten Verkeerd gebruik van de elek‐ trisch bediende ruiten kan ernstig of fataal letsel tot gevolg hebben. Achterruitverwarming Type 1 Kinderbeveiliging voor achterportierruiten Om in te schakelen toets Ü indruk‐ ken. De verwarming werkt bij een draai‐ ende motor en wordt na enkele minu‐ ten automatisch uitgeschakeld of door opnieuw op de knop te drukken. Voorzichtig Type 2 Druk op schakelaar z om de elek‐ trisch bediende ruiten van het achter‐ portier te deactiveren.
Sleutels, portieren en ruiten 9 Waarschuwing Plaats de zonneklep niet dusdanig dat hij het zicht op de weg, het ver‐ keer of andere objecten blokkeert.
Stoelen, veiligheidssystemen Stoelen, veiligheidssystemen Hoofdsteunen .............................. 32 Voorstoelen .................................. 33 Veiligheidsgordels ....................... 35 Airbagsysteem ............................. 39 Kinderveiligheidssystemen .......... 44 Hoofdsteunen Stand 9 Waarschuwing Rij alleen met de hoofdsteun in de juiste stand.
Stoelen, veiligheidssystemen Demonteren Druk de vergrendelingen in en trek de hoofdsteun omhoog. Hoofdsteunen van achterbank Hoogteverstelling Hoofdsteun omhoogtrekken. Voor la‐ ger zetten de pal indrukken en de hoofdsteun omlaagduwen. Demonteren Druk de vergrendelingen in en trek de hoofdsteun omhoog. Voorstoelen Stoelpositie 9 Waarschuwing Alleen met een correct ingestelde stoel rijden. ■ Met zitvlak zo ver mogelijk tegen de rugleuning zitten.
Stoelen, veiligheidssystemen Stoelverstelling 9 Gevaar Aan handgreep trekken, stoel ver‐ schuiven, handgreep loslaten. Zithoogte Rugleuning voorstoelen Altijd op minstens 25 cm afstand van het stuurwiel zitten zodat de airbag veilig in werking kan treden. 9 Waarschuwing Stoelen nooit tijdens het rijden ver‐ stellen, omdat ze ongecontroleerd kunnen bewegen. Zitpositie Aan de hendel trekken, de rugleuning instellen en de hendel loslaten. De stoel hoorbaar laten vastklikken.
Stoelen, veiligheidssystemen Verwarming Type 1 Type 2 De toetsen voor de stoelverwarming bevinden zich in de frontconsole. De stoel verwarmen: 1. Draai de contactsleutel naar ON. 2. Druk op de stoelverwarmings‐ toets van de stoel die u wilt ver‐ warmen. Het controlelampje in de knop gaat branden. 3. De stoelverwarming wordt uitge‐ schakeld door nogmaals op de toets te drukken. Langdurig gebruik van de hoogste in‐ stelling wordt afgeraden voor perso‐ nen met een gevoelige huid.
Stoelen, veiligheidssystemen 9 Waarschuwing Veiligheidsgordel vóór elke rit om‐ doen. Inzittenden die geen gebruik ma‐ ken van de veiligheidsgordel bren‐ gen bij eventuele aanrijdingen me‐ depassagiers en zichzelf in gevaar. Veiligheidsgordels zijn bedoeld voor gebruik door slechts één persoon te‐ gelijk. Ze zijn niet geschikt voor per‐ sonen kleiner dan 1,50 m. Kindervei‐ ligheidssysteem 3 44. Alle onderdelen van het gordelsys‐ teem regelmatig op schade en juiste werking controleren.
Stoelen, veiligheidssystemen 37 Hoogteverstelling aan onderdelen van de gordelspan‐ ners aanbrengen, anders vervalt de typegoedkeuring van de auto. Driepuntsgordel Bevestiging Loszittende kleding belemmert het strak trekken van de gordel. Geen voorwerpen zoals handtassen of mo‐ biele telefoons tussen de gordel en uw lichaam leggen. Gordel uit de oprolautomaat trekken, zonder te verdraaien voor u langs ha‐ len en de gesp in het slot steken.
Stoelen, veiligheidssystemen Demonteren Om de gordel los te maken, de rode knop van het gordelslot indrukken. Veiligheidsgordels van achterbank De veiligheidsgordel van de middel‐ ste zitplaats achterin kan alleen uit het oprolmechanisme worden getrok‐ ken als de rugleuning in de achterste stand staat. Gebruik van veiligheidsgordels tijdens de zwangerschap 9 Waarschuwing De heupgordel moet zo laag mo‐ gelijk over het bekken lopen om druk op de buik te voorkomen.
Stoelen, veiligheidssystemen Airbagsysteem Het airbagsysteem bestaat uit meer‐ dere afzonderlijke systemen. Bij het afgaan worden de airbags bin‐ nen enkele milliseconden gevuld. Ook het leeglopen van de airbags verloopt zo snel, dat dit tijdens een aanrijding vaak niet eens wordt opge‐ merkt. 9 Waarschuwing Wanneer de airbagsystemen ver‐ keerd worden gebruikt, kunnen ze op een explosieve manier ontplof‐ fen.
Stoelen, veiligheidssystemen De voorwaartse beweging van de voorste inzittenden wordt gedempt, waardoor het gevaar voor letsel aan het bovenlichaam en het hoofd aan‐ zienlijk afneemt. Voorzichtig Als de auto klappen oploopt bij het rijden over verkeersdrempels of over voorwerpen op onverharde wegen of stoepen, kunnen de air‐ bags afgaan. Rijd langzaam op wegdekken die niet bedoeld zijn voor auto's om te voorkomen dat de airbag per ongeluk afgaat.
Stoelen, veiligheidssystemen Zijdelings airbagsysteem 41 De kans op letsel aan het bovenli‐ chaam en de heupen bij een zijde‐ lingse aanrijding wordt aanzienlijk verminderd. 9 Waarschuwing Lichaamsdelen of voorwerpen uit het werkingsgebied van de airbag houden. Het zijdelingse airbagsysteem be‐ staat uit airbags in de rugleuningen van de beide voorstoelen. Ze zijn te herkennen aan het opschrift AIRBAG. Het zijdelings airbagsysteem treedt in werking bij een voldoende krachtige aanrijding.
Stoelen, veiligheidssystemen De kans op hoofdletsel bij een zijde‐ lingse aanrijding wordt aanzienlijk verminderd. van het kind zich op dat moment in de nabijheid van de airbag bevin‐ den. Laat een kind nooit tegen het por‐ tier of in de nabijheid van de zijair‐ bag-module leunen. 9 Waarschuwing Gordijnairbagsysteem Het gordijnairbagsysteem treedt in werking bij een voldoende krachtige aanrijding. Het contact moet inge‐ schakeld zijn.
Stoelen, veiligheidssystemen U deactiveert het airbagsysteem van de voorpassagier met een slot aan de zijkant van het instrumentenpaneel, zichtbaar bij een geopend passa‐ giersportier. 9 Waarschuwing Deactiveer het passagiersairbag‐ systeem als er zich een kind op de passagiersstoel bevindt. Activeer het passagiersairbagsys‐ teem als er zich een volwassene op de passagiersstoel bevindt.
Stoelen, veiligheidssystemen Kinderveiligheidssyste‐ men Wij adviseren GM-kinderzitjes die speciaal voor deze auto zijn aange‐ past. Wanneer u een kinderveiligheidssys‐ teem gebruikt, moet u de gebruikersen montagehandleiding én de instruc‐ ties bij het kinderveiligheidssysteem opvolgen. Houd u altijd aan de plaatselijke of landelijke voorschriften. In sommige landen is het gebruik van kindervei‐ ligheidssystemen op bepaalde zit‐ plaatsen verboden.
Stoelen, veiligheidssystemen Het kinderveiligheidssysteem dat u gaat monteren, moet geschikt zijn voor het autotype. Het kinderveiligheidssysteem moet op de correcte positie in de auto wor‐ den gemonteerd. Laat kinderen alleen aan de trottoir‐ kant van de auto uit- en instappen. Wanneer het kinderveiligheidssys‐ teem niet wordt gebruikt, moet u vast‐ zetten met een veiligheidsgordel of verwijderen. Let op Kinderveiligheidssystemen niet be‐ plakken of met andere materialen af‐ dekken.
Stoelen, veiligheidssystemen Inbouwposities kinderveiligheidssystemen Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een kinderveiligheidssysteem Op passagiersstoel Op buitenste zitplaatsen Op middelste zitplaats Gewichts- of leeftijdsgroep geactiveerde airbag gedeactiveerde airbag achterin achterin Groep 0: tot 10 kg of ca. 10 maanden X U1 U2 U Groep 0+: tot 13 kg of ca. 2 jaar X U1 U2 U Groep I: 9 tot 18 kg X of ca. 8 maanden tot 4 jaar U1 U2 U Groep II: 15 tot 25 kg of ca.
Stoelen, veiligheidssystemen 47 Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een ISOFIX-kinderveiligheidssysteem Gewichtsklasse Op buitenste zitplaatsen Maatklasse Bevestiging Op passagiersstoel achterin Op middelste zitplaats achterin Groep 0: tot 10 kg E ISO/R1 X IL1) X Groep 0+: tot 13 kg E ISO/R1 X IL1) X D ISO/R2 X IL1) X C ISO/R3 X IL1) X Groep I: 9 tot 18 kg D ISO/R2 X IL1) X C ISO/R3 X IL1) X B ISO/F2 X IL, IUF X B1 ISO/F2X X IL, IUF X A ISO/F3 X
Stoelen, veiligheidssystemen ISOFIX-maatklasse en zitgelegenheid A - ISO/F3 = In rijrichting geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kinderen met maximumlengte in de gewichtsklasse 9 tot 18 kg. B - ISO/F2 = In rijrichting geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse 9 tot 18 kg. B1 - ISO/F2X = In rijrichting geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse 9 tot 18 kg.
Stoelen, veiligheidssystemen Isofixkinderveiligheidssystemen In het verleden werden kinderzitjes met de veiligheidsgordels van de auto op een zitplaats vastgemaakt. Als ge‐ volg hiervan werden kinderzitjes vaak onjuist of niet stevig genoeg beves‐ tigd om het kind een goede bescher‐ ming te bieden.
Stoelen, veiligheidssystemen 4. Plaats het kinderzitje in de stoel boven de twee onderste veranke‐ ringen en bevestig het aan de ver‐ ankeringen volgens de instructies die bij het kinderzitje worden ge‐ leverd. 5. Verstel het kinderzitje en zet het vast volgens de aanwijzingen van de fabrikant van de kinderzitje. Voorzichtig Ongebruikte kinderzitjes kunnen naar voren bewegen. Verwijder ongebruikte kinderzitjes of zet deze vast met de veilig‐ heidsgordel.
Stoelen, veiligheidssystemen Voorzichtig Grote kinderzitjes met de kijkrich‐ ting naar achteren kunnen moge‐ lijk niet worden geplaatst. Neem contact op met het verkooppunt voor informatie over geschikte kin‐ derzitjes. Montage van kinderzitjes met ISOFIX-bevestigingen voor on‐ derste en bovenste tuiverankerin‐ gen. Top-Tetherbevestigingsogen Om de Top-tether-verankeringen te bereiken, doet u het volgende: 1. Verwijder de bagageruimte-af‐ dekking. 2.
