Aveo Instructieboekje
Inhoud Inleiding ......................................... 2 Kort en bondig ............................... 6 Sleutels, portieren en ruiten ......... 19 Stoelen, veiligheidssystemen ...... 36 Opbergen ..................................... 59 Instrumenten en bedieningsorganen ...................... 66 Verlichting .................................... 95 Infotainmentsysteem .................. 101 Klimaatregeling .......................... 162 Rijden en bediening ...................
2 Inleiding Inleiding
Inleiding Inleiding Uw auto is een combinatie van de‐ sign, vernieuwende techniek, veilig‐ heid, milieuvriendelijkheid en zuinig‐ heid. In deze gebruikershandleiding vindt u alle informatie die u nodig hebt om uw auto veilig en efficiënt te kunnen be‐ dienen. Zorg ervoor dat uw passagiers ervan op de hoogte zijn dat onjuist gebruik van de auto een ongeval tot gevolg kan hebben en dat er risico bestaat van persoonlijk letsel. Houd u altijd aan de specifieke wet‐ geving van het land waarin u zich be‐ vindt.
4 Inleiding 9 Waarschuwing Teksten met de vermelding 9 Waarschuwing wijzen op een mogelijk gevaar voor ongelukken of verwondingen. Het niet naleven van deze richtlijnen kan tot ver‐ wondingen leiden. Voorzichtig Teksten met de vermelding Voorzichtig wijzen erop dat de auto mogelijk beschadigd kan ra‐ ken. Het niet naleven van deze richtlijnen kan tot beschadiging van de auto leiden.
Inleiding 5
6 Kort en bondig Kort en bondig Auto ontgrendelen Stoelverstelling Handzender Zitpositie Toets c indrukken. Ontgrendelt alle deuren. De alarm‐ knipperlichten knipperen twee keer. Handzender 3 19, centrale vergren‐ deling 3 22. Om de stoel naar voren of achteren te verstellen, trekt u aan de handgreep en schuift u de stoel in de gewenste positie. Laat de handgreep los en controleer of de stoel in deze stand is vergren‐ deld. Stoelpositie 3 37, stoelverstelling 3 38.
Kort en bondig Rugleuning voorstoelen Zithoogte 7 Hoofdsteunverstelling Hoogteverstelling Aan de hendel trekken, de rugleuning instellen en de hendel loslaten. De stoel hoorbaar laten vastklikken. Bij het verstellen de rugleuning niet belasten. Stoelpositie 3 37, stoelverstelling 3 38. Haal de hendel aan de buitenkant van de stoelzitting omhoog of omlaag tot de zitting in de gewenste stand staat. Om de stoelzitting lager te stellen, drukt u de hendel een paar keer om‐ laag.
8 Kort en bondig Horizontale verstelling Veiligheidsgordel Spiegelverstelling Binnenspiegel Trek de hoofdsteun naar voren. Deze is in drie standen instelbaar. Trek de hoofdsteun naar voren om deze naar achteren te verstellen. Hij beweegt vervolgens automatisch naar ach‐ teren. Gordel uit de oprolautomaat trekken, zonder te verdraaien voor u langs ha‐ len en de gesp in het slot vastklikken. Heupgordel tijdens het rijden van tijd tot tijd strak trekken door aan de schoudergordel te trekken.
Kort en bondig Buitenspiegels Stuurwiel instellen Selecteer de gewenste buitenspiegel door de knop naar links (L) of rechts (R) te draaien. Beweeg daarna de knop om de spiegel te verstellen. Bolle buitenspiegels 3 30, elektri‐ sche verstelling 3 30, inklapbare buitenspiegels 3 30, verwarmde buitenspiegels 3 31. Hendel omlaagbewegen, stuurwiel instellen, hendel omhoogbewegen en vergrendelen. Stuurwiel uitsluitend bij stilstaande auto verstellen. Airbagsysteem 3 43, contactslot‐ standen 3 171.
10 Kort en bondig Overzicht instrumentenpaneel
Kort en bondig 1 2 3 4 5 6 7 Zijdelingse luchtroosters ..... 167 Rijverlichting .......................... 95 Instellen koplampreikwijdte ... 96 Richtingaanwijzers ................ 97 Cruise control ...................... 186 Instrumentengroep ............... 73 Claxon .................................. 67 Bestuurdersairbag ............... 47 Stuurbedieningsknoppen ...... 66 Wis- en wasinstallatie .......... 67 Middelste luchtroosters ...... 167 Informatiedisplay in dashboard .............................
12 Kort en bondig 9: de koplampen en alle bovenge‐ noemde verlichting gaat branden. Lichtschakelaar indrukken >: voormistlampen r: mistachterlicht Verlichting 3 95. Lichtsignaal, grootlicht en dimlicht Om van dimlicht naar grootlicht om te schakelen, duwt u tegen de hendel. Om het dimlicht in te schakelen, duwt u nogmaals tegen de hendel of u trekt eraan. Grootlicht 3 96, lichtsignaal 3 96. Alarmknipperlichten Bediening met toets ¨. Alarmknipperlichten 3 97.
Kort en bondig Richtingaanwijzers Claxon 13 Wis-/wasinstallatie Voorruitwissers Hendel = Richtingaanwijzer omhoog rechts Hendel omlaag = Richtingaanwijzer links Richtingaanwijzers 3 97. j indrukken. 2: Continu wissen, hoge snelheid. 1: Continu wissen, lage snelheid. P: Intervalstand. O: Systeem uit. Q: Wasemfunctie. Voor een enkele wisserslag terwijl de ruitenwissers van de voorruit uitge‐ schakeld zijn, beweegt u de hendel iets omlaag en laat u hem weer los. Voorruitwissers 3 67.
14 Kort en bondig Voorruitsproeiers Wis-/wasinstallatie achterruit (alleen hatchback) Sproeier Wisser Hendel naar u toe trekken. Voorruitsproeiers 3 67, sproeier‐ vloeistof 3 212. Druk op de bovenkant van de scha‐ kelaar om de wisser continu te laten werken. Druk op de onderkant van de scha‐ kelaar om de wisser met intervallen te laten werken. Zet de wisser in de neutraalstand om deze uit te zetten. Wis-/wasinstallatie achterruit (alleen hatchback) 3 69. Druk de hendel naar het dashboard toe.
Kort en bondig Klimaatregeling Verwarmbare achterruit, verwarmbare buitenspiegels Ü-toets indrukken om verwarming in te schakelen. Verwarmde spiegels 3 31, achter‐ ruitverwarming 3 33. Ruiten ontwasemen en ontdooien Draai de luchtverdeelknop naar ONTDOOIEN V. De voorruit ontdooien 3 162, De voorruit ontwasemen 3 164. 15 Versnellingsbak Handgeschakelde versnellingsbak Om de achteruit in te schakelen terwijl de auto stilstaat, trekt u de ring op de keuzehendel omhoog en schakelt u de versnelling in.
16 Kort en bondig Automatische versnellingsbak P (PARK): vergrendelt de voorwielen. Selecteer P alleen als de auto stil‐ staat en de handrem is aangetrokken. R (ACHTERUIT): schakel alleen naar R wanneer de auto stil staat. N (NEUTRAL): neutrale versnelling. D: voor alle gebruikelijke rijomstan‐ digheden. In deze stand kan de ver‐ snellingsbak alle 6 vooruitversnellin‐ gen schakelen. M: stand voor handgeschakelde mo‐ dus. Automatische versnellingsbak 3 176.
Kort en bondig Motor starten ■ Sleutel in stand 1 draaien.
18 Kort en bondig ■ Ruiten sluiten. ■ Vergrendel de auto en activeer het alarmsysteem. Sleutels 3 19.
Sleutels, portieren en ruiten Sleutels, portieren en ruiten Sleutels, sloten Sleutels Reservesleutels Sleutels, sloten ............................ 19 Portieren ...................................... 25 Antidiefstalbeveiliging .................. 28 Buitenspiegels ............................. 30 Binnenspiegel .............................. 31 Ruiten .......................................... 32 Dak ..............................................
20 Sleutels, portieren en ruiten Storing Wordt gebruikt voor: ■ Centrale vergrendeling ■ Diefstalalarmsysteem ■ Kofferdeksel (alleen notchback) De handzender heeft een bereik van circa 30 meter. Dit bereik kan beperkt worden door invloeden van buitenaf. Brandende alarmknipperlichten die‐ nen als bevestiging. Afstandsbediening met zorg behan‐ delen, vochtvrij houden, beschermen tegen hoge temperaturen en onnodig gebruik vermijden.
Sleutels, portieren en ruiten 1. Open de behuizing van de af‐ standsbediening. 2. Verwijder de oude batterij. Zorg dat de printplaat niet in aanraking komt met andere componenten. 3. Plaats de nieuwe batterij. Zorg er‐ voor dat de negatieve kant (-) met de onderkant naar de basis is ge‐ richt. 4. Sluit de behuizing van de hand‐ zender. 5. Controleer of de afstandsbedie‐ ningbij uw auto werkt. Vaste sleutel Laat de batterij vervangen door een werkplaats.
22 Sleutels, portieren en ruiten Centrale vergrendeling U kunt de centrale vergrendeling in‐ schakelen via het bestuurdersportier. Met dit systeem kunt u alle portieren, de achterklep (of het kofferdeksel) vanaf het bestuurdersportier vergren‐ delen of ontgrendelen, met gebruik van de handzender (van buitenaf) of de knop voor centrale vergrendeling (van binnenuit). De tankklep kan sa‐ men met alle portieren en de achter‐ klep (of het kofferdeksel) vergrendeld zijn.
Sleutels, portieren en ruiten Vergrendelen Handzender Ontgrendelen van het kofferdeksel (alleen notchback) 23 Bij supervergrendeling worden alle elektrische sloten langs elektronische weg geblokkeerd en kan geen enkel portier nog worden geopend, ook niet nadat een ruit is ingeslagen. 9 Waarschuwing Gebruik supervergrendeling niet als er mensen in de auto zijn. De portieren kunnen dan niet van bin‐ nenuit worden geopend. Toets e indrukken. Vergrendelt alle deuren.
24 Sleutels, portieren en ruiten Vertraagde vergrendeling Deze functie vertraagt het vergrende‐ len van de portieren en het activeren van het diefstalalarmsysteem met vijf seconden als de auto met de centrale vergrendelingstoets of de handzen‐ der wordt vergrendeld. Dit kan worden gewijzigd in de Voer‐ tuiginstellingen. Zie Persoonlijke instellingen 3 90. AAN: bij het indrukken van de toets voor centrale vergrendeling, geven drie geluidssignalen aan dat ver‐ traagde vergrendeling is ingescha‐ keld.
Sleutels, portieren en ruiten Voorzichtig Trek niet aan de binnenportier‐ greep terwijl het kinderslot in de stand LOCK (vergrendeld) staat. De binnenportiergreep kan hier‐ door beschadigd raken. Portieren 25 Bagageruimte Het kofferdeksel wordt ontgrendeld of vergrendeld wanneer u alle portieren vergrendelt/ontgrendelt via de hand‐ zender. Kofferdeksel (notchback) Openen 9 Waarschuwing Gebruik de kindersloten wanneer kinderen op de achterste zitplaat‐ sen worden vervoerd.
26 Sleutels, portieren en ruiten Voorzichtig Kijk voordat u het kofferdeksel opent of er boven de auto niets in de weg zit, zoals een garagedeur, om schade aan het kofferdeksel te voorkomen. Controleer altijd het gedeelte vlak boven en achter het kofferdeksel . U kunt het kofferdeksel ook ontgren‐ delen door de ontgrendelingshendel voor het kofferdeksel naast de be‐ stuurdersstoel omhoog te trekken. 9 Waarschuwing Niet met een geopende of op een kier staande achterklep rijden, bijv.
Sleutels, portieren en ruiten Achterklep (hatchback) Openen U opent de achterklep door tegen het slotpaneel te drukken terwijl de ach‐ terklep ontgrendeld is. De achterklep wordt ontgrendeld of vergrendeld wanneer alle portieren worden ontgrendeld/vergrendeld via de handzender. 27 Voorzichtig Voordat u de achterklep opent, moet u kijken of er boven de auto niets in de weg zit, zoals een ga‐ ragedeur, om schade aan de ach‐ terklep te voorkomen.
28 Sleutels, portieren en ruiten Druk niet op het slotpaneel terwijl u het kofferdeksel sluit. Het kofferdek‐ sel kan dan weer opengaan. De achterklep wordt gesloten door hem aan te drukken zodat deze goed in het slot zit. Antidiefstalbeveiliging Diefstalalarmsysteem Activering Als de controlelamp na de eerste 30 seconden toch snel blijft knippe‐ ren, is het bestuurdersportier niet goed afgesloten of is er een sys‐ teemstoring. De hulp van een werkplaats inroepen.
Sleutels, portieren en ruiten Automatische portiervergrendeling Wanneer geen enkel portier wordt ge‐ opend of de contactsleutel niet in de stand ACC of ON wordt gezet binnen 3 minuten nadat de portieren zijn ont‐ grendeld via de handzender, worden alle portieren weer vergrendeld en wordt het diefstalalarmsysteem auto‐ matisch ingeschakeld. Automatische portierontgrendeling Alle portieren ontgrendelen automa‐ tisch zodra de botsingsensoren een botsingsignaal ontvangen terwijl het contact is ingeschakeld.
30 Sleutels, portieren en ruiten Buitenspiegels Bolle vorm De convexe buitenspiegel heeft een asferische zone en reduceert dode hoeken. Door de vorm van de spiegel lijken voorwerpen kleiner dan ze zijn, waardoor afstanden moeilijker zijn in te schatten. Beweeg het hendeltje in de gewenste richting om de spiegelstanden aan te passen. Inklapbare spiegels Elektrische verstelling Handmatig verstellen Selecteer de gewenste buitenspiegel door de knop naar links (L) of rechts (R) te draaien.
Sleutels, portieren en ruiten 9 Waarschuwing Zorg er altijd voor dat de spiegels correct zijn afgesteld en gebruik ze tijdens het rijden om voorwer‐ pen en andere auto's om u heen te kunnen zien. Rijd niet als een van de buitenspiegels is ingeklapt. De verwarming werkt bij een draai‐ ende motor en wordt na enkele minu‐ ten automatisch uitgeschakeld of door opnieuw op de knop te drukken.
32 Sleutels, portieren en ruiten Een verkeerde inschatting kan lei‐ den tot een aanrijding en daarmee tot persoonlijk letsel en/of materi‐ ele schade. Ruiten Handbediende ruiten Als er achterin kinderen zitten, moet u de kinderbeveiliging van de elektrische ruitbediening in‐ schakelen. Ruiten tijdens het sluiten goed in de gaten houden. Ervoor zorgen dat niets of niemand bekneld raakt. De portierruiten zijn met de handslin‐ gers te bedienen.
Sleutels, portieren en ruiten Bediening U kunt de elektrisch bediende ruiten bedienen met de schakelaars op de portieren als het contact is ingescha‐ keld. Druk de schakelaar omlaag om de ruit te openen. Om de ruit te sluiten, haalt u de scha‐ kelaar omhoog. Laat de schakelaar los als de ruit de gewenste positie heeft bereikt. Verkeerd gebruik van de elek‐ trisch bediende ruiten kan ernstig of fataal letsel tot gevolg hebben.
34 Sleutels, portieren en ruiten Voorzichtig Gebruik geen scherpe voorwer‐ pen of reinigingsmiddelen met schurende bestanddelen om de achterruit van uw auto te reinigen. Let er bij het reinigen van de ach‐ terruit en bij het werken in de om‐ geving van de achterruit op dat u het verwarmingselement niet be‐ schadigt. Zonnekleppen Om verblinding te vermijden kunnen de zonnekleppen worden neerge‐ klapt en opzij worden gedraaid.
Sleutels, portieren en ruiten Omhoog of sluiten Om het zonnedak te openen met de kantelfunctie, houdt u de schakelaar (2) ingedrukt. Laat de schakelaar los zodra het zon‐ nedak de gewenste positie bereikt. U sluit het zonnedak door de schake‐ laar (1) ingedrukt te houden totdat het zonnedak gesloten is. Zonnescherm Het zonnescherm wordt handmatig bediend. Schuif het zonnescherm open of dicht. Wanneer het zonnedak openstaat, is het zonnescherm altijd open.
36 Stoelen, veiligheidssystemen Stoelen, veiligheidssystemen Hoofdsteunen .............................. 36 Voorstoelen .................................. 37 Veiligheidsgordels ....................... 40 Airbagsysteem ............................. 43 Kinderveiligheidssystemen .......... 50 Hoofdsteunen Stand 9 Waarschuwing Rij alleen met de hoofdsteun in de juiste stand.
