Operation Manual
108
Het beeld is wazig of onscherp.
Het AF-hulplicht is ingesteld
op [Uit].
In donkere omgevingen die ongunstig
zijn voor het automatisch scherpstellen
van de camera, wordt het AF-hulplicht
geactiveerd om het scherpstellen te
vergemakkelijken. Het AF-hulplicht werkt
niet wanneer het is uitgeschakeld. U
moet het daarom inschakelen ([Aan]) om
het te activeren (p. 33). Zorg ervoor dat u
het AF-hulplicht niet afdekt met uw hand
wanneer het wordt gebruikt.
De camera beweegt
wanneer de ontspanknop
wordt ingedrukt.
Als u de zelfontspanner op
(2 seconden) instelt, wordt de sluiter na
2 seconden geactiveerd zodat de
camera niet beweegt en u een scherp
beeld krijgt (p. 45).
De resultaten worden nog beter als u de
camera op een vlakke ondergrond of op
een statief plaatst.
Het onderwerp valt buiten
het focusbereik.
Maak een opname op de juiste afstand
van het onderwerp (p. 130).
Het onderwerp laat zich
moeilijk scherpstellen.
Gebruik de scherpstelvergrendeling of
AF lock om de opname te maken (p. 52).
Het onderwerp van de opname is te donker.
Er is niet voldoende licht.
Stel de flitser in op (flits aan)
(Verkorte handleiding p. 9).
Het onderwerp is veel
donkerder dan de
achtergrond.
Stel de belichtingscompensatie in op een
positieve waarde (+) (p. 56).
Gebruik AE lock of gebruik spotmeting
(p. 53, 55).
Het onderwerp valt buiten
het bereik van de flitser.
Zorg er bij het gebruik van de
ingebouwde flitser voor dat u de opname
maakt op de juiste afstand van het
onderwerp (p. 131).
Verhoog de ISO-waarde voordat u de
opname maakt (p. 69).