Stoelen, veiligheidssystemen 9 Waarschuwing Controleer of de klem aan de tui‐ band van het kinderzitje op de juiste wijze is bevestigd aan de bo‐ venste tuiverankering. Door een onjuiste bevestiging kan de tuiband en de bovenste tuiver‐ ankering ineffectief zijn.
Opbergen Opbergen Opbergruimten ............................. 53 Bagageruimte .............................. 55 Dakdragersysteem ....................... 58 Beladingsinformatie ..................... 58 Opbergruimten Type 2 Opbergvak instrumentenpaneel Bergvak onder het dashboard Type 1 Het bergvak wordt gebruikt voor kleine voorwerpen, enz.
Opbergen Munthouder Handschoenenkastje Bekerhouders Type 1 Voor het opbergen van uw munten. Om te openen aan de handgreep trekken. 9 Waarschuwing Houd de klep van het dashboard‐ kastje onderweg altijd dicht om de kans op letsel bij een ongeval of een noodstop terug te brengen.
Opbergen Om het risico van persoonlijk letsel in het geval van een noodstop of een botsing te verkleinen, dient u geen open of onbeveiligde fles‐ sen, glazen, blikjes enz. in de be‐ kerhouder te plaatsen terwijl de auto rijdt. Zonnebrilhouder De bekerhouders bevinden zich in de frontconsole en in het achterste ge‐ deelte van de middenconsole. 9 Waarschuwing Plaats geen onbedekte bekers met hete vloeistof in de bekerhou‐ der terwijl het voertuig in beweging is.
Opbergen Om de achterbankleuning geschei‐ den neer te klappen: 1. Trek aan de voorkant van de ach‐ terbankzitting om deze los te ma‐ ken. Als uw auto is uitgerust met hoofdsteunen op de achterbank, dan moet u deze verwijderen. 2. Zet de ontgrendelde achterbank‐ zitting rechtop. Let op Om voldoende ruimte te hebben voor de omgang met de achterbank‐ zitting, schuift u de voorstoel naar voren en zet u de rugleuning van de voorstoel rechtop.
Opbergen 57 9 Waarschuwing 9 Waarschuwing Voorzichtig Controleer of de rugleuningen ge‐ heel teruggezet en vergrendeld zijn voordat u passagiers op de achterbank vervoert. Trek niet aan de ontgrendelknop‐ pen van de achterbankleuning tij‐ dens het rijden. Dit kan letsel of schade veroorza‐ ken bij de passagiers achterin.
Opbergen Dakdragersysteem Dakdrager Om veiligheidsredenen en ter vermij‐ ding van dakschade adviseren wij het voor uw auto goedgekeurde dakdra‐ gersysteem te gebruiken. Als u een voorwerp op het dak van uw auto wilt vervoeren dat langer of bre‐ der is dan de dakdrager, kan dit door de wind worden gevangen wanneer u aan het rijden bent. Hierdoor kunt u controle verliezen.
Opbergen de bestuurder niet belemmeren. Geen losse voorwerpen in het interieur leggen. ■ Niet met een geopende achterklep rijden. ■ Het nuttig draagvermogen is het verschil tussen het maximaal toe‐ laatbare totaalgewicht van de auto (zie typeplaatje 3 204) en het leeg‐ gewicht van de auto. Raadpleeg het hoofdstuk met de technische gegevens voor details over het leeggewicht. Het leeggewicht omvat ook het ge‐ wicht van de bestuurder (68 kg), de bagage (7 kg) en alle vloeistoffen (tank voor 90 % gevuld).
Instrumenten en bedieningsorganen Instrumenten en bedieningsorganen Bedieningsorganen Stuurwielverstelling Bedieningsorganen ...................... 60 Waarschuwingslampen, meters en controlelampen ....................... 66 Tripcomputer ................................ 73 Persoonlijke instellingen ..............
Instrumenten en bedieningsorganen Claxon Wis-/wasinstallatie voorruit Voorruitwissers j indrukken. Zet het contact in de stand ON en be‐ weeg de ruitenwisser/sproeierscha‐ kelaar omhoog om de ruitenwissers in te schakelen. OFF = Systeem uit. INT = Intervalstand. LO = Continu wissen met lage snelheid. HI = Continu wissen, hoge snel‐ heid. 61 Voor een enkele wisserslag terwijl de ruitenwissers uitgeschakeld zijn, be‐ weegt u de ruitenwisserhendel iets naar de INT-stand en laat u hem daarna los.
Instrumenten en bedieningsorganen Voorzichtig Een verminderd zicht verhoogt de kans op ongevallen en kan zo‐ doende persoonlijk letsel en schade aan de auto of andere goederen tot gevolg hebben. Zet de ruitenwisser van de voorruit niet aan als de ruit droog is of als de ruitenwisser geblokkeerd is door sneeuw of ijs. Het gebruik van de ruitenwissers onder deze omstandigheden kan schade aan het wisserblad, het ruitenwisser‐ mechanisme, de ruitenwissermo‐ tor of de voorruit veroorzaken.
Instrumenten en bedieningsorganen Om de wis/wasinstallatie van de ach‐ terruit te bedienen, moet u de hendel naar het instrumentenpaneel toe du‐ wen. Eén keer duwen: de ruitenwis‐ ser werkt continu aan lage snelheid. Om sproeiervloeistof te sproeien, moet u de hendel nogmaals induwen. Voorzichtig Een verminderd zicht verhoogt de kans op ongevallen en kan zo‐ doende persoonlijk letsel en schade aan de auto of andere goederen tot gevolg hebben.
Instrumenten en bedieningsorganen Er zit een 12V-stekkerdoos in de voorste vloerconsole. Het maximaal opgenomen vermogen mag niet meer bedragen dan 120 watt. Wanneer de ontsteking is uitgescha‐ keld, zijn de stekkerdozen gedeacti‐ veerd. De stekkerdozen worden ook ge‐ deactiveerd wanneer de accuspan‐ ning te laag is. Geen accessoires aansluiten die stroom leveren, zoals laadtoestellen of accu's. Aansluiting niet beschadigen door het gebruik van ongeschikte stekkers.
Instrumenten en bedieningsorganen 65 9 Waarschuwing Voorzichtig Voorzichtig Wanneer u de auto met een brandbare explosieve substantie, zoals een wegwerpaansteker, achterlaat in de auto in de zomer, kan dat exploderen en brand ver‐ oorzaken als gevolg van de tem‐ peratuurstijging in het passagiers‐ compartiment en de bagage‐ ruimte. Zorg ervoor dat er geen brandbare explosieve substanties in de auto worden achtergelaten of bewaard. De cilinder van een werkende aansteker kan erg warm worden.
Instrumenten en bedieningsorganen Waarschuwingslampen, meters en controlelampen Kilometerteller Snelheidsmeter Aanduiding van de rijsnelheid. Let op Om elke dagteller op nul te zetten, drukt u langer dan 2 seconden op de TRIP-toets van de instrumenten‐ groep. Toerenteller De kilometerteller geeft de afgelegde afstand aan in kilometers of mijlen. Er zijn twee onafhankelijk van elkaar werkende dagtellers waarmee u de afstand kunt oproepen die is afgelegd sinds deze op nul gezet zijn.
Instrumenten en bedieningsorganen Brandstofmeter 9 Gevaar Voordat u gaat tanken, zet u de auto stil en schakelt u de motor uit. Controlelampen Geeft het brandstofpeil in de tank aan. Tank nooit leegrijden. Door brandstofresten in de tank kan de hoeveelheid brandstof die kan worden bijgetankt kleiner zijn dan de gespecificeerde tankinhoud.
Instrumenten en bedieningsorganen Controlelampen in de instrumentengroep
Instrumenten en bedieningsorganen Controlelampen in de middenconsole Richtingaanwijzer O knippert groen. Knippert Controlelamp knippert bij ingescha‐ kelde richtingaanwijzer of alarmknip‐ perlichten. Knippert snel: richtingaanwijzer of bij‐ behorende zekering kapot. Gloeilamp vervangen 3 164, zeke‐ ringen 3 170, richtingaanwijzers 3 79. Gordelverklikker Gordelverklikker op de voorstoelen X van de bestuurdersstoel brandt of knippert rood.
Instrumenten en bedieningsorganen bevestigd, terwijl de rijsnelheid hoger is dan 10 km/u en alle por‐ tieren zijn gesloten, dan knippert de controlelamp van de veilig‐ heidsgordel tot de veiligheidsgor‐ del is bevestigd en er klinkt 4 keer een geluidssignaal. Driepuntsgordel 3 37. Gordelspanners, airbagsysteem 3 35, 3 39. Airbag en gordelspanners Airbag-deactivering v brandt rood. Bij het inschakelen van het contact brandt de controlelamp enkele secon‐ den.
Instrumenten en bedieningsorganen 9 Waarschuwing Rijd niet verder als het waarschu‐ wingslampje voor het remsysteem brandt. Als het waarschuwingslampje voor het remsysteem brandt, duidt dat op een defect in het remsys‐ teem van uw auto. Het rijden met een defect remsys‐ teem verhoogt de kans op onge‐ vallen en kan zodoende persoon‐ lijk letsel en schade aan de auto en andere goederen tot gevolg heb‐ ben. Brandt nadat het contact is ingescha‐ keld en de handbediende handrem is aangetrokken. Parkeerrem 3 143.
Instrumenten en bedieningsorganen Brandt Er zit een storing in het systeem. Ver‐ der rijden is mogelijk. De rijstabiliteit kan echter afhankelijk van de staat van het wegdek verslechteren. Oorzaak van de storing onmiddellijk door een werkplaats laten verhelpen. Knippert Het systeem is actief bezig. Het mo‐ torvermogen kan worden begrensd en de auto kan automatisch iets wor‐ den afgeremd. Elektronische stabiliteitsregeling 3 144. Elektronische stabiliteitsregeling UIT a knippert geel.
Instrumenten en bedieningsorganen Voorzichtig Rijd de tank van de auto niet he‐ lemaal leeg. Dat kan schade aan de katalysator veroorzaken. Portier open b brandt rood. Brandt bij geopende portieren of een geopende achterklep. 73 Tripcomputer Katalysator 3 136. Grootlicht C brandt blauw. Brandt bij ingeschakeld grootlicht en bij lichtsignaal. Groot licht/ dimlicht 3 77. Mistlamp > brandt groen. Brandt bij ingeschakelde voorste mistlampen 3 79. Mistachterlicht r brandt geel.
Instrumenten en bedieningsorganen Actieradius met resterende brandstof Deze modus geeft de geschatte rijaf‐ stand aan met het huidige brandstof‐ peil in de brandstoftank. Het afstandsbereik is 50~999 km. De tripcomputer kan de bijgevulde brandstof vanaf 4 liter of meer weer‐ geven. Als u bijtankt met een losgekoppelde accu of terwijl de auto op een helling staat, is het mogelijk dat de tripcom‐ puter geen juiste waarden weergeeft.
Instrumenten en bedieningsorganen Rijtijd Omgevingstemperatuur Deze modus geeft de totale rijtijd aan. Om de rijtijd terug te zetten naar nul, drukt u de MODE -knop langer dan 1 seconde in. De rijtijd wordt berekend terwijl de motor draait, zelfs als de auto niet rijdt. De rijtijd springt terug naar 0:00 nadat 99:59 is weergegeven. Deze modus geeft de buitentempera‐ tuur aan. Het temperatuurbereik is 30~70 °C.