Stoelen, veiligheidssystemen Demonteren Haal de hoofdsteun helemaal om‐ hoog. Druk tegelijkertijd de pallen (1) en (2) in. Trek de hoofdsteun omhoog. Hoofdsteunen van achterbank Voorstoelen Hoogteverstelling Stoelpositie 37 9 Waarschuwing Alleen met een correct ingestelde stoel rijden. Horizontale verstelling Hoofdsteun omhoogtrekken. Voor la‐ ger zetten de pal (1) indrukken en de hoofdsteun omlaag duwen. Hoofdsteun naar voren trekken. Deze kan in drie standen worden ingesteld.
38 Stoelen, veiligheidssystemen ■ Met schouders zo ver mogelijk te‐ gen de rugleuning zitten. Stel de hoek van de rugleuning zo in dat u het stuurwiel gemakkelijk met licht gebogen armen kunt vastpakken. Bij het verdraaien van het stuurwiel, contact blijven houden tussen schouders en rugleuning. De rug‐ leuning mag niet te ver achterover‐ hellen. De aanbevolen hellings‐ hoek bedraagt maximaal ca. 25°. ■ Stuurwiel instellen 3 66.
Stoelen, veiligheidssystemen Zithoogte Verwarming 39 Voorzichtig Langdurig gebruik van de hoogste instelling wordt voor mensen met een gevoelige huid niet aanbevo‐ len. Haal de hendel aan de buitenkant van de stoelzitting op of neer tot de zitting in de gewenste stand is versteld. Om de stoelzitting lager te stellen, drukt u de hendel een paar keer om‐ laag. Om de stoelzitting hoger te stellen, haalt u de hendel een paar keer om‐ hoog.
40 Stoelen, veiligheidssystemen Veiligheidsgordels 9 Waarschuwing Veiligheidsgordel vóór elke rit om‐ doen. Inzittenden die geen gebruik ma‐ ken van de veiligheidsgordel bren‐ gen bij eventuele aanrijdingen me‐ depassagiers en zichzelf in ge‐ vaar. De veiligheidsgordels worden bij snel optrekken of hard remmen geblok‐ keerd om de inzittenden op hun stoel te houden. Veiligheidsgordels zijn bedoeld voor gebruik door slechts één persoon te‐ gelijk. Ze zijn niet geschikt voor per‐ sonen kleiner dan 1,50 m.
Stoelen, veiligheidssystemen De gordelsloten van de voorstoelen worden strakgetrokken bij een vol‐ doende zware frontale of zijdelingse botsing of bij een aanrijding van ach‐ teren. 41 Driepuntsgordel Bevestiging 9 Waarschuwing Onjuist handelen (bijv. het verwij‐ deren of aanbrengen van gordels of gordelgespen) kan de gordel‐ spanners in werking stellen. Geactiveerde gordelspanners zijn te herkennen aan de brandende contro‐ lelamp v 3 78. Geactiveerde gordelspanners door een werkplaats laten vervangen.
42 Stoelen, veiligheidssystemen Hoogteverstelling Demonteren 1. Toets indrukken. 2. Hoogte instellen en vergrendelen. Hoogte zo instellen dat de gordel over de schouder loopt. Gordel mag niet langs de hals of bovenarm lopen. Om de gordel los te maken, de rode knop van het gordelslot indrukken. Voorzichtig Pas de positie niet aan tijdens het rijden.
Stoelen, veiligheidssystemen Verder heeft een ongeboren kind gro‐ tere overlevingskansen als de veilig‐ heidsgordel op de juiste manier ge‐ dragen wordt. Voor maximale bescherming hoort een aanstaande moeder een veilig‐ heidsgordel te dragen. Het heupgedeelte van de gordel moet tijdens de zwangerschap zo laag mo‐ gelijk worden gedragen. Airbagsysteem Het airbagsysteem bestaat uit meer‐ dere afzonderlijke systemen. Bij het afgaan worden de airbags bin‐ nen enkele milliseconden gevuld.
44 Stoelen, veiligheidssystemen Geen aanpassingen in het airbag‐ systeem aanbrengen, anders ver‐ valt de typegoedkeuring van de auto. Laat het vervangen van stuurwiel, instrumentenpaneel, alle bekleding, portierdichtingen, handgrepen en stoelen over aan een werkplaats in geval een airbag is afgegaan. Wanneer een airbag afgaat, kan er een sprake zijn van een hard geluid en rook. Dit is normaal en niet ge‐ vaarlijk, maar kan wle de huid vna de passagier irriteren.
Stoelen, veiligheidssystemen FR: NE JAMAIS utiliser un siège d'en‐ fant orienté vers l'arrière sur un siège protégé par un COUSSIN GONFLA‐ BLE ACTIF placé devant lui, sous peine d'infliger des BLESSURES GRAVES, voire MORTELLES à l'EN‐ FANT. ES: NUNCA utilice un sistema de re‐ tención infantil orientado hacia atrás en un asiento protegido por un AIR‐ BAG FRONTAL ACTIVO. Peligro de MUERTE o LESIONES GRAVES para el NIÑO.
46 Stoelen, veiligheidssystemen UK: НІКОЛИ не використовуйте систему безпеки для дітей, що встановлюється обличчям назад, на сидінні з УВІМКНЕНОЮ ПОДУШКОЮ БЕЗПЕКИ, інакше це може призвести до СМЕРТІ чи СЕРЙОЗНОГО ТРАВМУВАННЯ ДИТИНИ. HU: SOHA ne használjon hátrafelé néző biztonsági gyerekülést előlről AKTÍV LÉGZSÁKKAL védett ülésen, mert a GYERMEK HALÁLÁT vagy KOMOLY SÉRÜLÉSÉT okozhatja.
Stoelen, veiligheidssystemen ET: ÄRGE kasutage tahapoole suu‐ natud lapseturvaistet istmel, mille ees on AKTIIVSE TURVAPADJAGA kait‐ stud iste, sest see võib põhjustada LAPSE SURMA või TÕSISE VIGAS‐ TUSE. Gebruik afgezien van de waarschu‐ wing conform ECE R94.02 omwille van de veiligheid nooit een kindervei‐ ligheidssysteem op de passagiers‐ stoel met actieve frontairbag. Airbag deactiveren 3 49.
48 Stoelen, veiligheidssystemen 9 Waarschuwing De kans op letsel aan het bovenli‐ chaam en de heupen bij een zijde‐ lingse aanrijding wordt aanzienlijk verminderd. Kinderen die te dicht bij de zij-air‐ bags zitten, kunnen bij het inwer‐ kingtreden ervan ernstig letsel op‐ lopen. Dit geldt met name wan‐ neer het hoofd, de hals of de borst van het kind zich op dat moment in de nabijheid van de airbag bevin‐ den. Laat een kind nooit tegen het por‐ tier of in de nabijheid van de zijair‐ bag-module leunen.
Stoelen, veiligheidssystemen Gebruik de contactsleutel om de po‐ sitie te kiezen: c = airbag van voorpassagier is gedeactiveerd en gaat niet af bij een aanrijding. De controle‐ lamp c brandt continu. Het is mogelijk een kinderveiligheids‐ systeem te monteren zoals aangegeven in de tabel. d = airbag van voorpassagier is actief. U mag geen kindervei‐ ligheidssystemen plaatsen. 9 Waarschuwing Lichaamsdelen of voorwerpen uit het werkingsgebied van de airbag houden.
50 Stoelen, veiligheidssystemen Verander de status alleen tijdens stil‐ stand terwijl het contact is uitgescha‐ keld. Status blijft actief tot de volgende ver‐ andering. Controlelamp airbag-deactivering 3 78. Kinderveiligheidssyste‐ men Wij adviseren GM-kinderzitjes die speciaal voor deze auto zijn aange‐ past. Wanneer u een kinderveiligheidssys‐ teem gebruikt, moet u de gebruikersen montagehandleiding én de instruc‐ ties bij het kinderveiligheidssysteem opvolgen.
Stoelen, veiligheidssystemen kinderveiligheidssysteem te gebrui‐ ken, zelfs als dit vanwege de leeftijd van het kind niet meer wettelijk ver‐ plicht is. Raadpleeg de plaatselijke wetgeving en richtlijnen voor het verplichte ge‐ bruik van kinderveiligheidssystemen. Draag het kind nooit wanneer u in een auto rijdt. Het kind wordt tijdens een aanrijding te zwaar om vast te hou‐ den. Bij vervoer van kinderen uitsluitend het geschikte kinderveiligheidssys‐ teem, afhankelijk van het lichaams‐ gewicht, gebruiken.
52 Stoelen, veiligheidssystemen Inbouwposities kinderveiligheidssystemen Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een kinderveiligheidssysteem Op passagiersstoel Op buitenste zitplaatsen Op middelste zitplaats Gewichts- of leeftijdsgroep geactiveerde airbag gedeactiveerde airbag achterin achterin Groep 0: tot 10 kg of ca. 10 maanden X U1 U U Groep 0+: tot 13 kg of ca. 2 jaar X U1 U U Groep I: 9 tot 18 kg X of ca. 8 maanden tot 4 jaar U1 U U Groep II: 15 tot 25 kg of ca.
Stoelen, veiligheidssystemen 53 Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een ISOFIX-kinderveiligheidssysteem Gewichtsklasse Op buitenste zitplaatsen Maatklasse Bevestiging Op passagiersstoel achterin Op middelste zitplaats achterin Groep 0: tot 10 kg E ISO/R1 X IL X Groep 0+: tot 13 kg E ISO/R1 X IL X D ISO/R2 X IL X C ISO/R3 X IL1) X D ISO/R2 X IL X C ISO/R3 X IL1) X B ISO/F2 X IL, IUF X B1 ISO/F2X X IL, IUF X A ISO/F3 X IL, IUF X Groep II: 15 tot
54 Stoelen, veiligheidssystemen ISOFIX-maatklasse en zitgelegenheid A - ISO/F3 B - ISO/F2 B1 - ISO/F2X C - ISO/R3 D - ISO/R2 E - ISO/R1 = In rijrichting geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kinderen met maximumlengte in de gewichtsklasse 9 tot 18 kg. = In rijrichting geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse 9 tot 18 kg. = In rijrichting geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse 9 tot 18 kg.
Stoelen, veiligheidssystemen ISOFIXkinderveiligheidssystemen In het verleden werden kinderzitjes met de veiligheidsgordels van de auto op een zitplaats vastgemaakt. Als ge‐ volg hiervan werden kinderzitjes vaak onjuist of niet stevig genoeg beves‐ tigd om het kind een goede bescher‐ ming te bieden.
56 Stoelen, veiligheidssystemen veiligheidsgordels of veiligheids‐ gordels. Vreemde voorwerpen kunnen de juiste bevestiging van het kinderzitje aan de veranke‐ ringspunten in de weg staan. 4. Plaats het kinderzitje in de stoel boven de twee onderste veranke‐ ringen en bevestig het aan de ver‐ ankeringen volgens de instructies die bij het kinderzitje worden ge‐ leverd. 5. Verstel het kinderzitje en zet het vast volgens de aanwijzingen van de fabrikant van de kinderzitje.
Stoelen, veiligheidssystemen Een naar voren gericht kinderzitje moet, waar mogelijk, altijd op de achterbank worden vastgemaakt. Indien het op de passagiersvoor‐ stoel wordt bevestigd, zet u de stoel zover mogelijk naar ach‐ teren. Top-Tetherbevestigingsogen Voorzichtig Grote kinderzitjes met de kijkrich‐ ting naar achteren kunnen moge‐ lijk niet worden geplaatst. Neem contact op met het verkooppunt voor informatie over geschikte kin‐ derzitjes.
58 Stoelen, veiligheidssystemen 3. Trek de tuiband van het kinderzi‐ tje strak volgens de aanwijzingen die bij het kinderzitje worden ge‐ leverd. 4. Probeer het kinderzitje na het plaatsen heen en weer te bewe‐ gen om er zeker van zijn dat het kinderzitje goed vastzit. 9 Waarschuwing Controleer of de klem aan de tui‐ band van het kinderzitje op de juiste wijze is bevestigd aan de bo‐ venste tuiverankering.
Opbergen Opbergen Opbergruimten ............................. 59 Bagageruimte .............................. 62 Beladingsinformatie ..................... 65 Opbergruimten 9 Waarschuwing Berg geen zware of scherpe ob‐ jecten in de opbergruimten op. An‐ ders kan de klep van de opberg‐ ruimte open gaan en kunnen de inzittenden bij krachtig remmen, plotseling afslaan of een ongeval letsel door rondslingerende voor‐ werpen oplopen.
60 Opbergen Het bergvak bovenaan het hand‐ schoenenkastje is uitgerust met AUXen USB-aansluitingen etc. Infotainmentsysteem 3 138. Handschoenenkastje De bergvakken zijn ondergebracht in het dashboard. Ze worden gebruikt voor o.a. kleine voorwerpen. Om te openen aan de handgreep trekken. 9 Waarschuwing Houd de klep van het dashboard‐ kastje onderweg altijd dicht om de kans op letsel bij een ongeval of een noodstop terug te brengen.
Opbergen De bekerhouders bevinden zich in de centrale console en in het achterste gedeelte van de middenconsole. Zonnebrilhouder 61 Opbergvak onder passagiersstoel 9 Waarschuwing Plaats geen onbedekte bekers met hete vloeistof in de bekerhou‐ der terwijl het voertuig in beweging is. Als de hete vloeistof wordt ge‐ morst, kunt u brandwonden oplo‐ pen. Mocht dit bij de bestuurder gebeuren, dan kan deze de con‐ trole over het voertuig verliezen.
62 Opbergen Bagageruimte Achterste rugleuningen neerklappen 9 Waarschuwing Stapel bagage niet hoger op dan tot de bovenzijde van de voorstoe‐ len. Laat tijdens het rijden geen pas‐ sagiers plaatsnemen op een neer‐ geklapte rugleuning. Passagiers die geen gebruik ma‐ ken van de veiligheidsgordels en losliggende bagage kunnen bij een plotselinge remactie of aanrij‐ ding door het interieur of uit de auto worden geslingerd. Dit kan ernstig of zelfs dodelijk letsel tot gevolg hebben.
Opbergen 3. Steek de gordels van de buitenste zitplaatsen in de gordelgeleiders. Om de achterbankrugleuning terug te zetten in de oorspronkelijke positie, trekt u de veiligheidsgordel uit de gor‐ delgeleiders en haalt u de achter‐ bankrugleuning omhoog. Druk de achterbankrugleuning stevig op zijn plaats. Controleer of de veiligheidsgordels niet klem raken door de verankering. De middelste veiligheidsgordel op de achterbank kan zich vergrendelen als u de achterbankrugleuning omhoog haalt.
64 Opbergen de bovenkant van de voorstoelen. De vracht kan tijdens plotselinge remacties naar voren schuiven en letsel of beschadigingen veroorza‐ ken. oorzaken en ontstaat mogelijk slij‐ tage door aanraking met de achter‐ bank. Gevarendriehoek Bagageruimte-afdekking Wanneer de bagageruimte-afdekking zich in de bovenste positie bevindt, plaats deze dan op de juiste plek.
Opbergen Beladingsinformatie ■ Zware voorwerpen in de bagage‐ ruimte tegen de rugleuningen leg‐ gen. Controleren of de rugleunin‐ gen naar behoren zijn vergrendeld. Bij stapelbare voorwerpen de zwaarste voorwerpen onderop leg‐ gen. ■ Losse voorwerpen in de bagage‐ ruimte vastzetten om verschuiven tegen te gaan. ■ Bij het vervoeren van voorwerpen in de bagageruimte mogen de rug‐ leuningen van de achterbank niet schuin naar voren geklapt zijn. ■ Bagage niet boven de rugleuningen laten uitsteken.
66 Instrumenten en bedieningsorganen Instrumenten en bedieningsorganen Bedieningsorganen Stuurwielverstelling versteld wordt, of wanneer de hen‐ del geblokkeerd is, kan dit schade veroorzaken aan onderdelen van het stuurwiel. Stuurbedieningsknoppen Bedieningsorganen ...................... 66 Waarschuwingslampen, meters en controlelampen ....................... 73 Informatiedisplays ........................ 83 Boordinformatie ........................... 87 Tripcomputer ................................
Instrumenten en bedieningsorganen Claxon Wis-/wasinstallatie voorruit Voorruitwissers 67 Automatische wisfunctie met regensensor De regensensor registreert de hoe‐ veelheid neerslag op de voorruit en stuurt automatisch de wissnelheid van de voorruitwisser aan. Mist-functie Om de ruitenwissers bij mist of mot‐ regen één slag te laten maken, drukt u de ruitenwisserschakelaar iets om‐ laag en laat u deze vervolgens weer los. De schakelaar keert automatisch terug naar diens ruststand.