Instrumenten en bedieningsorganen Persoonlijke instellingen De volgende menu's kunnen worden weergegeven: ■ Talen ■ Tijd Datum ■ Radio-instellingen ■ Fabrieksinstellingen terugzetten Taalinstellingen Wijzigen van de talen. Tijd- en datuminstellingen U kunt de auto aan uw persoonlijke wensen aanpassen door de instellin‐ gen in het informatiedisplay te wijzi‐ gen. Afhankelijk van het uitrustingsniveau, zijn sommige van de hieronder be‐ schreven functies eventueel niet aan‐ wezig.
Verlichting Verlichting Rijverlichting Lichtschakelaar Rijverlichting ................................ 77 Binnenverlichting ......................... 80 Verlichtingsfuncties ...................... 81 Bedieningen rijverlichting 77 9: de koplampen en alle bovenge‐ noemde verlichting gaat branden. De koplampen gaan automatisch uit wanneer het bestuurdersportier wordt geopend, nadat het contactslot in de stand LOCK is gedraaid.
Verlichting Let op Het controlelampje grootlicht gaat branden als het grootlicht ingescha‐ keld is. 9 Waarschuwing Zet de koplampen bij tegemoetko‐ mend verkeer of andere voertui‐ gen voor u altijd van grootlicht op dimlicht. Bij grootlicht kunnen me‐ deweggebruikers verblind raken, met mogelijk een botsing als ge‐ volg. Wanneer u de hendel loslaat, keert hij terug naar zijn normale stand. Het grootlicht blijft branden zolang u de combischakelaar naar u toegetrok‐ ken houdt.
Verlichting 79 Alarmknipperlichten Richtingaanwijzers Mistlampen voor Bediening met toets ¨. Druk op de toets om de alarmknip‐ perlichten in te schakelen. Om de alarmknipperlichten uit te schakelen, drukt u opnieuw op de knop. Hendel omhoog Hendel omlaag Om de mistlampen aan te zetten, moet u ervoor zorgen dat het dimlicht aanstaat. Draai de ring in het midden van de combischakelaar in stand ON. Om de mistlampen uit te schakelen, draait u de ring in de stand OFF.
Verlichting Mistachterlichten Binnenverlichting Interieurverlichting Let op De accu kan leegraken wanneer de verlichting gedurende een langere tijd ingeschakeld blijft. 9 Waarschuwing Voorkom het gebruik van de in‐ stapverlichting wanneer u in het donker rijdt. Als het passagierscompartiment is verlicht, wordt het zicht naar buiten verminderd, wat tot een aanrijding kan leiden.
Verlichting Verlichtingsfuncties Ontlaadbeveiliging accu Uitschakeling van de verlichting Om te voorkomen dat de accu leeg‐ loopt, worden sommige lichten auto‐ matisch uitgezet als u het bestuur‐ dersportier opent wanneer het con‐ tact op LOCK of ACC staat. Deze functie is niet van invloed op de instapverlichting.
Infotainmentsysteem Infotainmentsysteem Inleiding Algemene aanwijzingen Inleiding ....................................... 82 Radio ........................................... 92 Audiospelers .............................. 105 Het infotainmentsysteem verzorgt de infotainment in uw auto, met gebruik van de nieuwste technologie.
Infotainmentsysteem De schermweergave kan afwijken van de weergave in de handleiding, omdat de meeste weergaven kunnen afwijken naargelang de instelling van het apparaat en de voertuigspecifica‐ tie.
Infotainmentsysteem Overzicht bedieningselementen
Infotainmentsysteem Type A: radio/DAB + CD/MP3 + USB/ iPod + AUX Type B: radio + CD/MP3 + USB/iPod + AUX 1. Display Display voor weergave van status en informatie over afspelen/ont‐ vangst/menu's. 2. AAN/UIT [m] / VOLUME [VOL] ◆ Zet het apparaat aan of uit door deze knop in te drukken. ◆ Draai de knop om het algehele volume in te stellen. 3. VOORKEUZE [1-6] knoppen ◆ Houd een van deze knoppen in‐ gedrukt om de huidige radio‐ zender toe te voegen aan de huidige favorietenpagina.
Infotainmentsysteem 12. Knop CONFIG Druk deze knop in om naar het systeeminstelmenu te gaan. 13. Knop TONE Druk deze knop in om de klankin‐ stelmodus aan te passen/te se‐ lecteren. 14. MENU-TUNE toets met bedie‐ ningsknop ◆ Druk deze knop in om de hui‐ dige functiemenu weer te ge‐ ven, instelbare functies en de instelwaarden te selecteren of wijzigingen te bevestigen. ◆ Draai aan de bedieningsknop om naar de instelbare functies of de instelwaarden te gaan/ over te schakelen. 15.
Infotainmentsysteem om de stilschakelfunctie aan/uit te zetten. 87 Systeem in-/uitschakelen Volumeregeling Druk op de AAN/UIT-knop [m] om het systeem aan te zetten. Bij het inschakelen van het systeem klinkt de eerder gekozen zender of song. Druk op de AAN/UIT-knop [m] om het systeem uit te zetten. Draai aan de draaiknop [VOL] om het volume aan te passen. ■ Gebruik de regelknop op de stuur‐ wielbediening, druk op de volume [+/-] toetsen om het volume aan te passen.
Infotainmentsysteem Volumebegrenzing bij hoge temperatuur Wanneer binnenin de radio de tem‐ peratuur zeer hoog wordt, begrenst het infotainmentsysteem het instel‐ bare maximale volume. Zo nodig wordt het volume automa‐ tisch verlaagd. Geluidsinstellingen Vanuit het menu Geluidsinstellingen kunt u geluidsfuncties aan de hand van het geluid van de FM/AM-radio of DAB (alleen voor type A) en de func‐ ties van de betreffende audioplayer verschillend instellen.
Infotainmentsysteem Functies selecteren FM/AM-radio of DAB (alleen voor type A) Druk op de toets RADIO BAND om AM/FM-radio of de functie DAB (al‐ leen voor type A) te selecteren. Druk op MENU-TUNE om het FMmenu/AM-menu of DAB-menu te openen met daarin keuzeopties voor het selecteren van radiozenders.
Infotainmentsysteem (14) MENU-TUNE toets met bedie‐ ningsknop ■ Draai aan de knop om naar het menu of de instellingsitem te gaan. ■ Druk de knop in om in het huidige menu of in het te stellen item naar het gedetailleerde instellingenven‐ ster te gaan of dit te selecteren. (15) Knop P BACK Het ingevoerde item annuleren of te‐ ruggaan naar het vorige scherm/ menu.
Infotainmentsysteem ■ Herhaal deze handeling als de be‐ treffende gedetailleerde lijst be‐ staat uit meerdere items. ■ Voer de betreffende instelwaarde in of wijzig deze, anders verandert de functie. 91 [Tijd Datum] Informatietabel voor Instellingen [Talen] Draai aan MENU-TUNE om naar de gewenste instelwaarden of functie te gaan en druk de knop MENU-TUNE vervolgens in. De gewenste taal selecteren. Tijd instellen: Stel handmatig de uren en minuten in voor het huidige tijdstip.
Infotainmentsysteem [Radio-Instellingen] Maximaal opstartvolume: Stel handmatig de bovengrens in voor het beginvolume. Radiofavorieten: Stel handmatig de paginanummers in voor uw favorieten. RDS-opties: Stel de RDS-opties in. ■ RDS: Aan/Uit (in- of uitschakelen van de functie RDS). ■ Regionaal: Aan/Uit (in- of uitscha‐ kelen van de functie Regionaal). ■ Tekst scrollen bevriezen: Aan/Uit (in- of uitschakelen van de functie Tekst scrollen bevriezen).
Infotainmentsysteem (8) Knoppen dSEEKc ■ Druk op deze knop om automatisch te zoeken naar beschikbare radioof DAB-zenders (alleen voor type A). ■ Houd deze knop ingedrukt om de radiofrequentie naar wens te wijzi‐ gen en laat de knop los om te stop‐ pen bij de huidige frequentie. (6) Knop FAVORIETEN [FAV1-2-3] Druk op deze knop om de pagina's met opgeslagen favoriete radio- of DAB-zenders te doorlopen.
Infotainmentsysteem Automatisch naar DABserviceonderdeel zoeken (alleen voor type A) Druk op de knoppen dSEEKc om automatisch naar het beschikbare DAB-serviceonderdeel in het huidige ensemble te zoeken. Om het vorige/volgende ensemble over te slaan, drukt u op de toetsen dSEEKc. Naar radiozenders zoeken Houd de dSEEKc knoppen inge‐ drukt om de afstemfrequentie snel te wijzigen en laat de knop dan los bij de gewenste afstemfrequentie.
Infotainmentsysteem De DAB-service koppelen (alleen voor type A) [DAB-DAB aan/DAB-FM uit] [DAB-DAB uit/DAB-FM aan] 95 Wanneer u instelt dat de DAB-FM au‐ tomatisch wordt gekoppeld, als het DAB-servicesignaal zwak is, ont‐ vangt het Infotainmentsysteem het gekoppelde serviceonderdeel auto‐ matisch. [Zie Instellingen (druk op de knop CONFIG) → Radio-instellingen → DAB-instellingen → DAB-FM auto. koppelen).
Infotainmentsysteem Handmatig zoeken naar DABzenders (alleen voor type A) DAB-zenderlijst gebruiken (alleen voor type A) De DAB-informatie weergeven (alleen voor type A) Druk in de DAB-modus op MENUTUNE om het DAB-menu te openen. Draai aan de draaiknop MENUTUNE om de Handmatig afstemmen op DAB te selecteren en druk vervol‐ gens op de knop MENU-TUNE. Draai aan de draaiknop MENUTUNE om de gewenste zendfrequen‐ tie handmatig te vinden en druk ver‐ volgens op de knop MENU-TUNE.
Infotainmentsysteem Met behulp van de VOORKEUZE-knoppen VOORKEUZE-knoppen opslaan Druk op de knop FAVORIETEN [FAV1-2-3] om de gewenste pagina met opgeslagen favorieten te selec‐ teren. Houd een van de VOORKEUZEknoppen [1 ~ 6] ingedrukt om de hui‐ dige radio- of DAB-zender op te slaan onder die knop voor de geselecteerde Favorietenpagina. ■ U kunt maximaal 3 favorietenpagi‐ na's opslaan en elke pagina kan maximaal zes radio- DAB-zenders bevatten.
Infotainmentsysteem Het menu Radio of DAB gebruiken (alleen voor type A) Menu AM/FM of DAB (alleen voor type A) → Favorietenlijst Druk herhaalde malen op de toets MENU-TUNE om het radio- of DABmenu weer te geven. Draai aan MENU-TUNE om naar het gewenste menu-item te gaan en druk vervolgens op MENU-TUNE om het betreffende item te selecteren of een detailmenu over het item weer te ge‐ ven.
Infotainmentsysteem Menu FM of DAB (alleen voor type A) → Categorielijst FM of DAB DAB-menu → DAB-aankondigingen (alleen voor type A) Draai in het FM-menu of DAB-menu aan de draaiknop MENU-TUNE om naar de FM-categorielijst of DABcategorielijst te gaan en druk vervol‐ gens op de toets MENU-TUNE. De FM-categorielijst of DABcategorielijst wordt weergegeven. Draai aan MENU-TUNE om naar de gewenste lijst te gaan en druk vervol‐ gens op MENU-TUNE om de betref‐ fende zenderfrequentie te ontvangen.