68 Instrumenten en bedieningsorganen omstandigheden kan schade aan het wisserblad, het ruitenwisser‐ mechanisme, de ruitenwissermo‐ tor of de voorruit veroorzaken. Controleer of de wisserbladen niet aan de ruiten zijn vastgevroren, al‐ vorens ze bij koud weer in te scha‐ kelen. Als de wissers worden in‐ geschakeld terwijl het wisserblad is vastgevroren, kan de wissermo‐ tor beschadigd raken.
Instrumenten en bedieningsorganen Wis-/wasinstallatie achterruit Wis-/wasinstallatie achterruit (uitsluitend hatchback) U zet de wisser uit door de knop in de neutraalstand te drukken. Sproeier Wisser Om de achterruitwisser te bedienen, drukt u op de knop op het uiteinde van de hendel. Druk aan de bovenzijde van de knop om de wisser continu te gebruiken. Druk aan de onderzijde van de knop om de wisser met intervallen te ge‐ bruiken. Druk de hendel naar het dashboard toe.
70 Instrumenten en bedieningsorganen Bij temperaturen onder het vries‐ punt kan de ruitensproeiervloei‐ stof op de ruit bevriezen, waardoor het zicht ernstig belemmerd kan worden. Klok Voorzichtig Bedien de ruitensproeier niet lan‐ ger dan enkele seconden achter elkaar. Gebruik hem niet wanneer de sproeiertank leeg is. Op deze manier kan de sproeiermotor over‐ verhit raken, met dure reparaties tot gevolg. De tijd en de datum worden getoond in het infotainmentdisplay.
Instrumenten en bedieningsorganen (Lang indrukken: langer dan 2 seconden, Kort indrukken: korter dan 2 seconden). Elektrische aansluitingen De aansluiting wordt ook gedeacti‐ veerd wanneer de accuspanning in de auto te laag is. Voorzichtig Sluit geen apparatuur aan die stroom levert, zoals elektrische laadapparatuur of accu's. Beschadig de aansluitcontacten niet door het gebruik van onge‐ schikte stekkers. Aansteker Er zit een 12 V aansluitcontact in de middenconsole.
72 Instrumenten en bedieningsorganen 9 Waarschuwing Voorzichtig Voorzichtig Wanneer u de auto met een brandbare explosieve substantie, zoals een wegwerpaansteker, achterlaat in de auto in de zomer, kan dat exploderen en brand ver‐ oorzaken als gevolg van de tem‐ peratuurstijging in het passagiers‐ compartiment en de bagage‐ ruimte. Zorg ervoor dat er geen brandbare explosieve substanties in de auto worden achtergelaten of bewaard. De cilinder van een werkende aansteker kan erg warm worden.
Instrumenten en bedieningsorganen Waarschuwingslam‐ pen, meters en controlelampen 73 Kilometerteller Snelheidsmeter Aanduiding van de rijsnelheid. De kilometerteller geeft de afgelegde afstand aan in kilometers of mijlen. Er is een onafhankelijk werkende dagteller die de door de auto afge‐ legde afstand meet sinds de teller op nul werd gezet.
74 Instrumenten en bedieningsorganen Toerenteller Brandstofmeter Weergave van het aantal omwente‐ lingen per minuut. In elke versnelling zo veel mogelijk met een laag toerental rijden. Geeft het brandstofpeil in de tank aan. Tank nooit leegrijden. Door brandstofresten in de tank kan de hoeveelheid brandstof die kan worden bijgetankt kleiner zijn dan de gespecificeerde tankinhoud.
Instrumenten en bedieningsorganen 9 Gevaar Voordat u gaat tanken, zet u de auto stil en schakelt u de motor uit. Versnellingsbakdisplay feitelijk aanwezig zijn in de auto, wij‐ ken mogelijk iets af van de beschrij‐ ving. Bij het inschakelen van het con‐ tact lichten de meeste controlelam‐ pen korte tijd op bij wijze van functie‐ test.
76 Instrumenten en bedieningsorganen Controlelampen in de instrumentengroep (type A)
Instrumenten en bedieningsorganen Controlelampen in de instrumentengroep (type B) 77
78 Instrumenten en bedieningsorganen Richtingaanwijzer O knippert groen. Knippert Controlelamp knippert bij ingescha‐ kelde richtingaanwijzer of alarmknip‐ perlichten. Snel knipperen Storing in een richtingaanwijzer of de bijbehorende zekering. Gloeilamp vervangen 3 217, zeke‐ ringen 3 223, richtingaanwijzers 3 97. Gordelverklikker X van de bestuurdersstoel brandt of knippert rood. k van de passagiersstoel voorin brandt of knippert rood wanneer de stoel bezet is.
Instrumenten en bedieningsorganen De controlelampen bevinden zich in het instrumentenpaneel. d voor de passagiersairbag voorin brandt. Wanneer de controlelamp brandt, is de passagiersairbag voorin geacti‐ veerd en moet op de voorste passa‐ giersstoel geen baby- of kinderzitje worden geïnstalleerd. c voor de passagiersairbag voorin brandt. Wanneer de controlelamp brandt, is de passagiersairbag voorin gedeacti‐ veerd. Airbag deactiveren 3 49. Laadsysteem p brandt rood.
80 Instrumenten en bedieningsorganen Brandt nadat het contact is ingescha‐ keld en de handbediende handrem is aangetrokken. Parkeerrem 3 183. Koppelingspedaal intrappen - brandt geel. Het brandt als het koppelingspedaal moet worden ingetrapt om de motor te starten. Zie Functie Motor automatisch star‐ ten/stoppen 3 172. Antiblokkeersysteem (ABS) u brandt geel. Brandt na het inschakelen van het contact enkele seconden. Het sys‐ teem is na het doven van de contro‐ lelamp klaar voor gebruik.
Instrumenten en bedieningsorganen Knippert Het systeem is actief bezig. Het mo‐ torvermogen kan worden begrensd en de auto kan automatisch iets wor‐ den afgeremd. Elektronische stabiliteitsregeling 3 185. Elektronische stabiliteitsregeling UIT a brandt geel. Brandt bij uitgeschakeld systeem. Traction Control-systeem UIT k brandt geel. Brandt bij uitgeschakeld systeem. Koelvloeistoftemperatuur W brandt rood. Dit controlelampje geeft aan wanneer de koelvloeistoftemperatuur te hoog is.
82 Instrumenten en bedieningsorganen Motoroliedruk I brandt rood. Brandt na het inschakelen van het contact en dooft vlak na het aanslaan van de motor. Brandt bij een draaiende motor Voorzichtig Motorsmering wordt mogelijk on‐ derbroken. Dit kan aanleiding ge‐ ven tot motorschade en/of tot het blokkeren van de aandrijfwielen. Als het oliedruklampje gaat branden tijdens het rijden, gaat u naar de kant, stopt u de motor en controleert u het oliepeil.
Instrumenten en bedieningsorganen Dagrijlicht @ brandt groen. Brandt bij ingeschakeld dagrijlicht. Dagrijlicht (DRL) 3 97. Mistlamp > brandt groen. Brandt bij ingeschakelde voorste mistlampen 3 98. m brandt groen. Brandt wanneer het cruise controlsysteem is geactiveerd 3 186. 83 Informatiedisplays Driver Information Center Portier open ( brandt rood. Brandt bij geopende portieren of een geopende achterklep. Mistachterlicht r brandt geel. Brandt bij ingeschakeld mistachter‐ licht 3 98.
84 Instrumenten en bedieningsorganen Motorolielevensduur Klok → Buitentemperatuur → Kilome‐ terteller → Dagteller → Klok → Instellen van eenheden → Instellen van taal... Klok 3 70, Kilometerteller3 73, Trip‐ computer 3 88. Het Driver Information Centre (DIC) is ondergebracht in de instrumenten‐ groep. Om het instellingsmenu te selecteren, drukt u op MENU in de richtingaan‐ wijzerhendel.
Instrumenten en bedieningsorganen Wanneer de resterende olielevens‐ duur laag is, wordt de boordinformatie weergegeven in het Driver Informa‐ tion Center (DIC). De motorolie moet dan zo spoedig mogelijk worden ver‐ verst. Na een motorolieverversing moet het controlesysteem oliekwaliteit worden gereset. Voor het resetten drukt u de toets SET/CLR enkele seconden in. Controlesysteem oliekwaliteit 3 206. 85 Instellen van eenheid Instellen van taal Houd SET/CLR een paar seconden ingedrukt.
86 Instrumenten en bedieningsorganen Let op Als de hendel van de richtingaanwij‐ zer niet met toetsen uitgevoerd is, kunt u de menu's selecteren door de resetknop op het paneel kort in te drukken en het menu instellen door de resetknop op het paneel langer in te drukken. Zie Bandenspanningscontrolesys‐ teem 3 233. Board-Info-Display Band belasten Band inleren Via dit display kunt u de nieuwe band en het wiel door de TPMS-sensoren combineren.
Instrumenten en bedieningsorganen Boordinformatie Nr. Boordinformatie De meldingen worden weergegeven op het Driver Information Center (DIC) of in de vorm van geluidssigna‐ len. Afhankelijk van het uitrustingsniveau en de persoonlijke voertuiginstellin‐ gen, zijn sommige van de hieronder beschreven functies eventueel niet aanwezig. Voorzichtig Als het voertuigbericht wordt ge‐ toond, laat de auto dan onmiddel‐ lijk in een werkplaats controleren.
88 Instrumenten en bedieningsorganen ■ Wanneer er een waarschuwings‐ code verschijnt op het Driver Infor‐ mation Center. ■ Wanneer de parkeerhulp een ob‐ stakel herkent. Tripcomputer Bij het parkeren van de auto en/ of het openen van een portier ■ Als de contactsleutel nog in het contactslot steekt. ■ Bij ingeschakelde rijverlichting. De boordcomputer is ondergebracht in het Driver Information Center (DIC).
Instrumenten en bedieningsorganen Gemiddelde snelheid Actieradius met resterende brandstof 89 De actieradius voor de resterende brandstof kan verschillen per be‐ stuurder, weg en de rijsnelheid, om‐ dat het wordt berekend op basis van de wisselende brandstofzuinigheid. Gemiddeld verbruik Deze modus geeft de gemiddelde snelheid aan. De gemiddelde snelheid wordt bere‐ kend terwijl de motor draait, zelfs als de auto niet rijdt. Om de gemiddelde rijsnelheid terug te stellen, drukt u op SET/CLR.
90 Instrumenten en bedieningsorganen Rijtijd Persoonlijke instellingen Audiosysteem Deze modus geeft de totale rijtijd aan. De rijtijd wordt vanaf de laatste rijtijd‐ terugstelling steeds bijgewerkt, ook als niet met de auto werd gereden. Om de rijtijd terug te stellen, drukt u op SET/CLR.
Instrumenten en bedieningsorganen De volgende menu's kunnen worden weergegeven: ■ Talen ■ Tijd Datum ■ Radio-instellingen ■ Bluetooth-instellingen ■ Voertuiginstellingen Taalinstellingen Wijzigen van de talen. Tijd- en datuminstellingen Infotainmentsysteem 3 113. Radio-instellingen Infotainmentsysteem 3 113. Bluetooth-instellingen Infotainmentsysteem 3 113. Voertuiginstellingen ■ Comfortinstellingen Volume van geluidssignaal: Veran‐ dert het volume van het geluidssig‐ naal.
92 Instrumenten en bedieningsorganen vijf seconden nadat het laatste por‐ tier is gesloten. ■ Met handzender vergrendelen, ontgrendelen, starten Terugkoppelsignaal bij ontgrendelen met handzender: Ac‐ tiveert of deactiveert het rich‐ tingaanwijzersignaal tijdens ont‐ grendelen. Terugkoppelsignaal bij vergrendelen met handzender: Ac‐ tiveert of deactiveert terugkoppel‐ signaal via verlichting en/of claxon tijdens vergrendelen.
Instrumenten en bedieningsorganen auto-instellingen ■ comfort & gemak volume van geluidssignaal: Selec‐ teer Normaal of Hoog. achterruitwisser bij achteruitrijden: Selecteer Aan of Uit ■ botsing/detectie parkeerhulp: Selecteer Aan/Uit of Trekhaak bevestigd om de parkeer‐ hulp ook met een trekstang te kun‐ nen gebruiken. ■ verlichting uitstapverlichting: Uit / 30 sec / 60 sec / 120 sec. contourverlichting: Selecteer Aan of Uit.
94 Instrumenten en bedieningsorganen max. beginvolume Zie de infotainment-handleiding voor nadere informatie. systeemversie Zie de infotainment-handleiding voor nadere informatie. DivX(R) VOD Zie de infotainment-handleiding voor nadere informatie.
Verlichting Verlichting Rijverlichting Lichtschakelaar Rijverlichting ................................ 95 Binnenverlichting ......................... 99 Verlichtingsfuncties ...................... 99 Bedieningen rijverlichting AUTO: de rijverlichting en de instru‐ mentenverlichting gaan automatisch aan of uit, afhankelijk van de lichtcon‐ dities buiten. 8: de achterlichten, kentekenver‐ lichting, de verlichting van het instru‐ mentenpaneel en de parkeerlichten zijn verlicht.
96 Verlichting Wanneer er buiten weinig licht is en de functie voor automatische verlich‐ ting is ingeschakeld, gaan de rijver‐ lichting en de instrumentenverlichting automatisch aan. Om de functie uit te zetten, draait u de knop naar de stand OFF. Alle verlichting gaat uit en de knop komt weer terug in de oorspronkelijke AUTO stand. Grootlicht Om van dimlicht naar grootlicht om te schakelen, duwt u tegen de hendel. Om het dimlicht in te schakelen, duwt u nogmaals tegen de hendel of u trekt eraan.
Verlichting Koplampinstelling in het buitenland 97 Alarmknipperlichten Richtingaanwijzers Bediening met toets ¨. Druk op de toets om de alarmknip‐ perlichten in te schakelen. Om de alarmknipperlichten uit te schakelen, drukt u opnieuw op de knop. Hendel = Richtingaanwijzer omhoog rechts Hendel omlaag = Richtingaanwijzer links Het asymmetrische dimlicht biedt meer zicht op de rand van de weg aan de passagierskant.
98 Verlichting Voor langer richting aanwijzen de hendel tot tegen het weerstandspunt duwen en vasthouden. Schakel de richtingaanwijzer hand‐ matig uit door de hendel op de oor‐ spronkelijke stand te zetten. Mistachterlichten Het achteruitrijlicht gaat branden wanneer het contact aanstaat en de auto in de achteruitversnelling staat. Beslagen lampglazen Mistlampen voor Om de mistlampen voor aan te zet‐ ten, drukt u op >. De mistlampcontrolelamp brandt wanneer de mistlampen aan zijn.
Verlichting Binnenverlichting Interieurverlichting Let op De accu kan ontladen raken als de verlichting gedurende een langere tijd ingeschakeld blijft. 9 Waarschuwing Voorkom het gebruik van de in‐ stapverlichting wanneer u in het donker rijdt. Als het passagierscompartiment is verlicht, wordt het zicht naar buiten verminderd, wat tot een aanrijding kan leiden. Bedien de wipschakelaar: ⃒ = altijd aan tot het handmatig wordt uitgeschakeld.
100 Verlichting Uitstapverlichting De koplampen, zijmarkeringslichten en achterlichten zullen de directe om‐ geving een instelbare tijd verlichten terwijl u de auto verlaat. Inschakelen Aan- en uitzetten van deze functie en de verlichtingsduur kunnen worden gewijzigd in de Voertuiginstellingen. Persoonlijke instellingen 3 90. Voor Europa 1. Contact uitschakelen. 2. Contactsleutel verwijderen. 3. Bestuurdersportier openen. 4. Richtingaanwijzerhendel naar u toe trekken. 5. Bestuurdersportier sluiten.
Infotainmentsysteem Infotainmentsysteem Inleiding Inleiding ..................................... 101 Radio ......................................... 117 Audiospelers .............................. 129 Telefoon ..................................... 145 Het infotainmentsysteem verzorgt de infotainment in uw auto, met gebruik van de nieuwste technologie.
102 Infotainmentsysteem Let op Deze handleiding beschrijft alle voor de diverse Infotainmentsystemen beschikbare opties en functies. Be‐ paalde beschrijvingen, zoals die voor display- en menufuncties, gel‐ den vanwege de modelvariant, landspecifieke uitvoeringen, speci‐ ale uitrusting en toebehoren wellicht niet voor uw auto.
Infotainmentsysteem Overzicht bedieningselementen Type 1 103
104 Infotainmentsysteem Type 1-A: Radio/DAB + CD/MP3 + AUX + USB/iPod + Bluetooth Type 1-B: Radio + CD/MP3 + AUX + USB/iPod + Bluetooth 1. Display Display voor weergave van status en informatie over afspelen/ont‐ vangst/menu's. 2. Knop AAN/UIT [m] met draaiknop VOLUME ◆ Zet het apparaat aan of uit door deze knop in te drukken. ◆ Draai aan de draaiknop om het algehele volume in te stellen. 3.
Infotainmentsysteem 12. Knop CONFIG Druk op deze toets om het menu Instellingen te openen. 13. Knop TONE Druk deze knop in om de klankin‐ stelmodus aan te passen/te se‐ lecteren. 14. Knop MENU met draaiknop TUNE ◆ Druk deze knop in om de hui‐ dige functiemenu weer te ge‐ ven, instelbare functies en in‐ stelwaarden te selecteren of wijzigingen te bevestigen. ◆ Draai aan de draaiknop om naar de instelbare functies of de instelwaarden te gaan/over te schakelen. 15.
106 Type 2 Infotainmentsysteem
Infotainmentsysteem Type 2-A: Radio/DAB + CD/MP3 + AUX + USB/iPod + Bluetooth Type 2-B: Radio + CD/MP3 + AUX + USB/iPod + Bluetooth Type 2-C: Radio + CD/MP3 + AUX 1. Display Display voor weergave van status en informatie over afspelen/ont‐ vangst/menu's. 2. Knop AAN/UIT [m] met draaiknop VOLUME ◆ Zet het apparaat aan of uit door deze knop in te drukken. ◆ Draai aan de draaiknop om het algehele volume in te stellen. 3.
108 Infotainmentsysteem 12. Knop CONFIG Druk op deze toets om het menu Instellingen te openen. 13. Knop TONE Druk deze knop in om de klankin‐ stelmodus aan te passen/te se‐ lecteren. 14. Knop MENU met draaiknop TUNE ◆ Druk deze knop in om de hui‐ dige functiemenu weer te ge‐ ven, instelbare functies en in‐ stelwaarden te selecteren of wijzigingen te bevestigen. ◆ Draai aan de draaiknop om naar de instelbare functies of de instelwaarden te gaan/over te schakelen. 15.
Infotainmentsysteem 2. Knop Oproep [q] ◆ Druk de knop in om een oproep te beantwoorden of om naar de selectiemodus voor terugbellen te gaan. ◆ Houd de knop ingedrukt om naar het oproepenlogboek te gaan of om tijdens een telefoon‐ gesprek heen en weer te gaan tussen de handenvrijmodus en de modus voor privé bellen. 3. Knop/draaiknop Bron [dSRCc] ◆ Druk de knop in om een af‐ speelfunctie voor geluid te kie‐ zen.
110 Infotainmentsysteem ■ Knoppen en draaiknoppen van het Infotainmentsysteem ■ Audiobedieningsknop op stuurwiel Systeem in-/uitschakelen Automatisch uitzetten Wanneer het contactslot (contact‐ sleutel van auto) in de OFF-stand staat en het Infotainmentsysteem wordt met de knop AAN/UIT [m] aan‐ gezet, wordt het Infotainmentsysteem tien minuten na de laatste bediening door de gebruiker automatisch uitge‐ schakeld.
Infotainmentsysteem Zo nodig wordt het volume automa‐ tisch verlaagd. Geluidsinstellingen Met Geluidsinstellingen kan de klank‐ weergave naar wens worden inge‐ steld, afhankelijk van de functies van AM/FM/DAB-radio en van elke audio‐ speler. Druk TONE om de betreffende func‐ tiemodus te gebruiken. Draai aan de draaiknop TUNE om de gewenste klankinstelmodus te selec‐ teren en druk vervolgens op MENU. Draai aan de draaiknop TUNE om de gewenste klankinstelwaarde te selec‐ teren en druk vervolgens op MENU.
112 Infotainmentsysteem Functies selecteren AM/FM- of DAB-radio (alleen voor modellen type 1/2-A) Druk op de knop RADIO BAND om AM/FM- of DAB-radio te selecteren (alleen voor modellen type 1/2-A). Druk op MENU om het FM-menu, AM-menu of DAB-menu te openen met daarin keuzeopties voor het se‐ lecteren van radiozenders.
Infotainmentsysteem Handenvrij telefoneren met Bluetooth Druk op de knop AAN/UIT [m] als u de Bluetooth-functie voor handsfree te‐ lefoneren wilt selecteren (alleen voor modellen type 1/2-A/B). Druk op de knop AAN/UIT [m] om Bluetooth te openen met de opties voor de betreffende functie. Personaliseren Hoofdknoppen/draaiknop De volgende toetsen en bedienings‐ knop worden in de Instellingen ge‐ bruikt. (12) Knop CONFIG Druk op deze toets om het menu Instellingen te openen.
114 Infotainmentsysteem [Voorbeeld] Instellingen → Tijd Datum → Datum instellen: 23 jan 2013 Druk op CONFIG voor het menu Instellingen. Bekijk eerst de informatietabel voor het menu Instellingen hieronder op de volgende pagina en draai dan aan TUNE om naar het gewenste instel‐ lingenmenu te gaan; druk vervolgens MENU in. ■ Weergegeven wordt een lijst met details voor het betreffende instel‐ lingenmenu of functie.
Infotainmentsysteem Informatietabel voor Instellingen [Talen] ■ Herhaal deze handeling als de be‐ treffende gedetailleerde lijst be‐ staat uit meerdere items. ■ Voer de betreffende instelwaarde in of wijzig deze, anders verandert de functie. De gewenste taal selecteren. 115 [Tijd Datum] Tijd instellen: Stel handmatig de uren en minuten in voor het huidige tijdstip. ■ Datum instellen: Stel handmatig het huidige jaar/maand/datum in. ■ Tijdweergave instellen: Kies voor de 12h- of 24h-weergave.
116 Infotainmentsysteem MM/DD/YYYY: jan. 23, 2013 ■ RDS-klok synchroniseren: Selec‐ teer Aan of Uit [Radio-instellingen] ■ Automatische volumeregeling: Stel in op Uit/Laag/Gemiddeld/Hoog. ■ Maximaal beginvolume: Stel handmatig de bovengrens in voor het beginvolume. ■ Radiofavorieten: Stel handmatig de paginanummers in voor uw favorieten. ■ AS-zenders: Stel de functie Zenders auto. opslaan in voor elke radio of DAB. ■ RDS-opties: Stel de RDS-opties in.
Infotainmentsysteem ■ Apparaat koppelen: Probeer een nieuw Bluetooth-apparaat te kop‐ pelen. ■ Bluetooth-code wijzigen: Voor handmatig wijzigen/instellen van de Bluetooth-code. Fabrieksinstellingen herstellen: Wis alle ingestelde waarden en herstel de standaardinstellingen. Radio AM/FM-radio Voordat u AM, FM of DAB-radio gebruikt (alleen voor model type 1/2-A) Hoofdknoppen/draaiknop (10) Knop RADIO BAND Druk op deze toets om AM, FM of DAB-radio te selecteren (alleen voor model type 1/2-A).
118 Infotainmentsysteem (7) Knop INFORMATIE [INFO] Bekijk de informatie voor de uitgezon‐ den radio- of DAB-zenders. (17) Knop STIL [@] Deze knop indrukken (alleen voor model type 2-C) of ingedrukt houden (alleen voor model type 1/2-A) om de stilschakelfunctie in of uit te schake‐ len. Druk herhaalde malen op de toets RADIO BAND om FM-, AM- of DABband te selecteren. De radiozender waarop eerder al was afgestemd wordt ontvangen.
Infotainmentsysteem Naar een radiozender zoeken Houd de fSEEKe knoppen ingedrukt om de afstemfrequentie snel te wijzi‐ gen en laat de knop dan los bij de ge‐ wenste afstemfrequentie. Naar DAB-ensemble zoeken (alleen voor model type 1/2-A) Druk op de toetsen fSEEKe en houd deze ingedrukt om automatisch naar het beschikbare DAB-serviceonder‐ deel met een goede ontvangst te zoe‐ ken.
120 Infotainmentsysteem DAB-DAB aan/DAB-FM aan Wanneer u de DAB-FM automatisch koppelen als ingeschakeld hebt inge‐ steld en het DAB-servicesignaal is zwak, ontvangt het infotainmentsys‐ teem het gekoppelde serviceonder‐ deel automatisch (raadpleeg Instellingen → Radio-instellingen → DAB-instellingen → DAB-FM auto. koppelen). Handmatig op radiozenders afstemmen Draai aan de draaiknop TUNE om handmatig de gewenste zendfre‐ quentie te vinden.
Infotainmentsysteem DAB-zenderlijst gebruiken (alleen voor model type 1/2-A) De DAB-informatie weergeven (alleen voor model type 1/2-A) 121 Met behulp van de VOORKEUZE-knoppen Opslaan onder de VOORKEUZEknop Draai aan de draaiknop TUNE om de DAB-zenderlijst weer te geven. ■ De informatie in de DABzenderlijst wordt getoond. ■ Wanneer de DAB-zenderlijst leeg is, wordt het bijwerken van de DABzenderlijst automatisch gestart.
122 Infotainmentsysteem ■ U kunt maximaal 3 favorietenpagi‐ na's opslaan en elke pagina kan maximaal zes radio- DAB-zenders bevatten (alleen voor model type 1/2-A). ■ Het is mogelijk om het aantal te ge‐ bruiken favorietenpagina's in te stellen, in Instelling → Radioinstellingen → Radiofavorieten (max. aantal favorietenpagina's).
Infotainmentsysteem AM/FM/DAB-menu → Favorietenlijst Draai in het AM-menu/FM-menu/ DAB-menu aan TUNE om de Favorietenlijst te selecteren en druk vervolgens op MENU. De informatie in de Favorietenlijst wordt getoond. Draai aan de draaiknop TUNE om de gewenste Favorietenlijst te selecte‐ ren en druk op MENU om de betref‐ fende radiozender te ontvangen.
124 Infotainmentsysteem DAB-menu → DAB-aankondigingen (alleen voor model type 1/2-A) AM/FM/DAB-menu → AM/FM/DABzenderlijst bijwerken ■ Het bijwerken van de AMzenderlijst/FM-zenderlijst/DABzenderlijst wordt uitgevoerd. ■ Tijdens het bijwerken van de AMzenderlijst//FM-zenderlijst/DABzenderlijst drukt u op MENU of op P BACK als u wijzigingen niet wilt op‐ slaan.
Infotainmentsysteem Configureren van RDS ■ RDS-zenders worden aangeduid met de programmanaam met de zendfrequentie. RDS-zendinformatie bekijken Druk terwijl een RDS-zender wordt ontvangen op INFORMATIE [INFO] om de ontvangen RDS-zendinforma‐ tie te bekijken. 125 Activeren van RDS biedt de volgende voordelen: ■ Op het display verschijnt de pro‐ grammanaam van de ingestelde zender in plaats van de frequentie.
126 Infotainmentsysteem In- en uitschakelen van de regio-instelling RDS moet zijn geactiveerd voor de regio-instelling. Op bepaalde tijden zenden sommige RDS-zenders regionaal andere pro‐ gramma's uit op verschillende fre‐ quenties. Stel de optie Regionaal (REG) in op Aan of Uit. Alleen alternatieve frequenties (AF) met dezelfde regionale programma's worden geselecteerd.
Infotainmentsysteem Draai in RDS-opties aan TUNE om naar TA-volume te gaan en druk ver‐ volgens op MENU. Draai aan TUNE om het TA-volume niveau aan te passen en druk vervol‐ gens op MENU. Radioverkeerinformatieservice TP - verkeersinformatie Zenders met radioverkeerinformatie‐ service zijn RDS-zenders die ver‐ keerinformatie uitzenden.
128 Infotainmentsysteem Blokkeren van verkeersberichten Blokkeren van verkeersberichten, bijv. tijdens afspelen van CD/MP3 of beluisteren van radiozenders: Druk buiten de telefoonmodus op TP. Schakel de radioverkeerinformatie‐ service in en draai het volume van het infotainmentsysteem helemaal terug. Het verkeersbericht wordt afgebro‐ ken, maar de radioverkeerinformatie‐ service blijft ingeschakeld.
Infotainmentsysteem Voorzichtig Zorg dat u de antenne verwijderd voordat u een ruimte inrijdt met een laag plafond, omdat het an‐ ders beschadigd kan worden. Als u een automatische wasstraat in rijdt met een uitgetrokken an‐ tenne, kan de antenne of het dak‐ paneel beschadigd raken. Verwij‐ der de antenne alvorens een au‐ tomatische wasstraat in te rijden. Draai de antenne volledig vast en stel deze rechtop in voor een goede ont‐ vangst.
130 Infotainmentsysteem ■ Als zich stof afzet op de disk of deze nat wordt door een vloeistof, kan de lens van de CD/MP3-speler binnen in het apparaat hierdoor vervuild ra‐ ken. ■ Bescherm de disk tegen hitte en blootstelling aan direct zonlicht. Bruikbare disktypen ■ Dit product kan audio-CD's en MP3-disks (WMA) afspelen. ◆ CD-DA: CD-R/CD-RW ◆ MP3 (WMA): CD-R/CD-RW/CDROM ■ De hieronder vermelde MP3-be‐ standen (WMA) kunnen niet wor‐ den afgespeeld.
Infotainmentsysteem ■ Berg disks die niet worden gebruikt op in doosjes, en bewaar ze op een plek waar deze niet worden bloot‐ gesteld aan direct zonlicht of aan hoge temperaturen. ■ Smeer geen chemische middelen op de disk. Reinig disks met een iets bevochtigde, zachte doek en wrijf vanuit het midden naar de rand toe. Aanwijzing bij het gebruik van CD-R/ RW-disks ■ Bij het gebruik van CD-R/RW-disks kunnen alleen disks worden ge‐ bruikt die zijn "afgesloten".
132 Infotainmentsysteem ■ De volgende MP3-bestanden kun‐ nen met dit product worden afge‐ speeld ◆ Transmissiesnelheid: 8 kbps ~ 320 kbps ◆ Samplingfrequentie: 48 kHz, 44,1 kHz, 32 kHz (voor MPEG-1), 24 kHz, 22,05 kHz, 16 kHz (voor MPEG-2) ■ Dit product kan bestanden afspelen met 8 kbps ~ 320 kbps transmissie‐ snelheid, maar bestanden met transmissiesnelheid van meer dan 128 kbps geven een kwalitatief be‐ ter geluid. ■ Dit product kan ID3 Tag-informatie (versie 1.0, 1.1, 2.2, 2.3 of 2.
Infotainmentsysteem Afspelen van CD's en MP3 Hoofdknoppen/draaiknop (9) Knop CD/AUX Selecteer de CD-/MP3-speler. (14) Knop MENU met draaiknop TUNE ■ Draai aan TUNE voor het doorlo‐ pen van de songlist, menu of MP3songinformatie (WMA). ■ Druk de knop in om het menu‐ scherm weer te geven bij het hui‐ dige item of de huidige modus. (8) Knoppen fSEEKe ■ Druk deze knoppen in om het vo‐ rige of volgende nummer af te spe‐ len.
134 Infotainmentsysteem ■ Als er geen disk is om af te spelen, verschijnt Geen disk ingelegd op het scherm en wordt de functie niet geselecteerd. ■ De song die eerder werd afge‐ speeld, speelt automatisch af. De disk uitwerpen Om de disk uit te werpen drukt u op de knop UITWERPEN [d] om de disk uit te nemen. ■ Terwijl de disk naar buiten komt, schakelt het systeem automatisch naar de vorige gebruikte functie of naar FM-radio.
Infotainmentsysteem Informatie over afgespeelde song bekijken Druk in de afspeelmodus op INFOR‐ MATIE [INFO] om informatie te bekij‐ ken over de song die wordt afge‐ speeld. Wanneer er op audio-CD's geen in‐ formatie bestaat over de afgespeelde song, toont het systeem Geen informatie. Bij MP3-songs (WMA) kan extra in‐ formatie worden bekeken door tijdens de weergave van songinformatie aan TUNE te draaien.
136 Infotainmentsysteem Draai aan TUNE om de functies wil‐ lekeurig afspelen of afspelen herha‐ len te selecteren en druk vervolgens op MENU om de betreffende functies Aan of Uit te zetten. CD-menu → Songlist CD-menu → Zoeken in mappen Draai bij audio-CD's in het CD-menu aan de draaiknop TUNE om de song‐ list te selecteren en druk vervolgens op MENU. Draai aan TUNE om de gewenste songlist te vinden en druk vervolgens op MENU om de geselecteerde song af te spelen.
Infotainmentsysteem CD-menu → Zoeken... Draai bij MP3-disks (WMA) in het CDmenu aan de draaiknop TUNE om Zoeken... te selecteren en druk ver‐ volgens op MENU. ■ Nadat het systeem de diskinforma‐ tie heeft uitgelezen, wordt de eerste song van de playlist [iP] weergege‐ ven. 137 ■ Als de playlist [iP] geen muziekbe‐ standen bevat, wordt de eerste song voor elke artiest [iA] weerge‐ geven. ■ Het kan soms lange tijd duren voor‐ dat de disk geheel is uitgelezen, af‐ hankelijk van het aantal muziekbe‐ standen.