Infotainmentsysteem Configureren van RDS ■ Het bijwerken van de FMzenderlijst/AM-zenderlijst of DABzenderlijst wordt uitgevoerd. ■ Tijdens het bijwerken van de FMzenderlijst//AM-zenderlijst of DABzenderlijst drukt u op MENUTUNE of op de toets P BACK als u wijzigingen niet wilt opslaan. Radio Data System (RDS) Het radiodatasysteem (RDS) is een door FM-zenders meegezonden ser‐ vice die het vinden van radiozenders met een storingsvrije ontvangst ver‐ gemakkelijkt.
Infotainmentsysteem Activeren van RDS biedt de volgende voordelen: ■ Op het display verschijnt de pro‐ grammanaam van de ingestelde zender in plaats van de frequentie. ■ Het infotainmentsysteem stem al‐ tijd af op de zendfrequentie van de ingestelde zender met de beste ontvangst via AF (alternatieve fre‐ quentie). Draai bij RDS-opties aan de knop MENU-TUNE om naar RDS Uit te gaan en druk vervolgens op MENUTUNE om de RDS-functie weer aan te zetten.
Infotainmentsysteem Draai bij RDS-opties aan MENUTUNE om naar Tekst scrollen bevriezen Uit te gaan en druk vervol‐ gens op MENU-TUNE om de functie Tekst scrollen bevriezen weer aan te zetten. Draai in RDS-opties aan MENUTUNE om naar TA-volume te gaan en druk vervolgens op MENU-TUNE. Draai aan MENU-TUNE om het TAvolumeniveau aan te passen en druk vervolgens op MENU-TUNE.
Infotainmentsysteem Blokkeren van verkeersberichten Om verkeersberichten te blokkeren, bijv. tijdens afspelen van CD/MP3 of beluisteren van radiozenders: ■ Is het huidige station geen zender met verkeersinformatieservice, dan start automatisch een zoekop‐ dracht naar de volgende zender met verkeersinformatieservice. ■ Als eenmaal een zender met ver‐ keerinformatieservice is gevonden, dan wordt [TP] weergegeven in het radiohoofdmenu.
Infotainmentsysteem Vaste staafantenne Alleen voor type B Alleen voor type A paneel beschadigd raken. Verwij‐ der de antenne alvorens een au‐ tomatische wasstraat in te rijden. Controleer voor een goede ontvangst of de antenne goed vastgedraaid is en geheel rechtop staat. Om de dakantenne te verwijderen, moet u ze naar links draaien. Om de dakantenne te plaatsen, moet u ze naar rechts draaien.
Infotainmentsysteem Audiospelers Cd-speler De CD/MP3-speler van dit systeem kan audio-CD's en MP3-disks (WMA) afspelen. Alvorens de CD-speler te gebruiken Belangrijke informatie over audioCD's en MP3-disks (WMA) Voorzichtig Breng in elk geval geen dvd's, mi‐ nidisks met een diameter van 8 cm of schijven met abnormale opper‐ vlakken in deze cd/mp3 (wma)speler aan. Plak geen stickers op het opper‐ vlak van de disk. Zulke disks kun‐ nen vastlopen in de cd-speler en het aandrijfmechanisme bescha‐ digen.
Infotainmentsysteem Aanwijzingen bij het gebruik van disks ■ Gebruik de hieronder beschreven disks niet. Wanneer zulke disks te vaak in de speler worden gebruikt, kunnen er problemen ontstaan.
Infotainmentsysteem ■ De titel en andere tekstinformatie opgeslagen op CD-R/CD-RWdisks worden mogelijk op dit appa‐ raat niet weergegeven. ■ CD-RW-disks hebben soms een langere inlaadtijd nodig dan ge‐ wone CD's of CD-R disks. ■ Beschadigde muziekbestanden worden mogelijk niet afgespeeld of tijdens afspelen onderbroken. ■ Disks met kopieerbeveiliging wor‐ den mogelijk niet afgespeeld.
Infotainmentsysteem moet het bestand compatibel zijn met de ID3 Tag V1- en V2-be‐ standsindelingen. ■ Dit product kan MP3-bestanden af‐ spelen die VBR gebruiken. Wan‐ neer een VBR-type MP3-bestand wordt afgespeeld, kan de reste‐ rende afspeeltijd afwijken van de werkelijk resterende afspeeltijd. Afspeelvolgorde voor muziekbestanden Afspelen van CD's en MP3 Hoofdknoppen/draaiknop (9) Knop CD/AUX Selecteer de CD-/MP3-speler.
Infotainmentsysteem 109 Toont de informatie voor de afge‐ speelde song. (15) Knop P BACK Het ingevoerde item annuleren of te‐ ruggaan naar het vorige scherm/ menu. (16) TELEFOON [y] / STIL [@] Druk de knop in om de stilschakel‐ functie aan of uit te zetten. De disk inbrengen ■ Zodra de diskinformatie is uitgele‐ zen, wordt deze automatisch vanaf song 1 afgespeeld.
Infotainmentsysteem De disk uitwerpen Om de disk uit te werpen drukt u op de knop UITWERPEN d om de disk uit te nemen. ■ Terwijl de disk naar buiten komt, schakelt het Infotainmentsysteem automatisch naar de vorige ge‐ bruikte functie of naar FM-radio. ■ Wanneer de disk na enige tijd niet wordt verwijderd, zal deze automa‐ tisch weer inladen. Een andere song afspelen Druk op de dSEEKc knoppen in de afspeelmodus om naar de vorige of volgende song te gaan.
Infotainmentsysteem Naar een ander afspeelpunt gaan Houd de toetsen dSEEKc tijdens de afspeelmodus ingedrukt om binnen de song snel vooruit of terug te spoe‐ len. Laat de knop los om de song weer op de normale snelheid af te spelen. Tijdens vooruit- en terugspoelen is het geluidsvolume iets verminderd en wordt de afspeeltijd weergegeven. 111 Informatie over afgespeelde song bekijken Druk in de afspeelmodus op INFOR‐ MATIE [INFO] om informatie te bekij‐ ken over de song die wordt afge‐ speeld.
Infotainmentsysteem Foutieve ID3 Tag-informatie kan niet worden gewijzigd of gecorri‐ geerd door het infotainmentsys‐ teem (ID3 Tags kunnen alleen op een pc worden gecorrigeerd). ■ Wanneer informatie bij songs de vorm heeft van speciale symbolen of is beschreven in niet-beschik‐ bare talen, wordt deze weergege‐ ven als ---- of helemaal niet. Druk in de afspeelmodus Cd/mp3 op MENU-TUNE om het CD-menu weer te geven.
Infotainmentsysteem CD-menu → Mappen Draai bij Mp3 (wma) disks in het CDmenu aan de knop MENU-TUNE om de mappen te doorlopen en druk ver‐ volgens op de toets MENU-TUNE. Draai aan de knop MENU-TUNE om naar de gewenste map te gaan en druk vervolgens op de toets MENUTUNE. 113 CD-menu → Zoeken... Draai aan de knop MENU-TUNE om de gewenste song te vinden en druk vervolgens op de toets MENUTUNE om de geselecteerde song vanuit de geselecteerde map af te spelen.
Infotainmentsysteem Het kan soms lange tijd duren voordat de disk geheel is uitgelezen, afhan‐ kelijk van het aantal muziekbestan‐ den. Draai aan MENU-TUNE om de ge‐ wenste song/titel te vinden en druk vervolgens op MENU-TUNE om de geselecteerde song af te spelen. Randapparatuur USB-speler Draai aan MENU-TUNE om naar het gedetailleerde classificatie-item te gaan en druk vervolgens op MENUTUNE.
Infotainmentsysteem Aanwijzingen bij het gebruik van USB-apparatuur ■ De werking kan niet worden gega‐ randeerd als u een USB-adapter gebruikt om een USB-apparaat voor massaopslag met inge‐ bouwde harddisk of een CF- of SDgeheugenkaart aan te sluiten. Ge‐ bruik een USB-dataopslagappa‐ raat van het flashgeheugentype. ■ Pas op en voorkom ontlading van statische elektriciteit bij het aanslui‐ ten of losmaken met USB.
Infotainmentsysteem Voorzichtig Alleen USB-opslagmedia voor af‐ spelen van muziek kunnen op dit product worden aangesloten. De USB-aansluiting van het pro‐ duct mag niet worden gebruikt voor het opladen van USB-appa‐ ratuur, omdat de daarbij veroor‐ zaakte warmteontwikkeling de werking van de USB-aansluiting kan verslechteren of schade aan het product kan aanbrengen.
Infotainmentsysteem ■ De map- en bestandsnamen die volgens het opslagtype kunnen worden gebruikt zijn de volgende, inclusief de bestandsnaamextensie met vier tekens (.mp3). ◆ ISO 9660 niveau 1: maximaal 12 tekens ◆ ISO 9660 niveau 2: maximaal 31 tekens ◆ Joliet: Maximaal 64 tekens (1 byte) ◆ Lange Windows-bestandsnaam: maximaal 28 tekens (1 byte) ■ Dit product kan MP3-bestanden af‐ spelen die VBR gebruiken.
Infotainmentsysteem ■ Zodra het product gereed is met het inlezen van de informatie op het USB-opslagapparaat, zal het auto‐ matisch afspelen. ■ Wanneer een niet-leesbaar USBopslagapparaat is aangesloten, verschijnt een foutmelding en scha‐ kelt het product automatisch naar de vorige gebruikte functie of naar de FM-radio. Wanneer het af te spelen USB-op‐ slagapparaat al is aangesloten, drukt u meerdere malen op CD/AUX om de USB-speler te selecteren.
Infotainmentsysteem iPod-speler Hoofdknoppen/draaiknop De volgende hoofdknoppen en draai‐ knop worden gebruikt om iPod-mu‐ ziekbestanden af te spelen. (9) Knop CD/AUX Druk wanneer de iPod is aangesloten de knop meerdere malen in om de iPod- afspeelmodus te selecteren. (14) MENU-TUNE toets met bedie‐ ningsknop ■ Draai de draaiknop om de cursor te verplaatsen en de songlist weer te geven die wordt afgespeeld. ■ Druk de knop in om het menu‐ scherm weer te geven bij het hui‐ dige item of de huidige modus.
Infotainmentsysteem product terwijl het contact is uitge‐ zet. ■ Zodra het product gereed is met het inlezen van de informatie op de iPod, zal het automatisch afspelen. ■ Wanneer een niet-leesbare iPod is aangesloten, verschijnt hierover een foutmelding en schakelt het product automatisch naar de vorige gebruikte functie of naar de FM-ra‐ diofunctie. Wanneer de af te spelen iPod al is aangesloten, druk dan meerdere ma‐ len op CD/AUX om de iPod-speler te selecteren.
Infotainmentsysteem iPod-menu → iPod uitwerpen Druk in de afspeelmodus op MENUTUNE om het iPod-menu weer te ge‐ ven. Draai MENU-TUNE om naar de func‐ tie iPod uitwerpen te gaan en druk vervolgens op MENU-TUNE om de melding weer te geven die aangeeft dat het apparaat veilig kan worden verwijderd. Ontkoppel het iPod-apparaat van de USB-aansluiting. Ga terug naar de vorige in gebruik zijnde functie.
Infotainmentsysteem Druk op CD/AUX om over te schake‐ len naar de ingang voor extern geluid als het externe audiosysteem al was aangesloten. Draai de knop POWER/VOLUME om het volume te regelen.