138 Infotainmentsysteem Draai aan TUNE om de gewenste song/titel te vinden en druk vervol‐ gens op MENU om de geselecteerde song af te spelen. Randapparatuur USB-speler (alleen voor model type 1/2-A/B) Aanwijzingen bij het gebruik van USB-apparatuur ■ De werking kan niet worden gega‐ randeerd als u een USB-adapter gebruikt om een USB-apparaat voor massaopslag met inge‐ bouwde harddisk of een CF- of SDgeheugenkaart aan te sluiten. Ge‐ bruik een USB-dataopslagappa‐ raat van het flashgeheugentype.
Infotainmentsysteem ■ Ontkoppel het aangesloten USBopslagapparaat nadat in de auto het contact is afgezet. Als u het contact afzet terwijl het USB-op‐ slagapparaat is aangesloten, kan het USB-opslagapparaat bescha‐ digd raken of in sommige gevallen niet normaal werken. Voorzichtig Alleen USB-opslagmedia voor af‐ spelen van muziek kunnen op dit product worden aangesloten.
140 ■ ■ ■ ■ Infotainmentsysteem 24 kHz, 22,05 kHz, 16 kHz (voor MPEG-2) Dit product geeft MP3-bestanden (WMA) weer met mp3 of .wma (kleine letters) of .MP3 of .WMA (hoofdletters) als extensies bij de bestandsnaam. Dit product kan voor MP3-bestan‐ den ID3 tag-informatie (versie 1.0, 1.1, 2.2, 2.3, 2.4) weergeven over album, artiest etc. De map- en bestandsnamen die volgens het opslagtype kunnen worden gebruikt zijn de volgende, inclusief de bestandsnaamextensie met vier tekens (.mp3).
Infotainmentsysteem Aansluiten van het USBopslagapparaat Sluit het USB-opslagmedium met af te spelen muziekbestanden aan op de USB-aansluiting. ■ Zodra het product gereed is met het inlezen van de informatie op het USB-opslagapparaat, zal het auto‐ matisch afspelen. ■ Wanneer een niet-leesbaar USBopslagapparaat is aangesloten, verschijnt een foutmelding en scha‐ kelt het product automatisch naar de vorige gebruikte functie of naar de FM-radio.
142 Infotainmentsysteem USB-menu → USB verwijderen Druk in de afspeelmodus op MENU om het USB-menu weer te geven. Draai aan TUNE om naar USB verwijderen te gaan en druk vervol‐ gens op MENU om de melding weer te geven die aangeeft dat het USBapparaat veilig kan worden verwij‐ derd. Ontkoppel het USB-apparaat van de USB-aansluiting. Ga terug naar de vorige in gebruik zijnde functie.
Infotainmentsysteem De iPod-speler aansluiten Sluit de iPod met af te spelen muziek‐ bestanden aan op de USB-aanslui‐ ting. ■ Sommige iPod/iPhone-productmo‐ dellen worden wellicht niet onder‐ steund. ■ Sluit de iPod alleen op dit product aan met aansluitkabels die door iPod-producten worden onder‐ steund. Andere verbindingskabels zijn niet bruikbaar. 143 product automatisch naar de vorige gebruikte functie of naar de FM-ra‐ diofunctie.
144 Infotainmentsysteem ■ De bij dit product gebruikte afspeel‐ functies en de items voor informa‐ tieweergave op de iPod-speler kun‐ nen afwijken van de iPod als het gaat om de afspeelvolgorde, wer‐ king en getoonde informatie. ■ Bekijk de volgende tabel voor de classificatie van zoekfunctie-items zoals het iPod-product die hanteert. De speelfuncties van de iPod worden op soortgelijke wijze bediend als bij afspelen van CD's en MP3-bestan‐ den.
Infotainmentsysteem Draai aan de draaiknop om het vo‐ lume in te stellen. (17) Knop STIL [@] Houd de knop ingedrukt om de stil‐ schakelfunctie aan of uit te zetten. ■ Het infotainmentsysteem schakelt automatisch naar de ingang voor extern geluid (AUX) zodra de ex‐ terne audiospeler wordt aangeslo‐ ten. Een externe speler aansluiten Sluit de audio-uitgang van de externe audiospeler aan op de AUX-ingang 1 of 2 (optioneel).
146 Infotainmentsysteem (8) Knoppen fSEEKe ■ Druk op deze knoppen in de Blue‐ tooth-audioafspeelmodus om naar de vorige of volgende song te gaan. ■ Houd deze knoppen ingedrukt om snel vooruit of terug te spoelen en laat weer los om op normale snel‐ heid af te spelen. (17) TELEFOON [y] / STIL [@] ■ Druk op deze knop om de Blue‐ tooth-modus te activeren. ■ Houd de knop ingedrukt om de stil‐ schakelfunctie aan of uit te zetten.
Infotainmentsysteem Bluetooth-apparaten koppelen/ verwijderen/losmaken ■ Bij het infotainmentsysteem kun‐ nen maximaal vijf Bluetooth-appa‐ raten worden aangemeld. ■ Sommige Bluetooth-apparatuur kan alleen worden gebruikt wan‐ neer het item Altijd koppelen is in‐ gesteld. 147 Druk op CONFIG, druk op de knop MENU met draaiknop TUNE om naar Instellingen → Bluetooth-instellingen → Bluetooth → Apparatenlijst te gaan en druk vervolgens op MENU.
148 Infotainmentsysteem U kunt aanmelden door de knop MENU met draaiknop TUNE te ge‐ bruiken, naar item selecteren te gaan, naar item wissen te gaan om te wis‐ sen en vervolgens op MENU te druk‐ ken. Het huidige gekoppelde Bluetoothapparaat ontkoppelen, Selecteer in het apparatenlijstscherm het gekop‐ pelde apparaat, waarbij dan Ontkoppelen zal zijn weergegeven. Druk vervolgens op MENU.
Infotainmentsysteem USB-aansluiting. Dit komt door de unieke specificaties van de mobiele telefoon. Bluetooth-audio afspelen Audio via Bluetooth Afspelen van Bluetooth-audio ■ Een mobiele telefoon of Bluetoothapparaat dat A2DP-versies (Ad‐ vanced Audio Distribution Profile) van na 1.2 ondersteunt, moet wor‐ den aangemeld en gekoppeld aan het product. ■ Vind vanuit de mobiele telefoon of het Bluetooth-apparaat het Blue‐ tooth-apparaattype om het item in te stellen/te koppelen als een ste‐ reo-headset.
150 Infotainmentsysteem ■ Deze functie werkt alleen met Blue‐ tooth-apparaten die de AVRCPversie (Audio Video Remote Con‐ trol Profile) 1.0 of hoger ondersteu‐ nen. (Afhankelijk van de opties voor het Bluetooth-apparaat zullen som‐ mige apparaten bij de eerste kop‐ peling "AVRCP wordt gekoppeld" weergeven.) ■ De informatie over het afspelen van de song en de positie in de song wordt niet weergegeven op het scherm van het infotainmentsys‐ teem.
Infotainmentsysteem verschijnt, ondersteunt het appa‐ raat het overbrengen van contact‐ personen niet. Voorzichtig Telefoon met handsfreefunctie Een oproep beantwoorden Het bericht wordt getoond wan‐ neer de overdracht van contact‐ personen wordt ondersteund ter‐ wijl eveneens informatie met een apparaatfout wordt overgebracht. Voer als dit gebeurt opnieuw een update voor het apparaat uit.
152 Infotainmentsysteem ■ Om een oproep te negeren drukt u op de knop Ophangen [n] op de stuurwielbediening of u gebruikt de knop MENU met draaiknop TUNE en selecteert u Weigeren. ■ Tijdens het telefoongesprek kunt u de doorgifte van geluid blokkeren door aan de knop MENU met draai‐ knop TUNE te draaien en het item Mic stilschakelen (microfoon dem‐ pen) te selecteren.
Infotainmentsysteem ■ Wanneer de communicatieservice‐ provider via een toepassing de ge‐ bruikmaking van diensten gerela‐ teerd aan conversaties van drie personen ondersteunt, kunt u tij‐ dens een oproep via het infotain‐ mentsysteem oproepen plaatsen. ■ Tijdens een telefoongesprek van drie of meer personen kan de weer‐ gegeven inhoud afwijken van de praktische informatie. draait u aan de draaiknop TUNE om naar Ophangen te gaan en drukt u op de knop MENU.
154 Infotainmentsysteem Bellen via invoeren van nummer Druk op MENU terwijl de telefoon is aangesloten om zoals hierboven ge‐ toond de verbindingsfuncties weer te geven. Gebruik de knop MENU met draai‐ knop TUNE om de functies in het ge‐ toonde menu te gebruiken. Terwijl u via de telefoon spreekt, houdt u de oproeptoets op de stuur‐ wielbediening ingedrukt om te wisse‐ len naar de modus voor privé telefo‐ neren.
Infotainmentsysteem 1. Verplaatsen [_ 6]: invoerpositie verplaatsen 2. Wissen [⌫]: ingevoerd teken wis‐ sen 3. Contactenlijst [d]: contacten zoe‐ ken (bruikbaar na bijwerken van de telefoonnummers) 4. Kiezen [y]: beginnen met kiezen Nadat het telefoonnummer geheel is ingevoerd, draait u aan TUNE om het kiezen te starten [y]; vervolgens drukt u op de knop MENU om de op‐ roep te plaatsen. Beëindig een gesprek met de draai‐ knop TUNE, kies Ophangen en druk op de knop MENU.
156 Infotainmentsysteem Telefoonmenu → Contactenlijst → Bijwerken Draai in het venster met zoekresulta‐ ten aan TUNE om het gewenste item te selecteren en druk vervolgens MENU in om de details voor dat item te bekijken. Wanneer u het relevante nummer wilt bellen drukt u op MENU. Raadpleeg het item over het maken van telefoongesprekken voor meer informatie. Update de contactpersonen van de aangesloten mobiele telefoon naar de contactenlijst van het systeem.
Infotainmentsysteem Draai aan TUNE om Ja of Nee te se‐ lecteren en druk vervolgens op MENU om het bijwerken te activeren of te annuleren. Opmerking bij bijwerken van contactpersonen ■ Deze functie is bruikbaar bij mo‐ biele telefoons die het bijwerken van contactpersonen en de over‐ drachtfunctie voor oproepgeschie‐ denis ondersteunen.
158 Infotainmentsysteem ■ Wanneer het bijwerken van con‐ tactpersonen of de overdracht van de oproepgeschiedenis is voltooid, worden alle functies voor handen‐ vrij telefoneren en audio afspelen via Bluetooth automatisch ontkop‐ peld en weer gekoppeld. ■ Wanneer het infotainmentsysteem uitschakelt tijdens een telefoonge‐ sprek, wordt de oproep doorgezet naar de mobiele telefoon. Bij som‐ mige telefoons moet mogelijk eerst een oproepoverdrachtfunctie wor‐ den ingesteld, naargelang het type telefoon.
Infotainmentsysteem gebruik de knop MENU met draai‐ knop TUNE en selecteer Telefoonmenu → Contactenlijst → Alles wissen en druk vervolgens op MENU. Draai aan TUNE om Ja of Nee te se‐ lecteren en druk vervolgens MENU in om alle contactpersonen te wissen of om te annuleren. Gebruik de knop MENU met draai‐ knop TUNE en selecteer Telefoonmenu → Oproepinfo en druk vervolgens MENU in. Draai aan TUNE om de gedetail‐ leerde oproepgeschiedenis te selec‐ teren en druk vervolgens MENU in.
160 Infotainmentsysteem Telefoonmenu → Bluetoothinstellingen Stel de Bluetooth-functie in. Gebruik de knop MENU met draai‐ knop TUNE en selecteer Telefoonmenu → Bluetoothinstellingen en druk vervolgens MENU in. Om de Bluetooth-functie te activeren, moet het Bluetooth-apparaat worden geregistreerd/gekoppeld/gewist of de Bluetooth-code worden gewijzigd; kies Bluetooth met behulp van de knop MENU met draaiknop TUNE en gebruik vervolgens de knop MENU met draaiknop TUNE om het gewen‐ ste item in te stellen.
Infotainmentsysteem eerste te herstellen item te selecteren en selecteert u vervolgens Ja met de knop MENU.
162 Klimaatregeling Klimaatregeling Klimaatregelsystemen ............... 162 Luchtroosters ............................. 167 Onderhoud ................................. 168 Klimaatregelsystemen Verwarmings- en ventilatiesysteem Temperatuur De temperatuur instellen door aan de knop te draaien. rood = warm blauw = koud De verwarming werkt pas optimaal als de motor op de normale bedrijfs‐ temperatuur is gekomen. Luchtdebiet Luchtdebiet instellen door de ventila‐ torknop in de gewenste stand te zet‐ ten.
Klimaatregeling 163 De voorruit ontvriezen J: de luchtstroom is vooral naar de vloer gericht en naar de voorruit, een geringe hoeveelheid lucht stroomt uit via de zijuitstroomopeningen. V: de luchtstroom is vooral naar de voorruit gericht, een geringe hoeveel‐ heid lucht stroomt uit via de zijuit‐ stroomopeningen. Verwarming Normaal verwarmen 1. Draai de temperatuurregelknop naar het rode gebied om te ver‐ warmen. 2. Draai de luchtcirculatieknop. 3. Zet de aanjagerknop op de ge‐ wenste snelheid.
164 Klimaatregeling Voorzichtig Het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit kan ver‐ oorzaken dat de voorruit beslaat, waardoor uw zicht wordt belem‐ merd. Gebruik de standen FLOOR/DE‐ FROST J of DEFROST V niet bij een extreem hoge luchtvochtig‐ heid als de temperatuurregelknop in het blauwe gedeelte staat. Dit kan leiden tot verminderd zicht waardoor de kans op ongevallen groter wordt en persoonlijk letsel en schade aan de auto kan ont‐ staan. Luchtrecirculatiesysteem 4 slaan.
Klimaatregeling Luchtdebiet Luchtdebiet instellen door de ventila‐ torknop in de gewenste stand te zet‐ ten. 165 De voorruit ontwasemen Luchtverdeling Bedieningsorganen voor: ■ Temperatuur ■ Luchtdebiet ■ Luchtverdeling ■ Ontwasemen en ontdooien ■ Luchtrecirculatie 4 ■ Koeling n Temperatuur De temperatuur instellen door aan de knop te draaien. rood = warm blauw = koud Selecteer de luchtuitstroomstand door de middelste knop te verdraaien.
166 Klimaatregeling Luchtrecirculatiesysteem 4 slaan. De kwaliteit van de binnen‐ lucht neemt na verloop van tijd af, wat tot vermoeidheidsverschijnse‐ len bij de inzittenden kan leiden. Koeling n De luchtrecirculatiestand wordt in- of uitgeschakeld met de 4-toets. 9 Waarschuwing Door langdurig rijden in de recir‐ culatiestand kunt u slaperig wor‐ den. Schakel voor frisse lucht af en toe de buitenluchtstand in. Als het luchtrecirculatiesysteem is ingeschakeld, vermindert de lucht‐ verversing.
Klimaatregeling Maximale koeling 167 Luchtroosters Verstelbare luchtroosters Bij ingeschakelde koeling moet er mi‐ nimaal één luchtrooster geopend zijn om te voorkomen dat de verdamper door gebrek aan luchtcirculatie be‐ vriest. Voor een maximale koeling bij hoge buitentemperaturen en als de auto gedurende lange tijd in de volle zon heeft gestaan: 1. Het airconditioningsysteem be‐ dienen. 2. Druk de recirculatieknop in voor de recirculatiemodus. 3.
168 Klimaatregeling Vaste luchtroosters Er bevinden zich bovendien nog luchtroosters onder de voorruit en de voorportierruiten, alsook in de voe‐ tenruimte. Onderhoud Luchtinlaat De luchtinlaat naar de motorruimte onder aan de voorkant van de voorruit moet voor voldoende luchttoevoer vrijgehouden worden. Bladeren, vuil of sneeuw verwijderen. Pollenfilter Luchtfilter van de passagiersruimte Het filter ontdoet de binnenkomende buitenlucht van stof, roet en sporen. Filter vervangen: 1.
Klimaatregeling 2. Verwijder het filterdeksel door beide zijden van het deksel uit‐ waarts te draaien. 3. Vervang het interieurfilter. 4. Bouw het filterdeksel en het hand‐ schoenenkastje in omgekeerde volgorde in. Let op Wij adviseren u contact op te nemen met een erkende werkplaats om het filter te vervangen. Voorzichtig Wanneer veel op stoffige en op onverharde wegen en in gebieden met zware luchtvervuiling wordt gereden, moet het luchtfilter vaker worden vervangen.
170 Rijden en bediening Rijden en bediening Rijtips Controle over de auto Rijtips ......................................... 170 Starten en bediening ................. 171 Uitlaatgassen ............................. 175 Automatische versnellingsbak ... 176 Handgeschakelde versnellings‐ bak ............................................. 181 Remmen .................................... 182 Rijregelsystemen ....................... 184 Bestuurdersondersteuningssys‐ temen .......................................
Rijden en bediening Starten en bediening Contactslotstanden Nieuwe auto inrijden Houd u de eerste paar honderd kilo‐ meter aan het onderstaande om de prestaties en het brandstofverbruik van uw auto te verbeteren en te zor‐ gen dat deze langer meegaat: ■ Niet volgas wegrijden. ■ De motor niet te hoge toeren laten maken. ■ Niet abrupt remmen, tenzij er sprake is van een noodsituatie. Zo kunnen de remmen goed op elkaar inslijten.
172 Rijden en bediening Motor starten Motor starten met contactslot ■ Dieselmotor: sleutel naar stand 2 draaien voor het voorgloeien tot‐ dat ! dooft. ■ Draai de sleutel in stand 3, terwijl u het koppelingspedaal en het rem‐ pedaal intrapt en vervolgens loslaat als de motor draait. Om de motor opnieuw te starten of deze af te zetten, sleutel in het con‐ tactslot eerst terugdraaien naar stand 0. Voorzichtig ■ Sleutel in stand 1 draaien. Stuur‐ wiel iets verdraaien om het stuur‐ slot te ontgrendelen.
Rijden en bediening Schakel het stop-startsysteem manu‐ eel uit door op de eco-knop te druk‐ ken. De uitschakeling wordt aangetoond door de het doven van de LED in de knop. Motor automatisch stoppen Als de auto langzaam rijdt of stilstaat, moet u het automatisch stoppen van de motor als volgt inschakelen: ■ Zet de keuzehendel op N ■ Laat het koppelingspedaal los De motor wordt uitgeschakeld terwijl het contact ingeschakeld blijft.
174 Rijden en bediening Herstarten van de motor door het stop-startsysteem Als er zich een van de volgende om‐ standigheden voordoet tijdens een motorstop, dan zal de motor automa‐ tisch door het stop-startsysteem wor‐ den herstart.
Rijden en bediening Uitlaatgassen 9 Gevaar Motoruitlaatgassen bevatten het giftige en bovendien kleur- en geurloze koolmonoxide dat bij in‐ ademen levensgevaarlijk kan zijn. Wanneer uitlaatgassen in de pas‐ sagiersruimte dringen, de ruiten openen. Oorzaak van de storing door een werkplaats laten verhel‐ pen. Niet met een geopende achterklep rijden, aangezien er dan uitlaat‐ gassen de passagiersruimte bin‐ nen kunnen dringen.
176 Rijden en bediening Voorzichtig Voorzichtig Het gebruik van andere brandstof‐ kwaliteiten dan die genoemd op pagina 3 192, 3 265 kan aanlei‐ ding geven tot schade aan de ka‐ talysator en elektronische onder‐ delen. Onverbrande benzine kan leiden tot oververhitting van en schade aan de katalysator. Daarom de startmotor niet onnodig lang laten draaien, de tank niet leegrijden en de motor niet door duwen of sle‐ pen proberen te starten.
Rijden en bediening 2. Zet de handrem los en haal de voet van het rempedaal. 3. Trap het gaspedaal langzaam in om weg te rijden. Keuzehendel Versnellingsbakdisplay Deze is ondergebracht in de instru‐ mentengroep. Hij geeft de geschakelde versnelling of de versnellingsbakmodus aan. P (PARKEER): vergrendelt de voor‐ wielen. P alleen inschakelen als de auto stilstaat en de handrem is aan‐ getrokken. R (ACHTERUIT): de stand voor ach‐ teruitrijden. Selecteer R alleen wan‐ neer de auto stil staat.
178 Rijden en bediening Tussen versnellingen schakelen Trap het rempedaal in en druk op de ontgrendelknop om te schakelen. Schakelbewegingen waarbij u de ont‐ grendelknop moet indrukken zijn met pijlen aangeduid. Schakel vrijelijk. Handgeschakelde modus Bij het bewegen tussen bepaalde ver‐ snellingen moet u op de ontgrendel‐ knop aan de zijkant van de keuze‐ hendel drukken. Ga bij het schakelen te werk volgens de richtingen die door de pijlen wor‐ den aangegeven.
Rijden en bediening Zet de keuzehendel in de stand M. Druk de ontgrendelknop aan de zij‐ kant van de keuzehendel in. OMHOOG (+): naar een hogere ver‐ snelling schakelen. OMLAAG (-): naar een lagere ver‐ snelling schakelen. Om de vereiste niveaus voor voer‐ tuigprestatie en veiligheid te handha‐ ven, mag het systeem bij de bedie‐ ning van de keuzehendel bepaalde schakelacties niet uitvoeren. In de handgeschakelde modus ge‐ beurt terugschakelen automatisch zodra de rijsnelheid afneemt.
180 Rijden en bediening Storing Bij een storing gaat de storingsindi‐ catielelamp branden. De versnel‐ lingsbak schakelt niet langer automa‐ tisch of handmatig, omdat deze in een bepaalde versnelling geblokkeerd staat. Oorzaak van de storing onmiddellijk door een werkplaats laten verhelpen. pen. Als u niet uit P kunt schakelen met ingeschakeld contact en het rem‐ pedaal ingetrapt: 1. Zet het contact uit en verwijder de sleutel. 2. Houd het rempedaal ingetrapt en trek de handremhefboom aan.
Rijden en bediening 9 Waarschuwing Let op de volgende voorzorgs‐ maatregelen om beschadigingen aan de transmissie te voorkomen: Trap het gaspedaal niet in bij het schakelen van P of N naar R of naar een vooruitversnelling. Doet u dit wel, dan is het mogelijk dat niet alleen de transmissie wordt beschadigd, maar u kunt ook de controle over de auto ver‐ liezen. Gebruik zoveel mogelijk stand D. Schakel nooit over naar P of R ter‐ wijl de auto in beweging is.
182 Rijden en bediening De koppeling niet onnodig laten slip‐ pen. Bij bediening het koppelingspe‐ daal helemaal intrappen. Uw voet niet op het pedaal laten rusten. Voorzichtig Rijd bij voorkeur niet met de hand voortdurend op de selectorhendel. Remmen Het remsysteem omvat twee onaf‐ hankelijke remcircuits. Wanneer een remcircuit uitvalt, kan de auto nog met het andere circuit worden afgeremd. De remvertraging wordt echter alleen bereikt wanneer u het rempedaal stevig intrapt.
Rijden en bediening remmen tijdelijk minder goed wer‐ ken. Dit kan het gevolg zijn van natte remonderdelen of overver‐ hitting. Als de remmen tijdelijk niet werken door oververhitting: Schakel bij het heuvelaf rijden over op een lagere versnelling. Trap het rempedaal niet continu in. Als de remwerking is teruggelopen omdat de onderdelen van het rem‐ systeem nat zijn geworden, kan de volgende procedure uitkomst bie‐ den: 1. Controleer of de weg achter u vrij is. 2.
184 Rijden en bediening Om de handrem los te zetten, de handremhendel iets optillen, de ont‐ grendelingsknop indrukken en de hendel helemaal omlaagzetten. Om minder kracht te hoeven uitoefe‐ nen bij het aantrekken van de hand‐ rem, tegelijkertijd het rempedaal in‐ trappen. Controlelamp 4 3 79. Remassistentie Bij het snel en krachtig intrappen van het rempedaal wordt automatisch met de maximale remkracht (noodstop) geremd.
Rijden en bediening Deactivering TCS kan worden uitgeschakeld wan‐ neer doorslaan van de aangedreven wielen juist vereist is. Toets a indruk‐ ken. De controlelamp k gaat branden. TCS wordt opnieuw ingeschakeld door nogmaals op a te drukken. TCS wordt ook opnieuw geactiveerd wanneer u het contact de volgende keer weer aanzet. Controlelamp voor uitschakeling van Traction Control (TC) 3 81.
186 Rijden en bediening Houd de toets a enkele seconden in‐ gedrukt totdat de controlelamp a gaat branden. U kunt de ESC weer activeren door nogmaals op de toets a te drukken. De ESC wordt ook opnieuw geacti‐ veerd wanneer u het contact de vol‐ gende keer weer inschakelt. Bestuurdersondersteu‐ ningssystemen Cruise control Het gebruik van cruise control kan gevaarlijk zijn wanneer u niet veilig kunt rijden op constante snelheid. Gebruik cruise control niet op bochtige wegen of in druk verkeer.
Rijden en bediening De ingestelde rijsnelheid verlagen ■ Draai het stelwiel naar SET/- en houd vast. Uw auto verlaagt de rij‐ snelheid. Laat het stelwiel los bij de gewenste rijsnelheid. ■ Draai het stelwiel naar SET/- en laat meteen los. De rijsnelheid zal afnemen met 1~2 km/u. De rijsnelheid tijdelijk verhogen Als u tijdelijk sneller wilt rijden terwijl cruise control aan is, trapt u het gas‐ pedaal in.
188 Rijden en bediening 3. Draai het stelwiel naar SET/- en laat los. Als uw rijsnelheid hoger is dan 30 km/u, kan de huidige snelheid worden ingesteld. 4. De ingestelde snelheid wordt weergegeven in de instrumenten‐ groep. De ingestelde rijsnelheid verhogen ■ Draai het stelwiel naar RES/+ en houd vast. Uw ingestelde snelheid wordt verhoogd. Laat het stelwiel los bij de gewenste rijsnelheid. ■ Draai het stelwiel naar RES/+ en laat meteen los. De ingestelde snelheid zal toenemen met 1~2 km/u.
Rijden en bediening Parkeerhulp Park pilot met ultrasoonsensoren Let op Accessoires e.d. die in het detectie‐ gebied van de sensoren gemon‐ teerd zijn kunnen storingen in het systeem veroorzaken. Activering Wanneer u de achteruit inschakelt, wordt het systeem automatisch geac‐ tiveerd. De aanwezigheid van een ob‐ stakel wordt aangegeven door ge‐ luidssignalen. De geluidssignalen volgen elkaar sneller op naarmate de auto het obstakel nadert.
190 Rijden en bediening Duw niet tegen de buitenkant van de sensor en bekras deze niet. Hierdoor wordt waarschijnlijk de afdekking beschadigd. Het is mogelijk dat het parkeer‐ hulpsysteem gestoord wordt wan‐ neer op oneffen ondergrond wor‐ den gereden, zoals in bossen, op gravelwegen, slecht wegdekken of hellingen. Het parkeerhulpsysteem herkent mogelijk geen scherpe objecten, dikke winterkleding of andere dikke en zachte materialen die de frequentie kunnen absorberen.
Rijden en bediening De op het scherm geschatte af‐ standen verschillen van de werke‐ lijke afstanden. Plaats van achteruitkijkcamera 9 Waarschuwing Als u niet behoedzaam achteruit rijdt, kunt u een voertuig, een kind, een voetganger, een fietser of een dier raken, met schade aan de auto, letsel of de dood als gevolg. Controleer zelfs bij een auto met achteruitkijkcamera vóór het ach‐ teruit rijden altijd zelf de zone ach‐ ter en rondom de auto.
192 Rijden en bediening Brandstof Brandstof voor benzinemotoren Alleen loodvrije brandstoffen gebrui‐ ken die voldoen aan EN 228. Gelijkwaardig genormeerde brand‐ stoffen met een ethanolgehalte van max. 10% mogen ook worden ge‐ bruikt. Brandstof met het aanbevolen oc‐ taangetal gebruiken 3 265. Het ge‐ bruik van brandstof met een te laag octaangetal resulteert mogelijk in een lager motorvermogen en motorkop‐ pel en kan een lichte stijging van het brandstofverbruik tot gevolg hebben.
Rijden en bediening Om veiligheidsredenen moeten brandstofblikken, -pompen en slangen correct zijn geaard. Stati‐ sche elektriciteit kan benzinedam‐ pen doen ontploffen. U kunt brandwonden oplopen en uw auto kan beschadigd raken. 9 Gevaar Zet de motor af en schakel externe verwarmingen met verbrandings‐ kamers uit alvorens te beginnen met tanken. Schakel mobiele tele‐ foons uit.
194 Rijden en bediening 2. Om de tankdopklep te ontgrende‐ len, drukt u op het dashboard of op de handzender op c. 3. Open de tankdopklep. 4. Draai het de tankdop langzaam linksom. Wacht bij een sissend geluid totdat dit stopt voordat u de dop geheel losschroeft. 6. Sluit de top na het tanken. Draai de dop rechtsom vast totdat u een "klikgeluid" hoort. 7. Druk het tankdopklepje dicht tot‐ dat het vergrendelt.
Rijden en bediening brandstofverbruik af van de persoon‐ lijke rijstijl, de staat van het wegdek en de verkeerssituatie.
196 Verzorging van de auto Verzorging van de auto Algemene informatie Algemene informatie .................. 196 Controle van de auto ................. 197 Gloeilamp vervangen ................. 217 Elektrisch systeem ..................... 223 Boordgereedschap .................... 231 Velgen en banden ..................... 232 Starthulp gebruiken ................... 245 Trekken ...................................... 246 Verzorging van uiterlijk ..............
Verzorging van de auto ■ ■ ■ ■ Schakel bij een automatische ver‐ snellingsbak naar de stand P. Voor‐ komen dat auto kan wegrollen. Handrem niet aantrekken. Motorkap openen, alle portieren sluiten en auto vergrendelen. Poolklem van de minpool van de accu loskoppelen. Erop letten dat geen van de systemen werkt, waar‐ onder het diefstalalarmsysteem. Sluit de motorkap. Verwerking van sloopauto Informatie over autodemontagebe‐ drijven en de recycling van sloopau‐ to's vindt u op onze website.
198 Verzorging van de auto 9 Gevaar Het ontstekingssysteem werkt met een zeer hoge spanning. Niet aan‐ raken. Motorkap Openen 2. Windhaak omhoogduwen en de motorkap openen. 9 Waarschuwing Alleen de schuimplastic bekleding van de windhaak aanraken, wan‐ neer de motor heet is. 1. Aan de ontgrendelingshendel trekken en in de uitgangspositie terugduwen. 3. Trek de ondersteuningstang voor‐ zichtig uit de houder. En zet hem vervolgens vast aan de linker zij‐ haak van de motorruimte.
Verzorging van de auto 9 Waarschuwing Houd altijd de volgende voor‐ zorgsmaatregelen in acht: Trek de motorkap aan de voorzijde om‐ hoog om te controleren of hij goed vergrendeld is voordat u wegrijdt. Trek tijdens het rijden niet aan de ontgrendelhendel van de motor‐ kap. Verplaats de wagen niet terwijl de motorkap is geopend. Een geo‐ pende motorkap blokkeert het zicht van de bestuurder. Rijden met een geopende motor‐ kap kan leiden tot een aanrijding en daarmee tot (fataal) letsel en/of materiële schade.
200 Verzorging van de auto Overzicht motorruimte Benzinemotor - 1.
Verzorging van de auto Benzinemotor - 1.
202 Verzorging van de auto Benzinemotor - 1.
Verzorging van de auto Benzinemotor - 1.
204 Verzorging van de auto Dieselmotor - 1.
Verzorging van de auto 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. Motorluchtfilter Peilstok motorolie Vuldop motorolie Remvloeistofreservoir Accu Zekeringenkastje Sproeiervloeistofreservoir Koelvloeistofreservoir Reservoir hydraulische stuurbe‐ krachtigingsvloeistof /AUX. zeke‐ ringhouder (1.4 benzine turbo) Motorolie Wij raden u aan het motoroliepeil vóór elke lange rit handmatig te controle‐ ren. Alleen op een vlakke ondergrond controleren.
206 Verzorging van de auto Wij raden u aan dezelfde soort olie te nemen als voor de laatste olieverver‐ sing is gebruikt. De motorolie mag niet hoger staan dan het bovenste merkteken MAX op de peilstok. De motorolievuldop bevindt zich op de kleppendeksel Voorzichtig Een teveel aan motorolie moet worden afgetapt of afgezogen. Vulhoeveelheden en viscositeit 3 273, 3 260. 9 Waarschuwing Motorolie is irriterend en kan bij in‐ slikken ziekte of overlijden veroor‐ zaken. Uit de buurt van kinderen houden.
Verzorging van de auto Ververs de olie zo snel mogelijk bin‐ nen de volgende 1000 km. Het is onder bepaalde omstandighe‐ den mogelijk dat het olielevensduur‐ systeem aangeeft dat er een heel jaar geen olieverversing nodig is. Het olie‐ filter moet minstens eens per jaar worden vervangen en de olie ververst en dan moet ook het systeem worden gereset. Uw erkende dealer heeft getraind ser‐ vicepersoneel dat deze werkzaamhe‐ den kan uitvoeren en het systeem re‐ setten.