Klimaatregeling Klimaatregeling Klimaatregelsystemen ............... 123 Luchtroosters ............................. 131 Onderhoud ................................. 132 Klimaatregelsystemen 123 Type 2 Verwarmings- en ventilatiesysteem Type 1 Bedieningsorganen voor: ■ Temperatuur ■ Luchtverdeling ■ Luchtdebiet ■ Verwarming ■ Voorruit ontdooien ■ Luchtrecirculatie 4 ■ Verwarmbare achterruit Ü 3 30. Temperatuur De temperatuur instellen door aan de knop te draaien.
Klimaatregeling Rood = warm Blauw = koud De verwarming werkt pas optimaal als de motor op de normale bedrijfs‐ temperatuur is gekomen. Luchtverdeling Selecteer de luchtuitstroomstand door de middelste knop te verdraaien. L = naar hoofdhoogte en voeten‐ ruimte. K = naar de voetenruimte, waarbij een geringe hoeveelheid lucht naar de voorruit, de ruiten van de voorportieren en de zijde‐ lingse uitstroomopeningen wordt geleid. M = naar hoofdhoogte via de ver‐ stelbare luchtroosters.
Klimaatregeling Type 2: druk voor de recirculatie‐ stand op de recirculatieknop. Een verklikkerlichtje licht op om aan te geven dat de recirculatie werkt. 2. Draai de temperatuurregelknop helemaal naar het rode gebied om te verwarmen. 3. Zet de aanjagerknop op de maxi‐ male snelheid. Type 2 125 3. Zet de aanjagerknop op de hoog‐ ste snelheid voor snelle ontwase‐ ming. 4. Zijdelingse luchtroosters openen naar wens en op de zijruiten rich‐ ten. Voorzichtig De voorruit ontvriezen Type 1 1.
Klimaatregeling Luchtrecirculatiesysteem 4 Type 2 Type 1 De luchtrecirculatiestand wordt in- of uitgeschakeld met de 4-hendel. De luchtrecirculatiestand wordt in- of uitgeschakeld met de 4-toets. Een verklikkerlichtje licht op om aan te geven dat de recirculatie werkt. * In de stand DEFROST moet de re‐ circulatieknop in de stand buitenlucht worden gezet om te voorkomen dat de voorruit weer snel beslaat. 9 Waarschuwing Door langdurig rijden in de recir‐ culatiestand kunt u slaperig wor‐ den.
Klimaatregeling Airconditioning Type 2 9 Waarschuwing Rood = warm Blauw = koud Luchtverdeling Niet in een auto slapen met inge‐ schakelde airco of verwarming. Dit kan door het afnemen van het zuurstofgehalte en/of het dalen van de lichaamstemperatuur ern‐ stig letsel en zelfs de dood tot ge‐ volg hebben.
Klimaatregeling Luchtdebiet Type 2 Luchtdebiet instellen door de ventila‐ torknop in de gewenste stand te zet‐ ten. Voorruit ontwasemen 3. Selecteer de gewenste tempera‐ tuur. 4. Zet de aanjagerknop op de ge‐ wenste snelheid. Luchtrecirculatiesysteem 4 Type 1 Type 1 1. Type 1: zet de recirculatieknop in de stand buitenlucht en draai de luchtverdelingsknop in de stand DEFROST V.
Klimaatregeling Type 2 De luchtrecirculatiestand wordt in- of uitgeschakeld met de 4-toets. Een verklikkerlichtje licht op om aan te geven dat de recirculatie werkt. * In de stand DEFROST moet de re‐ circulatieknop in de stand buitenlucht worden gezet om te voorkomen dat de voorruit weer snel beslaat. 9 Waarschuwing Door langdurig rijden in de recir‐ culatiestand kunt u slaperig wor‐ den. Schakel voor frisse lucht af en toe de buitenluchtstand in.
Klimaatregeling 9 Waarschuwing Maximale koeling Type 1 Klimaatregelsystemen mogen uit‐ sluitend door gekwalificeerd per‐ soneel worden onderhouden. On‐ juiste onderhoudsmethoden kun‐ nen tot persoonlijk letsel leiden. Normale koeling 1. Het airconditioningsysteem be‐ dienen. 2. Draai de temperatuurregelknop naar het blauwe gebied om te koelen. 3. Draai aan de luchtverdelings‐ knop. 4. Zet de aanjagerknop op de ge‐ wenste snelheid.
Klimaatregeling Luchtroosters Vaste luchtroosters Er bevinden zich bovendien nog luchtroosters onder de voorruit en de voorportierruiten, alsook in de voe‐ tenruimte. Verstelbare luchtroosters Bij ingeschakelde koeling moet er mi‐ nimaal één luchtrooster geopend zijn om te voorkomen dat de verdamper door gebrek aan luchtcirculatie be‐ vriest. Druk op de afdekking van elke uit‐ stroomopening om de zij-uitstroom‐ openingen te openen en draai deze in de gewenste richting.
Klimaatregeling Onderhoud Luchtinlaat De luchtinlaat naar de motorruimte onder aan de voorkant van de voorruit moet voor voldoende luchttoevoer vrijgehouden worden. Bladeren, vuil of sneeuw verwijderen. Pollenfilter Luchtfilter van de passagiersruimte Het filter ontdoet de binnenkomende buitenlucht van stof, roet en sporen. Filter vervangen: 1. Verwijder het dashboardkastje. Om het dashboardkastje te ver‐ wijderen, dit openen en aan beide zijden omhoogtrekken. 2.
Klimaatregeling Voorzichtig Wanneer veel op stoffige en op onverharde wegen en in gebieden met zware luchtvervuiling wordt gereden, moet het luchtfilter in het interieur vaker worden vervangen. Het filter werkt minder efficiënt en de ademhaling wordt sterk getrof‐ fen. Airconditioning regelmatig aanzetten Om te zorgen dat het systeem goed blijft werken, moet de koeling een‐ maal per maand, ongeacht de weers‐ gesteldheid of het seizoen, enkele mi‐ nuten worden ingeschakeld.
Rijden en bediening Rijden en bediening Rijtips ......................................... 134 Starten en bediening ................. 134 Uitlaatgassen ............................. 136 Automatische versnellingsbak ... 137 Handgeschakelde versnellingsbak .......................... 141 Remmen .................................... 142 Rijregelsystemen ....................... 144 Obstakeldetectiesystemen ........ 145 Brandstof ...................................
Rijden en bediening Contactslotstanden 9 Gevaar Zet het contact tijdens het rijden niet in de stand 0 of 1. Voertuigondersteunende functies en rembekrachtiging werken dan niet, wat schade aan het voertuig, persoonlijk of fataal letsel kan ver‐ oorzaken.
Rijden en bediening ■ Geen gas geven. ■ Draai de sleutel in stand 3, terwijl u het koppelingspedaal en het rem‐ pedaal intrapt en vervolgens loslaat als de motor draait. Om de motor opnieuw te starten of deze af te zetten, sleutel in het con‐ tactslot eerst terugdraaien naar stand 0. Voorzichtig Laat de startmotor niet langer dan 10 seconden achter elkaar draaien. Als de motor niet start, wacht u 10 seconden totdat u het opnieuw probeert. Op deze manier wordt schade aan de startmotor voorkomen.
Rijden en bediening Voorzichtig Het gebruik van andere brandstof‐ kwaliteiten dan die genoemd op pagina 3 147, 3 206 kan aanlei‐ ding geven tot schade aan de ka‐ talysator en elektronische onder‐ delen. Onverbrande benzine kan leiden tot oververhitting van en schade aan de katalysator. Daarom de startmotor niet onnodig lang laten draaien, de tank niet leegrijden en de motor niet door duwen of sle‐ pen proberen te starten.
Rijden en bediening nemen het motortoerental en het ge‐ luidsniveau af en rijdt de auto zuiniger. 2: laat de versnellingsbak van de 1e in de 2e versnelling schakelen en voorkomt automatisch inschakelen van de 3e of 4e versnelling. Selecteer rijstand 2 voor meer vermo‐ gen bij het stijgen en voor het afrem‐ men op de motor bij steile afdalingen. 1: deze stand vergrendelt de versnel‐ lingsbak in de eerste versnelling. Selecteer 1 voor maximaal afremmen op de motor bij zeer steile afdalingen.
Rijden en bediening Trap het rempedaal in en druk op de ontgrendelknop om te schakelen. Schakelbewegingen waarbij u de ont‐ grendelknop moet indrukken zijn met pijlen aangeduid. Schakel vrijelijk. 9 Waarschuwing Let op de volgende voorzorgs‐ maatregelen om beschadigingen aan de transmissie te voorkomen: Trap het rempedaal niet in bij het schakelen van P of N naar R, D, 2 of 1.
Rijden en bediening Motor niet te hoge toeren laten maken en snel optrekken voorkomen. Overdrive uit Parkeren Schakel na het afremmen met het rempedaal de stand P in, trek de hef‐ boom stevig omhoog en trek de con‐ tactsleutel eruit. Storing Kickdown Voor sneller optrekken het gaspedaal volledig intrappen en vasthouden. De versnellingsbak schakelt afhankelijk van het motortoerental naar een la‐ gere versnelling.
Rijden en bediening Handgeschakelde versnellingsbak Keuzehendel ontgrendelen Uw auto is uitgevoerd met een BrakeTransmission Shift Interlock (BTSI)systeem. Om uit Parkeren (P) te schakelen moet het contact AAN zijn en moet u het rempedaal geheel in‐ trappen. Als u niet uit P kunt schake‐ len met het contact AAN en het rem‐ pedaal ingetrapt: 1. Contact uitschakelen 2. Houd het rempedaal ingetrapt en trek de handremhefboom aan. 3. Open de kap. 141 4.
Rijden en bediening Voorzichtig Rijd bij voorkeur niet met de hand voortdurend op de selectorhendel. Afremmen op de motor Schakel bij een handgeschakelde versnellingsbak achter elkaar terug naar een lagere versnelling. 9 Waarschuwing Schakel bij een handmatige trans‐ missie niet twee of meer versnel‐ lingen tegelijkertijd terug. Op deze manier voorkomt u be‐ schadigingen aan uw transmissie, raakt u de controle over de auto niet kwijt, en loopt u geen persoon‐ lijk letsel op.
Rijden en bediening remmen tijdelijk minder goed wer‐ ken. Dit kan het gevolg zijn van natte remonderdelen of overver‐ hitting. Als de remmen tijdelijk niet werken door oververhitting: Schakel bij het heuvelaf rijden over op een lagere versnelling. Trap het rempedaal niet continu in. Als de remwerking is teruggelopen omdat de onderdelen van het rem‐ systeem nat zijn geworden, kan de volgende procedure uitkomst bie‐ den: 1. Controleer of de weg achter u vrij is. 2.
Rijden en bediening Om de handrem los te zetten, de handremhendel iets optillen, de ont‐ grendelingsknop indrukken en de hendel helemaal omlaagzetten. Om minder kracht te hoeven uitoefe‐ nen bij het aantrekken van de hand‐ rem, tegelijkertijd het rempedaal in‐ trappen. Controlelamp 4 3 70. Remassistentie Bij het snel en krachtig intrappen van het rempedaal wordt automatisch met de maximale remkracht (noodstop) geremd.