208 Verzorging van de auto Voorzichtig Vergeet niet het controlesysteem oliekwaliteit terug te zetten wan‐ neer de motorolie is ververst. Automatischeversnellingsbakolie Het is niet nodig om het niveau van de automatische versnellingsbakvloei‐ stof te controleren. Als er een probleem is zoals lekkage, laat dit dan door een autowerkplaats verhelpen. Voorzichtig Door het gebruik van de verkeerde vloeistof kan de auto worden be‐ schadigd.
Verzorging van de auto Voorzichtig Motorluchtfilter Vul niet te veel transmissievloei‐ stof bij. Hierdoor kan de transmissie be‐ schadigd worden. Voorzichtig De motor heeft schone lucht nodig om goed te kunnen werken. Laat de motor niet draaien zonder dat het luchtfilterelement geplaatst is. Rijden zonder dat het luchtfilter‐ element op de juiste manier ge‐ plaatst is, kan de motor beschadi‐ gen.
210 Verzorging van de auto Koelvloeistofpeil Voorzichtig Een te laag koelvloeistofpeil kan motorschade veroorzaken. kan zo ernstig letsel worden toe‐ gebracht. De motor moet zijn af‐ gekoeld voordat de dop wordt ge‐ opend. Draai de dop voorzichtig open en laat de druk langzaam ontsnappen. Bijvullen met een mengsel van ge‐ destilleerd water en een type antivries dat goedgekeurd is voor de auto. Dop goed vastdraaien.
Verzorging van de auto Voorzichtig Hydraulische stuurbekrachtiging Het is niet noodzakelijk vaker dan het voorgeschreven interval koel‐ vloeistof bij te vullen. Als u te vaak koelvloeistof moet bijvullen, kan het er op duiden dat de motor onderhoud nodig heeft. Wij adviseren u contact op te ne‐ men met een erkende werkplaats. Als de auto is uitgerust met een elek‐ tronisch stuurbekrachtigingssys‐ teem, wordt er geen stuurbekrachti‐ gingsvloeistof gebruikt.
212 Verzorging van de auto Sproeiervloeistof Remvloeistof 9 Waarschuwing Remvloeistof is giftig en bijtend. Contact met ogen, huid, textiel en lakwerk vermijden. Met sproeiervloeistof vullen die anti‐ vries bevat. Bijvullen van het ruitensproeierreser‐ voir: ■ Gebruik alleen in de handel ver‐ krijgbare kant-en-klare sproeier‐ vloeistof. ■ Geen kraanwater gebruiken. Door de mineralen in kraanwater kunnen de voorruitensproeierleidingen ver‐ stopt raken.
Verzorging van de auto onderdelen van het remsysteem, wat kan resulteren in een slech‐ tere werking van het remsysteem, wat een veiligheidsprobleem is. Gebruik altijd remvloeistof van hoge kwaliteit die goedgekeurd is voor uw automodel. Wij adviseren originele GM-remvloeistof. Voorzichtig Gooi remvloeistof niet weg met het huishoudelijk afval. Breng deze naar een gemeentelijk inzamelpunt voor chemisch afval. Gebruikte remvloeistof en vloei‐ stofblikken zijn gevaarlijk.
214 Verzorging van de auto Accu vervangen Let op Elke afwijking van de in deze para‐ graaf gegeven instructies kan leiden tot een tijdelijke uitschakeling van het stop- startsysteem. Gebruik alleen accu's waarbij het mo‐ gelijk is de zekeringhouder boven de accu te monteren. In auto's met het Stop/Start-systeem dient u ervoor te zorgen dat de AGMaccu (Absorptive Glass Mat) weer wordt vervangen door een AGMaccu. Een AGM-accu kan worden herkend aan het label op de accu.
Verzorging van de auto Als het waterpeil in het brandstoffilter een bepaald niveau overschrijdt, gaat de lamp water in brandstof U bran‐ den. Tap in dat geval het water onmiddel‐ lijk uit het brandstoffilter af. Voorzichtig Zorg voor het aftappen dat u ge‐ heel vertrouwd bent met deze werkzaamheden. Wij adviseren u contact op te ne‐ men met een erkend reparatiebe‐ drijf. 1. Zoek naar het brandstoffilter rondom de brandstoftank. 2. Zet een wateropvangbak onder het brandstoffilter. 3.
216 Verzorging van de auto met een goede reiniger of een mild schoonmaakmiddel. Spoel deze grondig met water af. Procedure zo nodig herhalen. Het is lastig om siliconensporen van glas te verwijderen. Wrijf de voorruit van uw auto daarom nooit in met siliconen‐ houdende middelen om strepen en een slechter zicht voor de bestuurder te voorkomen. Reinig ruitenwissers niet met oplos‐ middelen, benzine, kerosine of verf‐ verdunner. Deze bijten en kunnen de bladen en het lakwerk beschadigen. 1.
Verzorging van de auto 3. Verwijder het wisserblad uit de houder, let op het geleidingsgat. Gloeilamp vervangen Koplampen Contact uitschakelen en desbetref‐ fende schakelaar uitschakelen of por‐ tieren sluiten. Nieuwe gloeilamp alleen aan fitting vastpakken! Het glas van de gloei‐ lamp niet met blote handen aanraken. Bij vervangen altijd hetzelfde type gloeilamp gebruiken. Vervang de gloeilampen van de kop‐ lampen vanuit de motorruimte.
218 Verzorging van de auto 2. Druk de veerklem in, maak hem los. 3. Gloeilamp uit reflectorhuis verwij‐ deren. Auto's met halogeenkoplampen tijdens rijden in het buitenland Voorzichtig Laat de koplamphoogte na het deactiveren controleren. Wij adviseren u contact op te ne‐ men met een erkend reparatiebe‐ drijf. 9 Waarschuwing 4. Stekker van gloeilamp loshalen. 5. Vervang de gloeilamp en maak de connector vast aan de gloeilamp. 6.
Verzorging van de auto Parkeerlichten 2. Lamphouder zijmarkeringslicht uit reflectorhuis verwijderen. 3. Stekker van gloeilamp loshalen. 219 Mistlampen Gloeilampen door een werkplaats la‐ ten vervangen. Richtingaanwijzers vooraan 1. Koplampafdekking verwijderen. 4. Gloeilamp uit lamphouder verwij‐ deren. 5. Nieuwe gloeilamp plaatsen. 6. Stekker aan gloeilamp bevesti‐ gen. 7. Lamphouder in reflectorhuis aan‐ brengen. 8. Koplampafdekking aanbrengen en vastdraaien. 1.
220 Verzorging van de auto Achterlichten 2. Gloeilamp iets in lamphouder du‐ wen, linksom draaien, verwijderen en nieuwe gloeilamp plaatsen. 3. Lamphouder in reflectorhuis plaatsen en rechtsom vergrende‐ len. 1. Beide boutjes losdraaien. 2. Trek aan de achterlichteenheid om te verwijderen. De kabelgelei‐ der moet op zijn plaats blijven zit‐ ten. 3. Achterlicht/remlicht (1). Richtingaanwijzer (2). Achteruitrijlicht (passagierszijde) / mistachterlicht (bestuurderszijde) (3).
Verzorging van de auto 4. Lamphouder linksom draaien. 5. Lamphouder verwijderen. Gloei‐ lamp iets in lamphouder duwen, linksom draaien, verwijderen en nieuwe gloeilamp plaatsen. 6. Lamphouder in de achterlicht-unit steken en vastschroeven. Achter‐ licht-unit in carrosserie aanbren‐ gen en boutjes vastdraaien. Af‐ dekkingen sluiten en vastklikken. 7. Contact inschakelen, verlichting activeren en controleren of alle lampen werken. Zijrichtingaanwijzers 221 1. Lampelement met schroeven‐ draaier loswippen.
222 Verzorging van de auto Derde remlicht Kentekenverlichting Binnenverlichting Interieurverlichting 1. Wrik de kant tegenover de licht‐ schakelaar met een platte schroe‐ vendraaier los om deze te verwij‐ deren. (Maak geen krassen.) 2. Verwijder de gloeilamp. 3. Vervang de gloeilamp. 4. Plaats de lampeenheid terug. Als het derde remlicht niet functio‐ neert, laat dit dan controleren door een autowerkplaats. 1. Lampelement met schroeven‐ draaier loswippen. 2.
Verzorging van de auto Elektrisch systeem Zekeringen 2. Lamp verwijderen. 3. Nieuwe gloeilamp plaatsen. 4. Lampelement aanbrengen. Controleren of het opschrift op de ver‐ vangende zekering overeenkomt met dat op de defecte zekering. In een kastje boven de pluspool van de accu zitten enkele hoofdzekerin‐ gen. Deze zo nodig vervangen door een werkplaats laten vervangen. Alvorens een zekering te vervangen, de desbetreffende schakelaar en het contact uitschakelen.
224 Verzorging van de auto De zekeringenkast bevindt zich in de motorruimte. Maak het deksel los, til het op en ver‐ wijder het. Benzine Nr.
Verzorging van de auto Nr. Stroomkring Nr.
226 Verzorging van de auto Nr. Stroomkring Nr. Stroomkring Nr.
Verzorging van de auto Diesel 227 Nr. Stroomkring Nr.
228 Verzorging van de auto Nr. Stroomkring Nr.
Verzorging van de auto 1.
230 Verzorging van de auto AUX. zekeringhouder (1.4 benzine turbo) De hulpzekeringhouder zit in de mo‐ torruimte naast het koelvloeistofre‐ servoir. R1: relais koelventilator K3 R2: relais koelventilator K7 Nr. Stroomkring 1 DLIS 2 DLC 3 Airbag 4 Achterklep 5 Reservezekering Zekeringenkast instrumentenpaneel 6-13 Carrosserieregelmodule Het zekeringenkastje interieur be‐ vindt zich aan de onderzijde van het dashboard aan de bestuurderszijde.
Verzorging van de auto Nr. Stroomkring Nr.
232 Verzorging van de auto Velgen en banden Conditie van banden en velgen Zo langzaam mogelijk en onder een rechte hoek over obstakels rijden. Het rijden over scherpe randen kan schade aan banden en velgen tot ge‐ volg hebben. Banden niet tegen de stoeprand klemmen. De wielen regelmatig op beschadi‐ ging controleren. Bij beschadigingen of abnormale slijtage de hulp van een werkplaats inroepen.
Verzorging van de auto Een onjuiste bandenspanning beïn‐ vloedt de veiligheid, het weggedrag, het rijcomfort en het brandstofver‐ bruik negatief en verhoogt de ban‐ denslijtage. bandenspanning en verzenden de waarden ervan naar een ontvanger in de auto. 9 Waarschuwing Een te lage bandenspanning kan aanleiding geven tot oververhitting van de banden en interne bescha‐ digingen, wat bij hoge snelheden loslatende loopvlakken en zelfs klapbanden kan veroorzaken.
234 Verzorging van de auto Bij een te lage bandenspanning gaat A op de instrumentengroep branden. Stop als het verklikkerlichtje voor een te lage bandenspanning oplicht zo spoedig mogelijk en breng de banden op de aanbevolen spanning. Bandenspanning 3 274. A licht bij elke contactcyclus op totdat de banden op de juiste spanning zijn gebracht. A kan bij het starten van de auto bij koud weer oplichten en gaat dan on‐ derweg uit.
Verzorging van de auto worden gekoppeld. Koppel de TPMSsensor ook na het vervangen van een reserveband door een volwaardige band met de TPMS-sensor. Bij de vol‐ gende contactcyclus moet A uit gaan. De sensoren zijn met een inleertool voor het TPMS aan de posities van de banden/wielen gekoppeld in deze volgorde: band linksvoor, band rechtsvoor, band rechtsachter en band linksachter. Raadpleeg uw er‐ kende Chevrolet dealer voor het ver‐ richten van deze werkzaamheden of de aanschaf van een programmeer‐ tool.
236 Verzorging van de auto aan aan de band linksachter ge‐ koppeld is en dat het koppelen van de TPMS-sensoren voltooid is. 12. Zet het contact op LOCK/OFF. 13. Breng alle vier de banden op de aanbevolen spanning zoals aan‐ geduid op het label bandenspan‐ ning en beladingsinformatie. Banden verouderen ook wanneer er niet mee gereden wordt. Wij raden u aan de banden om de 6 jaar te ver‐ vangen.
Verzorging van de auto 9 Waarschuwing Het gebruik van ongeschikte ban‐ den of velgen kan tot ongelukken leiden en maakt de typegoedkeu‐ ring van het voertuig ongeldig. 9 Waarschuwing Gebruik gaan andere banden-/ velgmaten dan die oorspronkelijk op het voertuig werden geplaatst. Dit kan van invloed zijn op de vei‐ ligheid en prestatie van het voer‐ tuig. Dit kan leiden tot problemen met sturen, omrollen en ernstig let‐ sel.
238 Verzorging van de auto gebalanceerd. Raadpleeg uw er‐ kende Chevrolet dealer voor de juiste diagnose. Sneeuwkettingen Sneeuwkettingen zijn alleen toege‐ staan op de vooras (uitsluitend bij 14, 15, 16 inch banden). Gebruik altijd kettingen met fijne schakels waardoor het loopvlak en de binnenkanten (inclusief kettingslot) met niet meer dan 10 mm toenemen. 9 Waarschuwing Beschadigingen kunnen een klap‐ band veroorzaken.
Verzorging van de auto 3. Verwijder de aansluitkabel (1) en de luchtslang (2) uit de opberg‐ vakken aan de onderkant van de compressor. 4. De schakelaar van de compres‐ sor moet op § staan. 5. Schroef de compressorluchtslang op de koppeling van de fles af‐ dichtmiddel. 6. Steek de compressorstekker in de accessoireaansluiting (12 V-aan‐ sluiting of aanstekercontact). Om te voorkomen dat de accu van de auto leegraakt, is het raadzaam de motor te laten draaien. 7.
240 Verzorging van de auto 13. De voorgeschreven bandenspan‐ ning (ongeveer 2,4 bar) moet bin‐ nen 10 minuten worden bereikt. Schakel de compressor uit wan‐ neer de juiste bandenspanning is bereikt. Wordt de voorgeschreven ban‐ denspanning niet binnen 10 minuten bereikt, dan de ban‐ denreparatieset verwijderen. De auto één wielomwenteling ver‐ plaatsen. De bandenreparatieset weer aansluiten en het vulproces 10 minuten lang voortzetten.
Verzorging van de auto Bij een bandenspanning lager dan 1,3 bar, de auto niet meer ge‐ bruiken. De hulp van een werk‐ plaats inroepen. 18. Bandenreparatieset in de baga‐ geruimte opbergen. Let op Het rijcomfort van de gerepareerde band is sterk verslechterd, laat deze band daarom vervangen. Als er een ongewoon geluid klinkt of de compressor warm wordt, de com‐ pressor gedurende minstens 30 mi‐ nuten uitschakelen. Controleer de houdbaarheidsdatum van de set.
242 Verzorging van de auto ■ Nooit onder een opgekrikte auto kruipen. ■ Opgekrikte auto niet starten. ■ Maak de wielmoeren en de schroefdraad schoon alvorens het wiel te monteren. 2. Klap de wielsleutel uit, zet deze stevig op de wielmoer en draai elke moer een halve slag los. 9 Waarschuwing We hebben de krik speciaal voor uw auto ontworpen. Gebruik de krik van uw auto niet bij andere auto's. Overschrijd nooit het maximaal toegestane gewicht van de krik.
Verzorging van de auto 5. Draai de sleutel waarbij u de cor‐ recte positie van de krik contro‐ leert tot het wiel vrij is van de grond. 6. Draai de wielmoeren los. 7. Wiel verwisselen. 8. Draai de wielmoeren erop. 9. Auto laten zakken. 10. Wielsleutel aanbrengen, let er hierbij op dat deze stevig vastzit en de wielmoeren kruislings aan‐ halen. 11. Wieldop voor het aanbrengen zo verdraaien dat de ventielopening over het bandventiel valt. Wielmoerdoppen aanbrengen. 12.
244 Verzorging van de auto negatief worden beïnvloed. Defecte band zo spoedig mogelijk laten ver‐ vangen. Voorzichtig Het reservewiel is alleen bedoeld voor tijdelijk noodgebruik. Vervang deze zo spoedig mogelijk door een normale band. Gebruik geen sneeuwkettingen. Monteer geen band op deze velg dat niet gelijk is aan het origineel. Niet op andere voertuigen monte‐ ren. Compact reservewiel Het reservewiel ligt in de bagage‐ ruimte onder de vloerafdekplaat.
Verzorging van de auto Starthulp gebruiken Niet starten met behulp van een snel‐ lader. Bij een ontladen accu van de auto kan de motor worden gestart met hulp‐ startkabels en de accu van een an‐ dere auto. 9 Waarschuwing Ga bij het werken met hulpstartka‐ bels uiterst behoedzaam te werk. Afwijken van de onderstaande in‐ structies kan letsel of schade door exploderen van de accu of schade aan de elektrische systemen van beide voertuigen veroorzaken.