Rijden en bediening U kunt de ESC weer activeren door nogmaals op de toets a te drukken. De ESC wordt ook opnieuw geacti‐ veerd wanneer u het contact de vol‐ gende keer weer inschakelt. Als het ESC-systeem de stabiliteit van de auto actief verbetert, vermin‐ dert u snelheid en let u extra op het wegdek. Het ESC-systeem is slechts een aanvullende functie voor de auto. Als de auto fysieke limieten over‐ schrijdt, verliest de bestuurder de macht over het stuur. Vertrouw dus niet zomaar op dit systeem.
Rijden en bediening Alarm en detectieafstand Alarmge‐ luid 1e alarm ongeveer 0,8~1,5 m vanaf de achterbumper --piep, piep- 2e alarm ongeveer binnen 80 cm vanaf de achterbumper --piep piep piep piep 3e alarm Alarm ongeveer 20~40 cm vanaf blijft aan de achterbumper Voorzichtig Het parkeerhulpsysteem mag al‐ leen als een aanvullende functie worden gezien. De bestuurder moet achteruit kijken. Het hoorbare waarschuwingssig‐ naal kan verschillen afhankelijk van de voorwerpen.
Rijden en bediening Brandstof Brandstof voor benzinemotoren Alleen loodvrije brandstoffen gebrui‐ ken die voldoen aan EN 228. Gelijkwaardig genormeerde brand‐ stoffen met een ethanolgehalte van max. 10% mogen ook worden ge‐ bruikt. Brandstof met het aanbevolen oc‐ taangetal gebruiken 3 206. Het ge‐ bruik van brandstof met een te laag octaangetal resulteert mogelijk in een lager motorvermogen en motorkop‐ pel en kan een lichte stijging van het brandstofverbruik tot gevolg hebben.
Rijden en bediening 9 Gevaar Zet de motor af en schakel externe verwarmingen met verbrandings‐ kamers uit alvorens te beginnen met tanken. Schakel mobiele tele‐ foons uit. Elektromagnetische velden of sta‐ tische ontladingen van mobiele te‐ lefoons kunnen aanleiding geven tot ontsteking van brandstofdam‐ pen. Brandstof is brandbaar en explo‐ sief. Niet roken. Geen open vuur of vonken. Volg de bedienings- en veiligheidsinstructies van het tank‐ station tijdens het tanken.
Rijden en bediening Let op Als bij koud weer de brandstofvul‐ klep niet open gaat, tik dan lichtjes op de klep. Probeer de klep daarna opnieuw te openen. Voorzichtig Gemorste brandstof onmiddellijk afwassen.
Verzorging van de auto Verzorging van de auto Algemene informatie Algemene informatie .................. 150 Controle van de auto ................. 151 Gloeilamp vervangen ................. 164 Elektrisch systeem ..................... 170 Boordgereedschap .................... 175 Velgen en banden ..................... 176 Starthulp gebruiken ................... 186 Trekken ...................................... 188 Verzorging van uiterlijk ..............
Verzorging van de auto ■ Auto in een droge en goed geven‐ tileerde ruimte parkeren. Eerste versnelling of achteruitversnelling inschakelen. Voorkomen dat de auto kan wegrollen. ■ Handrem niet aantrekken. ■ Motorkap openen, alle portieren sluiten en auto vergrendelen. ■ Poolklem van de minpool van de accu loskoppelen. Erop letten dat geen van de systemen werkt, waar‐ onder het diefstalalarmsysteem. ■ Motorkap sluiten.
Verzorging van de auto 9 Gevaar Type 2 Het ontstekingssysteem werkt met een zeer hoge spanning. Niet aan‐ raken. 2. Windhaak omhoogduwen en de motorkap openen. 9 Waarschuwing Alleen de schuimplastic bekleding van de windhaak aanraken, wan‐ neer de motor heet is. Motorkap Openen Type 1 1. Aan de ontgrendelingshendel trekken en in de uitgangspositie terugduwen. 3. Trek de ondersteuningstang voor‐ zichtig uit de houder. En zet hem vervolgens vast aan de linker zij‐ haak van de motorruimte.
Verzorging van de auto Motorkap laten zakken en in het slot laten vallen. Controleer of de motor‐ kap vergrendeld is. 9 Waarschuwing Houd altijd de volgende voor‐ zorgsmaatregelen in acht: Trek de motorkap aan de voorzijde om‐ hoog om te controleren of hij goed vergrendeld is voordat u wegrijdt. Trek tijdens het rijden niet aan de ontgrendelhendel van de motor‐ kap. Verplaats de wagen niet terwijl de motorkap is geopend. Een geo‐ pende motorkap blokkeert het zicht van de bestuurder.
Verzorging van de auto Overzicht motorruimte Benzinemotor
Verzorging van de auto 155
Verzorging van de auto 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. Koelvloeistofreservoir Vuldop motorolie Remvloeistofreservoir Accu Zekeringenkastje Motorluchtfilter Peilstok motorolie Sproeiervloeistofreservoir Reservoir stuurbekrachtigings‐ vloeistof 10. Peilstok automatische-versnel‐ lingsbakolie Oliepeilstok uittrekken, afvegen, tot aan de aanslag van de handgreep weer insteken, opnieuw uittrekken en het motoroliepeil aflezen. Peilstok tot aan de aanslag van de handgreep insteken en een halve slag draaien.
Verzorging van de auto Uit de buurt van kinderen houden. Vermijd herhaaldelijk of langdurig contact met de huid. Was blootgestelde delen met zeep en water of een handreiniger. Wees heel voorzichtig tijdens het aftappen van de motorolie, omdat deze heet genoeg kan zijn om u te branden! De motorolievuldop bevindt zich op de kleppendeksel 157 1. Maak de bevestigingsklemmen van het luchtfilterdeksel los en open de deksel. 2. Vervang het luchtfilter. 3. Bevestig de deksel met de beves‐ tigingsklemmen.
Verzorging van de auto Voorzichtig De motor heeft schone lucht nodig om goed te kunnen werken. Laat de motor niet draaien zonder dat het luchtfilterelement geplaatst is. Rijden met het luchtfilterelement niet op de juiste manier geplaatst kan de motor beschadigen. Automatischeversnellingsbakolie Houd de transmissieolie van de auto‐ matische versnellingsbak goed op peil om deze goed, efficiënt en duur‐ zaam te laten werken. Te veel of te weinig olie kan problemen veroorza‐ ken.
Verzorging van de auto 4. Peilstok eruit trekken en schoon‐ vegen. 5. Peilstok weer geheel erin steken. Voorkom nu aanraking met an‐ dere onderdelen. 6. Peilstok weer eruit trekken. 7. Controleren of de olie op de peil‐ stok niet vervuild is. Voorzichtig Steek de oliepeilstok weer hele‐ maal in de buis. De peilstok mag geen andere onderdelen raken. 8. Oliepeil controleren. Olie moet zoals afgebeeld tussen de merk‐ jes MIN en MAX op de peilstok staan. 9.
Verzorging van de auto 9 Waarschuwing Voorzichtig Voorzichtig Vóór het openen van de dop de motor laten afkoelen. Dop voor‐ zichtig openen zodat de druk lang‐ zaam kan ontsnappen. Leidingwater of een onjuist meng‐ sel kan het koelsysteem bescha‐ digen. Gebruik geen leidingwater of anti‐ vries op alcohol- of methanolbasis in het koelsysteem. De motor kan oververhit raken of zelfs in brand vliegen. Het is niet noodzakelijk vaker dan het voorgeschreven interval koel‐ vloeistof bij te vullen.
Verzorging van de auto De stuurbekrachtigingsvloeistof moet tussen de merktekens MIN en MAX staan. Bijvullen als het peil te laag is. Voorzichtig Zeer kleine hoeveelheden vuil‐ deeltjes kunnen schade aan de stuurinrichtingssysteem veroorza‐ ken, waardoor het niet meer goed werkt. Voorkom dat vuildeeltjes in contact komen met de vloeistof‐ zijde van de reservoirdop/peilstok of dat ze in het reservoir terecht‐ komen.
Verzorging van de auto Remvloeistof 9 Waarschuwing Remvloeistof is giftig en bijtend. Contact met ogen, huid, textiel en lakwerk vermijden. De remvloeistof moet tussen de merktekens MIN en MAX staan. Bij het bijvullen schoon te werk gaan, omdat verontreinigde remvloeistof storingen in het remsysteem tot ge‐ volg kan hebben. Oorzaak van het remvloeistofverlies door een werk‐ plaats laten verhelpen. Gebruik alleen remvloeistof die is goedgekeurd voor de auto, rem- en koppelingsvloeistof 3 200.
Verzorging van de auto Accu's horen niet in het huisvuil thuis. Ze moeten via speciale inzamelpun‐ ten gerecycled worden. Wanneer de auto meer dan 4 weken achtereen stil staat, kan de accu ont‐ laden raken. Poolklem van de min‐ pool van de accu loskoppelen. Accu van de auto alleen bij uitgescha‐ keld contact aansluiten en loskoppe‐ len. 9 Waarschuwing Gloeiende materialen uit de buurt houden van de accu om ontplof‐ fing tegen te gaan.
Verzorging van de auto Wisserblad vervangen Wisserarm optillen. Ontgrendelings‐ hendeltje indrukken en wisserblad loshaken. Goed werkende voorruitenwissers zijn uitermate belangrijk voor een goed zicht en veilig rijden. Inspecteer de staat van de ruitenwisserbladen regelmatig. Vervang harde, verbrok‐ kelde of gescheurde bladen of exem‐ plaren die vuil op de voorruit achter‐ laten. Vreemde stoffen op de voorruit of de wisserbladen kan de werking van de ruitenwissers nadelig beïnvloeden.
Verzorging van de auto Koplampen 165 5. Bij het aanbrengen van de nieuwe gloeilamp de lipjes in de uitsparin‐ gen van het reflectorhuis steken. 6. Draadveerklem vastklikken. 7. Koplampafdekking aanbrengen en vastdraaien. 8. Stekker aan gloeilamp bevesti‐ gen. Grootlicht en dimlicht 1. Stekker van gloeilamp loshalen. 3. Druk de veerklem in, maak hem los. Koplampen afstellen U kunt het dimlicht afstellen met de schroef boven de koplamp.
Verzorging van de auto Mistlamp afstellen U kunt de mistlamp afstellen met de schroef boven de mistlamp. Voorzichtig 2. Koplampafdekking verwijderen. 4. Gloeilamp uit lamphouder verwij‐ deren. 5. Nieuwe gloeilamp plaatsen. 6. Lamphouder in reflectorhuis aan‐ brengen. 7. Koplampafdekking aanbrengen en vastdraaien. 8. Stekker aan gloeilamp bevesti‐ gen.
Verzorging van de auto 167 Achterlichten 2. Gloeilamp iets in lamphouder du‐ wen, linksom draaien, verwijderen en nieuwe gloeilamp plaatsen. 3. Lamphouder in reflectorhuis plaatsen en rechtsom vergrende‐ len. 1. Beide boutjes losdraaien. 2. Achterlicht-unit verwijderen. De kabelgeleider moet op zijn plaats blijven zitten. 3.
Verzorging van de auto 4. Lamphouder linksom draaien. 5. Lamphouder verwijderen. Gloei‐ lamp iets in lamphouder duwen, linksom draaien, verwijderen en nieuwe gloeilamp plaatsen. 6. Lamphouder in de achterlicht-unit steken en vastschroeven. Stekker aansluiten. Achterlicht-unit in car‐ rosserie aanbrengen en boutjes vastdraaien. Afdekkingen sluiten en vastklikken. 7. Contact inschakelen, verlichting activeren en controleren of alle lampen werken.