246 Verzorging van de auto Aansluitvolgorde van de kabels: 1. Rode kabel op de pluspool van de hulpstartaccu aansluiten. 2. Het andere uiteinde van de rode kabel op de pluspool van de ont‐ laden accu aansluiten. 3. Zwarte kabel op de minuspool van de hulpstartaccu aansluiten. 4. Het andere uiteinde van de zwarte kabel op de massa van de auto aansluiten, bijv. op het motorblok of op een bout van de motorop‐ hanging. Zover mogelijk van de ontladen accu aansluiten; mini‐ maal 60 cm.
Verzorging van de auto 247 Ga voor het slepen van een auto als volgt te werk: ■ Laat geen passagiers in de ge‐ sleepte auto zitten. ■ Zet de handrem van de gesleepte auto los en zet de versnellingsbak in de neutraalstand. ■ Schakel de alarmknipperlichten in. ■ Houd u aan de maximumsnelhe‐ den. Slepen bij noodgevallen Wanneer een sleepservice niet be‐ schikbaar bij een noodgeval, mag uw auto tijdelijk worden gesleept met een kabel die bevestigd is aan het nood‐ sleepoog.
248 Verzorging van de auto Voorzichtig Langzaam wegrijden. Schok‐ kende bewegingen vermijden. Buitensporige trekkrachten kun‐ nen de auto beschadigen. Sleepoog inschroeven en tot aan de aanslag in horizontale stand vast‐ draaien. Sleepkabel – beter is een sleepstang – aan sleepoog bevestigen. Sleepoog alleen gebruiken om de auto weg te slepen en niet om deze te bergen. Ontsteking inschakelen om het stuur‐ slot op te heffen en remlichten, claxon en voorruitwisser te kunnen bedie‐ nen.
Verzorging van de auto Voorzichtig Langzaam wegrijden. Schok‐ kende bewegingen vermijden. Buitensporige trekkrachten kun‐ nen de auto beschadigen. Sleepoog inschroeven en tot aan de aanslag in horizontale stand vast‐ draaien. Sleepkabel, of beter nog een sleep‐ stang, aan het sleepoog bevestigen. Sleepoog alleen gebruiken om de auto weg te slepen en niet om deze te bergen. Na het slepen plaatst u de afdekking weer stevig terug.
250 Verzorging van de auto Bij een bezoek aan een carwash, de aanwijzingen van de exploitant opvol‐ gen. Voorruitwissers en achterruit‐ wisser uitschakelen. Auto vergrende‐ len zodat de tankvulklep niet kan wor‐ den geopend. Antenne en accessoi‐ res op de buitenkant van de auto zoals een dakdragersysteem verwij‐ deren. Bij handmatig wassen erop letten dat ook de binnenkant van de wielkasten grondig schoongespoten worden.
Verzorging van de auto Bij het reinigen van de achterruit de verwarmingsdraden aan de binnen‐ kant niet beschadigen. Wrijf bij het reinigen van de binnen‐ kant van de achterruit altijd parallel aan het verwarmingselement om schade te voorkomen. Om handmatig ijs te verwijderen, een ijskrabber met een scherpe rand ge‐ bruiken. IJskrabber stevig tegen de ruit drukken, zodat er geen vuil onder de krabber kan komen en er geen krassen op de ruit worden gemaakt.
252 Verzorging van de auto Het weefsel van de stof is wellicht niet kleurvast. Dit kan zichtbare verkleu‐ ringen veroorzaken, met name op lichtgekleurde bekleding. Reinig ver‐ wijderbare vlekken en verkleuringen zo spoedig mogelijk. Veiligheidsgordels met lauw water of een interieurreiniger schoonmaken. Voorzichtig Eventuele klittenbandsluitingen aan kleding dichtmaken aange‐ zien losse klittenbandsluitingen de stoelbekleding kunnen beschadi‐ gen.
Service en onderhoud Service en onderhoud Algemene informatie Algemene informatie .................. 253 Periodiek onderhoud ................. 254 Aanbevolen vloeistoffen, smeer‐ middelen en onderdelen ............ 260 Het is voor de bedrijfs- en verkeers‐ veiligheid en voor het behoud van de waarde van uw auto belangrijk dat alle servicewerkzaamheden met de voorgeschreven intervallen worden uitgevoerd.
254 Service en onderhoud Periodiek onderhoud Serviceschema's Onderhoudsinterval 1 keer per jaar /15000 km (wat het eerst wordt bereikt) Onderhoud I: gebruik Onderhoud I voor de eerste onderhoudsbeurt of als Onderhoud II eerder werd uitgevoerd. Onderhoud II: gebruik Onderhoud II als de vorige onderhoudsbeurt die werd uitgevoerd Onderhoud I was. Nee Onderhoudswerkzaamheid Onderhoud I Onderhoud II 1 Vervang motorolie en filter. R R 2 Controleer op lekken of beschadiging.
Service en onderhoud Nee Onderhoudswerkzaamheid 255 Onderhoud I Onderhoud II Onderhoud 2 - voer alle services uit die beschreven staan in Onderhoud 1, plus het volgende 12 Vervang de remvloeistof. R 13 Controleer het motorkoelsysteem. I 14 Controleer de onderdelen van het beveiligingssysteem. I 15 Inspecteer de aandrijving en aandrijfonderdelen. I 16 Smeer de carrosserie-onderdelen. I I: Controleer deze items en hun verwante onderdelen.
256 Service en onderhoud Nee Omschrijving Aveo 25 Vervang de distributieketting. Elke 240000 km / 10 jaar 26 Vervang distributieriem.
Service en onderhoud Voetnoten Onderhoudsitem 257 Opmerking 1 Bij rijden onder ruwe omstandigheden: korte afstandsritten, buitensporig vrijlopen of rijden in stoffige omstandigheden is het mogelijk dat de motorolie en filter vaker moeten worden vervangen. 2 Vloeistofverlies in elk voertuigsysteem kan op een probleem duiden. Het systeem moet worden gecontroleerd en gerepareerd en het vloeistofpeil gecontroleerd. Voeg zo nodig vloeistof toe.
258 Service en onderhoud Onderhoudsitem Opmerking 13 Controleer de slangen visueel en laat ze vervangen wanneer ze gebarsten, opgezwollen of in slechte toestand zijn. Controleer alle leidingen, aansluitingen en klemmen; waar nodig vervangen door originele onderdelen. Om voor een correcte werking te zorgen, wordt een druktest van het koelsysteem en de drukdop en het reinigen van de radiator en de aircocon‐ densor geadviseerd.
Service en onderhoud Onderhoudsitem 259 Opmerking Algemeen voor veiligheids‐ Voer een visuele inspectie uit om rafelen, overmatige barsten of duidelijke schade vast te gordels stellen. Vervang de riem indien nodig. Algemeen voor alle Controleer alle systemen op interferentie of verbuiging en op beschadigde of ontbrekende onderdelen. Vervang de onderdelen indien nodig. Vervang elk onderdeel dat overmatige slijtage vertoont.
260 Service en onderhoud Aanvullend onderhoud Zware bedrijfsomstandigheden Gebruiksomstandigheden worden als zwaar beschouwd wanneer u vaak te maken krijgt met een of meer van de onderstaande zaken: ■ Herhaald rijden van korte afstan‐ den van minder dan 10 km. ■ Veelvuldig stationair draaien, veel‐ vuldig rijden met lage snelheden in druk verkeer. ■ Rijden op stoffige wegen. ■ Rijden in bergachtige gebieden. ■ Het trekken van een aanhanger.
Service en onderhoud Motorolie Motorolie wordt ingedeeld op basis van kwaliteit en viscositeit. Bij de keuze van motorolie is kwaliteit be‐ langrijker dan viscositeit. Door de oliekwaliteit blijft o.a. de motor schoon, is de slijtage minimaal en veroudert de olie minder snel. De vis‐ cositeit geeft informatie over de dikte van de olie bij diverse temperaturen.
262 Service en onderhoud Tot -25 °C en lager: 0W-30, 0W-40 Koelvloeistof en antivries SAE 5W-30 is de beste viscositeits‐ graad voor uw auto. Gebruik geen an‐ dere viscositeitsgraad zoals SAE 10W-30, 10W-40 of 20W-50. Gebruik bij lage temperaturen: In een extreem koud gebied, waar de temperatuur onder -25 °C komt, moet een SAE 0W-xx olie worden gebruikt. Olie met deze viscositeitsgraad zorgt voor een eenvoudige koude start van de motor bij extreem lage temperatu‐ ren.
Service en onderhoud Stuurbekrachtigingsvloeistof Gebruik uitsluitend Dexron VI-vloei‐ stof. Transmissie-olie voor handgeschakelde transmissie Bij 1.6 benzinemotor: gebruik uitslui‐ tend SAE75W90-vloeistof. Behalve bij 1.6 benzinemotor: gebruik alleen Castrol BOT 303-vloeistof. ATF-olie Gebruik uitsluitend Dexron VI-vloei‐ stof.
264 Technische gegevens Technische gegevens Voertuigidentificatie ................... 264 Autogegevens ............................ 265 Voertuigidentificatie Typeplaatje Voertuigidentificatienum‐ mer Het typeplaatje zit in de opening van het portier links. Het voertuigidentificatienummer (VIN) is gegraveerd op het midden van de brandwerende plaat.
Technische gegevens Autogegevens Motorgegevens Verkoopaanduiding Motoraanduiding 1.2D/1.2D ECO LDC 1.2D Detuned LWD 1.4D LDD 1.4 Turbo LUJ 1.
266 Technische gegevens Verkoopaanduiding Motoraanduiding 1.3 FGT LDV 1.3 VGT LSF 1.
Technische gegevens 267 Prestaties Motor 1.2D 1.2D ECO 1.2D DETUNED 1.4D 1.4 Turbo 1.6D Handgeschakelde versnellingsbak 171 183 162 177 197 189 Automatische versnellingsbak – – – 175 182 186 Topsnelheid1) 1) [km/u] De aangegeven topsnelheid is te bereiken bij leeggewicht (zonder bestuurder) plus 200 kg aan belading. Bij montage van extra uitrusting en accessoires geldt een lagere topsnelheid dan gespecificeerd. Motor 1.3 FGT & MT 1.3 VGT & MT 1.
268 Technische gegevens Voertuiggewicht Minimaal leeggewicht, met bestuurder (75 kg) Benzinemotor Motor Stop/Start-systeem Hatchback/notchback [kg] 1.2D & MT X 1145/1160 O 1156/1164 X 1145/1160 O 1156/1164 1.2D ECO & MT O 1139/- 1.4D & MT O 1164/1184 1.4D & AT O 1192/1204 1.4 Turbo & MT X 1276/- 1.4 Turbo & AT X 1300/- 1.6D & MT O 1229/1245 1.6D & AT O 1245/1259 1.
Technische gegevens Dieselmotor Motor Type auto [kg] 1.3 FGT & MT Hatchback 1247 Notchback 1262 Hatchback 1260 Notchback 1275 Hatchback 1240 Notchback 1278 1.3 VGT & MT 1.3 VGT ECO & MT Maximaal leeggewicht, met bestuurder (75 kg) Benzinemotor Motor Stop/Start-systeem Hatchback/notchback [kg] 1.2D & MT X 1236/1251 O 1247/1255 X 1209/1224 O 1220/1228 1.2D DETUNED & MT 1.2D ECO & MT O 1221/- 1.4D & MT O 1256/1276 1.4D & AT O 1284/1296 1.
270 Technische gegevens Motor Stop/Start-systeem Hatchback/notchback [kg] 1.4 Turbo & AT X 1322/- 1.6D & MT O 1296/1312 1.6D & AT O 1312/1326 Dieselmotor Motor Type auto [kg] 1.3 FGT & MT Hatchback 1333 Notchback 1348 Hatchback 1346 Notchback 1361 Hatchback 1330 Notchback 1345 1.3 VGT & MT 1.
Technische gegevens Maximaal toegestane massa Benzinemotor Motor Stop/Start-systeem Hatchback/notchback [kg] 1.2D & MT X 1557/1566 O 1568/1570 X 1530/1539 O 1541/1543 1.2D ECO & MT O 1542/- 1.4D & MT O 1569/1581 1.4D & AT O 1597/1601 1.4 Turbo & MT X 1612/- 1.4 Turbo & AT X 1636/- 1.6D & MT O 1610/1617 1.6D & AT O 1626/1631 1.
272 Technische gegevens Dieselmotor Motor Type auto Hatchback/notchback [kg] 1.3 FGT & MT Hatchback 1658 Notchback 1668 Hatchback 1686 Notchback 1696 Hatchback 1634 Notchback 1649 1.3 VGT & MT 1.
Technische gegevens Inhouden Motorolie Motor 1.2 D, 1.4 D BENZINE 1.4 Turbo DIESEL 1.3 VGT 1.6 D 1.
274 Technische gegevens Bandenspanningswaarden Banden 185/75 R143) 195/65 R15 Voor [kPa/bar] ([psi]) 1~3 personen COMPORT ECO 4~5 personen GVW2) Achter [kPa/bar] ([psi]) 1~3 personen COMPORT ECO 4~5 personen GVW2) 240/2,4 (35) 240/2,4 (35) 240/2,4 (35) 290/2,9 (42) 270/2,7 (39) 260/2,6 (38) 240/2,4 (35) 300/3,0 (43) 240/2,4 (35) 240/2,4 (35) 260/2,6 (38) 310/3,1 (45) R154) 240/2,4 (35) 270/2,7 (39) 240/2,4 (35) 240/2,4 (35) 260/2,6 (38) 310/3,1 (45) 205/55 R165) 240/2,4 (35) 270
Klantinformatie 275 Klantinformatie Registratie van voertuigdata en privacy voorkeuren vastleggen, zoals radio‐ voorkeuze-instellingen, stoelposities en temperatuurinstellingen. Registratie van voertuigdata en privacy ....................................... 275 Het voertuig beschikt over een aantal computers die informatie registreren over de prestaties van het voertuig en de manier waarop er mee gereden is.
276 Klantinformatie De gegevens kunnen het volgende tonen: ■ Hoe verschillende systemen in de auto werkten. ■ Of de veiligheidsgordels van be‐ stuurder en passagier waren om‐ gelegd/bevestigd. ■ Of en zo ja hoe diep de bestuurder het gaspedaal en/of rempedaal in‐ drukte. ■ Hoe hard de auto reed. Deze gegevens kunnen van dienst zijn bij het verkrijgen van een inzicht in de omstandigheden waarin botsin‐ gen en letsel voorkomen.
Klantinformatie 277
278 Trefwoordenlijst A Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen ....................... 260 Aanduidingen op banden .......... 232 Aansteker .................................... 71 Aanvullend onderhoud .............. 260 Accessoires en modificaties van auto ........................................ 196 Accu ........................................... 213 Achterlichten......................... 83, 220 Achterruitverwarming ................... 33 Achteruitkijkcamera ...................
279 Brandstofverbruik - CO2-uitstoot 194 Brandstof voor benzinemotoren 192 Brandstof voor dieselmotoren . . . 192 C Cd-speler ................................... 129 Centrale vergrendeling ................ 22 Claxon ................................... 13, 67 Contactslotstanden .................... 171 Controlelampen............................ 75 Controle over de auto ................ 170 Controlesysteem oliekwaliteit..... 206 Cruise control ...................... 83, 186 D Dagrijlicht..................
280 Koplampinstelling in het buitenland ................................ 97 Koplampverstelling ...................... 96 L Laadsysteem ............................... 79 Lichtschakelaar ............................ 95 Lichtsignaal .................................. 96 Luchtinlaat ................................. 168 M Mistachterlicht .............................. 83 Mistachterlichten .......................... 98 Mistlamp ...................................... 83 Mistlampen voor ......................
281 Stuurwiel instellen .......................... 9 Stuurwielverstelling ...................... 66 T Tanken ....................................... 192 Te laag brandstofpeil ................... 82 Telefoon met handsfreefunctie . . 151 Toerenteller ................................. 74 Top-Tether-bevestigingsogen...... 57 Traction Control ......................... 184 Traction Control-systeem UIT ...... 81 Transmissie-olie......................... 260 Tripcomputer ...............................
282
Copyright GM Korea Company, Inchon, Korea and Chevrolet Europe GmbH, Zürich, Switzerland. Alle informatie in dit boekje is actueel ten tijde van het ter perse gaan ervan en geldt met ingang van de onderstaand vermelde datum. Chevrolet Europe GmbH behoudt zich het exclusieve recht voor om wijzigingen in dit boekje aan te brengen. Editie: oktober 2013, Chevrolet Europe GmbH, Zürich, Switzerland. Gedrukt op chloorvrij gebleekt papier.