Verzorging van de auto Gloeilampen door een werkplaats la‐ ten vervangen. Kentekenverlichting 4. Lamphouder in lamphuis plaatsen en rechtsom draaien. 5. Lamphouder aanbrengen en met een schroevendraaier vast‐ draaien. 169 Bagageruimteverlichting Binnenverlichting Interieurverlichting 1. Wrik de kant tegenover de licht‐ schakelaar met een platte schroe‐ vendraaier los om deze te verwij‐ deren. (Maak geen krassen.) 2. Verwijder de gloeilamp. 3. Vervang de gloeilamp. 4.
Verzorging van de auto 2. Lamp verwijderen. 3. Nieuwe gloeilamp plaatsen. 4. Lampelement aanbrengen. Elektrisch systeem Zekeringen Controleren of het opschrift op de ver‐ vangende zekering overeenkomt met dat op de defecte zekering. In een kastje boven de plusklem van de accu zitten enkele hoofdzekerin‐ gen. Deze zo nodig vervangen door een werkplaats laten vervangen. Alvorens een zekering te vervangen, de desbetreffende schakelaar en het contact uitschakelen.
Verzorging van de auto Let op Het is mogelijk dat niet alle beschre‐ ven zekeringenkasten op uw auto aanwezig zijn. Raadpleeg bij een controle van de zekeringenkast de bijbehorende sticker.
Verzorging van de auto
Verzorging van de auto Nr. Stroomkring Nr.
Verzorging van de auto Type 2 De zekeringhouder interieur bevindt zich aan de onderzijde van het instru‐ mentenbord aan de bestuurderszijde. 2. Verwijder het deksel van de zeke‐ ringhouder diagonaal. 1. Open het deksel van de zekering‐ houder door aan de bovenkant er‐ van te trekken. Nr.
Verzorging van de auto Nr. Stroomkring Nr. Stroomkring 9 24 Radio / klok / afstandsbediening sleutelloze toegang Richtingaanwijzers 10 Achterruitverwarming 11 Mistachterlicht 25 SDM 26 – 175 Boordgereedschap Gereedschap Auto's met bandenreparatieset 14 Airbag Het gereedschap en de bandenrepa‐ ratieset liggen in een opbergvak on‐ der de vloerafdekplaat van de baga‐ geruimte.
Verzorging van de auto Velgen en banden Conditie van banden en velgen Grootformaat-reservewiel 3 184. Zo langzaam mogelijk en onder een rechte hoek over obstakels rijden. Het rijden over scherpe randen kan schade aan banden en velgen tot ge‐ volg hebben. Banden niet tegen de stoeprand klemmen. De wielen regelmatig op beschadi‐ ging controleren. Bij beschadigingen of abnormale slijtage de hulp van een werkplaats inroepen.
Verzorging van de auto 177 Een onjuiste bandenspanning beïn‐ vloedt de veiligheid, het weggedrag, het rijcomfort en het brandstofver‐ bruik negatief en verhoogt de ban‐ denslijtage. 9 Waarschuwing Bandenspanning 3 210 en op het la‐ bel in de portieropening bestuurders‐ zijde. De voorgeschreven bandenspanning geldt bij koude banden. De waarde geldt voor zowel zomer- als winter‐ banden. Reservewiel altijd oppompen tot de bandenspanning bij maximale bela‐ ding.
Verzorging van de auto Banden verouderen ook wanneer er niet mee gereden wordt. Wij raden u aan de banden om de 6 jaar te ver‐ vangen. Van banden- en velgmaat veranderen Bij het gebruik van banden met een andere bandenmaat dan af fabriek gemonteerd, moeten mogelijk de snelheidsmeter en de voorgeschre‐ ven bandenspanning geherprogram‐ meerd worden en moeten er eventu‐ eel andere aanpassingen aan de auto worden verricht.
Verzorging van de auto Sneeuwkettingen Bandenreparatieset Lichte beschadigingen van de loop‐ vlakken en de zijwanden van de ban‐ den kunnen met de bandenreparatie‐ set worden verholpen. Vreemde voorwerpen niet uit de ban‐ den verwijderen. Beschadigingen die groter zijn dan 4 mm of die in de bandwang dichtbij de velg zitten, kunnen niet met de bandenreparatieset worden verhol‐ pen. Sneeuwkettingen zijn alleen toege‐ staan op de vooras.
Verzorging van de auto 4. De schakelaar van de compres‐ sor moet op § staan. 5. Schroef de compressorluchtslang op de koppeling van de fles af‐ dichtmiddel. 6. Sluit de stekker van de compres‐ sor aan op de accessoireaanslui‐ ting. Om te voorkomen dat de accu leegraakt, is het raadzaam de motor te laten draaien. 7. Zet de fles afdichtmiddel in de houder op de compressor. Plaats de compressor dichtbij de band, zodanig dat de fles afdicht‐ middel rechtop staat. 8.
Verzorging van de auto 14. 15. 16. 17. beschadigd. De hulp van een werkplaats inroepen. Laat even‐ tueel de te hoge bandenspanning af via de knop boven op de ma‐ nometer. De compressor niet langer dan 10 minuten laten werken. Maak de bandenreparatieset los. Borglipje op houder indrukken om fles met afdichtmiddel uit houder te verwijderen. Bandenvulslang op de vrije aansluiting van fles met afdichtmiddel schroeven. Hier‐ door wordt voorkomen dat er af‐ dichtmiddel uit de fles stroomt.
Verzorging van de auto Door banden van verschillende ma‐ ten, merken of typen (radiaalbanden en gordelbanden met diagonaalkar‐ kas) door elkaar te gebruiken kan het rijgedrag slecht worden en kunt u een botsing krijgen. Door banden van ver‐ schillende maten, merken of typen door elkaar te gebruiken kan uw auto ook schade oplopen. Gebruik op alle wielen banden met de juiste maat en van hetzelfde merk en type. Sommige auto's hebben in plaats van een reservewiel een bandenrepara‐ tieset 3 179.
Verzorging van de auto 183 1. Wielmoerdoppen met een schroe‐ vendraaier loswippen en verwij‐ deren. 2. Klap de wielsleutel uit, zet deze stevig op de wielmoer en draai elke moer een halve slag los. 3. Draai de krikhendel om de hefkop iets om hoog te brengen en plaats de krik recht onder de positie die wordt aangeduid met de halve cir‐ kel. 4. Bevestig de krikhendel aan de krik en bevestig de sleutel correct aan de krikhendel.
Verzorging van de auto 5. Draai de sleutel waarbij u de cor‐ recte positie van de krik contro‐ leert tot het wiel vrij is van de grond. 6. Draai de wielmoeren los. 7. Wiel verwisselen. 8. Draai de wielmoeren erop. 9. Auto laten zakken. 10. Wielsleutel aanbrengen, let er hierbij op dat deze stevig vastzit en de wielmoeren kruislings aan‐ halen. Het aanhaalkoppel be‐ draagt 120 Nm. 11. Wieldop voor het aanbrengen zo verdraaien dat de ventielopening over het bandventiel valt. Wielmoerdoppen aanbrengen.
Verzorging van de auto Het reservewiel ligt in de bagage‐ ruimte onder de vloerafdekplaat. Het wordt in de kuip vastgezet met een vleugelmoer. De kuip van het reservewiel is niet ontworpen voor alle toegestane ban‐ denmaten. Wilt u een verwisseld wiel met een bredere band in de reserve‐ wielkuip leggen, dan kunt u de vloer‐ afdekplaat op het uitstekende wiel la‐ ten rusten. Voorzichtig Het reservewiel is alleen bedoeld voor tijdelijk noodgebruik. Vervang deze zo spoedig mogelijk door een normale band.
Verzorging van de auto Voor banden die tegen de draairich‐ ting in gemonteerd zijn geldt: ■ Rijeigenschappen worden mogelijk nadelig beïnvloed. Defecte band zo spoedig mogelijk laten vervangen of repareren. ■ Niet sneller rijden dan 80 km/h. ■ Bij regen en sneeuw bijzonder voorzichtig rijden. Starthulp gebruiken Niet starten met behulp van een snel‐ lader. Bij een ontladen accu kan de motor worden gestart met hulpstartkabels en de accu van een andere auto.
Verzorging van de auto ■ Ook de auto's mogen elkaar tijdens de hulpstart niet raken. ■ Handrem aantrekken, versnellings‐ bak in neutrale stand, automatische versnellingsbak in stand P. Aansluitvolgorde van de kabels: 1. Rode kabel op de pluspool van de hulpstartaccu aansluiten. 2. Het andere uiteinde van de rode kabel op de pluspool van de ont‐ laden accu aansluiten. 3. Zwarte kabel op de minpool van de hulpstartaccu aansluiten. 4.
Verzorging van de auto Trekken Ga voor het slepen van een auto als volgt te werk: ■ Laat geen passagiers in de ge‐ sleepte auto zitten. ■ Zet de handrem van de gesleepte auto los en zet de versnellingsbak in de neutraalstand. ■ Schakel de alarmknipperlichten in. ■ Houd u aan de maximumsnelhe‐ den. Als uw auto niet door het bergings‐ voertuig kan worden gesleept, gaat u als volgt te werk: Auto slepen Roep voor het slepen van uw auto de hulp in van ons servicenetwerk of een professioneel sleepbedrijf.
Verzorging van de auto 189 Voorzichtig Langzaam wegrijden. Schok‐ kende bewegingen vermijden. Buitensporige trekkrachten kun‐ nen de auto beschadigen. De afdekking ontgrendelen door de op pijlpositie (A - basismodel / B- mo‐ del met speciaal pakket) te drukken en de afdekking te verwijderen. Het sleepoog is opgeborgen bij het boordgereedschap 3 175. Sleepoog inschroeven en tot aan de aanslag in horizontale stand vast‐ draaien. Sleepkabel – beter is een sleepstang – aan sleepoog bevestigen.
Verzorging van de auto De hulp van een werkplaats inroepen. Na het slepen verwijdert u het sleep‐ oog. A (basismodel): afdekking links plaat‐ sen en afdekking sluiten. B (model met speciaal pakket): afdek‐ king onderaan plaatsen en afdekking sluiten. De beste manier om de auto te laten vervoeren is met een bergingsvoer‐ tuig. Het achterste sleepoog bevindt zich onder de achterbumper. Sleepoog alleen gebruiken om de auto weg te slepen en niet om deze te bergen.
Verzorging van de auto Verzorging van uiterlijk Verzorging exterieur Sloten De sloten zijn af fabriek gesmeerd met een hoogwaardig slotcilindervet. Ontdooimiddelen alleen in dringende gevallen gebruiken, omdat ze ontvet‐ tend werken en de werking van de sloten belemmeren. Na gebruik van ontdooimiddelen, de sloten door een werkplaats opnieuw laten smeren. Wassen Het lakwerk van de auto staat bloot aan invloeden van buitenaf. De auto daarom regelmatig wassen en met was conserveren.
Verzorging van de auto Ruiten en ruitenwisserbladen Een zachte, pluisvrije doek of een zeemleer en een ruitenreiniger en in‐ sectenverwijderaar gebruiken. Bij het reinigen van de achterruit de verwarmingsdraden aan de binnen‐ kant niet beschadigen. Om handmatig ijs te verwijderen, een ijskrabber met een scherpe rand ge‐ bruiken. IJskrabber stevig tegen de ruit drukken, zodat er geen vuil onder de krabber kan komen en er geen krassen op de ruit worden gemaakt.
Verzorging van de auto Verzorging interieur Interieur en bekleding Interieur van de auto inclusief instru‐ mentenpaneel en bekleding alleen met een droge doek of interieurreini‐ ger schoonmaken. Glas van instrumentenpaneel alleen met een vochtige doek reinigen. Stoffen bekleding met een stofzuiger en een borstel reinigen. Vlekken met een bekledingreiniger verwijderen. Het weefsel van de stof is wellicht niet kleurvast. Dit kan zichtbare verkleu‐ ringen veroorzaken, met name op lichtgekleurde bekleding.
Service en onderhoud Service en onderhoud Algemene informatie Service-informatie Algemene informatie .................. 194 Periodiek onderhoud ................. 195 Aanbevolen vloeistoffen, smeermiddelen en onderdelen . . 200 Het is voor de bedrijfs- en verkeers‐ veiligheid en voor het behoud van de waarde van uw auto belangrijk dat alle servicewerkzaamheden met de voorgeschreven intervallen worden uitgevoerd. Registraties Bevestiging van het onderhoud wordt in de Servicehandleiding genoteerd.
Service en onderhoud 195 Periodiek onderhoud Serviceschema's Onderhoudsinterval 1 keer per jaar /15.000 km (wat er het eerst voorvalt) Onderhoud I: gebruik Onderhoud I voor de eerste onderhoudsbeurt of als Onderhoud II eerder werd uitgevoerd. Onderhoud II: gebruik Onderhoud II als de vorige onderhoudsbeurt die werd uitgevoerd Onderhoud I was. Onderhoudswerkzaamheid Onderhoud I Onderhoud II Vervang de motorolie en filter.1) R R I I I I I I I I Controleer op lekken of Controleer beschadiging.
Service en onderhoud Onderhoudswerkzaamheid Onderhoud I Onderhoud II Controleer het motorkoelvloeistofpeil en het sproeiervloeistofpeil van de voorruit en voeg indien nodig vloeistof toe. I I Controleer de ophangings- en stuuronderdelen.5) I I Controleer de ruitenwisserbladen.6) I I Controleer de aandrijfriemen. I I Voer alle vereiste bijkomende onderhoudswerkzaamheden uit - raadpleeg het hoofdstuk van I toepassing. I Controleer op veldacties. I I Vervang de remvloeistof.
Service en onderhoud 197 Onderhoudswerkzaamheid Onderhoud I Onderhoud II Controleer de onderdelen van het beveiligingssysteem.9) – I Inspecteer de aandrijving en aandrijfonderdelen. – I – I Smeer de carrosserie-onderdelen.10) I: Controleer deze items en hun verwante onderdelen. Corrigeer, reinig, vul bij, pas aan of vervang indien nodig. R: Vervangen of verversen. Onderhoudswerkzaamheid Pollenfilter vervangen.3) Interval Elke 15.000 km / 1 jaar Vervang luchtfilter. Elke 60.
Service en onderhoud Onderhoudswerkzaamheid Interval Vervang motorkoelvloeistof. Elke 240.000 km / 5 jaar Vervang handgeschakelde versnellingsbakolie. Elke 150.000 km / 10 jaar Vervang automatische versnellingsbakolie. Controleer de olie elke 15.000 km / 1 jaar. Elke 75.000 km vervangen in barre omstandigheden. Vervang de hulpriem. 11) Vervang de distributieketting. Elke 240.000 km / 10 jaar Controleer de klepspeling, pas aan indien nodig. Elke 150.
Service en onderhoud 199 Algemene onderhoudsitems Item Onderhoudswerkzaamheid Alle Controleer alle systemen op interferentie of verbuiging en op beschadigde of ontbrekende onderdelen. Vervang de onderdelen indien nodig. Vervang elk onderdeel dat overmatige slijtage vertoont.
Service en onderhoud Aanvullend onderhoud Zware bedrijfsomstandigheden Gebruiksomstandigheden worden als zwaar beschouwd wanneer u vaak te maken krijgt met een of meer van de onderstaande zaken: ■ Herhaald rijden van korte afstan‐ den van minder dan 10 km. ■ Veelvuldig stationair draaien, veel‐ vuldig rijden met lage snelheden in druk verkeer. ■ Rijden op stoffige wegen. ■ Rijden in bergachtige gebieden. ■ Het trekken van een aanhanger.
Service en onderhoud Als u niet zeker weet of uw olie is goedgekeurd volgens de dexos™specificaties, vraagt het dan na bij uw onderhoudswerkplaats. Gebruik van vervangende motorolie als dexos niet beschikbaar is: In het geval geen door dexos goedge‐ keurde olie beschikbaar is bij een olieverversing of het handhaven van het juiste oliepeil, kunt u vervangende motorolie gebruiken die voldoet aan de onderstaande kwaliteit.
Service en onderhoud Werking bij lage temperaturen 1.0D, 1.2D Gen1 ■ Tot -25 °C en lager: 0W-30, 0W-40 ■ Tot en met -25 °C: 5W-30, 5W-40 ■ Tot en met -20 °C: 10W-30, 10W-40 Motorolieviscositeitsgraad voor 1.2D Gen2 SAE 5W-20 is de beste viscositeits‐ graad voor uw auto. Gebruik geen an‐ dere viscositeitsgraad zoals SAE 10W-30, 10W-40 of 20W-50. Werking bij lage temperaturen 1.
Service en onderhoud eventuele gevolgen van het gebruik van koelvloeistofadditieven wordt afgewezen. Remvloeistof Gebruik alleen onze erkende rem‐ vloeistof voor deze auto (DOT 4). Remvloeistof absorbeert na verloop van tijd vocht waardoor de remmen minder efficiënt werken. De remvloei‐ stof moet daarom na het aangegeven interval worden ververst. Remvloeistof moet worden opgesla‐ gen in een afgesloten verpakking om absorptie van vocht tegen te gaan. Verontreiniging van de remvloeistof voorkomen.
Technische gegevens Technische gegevens Voertuigidentificatie ................... 204 Autogegevens ............................ 206 Voertuigidentificatie Typeplaatje Voertuigidentificatienum‐ mer Type 1 Het voertuigidentificatienummer be‐ vindt zich onder het rechter zitkussen achterin. De sticker is bevestigd bij de vergren‐ deling van het bestuurdersportier.
Technische gegevens Type 2 De sticker is bevestigd bij de vergren‐ deling van het passagiersportier voorin.
Technische gegevens Autogegevens Motorgegevens Verkoopaanduiding Motor Motoraanduiding 1.0 Benzine 1.0D LMT 1.2 Benzine 1.
Technische gegevens 207 Prestaties Motor Topsnelheid1) 1.0D 1.2D 154 164 [km/h] Handgeschakelde versnellingsbak Brandstofverbruik - CO2-uitstoot Handgeschakelde versnellingsbak zonder stuurbekrachtiging / handgeschakelde versnellingsbak met stuurbekrachtiging. Motor 1.0D (Niet-ESC) 1.0D (ESC) 1.2D (Niet-ESC) 1.
Technische gegevens Voertuiggewicht Minimaal leeggewicht, met bestuurder (75 kg) Motor Handgeschakelde versnellingsbak zonder stuurbe‐ krachtiging Handgeschakelde versnellingsbak met stuurbekrach‐ tiging [kg] 1.0D 932 939 1.2D 932 939 Maximaal leeggewicht, met bestuurder (75 kg) Motor Handgeschakelde versnellingsbak zonder stuurbe‐ krachtiging Handgeschakelde versnellingsbak met stuurbekrach‐ tiging [kg] 1.0D 1047 1065 1.
Technische gegevens Afmetingen auto Lengte [mm] 3640 Breedte zonder buitenspiegels [mm] 1597 Breedte met twee buitenspiegels [mm] 1910 Hoogte (zonder antenne) [mm] zonder dakdrager 1522 Hoogte (zonder antenne) [mm] met roofrack 1551 Lengte vloer bagageruimte [mm] 548 Breedte bagageruimte [mm] 987 Hoogte bagageruimte [mm] 435 Wielbasis [mm] 2375 Diameter draaicirkel [m] 9,9 209
Technische gegevens Inhouden Motorolie Motor 1.0 DOHC 1.2 DOHC inclusief filter [l] 3,75 3,75 tussen MIN en MAX [l] 2,5/3,5 2,5/3,5 Brandstoftank 35 Benzine, nominale inhoud [l] Bandenspanningswaarden Motor Banden 1.0D, 155/80 R13, 1.2D 155/70 R14, Comfort bij max. 3 inzittenden voor achter [kPa/bar] [kPa/bar] ([psi]) ([psi]) ECO bij max.
Klantinformatie Klantinformatie Registratie van voertuigdata en privacy ....................................... 211 Registratie van voertuigdata en privacy Event Data Recorders (EDR) Gegevensopslagmodules in de auto Een groot aantal elektronische com‐ ponenten van uw auto bevat gege‐ vensopslagmodules die tijdelijk of permanent technische gegevens over de staat van de auto, voorvallen en fouten opslaan.
Klantinformatie Bij het gebruik van deze auto kunnen er zich situaties voordoen waarin deze technische gegevens in ver‐ band met andere informatie (o.a. on‐ gevalmelding, schade aan de auto, getuigenverklaringen) met een per‐ soon kunnen worden geassocieerd mogelijk met behulp van een expert. Bij extra contractueel met de klant overeengekomen functies (bijv. loka‐ liseren van de auto in noodgevallen) mogen er bepaalde gegevens m.b.t. de auto vanuit de auto worden ver‐ zonden.
Klantinformatie 213
Trefwoordenlijst A Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen ....................... 200 Aanduidingen op banden .......... 176 Aansteker .................................... 64 Aanvullend onderhoud .............. 200 Accessoires en modificaties van auto ........................................ 150 Accu ........................................... 162 Achterlichten .............................. 167 Achterruitverwarming ................... 30 Achteruitrijlichten .........................
D Dagrijlicht ..................................... 78 Dakdrager .................................... 58 Derde remlicht ........................... 168 Driepuntsgordel ........................... 37 E Elektrisch bediende ruiten ........... 29 Elektrische aansluitingen ............. 63 Elektrische verstelling .................. 27 Elektronische stabiliteitsregeling. . 71 Elektronische stabiliteitsregeling (ESC)...................................... 144 Elektronische stabiliteitsregeling UIT ..........
O Ontlaadbeveiliging accu .............. 81 Opbergvak instrumentenpaneel. . . 53 Overdrive uit ................................ 71 Overzicht bedieningselementen... 84 Overzicht instrumentenpaneel ..... 10 Overzicht motorruimte................ 154 P Parkeerhulp ............................... 145 Parkeren .............................. 19, 136 Personaliseren.............................. 89 Persoonlijke instellingen .............. 76 Pollenfilter .................................. 132 Portier open ...
Voertuigidentificatienummer ...... 204 Voordat u wegrijdt ........................ 18 W Werkzaamheden uitvoeren ....... 151 Wieldoppen ................................ 178 Wiel verwisselen ........................ 181 Winterbanden ............................ 176 Wis-/wasinstallatie ....................... 15 Wis-/wasinstallatie achterruit ....... 62 Wis-/wasinstallatie voorruit .......... 61 Wisserblad vervangen ............... 164 Z Zekeringen .................................